topic

Over onderwijs

74

plenaire vragen

0

voorstellen

meeste contributies

Ochratoxine A in rozijnen en studentenhaver

Gesteld door

N-VA Lotte Peeters

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 27 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lotte Peeters vraagt minister Clarinval om uitleg over de terugroepactie (eind 2025) van rozijnen en studentenhaver met te hoge Ochratoxine A-gehalten (nier- en mogelijk kankerrisico), inclusief timing, extra controles en structurele oplossingen. Clarinval antwoordt dat het FAVV op 19/12/2025 werd gewaarschuwd via RASFF, maar de terugroep op 2/1/2026 werd ingetrokken na een conforme heranalyse door Luxemburg; geen structureel probleem, wel een natuurlijk risico afhankelijk van weersomstandigheden, met bestaande EU-regels en autocontroles door producenten. Peeters benadrukt het belang van strenge droog- en bewaarregels en verwelkomt de jaarlijkse FAVV-controles, met een schriftelijke navraag over recente Ochratoxine A-gevallen.

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, eind 2025 riepen supermarktketens Cora en Carrefour rozijnen en biologische studentenhaver terug, omdat ze een te hoog gehalte aan Ochratoxine A bevatten. Dat is een giftige stof die door schimmels in voeding kan ontstaan en schadelijk is voor de gezondheid. Een langdurige blootstelling aan Ochratoxine A kan namelijk nierschade veroorzaken en is mogelijk ook kankerverwekkend.

Ten eerste, de terugroepactie gebeurde in overleg met het FAVV. Wanneer werd het voedselagentschap op de hoogte gebracht en wanneer werd beslist om die producten uit de handel te halen en terug te roepen?

Ten tweede, werden extra controles uitgevoerd naar de aanwezigheid van Ochratoxine A in rozijnen of studentenhaver van andere supermarktketens met eenzelfde leverancier?

Ten derde, werd een onderzoek gestart naar structurele problemen in de voedselketen, zoals opslag, transport of import uit bepaalde regio’s?

Ten slotte, overweegt u bijkomende sensibilisering van producenten en distributeurs over het voorkomen van schimmelvorming en dergelijke in voeding?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

David Clarinval:

Ochratoxine A is een mycotoxine die wordt geproduceerd door schimmels zoals Aspergillus en Penicillium. De stof komt vooral voor in plantaardige producten zoals granen, koffie en gedroogd fruit. De vorming ervan wordt gestimuleerd door een hoge vochtigheid of onvoldoende droging van de grondstof en door een ongeschikte temperatuur.

Het FAVV werd op 19 december 2025 door de Luxemburgse autoriteiten op de hoogte gebracht via het Europese RASFF-systeem. De betrokken distributeurs Cora en Carrefour publiceerden respectievelijk op 25 en 26 december 2025 een persbericht over de terugroepactie. Op 2 januari 2026 trokken de Luxemburgse autoriteiten de RASFF-melding in na een tweede analyse.

De betrokken producten werden op basis van die analyse als conform beschouwd. Bijgevolg werden de Belgische terugroepmaatregelen en de persberichten opgeheven. De betrokken loten werden geïdentificeerd aan de hand van traceerbaarheidsgegevens.

Er waren geen andere supermarkten betrokken.

Wanneer de leverancier of producent in een andere lidstaat is gevestigd, voert de bevoegde autoriteit van die lidstaat het onderzoek en informeert zij andere lidstaten via het RASFF-systeem. De procedure is erop gericht alle mogelijk betrokken loten in kaart te brengen. In dit geval was dat niet nodig vanwege de conforme resultaten van de tweede analyse uitgevoerd door Luxemburg.

Mycotoxinen, waaronder ochratoxine A, vormen een bekend gevaar voor bepaalde producten. Ze zijn strikt gereglementeerd in de Europese wetgeving. Exploitanten en bevoegde autoriteiten zijn zich bewust van de risico's en zetten zich in om de veiligheid van de consumenten te waarborgen. Het betreft dus geen structureel probleem, maar een gevaar dat van nature, afhankelijk van de weersomstandigheden, aanwezig kan zijn in bepaalde producten.

De controle van grondstoffen en eindproducten valt in eerste instantie onder de verantwoordelijkheid van de producent of leverancier en de betrokken supermarktketens in het kader van hun autocontrolesystemen. De betrokken sectoren, poductie, verwerking en distributie, nemen de controle op mycotoxine, waaronder ochratoxine A, al lang op in hun richtlijnen voor autocontrole.

Tot slot voert het FAVV jaarlijks monsternemingen uit in het kader van het controleplan. De programmatie van die monsters is risicogebaseerd. Het agentschap volgt eveneens systematisch de Europese RASFF-meldingen en de verplichte notificaties van operatoren op.

Lotte Peeters:

Dank u wel, mijnheer de minister. Het is goed dat er een tweede analyse is uitgevoerd met een gunstig resultaat, waardoor de melding kon worden ingetrokken. Dat illustreert natuurlijk wel waarom strenge regels noodzakelijk zijn met betrekking tot het drogen en correct bewaren van onder andere fruit, granen of koffie, die dan ook gevolgd moeten worden door producenten en leveranciers. Het is ook geruststellend dat het FAVV instaat voor jaarlijkse extra controles op basis van staalnames. Ik heb over de materie ook een extra schriftelijke vraag ingediend om een beter beeld te krijgen van het voorkomen van ochratoxine A in onze voeding het afgelopen jaar. Ik kijk uit naar uw antwoord daarop.

De studentenhuizen voor buitenlandse studenten

Gesteld door

PS Khalil Aouasti

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Khalil Aouasti bekritiseert de plotselinge volledige schrapping (100% bezuiniging) van de federale subsidie (€1,7 miljoen) voor 10 studentenfoyers die sinds 1960 buitenlandse studenten uit partnerlanden huisvesten, zonder overgangsmaatregelen of alternatief financieel kader. Hij stelt dat dit de autonome federale bevoegdheid van ontwikkelingsamenwerking ondermijnt en reduceert tot een bijzaak van gemeenschapsbevoegdheden (onderwijs). Minister Maxime Prévot verdedigt de afschaffing van het “verouderde” AR uit 1974, wijzend op dubbel financieel draagvlak (universiteiten nemen socioculturele begeleiding al over) en een hervormd beurssysteem gericht op korte onderzoekstrajecten via VLIR/ARES. Hij belooft wel een eenmalige overbruggingsubsidie voor 2026 en benadrukt dat ontwikkelingsamenwerking een “volwaardige federale bevoegdheid” blijft, maar geïntegreerd in buitenlands beleid. Aouasti repliceert dat de beslissing niet gebaseerd is op eigen ontwikkelingsbeleid, maar op delegatie naar gemeenschapsactoren, wat de complementaire federale rol (langetermijnbanden met partnerlanden) uitholt. Hij vreest een structurele verschuiving naar defederalisering en aankondigt toezicht op toekomstige beleidskeuzes.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, ma question concerne les foyers qui sont répartis sur l'ensemble du territoire belge et qui, depuis les années 1960, accueillent des étudiants étrangers. Si des économies avaient été annoncées, on annonce finalement une économie de 100 % sur un budget annuel de 1,7 million d'euros pour ces foyers accueillant des étudiants étrangers, ce qui revient en réalité à supprimer purement et simplement, sans qu'aucune mesure transitoire n'ait été communiquée, le mécanisme de financement et l'accueil qui est réservé à ces étudiants.

Cette politique existe depuis très longtemps mais cette mesure signifie aussi, au-delà de la politique de fond, que vous considérez désormais, à travers cela et à travers les justifications qui ont pu être données, que la coopération au développement n'est plus simplement une compétence fédérale autonome mais qu'elle devient l'accessoire d'une compétence principale, en l'occurrence la compétence de l'enseignement, qui serait dévolue aux entités communautaires. C'est là un changement important alors que l'on nous parle depuis quelques mois de compétences usurpées dans ce gouvernement.

Monsieur le ministre, vous avez reçu mes questions, je vais donc m'y référer et j'écouterai vos réponses avec grand intérêt.

Depuis les années 1960, dix foyers répartis sur l’ensemble du territoire belge accueillent chaque année des étudiants étrangers, principalement issus des pays partenaires de la Coopération belge. Ces structures, financées via un Arrêté Royal depuis 1974, jouent un rôle essentiel dans l’accueil, l’intégration et le soutien socio-culturel de ces étudiants.

En 2024, ces foyers ont cumulé plus de 1 500 contrats de location, avec un taux d’occupation remarquable de 98,41 %, dont 88,83 % au bénéfice d’étudiants originaires de pays partenaires. Ils emploient collectivement 42,27 ETP et fonctionnent avec un budget annuel global de 1 700 000 €.

Or, il nous revient que l’agrément de ces structures serait sur le point d’être supprimé, sans qu’aucune mesure transitoire claire n’ait été communiquée, ni qu’un mécanisme de financement alternatif ait été défini pour l’année 2026. Cette décision, si elle se confirme, mettrait instantanément en péril non seulement l’hébergement de centaines d’étudiants, mais aussi l’existence même de ces foyers historiques dont l'intérêt pour la coopération au développement n'est plus à démontrer.

Cette décision signifierait également que vous considérez, désormais, la coopération au développement non plus comme une compétence fédérale autonome mais comme l’accessoire d’une compétence principale et procédez, en conséquence, à sa défédéralisation implicite et partielle.

Dès lors, je souhaiterais obtenir des réponses aux questions suivantes:

- Le gouvernement confirme-t-il la suppression de l’Arrêté royal de subvention des dix foyers concernés à partir de 2026?

- Quelles sont les motivations précises de cette décision et quelles consultations ont été menées avec les associations concernées?

- Quelle mesure transitoire raisonnable est prévue pour garantir la continuité du financement en 2026? Quelles en sont les modalités concrètes et le calendrier de mise en œuvre?

- Quel mécanisme de soutien à ces institutions le gouvernement envisage-t-il, compte tenu de leur rôle dans la politique de coopération et d’accueil des étudiants étrangers?

- Quelles garanties peuvent être apportées aux associations et aux étudiants pour éviter une rupture brutale de service et de financement?

- La coopération au développement a-t-elle un déploiement autonome et fédéral ou n’est-elle devenue que l’accessoire de compétences principales?

Maxime Prévot:

Je vous remercie pour ces questions et je vous répondrai avec le même intérêt, monsieur le député. Merci donc pour ces interrogations concernant le financement des foyers pour les étudiants étrangers.

J'attire votre attention sur le fait que l'arrêté royal auquel vous faites référence date de 1974 – je n'étais pas encore né, et vous non plus je pense – et n'a été que très partiellement modifié depuis.

J'ai effectivement décidé d'abroger cet arrêté royal. En effet, depuis 1974, la coopération belge au développement fournissait un soutien financier aux étudiants et stagiaires provenant de pays à faible revenu qui viennent étudier en Belgique. Ce soutien financier comprenait plusieurs éléments, dont un soutien direct, à travers des bourses, et indirect, à travers l'accompagnement social et culturel de ces étudiants.

À noter que la subvention pour la partie socioculturelle avait déjà été abolie par l'un de mes prédécesseurs. On supposait, entre autres, qu'une telle tâche n'était pas étrangère à un certain paternalisme. De plus, c'est une mission que les universités assument pleinement et de longue date.

Le monde a fortement changé depuis 1974. Notre coopération au développement a, par ailleurs, également beaucoup évolué. La promotion de la cohérence et de l'efficacité des instruments ainsi que le renforcement des capacités locales dans les pays partenaires et au sein des institutions partenaires elles-mêmes se situent désormais au cœur de notre coopération.

Le système de bourses a, lui aussi, connu une réforme en profondeur au cours des dernières années, précisément pour ces motifs. Il se concentre aujourd'hui principalement sur la coopération et la recherche post-académique entre les établissements universitaires. De ce fait, la majeure partie de la recherche et/ou de la coopération est effectuée par les universitaires dans leurs établissements respectifs, avec des séjours plus courts dans les pays partenaires pour les chercheurs belges et des séjours plus courts en Belgique pour les étudiants chercheurs des pays partenaires. De plus, le système de bourses est confié depuis un certain temps aux structures de coopération universitaires, le VLIR et l'ARES, qui assurent l'accompagnement des étudiants et des universitaires boursiers en Belgique, y compris le soutien financier, le logement, l'encadrement socioculturel par les universités d'accueil et respectives de ces étudiants.

Compte tenu de ces évolutions et de ces réformes au cours de ces cinq décennies ainsi que de la nécessité d'une plus grande efficacité et rationalisation des programmes de bourse et du budget de la coopération, j'ai en effet décidé de reconsidérer la poursuite de ce programme afin d'éviter de dupliquer les financements et les mesures d'accompagnement des étudiants étrangers dès lors que c'est déjà assumé de longue date par les universités elles-mêmes.

En guise de mesure transitoire, j’ai néanmoins décidé de verser une subvention en 2026, car l’année académique avait déjà commencé en septembre 2025, afin que les engagements des étudiants pour l’année scolaire 2025 ‑ 2026 ne soient pas impact é s ni compromis. Il n ’ est donc nullement question d ’ une rupture brutale. La plupart des institutions disposent d’autres leviers et ne dépendent – ou, en tout cas, ne devraient pas dépendre – exclusivement de cette subvention, car une telle dépendance créerait une situation fragile et non soutenable.

Enfin, pour répondre à votre dernière question, je considère la coopération au développement comme une compétence fédérale pleinement établie, un métier en soi. Il n'y a aucun doute à cet égard. Toutefois, il ne s'agit pas d'un fait technique distinct et, en raison de son caractère essentiellement politique, la coopération au développement fait pour moi partie intégrante de la politique étrangère.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses, qui ont le mérite d’être claires et précises, même si je ne partage pas toutes les conclusions que vous en tirez. J’ai en effet une inquiétude. Vous avez vous ‑ m ê me indiqu é que le premier arr ê t é royal datait de 1974. Entre ‑ temps, six r é formes de l ’É tat ont eu lieu.   Elles ont eu pour cons é quence ce que vous d é crivez, à savoir que les m é canismes de bourse et les m é canismes de financement de la recherche se sont essentiellement concentr é s dans ces cadres ‑ l à , au niveau des entit é s f é d é r é es, à travers les universit é s et les coupoles universitaires. La coopération au développement, en raison de son caractère fédéral, joue malgré tout un rôle qui devrait pouvoir être complémentaire. Ce rôle pourrait être revu, mais demeure complémentaire. Ce que je reproche ici, c’est que ce rôle est supprimé. Il est supprimé non pas au regard de politiques définies par la coopération au développement elle ‑ m ê me, mais au regard de politiques d é finies par les coupoles de recherche et par les entit é s f é d é r é es. Comme vous le dites, les programmes de recherche et les programmes de recherche postdoctoraux rel è vent de politiques qui ne sont pas d é cid é es par vous ou par votre administration, mais par les entit é s f é d é r é es. Vous pourriez choisir de les suivre, mais vous pourriez également choisir de ne pas les suivre ou de les compléter, dans une perspective de politique étrangère. Votre réponse me laisse largement sur ma faim et me laisse craindre qu'à tout moins la décision qui a été prise ici, dans ce cadre-là, loin de perpétuer un cadre paternaliste, s'inscrit en défaut de ce qui est organisé par ailleurs et par conséquent est jugé comme superflu, simplement parce que c'est organisé par ailleurs. On ne s'interroge pas sur ce qu'on pourrait faire de manière complémentaire pour attirer, pour former, pour créer du lien avec l'ensemble de ces étudiants étrangers. Vous savez aussi bien que moi que lorsque le séjour étudiant a été pensé dans la loi de 1980, il n'avait pas pour vocation de maintenir ces étudiants étrangers sur le territoire belge. Il avait pour vocation de les former et de leur permettre d'aller reconstruire leur pays, mais en même temps de créer des liens solides et durables avec l'État belge. Ici, malheureusement, cette rupture se justifie par des politiques menées ailleurs et non pas par une politique menée par votre administration. Cela me fait craindre effectivement un glissement, même si vous le déniez, quant à la manière dont la politique de coopération au développement est considérée comme autonome et fédérale. Je serai vigilant sur le reste des politiques à l'avenir.

De impact van de geplande onderzoeksbesparingen op de Vlaamse universiteiten

Gesteld door

Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Niels Tas bekritiseert de geplande federale en Vlaamse besparingen op onderzoek, die volgens universiteiten en rectoren vooral sociale en humane wetenschappen treffen door het schrappen van bedrijfsvoorheffingsvoordelen voor niet-exacte wetenschappen, wat honderden mandaten en fundamenteel onderzoek bedreigt en afhankelijkheid van private financiering vergroot. Minister Jan Jambon bevestigt een hervorming van de vrijstelling (budget 2023: €232,8 mln, 2024: €229,3 mln), gericht op "rechtszekerheid en efficiëntie", maar ontkent sture invloed op Vlaams beleid en wijst op lopend overleg met stakeholders—concrete impact en voorstellen volgen later. Tas dringt aan op samenwerking om schade voor humane wetenschappen te beperken en vraagt garanties voor breed onderzoek, maar Jambon duidt dit als een Vlaamse verantwoordelijkheid. De discussie blijft onopgelost afhankelijk van toekomstige voorstellen.

Niels Tas:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Mijnheer de minister,

De aangekondigde besparingen op onderzoek veroorzaken grote ongerustheid binnen de universitaire wereld. Universiteiten spreken van een dubbele besparing, omdat ze zowel door Vlaamse maatregelen als door federale plannen getroffen worden. Vooral de sociale en humane wetenschappen dreigen zwaar te lijden onder de herziening van de regeling rond bedrijfsvoorheffing, die voortaan enkel nog zou gelden voor onderzoekers in de exacte, toegepaste en technologische domeinen.

Rectoren waarschuwen dat hierdoor honderden onderzoeksmandaten kunnen verdwijnen en dat fundamenteel onderzoek, dat niet onmiddellijk economisch rendement oplevert maar wel cruciaal is voor kennisopbouw, onder druk komt te staan. Ook leeft de vrees dat onderzoekers meer afhankelijk worden van private financiering, waardoor resultaten minder vrij en publiek toegankelijk worden.

Daarom heb ik de volgende vragen :

Welke verstrengingen voorziet u voor universiteiten en hogescholen inzake het regime van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing? In de media staat dat sommige betrokkenen de ontwerpen al konden inkijken. Over welke ontwerpen gaat dit? Wat wordt hierin voorgesteld?

Hoe beoordeelt u de impact van deze dubbele besparing op het Vlaams onderzoeksklimaat?

Hoeveel bedroeg de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor respectievelijk universiteiten en hogescholen in 2023 en 2024? Wat is de budgettaire impact hierop van uw voorstellen?

Voorziet u ook verstrengingen voor erkende wetenschappelijke instellingen inzake het regime van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing? Zo ja, dewelke?

Bent u bereid om samen met de betrokken universiteiten te bekijken hoe de negatieve gevolgen voor de sociale en humane wetenschappen kunnen worden beperkt?

Hoe wilt u er als minister van Financiën over waken dat Vlaanderen blijft investeren in breed en fundamenteel onderzoek, en niet enkel inzet op economische of technologische toepassingen?

Jan Jambon:

Mijnheer Tas, in uitvoering van het regeerakkoord en voortbouwend op de werkzaamheden die mijn voorganger reeds had opgestart, bereid ik een hervorming van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling voor. Deze hervorming heeft in de eerste plaats tot doel om verduidelijkingen en kwalitatieve verbeteringen aan te brengen om een maximale rechtszekerheid, efficiëntie, budgettaire bewaking en stabiliteit te waarborgen.

Het is mijn bedoeling om deze hervorming in overleg met de stakeholders uit te werken. Daarbij is het normaal dat bepaalde pistes worden uitgewerkt en dat deze bij de stakeholders worden afgetoetst, maar het is op dit ogenblik nog te vroeg om te concluderen welke pistes uiteindelijk in deze hervorming zullen worden weerhouden.

De budgettaire impact van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling voor universiteiten en hogescholen bedroeg 232,8 miljoen euro in 2023 en 229,3 miljoen euro in 2024.

Aangezien ik nog geen definitief voorstel heb uitgewerkt, is het niet mogelijk om de budgettaire impact te ramen, maar ik zie het niet als de taak van de federale minister van Financiën om het Vlaams beleid inzake onderzoek en ontwikkeling te sturen. Vlaanderen maakt zelf zijn keuzes op dat vlak, maar ik zal dus nog met voorstellen ter zake komen.

Niels Tas:

Dan zullen we de verdere voorstellen afwachten.

De stand van zaken met betrekking tot het CORESPO-onderzoek
De niet-publieke CORESPO-deelrapporten en de methodologische bezorgdheden
Het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport inzake corruptie
Corruptie bij de politiediensten en het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport over corruptie bij de federale gerechtelijke politie
Het uitgelekte CORESPO-rapport over corruptie bij de federale gerechtelijke politie
Het interne rapport van de federale politie over inmenging en corruptie
Meldingen in de doofpot en schendingen van de integriteit bij de gerechtelijke politie
Een intern rapport over corruptie en inmenging
Het CORESPO-onderzoek naar corruptie en integriteitsschendingen bij politie en gerechtelijke diensten

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het omstreden CORESPO-rapport over corruptie binnen de federale politie, waarbij kritiek wordt geuit op de initiële afwijzing ervan door de politietop en minister Quintin (methodologische tekortkomingen, niet-representatief). Onder druk van medialekken en parlementsleden keert Quintin zijn positie: hij belooft nu inzage in het rapport, een onafhankelijk onderzoek naar systemische corruptierisico’s (naast een audit van de methodologie) en bescherming voor klokkenluiders. Kernpunten: Parlementsleden (o.a. Vandemaele, Ecolo-Groen) beschuldigen de politietop van doofpotcultuur en eisen transparantie, terwijl anderen (o.a. N-VA, MR) de integriteit van de meeste agenten benadrukken maar wel structurele verbeteringen vragen, zoals verplichte loopbaanscreenings en betere opvolging van meldingen. Quintin ontkent verdoezelpogingen maar erkent dat elke corruptie onaanvaardbaar is—zijn focus ligt op een wetenschappelijk onderbouwd onderzoek om het vertrouwen in de politie te herstellen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, het was me wat bij de federale politie, de afgelopen dagen. Eerst was er de ambitie om dat rapport achter te houden. De federale politie en uzelf hadden niet veel zin om dat met ons te delen. Toen afgelopen weekend duidelijk werd dat het deksel toch van de beerput ging, veranderden jullie van tactiek. U zei onlangs in de commissie dat het rapport niet representatief en van een bedenkelijke kwaliteit is. Ook de personeelsleden van de federale politie kregen afgelopen maandag een mailbericht in die zin: “Er is een gebrek aan solide wetenschappelijkheid en methodologische grondslagen.” De titel van dat bericht sprak boekdelen: “Ons dagelijks werk voortzetten.” Dat was de ambitie bij de federale politie: niet omzien en voortwerken.

Vandaag lees en hoor ik in de media dat u voor de derde keer een bocht neemt. Derde keer, goede keer, denk ik dan. U zegt dat er een onafhankelijk onderzoek komt naar systemische problemen inzake corruptie bij de federale politie. Het is goed dat er zo’n rapport komt. We moeten inderdaad bekijken of de systemen voldoende robuust zijn om zowel een goede detectie als een goede interne afhandeling te garanderen. Als ik de vele tientallen mails bekijk die ik de afgelopen dagen ontvangen heb van federale politiemensen, dan denk ik dat die systemen zeker voor verbetering vatbaar zijn.

U zegt dat er een groter onderzoek moet komen. Wij hebben gisteren een schrijven gericht aan de voorzitter van de Kamer om het Comité P een onderzoek te laten uitvoeren naar het probleem van corruptie bij de politie. Het Comité P kent de materie ook goed, dus dat leek ons een goed idee.

In ieder geval vind ik het belangrijk om nogmaals te zeggen dat de meeste agenten te goeder trouw en helemaal niet corrupt zijn. Door de manier waarop de leiding van de federale politie met dat rapport omgaat, komen ook al de integere agenten in een slecht daglicht te staan. De top van de federale politie lijkt echter niet geneigd om iets te doen. De kwestie is belangrijk voor ons als burgers, voor de politieagenten zelf en voor de politie als organisatie.

Tot slot blijf ik nog met een brandende vraag zitten. Wie is de politicus die vermeld wordt in dat rapport? Weet u over wie het gaat? Het betreft immers zware aantijgingen tegenover een politicus en om die reden is het van het allergrootste belang dat wij weten over wie het gaat. Welke gevolgen hebben de betrokken agenten ondervonden? Als agenten gestraft zijn omdat ze dat geweigerd hebben, hebben we het recht om dat te weten.

U zit op het goede spoor, maar we moeten de omerta bij de federale politie op dat punt kunnen doorbreken.

Voorzitter:

Collega’s, ik zal strenger moeten toezien op het respecteren van de spreektijd, want anders zullen we heel weinig vragen kunnen behandelen vandaag. Iedereen krijgt twee minuten spreektijd in de eerste ronde.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, eerst en vooral wil ik benadrukken dat er bij de federale politie, bij welke dienst dan ook, bijzonder veel mensen dag en nacht werken om in onze veiligheid te voorzien. We zijn die mensen daarvoor enorm dankbaar.

We worden nu voor de tweede keer geconfronteerd met artikels in de pers, waarop wij ons als parlementsleden moeten baseren. We hebben geen inzage in het CORESPO-rapport, dat verslag uitbrengt over een bevraging naar corruptie.

Wanneer we vaststellen dat 1.244 personen aan die bevraging hebben deelgenomen, blijkt daaruit wel degelijk een vorm van vertrouwen, namelijk het vertrouwen om die enquête in te vullen. Dat is een element dat positief moet worden benaderd. Hier staat immers het imago van onze federale politie op het spel. Dat imago acht ik van groot belang. Ik weet dat u die mening deelt. Dat veronderstelt uiteraard onberispelijk gedrag. Politieambtenaren hebben immers een voorbeeldfunctie, moeten integer handelen en moeten een volledig anticorruptieplan hebben klaarliggen.

Het traject is destijds door de commissaris-generaal zelf opgestart. We zijn dan ook bijzonder benieuwd naar de bevindingen, naar de maatregelen die in dat rapport worden voorgesteld en naar de manier waarop men daarmee intern aan de slag gaat.

Het is belangrijk dat aanbevelingen en maatregelen niet alleen worden uitgesproken, maar ook daadwerkelijk worden opgevolgd. Daarnaast vind ik het essentieel dat personeelsleden die wantoestanden signaleren of wijzen op mogelijke corruptie, daarvoor terechtkunnen bij meldpunten en dat die meldingen ook effectief worden opgevolgd. De terugkoppeling over die opvolging kan wellicht worden verbeterd, aangezien blijkt dat er binnen de politie een zekere onvrede leeft.

We betreuren dan ook dat we tot op heden geen inzage hebben gekregen in dat rapport, al vernemen we dat die inzage alsnog zal worden verleend. Het is voor ons eveneens belangrijk om een zicht te krijgen op de andere rapporten. Er zou ook een rapport volgen over een traject inzake extremisme. Zal dat rapport nog worden bezorgd? Hoe staat het met de andere rapporten die in het vooruitzicht zijn gesteld?

U sprak in de media ook over een externe audit. U weet dat we daarvoor al geruime tijd vragende partij zijn. Wie zal die audit uitvoeren en wanneer wordt die opgestart? Wanneer mogen we de resultaten verwachten?

Welke maatregelen zullen worden genomen om corruptie daadwerkelijk aan te pakken? Dat lijkt mij namelijk de kern van de zaak.

Ik begrijp niet goed waarom de methodologie nu in vraag wordt gesteld. Ik zal u uitleggen waarom. Normaal gezien legt men in het begin van een traject de methodologie vast. Vooraleer men aan de slag gaat, controleert men of die methodologie op punt staat. Er zijn immers heel wat mensen en middelen mee gemoeid om een dergeljk verslag te schrijven. Dat is ook de bedoeling. Daarom moet men de methodologie op voorhand in vraag stellen, zodat men tot een betrouwbaar resultaat komt.

Ik zie dat er heel wat respondenten zijn. Volgens wat ik verneem uit de pers, staat er ook heel wat informatie in dat rapport staat. We kunnen dat rapport inhoudelijk niet zomaar volledig naast ons neerleggen. Ik ben benieuwd naar hoe die methodologie eruitziet. Ik wil ook transparantie in dat dossier.

Ik begrijp ook niet goed waarom het rapport, als het er al sinds juni is, niet door de commissaris-generaal werd toegelicht.

Mijnheer de minister, daarom vragen wij inzage in dat rapport. Wij willen ook de commissaris-generaal zelf over dat rapport kunnen ondervragen, om te zien welk gevolg intern aan dat verslag wordt gegeven en hoe de commissaris-generaal met de extra aanbevelingen die er nog komen zal omgaan, om de corruptie binnen de politiediensten tegen te gaan, zonder al een voorafname over de interne bedrijfscultuur te doen.

Zo veel mensen hebben dat ingevuld. Dat bewijst dat zij toch een bepaald vertrouwen hadden om dat in te vullen. Ik vind dat we de federale politie niet volledig in een slecht daglicht mogen stellen, want dat doet de mensen die dagelijks goed werk leveren onrecht aan.

Voorzitter:

Mevrouw De Vreese, ook u hebt de spreektijd wat overschreden.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, la presse a récemment relayé l'existence d'un rapport interne, provisoire, du service intégrité de la police fédérale, qui est fondé sur un sondage réalisé auprès d'environ 1 170 collaborateurs de la police judiciaire fédérale. Ce document, dont la méthodologie est aujourd'hui contestée, fait état de préoccupations qui sont exprimées par une partie des répondants concernant des tentatives d'influence, des pressions illicites et des comportements contraires à l'éthique, tant internes qu'externes à l'institution policière. Il est vrai que ceci a de quoi inquiéter.

Je souhaite ici relever vos premières réactions à ce sujet, qui ne laissent aucun doute sur le fait que la valeur intégrité est au cœur de vos préoccupations – elle est au cœur des miennes également – et sur votre volonté de transparence en la matière, et plus spécifiquement au regard du rapport CORESPO. Cette démarche CORESPO a été entamée en 2023, alors que Mme Verlinden était ministre de l'Intérieur. Vous héritez ici d'un rapport qui ne pouvait être validé en l'état en raison de faiblesses méthodologiques majeures, notamment en termes de représentativité, de rigueur scientifique et de confusion entre perceptions et faits établis.

Je tiens encore à ajouter que l'enquête menée se rapporte au passé et ne fait pas état d'une photographie de la situation à l'instant T. Il importe également de le dire. Dans ce contexte, je souhaiterais obtenir de votre part plusieurs éclaircissements.

Pouvez-vous rappeler quelles sont les préoccupations méthodologiques spécifiques, et préciser l'état exact d'avancement de la révision méthodologique du rapport?

Quel est le calendrier envisagé pour que nous puissions disposer des résultats? En effet, avant de procéder à des auditions sur le sujet, notre commission doit disposer de ces éléments. L'un ou l'autre collègue de Groen semble s'être procuré le projet de rapport d'une manière que je qualifierais d'irrégulière. Les autres membres de la commission n'en disposent pas.

On peut se poser la question de l'intégrité à la fois de ceux qui ont fourni le rapport et de ceux qui l'ont exploité. Quel est leur but? Affaiblir la confiance des citoyens envers les forces de l'ordre? Nourrir des thèses complotistes ? Il me semble difficile de les croire préoccupés et animés par la valeur intégrité au vu de la méthode utilisée.

En attendant ces résultats, quelles mesures de suivi des risques de corruption ou d'ingérence sont actuellement appliquées au sein de la police judiciaire fédérale, au-delà des dispositifs déjà existants?

Franky Demon:

(…) of ongeoorloofde inmenging in lopende dossiers. De incidenten nemen uiteenlopende vormen aan, zoals het doorspelen van informatie aan criminelen, rechters die vragen om boetes van hun kinderen te laten verdwijnen, en volgens wat ik hoor zelfs een politicus die wenst tussen te komen in een onderzoek.

Dat baart ons allen zorgen, te meer omdat uit het onderzoek eveneens blijkt dat de interne opvolging van meldingen over dat soort incidenten in het algemeen bijzonder tekortschiet.

De federale politie reageerde zeer snel, vind ik, door te stellen dat het rapport methodologisch zou tekortschieten, dat de resultaten niet representatief zijn en dat de getuigenissen moeilijk te verifiëren zijn. Ik was wat geschrokken dat u in uw eerste communicatie in die redenering meeging. Naar ik verneem, neemt u nu toch een bocht en zegt u dat de methodologie misschien niet 100 % correct was, maar dat een onafhankelijk onderzoek zal worden opgestart.

Mijnheer de minister, wat zal er veranderen aan de onderzoekstechnieken? Indien dezelfde resultaten naar boven komen, moeten we ze na dat onderzoek dan wél geloven en zult u dan wel sneller handelen?

Laat mij helder zijn: wij staan op de barricaden voor het respect voor politiemensen en voor het werk dat ze dagelijks doen, want ze vechten voor hun leven. Net omdat dat respect zo groot is, vind ik dat de rotte appels uit het korps moeten worden gehaald.

Ik heb heel wat vragen ingediend, maar gelet op mijn spreektijd zal ik die niet mondeling toelichten. Mijn hoofdvraag luidt of u bij een nieuw onderzoek strikt zult toezien op de onafhankelijkheid ervan, zodat we absoluut zeker zijn dat we wezenlijke stappen vooruit kunnen zetten.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, dit komt niet uit de lucht vallen. Enkele weken geleden hebben we in onze commissie voor Binnenlandse Zaken al hoorzittingen gehouden met de commissaris-generaal over de integriteit bij de federale politie. Ik had gehoopt dat wij tegen vandaag al inzage zouden hebben gehad in het rapport. De reden dat we dit vandaag opnieuw bespreken, is net omdat wij dat rapport niet hebben ontvangen, met uitzondering van één kamerlid, dat blijkbaar goede contacten onderhoudt met iemand van de federale politie. Ik wens in de eerste plaats inzage in dat rapport, want alle vragen die hier gesteld worden over de methodologie en de ernst van de situatie, vereisen eerst inzage in het rapport, voordat we verder kunnen discussiëren over wat nog nodig is.

Ten tweede, ik weiger mee te doen aan een soort van heksenjacht tegen onze politie. In mijn ogen voert de overgrote meerderheid van onze politieleden, zowel lokaal als federaal, het werk zeer integer uit, soms onder zeer moeilijke omstandigheden. Dat wil niet zeggen dat de rotte appel niet moet worden verwijderd, want dat is net het punt: één rotte appel kan de hele fruitmand bederven en daarvoor moeten inderdaad maatregelen worden genomen.

Er bestaan zeer veel controleorganen, zoals het Comité P, waarnaar de heer Vandemaele naar verwees, de algemene inspectie en er zijn ook interne controles. Om die reden willen we de commissaris-generaal horen in deze commissie. Wij willen vernemen wat zijn bevindingen zijn en welke maatregelen hij tegenover die corruptieschandalen wenst te nemen.

Mijnheer de minister, ik ben zeer blij dat u inmiddels ons voorstel van enkele weken geleden hebt overgenomen om de federale politie extern te laten doorlichten. Een interne doorlichting kan gewoonweg niet slagen – dat stond in de sterren geschreven – omdat men dan rechter en partij tegelijk is. Een externe doorlichting kan veel verhelpen en zorgt voor een zekere objectiviteit. Ik hoop dat u dat vandaag met zoveel woorden kunt herhalen.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je ne vais pas revenir sur tout ce qui a déjà été dit par mes collègues, mais ce qui est certain, c'est que ce rapport, en tout cas les extraits ou les éléments qui sont sortis dans la presse, met en avant des éléments préoccupants. Ces éléments ternissent l'image de la police, et c'est un dommage qui est difficilement réversible. En effet, c'est très compliqué à expliquer à la population, malgré toutes les mesures que l'on peut mettre en place. C'est aussi compliqué de revenir en arrière, et l'image de la police sera ternie par ce rapport.

Il est important de s'interroger sur sa méthodologie. Beaucoup de questions ont été posées depuis ce week-end à ce sujet. Vous aussi l'avez mise en avant. Est-ce qu'on parle de faits, de sentiments, de perceptions? Cela pose beaucoup de questions. Certains ont évoqué des faits ou des perceptions qui se seraient déroulés pendant toute leur carrière, donc par le passé. Cela pose une réelle question sur l'interprétation des résultats et sur l'utilisation que l'on peut en faire par la suite.

Hier, nous avons discuté de la possibilité d'organiser des auditions au sujet de ce rapport. J'ai demandé à pouvoir disposer de ce rapport. Il sera nécessaire de définir les modalités concrètes pour pouvoir en disposer, et qu'on puisse se faire une image concrète de ce qu'il dit, de ce qu'il raconte. Je souhaitais également vous entendre et, aujourd'hui, vous êtes devant nous pour répondre à nos premières questions.

Quel est l'état de ce rapport? Est-il validé, doit-il encore l'être? Y a-t-il encore une étape en la matière?

Quelle suite y sera donnée? Vous avez évoqué ce matin le lancement d'un audit externe. Qui va réaliser cet audit, dans quel timing sera-t-il réalisé, quels seront les moyens qui seront consacrés pour pouvoir le réaliser dans les temps?

Enfin, qu'en est-il du projet de loi de screening régulier tout au long de la carrière des policiers? Actuellement, ce screening n'existe qu'en début de carrière, et je pense que c'est important de pouvoir assurer ce suivi tout au long de la carrière des policiers.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, je vous ai lu dans la presse ce matin et, comme vous, nous pensons que les citoyens et les citoyennes doivent pouvoir compter sur une police intègre en tout temps et en tout lieu. Comme vous, nous croyons qu’il faut tendre vers un risque zéro en matière de corruption. Je prends donc acte positivement de votre volonté, annoncée ce matin dans la presse, de lancer une enquête indépendante, approfondie, scientifique et à court terme.

Cependant, là où nous divergeons, c’est lorsque vous affirmez: "Je n’accepterai jamais que l’image de la police soit ternie". En réalité, cette phrase pourrait laisser entendre que ceux qui ont tiré la sonnette d’alarme chercheraient à nuire à la police, que ce rapport viserait à ternir son image, alors que c’est tout l’inverse. Les agents intègres demandent que la lumière soit faite, et il s’agit ici de la grande majorité des policiers.

Nous ne pouvons ignorer que le rapport CORESPO a été complété jusqu’au bout par plus de 1 200 agents, soit 27 % des effectifs à l’époque, ce qui est loin d’être marginal. Ce que nous avons lu dans la presse ce week-end n’a rien d’une fiction: il est question d’informations sensibles transmises à des criminels, de pressions politiques ou judiciaires pour stopper une enquête, de rencontres douteuses avec d’anciens détenus ainsi que de lanceurs d’alerte rétrogradés, intimidés ou même poussés vers la sortie. Tout cela constituerait des dysfonctionnements graves.

La question centrale n’est donc pas l’image de la police, mais bien la lutte contre la corruption, la protection des agents qui dénoncent des pratiques illégitimes et la lutte contre le crime organisé, y compris lorsqu’il infiltre nos institutions. Si nous n’agissons pas, qui protégera ceux qui nous protègent? Et comment garantir – comme vous l’avez mentionné dans la presse – que les citoyens et les citoyennes peuvent compter sur la police en tout temps et en tout lieu?

Dès lors, monsieur le ministre, pouvez-vous nous fournir le rapport ou demander à ce qu’il soit communiqué? Que comptez-vous faire concrètement des recommandations déjà formulées dans le rapport CORESPO? Entendez-vous faire la lumière sur tous les cas qui y sont cités? Enfin, vous avez évoqué une enquête à court terme. Quels en seraient le calendrier, les étapes et les garanties d’indépendance?

François De Smet:

Monsieur le ministre, je tiens tout d’abord à souligner l’importance de l’existence d’un service intégrité au sein de la police et à saluer la production d’un tel rapport. Cela démontre qu’il existe un véritable contrôle interne et une prise de conscience face aux phénomènes de corruption. À titre de comparaison, au Parlement fédéral, il m’est difficile d’obtenir ne serait-ce qu’une modification du Règlement visant à instaurer la transparence sur les voyages des parlementaires. Dans ce contexte, tout "thermomètre" est précieux!

Le problème, c'est que les humbles mortels que nous sommes n'ont pas accès à ce rapport. Par conséquent, tout ce que nous savons émane de la presse et ce qu'elle nous en dit, c'est qu'il s'agit d'un sondage concernant 1 776 collaborateurs de la police judiciaire. Vous avez évoqué un souci de méthode et d'échantillonnage. Personnellement, je trouve que 1 800 personnes représentent un échantillon non négligeable. Même si l’on peut discuter de la méthodologie employée, il n’en demeure pas moins que nous connaissons la puissance financière et la capacité de corruption des adversaires auxquels nous faisons face, en particulier le narcotrafic

C’est pourquoi j’estime qu’il faut prendre très au sérieux le contenu de ce rapport, tant en matière d’éthique que de perméabilité aux influences extérieures. Lorsqu'on y lit effectivement que près d'un tiers des policiers interrogés déclarent avoir déjà décelé des éléments de corruption au sein de leur organisation, que 36 % des sondés ont déclaré avoir reçu des demandes inappropriées, que 30 % ont constaté une ingérence illicite, etc., cela ne peut être considéré comme anecdotique.

Que les choses soient claires! Je n'ai aucun doute sur l'intégrité de l'écrasante majorité de nos agents. Mais justement, et notamment pour ces pommes qui ne sont pas pourries, il faut d'urgence clarifier le statut de ce rapport, et surtout, la véracité des allégations qu'il contient. Nous avons tous entendu votre annonce d'une enquête indépendante. Très bien! Mais quelle place entendez-vous donner au Comité P dans ce processus, dont c’est a priori la mission première, même si son intervention ne sera pas suffisante?

Monsieur le ministre, compte tenu du fait que ce document soulève des questions fondamentales sur l'intégrité et la démocratie, seriez-vous d'accord de le transmettre le plus rapidement possible aux membres de la Chambre? Quelles suites judiciaires précises ont-elles été données à ce jour? Le rapport d'audit sur la méthodologie a-t-il aussi pour objectif de vérifier si des cas de corruption ou d'illégalité ont été transmis aux autorités judiciaires? É tant donné que la police fédérale a indiqué que 10 dossiers disciplinaires ont été ouverts depuis 2020, dont quatre ont conduit à des sanctions, les 10 dossiers concernent-ils spécifiquement les cas soulevés dans le cadre de l'enquête CORESPO sur la corruption?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, tant vous que moi le disons souvent: pour que la police soit respectée, elle doit être respectable. Les révélations de ce rapport interne CORESPO, élaboré avec la participation d'un nombre significatif d'agents fédéraux, confirme qu'il y a des problèmes très graves au sein de la police fédérale. On parle de trafic d'influence, de transmission de dossiers à des proches, de pressions politiques sur des enquêtes. Ces constats très inquiétants mettent en danger l'intégrité de nos services et les fondements de notre État de droit. Il y a même un témoignage anonyme qui évoque l'ingérence d'une personnalité politique liée à un club de football local, qui chercherait à faire stopper une enquête. Même si nous avons tous très envie de savoir qui c'est, nous n'allons pas jouer aux devinettes avec vous, monsieur le ministre.

Pire encore, de nombreux policiers dénoncent le manque de suivi des signalements et la stigmatisation des lanceurs d'alerte. Il s'agit d'une atteinte directe à l'indépendance de la police, qui est un pilier fondamental de l'État de droit. Si ces faits sont avérés, monsieur le ministre, ce ne sont pas seulement des dysfonctionnements internes, mais un déni du principe de justice.

Face à ces éléments, mon collègue M. Vandemaele a demandé au nom de notre groupe l'organisation d'auditions parlementaires pour pouvoir vous entendre, mais aussi entendre les hauts responsables de la police fédérale. Vous avez contesté la méthodologie du rapport et avez refusé de le transmettre au Parlement, tout en indiquant que vous en aviez tiré des enseignements. Je m'interroge sur un tel refus, surtout quand on voit que ces allégations sont très graves et que nous sommes face à un enjeu de taille pour la démocratie. Il nous faut agir avec la plus grande transparence.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous expliquer précisément les raisons de votre refus quant à la transmission de ce rapport, alors que vous affirmez en avoir tiré des enseignements opérationnels et que la gravité des faits justifie le contrôle démocratique parlementaire? Pourquoi vous opposez-vous à la tenue d'auditions parlementaires demandées par mon collègue?

Pouvez-vous nous garantir qu'aucune pression politique n'a été exercée sur la police judiciaire dans les faits évoqués? Dans le cas contraire, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour en identifier les auteurs et les sanctionner?

Seriez-vous prêt à soutenir un audit externe indépendant, voire la mise en place d'une commission d'enquête parlementaire pour faire toute la lumière sur ces pratiques?

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, comme la plupart d'entre nous et des citoyens qui suivent l'actualité, j'ai évidemment été interpellé par ce que j'ai lu dans la presse. La corruption dans les services de police est quelque chose de totalement inacceptable, à plus forte raison dans les services qui touchent à la sécurité des citoyens. À l'instar d'autres intervenants, je n'ai toujours pas pu consulter ce rapport, mais un collègue en détient un exemplaire. Par conséquent, je présume que cela ne posera pas de problèmes que nous le recevions tous. À partir du moment où un collègue possède ce document et que des extraits sont publiés dans la presse, a priori, en prendre connaissance ne devrait plus poser de difficultés.

Les faits relatés sont catastrophiques pour la police. Tout comme mon collègue De Smet, j'estime rassurant qu'un service Intégrité existe au sein de nos services de police. La question à se poser est pourquoi un parfum de scandale se diffuse-t-il dans la presse, alors qu'un rapport a été préparé et que l'enquête en question est une initiative prise par les services. Rien ne dit, jusqu'à preuve du contraire, qu'on voulait dissimuler ce rapport. On nous dit simplement qu'il n'était pas encore achevé. Dès lors, j'aimerais savoir s'il y a eu une volonté quelconque de dissimuler des choses ou si, tout simplement, le rapport n'était pas encore prêt à être diffusé. La publication de ces informations témoigne-t-elle d'une volonté de nuire à la police? Des éléments en interne ne cherchent-ils pas à nuire à la structure policière fédérale? C'est une question que je me pose.

Ce matin, une journaliste m'a appelé au sujet de la présente réunion. Une de ses questions m'a interloqué: "Monsieur le député, avez-vous encore confiance en notre police, étant donné que nous avons recueilli trois témoignages négatifs?" Non, mais vous imaginez! Vous pouvez donc concevoir l'effet produit par cet article.

Finalement, face à tout soupçon de corruption, nous disposons d’un instrument institutionnel: le Comité P, placé directement sous l’autorité du Parlement. Il me paraît donc souhaitable de le saisir afin de vérifier s’il existe déjà des enquêtes en cours concernant le contenu de ce rapport, et d’évaluer si le Comité P doit se voir confier une mission supplémentaire.

Par ailleurs, vous êtes le premier policier du Royaume. Maintenant, la balle est dans votre camp. Il vous appartient de redresser l'image de la police et de faire toute la clarté sur cette affaire.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik wil om te beginnen mijn steun uitspreken voor de politiemensen. Ik zie dagelijks op het terrein welke bergen werk zij verzetten, met welke inzet ze aan de slag gaan en met hoeveel sérieux en integriteit ze elke dag hun taken uitvoeren. Daarom wil ik mijn expliciete steun en waardering uitspreken voor al die plichtsbewuste agenten die dagelijks instaan voor ieders veiligheid. Zij zijn de norm, zij zijn de standaard, dat wil ik uitdrukkelijk benadrukken.

De uitzonderingen bestaan helaas ook, en die realiteit maakt mij bijzonder verontwaardigd en zelfs kwaad. Er is hier al meermaals verwezen naar het CORESPO-rapport. Uit die bevraging bij 1.200 leden blijkt dat bijna een op de drie respondenten tijdens zijn loopbaan getuige is geweest van onrechtmatige inmenging in dossiers. De aard van die getuigenissen is bijzonder ernstig. Het gaat verder dan louter externe druk.

Wat mij nog het meest zorgen baart, is de geschetste cultuur van straffeloosheid en stilzwijgen. Er zouden leidinggevenden zijn die de instructie geven om een oogje dicht te knijpen, terwijl meldingen van integere agenten vaak zonder gevolg blijven. Dat creëert de perceptie dat integriteitsschendingen worden getolereerd, wat me bijzonder verontwaardigt.

Daarbovenop komen nog de signalen van beïnvloeding en inmenging. Die signalen moeten we zeer ernstig nemen, mijnheer de minister. Hoewel de federale politie kritiek uit op de methodologie, stellen experts dat de omvang en aard van de meldingen onmiskenbaar wijzen op een structureel probleem.

Hebt u het rapport gelezen en bent u het eens met de analyse van de experts? Zult u het rapport overhandigen aan de leden van deze commissie of ervoor zorgen dat we inzage krijgen in dat rapport? Hoe verklaart u dat een derde van de agenten die intern misbruik melden, ontevreden zijn over de opvolging daarvan? Wat wilt u daaraan doen?

Ik wil ook mijn laatste vraag stellen, omdat die bijzonder belangrijk is. Het vertrouwen is kwetsbaar, mijnheer de minister. Eerdere hoorzittingen hebben dat hier al aangetoond. Acht u de organisatie zelfredzaam genoeg om het tij te keren? Welke visie hebt u daarop?

Bernard Quintin:

Je remercie l'ensemble des participants à ce débat d'actualité pour leurs nombreuses questions, qui démontrent à quel point la corruption est un fléau qu'il faut endiguer, y compris et singulièrement au sein de la police et de la police fédérale. Elle n'y a pas sa place, et sous mon empire, elle ne l'aura jamais.

Corruptie is een plaag die moet worden ingedamd, ook bij de federale politie. Laat ik duidelijk zijn: er is hoegenaamd geen plaats voor corruptie bij de politie.

Comme l'a déjà fait le commissaire général lors des auditions qui se sont tenues ici en juin et en septembre, il convient d'emblée d'apporter à nouveau certaines précisions quant à ce dossier CORESPO.

Tout d'abord, que signifie ce terme et que vise-t-il? CORESPO signifie Corporate Responsability of Police et vise, dans le cadre de la politique d'intégrité élargie de la police en général, à déterminer des indicateurs de risque et non des constats au sens juridique ou disciplinaire.

Ce processus a été intégré en interne de la police en 2022 sous le mandat de ma prédécesseure, la ministre de l'Intérieur de l'époque, et dont, je le rappelle, le fonctionnement de la police judiciaire fédérale dépend aussi, dans sa fonction actuelle de ministre de la Justice.

Un rapport CORESPO vise à cartographier les zones de risques éthiques potentiels et non à réaliser un audit de comportement ou une évaluation du bien-être au sens classique ni une déclaration ou plainte individuelle.

Pour cette dernière, il existe d'autres canaux et procédures spécifiques. J'y reviendrai tout à l'heure. Il existe plusieurs enquêtes CORESPO, au sujet desquelles de nombreuses questions parlementaires, tant écrites qu'orales, m'ont été adressées. Il s'agit de CORESPO Respect DGJ, CORESPO Corruption DGJ et plus récemment, CORESPO Respect DGA.

Il importe de rappeler le contexte global de lancement de ces enquêtes qui était les suites de l'affaire Sky ECC. La police n'a pas attendu. Elle s'est emparée directement de problématiques qui pouvaient survenir sur les lieux de pouvoir de notre société pour réaliser un diagnostic complet sur les risques existant au sein de sa propre organisation, ce qui pourrait inspirer d'autres secteurs. Cela me permet de remettre les choses dans le bon ordre, dossier par dossier.

Je m'excuse déjà auprès du président, car je dépasserai probablement les cinq minutes qui me sont allouées!

En ce qui concerne CORESPO Respect DGJ, le questionnaire a été adressé au personnel de la police judiciaire en mars 2023. Il portait sur des expériences concrètes ou perçues concernant des remarques des migrants, des conflits, des discriminations, des comportements inappropriés, de la charge de travail, etc.

Het eindrapport met betrekking tot respect van DGJ werd op 9 april 2025 aan de vakorganisaties voorgesteld. Op basis van dat rapport werd bij DGJ een concreet actieplan uitgewerkt, dat op 18 juni 2025 aan de vakorganisaties werd voorgelegd en een positief advies kreeg van twee vakorganisaties. Het actieplan steunt op concrete acht pijlers: ontwikkeling van een cultuur van respect, nultolerantie voor ongepast gedrag, erkenning van medewerkers, rechtvaardigheid en onpartijdigheid, onboarding en integratie, conflictbeheer, competentie en opleidingstrajecten, ethisch leiderschap en preventie van stress.

De implementatie van het actieplan verloopt gefaseerd, met in het derde kwartaal van 2025 communicatie en sensibilisering. Tussen oktober 2025 en juni 2026 worden structurele acties geïmplementeerd. Vanaf 2026 volgt dan opvolging en bijsturing via trimestriële monitoring. Volgens die planning zullen eerste conclusies kunnen worden getrokken over de uitvoering van het plan. Ik verwacht uiteraard van de federale politie dat zij mij de resultaten zo snel mogelijk voorlegt, met de vereiste ernst en nauwkeurigheid.

Misschien moeten we daarin een teken zien. Een positieve kant van de zaak is wellicht dat we leven in een tijdperk waarin men niet langer terugdeinst om gedragingen die het welzijn op het werk aantasten, aan te klagen.

II a beaucoup été question, ces derniers jours dans l'actualité, de méthodologie et, surtout, de l'efficacité de cette dernière quant à la collecte de données. De toute évidence, cette méthodologie a fonctionné pour le rapport CORESPO Respect DGJ, ce qui en a permis l'exportation et l'exploitation avec le plan d'action que je viens de mentionner.

Force est de constater que, selon la police, il n'en a pas été de même avec CORESPO Corruption DGJ.

Ik herinner eraan dat ik op 19 november jongstleden aanwezig was in de commissievergadering om mondelinge vragen te beantwoorden. De heer Matti Vandemaele had mij laten weten dat hij niet zou kunnen blijven om zijn mondelinge vraag over CORESPO te stellen. Zoals gebruikelijk in een dergelijke situatie heb ik hem daarom schriftelijk het antwoord bezorgd dat ik hem mondeling zou hebben gegeven. Velen onder u hebben mij nadien de vraag gesteld of ik al dan niet over het rapport beschikte. Zoals ik straks opnieuw zal toelichten, heb ik niets te verbergen. De federale politie heeft mijn kabinet het niet-goedgekeurde ontwerprapport in het kader van de voorbereiding van een antwoord op dezelfde mondelinge vraag van volksvertegenwoordiger Vandemaele bezorgd.

Les mots ont un sens! Et c'est dans cette réponse, jusqu'ici non publiée sur aucun canal officiel de la Chambre, que j'ai précisé qu'à l'heure actuelle, et bien évidemment selon la police fédérale, les conclusions de ce rapport ne sont ni exportables ni exploitables. Je le répète donc, selon la police fédérale, à l'heure actuelle, les conclusions de ce rapport ne sont ni exportables ni exploitables.

Par conclusions "exportables", on entend qu'au moyen d'un questionnaire en ligne, des données brutes sont collectées et c'est l'interprétation de cette collecte qui permet de dégager des tendances et des résultats concrets. Par "exploitables", on entend la traduction de ces résultats au travers d'un plan d'action, dont acte à la suite du rapport CORESPO Respect DGJ. Mais il aurait fallu pour cela qu'il en fût autant pour le rapport CORESPO Corruption DGJ, à savoir une quantité suffisante de données exportables et exploitables, ce qui n'a, selon la police, pas été le cas.

En matière de chiffres, j'aimerais en clarifier certains. Selon les informations qui m'ont été transmises par la police fédérale, il ressort que sur environ 4 500 membres du personnel de la direction générale judiciaire, 3 670 ont été consultés et un peu plus de 1 200 ont répondu à l'enquête complète, soit un tiers.

Sur ce tiers du personnel de la DGJ qui a été consulté, environ 30 %, selon la police, ont constaté au cours de l'ensemble de leur carrière, des comportements à risque en matière de corruption. Je me permets d'insister sur "l'ensemble de la carrière"! Les cas évoqués ne concernaient donc pas uniquement l'expérience des agents de la DGJ, mais tout leur parcours professionnel au sein de la police fédérale ou locale, le cas échéant.

Mijnheer Vandemaele, u verklaarde op de VRT het volgende. Ik citeer: "Het gaat natuurlijk niet over het feit dat een op drie corrupt zou zijn. Het gaat erover dat een op drie zegt: ik heb het gezien." Dames en heren volksvertegenwoordigers, het klopt niet dat 30 % van ons volledige politiekorps corrupt zou zijn, zoals sommigen – ik spreek niet van leden hier – hebben laten uitschijnen.

Voorts merkt u het volgende op: "Ik denk wel dat de federale politie een existentiële crisis aan het doormaken is. Men probeert dat opnieuw in de doofpot te stoppen." Dat zijn onterechte en goedkope beschuldigingen. Ik pik ze niet. Laat dat duidelijk zijn.

Notre police, je vous le rappelle, compte 50 000 membres. L’immense majorité de ces agentes et agents accomplissent leur travail quotidien avec une probité totale et un sens du devoir admirable, comme vous l’avez toutes et tous d’ailleurs souligné dans vos interventions et vos questions.

Celles et ceux qui colportent des données inexactes viennent donc un peu plus cultiver le désamour entre ceux qui nous protègent et ceux qu’ils protègent, parfois au péril de leur vie.

Cela étant dit, c’est le manque de données suffisamment exploitables qui a conduit la police fédérale à ne pas valider définitivement l’enquête. C’est précisément pour cette raison qu’elle a déjà annoncé le lancement, dans les plus brefs délais, d’un audit sur la méthodologie qu'elle a utilisée, comme le commissaire général l’avait d’ailleurs annoncé ici en septembre. Les résultats de cet audit sont attendus début 2026.

In antwoord op uw vraag om het rapport ter beschikking te stellen, kan ik het volgende meedelen. Ik heb er geen probleem mee dat het rapport wordt gedeeld. Ik heb niets te verbergen. Mijnheer de voorzitter, ik stel dus voor dat u de praktische afspraken voor de terbeschikkingstelling van het rapport samen met de federale politie bekijkt.

Je souhaite cependant sortir de ce débat sur la méthodologie et les chiffres, car je veux ici être très clair, comme j’ai déjà eu l’occasion de l’être ce matin. Chaque cas de corruption au sein de la police fédérale est un cas de trop. Cette enquête CORESPO sur la corruption et les problèmes méthodologiques qu’elle a rencontrés ne signifient en rien que la lutte contre la corruption doit être abandonnée, bien au contraire.

Ik wil nogmaals beklemtonen dat er voor elk geval dat aanleiding kan geven tot tuchtprocedures, reeds specifieke interne procedures bij de politie bestaan. Ik kan u bovendien meedelen dat er, naast externe meldkanalen, zoals het comité P, in mei 2025 onder mijn mandaat ook een nieuw intern meldkanaal werd gelanceerd door de federale politie. Ik maak van de gelegenheid gebruik om eraan te herinneren dat elke politiepersoon en elke ambtenaar verplicht is feiten van corruptie te melden, zodra hij of zij daarvan kennis krijgt, overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van strafvordering.

Je peux vous confirmer, selon les informations dont je dispose de la police, qu'aucun cas n'a été à ce jour signalé via cette nouvelle procédure et que l'existence même de ce canal a été rappelée ce lundi dans une communication au personnel. Mais je tiens également à signaler que depuis 2019 dix dossiers disciplinaires ont concerné des cas liés à des faits de corruption. Quant aux éventuelles poursuites pénales, celles-ci relèvent, comme vous le savez, du pouvoir judiciaire et je n'ai pas à me prononcer là-dessus. Je vous invite à interroger la ministre compétente à ce propos.

Mesdames et messieurs les députés, comme vous pourrez le relire tant au sein de mon exposé d'orientation politique qu'au sein de ma note de politique générale, j'ai fait de l'intégrité de la police un élément central de mon action en insistant quotidiennement auprès de celle-ci. Chaque cas doit être traité avec un sérieux total et je m'y emploie depuis 11 mois, en me basant sur la situation dont j'ai hérité.

J'ai déjà exprimé à moult reprises ma volonté d'une police respectueuse, respectable et respectée. Cette ambition de lutter contre la corruption est partagée par la police fédérale et traduite de manière concrète dans le plan pluriannuel Intégrité ainsi que dans son plan stratégique et, comme cela a été rappelé, par le simple fait qu'il existe une cellule Intégrité au sein de la police fédérale. Ces plans servent de fil conducteur à l'ensemble de la police intégrée pour faire vivre les valeurs de respect, d'exemplarité et de professionnalisme dans toutes les fonctions. Ce travail est mené au quotidien au sein de la DGJ, tant par le biais des initiatives existantes que par celui de nouvelles initiatives à venir.

Onder mijn impuls zullen we ook werkzaamheden opstarten die tot doel hebben een permanente screening van de personeelsleden gedurende hun volledige loopbaan uit te voeren.

Hoe dan ook begrijp ik dat de in de pers gepubliceerde getuigenissen sommige leden van de assemblee, net als het brede publiek en uiteraard ook mijzelf, beroerden. Het onderzoek was een positief initiatief. Het doel ervan was en blijft lovenswaardig, maar de praktische uitvoering ervan schoot tekort op het vlak van de methodologie, waardoor het meer vragen dan antwoorden opriep.

Mesdames et messieurs les députés, je n'accepterai jamais que l'image de notre police soit ternie – non en cachant les faits, mais en faisant la lumière. C'est pourquoi, à côté de l'audit sur la méthodologie CORESPO que le commissaire général a entrepris, je lui ai donné instruction d'ouvrir une enquête indépendante, exhaustive et scientifique visant à déceler les risques systémiques en rapport avec la corruption que peut encourir la DGJ. Je voudrais insister sur ce point. L'objectif de cette enquête doit être de découvrir les problèmes systémiques. Dans cette commission, il a été question de résilience. C'est pourquoi je pense qu'il importe aussi d'en parler au sein de la police. Il ne s'agit pas ici de mener une enquête sur des cas particuliers de corruption. Cela appartient aux structures disciplinaires et, surtout, judiciaires. Chacun doit accomplir son travail. À ce titre, je rappelle que tout fonctionnaire, singulièrement un fonctionnaire de police, est tenu de respecter l'article 29 du Code pénal: s'il a connaissance de faits délictueux ou criminels, il est tenu par la loi, qu'il est censé faire respecter, de les dénoncer. Il s'agit donc, en l'occurrence, de disposer d'une étude qui protège la police contre les risques systémiques de corruption.

Comme vous l'avez dit, la corruption existe dans notre société. Ne faisons pas semblant de la découvrir à travers quelques articles de presse, s'il vous plaît. Nous avons des enquêteurs, en particulier à la DGJ, qui sont évidemment, encore plus que d'autres, de possibles victimes de cette corruption. Donc, il faut les protéger. C'est ce que je veux faire et c'est la raison pour laquelle je veux recourir à la bonne méthodologie. Je ne veux pas qu'on ternisse l'image de la police avec des à-peu-près, d'où qu'ils viennent. Je suis très clair sur ce point.

Cette enquête indépendante devra être menée dans les plus bref délais. Sur la base des résultats qu'elle produira, nous prendrons des mesures supplémentaires avec la ministre de la Justice, afin de tendre vers un risque zéro en matière de corruption. Après vous avoir entendus, je pense pouvoir dire que c'est une volonté que nous partageons tous ici.

J'ajouterai encore un petit mot au sujet du Comité P. Oui, il a évidemment un rôle à jouer. Toutefois, sans chercher à en diminuer les mérites, je ne suis pas certain qu'il ait la capacité, même physique, de mener cette enquête sur les risques systémiques. De toute façon, il ne m'appartient pas de le dire. En effet, vous le savez mieux que moi: c'est vous, le Parlement, qui pouvez l'activer.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, ik vermoed dat we iets meer spreektijd krijgen, aangezien de minister ook langer heeft gesproken.

Voorzitter:

Die discussie zullen we niet voeren. Ik bepaal wie aan het woord komt, maar de spreektijden zijn reglementair vastgelegd voor parlementsleden. Zij krijgen 2 minuten voor het stellen van hun vraag en 2 minuten voor hun repliek. Uiteraard kan ik het antwoord van de minister moeilijk beperken, want dan zou u kwaad zijn, omdat u geen antwoord krijgt. Mijnheer Vandemaele, u hebt 2 minuten.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik ben blij dat u toch een bochtje maakt. Ik blijf evenwel benieuwd wie het onafhankelijk onderzoek zal uitvoeren, want dat is me niet zo duidelijk.

Ik maak me oprecht zorgen over de top van de federale politie. Ik laat me vertellen dat iemand uit de beleidscel van de commissaris-generaal boven de dienst Integriteit is geplaatst om te controleren dat er niets meer naar buiten komt dat niet in orde is. Dat hoor ik zeggen.

Ik hoor ook dat het rapport in juni klaar was en intern eveneens in juni werd verspreid. Wie beweert dat het om een voorlopig rapport gaat, verkondigt dus onwaarheden. Het onderzoek zal dat evenwel duidelijk maken.

Voor mij is het bijzonder belangrijk dat de mensen die aan het rapport hebben meegewerkt, worden beschermd. Ook mensen die in het rapport aangeven dat ze zijn gestraft, omdat ze corruptie hebben gemeld, moeten echt worden beschermd. Er moeten op individueel niveau acties volgen om recht te zetten wat daar fout is gelopen. Ook wie heeft meegewerkt aan het rapport, moet worden beschermd, want ik heb de indruk dat de politietop niet in de juiste richting meegaat.

Dat we het rapport zelf zullen ontvangen, stemt me tevreden. Tot nu toe hebben we slechts een rapport ontvangen; we moeten de twee of drie rapporten die klaar zijn, krijgen, inclusief de bijlagen. Dat gaat immers telkens over 100 tot 150 pagina’s extra informatie, die zeer nuttig is om te lezen. Ik hoop dus dat u daarvoor eveneens uw steun kunt uitspreken.

Ik rond af. U probeert mij in de hoek te duwen van degenen die de politie zouden willen beschadigen. Dat pik ik niet en ik zal u uitleggen waarom. Ik word door zeer veel politieagenten aangesproken, allemaal integere mensen die zeggen dat de aanpak van corruptie voor hen uiterst belangrijk is en dat, als er in hun organisatie 1, 2 of 3 % politieagenten niet loyaal is aan de missie en wel corrupt is, dan schaadt die minderheid het imago van de hele politie. Ik kom dus op voor de agenten die hun werk naar behoren doen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, in eerste instantie ben ik blij dat wij inzage krijgen in het rapport. Ik verneem dat er ook veel bijlagen zijn. Het is logisch dat we ook die bijlagen kunnen inkijken, ook al weet ik niet welke informatie ze precies bevatten.

Comité P moet zijn rol kunnen spelen. In de begeleidingscommissie moeten we dat bespreken. Als mensen de moed bij elkaar rapen om corruptie waarbij eventueel leidinggevenden betrokken zijn, te melden, dan moeten ze dat kunnen doen via een goede procedure, onderbouwd met de nodige bescherming, zodat ze zich veilig voelen. Dat moeten we bekijken. Ik lees dat het rapport ook veel kwalitatieve informatie bevat.

Ik ga ermee akkoord dat men de methodologie toetst, maar tegelijk mag men het kind niet met het badwater weggooien. Het rapport bevat veel informatie. Moeten we het rapport dan helemaal overdoen? Mensen die gewoon zijn dat soort van onderzoeken te verrichten en dergelijke bevragingen uit te voeren, hebben er uren werk aan besteed. Het is dus belangrijk om het geleverde werk te bekijken en in zijn context te plaatsen. Wellicht bezorgt u ons daarover binnenkort meer informatie.

Agenten mogen geen schrik hebben om zaken te melden. Niet alleen opvolging en feedback zijn nodig, maar ook communicatie door bijvoorbeeld een commissaris-generaal die op de hoogte is van een rapport.

De informatie is onmiddellijk n de pers verschenen en de schade is moeilijk te herstellen, maar een externe audit moet een en ander in zijn context plaatsen. Mijnheer de minister, wij hebben geen tijdschema gekregen van de externe audit. Hopelijk kunt u ons daar snel uitsluitsel over geven.

Catherine Delcourt:

Merci pour vos clarifications, monsieur le ministre.

Votre mise au point était nécessaire. Les policiers exercent un métier exigeant. Il n'y a pas de doute qu'ils le fassent d'une manière intègre, honnête, irréprochable. Ils sont dignes de notre confiance à quelques exceptions près. Il faut, pour ces exceptions, traiter fermement le mal à la racine, systématiquement. La lutte contre la corruption à tous les niveaux au sein de la police doit être une priorité. Les signalements doivent être suivis de faits. Vous y travaillez sans relâche, il ne peut en être autrement.

J'ai bien compris que cette polémique est née de deux documents dont le collègue Ecolo-Groen Vandemaele fut le seul à disposer. La réponse que vous lui avez fournie en mains propres et le rapport obtenu par on ne sait quel canal parallèle sont pour moi une drôle de conception de la démocratie parlementaire et de la notion d'intégrité. La méthode pose question, surtout au vu du sujet traité ici. Je vous remercie d'accepter de mettre le dossier à notre disposition. Néanmoins, la méthodologie utilisée présente en effet des limites. Ce sont dès lors des conclusions issues d'un projet de rapport qui n'est pas exploitable en l'état, et qui ont été tirées à la hâte avant d'être rendues publiques. C'est inacceptable. L'image de la police ne peut pas être ternie de cette façon, sur la base de méthodes de travail que je qualifierais de douteuses. C'est pourquoi je salue votre initiative de lancer, à court terme, une enquête indépendante, approfondie et scientifique. Je vous soutiens, monsieur le ministre, je soutiens notre police et attends les résultats avec beaucoup d'intérêt.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, voor mij is het belangrijk dat het betreffende onderzoek vanuit het onafhankelijke CG van de federale politie gestart is. Wij, u en de ministerraad moeten dat stuk dan ook van op een afstand en volledig objectief bekijken.

Het betreft een initiatief van de federale politie en het is aan ons om dat met de nodige afstand correct te interpreteren. Ik voel mij dus niet degene die nu moet beschermen of degene die nu moet veroordelen. Het is aan ons, maar ook aan u en aan alle ministers, om het rapport dat er nu ligt, evenals een volgend rapport, van op afstand te bekijken. Het is uiteindelijk de top van de federale politie zelf, die het rapport besteld heeft Wij moeten daar als politici niet bang van zijn; wij moeten het durven te interpreteren.

Ik ben wel zeer tevreden met uw verklaring dat u nauwlettend zult waken over de verdere uitrol van de permanente veiligheidsscreening gedurende de loopbaan van politiemedewerkers. Dat moeten we scherp in de gaten houden. U krijgt daarvoor mijn complimenten en mijn volledige steun.

Ten slotte, al bijna een jaar geleden vroegen wij hoe ver het stond met de tuchtwet voor de politie. Dat aspect zit ook deels in het onderzoek vervat. Wanneer we straks onder andere de beleidsplannen bespreken, moeten we wel duidelijkheid hebben over de timing ter zake.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ten eerste hebt u zich persoonlijk tot mij en tot de commissie gericht met de vraag om het rapport op te vragen. Dat is gisteren gebeurd. Naar aanleiding van de regeling van de werkzaamheden en de organisatie van eventuele hoorzittingen in onze commissie heb ik gisteren al een brief gericht aan de commissaris-generaal om het rapport effectief ter beschikking te stellen van het Parlement en van de leden van de commissie.

Ten tweede klopt u zich nogal op de borst met het nieuwe orgaan dat u in juni bij de federale politie hebt opgericht, namelijk het interne meldkanaal. Ik wil u daarover toch even met de neus op de feiten drukken. Ik geef u even mee wat ACV Politie, de vakorganisatie waarnaar u zelf verwijst, daarover zegt.

Verwijzend naar het rapport zegt de organisatie: "Deze cijfers bewijzen niet dat de werkvloer verrot is, maar dat onze mensen alert zijn. Het echte probleem is dat hun meldingen te vaak sterven in een bureaulade, om negatieve publiciteit te vermijden. Zo gaven drie op de tien deelnemers aan dat ze ontevreden zijn over de opvolging van meldingen.”

Dat is hetgeen ik bedoelde met mijn stelling dat men bij een interne evaluatie soms op muren botst. Die muren moeten dringend worden afgebroken. Daarom ben ik zeer verheugd dat u ons voorstel van enkele maanden geleden hebt overgenomen en nu eindelijk een onafhankelijk onderzoek hebt bevolen.

U doet uw werk en het Parlement moet zijn werk doen. Ik ben er dan ook zeker van dat we de kwestie in onze commissie nader zullen bespreken, via hoorzittingen. Ik hoop ook op volledige transparantie van u en van de commissaris-generaal in het dossier. Het moet immers inderdaad de bedoeling zijn – dat is ongetwijfeld eenieders doel hier – om een integere en betrouwbare politie op de been te brengen. Ik dank u alvast daarvoor.

Xavier Dubois:

Merci d'avoir rappelé l'historique du dossier. Il est important de rappeler qu'il s'agit d'un rapport interne du service Intégrité, ce qui prouve la maturité de l'organisation. Je ne suis pas sûr que ce soit le cas de tous les services publics, qui peuvent aussi être concernés par des risques de corruption.

Vous avez rappelé que l'enquête vise à identifier des risques qui sont basés sur des perceptions, et non pas des faits. Vous avez précisé que cette enquête porte sur des perceptions tout le long de la carrière des agents qui ont répondu, ce qui permet de remettre en perspective les résultats mis en avant. La police affirme que les résultats ne sont pas directement exploitables.

Tout le monde est d'accord sur le fait qu'il faut agir. La police fédérale le fait, avec un audit interne sur la méthodologie. Vous le faites également, avec cet objectif d'enquête indépendante, scientifique, systémique, sur la problématique de la corruption. Nous avions demandé quels en seraient le moment, le timing, la méthodologie, et n'avons pas encore reçu de réponses à ce sujet. Il serait important de les avoir rapidement pour savoir à quel planning nous devrons faire face. Nous serons attentifs aux résultats de cette enquête.

Merci d'avoir confirmé que ce rapport sera transmis. Il est important que nous puissions l'avoir rapidement. La transparence est, à ce sujet, nécessaire et évidente.

Concernant le projet de loi sur le screening , j'entends qu'il est au programme. Je pense qu'il faut avancer rapidement à ce sujet. Nous avons déposé une proposition de loi en ce sens et ce serait une très bonne chose que vous vous en inspiriez. Il faut agir, et vite. Il faut lutter contre la corruption, c'est une évidence. Et il faut rétablir la confiance dans notre police.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, vous avez parlé de votre empire, et je ne vous savais pas empereur. Plus sérieusement, la corruption n'a pas sa place dans la police ni dans notre société et, je le répète, nous n'avons aucun doute sur l'intégrité de la majorité des membres de la police fédérale.

Je vous remercie d'avoir accepté de partager avec nous le rapport et les annexes. On parle beaucoup de méthodologie, un peu comme pour noyer le poisson, mais rappelons les faits: ce rapport a été réalisé par le service Intégrité au sein de la police fédérale et a été complété par 23 % du personnel, donc presque un tiers, ce qui n'est pas marginal. Vous n'avez pas communiqué de calendrier précis pour l'audit, de sorte que je plaide pour qu'il soit réalisé au plus vite, afin que cela ne ralentisse pas le travail sur le contenu même du rapport. En effet, ce rapport nous offre une occasion unique de faire la clarté sur d'éventuels cas de corruption, de lutter contre les dysfonctionnements internes et, surtout, de protéger les agents qui dénoncent des pratiques potentiellement illégitimes. Je répète que nous avons confiance dans l'intégrité de la grande majorité des policiers.

Enfin, vous n'avez pas apporté de réponses claires sur le calendrier de l'enquête, sur les problèmes systémiques et sur les garanties d'indépendance. Nous continuerons donc à vous interroger sur le sujet car la corruption, vous l'avez dit, n'a pas sa place dans nos institutions.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je note que nous recevrons le rapport et vous en remercie. Pour éviter tout flottement, je crois qu'il sera important de préciser les modalités, mais nous verrons cela avec la commission.

Deuxièmement, il subsiste un petit mystère. La police n'a pas validé le rapport parce que les données ne paraissaient ni exploitables ni exportables, vous avez d'ailleurs insisté sur ce point. Mais qu'a-t-il donc manqué pour rendre ce rapport exportable et exploitable? Pourquoi le travail n'a-t-il pas, au fond, été achevé? Nous nous retrouvons avec un rapport qui n'est pas abouti, et c'est sans doute ce côté inabouti qui a fait en sorte que ce rapport finisse par fuiter, parce que certaines personnes en interne ont dû considérer que cela n'allait pas. Dès lors, qu'aurait-il fallu en plus pour que ce rapport soit exploitable et exportable?

Enfin, vous avez répondu sur le comité P. Il ne lui appartient sans doute pas de mener des procédures systémiques, de sorte qu'il est logique que vous ayez confié cette mission au commissaire général. Par contre, le comité P peut mener des enquêtes individuelles. Dès lors, la moindre des choses serait qu'il reçoive le rapport, même avec toutes les réserves méthodologiques d'usage, afin de vérifier les faits qui y sont mentionnés. Certes, le comité P dépend de nous, le Parlement. Le plus simple serait que le commissaire général ou vous-même lui envoie le rapport directement. Sinon, nous voulons nous en charger une fois que vous nous l'aurez transmis. In fine, il faudrait qu'il puisse juger sur pièces si certaines allégations méritent d'être investiguées plus avant.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'aimerais saluer votre ouverture sur la nécessité de partager les données, les enquêtes et les rapports. Je me joins au questionnement que vient d’exprimer M. De Smet. Effectivement, que manque-t-il pour que ce rapport soit "exploitable"? De la même manière, l’audit devrait être réalisé le plus rapidement possible afin que nous disposions d’un maximum d’informations.

Pour nous, il est essentiel de protéger les lanceurs d’alerte. Nous avons eu trop d’exemples où ces derniers ont été sanctionnés par la suite. Vous serez d’accord pour dire que la lutte contre la corruption ne doit pas se limiter aux citoyens et citoyennes, mais concerner aussi celles et ceux qui sont censés nous protéger. Nous ne pouvons pas continuer à fermer les yeux sur des pratiques qui sapent la confiance que les citoyens placent dans leurs institutions, et en particulier dans la police, surtout au vu des dernières actualités en matière de bavures policières. La confiance envers la police s’effrite.

Il est de la responsabilité de l’État et de votre ministère de garantir que nos forces de l’ordre soient irréprochables. Comme je l’ai dit, pour que la police soit respectée, elle doit être respectable. Il est donc inconcevable qu’un agent de police national soit confronté à des conditions de travail aussi précaires, avec des salaires indignes, contraint parfois de cumuler avec des flexi-jobs pour boucler la fin du mois. Ces situations sont compliquées, ont un impact direct sur l’efficacité, la qualité et l’éthique professionnelle de nos agents de police.

Lorsque nous aurons une police bien formée, protégée contre la corruption et correctement rémunérée, alors peut-être pourra-t-elle retrouver la confiance des citoyens et des citoyennes et se montrer irréprochable dans l’exercice de sa mission. Nous continuerons, évidemment, à suivre le dossier avec la plus grand attention.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour tous ces éclaircissements. Je suis rassuré d’apprendre que nous allons pouvoir consulter et obtenir ce rapport. Il nous appartiendra de l’analyser en profondeur et, comme d’autres collègues l’ont souligné, de vérifier s’il contient des éléments qui méritent d’interpeller le comité P, par rapport à la gravité potentielle des faits qui y seraient dénoncés. C’est effectivement notre rôle, puisque le comité P dépend du Parlement. Vous avez également évoqué un audit relatif à la méthodologie. Il serait intéressant qu’il soit réalisé rapidement, s'il doit avoir lieu. Je me réjouis également d'apprendre votre volonté d'organiser un screening régulier. Cela fut décidé pour nos militaires sous la précédente législature par la ministre de la Défense, que je connais très bien. Toutefois, ce ne fut pas entrepris pour nos policiers, alors que des propositions avaient été soumises en ce sens. Vous reprenez cette même idée. Par conséquent, nous la soutiendrons. Enfin, dans le contexte actuel, il importe de réaffirmer notre totale confiance dans l'intégrité de nos policiers, lesquels accomplissent un métier particulièrement difficile.

Het onderzoek naar de locatie van het nieuwe forensisch psychiatrisch centrum
Onbruikbare FPC-kamers
Locatie en functionaliteit van forensisch psychiatrische centra

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Nele Daenen (schepen in Tienen) vraagt om update over de onderzochte locaties (o.a. Tiense Watervelden en militair domein Vissenaken) voor een nieuw Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC), gezien de ontoereikende capaciteit die geïnterneerden nu in gevangenissen doet belanden. Vanessa Matz (minister) bevestigt dat er nog geen beslissing is, maar dat geschikte locaties minstens 4-5 ha groot moeten zijn in een lichtblauwe zone, met aandacht voor bereikbaarheid, nutsvoorzieningen en overleg met lokale overheden na locatiekeuze. Daenen aanvaardt het uitblijven van concrete plannen, terwijl Matz meldt dat herstellingswerken in FPC Gent (door patiëntenschade) 15 kamers tijdelijk onbruikbaar maken tot Q4 2026, met gefaseerde werken om zorgcontinuïteit te waarborgen.

Nele Daenen:

Mijnheer de minister, ik heb hierover al een vraag gesteld in juli 2025. Dit is dus een vervolgvraag. Een FPC biedt een gespecialiseerde behandeling voor forensisch psychiatrische patiënten, mensen die een misdrijf pleegden vanuit een psychische stoornis. Deze mensen krijgen beter een specifieke begeleiding in dergelijke centra.

Momenteel is de opvangcapaciteit voor geïnterneerden in België volstrekt ontoereikend. Sommige geïnterneerden zijn daardoor verplicht om in een gevangenis te verblijven. In opdracht van de federale overheid onderzoekt de Regie der Gebouwen potentiële locaties voor de vestiging van een nieuw Forensisch Psychiatrisch Centrum. Dit onderzoek is momenteel volop lopende.

Is er ondertussen al zicht op welke locaties in aanmerking komen voor het bouwen van een nieuw FPC? U gaf op 1 juli 2025 aan dat onder andere twee locaties in Tienen, waar ik zelf schepen ben, in onderzoek zijn, namelijk de Tiense Watervelden in Goetsenhoven en de locatie op het militair domein in Vissenaken. Zijn deze locaties al dan niet weerhouden?

Wanneer zal de Regie der Gebouwen een beslissing nemen en zal daarbij rekening worden gehouden met de adviezen van de lokale overheden?

Voorzitter:

De heer Yzermans is niet aanwezig.

Vanessa Matz:

Mevrouw Daenen, de Regie der Gebouwen onderzoekt momenteel samen met de FOD Justitie en de betrokken minister verschillende mogelijke locaties voor een nieuw long stay FPC. Er is op dit moment nog geen definitieve beslissing genomen. De voorwaarden voor een geschikte locatie zijn duidelijk, het terrein moet minstens vier tot vijf hectares groot zijn en gelegen zijn in een lichtblauwe zone.

Daarnaast wordt rekening gehouden met factoren zoals bereikbaarheid, de aanwezigheid van nutsvoorzieningen, het risico op wateroverlast en de mogelijkheid van hernieuwbare energie. Omdat het aantal geschikte zones beperkt is, bekijkt de Regie der Gebouwen ook of een herlocatie via een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan mogelijk is.

Zodra een concrete locatie is vastgesteld, worden de lokale overheden betrokken. In dat kader wordt ook de impact op de lokale politie besproken. Wanneer het project wordt toegewezen, organiseert de Regie der Gebouwen overlegmomenten met de bewoners. Tijdens deze momenten kunnen hun bezorgdheden uitgebreid worden toegelicht en besproken.

In het FPC in Gent zijn er momenteel acht kamers op de afdeling Schelde en vier kamers op andere afdelingen buiten gebruik. Dat is het gevolg van de schade die door patiënten werd veroorzaakt. Ook in de gemeenschappelijke ruimten, zoals de keukens en leefruimte, is er schade vastgesteld.

De geplande werken omvatten onder meer de vernieuwing van vloeren en keukeneilanden, het vervangen van veiligheidsbeglazing en schilderwerken. Omdat het centrum operationeel moet blijven, worden werken in fases uitgevoerd via een doorschuifsysteem. Hierdoor zullen tijdelijk 15 kamers leeg moeten blijven zodat de impact op het zorgtraject voor de patiënten zo beperkt mogelijk blijft. Na afloop zullen alle kamers opnieuw beschikbaar zijn.

De werken zijn gestart op 8 december van dit jaar en zullen afgerond zijn tegen het vierde kwartaal van volgend jaar. Er is enige vertraging opgelopen door een productietermijn van 12 weken voor de nieuwe keukens.

Nele Daenen:

Bedankt, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Voor de locatie wachten we dan inderdaad nog op een definitieve beslissing. We zullen daar verder naar uitkijken en dit dossier verder opvolgen.

Het gerechtelijk onderzoek naar MolenGeek
Mogelijke onregelmatigheden met subsidies bij de vzw MolenGeek
Onderzoek naar mogelijke subsidiefraude bij MolenGeek

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kristien Verbelen vraagt kritisch naar de samenwerking tussen Defensie en vzw MolenGeek, gelet op het lopend gerechtelijk onderzoek naar subsidiefraude, boekhoudonregelmatigheden, extremismeverdenkingen en kwaliteitstekorten, en benadrukt de nood aan betrouwbare IT-partners voor Defensie’s cybertekort. Minister Theo Francken stelt dat Defensie enkel via de pers van het onderzoek hoorde, de samenwerking nooit leidde tot aanwervingen, en de Microsoft-evaluatie (nog) ontbreekt—wel blijkt dat kandidaten het vereiste niveau niet haalden; Defensie schakelt nu over naar alternatieve partners zoals BeCode. Verbelen bekritiseert dat de inspanningen met MolenGeek weinig opbrachten en juicht het zoeken naar veiligere alternatieven toe. Francken sluit verdere samenwerking met MolenGeek niet expliciet uit, maar focust op transparante, nieuwe partners voor cyberwerving.

Kristien Verbelen:

MIjnheer de minister, ik heb nog een vraag over de vzw MolenGeek. Ondertussen loopt er een gerechtelijk onderzoek naar mogelijke subsidiefraude en onregelmatigheden in de boekhouding. De Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie heeft al meerdere verhoren afgenomen en er zijn zowel publieke als private partners die de samenwerking met de vzw hebben stopgezet. Dat onderzoek komt boven op eerdere signalen van mogelijke extremistische connecties in de entourage van MolenGeek en op terugkerende vragen over de kwaliteit van de opleidingen, de interne werking en de transparantie van de organisatie.

Mijnheer de minister, vorig jaar antwoordde u dat defensie sinds begin 2024 geen contact meer had met MolenGeek en dat u wachtte op de eindevaluatie van de cybersecurityopleiding testcase van Microsoft. Defensie kampt, net als de civiele arbeidsmarkt, met een structureel tekort aan IT- en cybersecurityprofielen. Het is daarom essentieel dat de partners op wie defensie een beroep doet, betrouwbaar en professioneel zijn. Tegen die achtergrond heb ik een aantal vragen.

Ten eerste, is Defensie formeel op de hoogte gesteld van dat onderzoek of heeft uw administratie contact gehad met het parket of andere instanties om na te gaan of dat gevolgen heeft voor de vroegere of mogelijke toekomstige samenwerking?

Ten tweede, werd de eerdere veiligheidsscreening door de ADIV herbekeken in het licht van de nieuwe elementen die nu bekend zijn?

Ten derde, hebt u inmiddels de eindevaluatie van Microsoft over de opleiding testcase ontvangen en zijn die conclusies relevant voor defensie, zowel inhoudelijk als wat betreft de instroom?

Tot slot, acht u verdere samenwerking met de vzw MolenGeek of soortgelijke organisaties nog wenselijk of verantwoord, gelet op de combinatie van veiligheidsrisico’s en de acute behoefte van defensie aan dergelijke profielen?

Theo Francken:

Defensie heeft via de pers vernomen dat er een gerechtelijk onderzoek tegen MolenGeek zou worden ingesteld, maar men werd hiervoor, volgens mijn informatie, niet door de bevoegde diensten zelf gecontacteerd.

Dit onderzoek heeft geen invloed op onze toekomstige samenwerking, aangezien onze veiligheidsmaatregelen zich voornamelijk richten op potentiële kandidaten die bij defensie in dienst zouden kunnen treden. Defensie blijkt nooit iemand via MolenGeek te hebben aangeworven.

De eindevaluatie van de testcase werd in principe aan de certificeringsinstantie, namelijk Microsoft, overgemaakt. Tot heden heeft Microsoft deze resultaten niet gedeeld. Daarentegen is defensie er wel van op de hoogte dat het vereiste niveau niet werd bereikt door de geïnteresseerde kandidaten voor de Cybermacht.

Defensie zet haar een vruchtbare samenwerking met vzw BeCode verder en gaat op zoek naar andere partners waarmee defensie een proactief en jong publiek kan bereiken, om hen op een transparante manier bewust te maken van carrièremogelijkheden bij de Cybermacht..

Kristien Verbelen:

Defensie heeft een enorme nood aan goed opgeleide en betrouwbare IT-profielen. Daarom is het cruciaal dat we kijken naar goede en veilige samenwerkingen.

Als ik het zo hoor, werd er veel energie in de samenwerking met MolenGeek gestoken en hebben we er eigenlijk niet veel uitgehaald. Het is alleszins goed om te horen dat er naar andere samenwerkingen wordt gekeken en dat we daarvan afstappen, zodat we in de toekomst niet meer met zulke risico's geconfronteerd worden.

Voorzitter:

M. Anthony Dufrane a demandé le report de sa question n° 56010926C.

De promotieactie van Albert Heijn
Het onderzoek naar de '2+5 gratis'-kortingen
De reclamecheque bij promoacties
Kortingen met een reukje aan
Albert Heijn promotieacties en kortingsonderzoek

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Beenders bevestigt dat de Economische Inspectie een eigen, onafhankelijk vooronderzoek voert naar de Albert Heijn-promotie (2+5 gratis), na klachten over chaos, lege rekken en onduidelijke voorwaarden, maar benadrukt dat hij niet tegen kortingen is mits de strikte wettelijke regels worden nageleefd—zoals bij eerdere sancties voor Delhaize en DAZN. Van Lommel (vraagsteller) en Prévot steunen het onderzoek, maar Prévot wijst expliciet op vermoedens van fiscale optimalisatie (inkoop via Nederland om belastingen te ontwijken) en eist aandacht hiervoor in het onderzoek, naast de consumentenproblemen. De resultaten worden openbaar gemaakt, maar de timing is nog onbekend; geen sancties of richtlijnen zijn nu al aangekondigd. Alle partijen wachten af, maar Prévot betwijfelt of dit een geïsoleerd geval is en dringt aan op structurele controle.

Reccino Van Lommel:

Mijnheer de minister, u hebt onlangs in de media aangegeven dat u naar aanleiding van de grote promotieactie bij Albert Heijn zou laten onderzoeken of een zogenaamde 2 + 5 superdeal wettelijk is toegestaan. Op zich zijn promotieacties een goede zaak voor de consument, maar deze actie heeft toch voor heel wat ophef gezorgd.

In verschillende filialen hebben zich taferelen voorgedaan met grote drukte, lege rekken en dergelijke. Daarom heb ik een aantal concrete vragen voor u.

Bestaat er in dergelijke gevallen een meldingsplicht? Over welke instrumenten beschikt u om op te treden wanneer de organisatie van zulke acties leidt tot chaos of beperkte beschikbaarheid?

Acht u het aangewezen om met de sector in overleg te treden over duidelijke richtlijnen voor dergelijke massale kortingsacties?

Hoe verhoudt onze regelgeving inzake promotieacties zich tot de Europese richtlijnen?

U hebt aangekondigd een onderzoek te laten uitvoeren. Welk onderzoek betreft het precies? Wordt dat uitgevoerd door externen, met andere woorden, is er een extern onderzoeksbureau aangesteld?

Op basis van welke criteria wordt de impact van die actie geëvalueerd? Gaat het dan specifiek over de consumentenervaring en de logistieke organisatie of worden ook economische factoren meegenomen, zoals prijs, omzet en marktaandeel?

Gelet op de grote mediabelangstelling, hoe wordt de onafhankelijkheid van dat onderzoek gewaarborgd? Zal het onderzoeksrapport publiek worden gemaakt eenmaal het onderzoek is afgerond? Wanneer mogen we die publicatie verwachten?

Zullen de resultaten ook worden vertaald naar richtlijnen voor de sector?

Tot slot acht ik het ook van belang te weten welk overleg u hebt gehad met de betrokken supermarktketen.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre,

Récemment, l'enseigne néerlandaise Albert Heijn, implantée en Flandre a lancé une offre « 2 + 5 gratuits » sur plusieurs produits de grande consommation ; une stratégie de vente suivie par Colruyt.

Par la presse, j'ai appris que vous avez demandé à l'Inspection économique d'ouvrir une enquête.

En effet, quelques éléments sont troublants. Sans être exhaustif, je peux en citer deux :

Certaines promotions ont été mal gérées : rayons vides, stocks insuffisants, conditions floues et accès inégal aux offres – un ensemble qui nuit aux consommateurs ;

Certains produits auraient été achetés par Albert Heijn via les Pays-Bas, où les règles sont plus souples, ce qui pourrait soulever des questions d'optimisation fiscale. Si des produits ont été achetés à perte aux Pays-Bas pour être vendus en Belgique, Albert Heijn ferait en réalité échapper du bénéfice au fisc néerlandais.

Monsieur le Ministre, mes questions sont les suivantes :

Quand estimez-vous que l'Inspection économique sera en mesure de dévoiler les conclusions de son enquête ? Quels risques sont encourus par les acteurs concernés ?

Cette optimisation fiscale entre les Pays-Bas et la Belgique a-t-elle déjà des précédents ? L'Inspection économique mène-t-elle d'autres enquêtes sur d'autres acteurs (et dans d'autres secteurs) ?

Je l'ai dit : certaines promotions ont été mal gérées (rayons vides, stocks insuffisants, conditions floues et accès inégal aux offres). Comment comptez-vous faire valoir les droits du consommateur lors de prochaines actions de ce type ?

Je vous remercie pour vos réponses .

Rob Beenders:

Dank u voor deze terechte vraag. Het is goed dat we dit hier bespreken.

Ik heb op het moment van de superpromotie vooral niet het signaal willen geven dat wij tegen kortingen zijn. Dat is zeker niet de boodschap van de opgestarte actie. Vanaf het moment dat er echter veel meldingen binnenkomen en dat er op het terrein chaos ontstaat wanneer er een actie wordt georganiseerd, is het de taak van de overheid te onderzoeken of de regels zijn gevolgd.

Alle gestelde vragen kan ik eigenlijk alleen onderschrijven. Het is net om op al die vragen een antwoord te krijgen dat er een onderzoek is gestart. De Economische Inspectie voert dat onderzoek zelf, het gaat dus niet om een externe firma.

Ik heb de Inspectie gevraagd een vooronderzoek te voeren. Zij voert dat op een volledig onafhankelijke manier uit en zal, op basis van de bestaande wetgeving inzake kortingen en promoties, die zeer duidelijk gereglementeerd zijn, bepalen of sancties aangewezen zijn. Het is een soortgelijk verhaal als de eerdere onderzoeken naar Delhaize en DAZN toen vragen binnenkwamen over de naleving van de regels. Die onderzoeken zijn afgerond en hun resultaten zijn gecommuniceerd. Beide bedrijven hebben goed meegewerkt aan het onderzoek en een sanctie gekregen omdat zij de regels niet gevolgd hadden. Ik ga ervan uit dat zij nu met de allerbeste bedoelingen alles doen om de regels te volgen. Zo niet worden nieuwe onderzoeken opgestart.

Het is de taak van de overheid om bij te sturen en te leren. Laat echter duidelijk zijn dat ik niet tegen promoties ben. Die kunnen goed zijn voor ondernemingen, voor consumenten en voor de concurrentie, zolang de regels worden gevolgd.

Les promotions sont encadrées légalement et les acteurs économiques qui en proposent doivent donc suivre certaines règles, qui sont, par ailleurs, très, très claires. C'est très important. C'est le bon suivi de ces règles ou non que l'Inspection économique examine en ce moment.

Sur la base des résultats de l'enquête, j'aviserai avec mon cabinet si des actions s'imposent ou pas. Je ne manquerai pas de vous tenir informés au cas où des mesures s'avéreraient effectivement nécessaires.

Op dit moment is het gewoon nog te vroeg, het onderzoek is volop aan de gang. Zodra het is afgerond, zullen we dat zeker communiceren, zoals we dat ook met de andere onderzoeken gedaan hebben.

Reccino Van Lommel:

Bedankt voor uw antwoord.

Voor alle duidelijkheid, ik heb deze vraag vandaag niet gesteld met de bedoeling mij uit te spreken tegen kortingen. Ik denk dat kortingen op zich absoluut een goede zaak zijn voor de consument. Ze hebben alleen op dat moment voor wat problemen gezorgd. Ik vind het daarom ook interessant en noodzakelijk dat de Economische Inspectie een vooronderzoek doet, om te bekijken of alle regels zijn gevolgd. Dat moet sowieso de basis zijn. Daarna is het wachten op de resultaten.

Laten we hopen dat alles volgens de regels is verlopen, dan is er ook geen enkel probleem. U hebt beloofd de resultaten later te publiceren. We kijken ernaar uit en hopen dat dit snel kan gebeuren.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Avant toute chose – cela va de soi, mais je tiens à le rappeler – je ne suis nullement opposé aux promotions. C'est de bon aloi quand de plus en plus de nos concitoyens peinent à remplir leur caddie. Néanmoins, force est de constater qu'il y a eu des problèmes: promotions mal gérées, stocks insuffisants, conditions floues, accès inégal aux offres. Dès lors qu'il y a eu dysfonctionnement, une analyse devrait s'ensuivre et, le cas échéant, une sanction. Vous avez promis – je vous en remercie – de nous transmettre le résultat de l'enquête en cours. Je comprends aussi que vous ne puissiez vous exprimer plus avant. Un volet sur lequel j'espère que l'enquête pourrait également réagir, est celui de l'optimisation fiscale entre la Belgique et les Pays-Bas. Nous nous sommes retrouvés face à une situation particulière et j'espère que, là aussi, l'Inspection économique sera attentive sur ce point. En effet, c'était quasiment une première de voir quelque chose dénoncé comme cela au grand jour. Mais je ne suis pas tout à fait naïf. Je pense que cela a pu déjà exister par le passé et que ce pourrait encore être le cas aujourd'hui et dans le futur. J'attends donc une attention soutenue en la matière. Pour le surplus, nous attendrons le résultat de l'étude et reviendrons éventuellement vers vous par l'intermédiaire des questions orales.

De Bende van Nijvel en de beslissing tot het stellen van bijkomende onderzoeksdaden

Gesteld door

Groen Stefaan Van Hecke

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Stefaan Van Hecke wijst op nieuwe ontwikkelingen in het Bende-van-Nijvel-onderzoek: de KI Bergen beveelt opgravingen (DNA-vergelijking met sporen) en verhoren van Franse gendarmes over de broers Sliman, na een getuigenis die hun betrokkenheid suggereert, en bekritiseert impliciet dat deze piste—bekend sinds de jaren '80—nooit grondig werd onderzocht. Minister Verlinden bevestigt de bevolen onderzoeksdaden (opgravingen, verhoren, Frans dossieropvraging) en benadrukt dat de samenwerking met Frankrijk loopt via gerechtelijke kanalen, maar stelt dat de piste wel degelijk eerder werd nagegaan en DNA-sporen al heranalyseerd. Van Hecke betreurt dat de KI nu moet ingrijpen omdat sporen destijds onvoldoende zouden zijn gevolgd, en onderstreept het maatschappelijke belang van waarheidsvinding, ongeacht schuld of overlijden van verdachten.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, de recente berichtgeving in zowel de Belgische als de Franse media wijst toch op een opmerkelijke wending in het onderzoek naar de bende van Nijvel. Ondanks de beslissing van het federaal parket in juni 2024 om het onderzoek af te ronden wegens het uitblijven van nieuwe sporen, heeft de KI van Bergen deze beslissing nu in vraag gesteld en bijkomende onderzoeksdaden bevolen.

Het zou gaan om het opgraven van de moeder van mogelijke verdachten, om DNA te kunnen vergelijken met de DNA-sporen die al in het dossier zitten, en over het ondervragen van Franse gendarmes die al in de jaren '80 de link hebben gelegd tussen de aanslagen van de bende van Nijvel en de broers Sliman, de familie uit het noorden van Frankrijk die nu op de radar zou zijn gekomen.

Daarnaast verscheen in Frankrijk een nieuwe getuigenis van een voormalige compagnon van Thierry Sliman, die verklaart dat Sliman hem destijds zou hebben toevertrouwd dat hij bij de feiten betrokken was en bij de aanslag in Aalst zelfs gewond raakte. Er is nog een element van de gevonden foto, die ook in de richting van de broers Sliman wijst.

Dit alles roept opnieuw ernstige vragen op over het jarenlange verloop van het onderzoek, over ongebruikte of onvoldoende onderzochte pistes en over de opvolging van informatie afkomstig van Franse autoriteiten.

Mevrouw de minister, ik heb hierover enkele vragen.

Ten eerste, kunt u aangeven welke precieze aanvullende onderzoeksdaden door de KI zijn bevolen? Er zijn wel mediaberichten daarover, maar we weten niet of die volledig zijn. Op welke termijn verwacht het federaal parket dit uit te voeren?

Ten tweede, waarom werd de piste rond de broers Sliman, hoewel bekend bij de Franse gendarmerie sinds de jaren '80, nooit volledig onderzocht in België? Werd de informatie destijds formeel aan ons land bezorgd? Hoe werd daarmee omgegaan?

Ten derde, hoe wordt vandaag de samenwerking met de Franse autoriteiten georganiseerd, zowel voor de opgraving en het DNA-onderzoek als voor de ondervraging van de betrokken gendarmes? Zijn er al concrete afspraken over gemaakt?

Ten vierde, worden de gevonden DNA-sporen, waaronder het bloed op de kogelwerende vest dat gelinkt wordt aan de feiten in Aalst, opnieuw geanalyseerd met de huidige technologie en in samenspraak met gespecialiseerde laboratoria?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hecke, samengevat heeft de KI van Bergen in het arrest van 1 december 2025 de onderzoeksrechter bevolen over te gaan tot de volgende onderzoeksdaden: de opgraving van de vader, de moeder en de broer van Thierry Sliman om hun DNA-profiel vast te stellen; het verhoor van een Belgische rijkswachter die inderdaad de tip zou hebben ontvangen dat Xavier Sliman op de robotfoto zou gelijken en de opvraging van een kopie van een Frans strafdossier waarin Thierry Sliman en Patrick Verdin werden vrijgesproken in het kader van een moord door het Hof van Assisen in Frankrijk op 13 april 2021 met het oog op een eventuele voeging bij het strafdossier. Het is aan de onderzoeksrechter om die onderzoeksdaden te laten uitvoeren.

Het federaal parket meldt mij dat deze piste wel degelijk al werd onderzocht, reeds in de jaren '80 en ook nadien.

De samenwerking met de Franse autoriteiten verloopt via de gebruikelijke gerechtelijke kanalen. Eventuele bijkomende onderzoeksdaden waarvoor samenwerking is vereist, worden gecoördineerd door de onderzoeksrechter en het federaal parket. Het Europees onderzoeksbevel strekkende tot de uitvoering van de beslissing van de KI van 1 december 2025 werd al verzonden en is ontvangen in Frankrijk.

Alle sporen die destijds werden gevonden en bewaard, werden al onderworpen aan een nieuwe controle op mogelijke DNA-sporen. Alle sporen waarop mogelijk DNA kon worden aangetroffen, werden al aan een DNA-analyse onderworpen.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, het is belangrijk te vernemen wat de precieze elementen zijn in het arrest van de KI van Bergen en welke bijkomende onderzoeksdaden zijn bevolen. Ik twijfel er niet aan dat de onderzoeksrechter en het federaal parket daarmee ten volle aan de slag zullen gaan en een goede samenwerking met de Franse autoriteiten zullen opzetten.

Het blijft niettemin opmerkelijk dat de KI een dergelijke beslissing heeft genomen of heeft moeten nemen, omdat zij blijkbaar van oordeel is dat een aantal sporen in het verleden niet of onvoldoende zouden zijn onderzocht. Daarmee wil ik niet zeggen dat dat de verantwoordelijkheid is van het federaal parket aangezien ook wordt verwezen naar de jaren '80, toen er al onderzoeken zouden hebben plaatsgevonden.

In ieder geval blijft het dossier van de Bende van Nijvel een groot trauma in ons land en in onze gerechtelijke geschiedenis. Het toont ook aan hoe belangrijk het is om een performante justitie te hebben.

Heel veel mensen wachten op antwoorden, wat die ook zijn en ongeacht of de daders al dan niet overleden zijn. Het is vooral belangrijk dat de waarheid naar boven kan komen. Hopelijk kan die stap daartoe bijdragen.

Voorzitter:

La question n° 56011144C de Mme Kristien Van Vaerenbergh est reportée.

Het onderzoek naar Syrische oorlogsmisdadigers in België

Gesteld door

VB Alexander Van Hoecke

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Alexander Van Hoecke vraagt minister Annelies Verlinden om verduidelijking over de 19 lopende strafonderzoeken naar Syrische oorlogsmisdadigers (16 tegen het Assad-regime, 3 tegen IS-strijders), waarbij hij kritiseert dat het federaal parket onvoldoende middelen krijgt voor grondige onderzoeken en eist dat Verlinden concrete budgettaire garanties geeft. Verlinden bevestigt de cijfers en verwijst naar een algemene budgetversterking voor Justitie, maar Van Hoecke betwist de prioriteitstelling (o.a. focus op gevangeniscapaciteit) en bekritiseert haar ontwijkende antwoord over specifieke steun aan het parket. De 8 geseponeerde dossiers bleken onbevoegd (2x), onvoldoende bewijs (4x) of geëindigd via seponering (2x). De discussie eindigt zonder concrete toezeggingen voor extra middelen.

Alexander Van Hoecke:

We hebben het onderwerp vorige week in beperkte mate reeds in de plenaire vergadering besproken. Uit een onderzoek van onder meer De Tijd , Knack en Le Soir blijkt dat het federaal parket 19 strafonderzoeken naar mogelijke oorlogsmisdadigers uit Syrië voert. In 4 dossiers werd reeds een onderzoeksrechter aangesteld. Die dossiers zijn het verst gevorderd. Het gaat in bepaalde dossiers ook om personen die zich aansloten bij de terreurorganisatie Islamitische Staat (IS). Daarnaast werden 8 dossiers zonder gevolg geklasseerd.

Sommige experts wijzen erop dat een tekort aan middelen en personeel ertoe leidt dat België met een oververtegenwoordiging van Syrische oorlogsmisdadigers kampt. Het federaal parket geeft aan versterking te hebben ontvangen, maar dat neemt niet weg dat het tekort blijft en dat de onderzoeken daardoor onvoldoende grondig kunnen worden gevoerd.

In de plenaire vergadering meldde u dat onderzoeken werden opgestart op basis van informatie van sociale media, buitenlandse partners en het CGVS. Ik heb daarover nog enkele vragen die vorige week niet zijn beantwoord.

Ten eerste, zijn er sinds de bekendmaking van het nieuws nog nieuwe meldingen binnengekomen bij het parket of werden er nieuwe onderzoeken geopend?

Ten tweede, kunt u zeggen in hoeveel van de vandaag geopende dossiers het gaat om personen die oorlogsmisdaden pleegden onder het Assadregime en in hoeveel gevallen het om IS-strijders gaat?

Ten derde, wat is uw reactie op de stelling dat België met een oververtegenwoordiging van Syrische oorlogsmisdadigers kampt, zoals sommige experts beweren?

Ten vierde, hoe zult u ervoor zorgen dat het federaal parket deze onderzoeken ten gronde kan voeren en zal het daarvoor bijkomende middelen ontvangen?

Tot slot, wat was de reden dat 8 dossiers geseponeerd werden?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, ik verwijs naar het antwoord dat ik op 4 december in de plenaire vergadering heb gegeven, waarin ik al bevestigd heb dat het federaal parket een onderzoek heeft geopend.

Aanvullend daarop kan ik nog meedelen dat van de 19 geopende dossiers er 16 zijn voor oorlogsmisdaden onder het Assadregime en 3 voor IS-strijders. Van de 8 dossiers die zonder gevolg zijn geklasseerd, zijn er 2 dossiers geklasseerd wegens onbevoegdheid van nationale vervolgingsorganen of rechtsmachten, 4 wegens onvoldoende bezwaar en 2 waarin de verdachte werd geseind.

De versterking van de magistratuur, inclusief het federaal parket, maakt deel uit van een oefening die we aan het maken zijn voor de besteding van de bijkomende middelen die ik heb kunnen bekomen voor Justitie.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, u verwijst naar het antwoord dat u vorige week donderdag in de plenaire vergadering hebt gegeven, maar u hebt toen gewoon bevestigd dat het nieuws dat in De Tijd , Knack en Le Soir stond klopte.

U bevestigt dat het federaal parket inderdaad onderzoek voert naar 19 mogelijke oorlogsmisdadigers. Het parket schreeuwt om meer middelen en mankracht om die onderzoeken grondig te kunnen voeren. De vraag is of u daar iets aan zult doen. Zult u ervoor zorgen dat het parket bijkomende middelen krijgt of niet? Daarop geeft u geen antwoord.

U verwijst naar een algemene oefening die wordt gevoerd binnen het bijkomend budget dat u krijgt. Als ik dat bijkomend budget bekijk – als dat budget al klopt, maar dat is een andere vraag – dan zie ik daar voornamelijk één grote uitgavenpost en dat is extra capaciteit voor de gevangenissen. Ik zie niet hoe u nu kunt garanderen dat het openbaar ministerie en het parket bijkomende middelen zullen krijgen om minstens een grondig onderzoek te kunnen voeren naar oorlogsmisdadigers, naar mensen die gefolterd en gemoord hebben, naar IS-terroristen. Dat was uiteindelijk mijn vraag vandaag. Wat kunt u doen om het federaal parket daarbij te ondersteunen? Ik betreur het enorm dat er op die vraag vandaag nog steeds geen antwoord komt.

Voorzitter:

Les questions jointes n os 56010366C et 56010510C de M. Éric Thiébaut et de Mme Marie Meunier, les questions n os 56010998C et 56011169C de M. Julien Ribaudo de même que la question n° 56011210C de M. Jeroen Bergers sont déclarées sans objet.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de voorzitter, mag ik veronderstellend dat de vragen die als uitgesteld worden beschouwd, ook daadwerkelijk worden uitgesteld? Ik neem aan dat er volgende week geen commissievergadering zal plaatsvinden waarin mondelinge vragen worden beantwoord.

Voorzitter:

Monsieur Van Hoecke, j'ai seulement cité les questions qui étaient sans objet, parce que je n'ai pas reçu de demande de report. Toutes celles qu'on m'a demandé de reporter seront donc posées après les vacances de Noël.

Alexander Van Hoecke:

OK, d'accord. Merci.

Voorzitter:

Met plezier. Dank u wel. Bonne soirée et merci à tous. Merci aux services et à vous, madame la ministre. La réunion publique de commission est levée à 18 h 24. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.24 uur.

De noodzakelijke verduidelijking omtrent de beursjaren in het pensioenstatuut van jonge onderzoekers

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Isabelle Hansez wijst op ongelijkheid in pensioenopbouw tussen jonge onderzoekers: bursalen (bv. FRIA/FRESH) betalen vaak geen sociale bijdragen en bouwen daardoor geen pensioenrechten op, terwijl FNRS-contracten (met bijdragen) wel meetellen, wat leidt tot "blanke jaren" ondanks gelijkwaardig wetenschappelijk werk. Minister Jambon bevestigt dat enkel jaren met betaalde bijdragen (zoals FNRS-mandaten) tellen, maar dat de huidige pensioenhervorming geen oplossing biedt voor bursalen; verdere stappen vereisen eerst overleg met de Franse Gemeenschap (bevoegd voor statuten). Hansez bekritiseert het gebrek aan duidelijkheid en pleit voor dringende voorspelbaarheid voor onderzoekers, ondanks Jambons verwijzing naar mogelijke toekomstige discussies.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, dans le cadre de la réforme des pensions actuellement en gestation et que nous soutenons, j'ai eu quelques échanges avec le secteur académique et la communauté scientifique, dont un point mérite clarification.

De nombreux jeunes chercheurs accomplissent leur doctorat ou leurs premières années de recherche sous statut de boursier; qu’il s’agisse de bourses défiscalisées, FRIA, FRESH ou d’autres dispositifs. Or ces bourses ne donnent pas toutes lieu au paiement de cotisations sociales. À l’inverse, les mandats FNRS ou contrats de chargé de recherche du FNRS, qui relèvent d’un véritable statut de travailleur, ouvrent bien des droits à la pension.

Cette différence crée une inégalité importante entre jeunes chercheurs effectuant le même travail scientifique, mais sous statuts différents. Elle entraîne aussi une méconnaissance, et souvent une surprise tardive, quant au nombre réel d’années de carrière prises en compte dans le calcul de la pension.

Monsieur le ministre, la réforme des pensions prévoit-elle ou pourrait-elle prévoir une clarification explicite du statut des années prestées sous bourse doctorale en matière de carrière "pensionnable"?

Confirmez-vous que les années effectuées dans le cadre d’un contrat FNRS ou d’un mandat de chargé de recherche sont, elles, bien prises en compte comme années de carrière?

Enfin, le gouvernement envisage-t-il une solution pour éviter que des milliers de jeunes chercheurs ne se retrouvent avec plusieurs années "blanches", alors qu’ils accomplissent un travail scientifique essentiel pour le pays?

Jan Jambon:

Madame Hansez, en ce qui concerne les années effectuées dans le cadre d'une bourse doctorale, la réforme actuelle ne prévoit pas de changement de statut pour les chercheurs. Les années effectuées sous un contrat FNRS ou en tant que mandataire de recherche sont, elles, bien reconnues comme années de carrière, à condition que les cotisations sociales requises aient été payées.

Si ces cotisations ne sont pas réglées, ces années ne sont pas comptabilisées pour le calcul de la pension.

Enfin, concernant la question pour les jeunes chercheurs qui pourraient se retrouver avec plusieurs années blanches, la réforme ne prévoit pas de changement spécifique à cet égard. La mesure dans laquelle cette problématique doit être approfondie est un point qui doit d'abord être discuté au sein du gouvernement compétent pour le statut des enseignants – autrement dit la Communauté française –, afin de déterminer si et de quelle manière d'éventuelles étapes ultérieures peuvent être envisagées à l'échelon fédéral.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Président: Denis Ducarme.

Isabelle Hansez:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Je pense qu'il est essentiel pour ces jeunes chercheurs d'avoir une certaine prévisibilité quant à leurs années de doctorat et leurs années de carrière. Vous dites que le gouvernement peut encore se pencher sur cette question, également au niveau des entités fédérées, mais je pense que c'est une question qui mérite d'être clarifiée.

Een strengere begeleiding van betogingen
De vraag van de ACOD om een parlementaire onderzoek naar mogelijk buitensporig politiegeweld
Begeleiding en onderzoek naar politieoptreden bij betogingen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister benadrukt strengere *voorbereidende* maatregelen voor betogingen, zoals betere risicoanalyses via inlichtingendiensten (Veiligheid van de Staat, OCAD) om extremistische dreigingen en verstoringen proactief in kaart te brengen, zonder het recht op protest aan te tasten—proportionaliteit en wettelijk kader blijven centraal. Kritische politiegetuigenissen (o.a. ACOD over geweldpleging door collega’s bij betogingen) worden doorgeschoven naar Comité P en tuchtprocedures, met een oproep om klokkenluidersregeling te gebruiken; de minister wijst publiek debat af tot na onderzoek. Vandemaele waarschuwt dat herhaalde interne politiecritiek over disproportioneel geweld (inclusief waterkanongebruik) het vertrouwen in veiligheidsdiensten ondermijnt, en dringt aan op interne correctie om escalatie te voorkomen. Meuleman bevestigt dat de focus ligt op preventie (informatie-uitwisseling), niet op aanpassingen in *terreinoptreden*.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, u hebt recent verklaard dat u de politie hebt gevraagd om strengere begeleidende maatregelen te overwegen bij toekomstige manifestaties, naar aanleiding van de schade die is aangericht bij de grote nationale actiedag in Brussel. Ook wilt u de politie beter laten anticiperen op eventuele risico’s.

Daarbij heb ik toch een aantal vragen.

Kunt u nader toelichten wat u verstaat onder strengere begeleidende maatregelen? Welke specifieke acties of protocollen denkt u dat de politie moet implementeren om de veiligheid tijdens toekomstige betogingen te waarborgen?

Ook vraag ik mij af hoe u garandeert dat die maatregelen geen afbreuk doen aan het recht op vrije meningsuiting en het recht om te betogen. Welke mechanismen zorgen ervoor dat de politie de grenzen van die rechten respecteert tijdens haar optreden?

Hoe denkt u dat de effectiviteit van die nieuwe maatregelen zal worden geëvalueerd? Welke criteria zullen gehanteerd worden om te bepalen of de strengere begeleiding daadwerkelijk de veiligheid verbetert?

Alvast bedankt voor uw antwoord.

Matti Vandemaele:

Mijn vraag is toch redelijk anders van insteek. Misschien is de samenvoeging niet geheel correct verlopen.

Ik wil het graag met u hebben over een artikel in De Standaard waarin de politievakbond ACOD zelf vraagt om een aantal politieacties nader te onderzoeken. Het gaat over drie interventies: de Flotilla-betoging op 2 oktober, de nationale staking van 14 oktober en de uitzetting van 50 mensen zonder papieren op 17 oktober.

De ACOD-leden geven aan dat er flagrante schendingen zijn van de interventieregels. Ik citeer: " Er waren agenten die mensen op het hoofd sloegen, tot bloedens toe, agenten die vrouwen en kinderen in de rug sloegen en agenten die vreedzame betogers behandelen als vijanden, niet als burgers". Dat zijn citaten van agenten zelf. Ze komen dus niet van burgers die slachtoffer zijn geworden, maar van agenten die spreken over het werk van hun eigen collega’s. De vakbond geeft aan dat sommige leden vinden dat de acties niet aanvaardbaar zijn en dat de agenten in kwestie publiekelijk niet durven te getuigen.

De suggestie van het ACOD was om een publiek moment in het Parlement te organiseren, waar die agenten hun verhaal wel zouden kunnen doen. Ik vroeg mij af hoe u tegenover die suggestie staat. Of vindt u dat dit het werk is van het Comité P, dat al een vijftigtal klachten over die specifieke interventies heeft ontvangen?

Ten tweede, welke maatregelen zult u nemen opdat agenten dergelijke getuigenissen niet meer hoeven af te leggen, en ze zich gewoon aan de regels houden en proportioneel handelen? Hoe komt het dat agenten dit doen? Eigenlijk begrijp ik na het actualiteitsdebat wel dat agenten niet meer publiekelijk kritisch durven te zijn over de orders die ze krijgen of over wat er tijdens hun interventies gebeurt.

Bernard Quintin:

In het kader van de evenementen waarnaar u verwijst, werden verschillende klachten bij het Comité P ingediend. Het Comité P zal, zoals altijd, elke klacht onderzoeken. Het Comité P hangt af van het Parlement.

Het lijkt voorbarig om de incidenten te becommentariëren zonder de conclusies van de lopende onderzoeken naar aanleiding van die klachten te kennen. Wanneer een klacht strafbare feiten bevat, zoals slagen en verwondingen, ga ik ervan uit dat die aan het bevoegde parket overgemaakt wordt. De conclusies van de voornoemde onderzoeken kunnen, desgevallend, ook ter kennis worden gebracht van de tuchtrechtelijke overheden van de betrokken politieleden, die eventueel begeleidende maatregelen, ordemaatregelen of tuchtmaatregelen kunnen nemen of laten nemen.

Ik ben ter zake overigens zelf niet noodzakelijk bevoegd. Het is een deontologische verplichting voor politiemensen om strafrechtelijke feiten te melden, en zelfs een wettelijke verplichting. Ik nodig de eventuele politionele getuigen en hun hiërarchieën dan ook uit om hun beroepsplichten in deze zaak na te blijven leven.

Indien bijzondere redenen dit proces bemoeilijken, kan men van de klokkenluidersregeling gebruikmaken. U hebt gehoord dat ik veel belang aan die regeling hecht.

De strengere begeleidende maatregelen, waar ik in mijn antwoord van 21 oktober naar verwees, hebben voornamelijk betrekking op de voorbereiding van manifestaties door de veiligheidsdiensten.

Ik wijs op het belang van de informatiepositie van de verschillende diensten. Het is aan de intelwerking van de lokale zones, maar zeker ook aan de dienst binnen de federale politie die groeperingen opvolgt en aan de Veiligheid van de Staat en het OCAD om waar mogelijk nuttige informatie aan te leveren met betrekking tot extremistische tendensen of aangekondigde verstoringen van de openbare orde in het kader van manifestaties. Dat moet toelaten voorafgaand aan een evenement een betere risicoanalyse te maken.

Op basis van de dreigingselementen moeten de politiediensten zich voorbereiden om specifieke doelwitten beter te beschermen of, wanneer de informatie over de dreiging algemener is, langs het traject van een manifestatie in de gepaste reserve- en interventiecapaciteit te voorzien.

De federale politie handelt binnen het bestaande wettelijke kader en het principe van het genegotieerde beheer van de publieke ruimte. De federale politie past dit, zodra beslist, loyaal toe via een risicoanalyse en informatiegestuurde inzet, inclusief OSINT binnen de wettelijke grenzen en de ondersteuning van de lokale politiezones.

De federale politie waarborgt daarbij steeds de proportionaliteit, subsidiariteit en noodwendigheid van haar optreden, zodat het recht op vrije meningsuiting en het recht om te betogen volledig gerespecteerd blijven, zoals vanavond in Sint-Gillis.

Brent Meuleman:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik begrijp uit uw antwoord dat u met de begeleidende maatregelen vooral doelt op het voorbereidende werk: dat men beter zal proberen in kaart te brengen of er signalen zijn rond bepaalde extremistische groeperingen, dat men de risico’s beter en grondiger in beeld wil brengen en dat u het eigenlijk niet hebt over het optreden op het moment zelf, op het terrein.

Vandaar dat ik die vraag gesteld had over welke protocollen gehanteerd zullen worden en hoe we daar op het terrein mee zullen omgaan. Ik begrijp uit uw antwoord dat het gaat over het vooraf beter in kaart brengen en op die manier anticiperen.

Ik dank u voor uw antwoord.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik hoor de laatste tijd geregeld getuigenissen van omstaanders, van betogers, maar nu dus ook van agenten zelf. Het gaat dan over deze drie cases, maar straks is er nog een vraag over de bedieners van het waterkanon, die eigenlijk hetzelfde aangeven, die zeggen dat hun acties niet langer proportioneel zijn. We krijgen veel dergelijke signalen. Er worden veel klachten ingediend bij het Comité P. De politie moet daarmee intern aan de slag. Wij moeten hier niet de rechtbank zijn voor dergelijke politieoptredens, zeker niet. Het is echter wel belangrijk dat onze veiligheidsdiensten hun werk goed kunnen uitvoeren en daarvoor het nodige respect krijgen van omstaanders en betogers. Wanneer dergelijke kritieken publiek worden, met opmerkingen als dat zij zelf de wet niet volgen en niet meer proportioneel aan de slag zijn, kan er, mocht deze tendens zich voortzetten, een probleem ontstaan. En dan zijn we verder af dan ooit. Ik hoop dan ook dat de politie deze oefening intern ten gronde doet, zodat we dergelijke uithalen in de media niet langer hoeven te lezen, omdat de situatie op het terrein verbetert.

De uitspraken van de Gentse rector over wetenschappelijk onderzoek naar bijwerkingen van vaccins

Gesteld door

VB Dominiek Sneppe

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dominiek Sneppe kaart aan dat kritisch vaccinonderzoek en open debat over nevenwerkingen onder druk staan door stigmatisering (bv. UGent-rector die "antivaxers" uitsluit) en onderrapportage van bijwerkingen, wat wetenschappelijke vrijheid en transparantie ondermijnt. Minister Vandenbroucke benadrukt dat EMA/FAGG onafhankelijk toezicht garanderen via transparante procedures, openbare rapporten en universitaire inbreng, maar erkent geen structurele problemen met stigmatisering. Sneppe repliceert dat theorie (vrijheid) en praktijk (censuur, angstcultuur) uiteenlopen, met covid-ervaringen als bewijs dat afwijkende meningen worden gesmoord, wat innovatie en veiligheidsmonitoring verzwakt. Kernpunt: spanning tussen beleidsclaims over openheid en ervaren repressie van kritische wetenschap.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, mijn vraag dateert al van het begin van het academiejaar, eind september dus, maar daarom is ze niet minder belangrijk geworden.

De rector van de Universiteit Gent verklaarde toen dat zogenaamde antivaxers niet welkom zijn op haar campus. Dat roept vragen op over hoe kritisch onderzoek naar vaccins in ons land nog kan worden gevoerd. Er bestaat intussen een brede consensus dat de covidvaccins misschien wel levens hebben gered, maar tegelijkertijd weten we dat het middelen betrof die via een versnelde procedure op de markt kwamen, met ingekorte klinische onderzoeken en beperkte of zelfs geen langetermijngegevens. Ondertussen zijn ook de nevenwerkingen ruimer gedocumenteerd, waarvan sommige toch wel ernstig tot zeer ernstig bleken te zijn. Precies daarom is het cruciaal dat er blijvend ruimte is voor onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek en een open debat, ook over risico’s en neveneffecten. Dat moet mogelijk blijven.

Mijnheer de minister, kunt u toelichten hoe u garandeert dat in België de evaluatie van vaccins en de monitoring van nevenwerkingen volledig onafhankelijk en transparant verlopen? Welke rol ziet u daarbij voor universiteiten en onderzoeksinstellingen? Hoe zorgt u ervoor dat kritische wetenschappers niet worden gestigmatiseerd, maar kunnen bijdragen aan de verdere wetenschappelijke onderbouwing van het vaccinatiebeleid?

Frank Vandenbroucke:

Nieuwe vaccins worden in de Europese Unie goedgekeurd via een centrale procedure bij het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). We werken daaraan mee via het FAGG.

De beoordeling van een vaccin gebeurt door onafhankelijke wetenschappers. Ze analyseren gegevens over kwaliteit, veiligheid en doeltreffendheid. Alleen als de voordelen duidelijk opwegen tegen de risico’s, wordt een vergunning voor het in de handel brengen toegekend.

Het EMA publiceert daarna een openbaar beoordelingsrapport met alle wetenschappelijke gegevens, maar ook na de goedkeuring blijven vaccins onder streng toezicht. Het FAGG en zijn Europese partners volgen voortdurend mogelijke nevenwerkingen op. Meldingen van zorgverleners of patiënten worden onderzocht en opgenomen in de Europese databank EudraVigilance. Daardoor kunnen mogelijke veiligheidssignalen snel worden opgespoord.

Indien nieuwe risico’s worden vastgesteld, wordt de bijsluiter aangepast of, indien nodig, de vergunning beperkt of ingetrokken. Daarnaast dienen producenten periodieke veiligheidsrapporten in, met daarin alle nieuwe gegevens van de vergunninghouders, meldingen van bijwerkingen en wetenschappelijke literatuur voor de gedefinieerde periode. Die rapporten worden minstens halfjaarlijks geëvalueerd en bij noodsituaties zoals bij COVID-19 zelfs maandelijks.

De bevindingen zijn openbaar. De bijsluiters staan op de website van het FAGG en de veiligheidsrapporten op die van het EMA. Zowel het EMA als het FAGG waken erover dat experten geen belangrijke belangenconflicten hebben. Tot slot is het belangrijk om te onthouden dat beide instellingen erop toezien dat de evaluatoren die aan een dossier werken geen financiële of andere belangen hebben die hun onpartijdigheid zouden kunnen beïnvloeden.

Ik kom tot uw tweede vraag. Belgische universiteiten en onderzoeksinstellingen spelen een sleutelrol in vaccininnovatie en de klinischedata-analyse. Hun onderzoekers brengen onafhankelijke expertise in de wetenschappelijke comités van het FAGG en dragen zo bij tot een grondige en brede evaluatie.

Ik kom tot uw derde vraag. Het Belgische vaccinatiebeleid is gebaseerd op een multidisciplinaire wetenschappelijke benadering, waarbij onafhankelijke onderzoekers actief bijdragen, onder andere aan de adviezen van de Hoge Gezondheidsraad. Zolang ze gebruikmaken van een gefundeerde wetenschappelijke benadering, verrijkt hun bijdrage het debat en versterkt ze de legitimiteit van het overheidsbeleid. De transparantie van gegevens en procedures, zoals zojuist uiteengezet, stelt iedereen in staat om publieke beslissingen te analyseren en te verrijken. De openstelling van de commissies voor de beoordeling van de gegevens voor onafhankelijke deskundigen garandeert dat verschillende opinies in rekening worden gebracht.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, mijn dank voor uw afgerammeld antwoord. Ik kom tot de vaststelling dat er een serieuze kloof bestaat tussen de theoretische garantie van wetenschappelijke vrijheid en de manier waarop kritische stemmen in de praktijk worden behandeld. Ik wil hier nogmaals verwijzen naar de voorbije covidperiode, waarin mensen die kritisch stonden tegenover het beleid of tegenover bepaalde wetenschappelijke inzichten de mond werd gesnoerd en zij zelfs werden gebroodroofd. U zegt dat de universiteiten autonoom zijn. Het lijkt mij echter bijzonder problematisch dat een rector op voorhand stelt dat wetenschappers die kritisch staan tegenover vaccinatiebeleid en ook andere onderwerpen en die ingaan tegen de mainstreammeningen op haar campus niet welkom zijn. U zegt dat dit de onderzoeksvrijheid niet aantast, maar dat doet het wel. Hierdoor zullen wetenschappers en onderzoekers zich geremd voelen en, rekening houdend met wat men geleerd heeft uit de covidperiode, voorzichtiger zijn. Ook dat remt de wetenschap. Verder stelt u dat de monitoring van nevenwerkingen transparant verloopt. U verwijst naar het FAGG en de website. Het Belgische meldingspercentage ligt echter zeer laag en ernstige bijwerkingen worden vaak ondergerapporteerd. In dat geval is het uiteraard cruciaal dat onafhankelijk universitair onderzoek gegarandeerd is en dat men niet, als men kritisch is over een zogenaamde wetenschappelijke consensus – wat eigenlijk al een paradox is, maar goed – wordt weggezet als desinformatieverspreider of als antivaxer in een hoekje wordt geduwd. We moeten erover waken dat het vrije debat altijd mogelijk blijft in onze universiteiten.

De waarschuwing van een onderzoeksrechter voor de evolutie naar een narcostaat
De publieke noodkreet van een Antwerpse onderzoeksrechter
De maatregelen om sommige medewerkers van Justitie op een anonieme wijze te laten werken
De maatregelen ter bescherming van bedreigde magistraten
Het risico van een evolutie naar een narcostaat
De strijd tegen georganiseerde misdaad en bescherming van justitiepersoneel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Antwerpse onderzoeksrechter waarschuwt in een open brief voor de dreigende evolutie naar een *narcostaat*, waarbij georganiseerde criminaliteit (drugshandel, corruptie, geweld) de rechtsstaat ondermijnt, justitie intimideert en zelfs magistraten en hun gezinnen bedreigt—sommigen moeten maanden in safehouses verblijven zonder adequate overheidssteun (geen compensatie, verzekering of opvang). Minister Verlinden erkent de ernst, verwijst naar lopende maatregelen (beveiliging gerechtsgebouwen, anonimisering gegevens, psychologische ondersteuning) en belooft een centraal aanspreekpunt voor bedreigde medewerkers, maar concrete plannen voor een omvattend masterplan (gevraagd door magistratuur) en verzekering voor schade blijven vaag, terwijl de oppositie dringt op snelle, structurele oplossingen om de integriteit van justitie en het burgervertrouwen te vrijwaren. Kernproblemen zijn de infiltratie in sleutelfuncties (haven, politie, justitie), onveilige werkomstandigheden en het ontbreken van een gecoördineerde langetermijnstrategie tegen de ondermijnende drugseconomie.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, een Antwerpse onderzoeksrechter waarschuwde onlangs in een open brief, die werd gedeeld door de Antwerpse rechtbank, voor de evolutie naar een zogenaamde 'narcostaat'. Ze beschrijft hoe criminele organisaties zich steeds dieper verankeren in onze samenleving en zelfs binnen Justitie, wat leidt tot bedreigingen en pogingen tot beïnvloeding, en een klimaat van angst creëert.

Volgens de berichtgeving verbleef de betrokken magistraat om veiligheidsredenen vier maanden in een safehouse. U verklaarde in een reactie dat deze situatie ernstig en verontrustend, maar helemaal niet verrassend is, en dat er al maatregelen bestaan, zoals de beveiliging van gerechtsgebouwen en het anonimiseren van identificatiegegevens.

De open brief toont aan dat er binnen het gerecht ernstige bezorgdheden leven over de structurele bescherming van magistraten en over het risico dat de werking van de rechtsstaat wordt ondermijnd wanneer rechters zich uit angst terughoudend opstellen.

Ik heb volgende vragen.

Ten eerste, hoe beoordeelt u de getuigenis van de onderzoeksrechter die uit veiligheidsoverwegingen vier maanden in een safehouse verbleef?

Ten tweede, acht u de bestaande maatregelen, onder meer de beveiliging van gerechtsgebouwen en het anonimiseren van identificatiegegevens, afdoende ter bescherming van magistraten en andere medewerkers van Justitie of overweegt u bijkomende stappen, bijvoorbeeld via een centraal aanspreekpunt, een schadeverzekering of een formeel veiligheidsprotocol voor bedreigde magistraten, zoals in de open brief wordt voorgesteld?

Ten derde, wordt overwogen om het gebruik van mobiele toestellen in gevangenissen nog strenger te controleren via nieuwe detectietechnologie of afscherming? Ik weet dat u daarmee bezig bent. U hebt daar reeds initiatieven rond aangekondigd, maar misschien kunnen we een datum van implementatie krijgen. Gedetineerden blijven vanuit de gevangenis vaak hun organisatie aansturen.

Ten vierde, overweegt u, met behoud van de rechterlijke onafhankelijkheid, in het licht van de signalen over mogelijke beïnvloeding en infiltratie binnen Justitie, bijkomende maatregelen om de interne integriteit en weerbaarheid van het gerechtelijk apparaat te versterken, bijvoorbeeld via verbeterde screening, beveiliging van informatiestromen of nauwere samenwerking met de veiligheidsdiensten?

Ten slotte, hoe wilt u ervoor zorgen dat, ondanks de toenemende druk van de georganiseerde criminaliteit op Justitie, het vertrouwen van de burger in de rechtsstaat behouden blijft?

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs voor mijn drie vragen naar de schriftelijke voorbereiding.

In een felle open brief waarschuwt een Antwerps Onderzoeksrechter dat België evolueert naar een narcostaat die wordt getypeerd door illegale economie, corruptie en geweld. Ons land staat voor een georganiseerde dreiging die onze instellingen ondermijnt. Het Sky-onderzoek heeft een parallelle miljardeneconomie in onze haven in beeld gebracht. In onderzoeken stoten Onderzoeksrechters op witwascircuits. Zwart geld vindt zijn weg naar de vastgoedsector en stuwt de prijzen voor de gewone burger de hoogte in. Corruptie blijft een groot probleem in de haven én daarbuiten. Criminele organisaties kopen medewerkers om of zetten hen onder druk. Onderzoeksrechters hebben arrestaties verricht in sleutelfuncties: havenmedewerkers, douanepersoneel, politieagenten, loketbedienden van verschillende steden en gemeenten, en ook medewerkers van Justitie, zowel in de gevangenissen als in het Justitiepaleis. Ook schetst de Onderzoeksrechter een zorgwekkend beeld van intimidatie en aanslagen. Daarnaast hebben meerdere Onderzoeksrechters en hun gezin ook lange periodes onder politiebescherming moeten leven. Deze open brief kadert in de acties die de Antwerpse Magistratuur nu al maanden voert om alle wantoestanden binnen Justitie aan te kaarten. De Magistratuur pleit voor een masterplan zodat Justitie veilig kan werken.

De Onderzoeksrechter klaagt aan dat “Justitie wordt geïntimideerd maar weinig steun krijgt van de overheid. Wanneer een Onderzoeksrechter in een safehouse moet doorbrengen is er geen overheid die hen contacteert, die een actief aanbod doet ter ondersteuning. Er is geen compensatie, geen opvang voor familie en collega's, geen verzekering voor alle schade." Dit is Justitie onwaardig. Kan de Minister meer toelichting geven? Welke initiatieven heeft zij concreet genomen naar de Onderzoeksrechters die in een safehouse werden ondergebracht of onder politiebescherming moesten leven om hen te steunen in deze bijzonder moeilijke situatie, niet alleen voor de betrokken Onderzoeksrechter maar ook voor het gezin? Graag een gedetailleerd overzicht met opsomming van alle genomen initiatieven naar de betrokken Onderzoeksrechters.

De Minister heeft verklaard de bedreigingen ernstig en verontrustend te vinden. Verklaringen alleen volstaan niet. De Minister moet dringen een antwoord ten gronde geven. Wanneer zal de Minister met een grondig masterplan komen om ervoor te zorgen dat alle betrokken actoren binnen Justitie veilig kunnen werken?

De georganiseerde misdaad in het algemeen en de zware drugscriminaliteit blijft maar toenemen en ondermijnt de instellingen in dit land. Dit land evolueert naar een narcostaat, zo luidt de waarschuwing. Voor verschillende medewerkers binnen Justitie worden de werkomstandigheden almaar moeilijker en gevaarlijker. Reeds lange tijd vragen vele medewerkers van Justitie die in moeilijke en gevaarlijke omstandigheden moeten werken om de mogelijkheid te krijgen anoniem te werken. Zo bijvoorbeeld de cipiers, vertalers en tolken, magistraten, enz. In een open brief die kadert in de acties die de Magistratuur van Antwerpen en Limburg voert dringt nu ook een Onderzoeksrechter die maandenlang moest onderduiken in een safehouse aan om wetgeving uit te werken die toelaat dat een aantal medewerkers van Justitie anoniem kunnen werken en dat hun adressen in databanken zoals het rijksregister worden afgeschermd. Dit is een maatregel die op korte termijn kan worden genomen en waarvan de kostprijs beperkt is.

De vraag om anoniem te kunnen werken is niet nieuw. Welke initiatieven heeft de Minister inmiddels genomen? Graag een gedetailleerd overzicht.

Is de Minister bereid om op korte termijn een wetgevend initiatief te nemen zodat een aantal medewerkers van Justitie van wie de veiligheid – en vaak ook die van hun gezin - in het gevaar komt anoniem kunnen werken?

Is de Minister bereid om op korte termijn een initiatief te nemen tot het afschermen van de adressen van deze medewerkers van Justitie in databanken zoals het Rijksregister?

Ten gevolge van de toenemende georganiseerde misdaad in het algemeen en de steeds maar stijgende drugscriminaliteit in het bijzonder wordt het voor een aantal Magistraten bijzonder moeilijk hun opdracht in veilige omstandigheden uit te oefenen. Regelmatig horen we berichten over Magistraten, meestal Onderzoeksrechters, die worden geïntimideerd, gedurende lange periodes onder politiebescherming moeten leven door een tastbare dreiging gericht op henzelf, hun gezin en hun woonst, en die zelfs gedurende maanden in een safehouse moeten doorbrengen. Enige bescherming hebben ze niet. In een open brief van een Antwerps Onderzoeksrechter die kadert in de acties van de Magistraten van Antwerpen-Limburg wordt er aangedrongen op een aantal maatregelen die op korte termijn te realiseren zijn en dit met een beperkte kost.

Is de Minister bereid een initiatief te nemen om een vast aanspreekpunt binnen Binnenlandse Zaken en Justitie te organiseren voor bedreigde Magistraten en dit met een protocol?

Is de Minister bereid een initiatief te nemen voor een verzekering voor alle fysieke en materiële schade voor Magistraten en hun gezinsleden in geval van aanslagen of schade ten gevolge van bedreigingen aan hun adres?

Alain Yzermans:

De definitie van een narcostaat wordt op drie elementen gebaseerd. Ten eerste, de economische dominanatie van een parallelle drugseconomie. Ten tweede, aanhoudende politieke druk die leidt tot de ondermijning van de rechtsstaat. Ten derde, veelvuldig gebruik van geweld en bedreiging.

Ik weet niet in welke fase wij zitten, maar het is belangrijk dat wij dit met argusogen volgen.

Mevrouw de minister, ik verwijs naar mijn schriftelijke vragen, maar ik wil toch twee vragen in het bijzonder onder uw aandacht brengen.

Staat u open voor de vraag voor een verzekering tegen fysieke en materiële schade? Dit werd ook door de onderzoeksrechter aangekaart en gevraagd.

De drugscommissaris pleit, in het kader van deze problematiek en de context van de uitspraken die de onderzoeksrechter heeft gedaan, voor de drooglegging van de drugsopbrengsten als wapen. Hoe ver staat het met de start van een financiële opsporingsdienst?

De opmerkelijke alarmbel die anoniem werd geluid door een onderzoeksrechter over het gebrek aan rugdekking ten opzichte van magistraten geeft een zeer ontluisterende en onrustbarende kijk op de staat van onze rechtsstaat. We stevenen af op een narco-staat, waar een ondermijnende parallelle economie dicteert, die een hele keten aan gezagsdragers al dan niet gedwongen corrumpeert en waar geweld en afdreiging dagelijkse kost worden. De onderzoeksrechter vreest voor grote maatschappelijke impact wanneer eerlijke rechtspraak onder druk van de georganiseerde misdaad onmogelijk wordt. Ze waarschuwt dat de bescherming van de rechterlijke macht en de burger in gevaar komt als rechters uit angst vonnissen anders benaderen of dossiers niet behandelen. Maffieuze structuren die zich duurzaam verankeren, verruigen hun methodes en tasten zo op een verschroeiende wijze onze samenleving aan. De overheid , politie en justitie worden uitgedaagd en moeten alert en doortastend blijven reageren. Zij vraagt naar een masterplan om de intimiderende rechtsstaat te versterken met korte- en lange-termijnmaatregelen, zodat justitie en onze magistratuur altijd in veilige omstandigheden en met open vizier kunnen blijven werken. Het bedreigen van de rechterlijke macht is een bedreiging van onze democratie en daarom onaanvaardbaar. Een rechter die geen angst heeft, is een goede rechter.

Vragen aan de Minister:

1. Werkt u, zoals gevraagd, aan het gevraagde masterplan rond de beveiliging van onze magistratuur? Welke middelen worden hiervoor ingezet? Heeft u oor naar de vraag voor een verzekering tegen fysieke en materiële schade, en gelooft u in een centraal aanspreekpunt voor bedreigde medewerkers?

2. Ik las dat u werk wilt maken van het anonimiseren om zo de identiteit in gerechtelijke dossiers te beschermen. Wat is uw plan van aanpak?

3. Straffen worden overbodig als topcriminelen hun handel en wandel rond drugs in de overbevolkte gevangenissen kunnen voortzetten. U zegt al lange tijd dat u de communicatie in de gevangenissen wilt 'jammen' om zo de gsm-signalen te blokkeren. Hoe ver staat dit project en wat is het stappenplan hiervoor?

4. U sprak over het beveiligen van de justitiegebouwen (inkom beveiligen, meer politie, verdubbeling van de scanstraten). Welke gebouwen ? Concrete timing en middelen ?

5 De drugscommissaris pleit voor de drooglegging van de drugsopbrengsten als wapen. Hoever staat het

met de start van een financiële opsporingsdienst.

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega's. De getuigenis van die onderzoeksrechter bevestigt dat de georganiseerde criminaliteit een fenomeen is dat de openbare veiligheid bedreigt en rechtstreeks de fundamenten van onze rechtsstaat viseert.

Binnen het kader van het hefboomplan zijn we met vertegenwoordigers van de rechterlijke orde in overleg, met als doel te komen tot gedragen en haalbare voorstellen om de werkomstandigheden en de veiligheid van de magistraten te verbeteren.

Een van de taskforces buigt zich over de veiligheid binnen de rechterlijke orde en tracht omtrent dit aspect tot een aantal verbeterinitiatieven te komen. Dat is precies waarom er de voorbije maanden al verschillende afspraken werden gemaakt voor bedreigde medewerkers binnen Justitie. Daarbij werden een leidraad voor leidinggevenden en een brochure uitgewerkt. Die moeten de betrokkenen een praktisch aanknopingspunt geven om te weten hoe te reageren na bedreigingen en bieden een overzicht van de verschillende maatregelen die in een dergelijke situatie vanuit de FOD Justitie worden genomen en aangeboden.

Er werd eveneens voorzien in een netwerk van psychologische ondersteuning waarop bedreigde magistraten en werknemers een beroep kunnen doen. We hebben bovendien met het Crisiscentrum besproken hoe we de magistraten nog beter kunnen ondersteunen bij een gevoel van onveiligheid en hoe we de beeldvorming en het beleid proactiever kunnen inrichten. Een voorontwerp van omzendbrief voor de hiërarchische diensten van de betrokken medewerkers wordt bestudeerd.

Ik beoog dit plan verder te verfijnen door met name voor te stellen om een functie van centrale contactpersoon binnen de FOD te creëren die enerzijds in verbinding zou kunnen staan met de partneradministraties en anderzijds de rol zou kunnen opnemen van facilitator voor de verschillende verzoeken tot ondersteuning van de bedreigde persoon of diens hiërarchische lijn.

In principe belet niets het initiatief voor een aanvullende verzekering ten behoeve van de betrokken personen, met een mogelijke uitbreiding tot hun familieleden en goederen. De magistratuur ressorteert onder de bepalingen inzake arbeidsongevallen in de openbare sector.

Wat de materiële schade betreft, kan ik verwijzen naar artikel 9 van het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende rechtshulp aan het gerechtspersoneel, de magistraten en de gerechtelijke stagiairs en de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade. Voor fysieke of materiële schade die niet kan worden vergoed, worden de honoraria en de kosten van de door hen gekozen advocaat, alsook de kosten inherent aan de gerechtelijke procedures, ten laste genomen door de FOD.

Dit gezegd zijnde en los van de verzoeken om vergoeding van fysieke of materiële schade, meen ik op basis van de informatie waarover ik beschik te kunnen bevestigen dat tot op heden alle verzoeken tot financiële tenlasteneming van bedreigde magistraten in overweging werden genomen.

De anonimisering van persoonsgegevens van magistraten is een absolute prioriteit, gezien de toenemende veiligheidsrisico's. Een identiteit verbergen, betekent inderdaad dat anonimiteit moet worden gegarandeerd tijdens het onderzoek, maar ook nadien. Voor een magistraat betekent dat dat elke rechtsvordering, beschikking, proces-verbaal of akte van de betrokkene anoniem moet zijn of gecodeerd moet blijven. De anonimiteit heeft een preventieve werking en moet dan ook vanaf het begin van het onderzoek worden gegarandeerd.

Tot slot moeten ook de rechten van verdediging worden gerespecteerd. In de voorbije maanden werd er al contact opgenomen met andere Europese lidstaten om na te gaan in welke mate daar een gelijkaardig systeem bestaat. De administratie is bezig met het uitwerken van een ontwerptekst die we zullen voorleggen aan de betrokken beroepsgroepen en vervolgens uiteraard ook aan het Parlement.

Wat betreft uw vragen over de beveiliging van gerechtsgebouwen, verwijs ik naar de schriftelijke vraag voor meer informatie. Ik kan niet alle maatregelen in detail bespreken, maar ik kan u wel bevestigen dat scanners zullen worden geïnstalleerd in verschillende gerechtsgebouwen en dat de nodige middelen daarvoor werden voorzien.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het is goed dat er zaken worden voorzien. Ik weet niet of we het waterdicht kunnen maken, maar ik ben bezorgd dat er op die manier aan de alarmbel wordt getrokken. Ik ben bezorgd over de evolutie en ik ben mij ervan bewust dat Justitie zich in woelig vaarwater bevindt en dat de uitdagingen heel groot zijn. Ik hoop dat we tijdens deze legislatuur samen een aantal oplossingen zullen kunnen aanreiken, in het belang van eenieders veiligheid en van een goedwerkende Justitie.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Wat de waarschuwing voor de evolutie naar een narcostaat betreft, ik denk dat die helaas realiteit aan het worden is en dat daar geen twijfel meer over mag bestaan. De Antwerpse onderzoeksrechter heeft daarvoor gewaarschuwd. De recente bedreigingen van de Brusselse procureur Moinil – waarbij gisteren gelukkig aanhoudingen zijn verricht, met name acht Albanezen die verdacht worden van zware drugfeiten – zijn daarvan eveneens een voorbeeld.

Corruptie blijft een zeer groot probleem binnen de drugcriminaliteit. Volgens mij is het dan ook bijzonder belangrijk om voldoende middelen vrij te maken en een plan uit te werken om die criminaliteit aan te pakken.

Ik heb geen antwoord gekregen op wat letterlijk in de brief van de onderzoeksrechter stond. Zij klaagt daarin dat justitie wordt geïntimideerd en maar weinig steun krijgt van de overheid: “Wanneer een onderzoeksrechter in een safehouse moet verblijven, is er geen overheid die hem contacteert, die een actief aanbod doet, geen ondersteuning, geen compensatie, geen opvang voor familie en collega’s, geen verzekering voor alle schade.”

Mevrouw de minister, u hebt wel een aantal maatregelen opgesomd, maar volgens mij vraagt de magistratuur meer van u. U moet naar voren komen met een grondig masterplan om ervoor te zorgen dat alle actoren binnen justitie op een veilige manier kunnen werken.

Alain Yzermans:

Als het normale leven wordt overgenomen door drugsgerelateerde organisaties die bovendien politieke controle trachten uit te oefenen, dan is er uiteraard sprake van een dreiging. Het uitspreken van die woorden houdt op zich al een dreiging in. Het is ongelooflijk dat onze maatschappij zo ver is geëvolueerd dat parallelle economieën stilaan een impact hebben op alle niveaus van het maatschappelijke leven. De mensen – beschermheren of beschermvrouwen – die zich hiertegen weren, moeten koste wat kost worden beschermd. Een conditio sine qua non is dat we alles moeten doen om een eerlijke rechtspraak te behouden. Dat kan alleen als we inzetten op een actieplan. Dat actieplan wordt nu aangekondigd. Er zal permanent geëvalueerd en, naar ik meen, ook wetenschappelijk onderzocht worden wat de impact is van die nieuwe invloedsferen, die steeds meer grip krijgen op onze maatschappij. Ik parafraseer de onderzoeksrechter: rechtspraak is altijd goed als ze eerlijk blijft en ondersteund wordt met voldoende bescherming.

De bescherming van (ex-) magistraten en gerechtelijke onderzoekers tegen gerechtelijke intimidatie

Gesteld door

N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sophie De Wit vraagt hoe het procesrecht misbruik door veroordeelden (zoals de dagvaarding van ex-commissaris Willy Devestel door moordenaar Jean Claude Lacote) kan voorkomen en hoe (ex-)magistraten beter beschermd kunnen worden tegen gerechtelijke intimidatie, met voorstel voor een centraal aanspreekpunt bij Justitie. Minister Annelies Verlinden wijst op bestaande rechtsbijstand (KB 2015) en psychologische ondersteuning voor magistraten, maar ontwijkt concrete cijfers of extra maatregelen, benadrukkend dat individuele zaken aan de rechter zijn en politiebescherming niet onder haar bevoegdheid valt. De minister negeert het voorstel voor een centraal punt, terwijl De Wit hierop aandringt. Kern: systeemtekort aan structurele bescherming en opvolging van intimidatiegevallen blijft onbeantwoord.

Sophie De Wit:

Geachte minister,

Recent raakte bekend dat Jean Claude Lacote, veroordeeld tot dertig jaar cel voor moord, de voormalige commissaris van de gerechtelijke politie Willy Devestel, die destijds het onderzoek naar hem leidde, dagvaardt wegens laster en schending van het beroepsgeheim.

Deze casus roept de vraag op in welke mate het huidige procesrecht toelaat dat veroordeelden gerechtelijke procedures gebruiken (misbruiken) om hun voormalige vervolgers te intimideren of te discrediteren. Dat een zwaar veroordeelde crimineel via gerechtelijke weg zijn vroegere onderzoeker viseert, is hoogst uitzonderlijk. Zulke procedures kunnen immers een vorm van gerechtelijke intimidatie zijn en doen vragen rijzen over de bescherming van magistraten, gerechtelijke onderzoekers en andere personeelsleden van justitie, ook nadat zij hun ambt verlaten hebben.

Ik heb volgende vragen voor u:

1. Hoe beoordeelt u deze zaak waarin een tot een zware gevangenisstraf veroordeelde crimineel een voormalige gerechtelijke onderzoeker gerechtelijk viseert? Acht u dit een vorm van gerechtelijke intimidatie?

2. Beschikt u over cijfers of signalen omtrent gelijkaardige gevallen waarin (voormalige) magistraten of gerechtelijke onderzoekers door veroordeelden werden gedagvaard of aangeklaagd?

3. Welke mogelijkheden bestaan er momenteel om (ex-)magistraten, gerechtelijke onderzoekers of andere personeelsleden van justitie juridisch of psychologisch te ondersteunen wanneer zij omwille van (vroegere) ambtshandelingen worden geviseerd?

4. Overweegt u bijkomende maatregelen om misbruik van gerechtelijke procedures door veroordeelden te voorkomen en tegelijk de rechtsbescherming van (voormalige) magistraten, gerechtelijke onderzoekers en andere personeelsleden van justitie te versterken?

5. Ziet u een meerwaarde in het oprichten van een centraal aanspreekpunt binnen de FOD Justitie waar (ex-) magistraten, gerechtelijke onderzoekers of andere personeelsleden van justitie terechtkunnen bij gevallen van intimidatie of gerechtelijke represailles zodat dergelijke situaties structureel kunnen worden opgevolgd en geanalyseerd?

Annelies Verlinden:

Mevrouw De Wit, ik kan uiteraard geen standpunt innemen over een individuele gerechtelijke procedure en ook niet over de motieven van een dagvaarding of de appreciatie ervan als al dan niet intimidatie. Het behoort uitsluitend tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht om te oordelen over dit soort geschillen.

Wat betreft de betrokkenheid van politieambtenaren, wil ik onderstrepen dat ik als minister van Justitie niet bevoegd ben voor de organisatie en de werking van de politiediensten. Ik kan mij dan ook niet uitspreken over de eventuele beschermingsmaatregelen of de ondersteuning die specifiek voor de politie gelden.

Magistraten die in het kader van hun ambtsuitoefening worden gedagvaard, kunnen in elk geval rekenen op rechtsbijstand, conform het koninklijk besluit van 18 november 2015 betreffende rechtshulp. Deze waarborg vormt een belangrijke bescherming voor de onafhankelijke werking van de rechterlijke macht. Er werd eveneens voorzien in een netwerk van psychologische ondersteuning in geval zich incidenten voordoen. Magistraten en medewerkers kunnen daarop een beroep doen, voor zover het incident verband houdt met de uitoefening van het ambt.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik had graag nog vernomen of u heil ziet in een centraal aanspreekpunt waar men terechtkan.

Voorzitter:

N'ayant pas de nouvelles de Mme Meunier, sa question n° 56009986C est sans objet.

De verlenging van het mandaat van de VN-onderzoekscommissie voor Soedan
De situatie in Soedan
De situatie in Soedan
De situatie in Soedan
De humanitaire catastrofe en massamoorden in Darfur (Soedan)
De situatie in Soedan op de agenda van de EU-AU-top
De bloedige oorlog in Soedan
Het geweld in Soedan
De Belgische humanitaire hulp aan Soedan
De toestand in Soedan
De situatie in Soedan
De humanitaire crisis in Soedan
De situatie in Soedan
De crisis en humanitaire situatie in Soedan

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie richtte zich op twee hoofdthema’s: de catastrofale humanitaire crisis en mogelijke genocide in Soedan, en de controversiële EU-toetreding van Oekraïne te midden van corruptieschandalen. Over Soedan benadrukten parlementsleden de systematische etnische zuiveringen, massale verkrachtingen, hongersnood en 10+ miljoen ontheemden, met name door de *Rapid Support Forces (RSF)* en hun buitenlandse steun (o.a. VAE). België engageerde zich met 37 miljoen euro humanitaire hulp (2025-26), steunt VN-onderzoeken naar oorlogsmisdaden en pleit in de EU voor gerichte sancties en wapenembargo’s, maar vermijdt openlijke confrontatie met de VAE. Kritiek was er op onvoldoende diplomatieke druk, risico’s op afdrifting van hulpgelden en het ontbreken van een duurzaam vredesplan. Over Oekraïne werd de corruptie (o.a. Energoatom-schandaal, Zelensky’s pogingen anticorruptiediensten te ondermijnen) tegenover de EU-toetredingsambities gezet. België steunt toetreding op basis van Kopenhagencriteria (geen versnelling), maar wijst Hongarije’s blokkade af. Kritiek kwam van oppositie op blind steunen van een “structureel corrupt systeem”, miljardensteun zonder controle en het risico op EU-instabiliteit. De regering benadrukte hervormingsmonitoring, maar wees wijziging van de unanimiteitsregel (voorstel Costa) niet af.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, depuis des mois, le Soudan vit l’une des pires crises humanitaires de notre époque. Chaque semaine, les chiffres sont de plus en plus alarmants. Plus de 12 millions de personnes ont été déplacées depuis avril 2023, dont un tiers a dû fuir vers les pays voisins. Quelque 4 millions d’enfants sont déracinés et 17 millions d’enfants sont privés d’école. Les maladies explosent, la famine gagne du terrain, et 70 % des hôpitaux dans les zones de combat sont à l'arrêt. Ce n'est pas seulement une crise humanitaire; d'aucuns parlent de génocide. À Khartoum et à El Fasher, les frappes de drones se multiplient. Les civils sont régulièrement pris pour cibles. Les paramilitaires commettent des crimes contre l'humanité, dont des actes de torture, de viol utilisé comme arme de guerre, d'esclavage sexuel et de déplacement forcé. Le dernier rapport de l'ONU parle même de crimes contre l’humanité et de crimes d'extermination. Les alertes sont régulières. Ainsi, le chef des opérations humanitaires de l'ONU y était encore hier et, revenant du terrain, évoque un véritable spectacle d'horreurs. Il demande davantage de Casques bleus, immédiatement. La secrétaire générale du Conseil danois pour les réfugiés affirme pour sa part que plus de la moitié de la population au Soudan a besoin d'aide. Et alors que le Royaume-Uni annonce envisager de nouvelles sanctions, on entend peu la voix de l'Europe.

Monsieur le ministre, la Belgique ne peut pas se contenter d'observer. Mes questions sont très concrètes. Quelles nouvelles initiatives la Belgique entend-elle prendre immédiatement pour répondre à ces crimes, de façon humanitaire et diplomatique? Porterez-vous, au niveau européen, le renforcement des sanctions contre les responsables des Forces de soutien rapide (FSR), comme envisage de le faire le Royaume-Uni? Soutenez-vous les appels de l'ONU pour une présence renforcée des Casques bleus et pour faire avancer les mécanismes de justice internationale? Enfin, quelle aide humanitaire urgente la Belgique est-elle disposée à envoyer ou a-t-elle déjà envoyée pour les civils pris au piège?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, volgens de Verenigde Naties bevindt Soedan zich in het epicentrum van een van de ernstigste humanitaire crises ter wereld. Het is een vergeten oorlog. Ik ben daar in het verleden al over tussengekomen. Meer dan 30 miljoen mensen hebben dringend hulp nodig, 9,6 miljoen ontheemden en bijna 15 miljoen kinderen. De VN-organisaties, het Wereldvoedselprogramma, allemaal waarschuwen ze voor immense menselijke nood en een nijpend tekort aan middelen. Gisteren zagen we daarover in Terzake nog een reportage. Terwijl delen van het land nu wat rustiger worden, keren miljoenen mensen terug naar hun verwoeste woningen, zonder toegang tot basisvoorzieningen. Honderdduizenden burgers blijven in Darfur en zijn afgesneden van voedsel- en gezondheidszorg.

Ik had graag van u vernomen welke humanitaire of financiële steun ons land heeft verleend aan de Soedanese bevolking via multilaterale of bilaterale kanalen. Overweegt ons land bijkomende bedragen voor het VN Humanitarian Response Plan? Er zou op dit moment slechts 25% gefinancierd zijn.

Zijn er überhaupt nog Belgische ngo’s in de regio actief?

Welke diplomatieke initiatieven heeft ons land genomen of kan het nemen, al dan niet binnen de Europese Unie of de Verenigde Naties, om bij te dragen aan een staakt-het-vuren en een duurzaam vredesproces?

Hoe waarborgt ons land dat de bescherming van burgers, in het bijzonder van vrouwen en kinderen, centraal blijft staan in het buitenlandse en humanitaire beleid ten aanzien van Soedan?

Ellen Samyn:

Ik verwijs naar de twee ingediende vragen.

De toestand in Soedan, en meer bepaald in de regio Darfoer, is sinds de inname van El Fasher door de Rapid Support Forces (RSF) opnieuw volledig ontspoord. Volgens de Verenigde Naties en talloze ngo's gaat het om systematische etnische zuiveringen tegen leden van de Zaghawa-gemeenschap, vergezeld van wijdverspreid seksueel geweld, honger en moordpartijen. De humanitaire situatie is volgens de VN zelfs 'de ergste ter wereld op dit moment'.

Ook de internationale pers, onder meer The New York Times, beschrijft de gruwel in El Fasher als een nieuwe genocide op een oud slagveld. Getuigen spreken over burgers die neergeschoten worden bij vluchtpogingen en kinderen die in ziekenhuizen dierenvoer krijgen wegens honger.

U heeft, terecht, de aanval van de RSF op El Fasher veroordeeld en opgeroepen tot de bescherming van burgers, ik verwijs naar het persbericht van uw kabinet van 27 oktober 2025 en de verklaring waarin u de situatie “afschuwelijk" noemde. Tegelijk kondigde u een Belgische bijdrage van 37 miljoen euro aan voor humanitaire hulp in Soedan in de periode 2025-2026.

Toch blijkt er, internationaal, een opvallend gebrek aan diplomatieke druk en accountability. De Verenigde Arabische Emiraten, die volgens betrouwbare bronnen (waaronder VN-experts) de RSF financieel en militair ondersteunen, worden zelden publiek aangesproken. Ook binnen de Europese Unie lijkt de aandacht voor Soedan beperkt, ondanks de omvang van de crisis.

Welke concrete diplomatieke initiatieven heeft België, bilateraal of via de Europese Unie, ondernomen of voorgesteld om de RSF tot een onmiddellijk staakt-het-vuren en onbelemmerde humanitaire toegang te dwingen? Heeft België hierover overleg gehad met de Verenigde Arabische Emiraten of andere regionale spelers zoals Egypte of Saoedi-Arabië?

Acht u het opportuun dat de Europese Unie en/of België gerichte sancties of wapenembargo's invoert tegen de RSF-leiding of hun buitenlandse financierders, gezien de aanwijzingen van ernstige oorlogsmisdaden en genocide?

Zal er binnen de EU en/of de VN-Raad voor de Mensenrechten gepleit worden voor een internationaal onderzoek of een verwijzing naar het Internationaal Strafhof, gelet op de omvang en de aard van de misdaden?

Hoe zal u garanderen dat de aangekondigde budgettaire bijsturingen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking terecht zullen komen bij de noodlijdende bevolking?

Tijdens de hoorzitting in de commissie over de crisis in Soedan verklaarde men dat België in 2025 en 2026 5 miljoen euro zou toekennen aan humanitaire steun voor Soedan. Ook de Belgische bijdrage aan het CERF wordt in 2025 met 3 miljoen euro verhoogd, een wereldwijd noodfonds waarvoor Soedan de belangrijkste begunstigde was in 2024-2025.

In Soedan woedt momenteel de ergste humanitaire crisis ter wereld. De context is er één van een bloedige burgeroorlog, massale interne ontheemding, hongersnood en een volledige institutionele implosie. Zowel de Sudanese Armed Forces (SAF) als de Rapid Support Forces (RSF) worden in VN-rapporten en door onafhankelijke organisaties beschreven als verantwoordelijk voor massamoorden, etnische zuiveringen, grootschalige seksueel geweld en andere misdaden tegen de menselijkheid.

Tegen deze achtergrond heb ik enkele vragen.

Hoe kan uw departement garanderen dat geen enkele euro Belgische middelen terechtkomt bij één van beide strijdende partijen? We weten uit het verleden - bijvoorbeeld in Gaza via organisaties die bleken geïnfiltreerd door Hamas - dat hulpgelden in conflictgebieden wél kunnen afglijden naar gewapende fracties. Welke concrete controlemechanismen hanteert België vandaag specifiek voor Soedan? Volstaan deze of moeten we ze herevalueren?

Kunt u voor deze en de vorige legislatuur oplijsten hoeveel Belgische ontwikkelingssamenwerking jaarlijks naar Soedan is gegaan? Graag uitgesplitst per jaar en per instrument, zodat kan worden nagegaan of de voorziene 5 miljoen euro voor 2025 en 2026 een stijging dan wel een continuering van eerdere bedragen vormt?

Hoe wordt deze steun concreet aangewend? Gaat het om voedselhulp, medische voorraden, toegang tot drinkbaar water, bescherming van vrouwen en meisjes, of andere humanitaire domeinen? En met welke lokale en internationale uitvoerende partners werkt België hiervoor samen?

Zijn er - gezien de extreem verslechterende veiligheidssituatie - bijkomende risicoanalyses uitgevoerd rond de toegang van hulpverleners, de neutraliteit van partners ter plaatse en de mogelijkheid tot effectieve distributie aan de burgerbevolking?

Acht u het verantwoord voor onze Belgische hulpverleners om daar actief te zijn op dit moment? Zijn deze momenteel actief en zo ja, moet Buitenlandse Zaken hen niet laten repatriëren?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, des civils affamés par plus d'un an de blocus, finalement tués par balles alors qu'ils tentent de fuir ou alignés puis abattus sans remords, des viols en masse, des enfants massacrés, des journalistes tués. Par images satellites, on voit des flaques de sang immenses et des amas de cadavres qui grossissent de jour en jour. C'est la réalité à El Fasher, mais aussi à Bara ou ailleurs au Soudan, un pays dévasté par une bien trop longue guerre, qui ressemble plus à une suite de massacres ethniques qu'à une véritable guerre.

Dans la ville qui vient d'être capturée par les paramilitaires des Forces de soutien rapide (FSR), leur haine s'est exprimée dans toute l'horreur dont ils sont capables: des personnes massacrées par plaisir, par haine et pour des raisons ethniques, des milliers de morts innocents et des dizaines de milliers de déplacés en quelques heures. De rares vidéos diffusées en ligne nous donnent la mesure de ce déchaînement de violence débridée, qui laisse à croire que des crimes de génocide ont été commis à El Fasher comme dans les autres zones contrôlées par les FSR.

Soutenus par les Émirats arabes unis, les rebelles semblent avoir fait du nettoyage ethnique leur combat. Au Soudan, depuis le début de la guerre en 2023, ce sont plus de 10 millions de déplacés, plus de 140 000 morts. C'est une guerre oubliée, monsieur le ministre, où l'impunité totale permet aux criminels de répandre la mort sans être inquiétés. Sans pression diplomatique, sans aide humanitaire massive, sans application de la justice, l'avenir du Soudan est bien sombre, et de nouveaux massacres à intention génocidaire risquent de s'ajouter à une trop longue liste qui comprend El Fasher, d'El Geneina ou du Kordofan.

Monsieur le ministre, que fait la diplomatie belge pour mettre fin à l'horreur de cette guerre au Soudan? Avez-vous engagé des contacts avec les Émirats arabes unis concernant les nombreuses informations témoignant de leur soutien actif aux FSR? La Belgique va-t-elle engager une aide humanitaire massive à la hauteur des besoins? Comment justifier les coupes budgétaires de la coopération au développement avec la multiplication de crises humanitaires telles que celle au Soudan?

Sandro Di Nunzio:

Mijnheer de minister, een verschrikkelijke humanitaire ramp speelt zich af in Soedan. Eind oktober kwam Darfur in handen van de paramilitaire RSF. Op 3 november kondigde het Internationaal Strafhof een onderzoek aan naar oorlogsmisdaden, wat geen gemakkelijke opdracht is aangezien er amper toegang is tot het gebied. De Verenigde Staten hebben de RSF-misdaden reeds erkend als genocide, maar de internationale aandacht hiervoor blijft heel beperkt.

Ik heb hierover enkele vragen. Ten eerste, in welke mate zal ons land concrete steun verlenen om het ICC-onderzoek mee vorm te geven?

Ten tweede, werd dit conflict reeds besproken tijdens een Raad? Zo ja, zijn er al conclusies die u met ons kunt delen?

Ten derde, welke stappen zult u ondernemen om ervoor te zorgen dat het VN-wapenembargo effectief wordt gehandhaafd en waar nodig uitgebreid door gerichte sancties te versterken?

Ten vierde, wat is het standpunt van de Belgische regering met betrekking tot het al dan niet erkennen van de genocide door de RSF? Volgt u de uitspraak van de Verenigde Staten? Zo ja, welke daden zult u stellen om onze verplichtingen onder het genocideverdrag effectief na te komen?

Ten vijfde, welke internationale maatregelen zijn er sinds de val van Darfur genomen op internationaal niveau om humanitaire hulp en artsen toe te laten tot het getroffen gebied? Zal men werk maken van humanitaire corridors?

Ten slotte, welke internationale organisaties zijn nog actief op het terrein en kunnen bijgevolg de nodige steun leveren?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, le Soudan s'enfonce dans une guerre d'une brutalité extrême, inouïe, entre l'armée régulière et les Forces de soutien rapide (FSR). On parle de dizaines de milliers de morts et de la plus grave crise de déplacés au monde, avec des millions de personnes jetées sur les routes au Soudan et dans les pays voisins.

Ces dernières semaines, un nouveau seuil d'horreur a été franchi avec la chute d'El Fasher. Les témoignages qui nous parviennent parlent de massacres de civils, de violences sexuelles utilisées comme armes de guerre, d'attaques ciblant des populations sur base de leur appartenance ethnique. Dans certaines zones, la famine est délibérément organisée, les hôpitaux sont détruits ou pris pour cible, l'aide humanitaire est bloquée.

J'aimerais donc vous poser quelques questions. Pouvez-vous faire le point sur les démarches diplomatiques qu'a menées la Belgique, seule ou au niveau européen, dans le cadre de ce conflit? Pouvez-vous nous dire à ce propos quel rôle entend jouer l'Union européenne pour participer à une issue durable? Estimez-vous qu'un mécanisme d'enquête internationale et de documentation des crimes commis doive être soutenu? Enfin, la Belgique prend-elle part à un effort humanitaire sur place et dans la région et, si oui, dans quelle mesure?

Nabil Boukili:

Monsieur le Ministre, le Soudan connaît aujourd'hui une catastrophe humanitaire. Certains parlent même d'un génocide d'une ampleur sans précédent. Près de 13 millions de personnes sont déplacées. Des centaines de milliers de personnes sont menacées par la famine et l'on dénombre déjà des dizaines de milliers de morts. Pourtant, ce drame demeure largement ignoré par la communauté internationale.

La guerre qui est en cours au Soudan n'est pas seulement un conflit strictement militaire entre deux armées ou deux égaux. Il s'agit d'une confrontation entre deux pôles de pouvoir qui se sont soumis à l'influence d'acteurs étrangers, qu'ils soient régionaux ou internationaux de manière générale, pour servir des agendas économiques et de politique extérieure.

L'Union Européenne et la Belgique condamnent aujourd'hui la brutalité du RSF, tout comme elle avait auparavant dénoncé les crimes du régime d'Omar el-Bechir. Cependant, l'Europe avait à l'époque contribué à légitimer ce même régime à travers ce processus de Khartoum, comme elle a aussi participé à la légitimation du RSF, notamment avec des financements par le passé à ce niveau-là.

Et on se rappelle aussi qu'en 2017, sous le gouvernement Michel, M. Théo Francken, alors secrétaire d'État à l'Asile et aujourd'hui ministre de la Guerre, a collaboré avec le régime d'Omar el-Bechir pour identifier et renvoyer des réfugiés soudanais, malgré les risques évidents de persécution. Aujourd'hui, il est partenaire dans votre gouvernement.

Monsieur le ministre, mes questions seront donc les suivantes: est-ce que la Belgique plaide, au niveau européen, pour un embargo sur les armes à destination des forces impliquées dans le conflit soudanais, directement ou via des pays tiers, tels que les États-Unis, l'Égypte, l'Arabie saoudite ou les Émirats arabes unis? Qu’allez-vous faire par rapport aux livraisons d'armes aux Émirats arabes? Quels sont les mécanismes de contrôle effectifs permettant de garantir que les armes ou équipements exportés depuis la Belgique ne puissent être utilisés ou transférés ou détournés dans le cadre du conflit au Soudan? Enfin, quelles démarches politiques et diplomatiques la Belgique compte entreprendre pour apporter un climat de paix dans la région? Je vous remercie.

Els Van Hoof:

Ik sluit mij in dit debat aan met een vraag die, zoals mijn collega’s reeds afdoende hebben beschreven, betrekking heeft op de dramatische situatie in Soedan, met systematisch geweld, hongersnood en heel ernstige schendingen van het internationale humanitaire recht. Er wordt opnieuw gesproken over een genocide.

De directeur van de IOM riep vorige week terecht op tot een staakt-het-vuren en de opening van een humanitaire corridor, maar er is geen enkel perspectief.

Ook de fameuze Quad, zijnde de Verenigde Staten, de Verenigde Arabische Emiraten, Saudi-Arabië en Egypte, stelde al een humanitair bestand voor, maar de RSF houden zich daar voorlopig niet aan. Het geweld gaat gewoon door, evenals de wapenleveringen vanuit de Verenigde Arabische Emiraten.

Ondertussen heeft België 37 miljoen euro humanitaire steun toegezegd aan het Central Emergency Response Fund van de VN. U stelt terecht dat humanitaire hulp niet volstaat. Er moet een politieke oplossing komen, een humanitair bestand en een staakt-het-vuren.

Welke inspanningen werden ondernomen door België, samen met de Europese partners, om tot een duurzaam staakt-het-vuren en tot een politieke oplossing van het conflict te komen? Hebt u de wapenleveringen aangekaart in uw diplomatieke contacten met de Verenigde Arabische Emiraten? Zo ja, welke reactie hebt u gekregen?

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, la semaine dernière, les experts auditionnés ont dressé un tableau accablant de la situation du Soudan. Votre représentant a confirmé que la question reste à l'agenda international, notamment au Conseil de l'Union européenne, et que la Belgique a accru son soutien humanitaire et ses contributions au core funding . Cet engagement est essentiel et je souhaite le saluer.

Toutefois, des préoccupations majeures subsistent. Comme vous le savez, l'embargo onusien de 2005 sur les armes liées au conflit du Darfour est toujours largement violé. Aujourd'hui encore, certains États européens continueraient à fournir indirectement des armes au Soudan via les Émirats arabes unis. Je regrette d'ailleurs que certaines armes belges soient retrouvées sur place.

Cependant, comment la Belgique entend-elle agir pour endiguer ce phénomène? La question des États européens qui arment le conflit fait-elle partie des travaux en cours au niveau européen? La méthode du naming and shaming vous paraît-elle pertinente pour dénoncer les États qui se rendent complices de l'alimentation du conflit à l'origine de l'une des plus grandes catastrophes humanitaires actuelles? Plusieurs pays et plusieurs experts recommandent également d'élargir l'embargo à l'ensemble du territoire soudanais, au-delà du seul Darfour, sachant évidemment que les pays voisins deviendraient des lieux de dépôts d'armes. Tout cela est donc compliqué. La Belgique soutient-elle cette approche et comment pourrait-elle concrètement la promouvoir?

Maxime Prévot:

Mevrouw de voorzitster, beste Kamerleden, ik deel uw bezorgdheid volledig. De toestand in Soedan is ronduit catastrofaal en wordt maar al te vaak genegeerd. Miljoenen mensen zitten gevangen in een conflict waar ze niet voor gekozen hebben. Ze worden geconfronteerd met honger, ontheemding en onvoorstelbaar geweld.

De wereld kan niet wegkijken. België veroordeelt ten stelligste alle schendingen van het internationaal humanitair recht en van de mensenrechten, in het bijzonder de schendingen door de Rapid Support Forces van generaal Hemedti en hun bondgenoten.

Ik heb me hier in de commissie al vaak uitgesproken en ik zal dit geweld blijven aanklagen. We zijn bijzonder bezorgd over het geweld tegen burgers, het systematisch seksueel en gendergerelateerd geweld, de standrechtelijke executies, de gedwongen verdwijningen, de willekeurige detenties, de folteringen, de berichten over etnische zuiveringen, het toenemende aantal ernstige schendingen tegen kinderen en de voortdurende inkrimping van de civiele ruimte.

In september 2025 heeft de Fact Finding Mission van de Mensenrechtenraad een verpletterend onderzoeksrapport gepubliceerd, waaruit onomwonden bleek dat de rivaliserende strijdkrachten zich bewust richten op burgers en daarbij gruweldaden plegen die als misdaden tegen de menselijkheid beschouwd kunnen worden. Die situatie is verwerpelijk. Door de misdaden, die door alle partijen gepleegd zijn te documenteren, helpt de onderzoeksmissie ervoor te zorgen dat de verantwoordingsplicht centraal blijft staan in het zoeken naar een duurzame oplossing.

Ik wil u verzekeren dat België bijzonder actief blijft binnen de VN-Mensenrechtenraad. Als een van de 47 leden van de VN-Mensenrechtenraad heeft ons land niet alleen in september voor de verlenging van het mandaat van de Fact Finding Mission gestemd, maar heeft het meer recent ook de oproep voor een speciale zitting van de Mensenrechtenraad mee ondertekend.

Die speciale zitting heeft inmiddels plaatsgevonden op vrijdag 14 november. Na intense onderhandelingen waaraan België actief heeft deelgenomen, heeft de Raad een nieuwe, robuuste resolutie aangenomen, deze keer bij consensus, wat aantoont dat de internationale gemeenschap de ernst van de situatie inziet.

La Belgique continue, par ailleurs, à encourager le renforcement du mandat de la Cour pénale internationale (CPI) au Soudan, saisie par le Conseil de sécurité depuis 2005.

Le Bureau enquête sur les crimes qui auraient été commis au Darfour depuis le déclenchement des hostilités en avril 2023. Il travaille intensivement, notamment par des déploiements sur le terrain et un engagement renforcé avec les groupes de victimes et la société civile. Dans le cadre de l’enquête en cours, le Bureau a pris des mesures immédiates concernant les crimes présumés à El Fasher, afin de préserver et de recueillir des éléments de preuve pertinents qui seront utilisés dans le cadre de futures poursuites.

La récente condamnation par les juges de la CPI du leader djandjawid, M. Ali Muhammad Ali Abdelrahman, pour des crimes similaires commis au Darfour en 2004, est un avertissement pour toutes les parties qu'il y aura bel et bien des comptes à rendre.

We blijven dit dossier met vastberadenheid op de internationale agenda plaatsen en ijveren voor een krachtige internationale respons. Dat heeft de afgelopen maanden geleid tot verschillende gezamenlijke verklaringen van de Europese Unie en internationale donoren. De meest recente dateert van 10 november en die heb ik persoonlijk mee ondertekend. Toen El Fasher werd ingenomen, heb ik de wreedheden en de schendingen van het internationaal humanitair recht in Soedan ook uitdrukkelijk veroordeeld.

Ons doel blijft hetzelfde: een einde maken aan het geweld; veilige, onbelemmerde en permanente humanitaire toegang verkrijgen, zodat humanitaire hulp de getroffen bevolkingsgroepen kan bereiken; de verantwoordelijken voor deze misdaden berechten; de slachtoffers eindelijk beschermen en een overgang naar een civiele macht bewerkstelligen.

Wat betreft de kwalificatie van de feiten als genocide, wens ik erop te wijzen dat niet zomaar één overheid of instantie kan vaststellen of er in een bepaalde situatie sprake is van genocide of niet. Het is een juridische beoordeling die in eerste instantie toekomt aan internationale rechtbanken zoals het Internationaal Strafhof of het Internationaal Gerechtshof, of aan speciale tribunalen zoals het Joegoslaviëtribunaal of het Rwandatribunaal. Uiteraard zie ik wat er op het terrein gebeurt en stel ik vast dat er parallellen kunnen worden getrokken met andere situaties. Op EU-niveau pleiten wij voor een actievere rol van de Unie.

We hebben aangedrongen op de goedkeuring van nieuwe Raadsconclusies, wat op 20 oktober is gebeurd. Tijdens de volgende Raad Buitenlandse Zaken op 20 november zal de situatie in Soedan opnieuw op de agenda staan. Bij die gelegenheid zal de Europese Unie haar aanpak toelichten en nieuwe maatregelen aankondigen.

De Europese Unie blijft in Soedan middelen inzetten vanuit het Instrument voor Nabuurschapsbeleid, Ontwikkeling en Internationale Samenwerking, met de focus op basisbehoeften. Tussen 2021 en 2024 was dat zo'n 300 miljoen euro en een verdere 90 miljoen euro is alvast voorzien in een regionale enveloppe, gericht op een politiek complexe context. De Raad van de EU zal daarenboven eerstdaags het voorstel van de Europese Commissie bespreken om bijkomend 350 miljoen euro aan niet-langer toegewezen middelen uit het Europese Ontwikkelingsfonds ten behoeve van vluchtelingen in te zetten.

Il s'agit également de soutenir les efforts de médiation menés dans le format Quad, qui est composé des Etats-Unis, de l'Égypte, des Émirats arabes-unis et de l'Arabie saoudite. L'Union africaine doit pouvoir jouer un plus grand rôle également. L'Union européenne a d'ailleurs mis à disposition, via le mécanisme d'intervention d'urgence, un million d'euros à la médiation de l'Union africaine.

Le Soudan est aussi abordé dans le cadre des préparatifs du sommet entre l'Union africaine et l'Union européenne. Il sera également à l'agenda du sommet puisqu'il y aura une session consacrée aux questions de paix et de sécurité. Le Soudan a aussi été discuté lors de la récente réunion entre le Comité politique et de sécurité de l'Union européenne et le Conseil de paix et de sécurité de l'Union africaine, au cours de laquelle notre pays s'est d'ailleurs exprimé au nom de l'Union européenne à ce sujet. Je rappelle que dans le cadre de la réorientation et optimisation de notre réseau diplomatique, il a été décidé d'ouvrir un poste spécifique auprès de l'Union africaine, qui sera un outil supplémentaire pour pouvoir peser et plaider dans ce dossier.

S'agissant des sanctions, l'Union européenne a adopté quatre séries de mesures restrictives à l'encontre de huit entités et dix individus issus des deux parties belligérantes. Ces mesures visent à affaiblir les ressources économiques de ceux qui poursuivent les combats afin que les parties en conflit reviennent à la table des négociations. Au vu des événements récents, des discussions sont en cours pour l'adoption de nouvelles sanctions qui seront annoncées ce jeudi. La Belgique a fortement plaidé en ce sens.

Concernant les acteurs extérieurs qui soutiennent les parties au conflit, il faut effectivement reconnaître qu'une multitude d'acteurs de la région, en Afrique et du Golfe, voient dans ce conflit une opportunité, à des degrés divers, d'avancer leurs intérêts géopolitiques ou géoéconomiques au détriment des populations locales. Si les différents appuis extérieurs sont attestés par de nombreux rapports et preuves, je ne sais pas si le naming and shaming fait sens en ce cas d'espèces. Je devrais alors citer à peu près tous les pays environnants et une série de pays du Moyen-Orient impliqués dans le conflit à des degrés divers. La responsabilité est collective. Il est évident que ces soutiens en armes, en financements ou via d'autres formes doivent cesser. La Belgique, comme les autres pays européens, ont exhorté en ce sens.

Il faut se rendre compte que ces influences extérieures peuvent aussi être déterminantes pour parvenir à une solution, en faisant pression sur les belligérants. Il est donc important que les États membres et l'Union européenne intensifient collectivement leurs démarches vis-à-vis des pays de la région et du Golfe, qui peuvent aussi être une source d'apaisement et de solutions. En ce qui me concerne, chaque fois que j'en ai l'occasion, j'aborde la crise du Soudan avec tous les interlocuteurs concernés, afin de faire part de mes préoccupations.

Mme Yigit avait initialement posé une question à laquelle il m'importe d'apporter une clarification. C'est une question qui m'apparaît complètement biaisée sur le processus de Khartoum. Faire croire que l'Union européenne porterait une responsabilité dans la genèse de cette crise serait risible, si la situation n'était pas suffisamment dramatique. Madame Yigit, qui pourra me lire dans le compte rendu, fait vraiment l'impasse sur la complexité de cette crise, qui est le produit d'un enchevêtrement d'intérêts opposés tant politiques, économiques, sociaux que religieux, principalement entre acteurs locaux et régionaux. Quant au processus de Khartoum, il tente de répondre à la traite des êtres humains et au trafic de migrants dans la région. Un certain nombre de projets financés par l'Union européenne ont été mis en œuvre au Soudan pour s'attaquer aux causes profondes de la migration, notamment en renforçant la résilience des communautés locales et en améliorant leurs conditions de vie. En raison des événements survenus au Soudan, le pays a été régulièrement suspendu du processus de Khartoum, et les projets existants de l'Union européenne au Soudan ont été interrompus et progressivement réorientés vers des projets humanitaires.

À propos de l'embargo sur les armes, l'Union européenne met déjà en œuvre un embargo pour le Soudan depuis 1994. Celui-ci s'applique à l'ensemble du territoire et a été modifié en 2011 et en 2014, pour tenir compte des sanctions onusiennes ainsi que de l'indépendance du Soudan du Sud en 2011. Il est crucial que cet embargo soit strictement respecté.

En ce qui concerne le soutien des Forces de soutien rapide (FSR), vu les allégations publiées par différentes ONG, ce risque de détournement doit être pris en compte lors de l'évaluation pré-exportation, au regard des critères de la position commune 2008/944/PESC, en tenant compte du type de matériel en question.

Ten slotte wil ik het hebben over de ernstige humanitaire crisis. Mevrouw Depoorter, helaas staan we nog ver af van een begin van plannen om de wederopbouw en de structurele ontwikkeling van Soedan te bespreken.

Tijdens mijn bezoek in augustus aan een Soedanees vluchtelingenkamp in Ethiopië heb ik een Belgische bijdrage van 5 miljoen euro aan het Humanitair Fonds van de Verenigde Naties voor Soedan aangekondigd, gespreid over de periode 2025-2026.

Ons land was al betrokken bij het steunen van de humanitaire respons in Soedan, met name via bijdragen aan multilaterale fondsen. België behoort tot de tien grootste donoren van het Central Emergency Response Fund van de Verenigde Naties, waarvan Soedan in 2024 en 2025 de belangrijkste begunstigde was. De totale toewijzingen van het Central Emergency Response Fund aan Soedan bedragen dit jaar bijna 47 miljoen dollar. Om aan de omvang van de behoeften te voldoen, heb ik besloten onze bijdrage aan het Central Emergency Response Fund in 2025 met 3 miljoen euro te verhogen, tot 20 miljoen euro.

Daarnaast ondersteunt België ook de algemene middelen van humanitaire organisaties die ter plaatse actief zijn, zoals het Wereldvoedselprogramma, het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen, UN-OCHA en het Internationaal Comité van het Rode Kruis.

Concernant les aspects budgétaires, madame Mutyebele, je souhaite à nouveau souligner que je n’ai pas voulu réaliser le moindre euro d’économie dans le volet de l’aide humanitaire. Il est donc faux de penser ou de prétendre que la Belgique suit le mouvement général de définancement en la matière.

La priorité est évidemment la négociation d’un cessez ‑ le ‑ feu, afin de permettre à l ’ aide humanitaire d ’ê tre achemin é e vers toutes les populations affect é es, en particulier dans les r é gions les plus s é v è rement touch é es, comme le Darfour et El Fasher. Du c ô t é belge, nous nous effor ç ons de contribuer à un meilleur acc è s en maintenant l ’ approche que je vais décrire.

Premi è rement, la Belgique soutient les organisations humanitaires internationales reconnues qui travaillent avec des m é canismes de distribution s û rs et coordonnés: il s’agit du Comité international de la Croix ‑ Rouge (CICR), du Haut ‑ Commissariat pour les r é fugi é s (HCR), du Bureau de la coordination des affaires humanitaires de l ’ ONU (OCHA), du Programme Alimentaire Mondial (PAM), ainsi que des ONG exp é riment é es dans des contextes à haut risque.

Deuxi è mement, nous collaborons activement au niveau europ é en, ainsi qu ’à l ’é chelle multilat é rale, afin de mettre en place et de maintenir ces m é canismes.

Troisi è mement, la Belgique travaille avec des partenaires internationaux reconnus pour leur fiabilit é et b é n é ficiant d ’ une longue exp é rience, en recourant à des mécanismes de contrôle et d’évaluation stricts. Cela permet de garantir que l’aide bénéficie aux victimes affectées et ne soit pas détournée ou utilisée à mauvais escient.

Quatrièmement, nous plaidons de manière constante en faveur du respect du droit international humanitaire.

Par ailleurs, la contribution belge est utilisée pour répondre aux besoins les plus urgents des populations les plus vulnérables, notamment les personnes déplacées, les femmes et les enfants. Elle finance la distribution de nourriture via le PAM, la fourniture de soins médicaux et de médicaments essentiels, ainsi que l’accès à l’eau potable et à des installations sanitaires.

En ce qui concerne la présence de personnel belge sur le terrain, la Belgique ne déploie pas directement ses propres équipes dans les zones de conflit, en raison des risques extrêmes. L’aide est acheminée par des organisations partenaires.

La diplomatie belge saisit donc pleinement l’extrême gravité de la situation. Nous ne pouvons rester passifs face à des crimes d’une telle ampleur. Je continuerai à faire en sorte que la Belgique, via ses différents canaux et instruments, contribue pleinement à une réponse internationale à la mesure de la catastrophe qui se déroule sous nos yeux.

Rajae Maouane:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Il y a, me semble ‑ t ‑ il, une forme d ’ hypocrisie à se dire attach é s à la paix et à l ’ aide humanitaire, tout en r é duisant simultan é ment les budgets consacr é s à la coop é ration au d é veloppement. Nous ne pouvons, d ’ un c ô t é , pr é tendre d é fendre les droits humains sur la sc è ne internationale et, de l ’ autre, affaiblir nos propres outils qui permettent précisément de les protéger.

Maxime Prévot:

Pas l’aide humanitaire.

Rajae Maouane:

J’ai dit la coopération au développement. C'est ce que j'ai dit. Nous sommes donc d'accord; mais c'est très bien de le souligner. Merci.

Président: Michel De Maegd.

Voorzitter: Michel De Maegd.

Cette incohérence amène aussi à une espèce de perte de crédibilité, puisque la Belgique a longtemps été respectée aussi pour ses positions diplomatiques, pour son soft power , pour sa diplomatie fondée sur le droit, la prévention, la coopération. Aujourd'hui, on assiste plutôt à un recul. Vous plaidez auprès de l'Union européenne, qui n'a presque aucune capacité réelle en cette matière; et pendant ce temps, notre propre action nationale est fragilisée, notamment par rapport au Soudan.

Là aussi, j'ai l'impression qu'il y a une minimisation – je me suis peut-être trompée – de la nature du conflit. Vous semblez réduire ce drame à un problème local ou régional, alors que l'ONU parle d'extermination, de crime contre l'humanité. Certains parlent même de génocide. Ce n'est pas juste une erreur d'analyse. Pour moi, c'est un vrai souci.

Nous devons passer la deuxième et être beaucoup plus offensifs et beaucoup plus fermes par rapport à ces États puissants, comme les Émirats arabes unis, qui font du Soudan et des vies humaines un jeu grandeur nature.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik ben het er helemaal mee eens. De wereld kan niet wegkijken, ook al is dit een conflict waarbij weinig camera's staan. Het verdient aandacht, niet alleen omdat het strategisch belangrijk is, maar omdat elk mensenleven telt, zoals u hebt verklaard. Het is geen ver-van-ons-bedverhaal, want instabiliteit in de hoorn van Afrika raakt aan migratie, regionale veiligheid en de wereldhandel.

Het gaat echter vooral om menselijkheid, zoals ik in mijn vraag ook heb gezegd. U hebt aangehaald dat ons land en de Europese Unie middelen geven. Dat is allemaal goed en wel, maar geld alleen zal geen levens redden. De hulpkonvooien moeten toegang hebben tot het conflictgebied en de artsen moeten hun werk kunnen doen. Zij moeten toegang krijgen tot ziekenhuizen. De voortdurende bombardementen zullen de mensen ook niet helpen, en dat terwijl de wereld wegkijkt. Zoals u al zei, zijn een structurele aanpak van de Europese Unie en ons land maar ook een diplomatieke aanpak en vooral humanitaire hulp vandaag absoluut noodzakelijk.

Ik ben het ook volledig met u eens dat de verantwoordelijken moeten worden gewezen op hun verantwoordelijkheid. Er moet absoluut een halt worden toegeroepen aan de geldstromen, de wapenstromen, die onschuldige mensenlevens bedreigen.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw uitgebreid antwoord.

De toestand in Soedan is na de val van El Fasher volledig ontspoord. Wat zich vandaag in Soedan afspeelt is niets minder dan een genocide in slow motion: etnische zuiveringen, massamoorden, systematische verkrachtingen, folteringen en de totale vernietiging van gemeenschappen. De humanitaire situatie daar is momenteel de ergste ter wereld. We weten allemaal wat er twintig jaar geleden gebeurd is. Precies daarom is wegkijken vandaag geen optie.

Zoals u daarnet verklaarde, mag de wereld niet wegkijken. Uw woorden van veroordeling zijn noodzakelijk, maar zonder diplomatieke druk, sancties en politieke moed blijven ze een lege huls.

U had het in uw antwoord over geopolitieke belangen in de regio en u vraagt zich af of naming and shaming zinvol is; u zou immers alle buurlanden moeten noemen. U spreekt over een collectieve verantwoordelijkheid.

Wat bijzonder verontrust, is de financiële en militaire levenslijn van de Rapid Support Forces (RSF). De Verenigde Arabische Emiraten (VAE) leveren wapens, drones en munitie aan een militie die verantwoordelijk is voor misdaden tegen de menselijkheid. Wie de RSF bewapent, houdt dit conflict mee in stand. Daarover blijft het oorverdovend stil, ook bij u, mijnheer de minister. Is dat omdat België in de gunst wil blijven van de Emiraten? Zoals we konden vernemen, is België immers een van de financiers van het wapenarsenaal van oliestaten, waaronder de VAE.

Onze fractie veroordeelt dergelijke politieke lafheid, zowel van de Belgische regering als van de Europese Unie, die de Emiraten niet publiek, rechtstreeks en ondubbelzinnig ter verantwoording durven te roepen. Morele verontwaardiging is gemakkelijk. Diplomatieke daadkracht blijkt echter te ontbreken.

Ik wil het ook nog even hebben over de vergeten slachtoffers. Naast de etnische zuiveringen worden christelijke minderheden steeds vaker geviseerd. Ik vraag de regering uitdrukkelijk om ook die vervolging systematisch op te nemen in alle diplomatieke contacten, zowel bilateraal als op EU-niveau.

Ten slotte kom ik bij mijn vraag over de controle op hulpgelden. Humanitaire steun is uiteraard nodig, daaraan twijfelt niemand. Steun zonder controle is echter onverantwoord. Wij eisen dan ook volledige transparantie over de bestemmingen en tussenpartners van de humanitaire steun, evenals een garantie dat geen enkele Belgische euro terechtkomt in de handen van strijdende partijen.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, une fois n'est pas coutume, je voudrais vous féliciter et vous remercier pour votre mobilisation pour l'acheminement de l'aide humanitaire dont ces populations ont tellement besoin. Il est vrai que vous n'avez pas diminué la part de budget consacrée à l'aide humanitaire mais avec la prolifération des conflits dans le monde, vous ne pourrez pas répondre politiquement à tout, à l'augmentation de ces conflits. Vous ne pourrez donc pas augmenter l'aide humanitaire, et je me dois de vous dire que c'est dommage en dépit de mes félicitations liminaires.

Vous avez parlé tout à l'heure de naming and shaming . On ne peut pas parler de naming and shaming , monsieur le ministre, on doit parler de justice, parce que quand on connaît l'importance des ingérences étrangères qui poursuivent chacune des objectifs géopolitiques à visée stratégique, on peut s'interroger parfois sur le silence de nos É tats. Ainsi, vous avez tout à l'heure parlé d'embargo, mais on sait très bien que les É mirats arabes unis achètent des armes en Europe, qu'ils recèlent ensuite avant de les revendre aux belligérants. Donc cette crise n'est pas isolée, même si elle est bien actuellement le résultat d'un désaccord entre deux hommes, ses racines en sont profondes et elles s'étendent bien au-delà de la sphère politique nationale du Soudan.

Pour moi, le silence et l'inaction sont des signes clairs d'une complicité passive de la communauté internationale et d'un désintérêt indigne pour la question soudanaise. Il est plus que temps que nous retrouvions le sens de nos valeurs dans notre politique étrangère, et il est temps de mettre un terme à ce cynisme qui ferme les yeux depuis si longtemps sur des milliers de morts innocents.

Sandro Di Nunzio:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden.

Ik ben blij te horen dat ons land al heel wat doet ten behoeve van Soedan. Het is belangrijk dat ons land dat blijft doen en de situatie nauwgezet blijft opvolgen. We kunnen uiteraard niet wachten tot drama's zich voltrekken die te laat bij ons of elders in de wereld op de radar verschijnen. We mogen en kunnen niet wegkijken van het leed in Soedan.

Wat betreft genocide als juridische kwalificatie, hoorde ik dat u vandaag wat terughoudend bent. Over Gaza hebt u destijds echter, weliswaar ten persoonlijken titel, duidelijk het woord genocide in de mond genomen. Ook voor Soedan zijn er experts die over genocide beginnen te spreken of analyses in die richting maken, wat ons land verplichtingen kan opleggen. Precies omdat de situatie zo ernstig is, moeten we het dossier consequent blijven aankaarten op alle fora; in de Europese Unie, de Verenigde Naties en bij Afrikaanse partnerschappen, ook bilateraal.

Mensenrechten, mijnheer de minister, zijn niet à la carte . We kiezen voor een coherente lijn, geen selectieve verontwaardiging. Ons land staat bekend om die coherente lijn. Mensenrechten en de bescherming van burgers gelden in Soedan net zo goed als elders in de wereld, ook daar waar de camera's niet staan. We rekenen op u, mijnheer de minister, om daarvoor op te komen, niet enkel te reageren, maar ook te ageren om het leed en de gruwel die ons niet via de media bereiken, te doen stoppen.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse.

Dans un conflit aussi chaotique que celui en cours au Soudan, où l'accès humanitaire est volontairement entravé et où les violations du droit international sont à tel point massives, la diplomatie est parfois l'un des seuls leviers réellement disponibles, et les démarches que la Belgique soutient au niveau européen montre que même dans un dossier éclipsé par d'autres crises, nous pouvons tout de même essayer de jouer un rôle.

Je vais insister sur un point, car à mes yeux, monsieur le ministre, l'impunité n'est pas une option. Un mécanisme d'enquête internationale est indispensable, et je vous remercie de porter une voix forte en ce sens dans le cadre des travaux de la Cour pénale internationale. Sans documentation rigoureuse, sans collecte de preuves, il n'y aura jamais de justice pour les victimes, ni de limites imposées aux bourreaux, et c'est pourtant très urgent dans ce dossier au Soudan.

Nabil Boukili:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Quand on parle d'embargo militaire, ce n'est pas seulement l'embargo sur le Soudan, mais sur toutes les armes qui sont utilisées dans le conflit aujourd'hui. Malheureusement, beaucoup d'armes qui sont utilisées pour tuer les Soudanais aujourd'hui proviennent de l'Europe. Lors des auditions tenues la semaine passée, il a été affirmé par nos invités que des armes en provenance de la France, de la Serbie, de la Bulgarie, seraient utilisées dans le conflit.

Et le 14 novembre, dans De Standaard , il a été publié qu'au niveau de la Belgique, les Émirats constituent également un client important pour les entreprises d'armement belges, notamment wallonnes. Elles bénéficient en cela du soutien du gouvernement wallon de M. Dolimont qui, en décembre 2024, a annoncé son intention de reprendre les livraisons d'armes aux Émirats alors que des restrictions avaient été mises en place. Ces restrictions ont été levées. Donc on va même dans l'autre sens: au lieu de renforcer les restrictions, on fait exactement le contraire, en sachant très bien que ces armes vont finir dans le conflit au Soudan et dans le massacre de la population soudanaise.

Donc quand on parle d'embargo militaire, quels sont les mécanismes qui permettent d'avoir un vrai contrôle? Il ne suffit pas de juste le déclarer ou de le mettre dans une loi: comment, en pratique, veiller à ce que nos armes ne se retrouvent pas dans des conflits où on est en train de massacrer des populations, que ce soit au Soudan ou à Gaza, comme on l'a dit tout à l'heure?

Quant au processus de Khartoum, je suis désolé, on ne peut pas juste dire que c'était pour lutter contre la migration illégale.

Non: on a négocié avec Omar el-Bechir, qui a été condamné par la Cour pénale internationale pour crime de guerre. C'est un criminel de guerre et l'on ne peut ignorer cette information. On ne peut pas négocier avec un criminel de guerre condamné par une cour pénale internationale et trouver cela normal.

Reconnaissons au moins cette erreur et reconnaissons qu'il était inacceptable d'avoir conclu cet accord contre des réfugiés qui fuient cette même dictature d'Omar el-Bechir. On ne peut négocier avec le bourreau pour sauver les autres. Cela ne se fait pas, monsieur le ministre, et j'aurais espéré au moins une condamnation de cet accord inacceptable.

Pierre Kompany:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses responsables. La réflexion nous pousserait à nous demander, avec tous ces conflits dans le monde, ce que vaut encore la vie humaine si, chaque fois, les solutions tardent à venir en raison du nombre trop élevé d'intérêts purement mercantiles à assouvir.

Je vous remercie dès lors, monsieur le ministre, pour le courage dont, je crois, vous faites preuve. Continuez comme cela et nous aurons au moins une chance que la voix de la Belgique soit entendue et pousse l'Europe à des solutions raisonnables.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, de voorbije weken heeft elke illusie over de EU-toetreding van Oekraïne een stevige realitycheck gekregen. Terwijl de Europese Commissie blijft volhouden dat Kiev stappen vooruitzet richting lidmaatschap, ontvouwt zich een andere, minder comfortabele realiteit: een rot nest van corruptie dat tot in de hoogste regionen van de regering reikt. Twee Oekraïense ministers – bevoegd voor Justitie en Energie – hebben hun ontslag aangeboden na hun vermeende betrokkenheid bij een corruptieschandaal van 100 miljoen dollar.

Het gaat niet zomaar over een lokale affaire, maar over fraude bij Energoatom, het strategische nucleaire energiebedrijf dat cruciaal is voor de oorlogsinspanning en voor de energiestabiliteit van het hele land. De anticorruptiedienst NABU voerde een zeventigtal invallen uit, verzamelde duizend uur aan opnames en publiceerde foto's van tassen vol dollars en euro’s, alsof het om een maffiakantoor ging. We spreken hier niet over enkele rotte appels, dit is een georganiseerde criminele structuur die jarenlang kon opereren, bemand door topambtenaren, adviseurs van ministers, veiligheidsverantwoordelijken en opnieuw de beruchte zakenman Minditsj, een oude vertrouweling en zakenpartner van president Zelensky zelf. Dit schandaal toont dat de corruptie in Oekraïne niet op de terugweg is, maar nog altijd welig tiert in de kernsectoren van het land.

Erger nog, enkele maanden geleden probeerde Zelensky zelf nog de anticorruptiedienst te verzwakken via wetgeving die NABU onder politieke controle zou brengen. Pas na massaprotesten en internationale druk – omdat de toetredingsambities in gevaar kwamen – draaide hij dat terug. Dat is geen ambitie voor hervorming, dat is politieke overlevingsdrift.

Het grootste probleem is dat men in Brussel dit alles liever negeert. Terwijl Oekraïense onderzoekers ministers oppakken, blijft de EU luidop dromen van een graduele integratie: roamingtarieven gelijkstellen, energiemarkten koppelen, defensiecoördinatie uitbreiden en SEPA-toegang verlenen. In de praktijk wordt Oekraïne het ene poortje na het andere binnengeleid, terwijl de basisvoorwaarden van de criteria van Kopenhagen niet eens in zicht zijn.

Collega’s, laten we eerlijk zijn. Alles wat de EU voor toetreding vraagt – onafhankelijke instellingen, een sterke rechtsstaat, een geloofwaardige strijd tegen corruptie – staat vandaag onder permanente druk. Het Oekraïense parlement is monocolor en critici worden geïntimideerd. Het anticorruptiesysteem moet voortdurend door buitenlandse partners worden rechtgehouden en strategische sectoren zitten vol informele machtsnetwerken.

Toch moeten wij hier geloven dat Oekraïne binnen enkele jaren klaarstaat om deel te worden van de Europese Unie, alsof dit geen miljarden euro's zal kosten, alsof de Oekraïense landbouw, zo groot als Frankrijk, de hele Europese begroting niet zal doen imploderen, alsof de Vlaamse belastingbetaler niet opnieuw voor de rekening zal opdraaien.

Voor het Vlaams Belang is het glashelder: lidmaatschap van de Europese Unie is geen mensenrechtenprijs, geen oorlogscompensatie en geen geopolitiek geschenk. Lidmaatschap moet op basis van criteria en niet op basis van sentiment worden verdiend. De recente corruptieschandalen tonen geen tegenslag in moeilijke tijden, maar een systeem dat fundamenteel niet functioneert. Een land dat in oorlogstijd miljoenen laat verdwijnen via zijn eigen energiebedrijf is niet klaar voor EU-lidmaatschap. Een land waarvan de president de anticorruptiediensten wil inperken, is niet klaar voor EU-lidmaatschap. Een land waar ministers in- en uitstappen wegens fraudebeschuldigingen is niet klaar voor EU-lidmaatschap.

Collega's, het is tijd om de romantiek te laten varen en de realiteit onder ogen te zien. We kunnen solidariteit met Oekraïne tonen zonder onze eigen democratie, begroting en rechtsstaat op het spel te zetten. Dat betekent wel dat we het lef moeten hebben om te zeggen wat men in Brussel niet durft te zeggen. Oekraïne is vandaag absoluut niet klaar voor een toetreding tot de Europese Unie, niet morgen, niet volgend jaar en waarschijnlijk ook niet binnen tien jaar.

Vlaams Belang weigert mee te stappen in een politiek verhaal dat enkel drijft op symboliek. Geen uitholling van het vetorecht, geen versnelde integratie via achterpoortjes en geen miljardenrekeningen voor Vlaanderen op basis van hoop en wensdenken.

Vandaag las ik in de krant dat premier De Wever jaarlijks 1 miljard euro aan Zelensky wil geven. Voor wat? Een gouden toilet voor de comedian? Een miljard euro om nog wat andere sporttassen met geld te vullen? Dit is ongezien. We moeten de Oekraïners in hun oorlog tegen Rusland helpen, maar aangezien de corruptieschandalen zich opstapelen, denk ik dat nog meer geld naar dat land sturen hen niet zal helpen.

Mijnheer de minister, erkent de regering dat het unanimiteitsbeginsel bij toetredingsbesluiten een fundamentele waarborg is voor de soevereiniteit van een lidstaat en dus niet mag worden uitgehold? Hoe beoordeelt de regering het voorstel van Antonio Costa om het EU-lidmaatschap van Oekraïne te bespoedigen door de regels tijdens het proces te wijzigen? Is de regering bereid zich te verzetten tegen pogingen om de toetredingsprocedure te politiseren en de Kopenhagencriteria te ondermijnen? Zal de regering binnen de Europese Raad het standpunt innemen dat een versnelde toetreding van Oekraïne gegeven de oorlogssituatie, de economische instabiliteit en de wijdverspreide corruptie de Europese Unie dreigt te ontwrichten?

Is de regering bereid die bezorgdheden officieel te agenderen binnen de Europese instellingen en zich uit te spreken tegen het gevaarlijke precedent?

Ik kijk alvast uit naar uw antwoorden.

Maxime Prévot:

Ons land heeft de EU-perspectieven van Oekraïne steeds gesteund. Uitbreiding van de Europese Unie is een instrument voor hervormingen en om vrede en stabiliteit alsook onze eigen veiligheid op het Europese continent te bewerkstelligen.

Het toegenomen geopolitieke belang van de EU-uitbreiding betekent echter niet dat ons land pleit voor of akkoord gaat met een versnelde uitbreidingsprocedure. Voldoen aan de Kopenhagencriteria blijft absoluut noodzakelijk om lid te kunnen worden van de Europese Unie. Dat geldt voor alle kandidaat-lidstaten, inclusief Oekraïne.

Het toetredingsproces is er net op gericht om via een strikte conditionaliteit diepgaande hervormingen af te dwingen op het vlak van de rechtsstaat, de democratische vrijheden, de mensenrechten en de strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad. Dat is niet alleen belangrijk om de goede werking van een uitgebreide Europese Unie te verzekeren, maar ook om het functioneren van de interne markt te waarborgen.

Sinds Oekraïne in juni 2022 de status van kandidaat-lidstaat kreeg, heeft het land in moeilijke omstandigheden effectief hervormingen doorgevoerd en vooruitgang geboekt. Desondanks kampt Oekraïne nog steeds met belangrijke uitdagingen op het vlak van de rechtsstaat en de corruptiebestrijding. Ons land zal de hervormingsinspanningen van Oekraïne blijven monitoren, onder meer via onze ambassade ter plaatse.

Een toetredingsproces op basis van eigen verdiensten betekent echter ook dat de Europese Unie reële vooruitgang moet erkennen en belonen. Ik betreur dan ook de huidige Hongaarse blokkering van het toetredingsproces, die zich inschrijft in een bredere problematiek waarbij bepaalde EU-lidstaten bilaterale geschillen misbruiken om naburige kandidaat-lidstaten te blokkeren in het toetredingsproces.

Dit tast niet alleen de geloofwaardigheid van het Europees uitbreidingsbeleid aan, maar neemt ook de incentives weg bij de kandidaat-lidstaten om de noodzakelijke hervormingen door te voeren.

Het voorstel van de voorzitter van de Europese Raad, de heer Costa, voorziet uitsluitend in het gebruik van een qualified majority voting (QMV) bij enkele technische tussenstappen. Er wordt dus niet geraakt aan de unanimiteitsvereiste voor de belangrijke politieke beslissingen in het toetredingsproces.

Ik wens u eraan te herinneren dat er momenteel zo'n 150 tussenstappen zijn gedurende het proces waarvoor unanimiteit nodig is. Ik verwelkom de discussie over manieren om de negatieve impact van de eerder vermelde bilaterale blokkades te omzeilen.

Wat betreft de mogelijke impact van een eventuele toekomstige toetreding van Oekraïne, wens ik te benadrukken dat België, parallel aan het uitbreidingsproces, steevast pleit voor een interne hervorming van de EU, om ervoor te zorgen dat ook een uitgebreide Unie de nodige slagkracht behoudt en efficiënt kan blijven functioneren.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, u kunt hier nog 1.000 keer herhalen dat Oekraïne vooruitgang boekt, maar u weet net zo goed als ik dat dat simpelweg onwaar is. Volgens de Kopenhagencriteria heeft Oekraïne 0,0 vooruitgang geboekt. Niets, geen rechtsstaat, geen stabiele instellingen, geen onafhankelijke anticorruptieorganen. Integendeel, het land gaat achteruit. Elke maand, misschien zelfs al elke week is er een nieuw corruptieschandaal. Ministers die ontslag nemen, zakenpartners van Zelensky die miljoenen euro's wegsluizen, sporttassen vol cash, gouden toiletten en ondertussen probeert diezelfde president ook nog eens een anticorruptiedienst te muilkorven of skiresorts op te richten in zijn land.

Dit is geen jonge democratie in transitie, dit is een structureel corrupt systeem. Is het geen minister, dan is het een entourage. Is het niet de entourage, dan is het de president zelf die wetten probeert te herschrijven om kritische onderzoekers te neutraliseren. Dat is wat de geloofwaardigheid van de EU aantast, niet de houding van Hongarije, maar wel het feit dat de EU corruptie steunt en beloont.

Ik kom bij de kern van de zaak. U en de premier, de heer De Wever, geven dat land doodleuk een miljard euro per jaar. We leven in een land waar gezinnen hun facturen niet meer kunnen betalen. Onze defensie is uitgehold en Vlaanderen is al jaren nettobetaler. Vervolgens beslist de regering waarvan u zelf deel uitmaakt om een miljard euro naar een corrupt regime te sturen dat aan geen enkel toetredingscriterium voldoet.

Laat ons eerlijk zijn, mijnheer de minister, Oekraïners zullen van dat geld nul euro zien. Geen enkele Oekraïense soldaat, geen enkele familie, geen enkele burger zal iets voelen van dat miljard. Het verdwijnt in dezelfde netwerken, dezelfde systemen en dezelfde zakken waarin nu al honderden miljoenen euro's zijn verdwenen. De Vlaamse belastingbetaler mag opnieuw opdraaien voor een land dat volgens u vooruitgang boekt, maar volgens alle objectieve criteria juist afglijdt.

Mijnheer de minister, u mag dit proberen te verkopen als solidariteit, als geopolitiek of als stilaan integreren in Europa, maar de waarheid is simpel, hard en pijnlijk. Het is een cheque zonder controle, zonder voorwaarden en zonder verstand. De Vlaming moet daarvoor betalen. Ik dien bij dezen dan ook een motie van aanbeveling in.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Britt Huybrechts en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van mevrouw Britt Huybrechts

en het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking,

- gelet op artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waarin de procedure voor toetreding van nieuwe lidstaten is vastgelegd, inclusief de noodzaak tot unanimiteit bij de beslissing om onderhandelingen te openen;

- gelet op de Kopenhagencriteria, die bepalen dat kandidaat-lidstaten over stabiele instellingen moeten beschikken die de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de bescherming van minderheden waarborgen, en dat ze moeten beschikken over een functionerende markteconomie en het vermogen om de verplichtingen van het EU-lidmaatschap na te komen;

- overwegende dat de voorzitter van de Europese Raad, Antonio Costa, een wijziging van deze regels voorstelt teneinde Oekraïne versneld tot toetredingsonderhandelingen toe te laten door de unanimiteitsregel te vervangen door een besluit bij gekwalificeerde meerderheid;

- overwegende dat een dergelijke ingreep neerkomt op het wijzigen van de spelregels tijdens het proces en daarmee een gevaarlijk precedent schept dat ook voor toekomstige toetredingskandidaten, zoals Moldavië of Turkije, kan gelden;

- overwegende dat Oekraïne zich momenteel in een oorlogssituatie bevindt, dat het land economisch zwaar ontwricht is en dat internationale rapporten wijzen op aanhoudende problemen met corruptie en de werking van de rechtsstaat;

- overwegende dat een versnelde toetreding van Oekraïne aanzienlijke politieke en sociaal-economische gevolgen zou hebben voor de huidige lidstaten, waaronder oneerlijke concurrentie voor landbouwers, massale migratiestromen en verhoogde druk op de EU-begroting;

- overwegende dat een dergelijk besluit de Europese Unie rechtstreeks in de frontlinie met Rusland kan plaatsen en zo de kans op escalatie vergroot;

- overwegende dat toetreding tot de Europese Unie een juridisch en objectief traject moet blijven, en geen instrument mag worden van geopolitieke symboliek of opportunisme;

vraagt de regering

- te erkennen dat het unanimiteitsbeginsel bij de opening van toetredingsonderhandelingen een fundamentele waarborg is voor de soevereiniteit van de lidstaten en daarom niet mag worden uitgehold;

- het voorstel van de voorzitter van de Europese Raad om Oekraïne versneld tot de Unie toe te laten en daarbij de spelregels te wijzigen, af te wijzen;

- er bij de Europese instellingen op aan te dringen dat de toetredingsprocedure strikt en objectief moet verlopen volgens de Kopenhagencriteria, en niet mag worden gepolitiseerd of versneld om geopolitieke redenen;

- in de Raad van de Europese Unie duidelijk stelling te nemen tegen de versnelde toetreding van Oekraïne zolang het land niet voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden inzake democratie, rechtsstaat, economische stabiliteit en corruptiebestrijding;

- deze positie officieel kenbaar te maken binnen de Europese Raad en in de contacten met andere lidstaten. "

Une motion de recommandation a été déposée par Mme Britt Huybrechts et est libellée comme suit:

" La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de Mme Britt Huybrechts

et la réponse du ministre des Affaires étrangères, des Affaires européennes et de la Coopération au développement,

- eu égard à l'article 49 du traité sur l'Union européenne, qui fixe la procédure d'adhésion de nouveaux États membres et dispose qu'il est nécessaire d'atteindre l'unanimité pour la décision relative à l'ouverture de négociations;

- eu égard aux critères de Copenhague, qui disposent que les États candidats doivent disposer d'institutions stables garantissant la démocratie, l'État de droit, les droits humains et la protection des minorités ainsi que d’une économie de marché viable et qu'ils doivent être aptes à assumer les obligations découlant de l’adhésion à l'UE;

- considérant que le président du Conseil européen, António Costa, propose de modifier ces règles en vue de remplacer la règle de l'unanimité par une décision à la majorité qualifiée et ainsi, d'accélérer la décision d'autoriser l'Ukraine à participer à des négociations d'adhésion;

- considérant qu'une telle modification revient à changer les règles du jeu pendant le processus et crée ainsi un dangereux précédent qui pourrait également être invoqué pour de futurs candidats à l'adhésion tels que la Moldavie ou la Turquie;

- considérant que l'Ukraine se trouve actuellement en situation de guerre, que le pays a été gravement déstabilisé sur le plan économique et que des problèmes persistants en matière de corruption et de fonctionnement de l'État de droit sont évoqués dans des rapports internationaux;

- considérant qu'une adhésion accélérée de l'Ukraine entraînerait des conséquences politiques et socioéconomiques considérables pour les États membres actuels, parmi lesquelles une concurrence déloyale vis-à-vis des agriculteurs, des flux migratoires massifs et une aggravation de la pression sur le budget de l'UE;

- considérant qu'une telle décision risque de placer directement l'Union européenne sur la ligne de front avec la Russie et augmente ainsi le risque d'escalade;

- considérant que l'adhésion à l'Union européenne doit rester un trajet juridique et objectif et ne doit pas devenir un instrument de symbolique géopolitique ou d'opportunisme;

demande au gouvernement

- de reconnaître que le principe d'unanimité constitue une garantie fondamentale de la souveraineté des États membres dans le cadre de l'ouverture de négociations d'adhésion et ne doit donc pas être vidé de sa substance;

- de rejeter la proposition du président du Conseil européen visant à accepter une adhésion accélérée de l'Ukraine à l'Union en modifiant les règles du jeu;

- d'insister auprès des institutions européennes sur le fait que la procédure d'adhésion doit se dérouler dans un cadre strict et objectif en fonction des critères de Copenhague et qu'elle ne doit pas être politisée ou accélérée pour des raisons géopolitiques;

- d'adopter une position claire au Conseil de l'Union européenne en s'opposant à l'adhésion accélérée de l'Ukraine tant que le pays ne satisfait pas aux conditions nécessaires en matière de démocratie, d'État de droit, de stabilité économique et de lutte contre la corruption;

- de faire connaître officiellement cette position au Conseil européen et dans ses contacts avec d'autres États membres. "

Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Pierre Kompany.

Une motion pure et simple a été déposée par M. Pierre Kompany .

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, de ontmanteling van een terreurcel in Antwerpen die een aanslag met een drone op premier Bart De Wever en andere politici, onder wie Wilders en Van Doesburg, zou hebben voorbereid, heeft het land diep geschokt.

Het onderzoek onthult niet alleen een binnenlands veiligheidsprobleem, maar legt ook een complex internationaal netwerk bloot van jihadistische contacten, buitenlandse financiering en digitale radicalisering. In soortgelijke dossiers zien we bovendien steeds vaker dat radicale groeperingen in België rechtstreeks gelinkt zijn aan buitenlandse actoren, financiers, religieuze organisaties of onlinekanalen die opereren vanuit landen waar extremistische ideologieën vrij spel krijgen. België is door zijn opengrenzenbeleid en lakse terugkeerbeleid bijzonder kwetsbaar geworden voor deze internationale invloeden.

De dreiging beperkt zich niet langer tot schimmige internetfora of geïsoleerde cellen, maar evolueert naar technisch en technologisch hoogstaande operaties – in dit geval met drones – die enkel mogelijk zijn dankzij grensoverschrijdende knowhow, financiering en connecties. Deze nieuwe generatie terreur verdient dan ook een nieuwe aanpak waarbij diplomatie, buitenlandse inlichtingen en veiligheidsbeleid hand in hand gaan. Wat echter opvalt, is dat u in eerdere communicatie, tijdens het Belgische EU-voorzitterschap, vooral gewelddadig extreemrechts als prioriteit naar voren schoof binnen de Europese werkgroepen rond terrorismebestrijding.

Uit uw eigen cijfers blijkt nochtans dat jihadistisch extremisme veruit de grootste bedreiging blijft, verantwoordelijk voor het merendeel van de dodelijke aanslagen in Europa. Terwijl onze steden jarenlang zijn geteisterd door aanslagen van islamistische terroristen, lijkt de federale focus steeds meer te verschuiven naar een ideologische evenwichtsoefening. Men durft de jihadistische dreiging nauwelijks nog bij naam te noemen, wellicht uit angst om stigmatiserend te zijn, terwijl de bevolking recht heeft op bescherming tegen de echte vijanden van onze vrijheid.

Het Vlaams Belang stelt vast dat ons land jarenlang ontwikkelingshulp en samenwerkingsakkoorden in stand hield met staten die radicalisering toelaten, weigeren hun onderdanen terug te nemen of onvoldoende meewerken aan veiligheidsinformatie. Dat is niet alleen onverantwoord, het is gevaarlijk. Diplomatie mag geen blind idealisme zijn. Wie radicalisering toelaat, moet dat voelen, financieel en politiek.

Vorige week donderdag was het ook tien jaar geleden dat de terroristische aanslag op de Bataclan in Parijs plaatsvond. In tegenstelling tot wat veel mensen hopen, is ons beleid tegenover moslimextremisme nog altijd veel te soft en blijft ook onze houding tegenover moslimextremisme veel te soft. Weet u dat er sinds 9/11 al meer dan 48.500 dodelijke terroristische aanslagen hebben plaatsgevonden? In de laatste 30 dagen alleen al waren er meer dan 95 aanslagen in 16 verschillende landen, waarbij 2.318 doden en 379 gewonden vielen. En dan kennen we eigenlijk nog niet alle cijfers. Daarom wens ik u de volgende vragen te stellen.

Hebt u kennis van mogelijke buitenlandse connecties of financieringsstromen in het onderzoek? Werkt u daarvoor samen met uw collega’s van Justitie, Binnenlandse Zaken en Defensie? Werd er al contact opgenomen met buitenlandse partners of inlichtingendiensten via diplomatieke kanalen om informatie uit te wisselen over mogelijke internationale betrokkenheid?

Zult u binnen de Europese Raad Buitenlandse Zaken of de NAVO pleiten voor versterkte samenwerking rond islamterrorisme, met gebruik van drones en nieuwe technologieën, aangezien dergelijke middelen steeds vaker door jihadistische netwerken worden ingezet? Doet deze zaak u inzien dat ontwikkelingshulp en internationale samenwerking niet blind mogen worden ingezet bij landen die weigeren hun illegale criminele onderdanen terug te nemen of radicalisering tolereren?

Hoe ziet u de rol van de Belgische diplomatie bij het detecteren en doorgeven van veiligheidsinformatie uit het buitenland die relevant kan zijn voor onze binnenlandse veiligheid? Welke procedures bestaan er daarvoor?

Tot slot, als blijkt dat de terreurcel nauwe banden had met bepaalde landen, welke diplomatieke consequenties of gevolgen koppelt u daar dan aan op het vlak van financiële steun? Zult u desgevallend ook de ambassadeur op het matje roepen?

Maxime Prévot:

Mevrouw Huybrechts, net als u was ik gechoqueerd door de recente ontmanteling van een cel die een aanslag voorbereidde op premier De Wever en andere politieke figuren. Dat het plan tijdig werd verijdeld, getuigt van de efficiëntie van onze politie- en inlichtingendiensten.

Over eventuele buitenlandse betrokkenheid kan ik mij momenteel niet uitspreken, aangezien het gerechtelijk onderzoek nog loopt. Ook mogelijke diplomatieke gevolgen zijn op dit moment speculatief. Wat het gebruik van nieuwe technologieën en drones door terroristische groeperingen betreft, dit is een aandachtspunt binnen internationale fora en wordt nauwgezet opgevolgd door mijn diensten.

Ik zie geen verband tussen de gebeurtenissen in Antwerpen, die twee jonge Belgen betreffen, en het internationale samenwerkingsbeleid van deze regering. In tegenstelling tot wat u suggereert, wordt het budget voor internationale samenwerking nooit blind voortgezet. Integendeel, dit is een van de meest gecontroleerde en geëvalueerde budgetten van de federale overheid.

Migratie vormt een essentieel onderdeel van onze bilaterale relaties met landen van herkomst en transit. Een geïntegreerde whole-of-governmentaanpak is cruciaal om duurzame, alomvattende en op vertrouwen gebaseerde partnerschappen uit te bouwen. Daarbij streven wij naar een evenwicht tussen het terugnamebeleid, samenwerking op het vlak van justitie, veiligheid, visumbeleid en sociale fraude, en een gezamenlijke inzet rond onderwijs, energie, handel, ontwikkelingssamenwerking en klimaat.

Britt Huybrechts:

Ik dank u voor uw antwoord, maar u bewijst eigenlijk mijn punt. U zegt geschokt te zijn over wat er in Antwerpen aan het licht is gekomen, en dat is absoluut terecht. Tegelijk – ik begrijp dat u nog niet veel kunt toelichten – veroordeelt u in mijn ogen het extremisme dat vandaag in Europa aanwezig is, weliswaar langs islamitische kant, veel te weinig.

U zegt dat we een goed ontwikkelingsbeleid hebben en goede diplomatieke contacten met andere landen inzake terugname, maar er worden te weinig mensen teruggestuurd. Als er voldoende zou worden teruggestuurd, dan zou er geen overbevolking zijn in onze gevangenissen. U stelde ook dat de daders, of vermoedelijke daders, twee Belgen waren. Het blijft opmerkelijk dat zij een migratieachtergrond hebben van, opnieuw, een land waar de islam sterk aanwezig is.

Ik heb geen vertrouwen in wat u hebt uiteengezet en ik zal opnieuw een motie van aanbeveling indienen.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Britt Huybrechts en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Britt Huybrechts en het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, - gelet op het belang van de nationale veiligheid en de noodzaak om buitenlandse connecties van terreurnetwerken grondig te onderzoeken en aan te pakken; - gelet op de rol van de diplomatieke diensten bij de internationale informatie-uitwisseling en het detecteren van buitenlandse dreigingen die een directe impact kunnen hebben op de binnenlandse veiligheid; - overwegende dat het recente terreuronderzoek in Antwerpen aanwijzingen bevat van mogelijke buitenlandse financieringsstromen, radicaliseringskanalen en technologische ondersteuning vanuit het buitenland; - overwegende dat de gebruikte middelen, waaronder drones, wijzen op een evolutie van het jihadistisch terrorisme naar hoogtechnologische methoden met internationale vertakkingen; - overwegende dat België in het verleden herhaaldelijk heeft samengewerkt met landen die radicalisering tolereren of weigeren hun eigen onderdanen terug te nemen, en dat deze houding een veiligheidsrisico vormt voor onze burgers; - overwegende dat ontwikkelingshulp en internationale samenwerking niet blind rnogen worden voortgezet met regimes of landen die nalaten te handelen tegen radicalisering of die terrorisme actief of passief ondersteunen; - overwegende dat het de taak is van de Belgische diplomatie om buitenlandse inlichtingen tijdig te detecteren en door te geven aan de bevoegde veiligheidsdiensten; - overwegende dat de Belgische regering een duidelijk signaal moet geven aan landen die radicalisering of terreur faciliteren, zowel diplomatiek als financieel; vraagt de regering - de buitenlandse connecties en financieringsstromen die aan de terreurcel in Antwerpen gelinkt kunnen worden, grondig te laten onderzoeken in nauwe samenwerking met Justitie, Binnenlandse Zaken en Defensie. - via diplomatieke kanalen en internationale partners actief informatie uit te wisselen over de mogelijke internationale betrokkenheid bij deze terreurcel; - binnen de Europese Raad Buitenlandse Zaken en de NAVO te pleiten voor een versterkte samenwerking inzake terrorismebestrijding met bijzondere aandacht voor het gebruik van drones en nieuwe technologieën door jihadistische netwerken; - de ontwikkelingshulp en internationale samenwerking structureel te koppelen aan terugnameverplichtingen en duidelijke veiligheidscriteria, zodat landen die radicalisering toelaten of weigeren hun onderdanen terug te nemen, financieel worden aangesproken; - de procedures binnen de Belgische diplomatie te versterken voor het detecteren en doorgeven van buitenlandse veiligheidsinformatie aan de bevoegde diensten, zodat potentiële dreigingen sneller kunnen worden ingeschat en voorkomen; - indien blijkt dat bepaalde landen rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken waren bij de financiering of ondersteuning van deze terreurcel, de nodige diplomatieke stappen te zetten, waaronder het oproepen van de ambassadeur of het herzien van financiële steun. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Britt Huybrechts et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Britt Huybrechts et la réponse du ministre des Affaires étrangères, des Affaires européennes et de la Coopération au développement, - eu égard à l'importance de la sécurité nationale et à la nécessité de mener une enquête approfondie sur les connexions étrangères des réseaux terroristes et de lutter contre celles-ci; - eu égard au rôle joué par les services diplomatiques dans l'échange international d'informations et la détection de menaces étrangères susceptibles d'avoir une incidence directe sur la sécurité intérieure; - considérant que l'enquête pour terrorisme menée récemment à Anvers comporte des indices de possibles flux de financement étrangers, de canaux de radicalisation et d'appui technologique éventuels depuis l'étranger; - considérant que les moyens utilisés, notamment des drones, indiquent une évolution du terrorisme djihadiste vers des méthodes de haute technologie aux ramifications internationales; - considérant que, par le passé, la Belgique a coopéré à plusieurs reprises avec des pays tolérant la radicalisation ou refusant de réadmettre leurs ressortissants, et que cette attitude pose un risque pour la sécurité de nos citoyens; - considérant que l'on ne peut poursuivre aveuglément l'aide au développement et la coopération internationale avec des régimes ou des pays qui n'agissent pas contre la radicalisation ou qui soutiennent activement ou passivement le terrorisme; - considérant qu'il n'appartient pas à la diplomatie belge de détecter à temps des renseignements étrangers et de les transmettre aux services de sécurité compétents; - considérant que le gouvernement belge doit, tant diplomatiquement que financièrement, envoyer un signal clair aux pays qui facilitent la radicalisation ou le terrorisme; demande au gouvernement - de mener une enquête approfondie sur les connexions et les flux de financement étrangers susceptibles d'être liés à la cellule terroriste implantée à Anvers, en étroite collaboration avec la Justice, l'Intérieur et la Défense; - d'échanger activement, par l'intermédiaire de canaux diplomatiques et de partenaires internationaux, des informations sur l'éventuelle implication internationale de cette cellule terroriste; - de plaider au sein du Conseil européen Affaires étrangères et de l'OTAN pour une coopération renforcée en matière de lutte contre le terrorisme, en accordant une attention particulière à l'utilisation de drones et de nouvelles technologies par des réseaux djihadistes; - de lier structurellement l'aide au développement et la coopération internationale à des obligations de réadmission et à des critères de sécurité clairs, afin que les pays autorisant la radicalisation ou refusant de réadmettre leurs ressortissants soient tenus financièrement responsables; - de renforcer les procédures en vigueur au sein de la diplomatie belge visant à détecter et à transmettre des informations étrangères en matière de sécurité aux services compétents, afin que l'on puisse évaluer et prévenir plus rapidement des menaces potentielles; - d'entreprendre les démarches diplomatiques nécessaires, notamment le rappel de l'ambassadeur ou la révision de l'aide financière s'il s'avère que certains pays étaient impliqués directement ou indirectement dans le financement ou le soutien de cette cellule terroriste. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Pierre Kompany. Une motion pure et simple a été déposée par M. Pierre Kompany. Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De strijd tegen antisemitisme, met name in onze universiteiten, en het boek van Nora Bussigny

Gesteld door

MR Daniel Bacquelaine

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 13 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Daniel Bacquelaine kaart de alarmerende stijging van antisemitisme in België aan, met voorbeelden als intimidatie van Joodse studenten, profanatie van graven en culturele boycots, en dringt aan op dringende interfederale actie, waaronder een onafhankelijk coördinator met politieke slagkracht en concrete sancties op universiteiten. Minister Rob Beenders bevestigt dat bestrijding van antisemitisme centraal staat, verwijst naar lopende interfederale plannen (o.a. studie online haat, coördinatiemechanismen) en benadrukt dat vrije meningsuiting niet haat dekt, maar blijft vaag over timing en uitvoering. Bacquelaine wijst de huidige aanpak af als onvoldoende en eist een zichtbare, onafhankelijke coördinator die de Joodse gemeenschap concrete veiligheid en vertrouwen herstelt, niet enkel beleidsafspraken.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, Les nouveaux antisémites , tel est le titre du livre de Nora Bussigny, qui vient de sortir et dont les interviews doivent nous alerter par rapport à la recrudescence et l'explosion de l'antisémitisme en Europe, et en particulier en Belgique. Antisémitisme qui gangrène nos universités, pourtant lieux de confrontation d'idées et de liberté des échanges, avec le témoignage d'étudiants membres de l'Union des étudiants juifs de Belgique qui expriment les intimidations et les agressions dont ils sont l'objet, et le témoignage aussi de groupuscules radicaux d'extrême gauche qui professent sans vergogne l'incitation à la haine.

Et cet antisémitisme, on l'a retrouvé encore le 18 septembre dernier à Liège lors de la commémoration du 30 e anniversaire de la mort de Jean Gol lorsque sa tombe a été profanée. Cet antisémitisme, on le retrouve aussi dans le domaine culturel aujourd'hui, lorsqu'un chef d'orchestre israélien est interdit de prestation à Gand avec l'aval d'un ministre du gouvernement flamand.

Alors, monsieur le ministre, mes questions sont celles-ci. Avez-vous conscience de l'agitation de ces groupuscules d'ultra-gauche dont les discours antisémites sont décomplexés, sans mesure, assumés? Avez-vous conscience du fait qu'ils font subir des intimidations voire des agressions aux étudiants juifs dans nos universités? Pouvez-vous réunir, dans un contexte interfédéral, avec les entités fédérées, les recteurs des universités pour leur demander de prendre des mesures fortes pour sanctionner ces individus?

Le programme du gouvernement prévoit l'élaboration d'un plan d'action interfédéral ambitieux contre l'antisémitisme. C'est ce que recommande aussi l'Union européenne. Monsieur le ministre, quand présenterez-vous ce plan devant le Parlement et concrétiserez-vous les engagements du gouvernement et de votre ministère?

Rob Beenders:

Merci, monsieur Bacquelaine, pour votre question.

Permettez-moi tout d'abord de souligner que la lutte contre l'antisémitisme reste un élément central de ma lutte plus large contre le racisme et la discrimination et en faveur d'une société où la haine n'a pas sa place et où les gens, quelle que soit leur origine ou leur religion, se respectent mutuellement.

Le livre de la journaliste Nora Bussigny, Les nouveaux antisémites , a effectivement fait beaucoup de bruit, en Belgique également, et je suis au courant de la discussion qu'il a provoquée à l'ULB. Les universités restent des lieux de liberté d'expression, mais cette liberté s'arrête là où la haine commence. L'antisémitisme, comme toute forme de haine, n'y a absolument pas sa place. Nous devons y rester attentifs. C'est pourquoi nous avons déjà pris des mesures concrètes.

Ainsi, je soutiens le travail du Mécanisme de coordination interfédéral de la lutte contre l'antisémitisme, tout comme le travail du coordinateur national au sein du SPF Justice. Dans le cadre du plan d'action interfédéral contre le racisme, nous élaborons des mesures spécifiques contre l'antisémitisme. De plus, une étude est en cours sur l'antisémitisme en ligne, dont les recommandations sont attendues sous peu. J'en discuterai avec mes collègues du gouvernement dans les semaines à venir. La lutte contre l'antisémitisme est en effet une responsabilité conjointe de ce gouvernement.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, je prends note de votre volonté et de vos résolutions. Mais outre cela, si le temps de la concertation et de l'échange d'informations est certes important, il n'est évidemment pas suffisant. Ce que nous voulons aujourd'hui, c'est un véritable coordinateur de la lutte contre l'antisémitisme qui soit indépendant et non pas dévolu à un fonctionnaire certes honorable, mais qui inclurait cette mission parmi d'autres. Il ne s'agit pas de cela. Il faut un véritable coordinateur de lutte contre l'antisémitisme, avec un visage et une personnalité qui incarnent l'impulsion politique nécessaire. Ce coordinateur doit permettre de redonner du souffle à cette lutte nécessaire contre l'antisémitisme. Aujourd'hui trop de familles s'inquiètent et perdent la sérénité. Nous voulons redonner à la communauté juive la possibilité de vivre en sérénité dans notre pays, dans la paix, le respect et la sécurité.

De aanvragen van Palestijnse onderzoekers voor een single permit

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Universiteit Luik wil drie Palestijnse onderzoekers (waaronder een taaltechnoloog) aantrekken via humanitaire beurzen, maar hun verblijfsvergunning (onderdeel van de *enkele vergunningsprocedure*) wordt vertraagd door het Vreemdelingenoffice, ondanks goedgekeurde werkvergunningen en voldane voorwaarden. Minister Van Bossuyt wijt de vertraging aan een stijging van aanvragen (12–16 weken wachttijd) en benadrukt dat er geen discriminatie is, maar dat dossiers chronologisch worden behandeld; extra capaciteit zou de termijnen moeten verkorten. Hansez dringt aan op versnelling, gezien het wetenschappelijk en humanitair belang en de onzekere grensopening voor Palestijnen uit Gaza, maar krijgt enkel de belofte van algemene efficiëntieverbetering zonder concrete oplossing voor deze specifieke gevallen.

Isabelle Hansez:

Madame la ministre, depuis 2022, l'Université de Liège est une université hospitalière, à l'instar d'autres universités belges. Cela signifie que dans le cadre de son programme, elle a décidé d'accueillir sur le campus des étudiants ou des chercheurs étrangers confrontés à des situations de conflit ou de péril pour leur vie dans leur pays d'origine. Dans ce contexte, trois bourses ont été dégagées pour des chercheurs palestiniens. Parmi ces trois chercheurs, il y a celui d'un informaticien spécialisé dans le traitement automatique des langues.

Bien que la commission de l'Intérieur ne traite pas de dossiers individuels, ce dossier est néanmoins emblématique. Je souhaiterais donc le souligner et le développer. En effet, dans le cadre de son permis unique, le volet relatif au permis de travail est en ordre depuis un certain temps, puisque la Région wallonne a octroyé un permis en bonne et due forme. En revanche, l’Office des étrangers tarde à répondre concernant le volet droit de séjour, alors que toutes les conditions légales sont remplies (rémunérations, assurances, etc.).

Nous connaissons tous la situation dramatique des ressortissants palestiniens confrontés à la guerre à Gaza et qui, jusqu’à aujourd’hui, ne peuvent pas quitter l’enclave palestinienne. Toutefois, si, dans le cadre de l'accord de paix avec Israël, les frontières venaient à s’ouvrir, il importe que le dossier de permis unique de ces chercheurs soit prêt le plus rapidement possible. En effet, ces dossiers ne poursuivent pas uniquement un objectif humanitaire, mais participent également au développement de notre essor scientifique, avec des candidats sélectionnés selon des critères rigoureux.

Dès lors, madame la ministre, pour quelles raisons le permis unique n'a-t-il pas encore été délivré? Si la situation venait à s'améliorer sur le plan des frontières, ne serait-il pas préférable que ces personnes puissent obtenir rapidement leur titre de séjour?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Hansez, en 2025, l'Office des étrangers a constaté une augmentation du nombre de demandes de permis unique; cela entraîne également une augmentation des délais de traitement au sein du service. Actuellement, le délai de traitement des premières demandes par l'Office des étrangers est de 12 à 16 semaines.

Je reconnais l'importance économique de ces demandes et les délais de traitement sont surveillés. C'est pourquoi le service a été renforcé en août, ce qui devrait permettre une nouvelle réduction des délais de traitement. En tout état de cause, l'Office des étrangers ne fait aucune distinction entre les travailleurs palestiniens et les autres travailleurs étrangers. Les demandes sont traitées selon le principe du premier entré, premier sorti.

Isabelle Hansez:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je pense que c'est une bonne chose d'avoir renforcé le service pour traiter au plus vite les demandes. Je ne fais ici que relayer les informations et les préoccupations de mon université, puisque j'ai été doyenne à l'Université de Liège avant d'être députée. Comme nous avons toutes les conditions pour accueillir ces chercheurs, il est vraiment important pour nous que tous les aspects administratifs soient débloqués afin qu'ils puissent au plus vite venir tenir leur mission chez nous.

Het onderzoek naar 'parallelle gemeenschappen'

Gesteld door

VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy kritiseert het Vlaamse onderzoek (€220.000) naar parallelle gemeenschappen en gettovorming als overbodig, wijzend op zichtbare problemen zoals religieus-etnische afzondering en no-gozones in steden als Antwerpen, en hekelt decennia ongecontroleerde immigratie. Minister Anneleen Van Bossuyt (bevoegd voor Grootstedenbeleid) benadrukt dat het onderzoek uitsluitend Vlaamse bevoegdheid is en dat federale inmenging uitgesloten is, beperkt tot coördinatie en kennisdeling tussen gewesten. Van Rooy kaart aan dat N-VA-burgemeester Els Van Doesburg zelf de geïslamiseerde wijk Seefhoek verlaat, wat hij ziet als symbool van het falende beleid. De minister ontwijkt inhoudelijke reactie op de problemen en houdt vast aan bevoegdheidsrespect en interbestuurlijk overleg.

Sam Van Rooy:

Mocht dit onderzoek zijn aangekondigd, mevrouw de minister, in de jaren negentig, dan zou ik denken waarom niet. Maar nu, na meer dan 60 jaar van ongecontroleerde massa-immigratie, gettovorming, parallelle gemeenschappen en no-gozones, trekt de Vlaams regering, waarin uw partij de leiding heeft, 220.000 euro uit voor een onderzoek naar parallelle gemeenschappen in Vlaanderen. De onderzoekers moeten nagaan, ik citeer: "In welke buurten mensen zich afzonderen op basis van religie of etnisch-culturele achtergrond." Dan zeg ik dat ze zich die 220.000 euro kunnen besparen. Ik zal zelf een rondleiding geven in Antwerpen, gratis en voor niks. Ik ken ook genoeg mensen in andere steden die de beleidsmakers kunnen rondleiden om die gettovorming en parallelle gemeenschappen te laten zien, minister.

Maar wat vindt u hiervan? U bent ook minister van Grootstedenbeleid. Wordt u, of de federale regering, betrokken bij dit onderzoek? Vindt u dat dit onderzoek zou moeten worden uitgebreid naar de rest van België? Naar Brussel en Wallonië. Zijn er volgens u parallelle gemeenschappen in ons land? Zo ja, welke en waar hebt u die gezien of hebt u er weet van? Betreurt u dat en wat ziet u als oplossing om dit tegen te gaan?

Anneleen Van Bossuyt:

Dank u wel, mijnheer de voorzitter. Mijnheer Van Rooy, de studie waarnaar u verwijst valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Vlaamse regering. Noch de federale regering, noch ikzelf, in mijn hoedanigheid van federaal minister voor Grootstedenbeleid, zijn betrokken bij dit initiatief.

Ik wens nogmaals uitdrukkelijk te benadrukken dat beleidsmateries zoals het grootstedenbeleid in ruime mate geregionaliseerd zijn. Ik denk dat we het er beiden over eens zijn dat de bevoegdheidsverdeling in dit land moet worden gerespecteerd.

De federale rol is in essentie aanvullend en beperkt zich tot een coördinerende opdracht, met name om het overleg tussen de verschillende bestuursniveaus te bevorderen en de uitwisseling van goede praktijken te faciliteren, zonder in te grijpen in de keuzes van de gewesten of gemeenschappen.

Wat een eventuele uitbreiding van dat soort studies naar andere regio’s betreft, valt dit uitsluitend binnen hun eigen bevoegdheden en appreciatie. Het is niet aan het federale niveau om daarover te beslissen. Het federale niveau kan een rol spelen door een kader voor overleg te bieden, onder meer via de interministeriële conferentie Grootstedenbeleid, waar de gewestelijke en gemeenschapsministers regelmatig samenkomen. Mijn prioriteit blijft de veiligheid, de sociale samenhang en de levenskwaliteit in onze grote steden te waarborgen, in samenwerking met de lokale overheden, met volledig respect voor ieders bevoegdheden.

Sam Van Rooy:

Minister, ik wil het toch nog eens herhalen. De Vlaamse N-VA-regering trekt 220.000 euro uit om te onderzoeken, ik citeer, "in welke wijken mensen zich afzonderen op basis van religie en etnisch-culturele achtergrond". Is daar een onderzoek voor nodig? Is men te lui of te bang om gewoon eens te gaan rondwandelen in zulke wijken? Els van Doesburg, uw partijgenote en Antwerps burgemeester, klopte zich jaren geleden op de borst dat ze was gaan wonen in de sterk geïslamiseerde wijk Seefhoek in Antwerpen-Noord. Nu ze echter moeder is geworden, verhuist ze en vlucht ze weg naar het voorlopig nog veel minder geïslamiseerde Ekeren. Dat is begrijpelijk, maar bijzonder veelzeggend over hoe desastreus 60 jaar van roekeloze massa-immigratie is geweest voor onze wijken in onze steden.

De behandeling van het dossier van Oekraïense studenten door de DVZ en het parket

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt bevestigt dat Oekraïense studenten met tijdelijke bescherming recht hebben op sociale voordelen zoals leefloon, mits ze aan de voorwaarden voldoen, en dat fraude door het parket wordt onderzocht. Ze benadrukt dat haar kabinet werkt aan strengere regels voor leeflonen aan ontheemden, zoals afgesproken in het regeerakkoord. Het OCMW Kortrijk onderzoekt 33 dossiers (waarvan 18 minderjarigen) samen met de Dienst Vreemdelingenzaken voor duidelijkheid over toekenning en controles.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, 33 Oekraïense studenten, waarvan 18 minderjarig, krijgen op dit moment een leefloon in Kortrijk. Intussen zou het OCMW het dossier van de Oekraïense studenten aan het parket en de dienst Vreemdelingenzaken hebben bezorgd, om volledige duidelijkheid te krijgen over het aantal studenten, de toekenningsvoorwaarden en de controlemechanismen.

Wat zijn de bevindingen van de Dienst Vreemdelingenzaken in dit dossier? Ik krijg graag meer verduidelijking, mevrouw de minister.

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, ik zal u de door u gevraagde bevindingen die de Dienst Vreemdelingenzaken mij bezorgde over dit dossier meedelen. Ik citeer:" Oekraïners die aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming voldoen, hebben recht op dit statuut en op de sociale voordelen die daaraan vasthangen. Het spreekt voor zich dat zij hier ook kunnen studeren. Als er fraude in het spel is, zal het parket zijn werk doen."

Intussen werkt mijn kabinet verder aan de inperking van het leefloon voor tijdelijk ontheemden, conform het regeerakkoord.

Francesca Van Belleghem:

Dank u wel voor uw antwoord en een fijne avond, mevrouw de minister.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, dank u voor uw aanwezigheid. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.08 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 08.

Minderjarige Oekraïense studenten

Gesteld door

VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt bevestigt geen spectaculaire stijging van leeflonen voor Oekraïense studenten (18-24 jaar) en ontkent systematisch misbruik, maar scherpt controles aan: OCMW’s krijgen toegang tot bankgegevens, sancties bij fraude worden verstrengd, en weigeringen voor wie al elders EU-bescherming geniet, stijgen sterk. Samyn waarschuwt voor georganiseerde "sociale import": buitenlandse organisaties promoten actief studies in België met leefloon als inkomen, wat lokaal onbegrip en druk op OCMW’s veroorzaakt—ze eist kordaate opvolging om het leefloon als laatste vangnet (niet als studiefinanciering) te behouden. Beide benadrukken de nood aan betere coördinatie tussen overheden om misbruik en oneigenlijk gebruik tegen te gaan.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, in Kortrijk is een evolutie vastgesteld die een aanzienlijke impact heeft op het OCMW, het hoger onderwijs en de lokale studentenkotenmarkt. Het gaat om een groeiend aantal minderjarige Oekraïense studenten die via een Oekraïense organisatie naar België komen om hier studies aan te vatten. Volgens signalen uit het lokale veld krijgen deze jongeren begeleiding bij het aanvragen van een leefloon op basis van hun statuut van subsidiaire bescherming. Verschillende van hen volgen de Engelstalige opleiding Digital Arts and Entertainment aan Howest en verblijven in nieuw gebouwde studentenkamers in de stad.

Aangezien de gemiddelde afstudeerleeftijd in Oekraïne rond 17 jaar ligt, komen sommige studenten als minderjarige toe in België. Ze hebben dus recht op onderwijs. Er zijn echter ook extra verplichtingen voor lokale instanties op vlak van opvang, begeleiding en financiële ondersteuning. Er zijn bovendien meldingen van buitenlandse promotiecampagnes waarin het leefloon als mogelijke inkomstenbron wordt vermeld. Dit roept vragen op over de correcte toepassing van de sociale regelgeving en de mogelijke druk die deze situatie legt op lokale sociale diensten.

Mevrouw de minister, bent u op de hoogte van deze situatie in Kortrijk? Ik vermoed ook dat dit niet enkel in Kortrijk speelt. Kunt u aangeven hoeveel Oekraïense studenten in onze steden en gemeenten momenteel studeren met een leefloon op basis van hun subsidiaire beschermingsstatus?

Naar verluidt bestaat er een Oekraïense website die jongeren actief aanmoedigt om in België te studeren en bovendien een leefloon van ongeveer 11.000 euro per jaar vermeldt als bestaansminimum. Bent u daarvan op de hoogte? Beschikt u over informatie of signalen dat ook andere organisaties jongeren of studenten begeleiden naar België met als doel studies te combineren met sociale bijstand?

Acht u het nodig om na te gaan of de huidige regelgeving rond het recht op maatschappelijke dienstverlening voldoende waarborgen bevat om misbruik te voorkomen?

Welke maatregelen overweegt u om lokale besturen te ondersteunen in het detecteren en voorkomen van mogelijk misbruik van het leefloon, zeker wanneer internationale organisaties betrokken zijn?

Bent u bereid, in overleg met uw bevoegde federale collega's, te onderzoeken of en hoe lokale OCMW's beter kunnen worden ondersteund in de opvolging van zulke dossiers, onder meer via informatie-uitwisseling en duidelijke richtlijnen? Hebt u weet van huidige gerechtelijke procedures?

Ziet u mogelijkheden om op federaal niveau – in overleg met de regio's – een coördinatiemechanisme op te zetten tussen POD Maatschappelijke Integratie, onderwijsinstellingen en gemeenten om tijdig zicht te krijgen op studenten die maatschappelijke steun ontvangen zodat beleid en controle beter op elkaar kunnen worden afgestemd?

Ik dank u alvast voor uw antwoord.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Samyn, het is enigszins vervelend dat ik met mijn rug naar u zit, maar dat terzijde. Ik kom nu tot mijn antwoorden op uw vragen.

Op uw eerste vraag kan ik antwoorden dat mijn administratie niet beschikt over gegevens van het aantal studerende personen met een statuut van tijdelijke bescherming wegens de oorlog in Oekraïne. Ik kan dan ook geen uitspraak doen over aantallen, noch in Kortrijk, noch in andere steden.

In ieder geval wordt geen spectaculaire stijging vastgesteld van het aantal personen met een equivalent leefloon in de betrokken leeftijdsgroepen. Gemiddeld waren er tijdens de voorbije twaalf maanden, zijnde de periode van juli 2024 tot juni 2025, 88 personen in de groep van min 18-jarigen waarvoor de federale overheid tussenkwam in de financiële steunverlening en 3.038 personen in de groep van 18 tot en met 24 jaar. Dat betekende respectievelijk een stijging met 1 en 13 personen per maand. Kijken wij echter enkel naar het eerste semester van 2025, dan is zelfs een daling waar te nemen van respectievelijk 5 en 21 personen.

Voor uw tweede vraag deel ik u mede dat er geen concrete aanwijzingen van systematische praktijken zijn. Wel volgen wij signalen op en behouden wij aandacht voor de correcte toepassing van de sociale regelgeving, zodat hulp terechtkomt bij wie ze echt nodig heeft.

Inzake uw derde vraag kan ik u meegeven dat wordt nagegaan op welke manier de sancties, zowel administratief als strafrechtelijk, bij vastgestelde fraude kunnen worden verstrengd en op welke manier de terugvordering door de OCMW’s van onterecht uitbetaalde leeflonen of equivalente leeflonen aan de leeflooncliënt kan worden vereenvoudigd. Wanneer een OCMW bijvoorbeeld vaststelt dat een leeflooncliënt inkomsten heeft verzwegen, kan de maatschappelijk werker een deel van het leefloon of equivalent leefloon, dat onterecht werd uitbetaald, terugvorderen van de leeflooncliënt en een sanctie opleggen, bestaande uit de schorsing van het leefloon of equivalent leefloon gedurende een bepaalde periode.

Voor uw vierde vraag merk ik op dat ik al eerder signalen kreeg van lokale besturen over georganiseerde studentenmigratie. Niettemin kan er moeilijk sprake zijn van een nieuw migratiekanaal, aangezien Oekraïners onder de tijdelijke bescherming vallen en dat statuut hen ook recht geeft op een leefloon indien nodig.

Ik ben het echter met u eens dat het van belang is om mensen en middelen, ook voor de opvang en begeleiding van Oekraïners, correct in te zetten. Ik heb daarom reeds beslist om de criteria voor de toekenning van het statuut aan te scherpen door personen te weigeren die al tijdelijke bescherming genieten in een andere Europese lidstaat. Het aantal weigeringsbeslissingen is daardoor heel fel toegenomen.

Die grond van weigering is mogelijk sinds de laatste verlenging van het statuut op Europees niveau. Sindsdien is het aantal personen dat een weigeringsbeslissing kreeg en op basis daarvan een leefloon had kunnen ontvangen, fors gestegen. Bovendien bekijk ik momenteel welke juridische mogelijkheden er zijn om een verzoek te weigeren in geval van oneigenlijk gebruik, wanneer het motief duidelijk niet voortvloeit uit ontheemding.

Dan wat uw vijfde vraag betreft. OCMW's krijgen de mogelijkheid om in het kader van een sociaal onderzoek gegevens bij het CAP van de Nationale Bank op te vragen. Zo krijgen zij zicht op het aantal rekeningen van de aanvrager bij verschillende financiële instellingen en op de concrete saldi op die rekeningen. Een wetsvoorstel in die zin is al ingediend en sluit aan bij wat het regeerakkoord vooropstelt. We bekijken welke wijzigingen nodig zijn om binnen- en buitenlandse eigendommen en roerende kapitalen te kunnen identificeren.

Wat uw laatste vraag betreft, alhoewel het statuut van tijdelijke bescherming beperkt is in de tijd, weten we niet hoe lang die personen nog in België kunnen en mogen verblijven. Er kan dan ook beter ingezet worden op het zo goed mogelijk integreren van die groep in onze maatschappij. Dat kan via tewerkstelling, maar evengoed via een studie of opleiding.

Ellen Samyn:

Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. De recente discussie in Kortrijk over leeflonen voor buitenlandse studenten maakt duidelijk dat er vragen bestaan over de toepassing van onze sociale bescherming bij mensen met een tijdelijk of buitenlands statuut. Ik zal uw antwoord zeker nog grondig nalezen. Tegelijk merk ik dat onze OCMW's vandaag geconfronteerd worden met steeds complexere dossiers, met onder andere meer minderjarigen die alleen aankomen, niet enkel uit Oekraïne, maar ook uit andere landen, studenten die via buitenlandse organisaties naar België komen. Dat brengt niet alleen administratieve druk met zich mee, maar veroorzaakt ook onbegrip bij onze eigen bevolking. Wij zien nu immers dat sommige buitenlandse organisaties via websites dat systeem actief promoten. ‘Kom studeren in België. De Belgische Staat betaalt je kot, je studies en je levensonderhoud’. Voor onze fractie is dat geen toevallige uitzondering meer, maar betreft het georganiseerde sociale import. Hoe legt men dat uit aan Vlaamse gezinnen die zelf moeten instaan voor studiegeld, huur en levensonderhoud van hun kinderen? Laat duidelijk zijn dat het leefloon bedoeld is als laatste vangnet en niet als een vanzelfsprekend inkomen voor wie hier tijdelijk verblijft. Indien studenten of organisaties dat systeem gebruiken om studietrajecten te financieren, ontstaat er een structureel probleem. Niet enkel in Kortrijk, maar in verschillende steden wordt het OCMW de facto medefinancier van buitenlandse studenten. Wij vragen dat dat dossier kordaat en duidelijk wordt opgevolgd. Mevrouw de minister, het is toch onze plicht om misbruik te vermijden, maar evenzeer om duidelijkheid en rechtvaardigheid te creëren zowel voor wie een beroep doet op onze sociale bescherming, als voor wie die meefinanciert.

De studentenbetoging van 17 september jongstleden

Gesteld door

Ecolo Rajae Maouane

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een vredelijke studentenbetoging tegen het *décret Paysage* op 17 september in Brussel escaleerde de situatie door politieoptreden: gazonderdrukking, illegale *kettling* (nasses), willekeurige controles en arrestaties, ondanks dat manifestatie een grondrecht is. Minister Quintin verdedigde het proportioneel en noodzakelijk politieingrijpen tegen een *wilde mars* (niet-afgesproken cortège) met projectielen, maar erkende geen excessief geweld—vijf interpellaties, één administratieve aanhouding, geen gewonden gemeld—en geen interne onderzoeken zonder formele klachten. Maouane benadrukte institutioneel geweld (bv. filmen verbieden, menotteren voor een vraag) en herhaalde illegale methodes (eerder veroordeeld door rechtbanken), eiste dialogue met studenten en herziening van politiestrategie om democratische protestruimte te waarborgen. De kwestie blijft onopgelost, met een oproep tot structurele reflectie over politie-optreden bij betogingen.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je tenais vraiment à vous poser cette question car de nombreux étudiants et étudiantes ainsi que des parents inquiets m'ont écrit à ce sujet et attendent des réponses.

Le 17 septembre dernier, à Bruxelles, plusieurs centaines d’étudiants se sont rassemblés pour manifester contre le décret Paysage. Cette mobilisation étudiante était pacifique à la base. Mais ce qui s'est passé ce jour-là choque profondément: utilisation de gaz lacrymogènes, coups de matraque, étudiants encerclés dans des nasses – ce qui est une pratique illégale pour laquelle la Belgique, la ville de Bruxelles ainsi que le bourgmestre Close ont été condamnés –, contrôles au faciès dont on a vu des images sur les réseaux sociaux, arrestations arbitraires, etc. Des témoins rapportent que plusieurs jeunes ont été blessés et qu’un étudiant a été menotté simplement pour avoir posé une question à un policier. On a vu les images sur les réseaux sociaux. D'autres expliquent qu'ils n'ont pas eu l'autorisation de filmer. Or cette interdiction n'est pas légale.

Monsieur le ministre, nous parlons ici de jeunes, d'étudiants qui sont venus exercer un droit fondamental, celui de manifester. Ce droit est garanti par notre Constitution et par les traités internationaux. Le rôle de la police est d’encadrer et de protéger et non pas de réprimer, d'intimider ou même de frapper quand ce n'est pas nécessaire. Or les images sur les réseaux sociaux et le récit de ce 17 septembre montrent clairement qu'il y a eu un usage disproportionné de la force par la police.

Monsieur le ministre, quelle est votre lecture de ces événements? Reconnaissez-vous qu'il y a eu un usage disproportionné de la force? Combien de personnes ont été interpellées? Combien ont été blessées? Disposez-vous de chiffres précis et vérifiables? Quelles instructions ont été données aux forces de l’ordre avant la manifestation? Des enquêtes internes ont-elles été ouvertes? Qu'en est-il de la suite?

Des mesures seront-elles prises pour garantir que les mobilisations étudiantes puissent se dérouler dans le respect des droits fondamentaux, sans répression et sans violence policières?

Bernard Quintin:

Je vous remercie, madame Maouane, dans ce qui ressemble presque à un tête-à-tête et je m’en réjouis.

La manifestation du 17 septembre dernier à Bruxelles avait été négociée de manière tout à fait constructive avec la Fédération des Étudiants Francophones (FEF). Le dispositif prévoyait un rassemblement suivi d’une dislocation, place Surlet de Chokier. Si M. Chahid avait encore été parmi nous, j’aurais posé la question de savoir qui est Surlet de Chokier. Il était le premier régent du royaume, nommé par le Congrès. Je referme la parenthèse, mais il faut bien de temps en temps que je montre que je suis historien.

La place Surlet de Chokier avait donc été choisie dans un cadre clair et concerté. Cependant, au moment de la dislocation, un groupe important, extérieur à la FEF et échappant totalement au contrôle de l’organisateur, a tenté de forcer l’accès au bâtiment de la Fédération. Grâce au déploiement rapide des forces de l’ordre, cette intrusion a pu être évitée, malgré des jets de projectiles dirigés vers le bâtiment et vers les policiers.

Ce même groupe a ensuite incité une partie des manifestants – contre l’avis explicite de la FEF, qui a tout mis en œuvre pour éviter les incidents – à former un cortège non autorisé, qualifié de marche sauvage, c’est-à-dire non négocié avec les autorités.

La police a alors accompagné et sécurisé ce cortège dans la mesure du possible, tout en surveillant étroitement la situation. Mais en l'absence de tout interlocuteur légitime permettant une concertation, et compte tenu des troubles importants à la circulation en pleine heure de pointe, il a été décidé de contenir le groupe afin de mettre fin à la déambulation non autorisée. Au cours de cette opération, il a été fait usage ponctuel de spray lacrymogène, conformément aux principes de nécessité, subsidiarité et proportionnalité.

Au total, cinq personnes ont été interpellées pour identification et rédaction d'un procès-verbal en matière de sanctions administratives communales. Une personne a été arrêtée administrativement. Aucun blessé n'a été signalé.

Les forces de l'ordre ont agi conformément à la doctrine de la gestion négociée de l'espace public (GNEP). L'usage de la force est resté limité et proportionné. Aucune enquête interne n'a été ouverte à ce stade, aucune plainte formelle n'ayant été enregistrée.

Je souhaite enfin souligner que la manifestation initialement prévue avait été pleinement négociée avec les organisateurs dans un esprit de collaboration et de respect mutuel.

Les services de police continueront d'appliquer la gestion négociée de l'espace public, dont l'objectif est précisément de garantir le droit fondamental de manifester – un droit qui, je le répète chaque fois que j'en ai occasion, m'est cher et est fondamental dans une démocratie comme la nôtre – tout en assurant la sécurité publique, tant pour les participants que pour les tiers.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour ces précisions. Effectivement, je partage l'objectif de garantir la sécurité des participants comme des tiers mais, ce 17 septembre, ce que beaucoup de jeunes ont vécu est ce qu'ils interprètent comme une violence institutionnelle et comme une volonté de ne pas entendre leurs revendications.

Il s'agit donc d'un dossier qui concerne la Fédération Wallonie-Bruxelles, de sorte qu'il faut qu'un dialogue s'installe entre les représentants étudiants et le gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles. En revanche, sur certaines images, nous voyons très clairement qu'un jeune se fait menotter parce qu'il a posé une question à un policier et nous entendons des policiers interdire à des jeunes de filmer. Et cela, malheureusement, ce n'est pas un usage proportionné, c'est même illégal.

C’est sur ces aspects que j’aurais souhaité vous entendre.

En tout cas, ce genre d’événements, et la tournure que ces événements prennent, doivent être un appel à repenser la manière dont l'État et les forces de l’ordre organisent et encadrent l’expression citoyenne. En effet, je viens régulièrement ici en commission vous interroger sur la manière dont les forces de l’ordre encadrent ces manifestations et j’ai envie qu’elles se passent le mieux possible. Je sais que vous aussi. Il est intéressant de réfléchir à ce genre de choses. Par exemple, le fait que l’on utilise des techniques qui sont jugées illégales et pour lesquelles l'État a été jugé et condamné est incompréhensible aujourd'hui en termes démocratiques. J’aimerais vous entendre sur ce sujet, mais la suite sera pour le prochain épisode.

Voorzitter:

De vragen nrs. 56008692C van mevrouw De Vreese en 56008793C van mevrouw Pas zijn omgezet in schriftelijke vragen. La question n° 56008794C de Mme Désir est transformée en question écrite. De samengevoegde vragen nrs. 56008801C van de heer Thiébaut en 56008891C van mevrouw Daems worden uitgesteld. De samengevoegde vragen nrs. 56008842C van de heer Tonniau en 56008843C van de heer Hedebouw zijn zonder voorwerp, aangezien ze afwezig zijn. Vraag nr. 56008968C van de heer Bergers wordt uitgesteld en vraag nr. 56008976C van mevrouw De Vreese wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Daarmee zijn we aan het einde van onze werkzaamheden gekomen. Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw lange aanwezigheid en de antwoorden op de vele vragen. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.16 uur. La réunion publique de commission est levée à 19 h 16.

De aangekondigde verhoging van belastingen en lasten op flexi-jobs
De aangekondigde belastingen inzake studentenarbeid
Belastingverhogingen op flexi-jobs en studentenarbeid

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Van Quickenborne valt minister Jambon aan omdat diens regering flexi-jobs en studentenarbeid (succesvolle groeimotoren) nu plots wil belasten, ondanks eerdere uitbreidingen, en eist een duidelijk "no pasaran"—wat Jambon weigert, verwijzend naar lopende begrotingsonderhandelingen. Jambon benadrukt dat zijn partij de uitbreiding altijd gesteund heeft en dat eerdere regeringen (inclusief Van Quickenbornes) juist beperkingen oplegden, maar ontwijkt een harde afwijzing van nieuwe belastingen. De kern: Van Quickenborne ziet een gevaarlijke verschuiving naar *degrowth*-beleid (meer belastingen, minder groei), terwijl Jambon geen duidelijke lijn trekt en onderhandelruimte openlaat.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, er is een aanval op de managementvennootschappen geweest. Uw antwoord was dat u de lijn zult verdedigen die u zult verdedigen. Anders gezegd, het is helemaal niet duidelijk. Dat is zo. Als u daarnet had gezegd dat het genoeg geweest is – no pasaran, ça suffit – dan wisten we waar we aan toe waren, maar nu niet. Ik kan begrijpen dat een minister zwijgt omdat hij meent dat we niets zijn met al die ballonnetjes, maar als u gevraagd wordt de waarheid te vertellen, dan moeten al die ballonnetjes doorprikt worden, maar dat doet u niet. U zegt daar niets over, tenzij u dat nu corrigeert. U zegt dat u de lijn zult verdedigen die u zult verdedigen. Dat is zoals een tsjeef die zegt: we zullen zien.

Ik geef u een tweede kans.

De heer Van Peteghem, de schaduwminister van Financiën – hij schiet sneller dan zijn schaduw – die de uitbreiding van de studentenjobs naar 650 uren mee heeft goedgekeurd en die de flexi-jobs ook wil veralgemenen tot alle sectoren, zegt dat de studentenjobs en de flexi-jobs leiden tot grote gaten in de sociale zekerheid en in de belastingen. Die twee groepen, studenten en flexi-jobbers, moeten dus worden belast.

Mevrouw Verkeyn heeft gezegd dat er geen twintig arizonataksen zijn, maar 40. Mijnheer de minister, ik heb u toen gevraagd over welke 20 nieuwe taksen het ging. Het wordt me stilaan duidelijk. Voor de managementvennootschappen is er de managementtaks. Nu komen er nog twee nieuwe taksen: de studententaks en de flexi-jobtaks. Blijkbaar wil men de sociale bijdragen, dus de belastingen, voor studenten verhogen, en voor flexi-jobbers wil men juist hetzelfde doen. Blijkbaar steekt het de ogen uit van de heer Van Peteghem dat de flexi-jobbers geen belasting zouden moeten betalen. Maar, mijnheer de minister, u weet evengoed als ik dat flexi-jobbers mensen zijn die al werken, bijdragen leveren en belastingen betalen. Of het zijn gepensioneerden die al heel hun leven hebben bijgedragen.

Ik versta dat niet. Hoe komt het dat er nu plotseling vanuit deze regering een aanval komt op een succesvol tewerkstellingselement als de flexi-jobs? Waarom moet men nu, nadat men de uren studentenarbeid verhoogd heeft naar 650 uren, ook de studenten aanvallen? U bent het er toch met mij over eens dat hoe meer studenten er werken en hoe meer flexi-jobs er zijn, hoe meer groei er is? Die mensen vullen namelijk tekorten in die normaal niet worden ingevuld. De winkels kunnen nu ook open zijn op zondag. Dat is een goede zaak. Vandaag kan men gaan op zondag shoppen in de Delhaize en misschien binnenkort ook in de Colruyt. De consumenten zijn daar gek op. De winkels staan 's zondags vol. Trouwens, Colruyt heeft het moeilijk door de zondagsopening van zijn concurrenten.

Al die mensen die bijverdienen, mijnheer de minister, die studenten en flexi-jobbers, verdienen hun geld netto en ze geven dat geld dan uit aan renovatie, in de economie of in de diensteneconomie. Zij zijn mee de motor van de groei van onze economie.

In plaats van die groei af te remmen, moeten we de groei stimuleren. We zouden u als minister van Financiën moeten horen zeggen dat u voorstander bent van meer studentenarbeid, meer flexi-jobs en meer managementvennootschappen. U moet pleiten voor meer groei.

Wat we nu echter zien, is een politiek van wat men degrowth noemt. Kent u degrowth? Ik dacht dat dit het monopolie was van de groenen, meneer Vanbesien: minder groei en dan worden we allemaal gelukkig. Blijkbaar is dat nu ook de politiek van de heer Van Peteghem, Vooruit en Les Engagés, want ik heb de heer Prévot horen zeggen dat hij nog een paar ideeën heeft voor nieuwe belastingen. De ene belasting volgt na de andere.

Mijnheer de minister, ik heb twee eenvoudige vragen. Zullen studenten die werken en flexi-jobbers meer belastingen moeten betalen? Of zegt u neen, dat gaan we niet doen? Zegt u no pasaran of zult u de lijn verdedigen die u zult verdedigen aan de tafel van de regering? Ik ben benieuwd naar uw antwoord.

Jan Jambon:

Het feit dat een minister in het kader van een begrotingsoefening een uitspraak doet in de pers, noemt u de aangekondigde belasting inzake studentenarbeid en flexi-jobs. Ik ervaar dat zo niet. Men mag gerust iets zeggen, daarom is dat nog niet de politiek van de regering. Ik zal hier, net zoals op andere vlakken, geen enkele voorafname doen op de begrotingsopmaak die nog moet gebeuren. Eerst flexi-jobs en studentenjobs faciliteren en in een volgende oefening daarbij vraagtekens zetten, is niet mijn lijn.

Mijnheer Van Quickenborne, onder de vorige regering werden de flexi-jobs beperkt tot maximaal 12.000 euro per jaar. Dat bedrag werd niet geïndexeerd. Ook werd een maximumloon ingevoerd en werden de patronale bijdragen verhoogd van 25 naar 28 %. Studentenarbeid bleef beperkt tot 475 uur, na de tijdelijke verhoging tijdens de pandemie. Ik weet dus niet of u zich in een goede positie bevindt om te zeggen dat die zaken gestimuleerd moeten worden. Laat ministers praten, aan de regeringstafel zal het gebeuren. Tot nu toe hebben wij alle maatregelen om flexi-jobs en studentenarbeid uit te breiden volmondig en met veel enthousiasme ondersteund.

Vincent Van Quickenborne:

Het is het goed recht van een minister om zoiets in de pers te verklaren, zegt u. Uiteraard, dat is vrijheid van meningsuiting. Daar heb ik geen problemen mee, maar dan verwachten we wel van de bevoegde minister dat hij even vrij en vrank zegt: no pasaran, dat gaan we niet doen. Ik heb u dat opnieuw niet horen zeggen.

U zegt: we zullen dat wel zien rond de tafel, we doen geen voorafnames. Ik vind dat zeer gevaarlijk. Ja, dat is heel gevaarlijk, toch wel, mijnheer de minister. U bent een vrij en vrank mens. Zeg dan gewoon dat we dat niet zullen doen. Het is toch eenvoudig? Waarom laat u zich zo in de hoek duwen door de heer Van Peteghem en Vooruit? Waarom laat u dat gebeuren? Waarom zegt u niet: 'nee, we zullen dat niet doen'? Het feit dat u dat niet wilt zeggen, mijnheer de minister, betekent dat u een opening laat. U zegt dat er misschien toch wat aan gemorreld zal worden.

U kunt natuurlijk verwijzen naar het verleden, maar toen ik begon in de politiek, mijnheer de minister, mocht studentenarbeid enkel 20 dagen in de zomer. Dat was het dan. Dat werd uitgebreid tot 600 en vervolgens 475 uur. Dat hebben we allemaal gerealiseerd in die twintig à vijfentwintig jaar. Met de flexi-jobs zijn we in 2015 gestart, op vraag van Open Vld. Vandaag hebben meer dan 200.000 mensen een flexi-job. Wij hebben dat nog verder uitgebreid in de vorige regering en inderdaad, er zijn correcties gekomen, maar kijk eens naar het resultaat. Na tien jaar Open Vld in de regering zijn er meer dan 200.000 flexi-jobbers, zonder één euro subsidie, in 22 sectoren. Dat kan ik wel verdedigen. Wat ik echter niet kan verdedigen, is dat een minister als u, die zogezegd opkomt voor werkende mensen, hier het woord niet durft te nemen. Zeg dan gewoon: no pasaran, we zullen dat niet doen. Waarom zegt u dat niet? Waarom doet u dat niet?

De mensen verwachten van u dat u hen verdedigt en dat doet u niet. U laat zich in de hoek zetten door Vincent Van Peteghem, dat is zo. Toch wel. Hij zet de aanval in op uw terrein en dan zegt u: we zullen dat wel laten passeren. Mijnheer Jambon, wat u doet, is gevaarlijk. U bent al compromissen aan het sluiten en u moet nog beginnen te onderhandelen. Dat is trouwens wat u zelf hebt gezegd in een interview in De Tijd over de inkomsten. U zegt nu dat u de belastingen zult verlagen, maar eigenlijk hebt u de deur opengezet voor nieuwe en hogere belastingen. Dat is zo. De meerwaardebelasting is daar het beste voorbeeld van.

Jan, beste Jan, wees eens een sterke Jan en geen zwakke Jan. Dank u.

Voorzitter:

Collega’s, daarmee is ook dit incident gesloten en zijn we aan het einde van onze agenda. Ik dank de minister voor zijn volgehouden moed en de collega’s voor hun volgehouden aandacht.

Ik wil voor het verslag toch meegeven dat ik aan de voorzitter zal rapporteren dat ik het aantal afzeggingen – de antwoorden op de vragen werden door verschillende diensten voorbereid – ten zeerste betreur.

Vincent Van Quickenborne:

Van mij bedoelt u?

Voorzitter:

Nee, u niet. Ik heb u juist gefeliciteerd, mijnheer Van Quickenborne.

Vincent Van Quickenborne:

Dat heb ik niet gehoord.

Voorzitter:

Het probleem is dat u kennelijk een heel selectieve manier van perceptie en gehoor hebt.

Ik betreur het dus dat zoveel mensen het nodig vinden om heel veel vragen te stellen, maar kennelijk de moeite niet doen om hier te zijn wanneer die vragen effectief gesteld moeten worden.

Vincent Van Quickenborne:

Geen probleem, voorzitter, maar deelt u ook de goede voorbeelden mee aan de Conferentie? Dan zullen ze daar nota van nemen.

Voorzitter:

Dat zal ik doen.

Vincent Van Quickenborne:

Er waren zelfs mensen die geen vragen meer hadden, maar die wel zijn blijven zitten. Dat was ofwel uit interesse ofwel om te controleren. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.04 uur. La réunion publique de commission est levée à 18 h 04.

Het opiniestuk van hoogleraren van universiteiten

Gesteld door

PS Ludivine Dedonder

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming bedreigt de aantrekkelijkheid van academische loopbanen in Franstalige universiteiten door niet-lineaire carrières (postdocs, precariteit) zwaar te treffen, met pensioenverliezen tot 39% voor risicoprofielen. Minister Jambon bevestigt variabele impact (beperkt bij volledige loopbanen tot wettelijke pensioenleeftijd) maar ontkent concrete cijfers over getroffen academici of transparante simulatietools, verwijzend naar individuele berekeningen *na* wetgeving. Dedonder benadrukt dat latere carrièrestarts (door studies/onderzoek) en algemene pensioenverlaging de sector internationaal onaantrekkelijk maken, met risico’s voor wervingscapaciteit en concurrentievermogen. De structurele onzekerheid en gebrek aan gerichte analyses ondermijnen het vertrouwen in de hervorming.

Ludivine Dedonder:

Vous avez, je présume, lu comme moi la carte blanche des professeurs d'université, qui date du mois de juillet. Cette dernière alertait sur "un avenir sombre pour les universités francophones" et mettait en lumière les conséquences graves de la réforme des pensions sur les universités francophones, en particulier sur l'attractivité, sur la capacité à recruter, sur leur position dans la compétition académique internationale et évidemment sur la viabilité des carrières professorales.

Le déroulement d’une carrière académique est en effet marqué par des périodes de temps partiel et de précarité: le post-doctorat, les charges de recherche, etc. Cela rend rares les carrières linéaires et complètes jusqu’à l’âge légal de la retraite.

La réforme en cours, qui durcit les conditions de pension, risque de creuser fortement l'écart de revenu au moment de la retraite pour ceux dont la carrière n'a pas été continue ou complète. Selon la note de l’UNIFRA, l’effet cumulé du malus et de la nouvelle pondération des tantièmes pourrait entraîner d’importantes réductions du montant de la pension.

Monsieur le ministre, avez-vous mené des analyses d'impact différenciées pour ces itinéraires non linéaires afin de mesurer la perte réelle de pension sous le nouveau régime? Confirmez-vous que certains profils à risque pourraient perdre jusqu'à 39 % dans le calcul de leur pension? Disposez-vous d'évaluations précises quant à la proportion d'académiques impactés par le malus? Est-il prévu que l'administration publie des modèles de calcul clairs et transparents permettant à chaque universitaire ou fonctionnaire de simuler précisément le montant de sa pension selon différents scénarios de carrière et l'application du malus?

Jan Jambon:

Madame Dedonder, sur la base de simulations réalisées pour des carrières académiques représentatives, nous constatons que la perte possible liée au nouveau régime de pension varie fortement selon le profil et la cohorte de naissance.

Certains profils subissent un effet significatif, mais les pourcentages exacts dépendent fortement des parcours individuels et sont donc difficiles à quantifier de manière générale. Les calculs montrent toutefois que l’impact reste limité pour la plupart des professeurs universitaires lorsque leur carrière est menée jusqu’à l’âge légal de la retraite.

Les chiffres concernant la proportion d’académiques impactés par le malus ne sont pas disponibles et sont difficilement évaluables ou prévisibles. En effet, le malus est conditionné par la prise effective de la pension de manière anticipée, ce qui reste une décision personnelle et donc difficilement quantifiable statistiquement pour l’avenir.

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

De plus, l'application ou non d'un malus reste parfois conditionnée au fait de ne pas compter 35 années de carrière d'au moins 156 jours avec 7 020 jours de travail effectif sur l'ensemble de celle-ci. Dans tous les cas, un fonctionnaire qui partirait à la retraite à l'âge légal ne recevrait aucun malus. Par ailleurs, le fait de travailler jusqu'à l'âge légal ou au-delà, avec désormais un possible bonus, n'est pas une situation exceptionnelle dans l'enseignement académique – ce qui, en l'espèce, rendrait la marge d'erreur de cette statistique encore plus élevée.

Il n'est pas expressément prévu que le Service fédéral des Pensions publie des modèles ou édite une interface permettant des simulations spécifiques aux professeurs d'université. En revanche, dès que les textes de loi auront été adoptés et publiés au Moniteur belge et que les programmes informatiques et les outils seront adaptés, le Service fédéral des Pensions continuera, comme il l'a toujours fait, à fournir des estimations individuelles aux citoyens qui en feront la demande dans la stricte application de la réglementation.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Je n'ai pas reçu énormément de réponses, même si j'entends qu'on ne livre pas spécifiquement une analyse de ce profil. Au-delà de ces personnes, puisque tout le monde est concerné par la réforme et doit travailler plus longtemps pour gagner moins, quand je parle de carrière linéaire, nous nous trouvons évidemment dans ce cas de figure: ces personnes qui commencent à travailler beaucoup plus tard, puisqu'elles ont choisi de poursuivre des études qui nous sont utiles, doivent aussi traverser des périodes de recherche. J'ai quand même du mal à croire en l'absence d'impact. En tout cas, d'après les études actuelles, leur pension va diminuer. Je suis fondamentalement inquiète pour l'attrait de ces professions. Nous avons parlé tout à l'heure d'autres métiers. Je le ferai encore cet après-midi à propos des militaires. Comment peut-on conserver le caractère attrayant d'une profession quand on détricote petit à petit tous les avantages qui pouvaient y être liés? Je vous demande donc d'y rester attentif. Il en va de l'attrait de nos universités, y compris au plan international.

De Russische aanwezigheid in Libië
De drone-incidenten in Litouwen
De schaduwoperatie van de Belgische Marinecomponent bij een Russisch onderzoeksschip
Het Russische 'onderzoeksschip' Admiral Vladimirsky in onze exclusieve economische zone
Russische drones die boven logistieke routes in Duitsland vliegen
De Russische spionagevluchten boven Duitsland
Russische drones boven Polen
De schending van het Poolse luchtruim en de inroeping van artikel 4 van het NAVO-verdrag
De drones in Polen
De schending van het NAVO-luchtruim en de twijfels rond de conventionele afschrikking
Drone-incidenten en luchtverdediging
De drones-incursies en de veiligheid van troepen
De inzet van onze troepen aan de oostflank
De Russische aanwezigheid in Afrika
Drones and countermeasures
Russische militaire activiteiten en dreigingen aan de NAVO-oostflank en daarbuiten

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 24 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de NAVO staan voor escalerende Russische agressie (drones, luchtruimschendingen, hybride oorlogsvoering) die de oostflank test, terwijl ook Afrika (Libië, Wagner-opvolgers) als strategische dreiging wordt onderschat. Minister Francken bevestigt versterkte steun aan NAVO’s *Eastern Sentry*, dringt aan op investeringen in luchtafweer (NASAMS, antidrones) en waarschuwt voor gaten in detectie- en afweercapaciteit, maar benadrukt beheerste reacties om escalatie te vermijden. België’s zuidflankbeleid (Benin, migratie, Russische invloed) en cyberdreigingen blijven kritieke aandachtspunten, met nadruk op samenhang binnen NAVO/EU en langetermijninvesteringen in defensie.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, ik denk dat ik over meer dan twee minuten beschik, want ik heb inderdaad heel veel vragen ingediend. Dat komt natuurlijk doordat er veel gebeurd is tussen onze laatste zitting en vandaag.

Vanavond start ik mijn roadshow Samen veilig door een sterkere defensie . Ik vind het nodig om uit te leggen waarom we straks zoveel gaan investeren in onze defensie. Ik ben van plan veel parochiezalen te bezoeken om die boodschap toe te lichten. Een van de rode draden doorheen die roadshow is uiteraard de vraag: wat is nu die Russische dreiging? Waar moeten we effectief schrik van hebben?

Eerlijk gezegd weet ik stilaan niet meer waar te beginnen. De incidenten stapelen zich op en ze worden steeds driester. Het is duidelijk dat Poetin en zijn regime de NAVO aan het testen zijn. Men kijkt hoever men kan gaan. Men kijkt ook of men erin slaagt de NAVO uit elkaar te spelen; dat is bijzonder duidelijk.

De incidenten van de laatste weken zijn echt alarmerend geweest. Er was de intrusie van drones in Polen, die neergehaald zijn – althans een deel daarvan. Er was de schending van het Estse luchtruim, nog niet zo lang geleden, door Russische straaljagers. Er was het onderzoekschip Admiral Vladimirsky in onze eigen wateren – dat zal wel meer zijn dan een onderzoekschip, dat komt hier niet om kiekjes te nemen van onze Belgische kust. Daarnaast zijn er de constante cyberaanvallen, waarvan we vaak niet precies kunnen achterhalen vanwaar ze komen. Dat is eigen aan hybride oorlogsvoering. We kunnen niet altijd bewijzen waar de aanvallen vandaan komen, wat het natuurlijk moeilijk maakt om erop te reageren.

Eerder was er nog iets dat misschien wat onder de radar gebleven is, maar toch belangrijk om te vermelden. Duitsland heeft heel Europa gewaarschuwd voor pakjes op onder meer DHL-vluchten, die brandbaar materiaal bevatten zoals fosfor, dat nauwelijks te blussen is. Dat is sabotage van een zeer hoog niveau. Het begint met een pakje op een vrachtvlucht, maar wie zegt dat het daarbij stopt? Er is een incident geweest – ik meen in Leipzig, al ben ik daar niet 100 % zeker van – waar men nog zo’n pakje uit het ruim heeft kunnen halen. Dat zijn toch zaken die ons moeten verontrusten.

Mijn vraag, mijnheer de minister, is hoe u daartegen aankijkt. Wat is de analyse van onze defensiestaf naar aanleiding van die – laat ons dat zo noemen – toenemende Russische agressie? Wat is de analyse van het feit dat Poetin ons bondgenootschap aan het testen is?

Mijn eerste vraag binnen dit actuadebat ging eigenlijk over de aanwezigheid van Rusland op het Afrikaanse continent. Daar wil ik het ook even over hebben, want we focussen op dit moment terecht op onze oostflank. Het is heel duidelijk dat het daar op dit moment zeer hot is: de oorlog in Oekraïne, het testen van de Baltische staten, Polen, Duitsland enzovoort. Het is dus duidelijk dat de grootste dreiging op dit moment van daar komt.

Toch wil ik ook een pleidooi houden, mijnheer de minister, om onze zuidflank niet uit het oog te verliezen. We zien bijvoorbeeld een militaire opbouw in Libië. Sinds het wegvallen van zijn haven in Syrië – de bondgenoten van Rusland zijn daar van de macht verdreven – richt Rusland zich nu op Libië, met activiteiten in die regio. Libië beschikt over een haven die dichter bij Italië en Griekenland ligt. Italië en Griekenland maken zich daar terecht ernstige zorgen over.

Het verwonderde mij dan ook enigszins – al kan ik het begrijpen – dat in de verklaring van de NAVO-top in Den Haag de zuidflank zelfs niet aan bod kwam. Die werd niet vermeld in de eindverklaring van die belangrijke NAVO-top, die uiteraard in het teken stond van onze oostflank. Ik wil er evenwel voor pleiten dat we ook onze zuidflank niet vergeten.

Mijnheer de minister, deelt u de analyse dat ook onze zuidflank een belangrijke focus verdient en dat we dit niet uit het oog mogen verliezen?

Ik dank u bij voorbaat voor uw antwoord.

Kjell Vander Elst:

Ik wil in de eerste plaats collega Weydts bijtreden wat betreft de zuidflank. Op de Land Day, denk ik, heeft de commandant van de landmacht benadrukt dat zeker in Afrika de invloed van Rusland en China sterk toeneemt. Het is een continent waarmee we historische banden hebben en dat we absoluut niet uit het oog mogen verliezen. Het actuele debat gaat over Rusland, maar Rusland beperkt zich niet tot Oekraïne. Het begint zich zeer wijd verspreid te gedragen, zeker ook in Afrika. We moeten daar absoluut zeer aandachtig voor zijn.

Mijnheer de minister, u hebt daarnet in uw inleiding bij het vorige debat al gezegd dat de NAVO onder vuur ligt. Dat mogen we redelijk letterlijk nemen.

Ik heb drie vragen ingediend bij dit actualiteitsdebat; eigenlijk zou ik er nog zeven of acht kunnen toevoegen, want het gaat telkens om afzonderlijke incidenten. Het eerste incident betreft de Russische drone met explosieven die in Litouwen onderschept werd. Vervolgens is er de Russische spionage in Duitsland op 6 augustus. Ten slotte was er nog de schaduwoperatie waarbij ons patrouillevaartuig Pollux in de Belgische wateren geconfronteerd werd met een zogenaamd Russisch onderzoeksschip. Verder zijn er dus nog de massale schendingen van het luchtruim in Polen met meer dan twintig Russische drones, en gisteren werden er drones onderschept boven de luchthavens van Kopenhagen en Oslo, waardoor het luchtruim daar urenlang gesloten bleef. Volgens mijn informatie zijn die drones momenteel nog ongeïdentificeerd. Het gaat telkens om afzonderlijke incidenten, maar men voelt duidelijk dat er sprake is van een grote opschaling en dat het stilaan schering en inslag wordt; allemaal binnen NAVO-partnerlanden.

Daarom begrijp ik moeilijk de houding van sommige partijen of academici die zeggen dat de oorlog stilaan opgelost raakt, dat men rond de tafel moet gaan zitten en dat het allemaal wel goed komt. Volgens hen panikeren wij en geven wij te veel geld uit. Als men echter al deze incidenten bekijkt, denk ik dat we daar nog zeer ver van af zijn en dat we vooral waakzaam moeten blijven en ervoor moeten zorgen dat we onszelf kunnen verdedigen.

Vandaar enkele vragen, mijnheer de minister.

Het veiligheidsrisico binnen de NAVO neemt toe – wellicht ook voor ons land. Hoe schat u dat risico in?

Ik heb een specifieke vraag over artikel 4. Polen heeft artikel 4 van de NAVO ingeroepen om zo snel mogelijk te bespreken welke maatregelen nodig zijn en wat we in de toekomst moeten doen. Wat was de uitkomst van die vergadering?

Hoe beoordeelt u de reacties van de NAVO in de afgelopen weken? U zegt terecht dat de NAVO onder druk staat – van buitenlandse mogendheden, in het bijzonder Rusland, maar ook van binnenuit. De president van de Verenigde Staten is niet bepaald, hoe zal ik het zeggen, betrouwbaar in zijn recente uitspraken over zijn houding ten opzichte van Rusland en Oekraïne. Hij is nogal wispelturig. Hoe kijkt u daartegenaan?

Welke rol binnen de NAVO moet België de komende maanden en jaren spelen opdat we zowel het Belgisch grondgebied als dat van de NAVO en de Europese Unie kunnen beschermen?

Annick Ponthier:

Enige tijd geleden schond Rusland met drones het Pools luchtruim, waarna Polen artikel 4 van het NAVO-verdrag inriep. De spanningen aan de oostflank van de NAVO werden hiermee opnieuw scherp gesteld en duidelijk in beeld gebracht. Met het inroepen van artikel 4 van het NAVO-verdrag gaf de Poolse regering het belangrijk en duidelijk signaal dat de territoriale integriteit en veiligheid van Polen in het gedrang kan komen. De vraag rijst wat dat kan betekenen voor West-Europa en voor onze defensie.

Hoe beoordeelt u de beslissing van Polen om artikel 4 van het NAVO-verdrag in te roepen en wat zijn de eventuele concrete gevolgen voor België? In welke mate is er in de NAVO al sprake van scenario’s waarbij ook artikel 5 aan de orde kan komen, aangezien dat de volgende stap is na het inroepen van artikel 4? Wat zou dat in de praktijk voor België betekenen? Welk standpunt hebt u hierover overgebracht als minister van Defensie van een stichtend NAVO-lid?

De recente schendingen van het NAVO-luchtruim door Russische drones in Polen en Roemenië geven aanleiding tot toenemende bezorgdheid, niet het minst voor de Belgische troepen die al geruime tijd in Roemenië zijn ontplooid.

Kunt u toelichten welke maatregelen momenteel gelden op het gebied van bescherming en risicoanalyse voor de Belgische militairen in Roemenië? Hoe evalueert België in NAVO-verband de dreiging die uitgaat van de herhaalde luchtruimschendingen? Welke procedures gelden bij eventuele escalatie of incidenten waarbij NAVO-militairen betrokken dreigen te raken? Kunt u de rules of engagement nogmaals duiden?

Tot slot, acht u het aangewezen om periodiek de inzet van Belgische troepen in dergelijke spanningsgebieden te herevalueren met het oog op hun veiligheid en de effectiviteit van het mandaat? Ik veronderstel van niet. Kortom, is het elders stationeren van de militairen aan de orde of helemaal niet?

Koen Metsu:

Polen heeft woensdagnacht 10 september voor het eerst Russische drones die het Poolse luchtruim binnendrongen, neergehaald. Volgens premier Tusk gaat het om de meest ernstige militaire dreiging sinds de Tweede Wereldoorlog. In 7 uur tijd werd het luchtruim 19 keer geschonden. Verschillende NAVO-partners hielpen mee, onder andere met F-35’s en radarvliegtuigen. Polen vermoedt een bewuste provocatie door Rusland, hoewel Moskou ontkent dat Polen een doelwit zou zijn.

De NAVO en de EU veroordeelden de actie en beloofden een versterking van de oostelijke verdediging. Ook Belgische militairen engageerden zich. Door de goede samenwerking tussen bondgenoten werd een derde van de drones neergehaald. Welke informatie kunt u delen over de Belgische logistieke steun? Worden er Belgische luchtafweersystemen of vliegtuigen in verhoogde staat van paraatheid gebracht naar aanleiding van de aanval? Gaat het enkel om drones of zijn er ook andere autonome of onbemande systemen gedetecteerd? Welke diplomatieke stappen neemt België in de EU en de NAVO naar aanleiding van het incident? Zal België zijn defensiebudget of de allocatie naar bepaalde budgetposten verhogen door het incident? Hoe ziet u de rol van België in toekomstige NAVO-operaties in die context? Welk lessons learned haalt u uit de gebeurtenissen?

Wat de drone cyber countermeasures betreft, tonen recente analyses over het conflict in Oekraïne aan dat elektronische oorlogsvoering doorslaggevend is geworden in de strijd tegen en ook met drones. Rusland zet een dicht tapijt van stoorzenders en spoofingcapaciteiten in, met systemen zoals de Pole-21, Krasukha-4 tot talrijke lichte C-UAS-middelen, om de navigatie, de datalink en de videotransmissie van UAV’s te verstoren.

Tegelijk passen beide partijen hun tactieken aan. Oekraïne test drones die beter bestand zijn tegen jamming, terwijl berichten wijzen op nieuwe Russische aanvalsdrones met verbeterde anti-jamming eigenschappen.

Ondertussen wordt in de Europese discussie over de zogenaamde dronemuur benadrukt dat sensoren, de EW-middelen en kinetische tegenmaatregelen geïntegreerd moeten worden. Dat alles maakt duidelijk dat we de cyber- en drone-innovatie moeten blijven volgen.

Welke actuele inschatting maakt defensie van de Russische EW-capaciteiten tegen de UAV's en van de inzet van drones met verhoogde weerstand tegen EW, zoals recent gerapporteerd? In welke mate beïnvloedt dat de effectiviteit van westerse en Oekraïense C-UAS-methoden?

Over welke organische middelen beschikt België vandaag voor detectie, geolocatie en neutralisatie van drones via EW? Welke hiaten zijn vastgesteld en wat is het tijdpad om die te dichten?

Welke maatregelen neemt Defensie om de veerkracht van eigen UAV's te verhogen in GPS-ontkende omgevingen? Worden de lessen uit Oekraïne, inclusief het probleem van friendly jamming , vertaald naar doctrine en training?

Hoe worden operatoren en commandanten opgeleid voor EW-gedreven C-UAS-operaties, de elektronische oorlogsvoering? Welke evaluatie-indicatoren of KPI’s hanteert Defensie om de effectiviteit van de EW-maatregelen tegen drones te meten?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, la Roumanie et la Pologne ont récemment été victimes d'intrusions de drones russes dans leurs espaces aériens respectifs. Ce vendredi, c'est l'Estonie et la Pologne qui ont subi des intrusions dans leur espace aérien par des avions de combat russes.

L'OTAN a réagi immédiatement en abattant certains drones russes au-dessus de la Pologne ou en interceptant les avions de combat russes. On peut être rassuré de cette capacité. Il est heureux aussi que les Alliés aient décidé de renforcer les capacités en Pologne avec la mise en place de l'opération "Eastern Sentry" après invocation de l'article 4 du traité de l'Atlantique Nord par ce pays.

Cependant, il est certainement nécessaire de réfléchir plus en profondeur sur notre capacité de dissuasion face aux actions de la Russie. Elle multiplie les provocations pour tester les réactions de l'OTAN. Comme le dit Rym Montaz de Carnegie à propos des interceptions des avions de combat russe, "la norme n'est pas que l'OTAN soit capable d'intercepter les avions russes, c'est que l'OTAN soit capable de dissuader la Russie d'envisager de violer l'espace aérien de l'OTAN, tout comme les pays de l'OTAN sont clairement très dissuadés de faire presque quoi que ce soit en public dans l'espace russe".

Monsieur le ministre, la Belgique compte-t-elle participer à un éventuel renforcement des capacités de l'OTAN dans les États baltes où elle a souvent assumé des missions de défense aérienne? L'OTAN envisage-t-elle une modification de sa posture et des règles d'engagement pour renforcer sa capacité de dissuasion? Quelle position la Belgique va-t-elle défendre?

Peter Buysrogge:

Collega's, ik zal mijn vragen stellen vanop de voorzittersstoel.

Mijnheer de minister, de collega's hebben al heel wat gedetailleerde vragen gesteld. Die van mij sluiten daarbij aan. Ik hoop antwoorden te kunnen verkrijgen.

Vorige week hebben we in de commissie voor Opvolging van de Miliaire Missies een vertrouwelijke briefing gekregen van Air Chief De Decker over de droneaanval in Polen. Het was een vertrouwelijke bespreking, en ik behoud de vertrouwelijkheid, voor alle duidelijkheid. Ik meen echter dat het duidelijk is voor iedereen, zowel voor wie het van dichtbij opvolgt als voor wie het in de media moet volgen, dat Rusland onze oostflank, maar bij uitbreiding eigenlijk heel het Westen, alle NAVO-landen, aan het uittesten is.

Ondertussen hebben we moeten vaststellen dat er bijkomend nog van alles gebeurd is, de jachtvliegtuigen boven Estland en noem maar op. Dat doet ons vragen stellen. Is de NAVO wel voldoende paraat? Is ons land wel voldoende paraat voor de aanvallen die op verschillende manieren plaatsvinden? Er zijn cyberaanvallen in binnen- en buitenland, er zijn dronezwermen in Oekraïne, maar blijkbaar sinds kort ook boven het NAVO-grondgebied. Er zijn MiG's die het luchtruim doorkruisen. Er zijn onderzeeërs en ander verdacht scheepvaartverkeer in onze zeeën. Er is toegenomen Russische activiteit in Afrika, zowel militair als paramilitair.

Ik meen, mijnheer de minister, dat u doet wat mogelijk is binnen het wettelijke en het materiële instrumentarium waarover u beschikt. U werkt aan de verdere uitbouw van extra budgetten voor Defensie. U werkt aan een goed sectoraal sociaal akkoord, waarover we zonet gedebatteerd hebben. U werkt aan extra personeel, om van Defensie opnieuw een aantrekkelijke werkgever te maken. Er wordt werk gemaakt van een strategische visie en van een militaire programmeringswet. Er wordt gewerkt aan nieuw en modern materieel om de strategische visie te kunnen uitvoeren en om de paraatheid op te schroeven.

Ik verwijs dan ook graag naar de drie gedetailleerde vragen die ik hierover ingediend heb. Welke stappen onderneemt u om de kwetsbaarheid van ons eigen luchtruim te verlagen? Hoe kijkt u naar de evolutie in Afrika? Wat kan daar onze bijdrage zijn? Welke mogelijkheden ziet u voor verdere troepenontplooiing en betere militaire veiligheid aan onze oostflank?

Theo Francken:

Schendingen van het NAVO-luchtruim door Russische vliegtuigen en drones zijn geen nieuw gegeven, maar de voorbije maanden lijken de frequentie en de driestheid sterk toe te nemen.

Vorige week hebben we achter gesloten deuren toelichting gekregen van de chef van onze luchtmacht, generaal De Decker, over de grote drone-incursie in Polen van twee weken geleden. Ik denk dat we allemaal kunnen beamen dat zijn uitleg verhelderend was en ik zal daar vandaag dus niet meer in detail op terugkomen.

Dit weekend was het weer prijs, toen drie Russische MiG-31-gevechtsvliegtuigen kilometers diep doordrongen boven de territoriale wateren van Estland. Eergisterenavond werd ook het vliegverkeer rond Kopenhagen stilgelegd, nadat daar een aantal drones werden opgemerkt. Vooralsnog is niet duidelijk wie er in Kopenhagen achter zat, maar het is duidelijk dat het NAVO-luchtruim de voorbije weken langs alle kanten wordt gecontesteerd.

Nous devons concrétiser, dès que possible, nos plans ambitieux visant à redonner à notre pays une capacité de défense aérienne à plusieurs niveaux afin que notre pays puisse non seulement défendre son propre territoire, mais aussi soutenir ses alliés de l’OTAN et de l’Union européenne, si des renforts s’avèrent nécessaires au-delà de nos frontières.

J’espère pouvoir vous présenter très prochainement l’avant-projet de loi sur la programmation militaire, qui figurera à l’agenda du Conseil des ministres de vendredi. L’objectif est de pouvoir entamer, dès le début de l’année prochaine, l’acquisition de systèmes de défense aérienne et de lutte contre les drones.

Les événements récents survenus en Pologne et dans certains États baltes ont évidemment conduit l’OTAN à réexaminer son dispositif de sécurité actuel et à étudier les moyens de le renforcer, tant en termes de ressources que de procédures.

Nos moyens restent limités. Nos quelques F-16 restant viennent à peine de rentrer de leur mission de sécurité au-dessus de l’Islande. Toutefois, nous examinons les possibilités et la manière avec laquelle nous pouvons également apporter un soutien indirect à l’opération "Eastern Sentry", par exemple en mettant à disposition des avions supplémentaires.

Rusland test ons echter niet alleen in de lucht, ook op zee daagt het ons steeds meer uit. Ik verwijs hierbij naar het uitgebreid verslag dat u vorige week van admiraal Botman kreeg achter gesloten deuren. Onze marine heeft dringend nood aan bijkomende middelen als we willen weten wat er in onze eigen wateren speelt. Ook voor deze capaciteiten hoop ik dat de vernieuwde wet op de militaire programmering op korte termijn een betere inlichtingenvergaring zal toelaten.

Dat alles mag ons echter niet uit het oog doen verliezen dat Rusland ook elders in de wereld troepen opbouwt. Dit gebeurt ook op plaatsen van waaruit het onze Europese belangen direct of indirect kan bedreigen. De Wagnertroepen hebben ondertussen plaats geruimd voor het Russische Afrikakorps, dat zich met duizenden over een aantal landen in Afrika verspreidt, inclusief het nieuwste materieel. In Libië alleen al is er sprake van een tiental Russische basissen. Ik deel de bezorgdheden van collega’s Weydts en Buysrogge wanneer zij waarschuwen voor de groeiende Russische aanwezigheid op het Afrikaanse continent. Het gaat hierbij niet alleen om invloed, maar zeker ook om toegang tot natuurlijke rijkdommen. De val van het Assadregime in Syrië heeft de strategische waarde van Libië voor Rusland vergroot als uitvalsbasis en aanvoerlijn voor hun activiteiten in heel Afrika en op de Middellandse Zee. Het is dan ook geen verrassing dat Moskou militaire steun verleent in ruil voor toegang tot havens en basissen.

Verontrustender is dat Rusland de banden met Syrië opnieuw aanhaalt om zijn militaire aanwezigheid in het land te herstellen. Op lange termijn zou dit de Russische invloed in de regio aanzienlijk kunnen versterken.

De dreiging die uitgaat van Rusland op onze zuidflank zou gevoelig kunnen stijgen als de Russisch-Oekraïense oorlog ten einde komt. Een instroom van duizenden Russische Oekraïneveteranen in private milities kan de machtsbasis op het terrein wijzigen en zal vermoedelijk impact hebben op onze veiligheid en op migratiestromen. Het mag duidelijk zijn dat we nog lang zullen worden geconfronteerd met de gevolgen van de Russische expansiedrift, ook na een eventueel staakt-het-vuren of vredesakkoord in Oekraïne.

Het komt er dus op aan om op Europees niveau zo snel mogelijk een passend antwoord te kunnen bieden op de hybride oorlogsdreiging die uitgaat van het Russische regime. Met de onlangs goedgekeurde strategische visie, en waarvan het investeringsdeel binnenkort wordt vertaald in een aangepaste wet op de militaire programmering, kunnen we dit Europese antwoord mee uitbouwen.

Heel concreet, de zuidflank wordt niet vergeten, zeker niet door mij. Er werd daarover inderdaad niet gesproken in Den Haag, omdat men maximaal focust op de oostgrens. Dat is een politieke keuze. Het is echter niet zo dat er in de NAVO nooit over het zuiden wordt gesproken. Dat is wel degelijk een belangrijk aandachtspunt. De strijd tegen terrorisme blijft trouwens een van de prioriteiten van het NAVO-bondgenootschap.

Wij zien wel een toenemende machtsontplooiing in Afrika, met name van China en zeker ook van Rusland. Europa kan daar weinig tegenover zetten. Uit veel theaters zijn wij bijna verdwenen. Onze Belgische troepen zijn in West-Afrika enkel nog in Benin gestationeerd. Het operationeel plan 2026 is in opmaak. Ik heb dat teruggestuurd naar de staf met enkele opmerkingen. Naar mijn oordeel moeten wij onze militaire aanwezigheid in Benin opnieuw versterken. Dat is nog niet goedgekeurd door de regering. Die goedkeuring moet nog komen. Daarover moeten nog politieke keuzes worden gemaakt.

Wij zijn West-Afrika grotendeels kwijt. Wij zijn weg uit Mali, Niger en Burkina Faso. Benin is voorlopig het laatste stronghold . Wij moeten weten wat wij willen: ofwel zetten wij er echt op in en dan doen wij meer ofwel laten wij het zoals het is. In dat geval zal er over enkele jaren een coup komen en wordt er een pro-Russisch regime geïnstalleerd dat door Afrikaanse strijdkrachten wordt verdedigd.

Dat is misschien geen onderwerp voor de huidige commissievergadering, maar het is wel een van de belangrijkste discussies die wij hier in de Kamer moeten voeren. Welke keuzes maken wij in het operationeel plan? Voor mij is het verliezen van Afrika, in het bijzonder West-Afrika, absoluut geen optie. Daarbij speelt ook de migratiedruk op ons continent een rol.

Ten tweede, inzake de artikel 4-procedure kreeg ik deze ochtend nog een briefing van ambassadeur Petridis op het kabinet. Wij willen extra steun geven aan de operatie Eastern Sentry. De Belgische Defensie heeft daartoe een concreet aanbod gedaan, waarop ik niet nader kan ingaan. Wij willen extra steun geven aan Eastern Sentry. Wij zullen ook extra capaciteit leveren voor de oostgrens in de komende dagen.

Ik kom nu bij de drones. Stel dat er morgen op Zaventem iets gebeurt zoals in Kopenhagen. Hoe reageren wij dan? Die vraag is niet evident te beantwoorden. Als het om laagvliegende drones gaat, bestaan er middelen waarmee politie of defensie aan de slag kan. Een en ander is momenteel vooral een politietaak in het kader van de binnenlandse veiligheid, maar zoals vaker kan die taak op termijn ook bij defensie komen te liggen.

Wij hebben bepaalde antidronecapaciteiten. Wij beschikken over zogenaamde shotgunsystemen en dronevangers met netten. Het gebruik van kogels of hagel vereist echter grote voorzichtigheid in de nabijheid van een luchthaven. Het verdedigen van een luchthaven blijft in die zin altijd moeilijk.

De bewuste drones vlogen niet laag maar relatief hoog. Daarvoor zijn andere instrumenten nodig. Wij spreken dan over grotere luchtverdedigingscapaciteiten, zoals NASAMS. Die systemen hebben wij momenteel niet. Eerdere regeringen kozen er niet voor om in die vorm van luchtverdediging te investeren. Dat moeten wij nu uitzweten. Ik voer onderhandelingen met Nederland om bij het NASAMS-contract van Nederland aan te sluiten, zodat wij onze NASAMS zo snel mogelijk kunnen krijgen. Tot nog toe beschikken wij daar echter niet over.

U hebt het daarnaast ook over andere aspecten zoals grotere capaciteiten. Antidronetechnologie is niet zo evident, ook niet om de drones te detecteren trouwens. Goede detectie moeten we prioritair uitbouwen. Daar wordt actief aan gewerkt via concrete werkgroepen die daar volop mee bezig zijn. Ik kan echter niet garanderen dat als morgen bijvoorbeeld een huurling van de Russen of wie dan ook met vier grote drones boven Zaventem vliegt, we die alle vier meteen uit de lucht kunnen halen. Het gebruik van wapens boven een luchthaven is riskant. Elke kogel die wordt afgevuurd, komt neer. Wanneer die neerkomt op een grote Boeing van bijvoorbeeld Emirates, ontstaan verzekeringskwesties en bijkomende kosten. Men moet daarom goed nadenken over wat men doet.

De idee dat het luchtverkeer niet mag worden stilgelegd, is absurd. In geval van een bedreiging moet het luchtverkeer natuurlijk onmiddellijk worden stopgezet. Het incident in Kopenhagen wordt nu volop onderzocht, maar de gevolgde procedure lijkt me vrij standaard. We hebben de laatste dagen veel reacties gehoord waarbij wordt gesuggereerd om die drones gewoon uit de lucht te schieten, maar die hangen wel boven een luchthaven. Daar bevinden zich duizenden burgers en veel duur materiaal. Ook bij jamming wordt de hele burgerluchtvaart gejamd. Men moet dus goed nadenken over de gevolgen bij een dergelijk incident. Dat dergelijke acties op die specifieke locaties plaatsvinden, is geen toeval. Het is belangrijk om de gevolgen van agressief ingrijpen goed in overweging te nemen.

Met betrekking tot de incursies en de andere gebeurtenissen in Estland, geldt dat de NAVO een defensieve alliantie is. Wij zijn geen offensieve alliantie. Sommige collega’s zeggen vrij agressief dat men die gewoon uit de lucht moet halen. Het is belangrijk dat de standaardregels worden gevolgd. Wanneer een intrusie wordt waargenomen, wordt er gescrambled en stijgen er F-16’s, F-35’s, Rafales en Eurofighters op om de toestellen te begeleiden en terug te dringen naar de internationale zone, weg van het territorium van het land. Die procedures zijn gevolgd. Wij doen dat elke keer en ook wij hebben daaraan deelgenomen.

Wat betreft de idee om die even uit de lucht te halen, een dergelijke beslissing wordt genomen door het NAVO-commando wanneer de zaak in NAVO-handen ligt. Als dat niet in NAVO-handen ligt, dan ligt het in nationale handen. Polen bijvoorbeeld heeft nog een eigen autoriteit. België beschikt daar niet over, bij ons is het luchtruim allemaal NAVO-gecoördineerd. Hetzelfde geldt voor de Baltische staten, want die hebben geen luchtmacht of toch geen luchtgevechtscapaciteit en in Luxemburg is het eveneens NAVO-gecoördineerd. Polen zou dus zelf kunnen beslissen om in te grijpen, zonder het NAVO-commando om bepaalde acties te ondernemen. Dat is wat de secretaris-generaal gisteren heeft gezegd: aanmanen tot kalmte, rustig blijven, goed nadenken over de eventuele gevolgen, zonder over te komen als laf of zwak. Dat is het evenwicht dat men moet zoeken: wel duidelijke show of force , duidelijk zijn, regels volgen. Roepen dat we al die vliegtuigen uit de lucht gaan halen, daar moet men toch twee keer over nadenken voordat men dat zomaar doet.

Dat betekent niet dat Rusland vrij spel heeft. De vraag is of er een imminente dreiging is voor de bevolking. Bijvoorbeeld in Estland, die Russische MiGs, die vlogen boven de zee, dat waren intrusies, maar niet met een directe, imminente dreiging voor Estland of de bevolking van Estland. Indien dat wel het geval zou zijn, dan verandert alles en zou men er perfect toe kunnen overgaan, volgens alle regels, om zo’n vliegtuigen uit de lucht te halen. Dan zou men dat ook kunnen. Onze F-35 zien de MiGs dan niet; die zullen niet weten wat er gebeurt en zullen het niet zien aankomen.

De luchtverdediging werkt dus, de procedures werken, maar men moet oppassen met uitspraken als ‘we gaan ze allemaal uit de lucht schieten, en de volgende schieten we af’. Rustig blijven is belangrijk, men mag zich niet laten uitdagen door de Russische agressie. Dit is een defensieve alliantie, maar men moet beseffen dat indien men effectief gewapend afstevent op de hoofdstad van een Baltische staat, men die dreiging ook zou uitschakelen. Daarvoor zijn alle capaciteiten aanwezig. Dat scenario heeft zich op dat moment niet voorgedaan. Wanneer zich een dergelijke situatie voordoet, zal men ingrijpen; dat is ook bewezen in Estland, waar men er direct naast vloog. Het gezond verstand gebruiken is meestal het beste.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, we moeten het hoofd inderdaad koel houden. De NAVO heeft dat gedaan en zeer verstandig gereageerd. In Polen dreigden de drones op een bepaald moment in bewoond gebied terecht te komen, waarna er werd ingegrepen. Bij het incident in Estland was er geen onmiddellijke dreiging voor onze bevolking. De reactie van de NAVO lijkt mij dus correct te zijn. Ik beklemtoon nogmaals dat de NAVO een defensief genootschap is, in tegenstelling tot wat de communisten altijd beweren. De NAVO zorgt ervoor dat we veilig kunnen leven in Europa en wil dat zo houden door een defensieve houding aan te nemen ten opzichte van Rusland, dat de defensieve capaciteiten van en de eensgezindheid bij de NAVO test. Ik hoop net zoals u dat men het hoofd koel houdt; dat neemt niet weg dat we ons moeten voorbereiden en verdere stappen ondernemen om paraat te staan.

Ik ben ervan overtuigd dat de commandostructuren goed functioneren en dat de nodige capaciteiten beschikbaar zijn om intrusieve Russische vliegtuigen neer te halen. De air chief heeft de werking in een geheime vergadering ook duidelijk toegelicht. Men is echter nog niet helemaal voorbereid op drones. Vooruit geeft u daarom de absolute steun om te blijven investeren om van luchtafweer, wat door verschillende regeringen lange tijd werd verwaarloosd, een absolute prioriteit te maken.

Kjell Vander Elst:

Ik ben het volledig met u eens dat de NAVO de afgelopen weken verstandig heeft gereageerd. Dat zal ook cruciaal zijn de komende maanden, jaren, misschien zelfs decennia. We mogen ons immers niet uit elkaar laten spelen.

Het is ook net dit wat Rusland aan het testen is: hoe sterk hangen de NAVO-bondgenoten aan elkaar. Het is dus cruciaal dat het bondgenootschap in de NAVO en in de Europese Unie overeind blijft en dat de lidstaten samen reageren, zodat er geen speld tussen te krijgen is. Poetin immers op zoek naar verschilpunten, naar barstjes in ons pantser. Dat mogen we absoluut niet toelaten.

Ik hoop dan ook dat de onnozele uitspraken van bepaalde partijen, bijvoorbeeld dat investeren in defensie gelijkstaat aan investeren in oorlog, dringend stoppen. Dergelijke holle slogans zijn puur fake news. Ook de bewering dat het NAVO-partnerschap enkel en alleen bestaat om Trump te pleasen, is fake news. Zulke uitspraken halen heel het draagvlak voor defensie en veiligheid onderuit. Ik hoop dat dat snel kan ophouden. Investeren in defensie betekent investeren in veiligheid en vrijheid. Daarvan moeten we blijven uitgaan. Wij moeten daarin blijven investeren.

Het is immers essentieel dat België als kleine natie in een groot partnerschap zijn rol speelt. We moeten ervoor zorgen dat het NAVO-bondgenootschap blijft bestaan en sterk verbonden blijft, om niet alleen het Russische gevaar maar ook andere dreigingen van buiten Europa buiten te houden.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw omstandig antwoord.

U had het over extra steun aan Eastern Sentry en suste dat de aandacht voor Afrika ook behouden blijft. We zullen binnenkort zien welke concrete stappen worden genomen. Het is logisch dat we die focus blijven behouden, zowel op de oostflank als op de zuidflank, omdat dat nu eenmaal noodzakelijk is.

U had het over de frequentie en de toenemende driestheid van de aanvallen en observatieopdrachten door onder meer Rusland tegen onze contreien. Wij moeten dus inderdaad nog meer dan anders waakzaam en alert zijn. Tegelijkertijd bevestigt u dat de rust en kalmte bewaard blijven en dat het gezond verstand blijft regeren.

De bevolking lijkt niet altijd even goed op de hoogte van de hybride dreiging waarmee we te maken hebben. In ieder geval moet er een evenwichtig antwoord op de dreiging komen, zonder dat men paniek zaait. Daar moeten we te allen tijde waakzaam voor zijn.

Tot slot, gisteren kregen we de gelegenheid en het geluk om de eerste SkyGuardian op de luchtmachtbasis in Florennes te verwelkomen. Investeren in drones en counter-drone measures is op het moment cruciaal. Daar ligt de toekomst van zowel observatie als oorlogsvoering.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous rejoins tout à fait. Vous avez tout à fait raison; nous devons garder notre calme. Et il est clair que l'OTAN a toujours été bien présente pour toutes les missions de détournement, d'accompagnement en cas d'invasions, en tout cas au-dessus de notre territoire et dans l'espace aérien protégé.

J'ai eu l'occasion d'aller en Lituanie, voici quelques années, me rendre compte sur place de la mission qu'exerçaient nos militaires, notamment des militaires florennois, au niveau de la gestion des Quick Reaction Alert (QRA). Déjà à l'époque, des intrusions dans l'espace aérien avaient régulièrement lieu.

Aujourd'hui, on constate que la Russie va de plus en plus loin et essaie toujours d'aller au-delà de ses limites. Encore une fois, il faut bien sûr rester calme. Mais on entend aussi le président Trump et le ministre des Affaires étrangères polonais dire que les règles pourraient changer. Espérons évidemment qu'on n'en arrive pas là.

J'insiste à nouveau sur le fait que je vous rejoins tout à fait. Nous devons impérativement garder notre calme pour pouvoir faire face à toutes ces menaces. Je vous remercie.

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, alle sprekers spraken hun steun uit voor uw beleid en voor de houding van u en bij uitbreiding de NAVO en het Westen. De wereld slaat stilaan door. Iedereen om ons heen verliest de kalmte, maar het is van belang dat wij en bij uitbreiding het Westen en de NAVO het hoofd koel houden. We mogen niet naïef zijn, we moeten assertief zijn, we moeten afschrikkend werken, maar tegelijkertijd ook kalm blijven. Ik ben ook blij te horen dat Afrika hoog op de agenda staat. Dat continent raakt misschien de jongste tijd wat ondergesneeuwd in het nieuws, maar het is van belang dat we onze ogen en oren open houden. U had daar in uw vorige functie veel aandacht voor. Het is van belang dat het thema hoog op de agenda blijft staan, hoe moeilijk de situatie daar ook mag zijn. Ik noteer tevens dat de militaire programmeringswet komende vrijdag aan de regering wordt voorgelegd. Het betreft een digitale procedure en ik hoop dat ze wordt goedgekeurd. Ik wens u alleszins veel succes en hoop dat we op korte termijn, na goedkeuring en indiening hier in het Parlement, met u daarover voort in dialoog kunnen gaan. Het is immers van belang om niet alleen te investeren in materieel, maar ook in personeel, zodat we voorbereid zijn op alle uitdagingen, die op de plank liggen.

Het risico op een datalek bij een bevolkingsonderzoek

Gesteld door

VB Dieter Keuten

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 24 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een datalek zoals in Nederland (850.000 slachtoffers, medische gegevens gestolen) kan ook in België gebeuren, maar de AVG verplicht melding binnen 72 uur en sancties bij nalatigheid, aldus minister Matz. Zij benadrukt versterkte cyberveiligheid, evaluatie van de privacywet (2018) en transparantie om burgersvertrouwen te waarborgen, maar Keuten vreest toename schadeclaims door identiteitsdiefstal en te late meldingen. Beiden wijzen op nodige aanscherping van regels en handhaving, met name voor externe organisaties die bevolkingsonderzoeken uitvoeren.

Dieter Keuten:

Mevrouw de minister, in Nederland was er een datalek bij een laboratorium dat verantwoordelijk is voor een bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Zeer gevoelige persoonsgegevens, in casu medische gegevens, namen, adressen, testuitslagen van deelnemers en zelfs rijksregisternummers werden gestolen. De gestolen gegevens maken diverse vormen van misbruik door hackers mogelijk. Ongeveer 850.000 Nederlanders werden getroffen en inmiddels hebben 68.000 vrouwen zich gemeld voor een gezamenlijke schadeclaim. Niet alleen doet die zaak de wenkbrauwen fronsen; ze wekt ook de vrees voor een herhaling ervan in België.

Mevrouw de minister, kan zo'n datalek ook in België gebeuren? Welke garanties bieden Belgische overheidsdiensten onze burgers in verband met de opslag van hun persoonlijke gegevens? Welke beveiligingsmaatregelen gelden ten opzichte van externe organisaties die bijvoorbeeld bevolkingsonderzoeken organiseren? Hebt u hierover overleg gehad met bijvoorbeeld de data protection officer van het Belgische federale e-Healthplatform?

Vanessa Matz:

Mijnheer Keuten, het recent datalek in Nederland toont opnieuw aan dat de bescherming van persoonlijke gegevens een grote uitdaging blijft. Het gaat niet alleen om de privacy van burgers, maar ook om hun vertrouwen in onze instellingen. Elke nalatigheid is onaanvaardbaar. In België geldt een sterk wettelijk kader. De AVG verplicht organisaties om gegevens te beveiligen. Een datalek moet binnen 72 uur worden gemeld aan de Gegevensbeschermingsautoriteit en de betrokkenen moeten geïnformeerd worden, indien er sprake is van een risico. De GBA ziet hierop toe en kan sancties opleggen.

Het incident toont aan dat cyberveiligheid geen luxe is, maar een noodzaak. Zowel de overheid als de betrokken organisaties moeten hun praktijken versterken. Ik heb de administratie opgedragen de privacywetgeving te evalueren en, indien nodig, in overleg met de sectoren aan te passen.

Het vertrouwen van de burgers blijft mijn prioriteit. Dat vereist zorgvuldigheid, transparantie en blijvende waakzaamheid.

Dieter Keuten:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Het gaat inderdaad over de bescherming van de privacy en het vertrouwen in de instellingen. Maar het gaat ook over schade. We zijn daarom erg benieuwd naar de schadeclaims in Nederland. In ons land zijn nog niet veel cases van schadeclaims bekend, maar ik vrees dat die er wel zullen komen, als er aan het huidige tempo data worden gelekt. Persoonsgegevens worden op allerlei manieren gestolen en vervolgens wordt het door identiteitsdiefstal heel gemakkelijk om mensen op te lichten. Dat blijft dus een belangrijk aandachtspunt. Ik heb ook goed genoteerd dat een lek binnen 72 uur bij de GBA gemeld moet worden. Dat komt in mijn volgende vraag ook terug. Ik vrees dat dat in veel gevallen niet binnen die korte termijn gebeurt. Ten slotte kijk ik samen met u uit naar de voorgestelde aanpassingen van de privacywet, die van 2018 dateert, als ik mij niet vergis. De vorige directie van de GBA gaf in april al aan dat de privacywet een evaluatie en aanscherping verdient. Ik hoop dat u daar snel werk van maakt.

De vraag om onderzoek naar het raadplegen van digitale gezondheidsportalen

Gesteld door

Open Vld Irina De Knop

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat digitale inclusie in gezondheidszorg prioriteit heeft via bestaande initiatieven zoals *mijngezondheid.be* (11,5 miljoen jaarlijkse bezoeken) en het protocolakkoord van 2023, maar plandt geen extra onderzoek naar reële data-analyse (zoals inlogfrequenties gekoppeld aan socio-demografische gegevens) zoals het Observatorium Chronische Ziekten voorstelt. Hij verwijst naar bestaande bronnen zoals de *Barometer Digitale Inclusie*, zonder concrete toezegging voor aanvullend onderzoek.

Irina De Knop:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Het Observatorium Chronische Ziekten pleitte in haar advies van 1 juli 2025 ervoor dat, naast barometers gebaseerd op enquêtes en steekproeven, ook publiek toegankelijk onderzoek wordt uitgevoerd naar het raadplegen van digitale gezondheidsportalen. Dit onderzoek zou moeten steunen op reële data (vanzelfsprekend geanonimiseerd) zoals inlogfrequentie en het raadplegen van persoonlijke gezondheidsinformatie, gecombineerd met gegevens over leeftijd, sociaaleconomische status en gezondheidsstatus. Dergelijk onderzoek is volgens het Observatorium cruciaal om digitale ongelijkheden4 te identificeren en te begrijpen welke groepen mogelijk worden uitgesloten, zodat gerichte interventies kunnen worden ontwikkeld om deze ongelijkheden te verminderen.

Graag vernam ik van de minister:

Zal de minister gevolg geven aan de vraag van het Observatorium Chronische Ziekten?

Zo ja, wanneer wil hij dat onderzoek laten plaatsvinden?

Zo niet, waarom niet?

Frank Vandenbroucke:

Digitale inclusie is inderdaad zeer belangrijk, vooral wanneer het toegang betreft tot gezondheidsinformatie en -diensten. Daarom schenkt het protocolakkoord tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten van 28 juni 2023 inzake het optimaal elektronisch uitwisselen en delen van informatie en gegevens tussen actoren bevoegd in de gezondheids- en welzijnssector inzake bijstand van personen, daar bijzondere aandacht aan. Bij elk initiatief op het vlak van e-gezondheid wordt het aspect digitale inclusie in acht genomen. Daarbij wordt rekening gehouden met inzichten en aanbevelingen uit relevante onderzoeken, zoals de Barometer Digitale Inclusie van de Koning Boudewijnstichting.

Het portaal mijngezondheid.be is inmiddels uitgegroeid tot een digitale plaats waar burgers op een geïntegreerde en gebruiksvriendelijke manier toegang hebben tot hun gezondheidsgegevens, zodat er niet moet worden gezocht in meerdere gezondheidsportalen. Statistieken over het gebruik van mijngezondheid.be tonen een stijgende lijn, met inmiddels ongeveer 11,5 miljoen bezoeken per jaar. Deze gegevens vormen een nuttige informatiebron om te verzekeren dat alle burgers vlot toegang hebben tot hun gezondheids- en welzijnsgegevens.

Irina De Knop:

Mijn tweede vraag was of u zelf nog bijkomend onderzoek zult organiseren naar aanleiding van dit advies. Zult u dat doen? Als dat niet het geval is, waarom niet?

Frank Vandenbroucke:

Ik kan mij vergissen, maar ik heb dat niet zo voor ogen op dit moment. Voorzitster: Ludivine Dedonder. Présidente: Ludivine Dedonder.

Het artikel in Knack over de onterechte opsluiting van buitenlandse studenten door de DVZ

Gesteld door

PVDA Greet Daems

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt ontkent dat buitenlandse studenten met geldig visum *onterecht* worden opgesloten, benadrukkend dat grenscontroles en terugdrijvingsbeslissingen gebaseerd zijn op individuele dossiers en wettelijke termijnen—met beroepsmogelijkheden bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Daems wijst op concrete getuigenissen, een veroordeling van de Belgische Staat door de rechtbank, en eist structurele oplossingen om traumatiserende foutieve opsluitingen van studenten *met correcte papieren* te stoppen, zonder dat de minister de systeemfouten erkent of herstelmaatregelen aankondigt.

Greet Daems:

Mevrouw de minister, deze vraag is al geruime tijd hangende. In juni verscheen een artikel in Knack over de onterechte opsluiting van buitenlandse studenten in België. Knack sprak met zeven buitenlandse studenten die onterecht vastgehouden werden, van wie zes in de afgelopen twee jaar. Zij beschikten allen over een visum, maar werden bij aankomst toch opgesloten in een gesloten centrum.

In 2023 veroordeelde de Brusselse rechtbank van eerste aanleg de Belgische Staat wegens de onrechtmatige opsluiting van een Marokkaanse student. Volgens die rechtbank gaf de DVZ een algemene, stereotiepe motivering voor de opsluiting, zonder gedetailleerd onderzoek op individueel niveau.

Mevrouw de minister, in het kader van het artikel werd ook naar uw reactie gevraagd, maar ik las dat u niet wenste te reageren.

Daarom is mijn eerste vraag wat uw reactie is op de onterechte opsluiting van studenten. Hebt u al contact gehad met de DVZ daarover? Wat zult u doen om te vermijden dat dergelijke onterechte opsluitingen opnieuw plaatsvinden? Waarom wordt een ingrijpende beslissing tot opsluiting voor onbepaalde duur door de DVZ genomen en niet door een rechter? Hoe wordt de geldigheid van het politieverhoor en van de beslissingen van de DVZ gecontroleerd? Is een tolk verplicht bij het verhoor en wordt die altijd voorzien? Waarom houdt de DVZ mensen opgesloten, ook al weet men dat het onterecht is? Waarom voorziet de wet niet in een automatische schadeloosstelling wanneer wordt aangetoond dat de aanhoudingen ongerechtvaardigd waren?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Daems, ik dank u voor uw vraag.

Het gaat niet om onterechte vasthoudingen zoals u stelt. Een geldig visum geeft niet automatisch recht op toegang tot het grondgebied. De grenscontroleur onderzoekt of een vreemdeling aan de binnenkomstvoorwaarden voldoet. Indien dat niet het geval is, moet België – wil het aan zijn internationale verplichtingen voldoen – een beslissing tot terugdrijving nemen. In dat geval wordt de vreemdeling bevraagd, indien nodig met een tolk, en wordt een beslissing genomen op basis van alle elementen in het dossier.

De vreemdeling wordt dan vastgehouden krachtens artikel 74/5 van de Vreemdelingenwet om de terugdrijving te kunnen uitvoeren. Die vasthouding is niet voor onbepaalde duur, zoals u stelt. De vasthoudingstermijn is wettelijk bepaald. De vasthouding kan worden beëindigd door gevolg te geven aan de verwijderingsbeslissing.

Elke vasthoudingsbeslissing wordt in feiten en in rechten gemotiveerd door de DVZ. Zowel de beslissing tot terugdrijving als de beslissing tot annulering of intrekking van het visum is vatbaar voor een verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Tegen de beslissing tot vasthouding kan een beroep worden ingediend bij de raadkamer en in tweede instantie bij de kamer van inbeschuldigingstelling.

Een schadeloosstelling is niet aan de orde. Het feit dat personen uiteindelijk worden vrijgesteld, heeft niet te maken met de correctheid van de beslissing die door de DVZ werd genomen, maar wel met het feit dat na het nemen van de beslissing nieuwe elementen aan het licht zijn gekomen en dat de DVZ daarmee rekening heeft gehouden in een latere afweging.

Greet Daems:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik vraag mij nog altijd af of u het artikel wel hebt gelezen. Er staan in het artikel immers wel degelijk getuigenissen van mensen die de juiste visa en de juiste documenten hadden. Zulke mensen mogen toch niet worden opgesloten? Dat spreekt voor zich. De DVZ heeft ter zake dus wel degelijk fouten gemaakt in de dossiers. De Belgische Staat is ook veroordeeld. Dat wordt bevestigd door de rechtbank. Het is uw taak om die problemen aan te pakken, zodat ze niet meer voorvallen. Een opsluiting voor studenten is enorm traumatiserend. Zij hebben niks verkeerd gedaan. Dat moet te allen tijde worden vermeden.

Het onderzoek naar corruptie in de gevangenis van Haren
Drugs in de gevangenis van Haren en de bedreiging van het personeel
Het onderzoek naar corruptie in de gevangenis van Haren
De grootschalige gerechtelijke operatie in Haren
De personeelsformatie van de gevangenis van Haren en de veiligheid in die strafinrichting
Het onderzoek naar corruptie in de gevangenis van Haren
Corruptie, drugs en veiligheidsproblemen in de gevangenis van Haren

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De grootschalige corruptieoperatie in gevangenis Haren (12 arrestaties, waaronder cipiers en gedetineerden) onthult diepgewortelde drugs- en intimidatieproblemen, waarbij criminelen via druk op personeel en gedetineerden met uitgaansvergunning illegale netwerken binnen de gevangenis bestendigen. Minister Verlinden kondigt verstrengde maatregelen aan: verplichte drugstesten, dronedetectie, anonieme meldpunten, isolatieregimes voor zware criminelen, versterkte screening bij aanwerving en weerbaarheidstrainingen, maar parlementsleden benadrukken dat praktische uitvoering en bescherming van personeel (anonimiteit, psychologische ondersteuning) dringend moeten verbeteren om vertrouwen in het systeem te herstellen. Overbevolking, onderbezetting en externe dreigingen (brandstichting, agressie) verergeren de crisis, terwijl samenwerking met politie en justitie cruciaal is—met Nederland en Frankrijk als voorbeeld voor strengere controles. Critici vrezen dat corruptie en drugshandel zich naar andere gevangenissen verspreiden en dat reïntegratie en werving van personeel in gevaar komen zonder structurele, snelle oplossingen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, in de gevangenis van Haren heeft een grootschalige gerechtelijke operatie plaatsgevonden in het kader van een corruptieonderzoek. Volgens de media – u zult daarover meer toelichting geven – zijn er in totaal 12 mensen opgepakt. Volgens bepaalde bronnen gaat het om onder meer cipiers en andere personeelsleden, maar ook om gedetineerden die hun criminele activiteiten vanuit de gevangenis voortzetten.

Kunt u meer toelichting geven over die grootschalige gerechtelijke operatie? Kunt u de informatie uit de media bevestigen, met name dat het onderzoek zowel gericht zou zijn tegen cipiers en personeelsleden van de gevangenis als tegen gedetineerden? Heeft de gerechtelijke operatie een impact op de gevangenisorganisatie en hoe wordt dat desgevallend opgevangen? Tot slot, hebt u kennis, mevrouw de minister, van andere gevallen van corruptie in andere gevangenissen?

Stefaan Van Hecke:

Ik wil het iets ruimer bekijken. We hebben in de pers gelezen dat penitentiaire bewakingsassistenten, die zelf betrokken zouden zijn bij het binnenbrengen van drugs, het voorwerp zouden zijn van een onderzoek. Ik denk dat we ook naar de bredere aanpak moeten kijken.

Hoe pakken we dat aan? We weten namelijk ook dat er vanuit het criminele milieu soms zware druk wordt uitgeoefend op penitentiaire bewakingsassistenten. Er zijn voorbeelden van wagens die op de oprit in brand worden gestoken. De criminelen weten vaak waar de cipiers wonen. Ze zetten hem of haar, of de familie, onder druk om bepaalde zaken geregeld te krijgen. Hetzelfde geldt voor medegedetineerden die bijvoorbeeld een uitgaansvergunning hebben. Gedetineerden oefenen vaak heel zware druk uit op hun medegedetineerden die naar buiten kunnen. Zij worden onder druk gezet om drugs binnen te smokkelen. Men heeft schrik, want het gaat vaak om zeer zware criminelen. Die druk geldt voor de gedetineerden zelf en voor hun families.

Natuurlijk kunnen we zeggen – dat is een debat voor 1 oktober – dat er aan het einde van de rit een drugtest wordt uitgevoerd. Het probleem in se is echter de vraag hoe die drugs binnenkomen en welke criminele organisatie druk uitoefent op wie om wat te doen.

Beleidsmatig is dat volgens mij een belangrijk punt, waaraan we aandacht moeten besteden. Hoe beschermen we de penitentiair beambten? Kunnen we dat effectief doen? Er zijn er misschien die het gewoon voor het geld doen, maar er is ook het element van druk op personeel en op medegedetineerden.

Mijn vragen gaan daarover. Welke acties worden ondernomen en op welke manier kunnen we dat beter aanpakken? Hoe worden meldingen van bedreigingen of druk opgevolgd? Hebt u weet van druk op gedetineerden met een uitgaansvergunning? Zijn daar meldingen van en hoe wordt dat aangepakt? Met andere woorden, hoe pakt u dat breder aan, gelet op wat er in de actualiteit is verschenen?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, de feiten zijn door collega Dillen al geschetst. Wat in Haren gebeurd is, de politieactie en de arrestaties, toont opnieuw aan hoe groot de uitdagingen zijn voor ons gevangeniswezen. Ik ben daar toch wel bezorgd over. Waarom? Omdat het nu net Haren betreft. Dat is een nieuwe, moderne instelling, die symbool zou moeten staan voor een veiligere en professionelere detentieomgeving. Zoals collega Van Hecke net zei, zullen penitentiair beambten misschien af en toe verleid worden, niet op een romantische, maar op een verkeerde manier. Ik denk dat ze ook vaak onder druk worden gezet door gedetineerden of door hun entourage. We weten allemaal uit eerdere feiten dat ook hun familieleden soms geviseerd worden.

Zoals collega Van Hecke zei, worden ook gedetineerden met een uitgaansvergunning soms onder druk gezet om nadien een en ander de gevangenis weer binnen te smokkelen. Al die feiten hebben we intussen al vaak gehoord. Ik denk dat dat, mevrouw de minister, het vertrouwen in het gevangeniswezen echt ondermijnt. Een grondige aanpak is volgens mij heel erg nodig. Veiligheid in en rond de gevangenissen is een noodzakelijke randvoorwaarde voor de veiligheid van onze samenleving in haar geheel. Ik heb in dat verband enkele vragen voor u.

Hoe worden de penitentiair beambten vandaag eigenlijk gescreend bij hun aanwerving? We weten dat het, zo heb ik destijds nog aangekaart, in Haren al eens te snel moest gaan. Heeft dat een impact?

Eens ze aan de slag zijn, mevrouw de minister, welke integriteits- en weerbaarheidsmodules zitten er in hun opleiding? Hoe kunnen ze gewapend worden tegen verleiding, druk en intimidatie?

Kunnen we in meldpunten en steunmechanismen voorzien voor personeel dat wordt geconfronteerd met bedreigingen? Wordt dat opgevolgd? Hebt u signalen dat er gedetineerden zijn waarop druk is uitgeoefend wanneer zij penitentiair verlof of uitgaansvergunningen kregen? Welke maatregelen zult u op korte termijn nemen om de instroom van drugs in de gevangenissen tegen te gaan en de problematiek in brede zin aan te pakken?

Tot slot, mevrouw de minister, in Nederland heeft men een verstrengd veiligheidsregime voor de zwaarste drugscriminelen. Zouden we dat ook kunnen overwegen? Is daar een wetgevend initiatief voor mogelijk? Moeten we dat dan niet grondig bekijken?

Alain Yzermans:

Mijn vragen liggen in dezelfde lijn, maar ik wil het nog even benaderen vanuit een algemene filosofie, zoals de heer Van Hecke daarnet deed. Aan de ene kant is het een slag in het gezicht van de goed werkende ambtenaren, de goed werkende cipiers die het beste van zichzelf geven en die zich schamen voor deze toestanden. Ze hebben dat zelf gezegd: dit gebeurt tegen de achtergrond van de overbevolking, ook in de gevangenis van Haren, waar we gedurende een jaar veel berichten hebben gekregen over geweld, binnen en buiten de gevangenis, met betrekking tot deze misdaadscene. Die situatie vraagt om meer aandacht voor beter opgeleid personeel.

Ineens ziet men een landschap ontstaan waarin het misdaadcircuit ook binnen de gevangenis aanwezig is, niet alleen in Haren. Zo komen we in een hybride situatie terecht. De vervaging tussen de misdaad buiten de gevangenis en die binnen de gevangenis vormt eigenlijk een geheel met de maatschappij. Om het met een boutade te zeggen: drugs en de drugshandel dreigen stilaan het gevangenisleven over te nemen. Er zijn contacten, er is een vervaging van waarden en normen, ook ten aanzien van cipiers en personeelsleden. Dat wordt een groot probleem. De drugshandel binnen de gevangenissen maakt steeds meer deel uit van het normale circuit. Ik vind dat alarmerend.

We moeten daar goed over nadenken. Het is inderdaad een opdracht van het beleid om te bekijken hoe we dit kunnen voorkomen. Hoe pakken we het drugsbeleid ten gronde aan? Niet alleen met de drugstesten – dat hebben we daarnet gezegd – die binnen een paar weken goedgekeurd zullen worden. Hoe raken die drugs daarbinnen? Hoe gaat men om met dat soort circuits? Worden die gemonitord? Wordt dat in kaart gebracht? Dat is volgens mij een apart vraagstuk, dat zeker onderzoek vraagt.

Ten eerste is mijn vraag hoe we omgaan met corrumperend gedrag bij dergelijke mensen. Ik denk dat daartegen heel strikt en duidelijk moet worden opgetreden.

Ten tweede, wordt de drugsproblematiek geïnventariseerd, in kaart gebracht en goed gemeten?

De overbevolking, die daarstraks ook tijdens de hoorzitting aan bod kwam, vraagt andere opleidingen en andere screenings, zoals daarnet ook door de collega werd gesteld.

Wat gebeurt er met de personeelsleden die hierbij betrokken zijn? Zijn er schorsingen? Worden zij op non-actief gezet? Hoe gaat men daarmee om?

Uiteraard moeten we ook aandacht hebben voor de bescherming van het bestaande personeel, dat onder druk van die circuits stilaan in een fase van permanente dreiging en intimidatie komt.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, avant toute chose, j'espère que vos équipes et vous-même avez pu profiter de vos vacances. Je suis sûr que nous vous avons manqué et que vous êtes ravie de passer à nouveau des après-midis avec nous à répondre aux questions orales.

Plus sérieusement, la prison de Haren incarnait effectivement la promesse d'une modernisation, d'une sécurisation, du désengorgement de notre système carcéral, de la fermeture de la prison de Saint-Gilles, de meilleures conditions de détention et de meilleures conditions de travail pour les agents.

Aujourd’hui, c’est en réalité tout l’inverse: la prison est surpeuplée, fonctionne en sous-effectif, et la sécurité des détenus comme celle des agents n’y est pas du tout assurée, sans parler de celle des riverains – certains étant même menacés – et des visiteurs, en raison de ce qui gravite autour de l’établissement.

Le point culminant de tout cela a été l’interpellation de 12 agents pénitentiaires pour corruption publique. Une enquête et une information judiciaire sont en cours. Sans être exhaustif, en novembre 2024, la voiture d'un agent a brûlé devant son domicile. Quelques jours plus tard, un cocktail Molotov s'est écrasé sur la façade d'un autre agent. En mars 2025, trois agents ont été agressés. En juin 2025, un ex-détenu a agressé un agent sur le parking de la prison. Le même mois, trois autres agents ont été agressés. Des vidéos circulent aujourd'hui sur les réseaux sociaux et attestent que des "livraisons" sont réalisées par-dessus les murailles de la prison.

Madame la ministre, il faut que cela cesse. Il faut sécuriser les infrastructures de la prison. Il faut assurer la protection des agents. Chaque travailleur – en ce compris les agents pénitentiaires – doit pouvoir travailler dans des conditions décentes, dignes et sûres. La peur n'est pas dans le cahier des charges ni dans le descriptif des fonctions des agents pénitentiaires.

Madame la ministre, que comptez-vous faire pour assurer la sécurité des infrastructures de la prison de Haren? Quelles mesures ont été prises pour assurer un cadre complet suite aux 12 arrestations, puisque cela représente quand même 12 agents? Comment comptez-vous lutter contre ces agressions, tant à l’intérieur qu’à l’extérieur de la prison? Je vous remercie.

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, de voorvallen in de gevangenis van Haren, evenals een aantal feiten van de afgelopen maanden, tonen aan dat de georganiseerde criminaliteit niet stopt aan de gevangenismuren, maar verder reikt. Het is terecht dat u het tegengaan daarvan tot een prioriteit maakt. Daarvoor zijn heel wat extra middelen voorzien en de strijd wordt opgevoerd via tal van initiatieven, zoals het opsporen van telefoons, het jammen van signalen, de inzet van IT-speurhonden, het tegengaan van drugs en drones die worden gebruikt om bepaalde goederen te droppen. Dat zijn allemaal goede maatregelen.

Daarnaast zien we dat er, naast het overgrote deel van het personeel dat uitstekend werk levert, ook problemen zijn met een aantal personeelsleden die onder druk worden gezet.

Mevrouw de minister, hoe worden de cipiers momenteel opgeleid om te kunnen omgaan met intimidaties vanuit het criminele circuit, ook wat betreft deontologie en dergelijke?

Welke plannen bestaan er om de weerbaarheid van het gevangenispersoneel verder te versterken, meer bepaald met betrekking tot de verschillende maatregelen om die criminele circuits in de gevangenis tegen te gaan?

Wanneer zullen mobiele telefoons opgespoord kunnen worden en wat is de exacte timing?

Hoe verloopt de opleiding van de zogenaamde IT-speurhonden, om op die manier die zaken binnen de gevangenismuren aan te pakken?

Voorzitter:

Comme indiqué, d'autres membres qui ne se seraient pas inscrits ont la possibilité de le faire. J'ai une demande de M. De Smet.

François De Smet:

Bonjour, madame la ministre, je vous souhaite une année de travail la plus fructueuse possible. Je me permets de m'insérer dans le débat parce qu'en mars dernier, je vous avais interrogée sur la corruption dans les prisons et à Haren en particulier. Vous m'aviez répondu – je cite – "Les faits de corruption constatés ne connaissent pas de hausse importante" et vous aviez estimé qu'un organe de contrôle comme en France n'était pas à envisager.

Je me demandais si vous étiez toujours du même avis aujourd'hui, puisque les derniers événements nous prouvent – grâce à la forte activité du parquet de Bruxelles – que nous avons réellement affaire à une corruption à large échelle. On va rester prudent compte tenu de l'instruction judiciaire.

Mon collègue l'a dit, d'une part, il y a des faits potentiels de corruption et d'autre part, un climat d'intimidation. Je crains qu'il en soit des gardiens de prison comme des dockers, c'est à dire que ces narcotrafiquants disposent de moyens financiers tellement énormes qu'ils ont une grande puissance corruptive et peuvent se permettre simultanément d'acheter et de menacer. C'est ça qui rend l'appréhension de ce phénomène si difficile.

Allez-vous prendre de nouvelles mesures au-delà de celles qui sont – et je les salue – déjà envisagées par rapport au brouillage des téléphones et à l'isolation des narcotrafiquants? Allez-vous prendre des mesures en particulier par rapport à un organe de contrôle? S'agissant de la prévention de ces faits, allez-vous faire en sorte de ne plus envoyer à Haren des agents formés de manière aussi légère, de manière aussi fragile? Pour avoir visité les lieux, je pense que c'est une partie du problème. Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Collega's, corruptie verweven met drugshandel in onze gevangenissen is helaas geen verre dreiging meer. We zijn niet naïef: corruptie is reëel, sluipend en vormt een bedreiging, niet alleen voor onze gevangenissen, maar ook voor havens, bedrijven, overheidsdiensten en uiteindelijk voor de hele samenleving. Het is een probleem waarbij iedereen bijzonder alert en waakzaam moet zijn. Ondanks de versterking van de fysieke beveiliging in de gevangenissen stellen we vast dat medewerkers steeds vaker worden benaderd, vaak via ogenschijnlijk onschuldige verzoeken, die de deur kunnen openen naar grotere en zwaardere vormen van corruptie.

Ons doel is duidelijk en vastberaden: nultolerantie voor criminele activiteiten in de gevangenissen, medewerkers beschermen, de veiligheid in de gevangenissen garanderen en ervoor zorgen dat detentie geen kader biedt waar illegale handel en activiteiten kunnen gedijen. Dat doen we voor het gevangenispersoneel, maar evenzeer om gedetineerden het juiste kader te bieden en voor de samenleving die rekent op een rechtvaardig en veilig systeem. U zei het goed, mijnheer Yzermans, er wordt inderdaad bijzonder veel druk uitgeoefend, vaak op de meest kwetsbare gedetineerden, om mee te doen aan die illegale activiteiten.

Zoals u terecht aanhaalt, hebben we nood aan een helder beleid, duidelijke regels bij de aanwerving van personeel, opvolging van die regels tijdens de carrière en een stevige, veilige infrastructuur. Op basis van uw vragen wil ik graag de belangrijkste ontwikkelingen en plannen overlopen.

Vooreerst, wat betreft drugdetectie wordt het nieuwe detectiesysteem DrugDetect verder uitgerold. Daarnaast wordt dronedetectie ingezet om het overgooien van pakketten tegen te gaan. Versterkte camerabewaking beveiligt de perimeter. Deze week heb ik daarover nog overlegd met de burgemeester en de korpschef van Brussel, om te bekijken hoe de camerabewaking en de samenwerking met de politie verder kunnen worden versterkt.

We willen de drugsproblematiek bewust breed aanpakken, zowel aan de aanbodzijde en de drugsmarkt als ook het gebruik binnen detentie. Psychosociale behandelprogramma's en initiatieven van Volksgezondheid kunnen gedetineerden ondersteunen bij het afbouwen van gebruik. Bovendien rollen we in de gevangenissen steeds meer drugsvrije afdelingen uit.

Om het druggebruik binnen de gevangenissen beter te kunnen opsporen, hebben we daarnet nog het wetsontwerp besproken dat verplichte drugtesten mogelijk maakt. We zullen de verdere behandeling daarvan op 1 oktober voortzetten.

Dat wetsontwerp heeft twee doelen. Ten eerste, het afbouwen van druggebruik door een verhoogde pakkans en dankzij een combinatie van ontradende, disciplinaire en therapeutische maatregelen. Ten tweede heeft het wetsontwerp een preventieve werking omdat het gedetineerden met een uitgaansvergunning een extra argument geeft om weerstand te bieden tegen de druk om drugs binnen te brengen, zoals we daarnet beschreven. Gedetineerden die drugs gebruiken zijn vaak de eersten die worden geviseerd door criminele netwerken. Een wet die drugtesten kan verplichten, verkleint de kans dat deze gedetineerden onder druk worden gezet. Daarom zijn we ervan overtuigd dat die maatregel uit het wetsontwerp ook een preventieve impact zal hebben.

Voor de begeleiding en behandeling van druggebruikers in de gevangenissen is samenwerking met de deelstaten essentieel, enerzijds omdat zij het aanbod moeten voorzien en anderzijds omdat huisvesting en werk na detentie de sleutelvoorwaarden zijn om herval in druggebruik en criminaliteit te voorkomen. Wat de veiligheid in de detentie-infrastructuur betreft, kan ik meedelen dat we in Haren, maar ook in andere gevangenissen, gerichte maatregelen nemen om de veiligheid te versterken.

Er zijn al aparte cellen voor leden van de georganiseerde misdaad. Mevrouw De Wit, u vroeg nog of we geen speciale regimes hebben, maar we hebben dat al voor high-value targets of die zware criminelen, ook met isolatiecellen. Daarnaast wordt de gsm-sweeping uitgebreid en worden drug- en IT-honden ingezet. We hebben daarvoor een samenwerking met de politie, waarbij we ook de opleiding van de honden moeten organiseren, en we hebben middelen vrijgemaakt om extra drug- en IT-honden te kunnen inzetten. Bovendien zullen de detectiepoorten vaker en strikter worden gecontroleerd en er zullen periodieke audits worden uitgevoerd om de werking verder te verbeteren. Deze week heb ik daarover een overleg gehad met de directeur van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (DG EPI) en opnieuw met de politie om de opvolging van de audits te verzekeren.

De strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, ook in de gevangenissen, vraagt een geïntegreerde aanpak. Daarom werken we nauw samen met de politie, de Veiligheid van de Staat en het Crisiscentrum. De gecoördineerde actie van vorige week is daarvan een bewijs.

Naast deze maatregelen kunnen leden van de georganiseerde misdaad op grond van artikel 117, § 2, van de basiswet van 2005 onder een bijzonder individueel veiligheidsregime worden geplaatst. Uiteraard zijn er procedures, en we worden daarbij ook geconfronteerd met procedures van advocaten die in vraag stellen of dat veiligheidsregime wel gepast en verantwoord is. Dat vormt een bijkomend euvel op de weg naar uitvoering.

Verder blijft preventie van bedreigingen en incidenten een prioriteit. We onderzoeken daarbij ook hoe persoonlijke informatie van medewerkers binnen de gevangenissen beter kan worden afgeschermd en hoe de anonimiteit van het personeel beter kan worden gegarandeerd. We zien immers dat cipiers ook buiten, onder meer via hun wagens, onder druk worden gezet. Het aantal incidenten waarbij medewerkers in hun privésfeer worden geviseerd, neemt toe en vraagt om een gezamenlijke en gecoördineerde aanpak. Daarbij zoeken we voorbeelden en inspiratie bij internationale expertise, zoals in Nederland en Frankrijk, waarnaar u ook verwees, mevrouw De Wit.

Om onze personeelsleden beter te beschermen tegen dreigingen en incidenten werd een nieuwe ministeriële omzendbrief uitgevaardigd over de toegangscontrole bij hoogrisicosituaties. Er wordt ook werk gemaakt van een gerichte aanpak tegen agressie en bedreigingen.

Tot slot wordt, naar analogie van het bestaande systeem van PortWatch binnen de havencontext en bij het douanepersoneel, door het nationaal drugscommissariaat en het gevangeniswezen onderzocht hoe het penitentiair personeel nog beter kan worden beschermd tegen bedreigingen en tegen corruptie en beïnvloeding, onder meer via de ontwikkeling van een anoniem meldpunt voor gevangenissen. De analyse loopt, maar zal uiteraard worden opgevolgd.

Om de weerbaarheid van het personeel te verhogen, wordt tijdens de basisopleiding sterk ingezet op deontologie, communicatie, conflictbeheer, professioneel handelen en het herkennen van kwetsbare relaties. Ook dilemmaoefeningen en simulaties maken deel uit van het opleidingstraject. Deze basisopleiding wordt aangevuld met supervisie en intervisie, zodat medewerkers hun competenties blijvend kunnen versterken en ervaringen kunnen uitwisselen. In samenwerking met het drugscommissariaat ontwikkelen we bovendien een specifieke module voor penitentiair personeel, namelijk een weerbaarheids- en bewustwordingstraining. We investeren ook in het middenkader, onder meer door supervisie en uitwisseling van professionele praktijken te versterken, maar ook door meer personeel aan te werven. Dat is, zoals u weet, een uitdaging.

Om het personeel te ondersteunen zorgen we voor meer zichtbaarheid van psychologische hulp via POBOS en herhalen en verduidelijken we de meldkanalen regelmatig, zodat al het personeel zijn weg kan vinden naar de nodige ondersteuning.

Sinds september 2024 wordt het penitentiair personeel door de federale politie gescreend bij aanwerving. Dat betekent concreet dat elk personeelslid bij de start moet beschikken over een positief veiligheidsadvies, zoals ook voorzien in de wet van 11 december 1998. De screeningsdienst van de politie zal hiervoor een aantal databanken consulteren. Uit veiligheidsoverwegingen worden de specifieke parameters van die screening echter niet vrijgegeven.

Over het gerechtelijk onderzoek met betrekking tot de medewerkers in Haren kan ik geen bijkomende informatie verstrekken zolang het onderzoek loopt. In het belang van het goed functioneren van de organisatie werden wel maatregelen genomen, waaronder tijdelijke toegangsverboden voor de betrokken medewerkers. Die maatregelen hebben geen impact op de operationele werking van de gevangenis en het regime voor de gedetineerden gaat gewoon door.

Chers collègues, nous ne sommes absolument pas seuls à mener la lutte contre la corruption. Nous pouvons compter sur nos partenaires en matière de sécurité, tels que la Sûreté de l’État, le Centre de crise national, la magistrature et les différents services de police. Leur expertise et leurs enquêtes sont essentielles au bon fonctionnement de nos institutions. Je m’engage à poursuivre sans relâche mes efforts en faveur de la sécurité au sein de nos établissements pénitentiaires. Je vous remercie de votre attention.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw zeer uitvoerig antwoord en voor de opsomming van een aantal initiatieven die u al genomen hebt of nog zult nemen, een aantal goede initiatieven, die zeker onze steun krijgen. Ik meen echter dat er een tandje bijgestoken mag worden om die maatregelen in de praktijk om te zetten, zeker nu we opnieuw geconfronteerd worden met een geval van corruptie, gelinkt aan het drugmilieu.

Ik begrijp dat de druk op de cipiers zeer groot kan zijn wanneer zij bedreigd worden in hun privéleven. Daarom is het belangrijk om meer maatregelen te nemen dan vandaag gebeurt om de anonimiteit van de cipiers te waarborgen. Ik heb deze week nog gesproken met cipiers. Ze zeggen dat het allemaal wel mooie woorden zijn, maar dat er in de praktijk nog maar weinig van te merken valt. Dat is toch iets wat bij hoogdringendheid moet worden ingevoerd.

De gebeurtenis in Haren is heel belangrijk, zoals ook andere sprekers hebben gezegd, want die ondermijnt het vertrouwen in justitie, maar het zorgt vooral voor een negatief beeld van alle penitentiaire beambten, aangezien dat op hen allen afstraalt. De mensen veralgemenen nogal gemakkelijk door elke cipier corrupt te noemen. Ik overdrijf nu een klein beetje, maar ik merk in de praktijk dat de mensen daarover spreken, aangezien het spectaculaire dossiers zijn. We weten echter allemaal dat het over een zeer kleine minderheid gaat en dat de overgrote meerderheid van de cipiers wel op een integere en ernstige wijze werkt.

Sta me toe om nog op te merken dat u niet hebt geantwoord op mijn vierde vraag, of u kennis hebt van gevallen van corruptie in andere gevangenissen.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, dank u wel voor uw antwoorden. U staat inderdaad voor een zeer grote uitdaging. U hebt aangegeven wat er allemaal in de pijplijn zit en welke maatregelen gepland zijn, waaronder een geïntegreerde aanpak. De problematiek zal echt grondig en op korte termijn moeten worden aangepakt, anders loopt u een aantal risico’s.

Ik zie twee grote risico’s. Ten eerste, doordat gedetineerden met een uitgaansvergunning onder druk worden gezet, durven ze op termijn misschien geen uitgaansvergunning meer aanvragen uit schrik om nadien druk te voelen vanwege zware criminelen binnen de gevangenismuren. Dat zou heel jammer zijn voor de re-integratietrajecten en voor de overbevolking, want het sorteert een averechts effect.

Een tweede risico is dat, als de problematiek niet bij de wortel kan worden aangepakt, de druk op het personeel op den duur zeer hoog wordt. Het is al niet evident om voldoende medewerkers te vinden die aan de slag willen in onze gevangenissen. Als blijkt dat de druk op het personeel zo hoog wordt dat er onder meer chantage wordt gepleegd, wordt het nog moeilijker om kandidaten te vinden, zeker wanneer daar uitgebreid over wordt bericht in de media. Dat zijn twee gevolgen die op de lange termijn rampzalig kunnen zijn voor het penitentiaire beleid dat we willen voeren.

Los van de discussie ben ik het ermee eens dat we niet mogen stellen dat alle cipiers omkoopbaar of corrupt zijn, absoluut niet. Ik denk echter dat de druk, in combinatie met de aanwezigheid van zware criminelen die die druk uitoefenen, een zeer belangrijke factor is. Daarom denk ik ook dat het verschijnsel niet beperkt zal blijven tot Haren. We mogen niet naïef zijn: dat zal zich ook in andere gevangenissen voordoen.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, er wacht ons inderdaad een gigantische uitdaging, niet alleen voor de gevangenis van Haren, maar ook voor de andere gevangenissen. Ik word een beetje teruggekatapulteerd in de tijd. Ik herinner mij nog dat voor de opening van de gevangenis van Haren alles snel moest gebeuren. Alle rekruteringen vonden plaats op één jobdag, de opleiding volgde pas later. Dat lijkt me toch een kwetsbaar punt. Ongetwijfeld werden daar goede, gemotiveerde mensen aangeworven, maar misschien ook anderen die niet weerbaar genoeg waren, de jobinhoud onderschatten of onvoldoende gescreend werden.

Het is tegenwoordig niet eenvoudig om gevangenispersoneel te vinden, zeker niet in de huidige werkomstandigheden en -context. Toch blijft het belangrijk om te waken over een goede screening van het gevangenispersoneel. Dat blijft essentieel, ook in het belang van de penitentiair beambten zelf. Het doel is niet enkel om mensen met verkeerde bedoelingen te vermijden, maar ook om na te gaan hoe weerbaar iemand is om in zo’n context te werken. Nog los van alle andere uitdagingen, staat er een grote opdracht te wachten. We zullen dat zeker mee opvolgen.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, u staat voor een gigantische operatie. Het vertrouwen van de burger hangt samen met de resultaten van het beleid. Dat vertrouwen is de laatste jaren afgenomen. Ik denk dat er voldoende inspanningen worden geleverd om nu een begin te maken en dat stemt zeer positief. We moeten het failliet van het gevangeniswezen vermijden. De gevangenissen staan enorm onder druk door de overbevolking en tegelijkertijd dreigt een sluimerende overname door een onderwereld, die via netwerken druk zet op wat zich in de bovenwereld afspeelt. Dat moet zeker worden vermeden.

De aanpak vind ik zeer goed: aanklampend, preventief, geïntegreerd en resultaatgericht. Het belang van preventie en vooral van ondersteuning en onderstutting van ons personeel mag niet onderschat worden. De sociale onderhandelingen die nu lopen, kunnen daarin een oplossing bieden. Het sneller invullen van de kaders en het herbekijken van de barema’s kunnen daarbij helpen.

Ik denk dat het personeel nu alle steun nodig heeft, ondanks de enkelingen die dreigen ten prooi te vallen aan aanlokkelijke voorstellen van mensen uit criminele netwerken. Er ligt dus veel werk op de plank.

Khalil Aouasti:

Merci, madame la ministre, pour vos réponses complètes. Je demeure toutefois inquiet, car j'ai entendu très peu d'informations quant à la manière opérationnelle dont vous allez assurer la sécurité des alentours de la prison de Haren et de sa muraille. Comment faire en sorte que des objets qui sont aujourd'hui envoyés parfois depuis des propriétés privées ou depuis la voirie, avec des inscriptions au sol pour indiquer le meilleur endroit et le meilleur angle d'envoi, puissent être mis en défaut? Je n'ai entendu d'interventions ni de la part du SPF Justice, ni de la Régie des Bâtiments afin de sécuriser cette prison, et cela m'inquiète.

Je suis aussi inquiet quant à l'intérieur. Vous avez dit que des mesures étaient prises pour assurer la continuité du service dans la prison de Haren: quelles sont-elles? Cette prison était déjà en sous-effectif, malgré une occupation quasiment complète. Nous connaissons en outre les difficultés pour recruter les agents pénitentiaires. Comment avez-vous suppléé à ces 12 agents pénitentiaires afin d'assurer un fonctionnement optimal?

Au-delà de la lutte contre le narcotrafic et les trafiquants, qui est essentielle, il y a la question de la sécurité de ces agents, dans la prison et en dehors de celle-ci. Des concertations sociales seront nécessaires. Je vous avoue que votre réponse manque de mesures concrètes.

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord en de opsomming van de vele initiatieven die worden uitgerold of op stapel staan. Die zijn natuurlijk noodzakelijk om de georganiseerde criminaliteit, ook in de gevangenissen zelf, tegen te gaan.

Het is goed om u te baseren op verschillende sporen: enerzijds door te kijken naar technologische en andere hulpmiddelen, anderzijds door zeer specifiek de drugsproblematiek in de gevangenissen aan te pakken. Daarnaast zijn initiatieven om het personeel te ondersteunen en weerbaar te maken belangrijk. Die maatregelen moeten ertoe leiden dat de gevangenis geen vrijplaats is, maar een plek waar de georganiseerde criminaliteit niet verder kan blijven functioneren.

Julien Ribaudo:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse. La drogue est un fléau qu'il faut éradiquer car il a des conséquences graves sur notre société. On le voit dans nos rues et dans nos prisons. Dans le cas de Haren, nous devons laisser faire la justice, comme vous l'avez dit, mais ce cas risque de se reproduire.

Aujourd'hui, dans un article, des dockers du port d'Anvers se confient et parlent de la pression exercée sur eux et sur leurs familles, du harcèlement qu'ils subissent de la part de tous ces gros réseaux. Les agents pénitentiaires et l'ensemble des travailleurs dans nos prisons vivent la même chose. Ils ont peur car leur sécurité n'est pas garantie, dans la prison et en dehors de celle-ci. Il suffit parfois de rien, d'un écart conscient ou pas, d'une faiblesse dans leur situation personnelle, pour qu'ils deviennent des proies.

Lorsque nous parlons avec les agents, ils nous interpellent entre autres sur le manque de formation des agents. Des jeunes rentrent, sans aucune formation véritable, dans une prison qui vit un contexte de surpopulation et de sous-effectif. Ce sont deux ingrédients de la corruption. Je vous remercie pour vos réponses par rapport au développement de modules de formation. C'est une très bonne chose. Mais le souci premier qui apparaît lorsqu'on parle avec les représentants des travailleurs, c'est que ces agents n'ont pas l'opportunité d'aller suivre ces formations car les équipes sont en sous-effectif. C'est un problème urgent qu'il faudra traiter et nous continuerons à vous interpeller sur ce dossier. Je vous remercie.

Voorzitter:

Aan de orde is vraag nr. 56006135C van de heer Van Lommel. Hij is niet aanwezig.

Het onderzoek naar misbruik in het voormalig Sint-Vincentiusklooster in Limburg

Gesteld door

N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat justitie ambtshalve onderzoekt naar seksueel misbruik en verdwijningen in het Sint-Vincentiusklooster (Halen), maar kan door onderzoekgeheim geen details geven. Ze benadrukt de oprichting van een multidisciplinair herstelfonds (inclusief psychologische/therapeutische hulp) voor slachtoffers, gefinancierd door daders/instellingen, en coördineert dit met collega-bevoegden om de versnipperde slachtofferzorg te stroomlijnen. De Wit onderstreept het belang van snelle uitvoering, gezien de dringende vraag van slachtoffers naar concrete stappen, zoals beloofd in het regeerakkoord.

Sophie De Wit:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn ingediende vraag.

Geachte minister, in een nog te vertonen documentairereeks, die in het najaar zal uitgezonden worden, zouden opnieuw 14 slachtoffers getuigen over seksueel misbruik door kloosterzusters. In de reeks zou getoond worden hoe er in het voormalige klooster/weeshuis van Zelem in Halen in de jaren 1970 een schrikbewind heerste, inclusief fysiek, mentaal en seksueel misbruik. Er zouden ook kinderen spoorloos zijn verdwenen. Onlangs werd bekend dat het parket van Limburg ambtshalve een opsporingsonderzoek is gestart naar aanleiding van voormelde documentaire en de ernst van verhalen die naar boven zijn gekomen. Er zouden op heden evenwel geen klachten hierover zijn ingediend. Nochtans heeft een man reeds in 2011 getuigd dat hij in de jaren 1950 ernstig seksueel werd misbruikt door zusters in datzelfde Sint-Vincentiusklooster/weeshuis.

Bent u op de hoogte van deze aantijgingen van misbruik in het Sint-Vincentiusklooster?

Kan u bevestigen dat het parket ambtshalve een opsporingsonderzoek heeft opgestart? Werd er naar aanleiding van eerdere getuigenissen reeds onderzoek gevoerd? Zo ja, met welk resultaat?

Klopt het dat er inderdaad geen klachten werden ingediend omtrent misbruik in dit klooster?

Wordt er ook onderzoek gevoerd naar misbruik in andere kloosters, met name de verdwijning van kinderen?

Wat is ten slotte de stand van zaken van de uitvoering van de aanbevelingen van de onderzoekscommissie inzake seksueel misbruik, zoals het herstelfonds voor slachtoffers van seksueel misbruik?

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega De Wit. Gezien het geheim van het onderzoek kan ik niet ingaan op uw vragen over individuele opsporingsonderzoeken. Ik wil wel benadrukken dat slachtoffers mij – en bij uitbreiding justitie – na aan het hart liggen en dat ik bijzonder veel belang hecht aan gepaste slachtofferhulp. Zoals ik hier reeds eerder heb gesteld, vraagt dat een gecoördineerde en multidisciplinaire benadering en mag het bijgevolg niet beperkt blijven tot enkel de financiële aspecten.

De mogelijkheid tot oprichting van een deelstatelijk herstelfonds, gefinancierd door de dader of de inrichtende instelling in wier kader het seksuele geweld plaatsvond, wordt onderzocht. De bedoeling is dat slachtoffers, in functie van het opgelopen trauma, een beroep kunnen doen op multidisciplinaire hulp voor psychologisch herstel, fysiek herstel en therapiekosten, voor zover die nog niet worden vergoed door de sociale zekerheid, het slachtofferfonds, de ziekteverzekering of andere initiatieven. Er moet ook worden onderzocht hoe dat herstelfonds zich verhoudt tot de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Die werd opgericht door artikel 30, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen om de aanvragen tot toekenning van een financiële hulp aan slachtoffers te behandelen.

Het landschap van slachtofferhulp is momenteel bijzonder versnipperd, niet alleen omdat de hulp aan slachtoffers uiteenlopende materies raakt, maar ook wat de staatsstructuur betreft. De aanpak van slachtofferhulp overstijgt dan ook het niveau van justitie, zij het dat justitie er een zeer belangrijke rol in speelt en dat ik als minister van Justitie een voortrekkersrol wil spelen in de organisatie van gecoördineerde hulp. Mijn kabinet is momenteel in overleg met mijn collega bevoegd voor Gelijke Kansen, de heer Beenders, om op een correcte manier uitvoering te geven aan de aanbevelingen die in de parlementaire onderzoekscommissie geformuleerd werden.

Sophie De Wit:

Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Uiteraard begrijp ik dat u niet kunt antwoorden over een concreet dossier. Het is vooral dat laatste aspect, waarop u wel hebt geantwoord, dat mij erg interesseert. Ik heb het dan over het herstelfonds, een aanbeveling van de onderzoekscommissie Seksueel Misbruik. Ik ben blij dat uw kabinet daarmee bezig is. Dat was ook een belangrijk punt in het regeerakkoord en ik hoop dat we daar op regelmatige basis van op de hoogte worden gehouden. Ik zeg dat omdat ik als voormalig voorzitter van die commissie geregeld mails ontvang van slachtoffers die vragen hoever het daarmee staat. Dat is een belangrijke vraag die bij hen leeft. Het is dus een belangrijk aandachtspunt en ik ben blij te horen dat u er verder werk van maakt. Ik hoop daar spoedig een resultaat van te kunnen zien. Vooral de slachtoffers zullen zeer tevreden zijn als er vanuit dat oogpunt positieve signalen zouden komen vanuit het beleid.

Het onderzoek naar een helmplicht voor e-steps
De verkeersveiligheid met betrekking tot e-steps en fatbikes
Veiligheid en regelgeving voor elektrische steps en fatbikes in het verkeer

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Crucke bevestigt dat een helmplicht voor e-steps wordt onderzocht en versneld ingevoerd, gezien de alarmerende ongevallencijfers (5 per dag) en zware letsels, met mogelijke aanpassing van de wegcode vóór 1 september 2026. Hij overweegt ook nummerplaten voor betere handhaving en werkt aan normering met andere ministers, maar de praktische uitvoering (deelhelmen, impact op deeleconomie) blijft een uitdaging. Raskin steunt het principe maar waarschuwt voor overhaaste maatregelen zonder vergelijkend onderzoek (buurlanden, economische gevolgen) en pleit voor een genuanceerde aanpak met parlementsdebat over de studieresultaten. Snelheid en handhaving blijven kernproblemen.

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, ik heb mijn vraag ingediend op 1 augustus en niet na de berichten in de media vanmorgen over het onderzoek naar de helmplicht voor e-steps. In het regeerakkoord staat dat men de invoering van de helmplicht voor e-steps zal onderzoeken. Onder andere spoedartsen zijn voorstander van de helmplicht. Het risico op een hoofdletsel is immers een stuk groter voor e-stepgebruikers dan voor fietsers. Het dragen van een helm is daarom in elk geval sterk aanbevolen. Dat hebt u in het verleden ook gezegd. In juni hebt u op een vraag al geantwoord dat het een complexe kwestie is, omdat de beschikbaarstelling van een goede helm bij deelsteps niet zo eenvoudig te organiseren is.

Mijnheer de minister, hebt u intussen al gevolg gegeven aan de ambitie uit het regeerakkoord en een onderzoek bevolen naar een eventuele invoering van de helmplicht? Wanneer mogen we de resultaten daarvan verwachten? Indien u dat niet gedaan hebt, wanneer wordt dat onderzoek opgestart?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Raskin, sinds de commissievergadering van 9 juli verschenen de ongevallencijfers van de eerste periode van 2024. Verschillende partijen en organisaties poneerden voorstellen en adviezen in de media. Naast een vergelijkende studie door mijn administratie van de nationale regelgevende kaders voor lichte elektrische voertuigen zullen we de mogelijkheden van de helmplicht grondig onderzoeken. In de komende maanden zullen we consultaties organiseren op mijn kabinet om van een aantal sleutelfiguren en organisaties een advies in te winnen. Ik ben voorstander van de helmplicht en ben ervan overtuigd dat we de lichamelijke gevolgen van ongevallen sterk kunnen beperken.

Zodra we over alle informatie, adviezen en inzichten beschikken, zal ik mijn administratie de opdracht geven om de regeling in te voeren. De regel impliceert de wijziging van de huidige wegcode in het koninklijk besluit van 1 december 1975. Nu we volop bezig zijn met de wijziging van de wegcode naar de nieuwe code van de openbare weg, moeten we afwegen of we het huidige koninklijk besluit wijzigen, dan wel de regel laten ingaan samen met de nieuwe code van de openbare weg. De invoering is volgens de publicatie in het Belgisch Staatsblad bepaald voor 1 september 2026.

Naast de helmplicht wil ik in overweging nemen of de inschrijving van die voertuigen haalbaar is, waardoor er dus een nummerplaat aan wordt toegekend zoals bij bromfietsen en speedpedelecs. Dat zou de politiediensten toelaten om de identificatie van overtreders makkelijker uit te voeren en de kans op gevaarlijke intercepties verminderen.

Samen met mijn collega die bevoegd is voor Economie en Consumentenbescherming werk ik aan de normering. Het onderwerp van nieuwe mobiliteitsvormen, in het bijzonder e-steps en fatbikes, werd in juli laatstleden besproken op de interministeriële conferentie van de vier ministers die bevoegd zijn voor Mobiliteit. Het punt is eveneens geagendeerd voor het eerstkomend overleg. Er is dus zeker overeenstemming om samen te streven naar meer verkeersveiligheid.

Vorige donderdag heb ik een demonstratie gekregen van het rollensysteem, waarnaar de heer Aerts in zijn ingediende vraag verwees. Het lijkt me een toestel te zijn dat bijzonder geschikt is voor het controleren van e-steps, fatbikes, e-bikes, speedpedelecs en bromfietsen. Vanuit mijn kabinet is het initiatief genomen de stand van zaken van de homologatie of modelgoedkeuring te onderzoeken, in het bijzonder of de federale metrologische dienst al dan niet bevoegd zal zijn, dan wel of de gewestelijke metrologische diensten die toestellen moeten goedkeuren. We vernemen dat er op dit moment nog geen leverancier een aanvraag tot modelgoedkeuring heeft ingediend, noch bij de federale, noch bij de gewestelijke metrologische diensten.

Wat de helmplicht betreft, wil ik heel duidelijk zijn. De cijfers zijn zo hoog en de lichamelijke schade is zo zwaar, dat we niet mogen wachten tot er nog meer ongevallen, al dan niet met dodelijke afloop, komen. Bijna elke dag vinden vijf ongevallen met e-steps plaats. Dat zijn natuurlijk vijf ongevallen die niet aanvaardbaar zijn, zeker met zulke zware gevolgen voor de weggebruikers. Ik kan dat niet langer aanvaarden en ik denk dat we daar heel snel op moeten reageren.

Wouter Raskin:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik ben het in erg grote mate met u eens. Ik vind het belangrijk om dat in eerste instantie te benadrukken. Daarnaast was ik toch enigszins verrast door de communicatie van vanmorgen. In juni, toen ik u een soortgelijke vraag stelde, was u nog zeer voorzichtig en maakte u ook enig voorbehoud. Daarna zijn we in reces gegaan en is alles een versnelling langzamer geschakeld. Bij de start van het nieuwe politieke jaar komt u plots met een nogal offensieve communicatie. Ik vind dat een bijzonder snelle evolutie, bijna sneller dan een opgefokte e-step. De cijfers waarnaar u verwijst en het gevaar dat zulke voortbewegingstoestellen vandaag in ons verkeer betekenen, kunnen we uiteraard niet negeren. Een onderzoek, zoals afgesproken in het regeerakkoord, is echter wel nuttig om te benchmarken, ook met andere lidstaten, bijvoorbeeld met buurlanden. Het is zinvol om na te gaan hoe een en ander daar is geregeld en welke eventuele negatieve impact er bestaat. Los van het gevaar dat dergelijke toestellen betekenen, moeten we ook rekening houden met de mogelijke impact voor de deeleconomie, waarbij het niet alleen om deelsteps, maar desgevallend ook om deelhelmen zou gaan. Ik blijf voorwaardelijk en genuanceerd, maar uw maatregel zou de zachte mobiliteit deels kunnen afremmen. Dat gaat eveneens op wanneer u nummerplaten voor e-steps zou invoeren. Als u de handhaving wilt versterken voor steps die veel te snel rijden, dan zult u die maatregelen misschien wel moeten invoeren. Ik heb daar veel begrip voor. De reden waarom de cijfers zo hoog zijn, houdt natuurlijk ook verband met de snelheid. Daarom moet er over het verplichten van de helm minstens grondig worden nagedacht. Het zou dan ook zinvol zijn om de resultaten van de studie in de commissie voor Mobiliteit te bespreken, zodat we samen tot een gedragen nieuwe regelgeving kunnen komen.

De zorgwekkende onderzoeksresultaten over het rijden onder invloed in België

Gesteld door

Groen Staf Aerts

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België scoort slecht in Europa met 19% bestuurders die recent dronken reden (vs. 6% in Zweden/Finland), door tolerante cultuur, zwakke handhaving en gebrek aan stigma. Minister Crucke kondigt strengere maatregelen aan: langere tijdelijke rijverboden (12u), lagere drempel voor onmiddellijke intrekking rijbewijs (0,8‰), verplichte alcoholsloten voor recidivisten en onderzoekt herstelopleidingen en nultolerantie (gesteund door 60-75% van de Belgen). Aerts benadrukt dat BOB-campagnes onvoldoende werken en pleit voor daadwerkelijke nultolerantie (via hangend wetsvoorstel) en maatschappelijke normverschuiving, waarbij omstaanders dronken bestuurders actief aanspreken. Doel: van Europese hekkensluiter naar koploper met minder doden door strengere regels, meer controles en cultuurverandering.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, uit het recent gepubliceerde ESRA-onderzoek, dat werd gecombineerd met gegevens van het verkeersinstituut Vias, blijkt dat België onderaan het Europese klassement bengelt wat betreft rijden onder invloed. Dat wisten we eigenlijk al, maar die nieuwe cijfers zijn toch bijzonder scherp. Maar liefst 19 % van de bevraagde Belgische bestuurders geeft aan recent nog gereden te hebben met te veel alcohol in het bloed. Dat percentage ligt niet alleen ver boven het Europese gemiddelde, maar wanneer we kijken naar de kloof met de koplopers, Zweden en Finland, dan zien we dat het daar amper 6 % betreft. Dus 19% bij de Belgische bestuurders, tegenover 6% bij de Scandinavische koplopers.

Wat daarbij opvalt, is dat de aanpak in die landen verder gaat dan enkel handhaving. Daar heerst ook een sterk sociaal stigma op rijden onder invloed. ‘Wie rijdt, drinkt niet’ is er geen slogan, maar realiteit. Bij ons geldt eerder: ‘Wie rijdt, drinkt... maar een beetje’. Er heerst daar een sociaal stigma op rijden onder invloed. Ze hebben duidelijke straffen en een goed uitgebouwd hulpaanbod voor mensen met een alcoholprobleem, terwijl er in België toch een grote mate van tolerantie blijft bestaan ten aanzien van drinken en rijden.

Als meer dan 19 % van de bevraagden aangeeft dat ze in de afgelopen maand minstens één keer dronken achter het stuur hebben gezeten, dan is het duidelijk dat alleen inzetten op recidive niet volstaat. Bent u het eens met de analyse dat enkel focussen op recidivisten onvoldoende is om het probleem aan te pakken?

De genoemde studie lijkt mij een krachtige wake-upcall die een stevig antwoord vereist. Bent u het ermee eens dat de slogan van de BOB-campagne ‘Wie rijdt, drinkt niet’ een wettelijk kader zou moeten krijgen? Welke beleidsmaatregelen zult u op korte termijn nemen naar aanleiding van dat alarmerende rapport? Hoe zult u zorgen voor een groter maatschappelijk draagvlak om alcohol en autorijden te scheiden?

Voorziet u in bijkomende investeringen in bewustmakingscampagnes of in begeleidingstrajecten voor recidiverende of verslaafde chauffeurs, naar Scandinavisch model?

Wat zijn volgens u de mogelijkheden om de sociale norm rond rijden onder invloed in België structureel te verschuiven, zodat ingrijpen door omstaanders hier even vanzelfsprekend wordt als in Finland?

Jean-Luc Crucke:

Beste collega, ik ben het met u eens dat rijden onder invloed een groot probleem is in ons land, nog meer in het zuiden dan in het noorden. Het nieuwe SCRA-onderzoek bevestigt dat de sociale norm in België nog veel te zwak is. De strijd tegen alcohol achter het stuur is dan ook een van mijn prioriteiten. Ik richt mij daarbij op alle bestuurders die onder invloed rijden. Samen met politie en justitie streef ik naar meer alcoholcontroles en een beter gecentraliseerde registratie.

De BOB-campagne, waarin sensibilisering en handhaving hand in hand gaan, is een sterk merk en bestaat dit jaar dertig jaar. De laatste winter-BOB-campagne leverde de politie hard werk door een recordaantal alcoholtests af te nemen. Meer dan 600.000 bestuurders werden in een tijdspanne van negen weken aan een alcoholcontrole onderworpen.

Dat succes zouden we naar het hele jaar moeten kunnen doortrekken, want zowel de objectieve als de subjectieve pakkans moet hoog zijn, zodat mensen het gevoel hebben te allen tijde en overal gecontroleerd te kunnen worden. Alleen op die manier passen mensen hun gedrag duurzaam aan. Persoonlijk ben ik het idee van nultolerantie achter het stuur genegen, omdat het duidelijk bijdraagt aan de veiligheid.

De SCRA3-enquête wijst uit dat 60 % van de bevraagde Belgen voorstander is van een algemene nultolerantie en dat 75 % nultolerantie voor onervaren bestuurders steunt. Het maatschappelijk draagvlak is er dus. Zoals u weet is er een wetsvoorstel in de Kamer hangende. Dit zal dus worden besproken.

Op korte termijn plan ik onder meer de volgende beleidsmaatregelen. De politie zal na een positieve blaastest een langer tijdelijk rijverbod van twaalf uur opleggen. Nu varieert dat van twee tot twaalf uur, naargelang de graad van intoxicatie. Ook zal de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs gedurende veertien dagen steeds plaatsvinden vanaf een lagere drempel, namelijk al vanaf 0,8 promille. Momenteel is dat pas vanaf 1,2 promille. Beide maatregelen geven een krachtig signaal dat rijden onder invloed in onze samenleving niet langer wordt getolereerd.

Voor recidiverende bestuurders zal ik een verplicht alcoholslot veralgemenen vanaf 0,8 promille. Mijn administratie zal onderzoeken of een alcoholslot ook een geschikte beveiligingsmaatregel is voor personen met een verslavingsproblematiek, zoals in Finland, nu de nieuwe rijbewijsrichtlijn dat mogelijk maakt. Daarnaast wil ik herstelopleidingen introduceren, die onder meer focussen op rijden onder invloed, naast het bestaande herstelonderzoek, om gedragsverandering te stimuleren.

Ik ben het met u eens dat we, samen met collega’s van Volksgezondheid, Justitie en politie, moeten durven nadenken over een integrale aanpak voor personen met een verslaving. Ik ben ervan overtuigd dat elk van de hierboven opgesomde maatregelen inzake rijden onder invloed een stapje in de richting kan zijn van een breed gedragen, sterke sociale norm.

Staf Aerts:

Dank u wel, mijnheer de minister. We zijn het over veel punten eens. Nu komt het er uiteraard op aan om dit alles ook daadwerkelijk uit te voeren. De BOB-campagne is een sterk merk. Die loopt al twintig jaar, maar tegelijk stellen we vast dat ze niet volstaat. Ondanks die campagne zijn de cijfers inzake alcoholgebruik achter het stuur immers nog altijd heel hoog. Die cijfers liggen veel hoger dan in de rest van Europa. We moeten dus meer inspanningen leveren. Het opdrijven van het aantal controles is daarbij van belang, maar dat is en blijft slechts één aspect. Sensibilisering is dus belangrijk, net als meer controles en meer pakkans. Tegelijk moeten we ervoor zorgen dat mensen aangesproken worden wanneer ze naar hun wagen wandelen nadat ze hebben gedronken. Vandaag kan elke chauffeur zich nog altijd verschuilen achter het excuus dat hij maar een of twee glazen heeft gedronken en denken dat hij nog niet boven het toegelaten alcoholpercentage zit. Net dat vormt het probleem: die grijze zone maakt het moeilijk. In de Kamer is een wetsvoorstel rond nultolerantie hangende. Er zijn daarover al hoorzittingen georganiseerd, maar ik stel vast dat Vooruit, die het voorstel heeft geagendeerd, niet veel ambitie toont om het opnieuw ter stemming voor te leggen. Ik zal dat voorstel zeker steunen. We hebben het trouwens samen ingediend in de vorige legislatuur. Ik ben er echt van overtuigd dat alleen via nultolerantie mensen daadwerkelijk aangesproken zullen worden. Als je drinkt, rijd je niet. Zo wordt de BOB-slogan eindelijk in de praktijk gebracht. Alleen dan kunnen we ervoor zorgen dat we niet langer bij de 19 % achteraan het peloton bengelen, maar veeleer de koppositie innemen. Dat zal veel mensenlevens redden.

Educatieve apps voor kinderen

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vanessa Matz benadrukt dat bescherming van kinderen tegen digitale risico’s urgent is en dat ze via RGPD en Europese afspraken (leeftijdsverificatie, oudercontroles) strengere regulering nastreeft, maar geen federaal keurmerk voor educatieve apps bestaat. Samenwerking met Gemeenschappen/Régions voor een uniforme digitale geletterdheid is essentieel, hoewel educatie hun bevoegdheid blijft. Dufrane prijst haar inzet voor verantwoord digitaal onderwijs voor de eerste *"smartphone-generatie"*, maar concrete federale sturing ontbreekt nog.

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, Telenet a récemment lancé une offre mobile spécifiquement pensée pour les enfants, baptisée Telenet Mobile Junior. Elle inclut un volume limité de données et d'appels, ainsi qu'un accès gratuit à l'application ChatLicense, destinée à enseigner aux plus jeunes un usage responsable du numérique et des réseaux.

Cette initiative met en évidence une évolution du marché vers des services numériques ciblant les enfants, combinant accès technologique et visée éducative. Elle pose toutefois des questions fondamentales quant à l'encadrement de l'éducation numérique hors cadre scolaire, à la qualité pédagogique des outils numériques mis à disposition des mineurs, et à l'intérêt général qu'ils peuvent servir.

L'éducation au numérique devient une préoccupation importante au vu de la digitalisation de la société. Il est primordial que les niveaux de pouvoir travaillent de concert pour surveiller l'impact du numérique et former les jeunes générations à son usage.

Mes questions, madame la ministre, sont:

Le gouvernement fédéral dispose-t-il d'un cadre d'évaluation ou de labellisation pour les applications numériques à visée éducative proposées aux enfants?

Envisagez-vous de renforcer ou de soutenir la diffusion de telles applications via des partenariats public-privé, en lien avec les opérateurs ou les éditeurs responsables?

Des synergies sont-elles prévues avec les Régions ou les Communautés afin d'uniformiser les efforts d'éducation au numérique et de prévention des risques liés à l'usage des écrans?

Vanessa Matz:

Monsieur Dufrane, la protection des jeunes face aux dangers des réseaux sociaux n'est pas seulement une priorité, c'est une urgence absolue. Les enfants et adolescents sont exposés à des risques numériques de plus en plus complexes, et il est de notre responsabilité de garantir leur sécurité. Je m'engage donc sans relâche à renforcer la régulation de ces plateformes pour en faire des espaces numériques sûrs, respectueux et responsables.

En tant que ministre fédérale chargée du Numérique, je souligne que l'éducation numérique, notamment dans les écoles, relève principalement des Communautés. Toutefois, en cette même qualité, je joue un rôle clé dans la régulation des outils numériques, notamment en matière de protection des données via le règlement général sur la protection des données (RGPD), en particulier pour les mineurs.

Actuellement, il n'existe pas de cadre spécifique de labellisation pour les applications éducatives numériques destinées aux enfants, mais je veille à encourager des standards de qualité, de sécurité et de pédagogie.

Lors de la réunion européenne du Conseil Télécommunications du 6 juin, j'ai réaffirmé la volonté de la Belgique de participer aux solutions européennes, qui portent notamment sur l'introduction de la vérification de l'âge, le développement de designs adaptés et l'introduction de contrôles parentaux.

En ce qui concerne les synergies avec les Régions et Communautés, je souhaite mettre en place des collaborations dans le cadre d'une stratégie numérique nationale. Il est crucial que tous les niveaux de pouvoir unissent leurs efforts pour garantir une éducation numérique de qualité et uniformiser les actions de prévention des risques liés à l'usage des écrans.

En conclusion, bien que l'éducation numérique soit une compétence des Communautés, je reste pleinement engagée à réguler les outils numériques destinés aux enfants et à soutenir les initiatives visant à former les jeunes générations à un usage responsable et sécurisé des technologies.

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, je vous remercie de ne pas avoir botté en touche et d'avoir apporté toutes ces réponses. Je suis vraiment heureux de vous voir suivre la matière avec autant de détermination. Je rappelle que la nouvelle génération est la première à naître après le smartphone. Il est donc important de mettre en place un enseignement en lien avec cette technologie. Je me réjouis de voir que le gouvernement se positionne en faveur de ces applications d'apprentissage numériques.

De professionele stage voor afgestudeerde klinisch psychologen en orthopedagogen
De stage voor studenten in de klinische psychologie en klinische orthopedagogiek
De praktijkstage voor klinisch psychologen/orthopedagogen
De schrapping van de professionele stage voor klinisch psychologen en orthopedagogen
De verplichte stage voor klinisch psychologen en orthopedagogen
Stages en regelgeving voor klinisch psychologen en orthopedagogen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Minister Beenders verdedigt praktijktesten door Unia als noodzakelijk om discriminatie op de arbeidsmarkt bloot te leggen, maar verwerpt de juridisch-agressieve aanpak (ingebrekestellingen zonder voorafgaand overleg) in Gent, die hij contraproductief en draagvlakondermijnend noemt. Unia belooft dialoog te herstellen, maar Van Hoecke (N-VA) eist volledige afschaffing van praktijktesten en ontbinding van Unia, omdat ze volgens hem wantrouwen zaaien en overheidsbemoeienis normaliseren—een standpunt dat Beenders afwijst als realiteitsontkenning, wijzend op wetenschappelijk bewijs van structurele discriminatie. Tweede thema: Minister Vandenbroucke schrapt de verplichte professionele stage voor klinisch psychologen en pedagogen, ondanks kritiek uit de sector, omdat het systeem onuitvoerbaar bleek (slechts 239 stageplaatsen voor 1.400 afstudeerders). Hij belooft alternatieven (supervisie/intervisie), maar oppositiepartijen vrezen kwaliteitsverlies en eisen betere randvoorwaarden.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, de feiten zijn intussen genoegzaam bekend. Maar liefst 90 Gentse bedrijven, waaronder cafés, en scholen zijn door Unia in gebreke gesteld wegens vermeende discriminatie bij sollicitaties. Daarbij werden, zoals bij praktijktesten gebruikelijk is, valse sollicitatiebrieven verstuurd voor echte vacatures. Zo creëerde Unia bijvoorbeeld een fictieve sollicitant die last had van ruis en omgevingslawaai, maar toch solliciteerde voor een functie als onthaalmedewerker op een school.

De directeur liet weten dat het onthaal van de school allesbehalve prikkelarm is. Er zijn leerlingen met trauma’s en zware persoonlijke achtergronden. Voor de ingebrekestellingen nam Unia strafpleiter Walter Van Steenbrugge, toch niet de minste, onder de arm. De getroffenen hebben nu drie weken om te reageren. Sommige bedrijven hebben al contact opgenomen met een advocaat omdat ze zich daartoe genoodzaakt voelen. Dat zijn op zich al extra kosten, die, zo beseft iedereen, erg zwaar kunnen doorwegen, zeker voor een school of een kleine onderneming als een café.

De getroffen cafés, scholen en ondernemingen werden bovendien niet bevraagd over hun beweegredenen om niet op de fictieve sollicitaties in te gaan. Er werd geen hoor en wederhoor toegepast, enkel een juridische dreiging. Het stadsbestuur van Gent – in het verleden nochtans een groot voorstander van dergelijke praktijktesten – trekt er vandaag zijn handen van af en zegt niets te maken te hebben met de ingebrekestellingen en de acties van Unia.

Volgens de Gentse schepen voor gelijke kansen, Bram Van Braeckevelt, werkt Unia volledig onafhankelijk. Die schepen voegde eraan toe dat Unia de bedrijven opnieuw zal contacteren en daarbij de nadruk zal leggen op dialoog. Ook Voka riep trouwens op om de Gentse praktijktesten onmiddellijk stop te zetten.

De gang van zaken, die de afgelopen week uitvoerig aan bod is gekomen, roept fundamentele vragen op over de methodiek, de proportionaliteit en de legitimiteit van dergelijke acties, zeker wanneer die worden ondernomen door een overheidsinstelling, die dus met publieke middelen wordt gefinancierd.

Ik heb daarom een aantal vragen voor u, mijnheer de minister.

Ten eerste, wat is uw visie op de ingebrekestellingen die Unia in Gent heeft verstuurd? We hebben daarover al het een en ander in de media gelezen, maar kunt u daar wat dieper op ingaan?

Ten tweede, u hebt, als ik het goed begrepen heb, op 1 juli contact gehad met Unia over die kwestie. Wat was de reactie van Unia tijdens dat gesprek? Volgt er nog een opvolgingsgesprek?

Ten derde, vallen die praktijktesten en de bijhorende ingebrekestellingen volgens u onder de wettelijke opdracht van Unia?

Ten vierde, is het voorval in Gent een geïsoleerd incident? Dit incident werd uitvoerig belicht in de media, maar ik vraag mij af of Unia dergelijke praktijktesten elders ook al toegepast heeft, met bijkomende ingebrekestellingen.

Tot slot, wat zult u als minister ondernemen om ervoor te zorgen dat dergelijke praktijken nooit meer voorvallen?

Ik zou daar graag nog een laatste vraag aan toevoegen, wellicht de belangrijkste voor de betrokkenen. Hoe moet het nu verder voor hen? Volhardt Unia in zijn kwaadheid? We horen van de Gentse schepen dat Unia die bedrijven opnieuw zal contacteren. Klopt dat? Heeft Unia u daarover geïnformeerd?

Zijn juridische stappen nu echt van de baan, of mogen sommige van die 90 bedrijven een juridische lijdensweg verwachten?

Rob Beenders:

Mijnheer Van Hoecke, uw eerste vraag was wat mijn visie is op de ingebrekestellingen die door Unia werden verstuurd in Gent. Daarover kan ik duidelijk zijn. Ik ben voorstander van het inzetten van praktijktesten als methode om discriminatie op te sporen en aan te pakken. Dat heb ik ook altijd bevestigd, zowel in deze commissie als bij de presentatie van de beleidsnota’s. Het is immers bewezen dat praktijktesten noodzakelijk kunnen zijn om structurele uitsluiting op de arbeidsmarkt zichtbaar te maken.

De realiteit is dat, ondanks sensibilisering en de bestaande regelgeving, bepaalde groepen nog altijd structureel benadeeld worden. Om discriminatie effectief vast te stellen, zijn praktijktesten dan ook een nuttig instrument, ook in Gent, waar ze al tien jaar worden toegepast en hun nut bewezen hebben. In die zin steun ik het gebruik ervan.

De manier waarop Unia echter het dossier van de 90 ingebrekestellingen heeft aangepakt, steun ik absoluut niet. Ik ben daar vanaf het begin duidelijk over geweest. De opvolging door Unia van de praktijktesten in Gent gebeurde volgens mij niet op de juiste manier.

Daarbij gaat het niet over de praktijktesten zelf, want het zou verkeerd zijn om het kind met het badwater weg te gooien, dat is niet de bedoeling. Doordat Unia is overgegaan tot een juridische ingebrekestelling zonder eerst met de betrokken werkgevers te spreken, heeft het echter een belangrijke kans op een constructieve dialoog gemist. Dat betreur ik ten zeerste.

Ik kan mij dus niet vinden in de werkwijze waarbij mensen worden aangeschreven zonder voorafgaand gesprek, zonder dat ze de kans krijgen om een toelichting te geven of zich te verbeteren. Ik ben er echt van overtuigd dat dat niet de manier is om het draagvlak voor praktijktesten te versterken. Ik durf zelfs het tegenovergestelde beweren: het ondergraaft het draagvlak voor het instrument van praktijktesten.

In antwoord op uw tweede vraag kan ik bevestigen dat ik contact heb gehad met Unia over deze kwestie. Ik heb de berichtgeving daarover in de krant gelezen, want ik wil nogmaals duidelijk stellen dat die praktijktesten niet in mijn opdracht als minister zijn uitgevoerd. Ik ben als minister wel bevoegd voor onder andere Unia, maar wat in Gent is gedaan, is in overleg met de stad Gent gebeurd.

Zodra het nieuws in de krant is verschenen, heb ik Unia onmiddellijk uitgenodigd op het kabinet. In dat overleg heb ik mijn bezorgdheid over hun aanpak heel duidelijk overgebracht. Uit dat gesprek bleek dat de dossiers op zichzelf wel correct zijn uitgevoerd, maar werd ook bevestigd dat Unia in de verdere aanpak fouten heeft gemaakt. De stap naar een ingebrekestelling was niet ingebed in een fase van voorafgaande dialoog. Dat heeft terecht voor veel verwarring en vooral verontwaardiging gezorgd.

Ik was toevallig vandaag nog in een rusthuis in Gent dat ook een dergelijke brief had ontvangen. Ik kan u bevestigen dat men daar absoluut niet gelukkig mee was, al was het maar omdat het geld heeft gekost om daarop te antwoorden, aangezien het om een officiële juridische brief ging. Laat staan het gevoel dat die organisatie eraan heeft overgehouden: het is alsof ze met de vinger wordt gewezen en discriminatie toepast.

Als men op het terrein dergelijke reacties hoort, ben ik ervan overtuigd dat mijn reactie op de mediaberichtgeving en tijdens het overleg met Unia de juiste was. Dit is niet de manier om dit aan te pakken. Die zienswijze heeft Unia trouwens ook bevestigd.

Tijdens dat overleg heb ik Unia gevraagd om die aanpak grondig te herevalueren. Als we discriminatie ernstig nemen - en als minister doe ik dat voor de volle 100 % - dan moet die aanpak degelijk en proportioneel zijn. Als men een draagvlak wil creëren, dan doet men dat niet met juridische dreigingen als eerste stap, maar probeert men in overleg te gaan en een partnerschap te sluiten, dan begeleidt men mensen, organisaties en ondernemingen en is men vooral heel transparant.

Ik heb tegen Unia gezegd dat we die werkwijze echt willen zien in de praktijk en dat we hen zullen blijven opvolgen wat dat betreft. Dat heb ik zeer duidelijk gemaakt tijdens dat overleg. Ik heb begrepen dat er op basis van het overleg een bijkomende vergadering van de raad van bestuur werd belegd, waar dit dossier ter sprake is gekomen. Ik heb ook telefonisch contact gehad met de voorzitter van de raad van bestuur en heb daarin mijn ongenoegen geuit.

Uw derde vraag was of die praktijktesten en bijhorende ingebrekestellingen volgens mij onder de wettelijke opdracht van Unia vallen. Unia heeft als opdracht het bestrijden van elke vorm van discriminatie, onderscheid, uitsluiting, beperking, uitbuiting of voorkeur op grond van onder andere huidskleur, handicap of seksuele voorkeur. Praktijktesten zijn een middel om ongelijke behandeling in kaart te brengen. Die praktijktesten in Gent werd uitgevoerd door de stad Gent, in samenwerking met Amal vzw. De dossiers waarin een vermoeden van discriminatie werd vastgesteld, werden vervolgens overgemaakt aan Unia voor verdere behandeling. Het is niet onbelangrijk om dat te schetsen. Het is dus niet Unia dat die praktijktesten heeft uitgevoerd, maar wel de stad Gent, in samenwerking met Amal.

Zowel het samenwerkingsakkoord met Unia als de federale antidiscriminatiewetgeving bepalen dat Unia in rechte kan optreden in geschillen waartoe die wetten aanleiding kunnen geven. De ingebrekestelling is op zich geen juridische sanctie, maar wel een formele aanmaning, waarbij een partij wordt verzocht maatregelen te nemen of te reageren binnen een redelijke termijn. Dit kader laat Unia dan toe om in bepaalde dossiers juridische stappen te overwegen, maar dat vereist telkens een zorgvuldige en proportionele benadering, iets wat volgens mij in dit geval niet optimaal is gebeurd.

Uw vierde vraag was of het voorval in Gent een geïsoleerd incident is of dat Unia ook elders al praktijktesten heeft toegepast en ingebrekestellingen verstuurd. Volgens de informatie die naar voren kwam uit het overleg met Unia was dit de eerste keer dat Unia op deze schaal betrokken is bij juridische praktijktesten die werden uitgevoerd in opdracht van een stad.

In het verleden zijn er wel praktijktesten uitgevoerd in andere steden, zoals Antwerpen, Brugge en Leuven, maar de stap naar een ingebrekestelling via advocaten werd nooit eerder op die schaal gezet. Ik concludeer dan ook dat het om een geïsoleerd incident gaat. Tegelijkertijd is het een duidelijke aanleiding om ervoor te zorgen dat zoiets zich niet herhaalt, zonder voorafgaand overleg en vooral zonder correcte communicatie.

U vroeg ook wat ik zou ondernemen om ervoor te zorgen dat die praktijken niet meer zouden plaatsvinden. Tijdens het officiële overleg heb ik mijn bezorgdheden duidelijk overgebracht aan Unia en ook expliciet aangegeven wat wij vanuit de federale regering verwachten. Ik heb daarbij zeer duidelijk gesteld dat die handelswijze zich op die manier niet mag herhalen. De manier waarop de ingebrekestellingen verstuurd zijn, heeft geleid tot onrust, onbegrip en juridische onzekerheid. Dat is nu net het tegenovergestelde van wat we willen bereiken met praktijktesten.

U stelde nog een andere vraag over wat er nu zal gebeuren. Daarop kan ik op dit moment geen antwoord geven. We hebben heel duidelijk gemaakt wat onze bezorgdheden zijn, wat we van hen verwachten en vooral wat we niet van hen verwachten. Het is nu aan hen om daarmee aan de slag te gaan. Uiteraard blijven we het dossier opvolgen. Ik sta in permanent contact met Unia, net als mijn kabinet. Het dossier zal niet van de radar verdwijnen zolang niet alles duidelijk is.

Ik ben het helemaal met u eens, als er op die manier verdere stappen worden gezet die de ongerustheid en juridische onzekerheid vergroten inzake praktijktesten, maar ook breder in dossiers over discriminatie, dan moet dat stoppen. Dat heeft totaal geen nut. Het doel van praktijktesten is immers om discriminatie te verminderen en aan te pakken, niet om onrust te zaaien op het terrein.

Ondertussen blijf ik als minister strijden tegen discriminatie op de arbeidsmarkt. Dat is geen vrijblijvende opdracht, maar we moeten wel het juiste doen. Alleen dan kunnen we vooruitgang boeken. De manier waarop het in Gent is verlopen, is niet voor herhaling vatbaar.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor uw antwoorden, die heel volledig waren. U hebt terecht kritiek op de werkwijze van Unia geuit. Ik ben tevreden dat u die werkwijze veroordeelt. Het tegendeel had mij ernstige zorgen gebaard.

U hebt meerdere keren gezegd dat u niet wilt controleren, maar u wilt dit wel verder opvolgen. Ik denk dat u wel moet controleren, want Unia is nog altijd een instituut met een wettelijke opdracht. Het ontvangt nog steeds belastinggeld. Als uitvoerende macht hebt u een duidelijke controlefunctie. U moet wel degelijk controleren, zeker wanneer het gaat over ingrijpende zaken zoals de praktijktesten en de juridische stappen die Unia daarbij overweegt.

Ik denk dat we ons ook de vraag moeten durven te stellen hoe het überhaupt mogelijk is dat Unia zich met zulke absurditeiten bezighoudt. Waarom stuurt Unia nepsollicitaties uit in naam van een fictieve persoon met een prikkelstoornis voor de functie van onthaalmedewerker bij een school waar duidelijk leerlingen zitten die niet de meest rustige zijn, als ik het zo mag zeggen? Waarom stuurt Unia een topstrafpleiter op een school of zelfs op een rusthuis af, omdat die niet ingaat op een sollicitatie? Die vraag moeten we ons wel durven te stellen. Waar komt dit vandaan?

Dat komt omdat we nog altijd niet die compleet absurde praktijktesten durven te veroordelen. Ik denk dat u vandaag heel wat redenen hebt opgesomd waarom die praktijktesten eigenlijk geen goed instrument zijn. U zegt dat u een voorstander van praktijktesten blijft, maar tegelijk noemt u tal van redenen waarom ze in de praktijk geen goed idee blijken te zijn.

Uw partij, Vooruit, is altijd hevig voorstander van die praktijktesten geweest. Hoe meer, hoe liever. Dan moet u ook leren leven met de consequentie dat dit het resultaat is. Dit is eigenlijk een logische actie van Unia in die optiek. Binnen dat paradigma doet Unia gewoon wat er politiek, voornamelijk vanuit linkse hoek, al jarenlang wordt gevraagd: discriminatie harder beoordelen, meer controleren, vacatures overstelpen met praktijktesten met valse sollicitaties om te zien of er sprake is van discriminatie en daar ook gevolgen aan koppelen.

U hebt in de pers gezegd dat pas als iemand herhaaldelijk en moedwillig dezelfde fouten maakt, een juridische procedure overwogen kan worden. Ja, u koppelt daar dus nog steeds een juridische procedure aan. Het is niet zo dat u bijvoorbeeld zegt dat praktijktesten nuttig zijn om te kunnen meten of er discriminatie op de arbeidsmarkt is.

U stelt dat hier wel degelijk ook een juridische consequentie aan gekoppeld moet kunnen worden.

Met andere woorden, er is eigenlijk niets mis – dat hebt u, als ik mij niet vergis, ook met zoveel woorden gezegd – met de werkwijze van Unia op het vlak van praktijktesten, maar het moet wel even wachten met dure advocaten af te sturen op bedrijven, op scholen, op cafés, op rusthuizen en met mensen voor de rechter te slepen. Dat het daar even mee wacht, dat hoeft niet onmiddellijk te gebeuren.

Daar zit natuurlijk het probleem, mijnheer de minister. De werkwijze van Unia wordt fundamenteel niet veroordeeld. Zolang dat niet gebeurt, blijven we met hetzelfde probleem zitten, want dat is nu eenmaal de richting waarin die praktijktesten evolueren.

Ik vind die praktijktesten getuigen van een enorm wantrouwen tegenover ondernemers, tegenover de hele samenleving eigenlijk. Als we zien wie er geviseerd werd in Gent – rusthuizen, scholen, cafés – dan is het duidelijk dat niemand nog veilig is.

Het veronderstelt ook dat men via praktijktesten in het hoofd kan kijken van iemand die een beslissing neemt – in het hoofd van een werkgever of van een school – en dat men ervan uitgaat dat men op basis van één sollicitatie waarop niet werd ingegaan, in dat individuele geval schuldig is aan discriminatie en dat daar ook gevolgen aan moeten worden gekoppeld. We zijn nu op dezelfde manier bezig als de stad Gent, die wanneer het te absurd wordt haar handen ervan aftrekt, maar in het verleden wel stond te springen om praktijktesten in te voeren en harder op te treden tegen elke vorm van discriminatie.

Ik rond af. Onze oproep is altijd heel duidelijk geweest: niemand zou mogen vrezen dat de overheid over zijn schouder meekijkt bij een aanwervingsprocedure. Die vrijheid staat centraal in een vrije samenleving. Met dat standpunt – dat nochtans gedragen wordt door een meerderheid van de Vlamingen – staan wij vandaag echter blijkbaar alleen.

Ik dien dan ook een motie van aanbeveling in. We vragen u daarin slechts drie zaken, mijnheer de minister. Ten eerste, u moet heel duidelijk oproepen, niet om te stoppen met juridische vervolging, maar wel om te stoppen met praktijktesten tout court . Ten tweede, u moet de subsidiëring van Unia eindelijk volledig stopzetten. We hebben in Vlaanderen een Vlaams Mensenrechteninstituut ingevoerd dat handenvol geld kost, om vervolgens Unia federaal ook nog eens te subsidiëren. Tot slot moet u – dat staat ook in een resolutie die wij opnieuw zullen indienen – de nodige stappen zetten om Unia te ontbinden.

De voorzitster : U wenst te reageren, mijnheer de minister?

Rob Beenders:

Ik had gehoopt op een intellectueel correct debat; ik heb trouwens op een heel correcte manier geantwoord op uw vragen. U gooit hier heel wat dingen op een hoop, terwijl het daar niet over gaat. Ik distantieer mij van de manier waarop de praktijktesten werden opgevolgd, maar niet van de praktijktesten zelf. De praktijktesten worden al tien jaar uitgevoerd in Gent, zonder problemen en zijn degelijk wetenschappelijk onderbouwd. Tal van studies tonen aan dat niet iedereen dezelfde kansen krijgt om bijvoorbeeld een job te vinden. Het is dan ook niet realistisch te verwachten dat iedereen die moet bijdragen aan de samenleving en geacht wordt te werken, automatisch dezelfde kansen heeft om op de arbeidsmarkt te starten. Of u dat nu wilt of niet, u kunt het zonlicht niet ontkennen, het is eenvoudigweg niet zo. Dat zeg ik niet omdat ik ideologisch niet aan uw zijde sta, maar omdat het om feiten gaat. Wetenschappelijke studies tonen zeer duidelijk aan dat bepaalde groepen niet met gelijke kansen aan een sollicitatieprocedure beginnen. U kunt dat niet ontkennen, dat is de realiteit.

Wat doen we daarmee? Niets? Laten we die mensen aan hun lot over? Zij vinden geen werk, komen in de bijstand terecht en vervolgens voeren we hier een discussie over het feit dat er te veel overheidsgeld naar mensen gaat die niet werken. Dat is een andere discussie. De vraag is of we instrumenten die wetenschappelijk bewezen gelijke kansen stimuleren, inzetten om een extra duwtje in de rug te geven aan wie dat nodig heeft. Praktijktesten behoren op het moment tot de weinige bewezen instrumenten die daartoe bijdragen.

De opvolging van praktijktesten is cruciaal en dat is voor Gent niet correct verlopen. Het is niet aanvaardbaar om met ingebrekestellingen te starten, zodra er iets wordt vastgesteld. Integendeel, men moet er net mee aan de slag gaan om het probleem op te lossen. Door alles, praktijktesten en de opvolging ervan, op een hoop te gooien en in de vuilnisbak te werpen, creëren wij geen gelijke kansen voor iedereen op de arbeidsmarkt. Discriminatie is geen futiliteit. Ik wil het debat op dat vlak eerlijk, correct en zuiver voeren. Niet iedereen heeft dezelfde kansen om een job te vinden, dat is een feit. U kunt zich voorstellen dat het anders is, maar dat maakt het nog niet waar.

Als u een alternatief recept hebt om het probleem op een andere manier aan te pakken, neem dat op in een motie van aanbeveling. Ik zal mijn partij steunen om daarvoor te stemmen. Gooi het kind niet met het badwater we; u probeert mensen iets wijs te maken. Het is niet zo.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, u werpt op dat we het debat intellectueel eerlijk moeten voeren. Ik doe dat hier ook duidelijk. Ik zeg dat het niet enkel gaat over de opvolging van de praktijktesten. U zegt heel duidelijk dat u voorstander bent van praktijktesten, omdat die nodig zijn om discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden. Wees dan echter ook consequent. De enige logische conclusie die u kunt trekken uit de praktijktesten als middel om discriminatie te bestrijden, is dat de overheid meekijkt over uw schouder en dat er uiteindelijk ook juridische stappen worden gezet richting bedrijven die verdacht worden van discriminatie op de arbeidsmarkt of op de huurmarkt. Dat is de enige logische conclusie. Wat Unia heeft gedaan, is eigenlijk precies wat u nu bepleit, namelijk dat in de praktijk uitvoeren.

Dan kunt u inderdaad beklagen dat Unia te snel is overgegaan tot juridische stappen. Uiteindelijk bent u het dan echter nog altijd met Unia eens dat er na de praktijktesten juridische stappen moeten volgen. U zegt immers ook duidelijk dat praktijktesten er niet alleen zijn om discriminatie te meten, maar ook om die te bestrijden.

Wij kunnen daarover van mening verschillen, maar dat is niet het maatschappijmodel waarvoor ik kies. Ik kies niet voor een maatschappij waarin de overheid meekijkt over iemands schouder om na te gaan of men wel een beslissing neemt op basis van de juiste gronden of om te controleren of de persoon die men aanwerft, niet toevallig een andere achternaam heeft, zodat men van discriminatie verdacht kan worden. Dat is absoluut niet het model waarvoor ik kies, en het zou mij zeer, zeer, zeer sterk verbazen, als veel Vlamingen daar wél voor kiezen.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alexander Van Hoecke en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van de heer Alexander Van Hoecke

en het antwoord van de minister van Consumentenbescherming, Socialefraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen,

- overwegende dat maar liefst 90 Gentse bedrijven, waaronder ook cafés en scholen, door Unia in gebreke zijn gesteld omwille van vermeende discriminatie bij sollicitaties;

- overwegende dat er geen hoor en wederhoor werd toegepast door Unia en er meteen van uitgegaan werd dat iedereen die niet inging op de fictieve sollicitaties daartoe discriminatoire redenen had;

vraagt de regering

- Unia op te roepen om onmiddellijk te stoppen met het uitvoeren van praktijktesten;

- de subsidiëring van Unia volledig stop te zetten;

- de nodige stappen te zetten om Unia te ontbinden. "

Une motion de recommandation a été déposée par M. Alexander Van Hoecke et est libellée comme suit:

" La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de M. Alexander Van Hoecke

et la réponse du ministre de la Protection des consommateurs, de la Lutte contre la fraude sociale, des Personnes handicapées et de l'Égalité des chances,

- considérant que pas moins de nonante entreprises gantoises, dont également des cafés et des écoles, ont été mises en demeure par Unia pour présomption de discrimination à l'embauche;

- considérant qu'Unia n'a pas appliqué les principe du contradictoire et est d'emblée parti du postulat que toutes les candidatures fictives n'ayant pas reçu de suite, n'avaient pas été retenues pour des raisons discriminatoires;;

demande au gouvernement

- d'exhorter Unia à cesser immédiatement de réaliser des tests de situation;

- de suspendre totalement le versement des subventions à Unia;

- de prendre les mesures nécessaires pour dissoudre Unia. "

Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Funda Oru.

Une motion pure et simple a été déposée par Mme Funda Oru .

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Je remercie le ministre Beenders pour sa présence et suspends nos travaux en attendant l'arrivée du ministre Vandenbroucke et la reprise de nos questions orales.

Le développement des questions et interpellations est suspendu de 13 h 55 à 14 h 14.

De behandeling van de vragen en interpellaties wordt geschorst van 13.55 uur tot 14.14 uur.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dank u voor uw aanwezigheid en voor de gelegenheid om nog een aantal vragen te stellen over de actualiteit. Eerder had ik al een vraag ingediend over de stand van zaken met betrekking tot de organisatie van de professionele stage.

Ondertussen hebben we via de media vernomen dat u nu definitief zou hebben beslist om die professionele stage te schrappen. Tijdens de vorige legislatuur hebt u ook al verschillende keren de verplichting tot het volgen van een professionele stage uitgesteld. Onze partij heeft zich daar altijd tegen verzet, omwille van redenen die afgelopen week ook werden verwoord door de Vlaamse Vereniging van Klinisch Psychologen en door Nady Van Broeck, emeritus-hoogleraar klinische psychologie aan de KU Leuven.

Die mensen achten de extra praktijkervaring nodig om de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg te waarborgen. Tijdens de opleiding is er namelijk te weinig ruimte voor praktijkoefening. We mogen hier niet vervallen in casuïstiek, maar mijn eigen nichtje, die klinische psychologie heeft gestudeerd, voelde zich na haar opleiding onvoldoende gewapend om meteen aan de slag te gaan. Ze heeft dan ook voortgezette opleidingen gevolgd in het avondonderwijs, om zich toch voldoende klaar te voelen om met patiënten te werken. Dat illustreert hoe belangrijk zo’n professionele stage is.

Ook vanuit het perspectief van de patiënt is de schrapping nefast, aangezien mensen met psychische problemen bijzonder kwetsbaar zijn. Bovendien dreigt de schrapping van de professionele stage op termijn duurder uit te vallen, enerzijds omdat behandelingen niet altijd van voldoende kwaliteit zullen zijn, anderzijds omdat er onvoldoende psychologen effectief aan de slag gaan als klinisch psycholoog.

U haalt aan dat u geen stagemeesters kunt vinden. Wat ons betreft, is het net een taak van de overheid om daarvoor de juiste randvoorwaarden te creëren. Het is ook de taak van de Vereniging van Klinisch Psychologen om haar leden aan te sporen zich kandidaat te stellen als stagemeester. Dat vraagt extra inspanningen, maar het laat praktijken tegelijk ook toe om hun wachtlijsten te verkorten.

Mijnheer de minister, wat is uw reactie op de standpunten van de Vlaamse Vereniging van Klinisch Psychologen en mevrouw Nady Van Broeck? Hoe wilt u de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg bewaken, nu u de professionele stage hebt geschrapt? Zult u in overleg gaan met het onderwijs om tijdens de opleiding in meer praktijkervaring te voorzien of bent u bereid om, in overleg met de sector, toch opnieuw werk te maken van meer stageplaatsen?

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, ma question est de la même veine que la précédente. Lorsque les professions de psychologue clinicien et d'orthopédagogue clinicien ont été reconnues comme professions de santé, la reconnaissance d'une pratique autonome était liée à l'obligation d'effectuer un stage professionnel sous supervision. Cette mesure visait à renforcer la qualité des soins de santé mentale, objectif que nous partageons pleinement. Mais la mise en œuvre de cette obligation a été reportée à plusieurs reprises, par manque de maîtres de stage.

Aujourd'hui, votre volonté est d'affaiblir ce stage professionnel obligatoire, ce qui suscite une inquiétude au sein de la profession. On sait que ce dossier est complexe. L'accord de gouvernement prévoit d'ailleurs de réévaluer le dispositif, précisément en raison des difficultés d'organisation et de l'insuffisance du nombre de maîtres de stage disponibles. Il prévoit également que des solutions doivent être trouvées pour accompagner efficacement les jeunes professionnels au début de leur carrière et de garantir des soins de qualité aux patients.

Jusqu'à présent, le choix persistant de report à plusieurs reprises et l'absence d'un cadre clair de mise en œuvre ont entraîné des problématiques importantes qui sont soulevées aujourd'hui par le secteur, mais aussi par les étudiants concernés. On est face à une incertitude pour les étudiants et les établissements de soins. On est face à une hésitation des superviseurs potentiels en raison de l'absence d'informations suffisantes quant à leur statut officiel, la rémunération, le nombre de supervisions qu'ils peuvent assurer et leur rôle réel. Et nous sommes face aussi à de longs délais de traitement pour ceux qui se porteraient candidats malgré cette hésitation et ce manque d'informations suffisantes.

Par ailleurs, ce qui est quelque peu paradoxal, c'est que les institutions universitaires n'ont par contre pas attendu pour créer, souvent sur fonds propres, des certificats universitaires, des formations de maîtres de stage pour cette année de pratique supervisée, en soulignant qu'il est vraiment important d'avoir des professionnels de qualité.

Monsieur le ministre, depuis les différents reports qui devaient permettre aux acteurs concernés d'assurer la mise en œuvre concrète du stage professionnel, quelles mesures avez-vous prises pour assurer la faisabilité de ce stage? Quelles concertations avez-vous menées ces dernières années avec les acteurs concernés pour trouver des solutions? Pourquoi choisir aujourd'hui d'affaiblir le stage obligatoire au lieu de s'attaquer aux problèmes de mise en œuvre et de faisabilité rencontrés depuis plusieurs années? Comment faire, dans ce cadre, pour garantir la qualité des prestations de soins effectuées par nos jeunes diplômés? Enfin, comment comptez-vous organiser la concertation avec le secteur pour trouver des solutions d'accompagnement de nos jeunes diplômés? Il faut en effet trouver des solutions de qualité et dans un délai court. Monsieur le ministre, je souhaiterais dès lors avoir des précisions quant à votre agenda sur ce dossier.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, de voorgaande twee collega's hebben het probleem al aangekaart. U bent van plan om de verplichte gesuperviseerde professionele praktijkstage voor klinisch psychologen en pedagogen, zoals bepaald in de wet van 2015, te schrappen. Uw motivatie daarvoor is het tekort aan stagemeesters en de complexiteit van de erkenningsprocedure. Nochtans wordt dat op het terrein tegengesproken, of beter, men spreekt van een gemakkelijkheidsoplossing in plaats van onderbouwd beleid. U wordt met de vinger gewezen wegens te weinig communicatie met de beroepsgroep over de modaliteiten – waar hebben we dat nog gehoord? –, te veel administratieve rompslomp en het uitblijven van een sui generis statuut.

Mijnheer de minister, kunt u uitleggen waarom u kiest voor een wetswijziging die de kwaliteit, de veiligheid en de effectiviteit van de geestelijke gezondheidszorg dreigt te ondergraven, in plaats van te kiezen voor structurele oplossingen?

Erkent u dat uw voorstel niet alleen indruist tegen de geest van de wet van 2015, maar ook tegen gangbare nationale en internationale standaarden in de geestelijke gezondheidszorg?

Frank Vandenbroucke:

Geachte Kamerleden, ik heb de voorbije jaren, samen met mijn medewerksters, ongelooflijk veel inspanningen geleverd. We hebben op alle mogelijke manieren nagedacht over hoe we het mooie principe, dat door mevrouw De Block in 2015 in een wet is ingeschreven, in de praktijk konden brengen.

Ik kan u niet zeggen hoeveel vergaderingen daaraan besteed zijn, zoals overleg met de sector, aanpassingen van het dispositief, versoepelingen van het systeem, het mogelijk maken om de criteria voor stagemeesters te versoepelen, zodat het aantal erkende stagemeesters en stageplaatsen kon worden verhoogd, de administratieve vereenvoudiging van de registratieprocedures voor stagemeesters en stagediensten, en we hebben gepleit – ik zou bijna zeggen: gebeden en gesmeekt – om stagemeesters. Het lukt niet. Het lukt niet.

Die wet van 2015 blijkt in de praktijk onuitvoerbaar. Het blijft theorie. Ik daag u uit om het in mijn plaats te proberen. Mocht u dat overwegen, dan zal u ondervinden dat het niet lukt. Le mieux est l’ennemi du bien , zegt men in het Frans. Het is daar een mooi voorbeeld van. Het is een mooi principe, maar onuitvoerbaar. Het is een theoretische, papieren constructie. Het terrein mobiliseert zich daarvoor niet.

De professionele verenigingen van zelfstandige klinisch psychologen en een aantal experten geven aan dat ze er veel aan zouden hebben. Ik begrijp dat ook. U mag het echter in mijn plaats komen proberen. We hebben daar jarenlang tijd en energie in gestoken, met allerlei iteraties om het toch maar te laten slagen. Het lukt niet. Als iets niet lukt, moet men op een bepaald moment ook durven zeggen dat het niet lukt.

Ondanks al die inspanningen hadden we op 14 april van dit jaar in heel het land slechts 139 erkende stagemeesters en 239 stageplaatsen gevonden, terwijl er naar schatting 1.400 studenten zullen afstuderen in de klinische psychologie dit academiejaar. Met zulke cijfers kan men geen verplichte professionele stage opleggen, want als we dat wel doen, creëren we een bottleneck waardoor de instroom in het werkveld volledig stilvalt.

Iemand moet op een bepaald ogenblik durven zeggen dat het niet lukt, dat het theorie is, dat het op papier blijft staan:, dat het na zoveel jaren niet uitgevoerd raakt. We gaan het terrein niet in chaos storten. We stoppen die poging. Ik blijf bij dat standpunt. Ik zal u niets wijsmaken en de studenten evenmin. Jaar na jaar heb ik het opnieuw geprobeerd. Ik heb gebeden en gesmeekt om stagemeesters, maar niet gevonden. Niet gevonden! Wat moet men dan doen?

We moeten inderdaad andere oplossingen zoeken. We moeten een duurzame oplossing vinden en we moeten daarover transparant zijn tegenover de studenten.

Ce sont donc les raisons pour lesquelles nous avons décidé de supprimer définitivement l'année de stage obligatoire, qui n'a jamais été appliquée. Il s'agit d'une décision difficile que l'on peut regretter – et c'est mon cas –, mais qui offre quand même aux diplômés la clarté et la sécurité nécessaires pour pouvoir entrer sur le marché du travail sans obstacle insurmontable. Cela ne signifie toutefois pas que nous ignorions le besoin d'un accompagnement de qualité en début de carrière – bien au contraire. En concertation avec les acteurs et les étudiants, nous souhaitons réorienter l'approche vers un cadre renforcé de formation continue d'intervision et de supervision. Des concertations ont déjà eu lieu à ce sujet le 13 juin et le 10 juillet avec mes collaborateurs, les universités et les associations professionnelles. Une concertation a eu lieu au début du mois avec les représentants de la Vlaamse Vereniging voor Studenten (VVS) et de la Fédération des étudiants francophones (FEF). En collaboration avec les associations professionnelles et les universités concernées, une communication sera diffusée auprès des étudiants dans les plus brefs délais, c'est-à-dire d'ici le début de l'année académique – en septembre prochain –, afin qu'ils sachent à quoi s'attendre. Il n'y aura pas de stage obligatoire à l'issue de leurs études.

Op die manier wordt er duidelijkheid en rechtszekerheid gecreëerd. We zullen dus, in overleg met de sector en de studentenorganisaties, inzetten op het versterken van permanente vorming, intervisie en supervisie voor de pas afgestudeerden. Ik wil op die manier een haalbaar, realistisch plan creëren dat afgestemd is zowel op de noden als op de realiteit op het werkveld.

Ik heb me daarnet even vergist in het cijfer. Ik zei dat er 1.400 studenten zijn dit academiejaar. Dat gaat natuurlijk over het aantal afstuderende studenten in het academiejaar 2025-2026, dus het volgende academiejaar. De kloof tussen het aantal stageplaatsen en het aantal studenten is onoverbrugbaar. Na vier jaar is er, ondanks alle mogelijke pogingen, amendementen en aanpassingen, geen enkele vooruitgang geboekt. Daarom heb ik die beslissing genomen

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, uit uw antwoord merk ik op dat u bekommerd bent en dat u er zelf mee verveeld zit. Dat neemt niet weg dat wij vinden dat we ons daar niet zomaar bij kunnen neerleggen, aangezien de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg toch staat of valt met een degelijke opleiding. Ik denk dat we het morgen ook niet zouden aanvaarden dat leerkrachten voor de klas gaan staan die nooit een stage hebben gelopen of dat huisartsen onmiddellijk zouden starten zonder dat ze huisarts in opleiding zijn geweest. Kortom, ik denk dat het wel degelijk uw verantwoordelijkheid is en ook tot uw mogelijkheden behoort om de wetgeving zodanig aan te passen dat er wel degelijk sprake kan zijn van een professionele stage.

Ik heb zelf te weinig zicht op de nodige concrete randvoorwaarden. Het zou om vergoedingen voor stagemeesters of voor de betrokkenen zelf kunnen gaan. Wellicht spelen nog andere randvoorwaarden mee. U bent daar niet op ingegaan. U hebt wel gezegd dat u daarover al veel hebt overlegd en dat u al allerlei zaken hebt bijgestuurd, maar u bent niet erg concreet ingegaan over wat dat dan precies inhoudt. We blijven dus op onze honger zitten en we zullen zeker vragen blijven stellen en ons daarin verder verdiepen. De patiënten verdienen namelijk begeleiding door professionals die daar wel degelijk toe in staat zijn.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses.

Au sein des Engagés, nous soutiendrons toujours la concertation avec les acteurs concernés – vous le savez.

Ayant été doyen de faculté, j’ai suivi le dossier de très près. Plusieurs années se sont écoulées, lors desquelles nous avons reporté la mise en application de cette année de pratique supervisée. Il est vrai que nous arrivons tard avec l'idée de supprimer. Nous aurions pu, beaucoup plus tôt, nous dire qu'il y avait un problème de faisabilité, le nombre de maîtres de stage agréés et de lieux de stage n'ayant pas augmenté énormément ces dernières années.

Vous me dites que la solution est de focaliser plus l'action sur la formation continue, l'intervision et la supervision. Je crois qu'il faut être prudents, parce que mettre en place de la formation continue, un dispositif d'intervision ou un système de supervision est tout aussi laborieux en termes d'organisation, sachant qu’il y a des centaines, voire plus d'un millier de diplômés par an.

La tâche est difficile. Il faut vraiment que ces solutions d'accompagnement soient concertées avec les acteurs de terrain – qui sont en attente – pour garantir la qualité de la prise en charge par ces psychologues et orthopédagogues cliniciens fraîchement diplômés, à l'avenir.

Dominiek Sneppe:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. In een samenleving waarin de geestelijke gezondheidszorg zwaar bevraagd wordt, moeten er niet alleen meer zorgverleners zijn, we moeten ook de kwaliteit bewaken. Ik meen dat de stage noodzakelijk is om de vereiste kwaliteit te garanderen. Ik wil daarbij het voorbeeld herhalen dat mijn collega eerder gaf. Stel u een specialist of arts voor die meteen na de studies in het beroep stapt. Dat zouden we ook niet toejuichen. Die stage bestaat met reden en die reden is net het waarborgen van de kwaliteit. Wat is er dan mis met de stage? Volgens het werkveld kan daar heel wat aan verbeterd worden. Er is sprake van een aanzienlijke administratieve rompslomp. Er is rechtsonzekerheid, zowel bij studenten als bij de zorginstellingen. Er is een beperkte pedagogische financiering en het erkenningsproces verloopt stroef. Dat zijn zaken waar u effectief iets aan zou kunnen doen. U zegt dat u in overleg bent, maar vanuit het werkveld horen wij andere signalen. Daar blijkt dat dat overleg niet echt overlegmatig is. Er zijn verschillende adviezen uit het werkveld gekomen, maar men signaleert dat er nauwelijks of zelfs geen overleg is. Dat doet denken aan wat er nu met de artsen gebeurt. Blijkbaar gebeurt hetzelfde bij de klinisch psychologen en pedagogen. U denkt dat er overleg is, maar het werkveld vindt van niet. U leeft dus op gespannen voet. U beweert van alles geprobeerd te hebben. Ik betwijfel dat, aangezien het werkveld met suggesties en adviezen gekomen is, maar die pasten blijkbaar niet in uw plaatje. U zegt nu dat u zult inzetten op intervisie en supervisie, maar waarom zou u daarvoor wel geschikte mensen vinden en voor de klinische stages niet? Daar stel ik mij grote vragen bij. Ik vrees dat het de geestelijke gezondheidszorg zeker niet ten goede zal komen. De voorzitster : Vraag nr. 56006080C van mevrouw Irina De Knop is omgezet in een schriftelijke vraag.

Het onderzoek van de Economische Inspectie in de gamesector

Gesteld door

PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische Inspectie Economie ontdekte dat 80% van de onderzochte videogames misleidende praktijken (zoals verborgen abonnementen, virtuele valuta en lootboxes) gebruikt, maar Belgische ontwikkelaars overtreden geen regels—het probleem ligt bij buitenlandse bedrijven. Minister Beenders benadrukt dat Europese samenwerking via het CPC-netwerk (met richtlijnen en dialoog met de sector) de enige effectieve oplossing is, aangezien nationale handhaving beperkt is. Prévot kritiseert het trage en te passieve Europese optreden, vergelijkbaar met eerdere problemen bij online goksites, en vraagt om strengere, proactieve maatregelen. Beide partijen roepen op tot versterkte EU-actie om consumenten beter te beschermen tegen wijdverspreide manipulatie in de gamesector.

Patrick Prévot:

Monsieur le Ministre,

Sous l'égide de l'International Consumer Protection and Enforcement Network (ICPEN) et coordonnée par l'Inspection économique du SPF Économie, un contrôle massif a été menée dans le secteur du jeu vidéo.

En mars dernier, le journal L'Écho nous rapportait qu'en 2024, les Belges ont dépensé pour 698 millions d'euros en jeux vidéo, services et appareils. Cela représente un bond de 12% par rapport aux années précédentes. Pour avoir une vue plus macroéconomique, le secteur du jeu vidéo brasse aujourd'hui plus d'argent que l'industrie cinématographique.

Les consommateurs sont souvent des jeunes, même des très jeunes. Je salue l'initiative de l'ICPEN et le travail de l'Inspection économique. Ces contrôles semblaient indispensables vu les résultats : 80% des jeux vidéo contrôlés usent de pratiques trompeuses – impossibilité de désactiver des abonnements automatiques lors d'un achat; utilisation de monnaies virtuelles; versions payantes de coffres à butin virtuel qui sont interdits sur notre territoire.

Je lis que le SPF Économie invite les joueurs à signaler toute pratique de ce type sur le site ConsumerConnect.be afin qu'une enquête puisse être ouverte. Toutefois, dans les limites du cadre légal, j'ai un goût de « trop peu » et je voulais vous questionner sur les marges de manœuvre qui sont les vôtres pour proposer des mesures qui dissuaderaient les développeurs de jeux vidéo de multiplier ces pratiques trompeuses qui sont, comme nous le voyons, le cas d'une majorité et non d'une minorité.

Monsieur le Ministre, ma question est simple :

Quelles sont vos marges de manœuvre en tant que Ministre de la Protection des consommateurs pour réduire drastiquement ces pratiques trompeuses qui semblent être monnaie courante dans le secteur ?

Je vous remercie pour vos réponse s.

Rob Beenders:

Monsieur Prévot, la protection des joueurs de jeux vidéo en tant que consommateurs est un sujet qui bénéficie depuis peu de l’attention accrue des autorités chargées de la protection des consommateurs au niveau européen, mais aussi au niveau mondial.

Pour l’Inspection économique, il s’agit d’une matière relativement nouvelle. Le fait de diriger et de participer au Sweep Day de l'International Consumer Protection and Enforcement Network (ICPEN) a dès lors été une excellente occasion d’acquérir de l’expérience dans ce domaine. L’Inspection économique a pu constater la présence d’au moins une technique de manipulation dans 80 % des jeux vidéo qu’elle a examinés. L’Inspection économique ne peut toutefois intervenir principalement que contre les entreprises établies en Belgique. Or aucune infraction n’a été constatée pour les sept jeux vidéo de développeurs belges examinés dans le cadre de cette enquête.

La plupart des grands développeurs de jeux vidéo sont établis en dehors de la Belgique. L’Inspection économique estime donc qu’il est préférable de traiter ces acteurs mondiaux au niveau européen par l’intermédiaire du Réseau de coopération en matière de protection des consommateurs (CPC), une analyse sur lesquels je la rejoins. Le Réseau CPC mise sur la sensibilisation des développeurs de jeux vidéo ainsi que sur le suivi des acteurs qui donnent le ton dans l’industrie. Il a ainsi publié au mois de mars dernier le document Key principles on in-game virtual currencies , qui explique les bonnes pratiques et celles à éviter en matière d’utilisation de monnaie virtuelle dans les jeux vidéo. Le Réseau CPC s’engage à dialoguer avec l’industrie pour assurer le respect de ces principes, afin que les consommateurs puissent bénéficier d’une expérience de jeu correcte et transparente.

Patrick Prévot:

Je remercie monsieur le ministre pour ses réponses. J’ai l’impression que cette question nous renvoie, toutes proportions gardées, aux questions relatives aux sites en ligne de jeux de hasard. Nous avions alors constaté que les sites de jeux de hasard hébergés en Belgique respectaient la législation et ne faisaient pas l’objet de signalements. La problématique venait de sites hébergés à l’étranger. Cette constante se retrouve dans ce marché du jeu en pleine évolution et effervescence: aucun signalement pour les développeurs établis en Belgique; ce sont les entreprises établies à l’étranger qui posent des problèmes. Comme vous, je pense que l'Europe doit agir. Malheureusement, dans ce dossier comme dans d'autres, j'ai l'impression que l'Europe est un peu trop attentiste voire laxiste, de sorte que ces entreprises passent à travers les mailles du filet et occasionnent des difficultés sur le plan législatif, non seulement chez nous mais aussi dans les autres É tats membres. Nous resterons bien évidemment attentifs et espérons que vous et vos collègues européens le resteront également.

Educatieve apps voor kinderen

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om transparantie en consumentenbescherming bij mobiele abonnementen voor kinderen, zoals *Telenet Mobile Junior*, waar educatieve claims en oudercontroles vragen oproepen over misleidende praktijken. Minister Beenders benadrukt dat de Inspectie Economie toeziet op eerlijke handelspraktijken via het *Wetboek van Economisch Recht* en sancties oplegt bij overtredingen, maar geen specifieke campagnes of keurmerken plant voor betere ouderinformatie. Dufrane onderstreept het belang van waakzaamheid om kinderen en ouders te beschermen tegen commerciële misleiding onder mom van educatie of veiligheid.

Anthony Dufrane:

Monsieur le Ministre,

Telenet vient de lancer une nouvelle offre mobile destinée aux enfants, baptisée « Telenet Mobile Junior ». Si cette offre se distingue par sa dimension éducative via l'application ChatLicense et par ses fonctions de contrôle parental, elle soulève néanmoins des interrogations légitimes.

En effet, il est pertinent de se questionner sur la lisibilité des offres mobiles destinées aux jeunes, la transparence des conditions tarifaires, ainsi que la protection des consommateurs mineurs et de leurs parents.

Dans un contexte de démultiplication des offres mobiles et numériques à bas prix, souvent promues via des arguments pédagogiques ou sécuritaires, les consommateurs peuvent avoir des difficultés à évaluer la qualité réelle du service, ou à comparer objectivement les options. Il est primordial que la protection du consommateur soit assurée afin d'éviter que ces arguments commerciaux ne soient utilisés à des fins fallacieuses sous prétexte d'une concurrence accrue.

Mes questions, Monsieur le Ministre, sont :

Quelles mesures le SPF Économie ou les services de contrôle compétents prévoient-ils pour garantir la transparence et la véracité des offres commerciales visant les mineurs ?

Des contrôles spécifiques sont-ils envisagés sur les promesses pédagogiques ou les fonctionnalités de protection mises en avant dans ces abonnements ?

Le gouvernement prévoit-il une campagne d'information ou un dispositif de labellisation pour aider les parents à faire un choix éclairé parmi les offres mobiles destinées à leurs enfants ?

Idem sur les applications à vocation éducative ?

Rob Beenders:

Merci monsieur Dufrane pour votre question. L'Inspection économique veille à la véracité et à la transparence des offres commerciales en s'assurant de leur conformité au Code de droit économique. Elle intervient en sanctionnant les pratiques trompeuses et en menant des actions de sensibilisation à destination des entreprises et des consommateurs.

Les pratiques commerciales déloyales sont strictement interdites, conformément aux articles VI.93 et suivants du Code de droit économique. Pour évaluer si une pratique est déloyale, il convient de se placer du point de vue du consommateur moyen appartenant au groupe cible. Des éléments tels que l'âge peuvent par exemple influencer cette appréciation.

À ce jour, aucune campagne d'information sur ce sujet n'a été planifiée par le SPF Économie. Il n'est pas non plus prévu de développer la création de dispositifs de labellisation.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse et le temps que vous avez pris pour l'analyse de ma question. Il est très important de rester vigilant. Merci également de vous positionner du côté des consommateurs et des enfants, qui sont un public cible de ces promotions et de ces campagnes commerciales.

De Belgica II
De inzet van Defensie om de rol van de exploitant van het onderzoeksschip Belgica op te nemen
De status van het onderzoeksschip Belgica
De overname en status van het onderzoeksschip Belgica door Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het onderzoeksschip Belgica II ligt al over een jaar stil door een juridisch conflict met exploitant Genavir, wat leidt tot gemiste wetenschappelijke kansen, reputatieschade en geopolitieke kwetsbaarheid in de Noordzee. Defensie bemiddelt als neutrale partij en overweegt beperkte operationele steun, maar een structurele oplossing vereist juridische duidelijkheid, budgettaire afspraken en politieke prioritering (met name van BELSPO), zonder de kerntaken van Defensie te ondermijnen. Een herstart wordt voorzichtig gepland in 2026, afhankelijk van lopende procedures en coördinatie, terwijl de noodzaak om het schip snel in te zetten voor wetenschap *en* maritieme veiligheid (bv. bescherming kritieke infrastructuur) breed onderschreven wordt. Politieke urgentie en gedeelde verantwoordelijkheid worden benadrukt, maar concrete doorbraken ontbreken nog.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre sait qu'ayant été secrétaire d' É tat à la Politique scientifique, je suis très sensible à la problématique du Belgica, ce bateau fabuleux qui rend des services extraordinaires en mer du Nord et qui est sur tous les fronts – scientifique et autres –, autrement dit un fleuron pour l'ensemble du pays.

Vous savez comme moi que malheureusement, nous avons connu énormément de difficultés avec la compagnie française Genavir, qui a résilié le contrat en 2024. L'affaire a été portée devant les tribunaux, à la suite de quoi le navire est resté à quai pendant des mois. Cette situation ne peut perdurer et une des options serait que la Défense belge augmente son soutien technique à la mise en œuvre de ce navire au profit des missions scientifiques cruciales qu'il remplit.

Je rappelle qu'il s'agit d'un navire civil mais avec un équipage composé de militaires et de scientifiques. J'ai eu l'occasion de les rencontrer à de nombreuses reprises pendant mon mandat et j'ai senti un dynamisme, une réelle volonté de répondre aux questions de nombreuses universités belges et de servir le pays. Dès lors, j'espère que monsieur le ministre, en qui j'ai confiance, optera pour une approche qui facilitera les choses, puisque nous déplorons malgré tout un défaut d'action de la politique scientifique en la matière. Merci, monsieur le ministre, de me faire part de votre point de vue à ce sujet.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, de Belgica II, ons vlaggenschip voor oceanografisch onderzoek, ligt intussen al meer dan een jaar werkloos aan de kade in Zeebrugge, dat terwijl het schip gebouwd is om 250 tot 300 dagen per jaar ingezet te worden voor cruciaal wetenschappelijk onderzoek en voor onze geopolitieke aanwezigheid op zee.

Het dispuut met exploitant Genavir heeft niet alleen geleid tot een juridische impasse, maar ook tot gemiste kansen voor onderzoekers en tot reputatieschade. Intussen vernemen we dat Defensie als neutrale bemiddelaar optreedt. Het is positief dat Defensie haar gewicht in de schaal werpt, maar tegelijk bestaat er grote bezorgdheid over de traagheid van dit dossier.

Daarnaast lees ik dat er wordt nagedacht over een nauwere, structurele samenwerking. Dit zou niet alleen een doorstart van het wetenschappelijk segment mogelijk maken, maar ook onze maritieme aanwezigheid in de Noordzee versterken, iets wat gezien de actuele geopolitieke spanningen geen overbodige luxe is.

Mijnheer de minister, kunt u toelichten wat de huidige stand van zaken is van de gesprekken die door Defensie worden geleid? Zijn er al concrete afspraken of doorbraken?

Welke bijkomende stappen plant u om te vermijden dat de Belgica II nog langer werkloos blijft? Wat is, realistisch gezien, de vroegste timing waarop het schip opnieuw operationeel zou kunnen zijn?

Hoe ziet u de rol van Defensie in een toekomstig beheer? Welke mogelijkheden ziet u om de Belgica II bijkomend in te zetten voor maritieme bewakingsopdrachten, bijvoorbeeld voor het beschermen van onze kritieke infrastructuur in de Noordzee?

Mijnheer de minister, de Belgica II hoort op zee, niet aan de kade. Ik hoop dat u werk maakt van een geloofwaardig en snel hersteltraject, zodat ons land zijn rol als voortrekker in marien onderzoek en maritieme veiligheid opnieuw kan waarmaken.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik had u een tijd geleden een schriftelijke vraag gesteld in verband met de Belgica, een schip van wereldklasse, dat zoals de collega’s al schetsten niet vaart, maar aan de kade ligt. We hebben er 54 miljoen voor betaald. Het vaart niet uit door een juridisch geschil.

Ik was blij van u te vernemen dat Defensie daar als bemiddelaar werk van probeert te maken. Het is niet alleen een onderzoeksschip, maar ook een marine hulpschip. Het kan dus ook een meerwaarde betekenen voor monitoring op onze Noordzee, die wij in West-Vlaanderen onze elfde provincie noemen. Het is belangrijk om daar onze kritieke infrastructuur te beschermen en er voldoende aanwezig te zijn, gezien de geopolitieke context.

Defensie kan daar zeker een rol in spelen. Het speelt nu de rol van neutrale bemiddelaar tussen de betrokken partijen, Belspo en Genavir, maar kunt u nog meer toelichting geven over de timing? U liet in antwoord op mijn schriftelijke vraag weten dat het schip weer zou kunnen varen na de zomer. Er is sprake van 300 mankementen. Zullen die allemaal opgelost zijn? Het wetenschappelijk onderzoek zou volgens u kunnen starten in 2026. Welke stappen zet u daarvoor? Is dat tijdschema haalbaar? Op welke manier kan de Belgica dan worden ingezet om onze maritieme aanwezigheid en bescherming te versterken?

Theo Francken:

Merci beaucoup pour vos questions.

Des contacts ont eu lieu à différents niveaux entre la Défense et la Politique scientifique fédérale (BELSPO), ainsi que d'autres partenaires fédéraux, en vue d'une solution durable et juridiquement solide pour l'utilisation du navire de recherche océanographique Belgica II.

Defensie heeft hierbij aangegeven bereid te zijn om indien nodig en binnen het bestaande protocolakkoord bijstand te verlenen en een bemiddelende rol op te nemen. Een formeel besluit of een engagement inzake het opnemen van een operationele rol werd nog niet genomen. Een eventuele rol voor Defensie is juridisch en organisatorisch echter niet vanzelfsprekend. Elke inzet moet passen binnen het wettelijke mandaat van Defensie en mag de uitvoering van haar kerntaken niet ondermijnen. In uitzonderlijke gevallen kan Defensie tijdelijk tussenkomen, mits er duidelijke afspraken zijn gemaakt en binnen de krijtlijnen van het bestaande protocolakkoord.

Daarnaast wordt er actief nagedacht over alternatieve pistes om de continu ï teit van het oceanografisch onderzoek te garanderen, waarbij het belang van een structureel juridisch robuuste en budgettair haalbare oplossing centraal staat.

Un calendrier indicatif prévoit une planification d'ici la fin de l'année, en vue d'une éventuelle réactivation du navire en 2026. Cette planification dépend, entre autres, des procédures judiciaires en cours et de la poursuite de la coordination entre les partenaires concernés.

De Belgica moet opnieuw varen, zo snel mogelijk, als het van mij afhangt. Ik heb daar niet de lead in, dat zit bij Belspo. We willen heel hard helpen om dat schip opnieuw te water te krijgen. Ik ben daar persoonlijk vrij optimistisch over.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui me rassure quelque peu, même s'il reste encore du chemin à faire.

Je voudrais simplement vous dire que je suis content que vous preniez la mesure de ces difficultés. Par ailleurs, je ne veux pas non plus que le Belgica II devienne un navire militaire. En effet, il me semble que l'aspect scientifique doit prévaloir. BELSPO doit donc aussi prendre ses responsabilités. J'ai envie de dire que ce doit être un choix de gouvernement. Ce n'est pas uniquement le ministre de la Défense qui doit apporter la réponse et engager tous les moyens pour faire fonctionner le Belgica. C'est un choix politique. À mon avis, il s'impose, car ce Belgica doit pouvoir fonctionner. En tout cas, je vous soutiens dans votre démarche. J'espère qu'il y aura une prise de conscience de l'ensemble du gouvernement pour engager les moyens nécessaires.

À l'époque, j'ai mesuré à quel point ce bateau rendait d'énormes services aux étudiants et aux professeurs d'université. Vous savez comme moi que Liège, qui n'est pas une ville côtière, même si la Meuse y passe, bénéficie d'un département océanographique très performant et mondialement reconnu. En outre, grâce au Belgica, il a pu bénéficier de pas mal de réponses ou d'études. Du reste, lorsqu'une baleine s'échoue, par exemple, ce département est appelé. Bref, il s'agit d'un outil indispensable. Je parle de Liège, parce que je connais cette ville, mais c'est le cas d'autres universités. Et puis, sur le plan de la pollution et du climat, on réalise des analyses extraordinaires. Cet outil est donc nécessaire. Je compte sur vous et vous en remercie par avance.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, maar u begrijpt mijn aanhoudende bezorgdheid.

Wij hebben hier een schip van wereldklasse dat aan de kade ligt te roesten, terwijl de wetenschappers en Defensie het keihard nodig hebben. Intussen verliezen we niet alleen wetenschappelijke kansen, maar ook geopolitieke slagkracht in de Noordzee. Ik hoop dat deze bemiddeling niet zal verzanden in eindeloze procedures en dat er een duidelijk plan met een deadline komt, zodat de Belgica II zo snel mogelijk weer vaart kan maken, zowel voor de onderzoekers als voor de bescherming van onze kritieke maritieme infrastructuur.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Dit is inderdaad een gedeelde verantwoordelijkheid en er zijn ook gedeelde belangrijke belangen. Ik weet niet of iemand van de collega's de reportage van Terzake over de Belgica II heeft gezien. Daarin kon men zien hoe belangrijk dat is voor onze onderzoekers en hoe enorm de reputatieschade is die onze universiteiten en onze universitaire onderzoekers nu lijden. Ik spreek dan voor Vlaanderen. Die reputatieschade is aanzienlijk en de onderzoekers en professoren worden daar zelfs emotioneel over. Er zijn veel meer aanvragen voor onderzoek dan er dagen zijn, dus elke dag dat dat schip niet vaart, is er schade voor ons. Ook de marine en Defensie hebben er alle belang bij dat het schip zo snel mogelijk opnieuw vaart.

Collega's, ik zie eindelijk vooruitgang in dit dossier en ik ben daar heel blij mee. Ik blijf dit opvolgen, want de Belgica II moet zo snel mogelijk opnieuw uitvaren.

Voorzitter:

Je pense que c'est la commission Courard, car la prochaine question est encore de M. Cou rard.

Het Worldlineschandaal
Het 'Dirty Payments'-onderzoek en het toezicht door de NBB
Financiële schandalen en toezicht door de Nationale Bank van België

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het "Dirty Payments"-schandaal, waarbij de BNB (Banque Nationale de Belgique) falend zou hebben toezicht gehouden op witwaspraktijken, mensenhandel en illegale transacties via Worldline/ING, ondanks haar wettelijke supervisietaak. Minister Jambon benadrukt dat de BNB weliswaar toezicht houdt op systeemrisico’s en AML-wetgeving (anti-witwas), maar niet op individuele klantendossiers, en wijst op de beperkte bevoegdheden van de CTIF (meldpunt verdachte transacties). Aouasti kaart scherp aan dat de BNB structureel tekortschiet in haar controleplicht, wijzend op erkenning van witwas door Worldline’s CEO en eist politieke verantwoordelijkheid om herhaling te voorkomen, zonder concrete antwoorden van de minister. Kernpunt: systeemfalen in financieel toezicht blijft onopgelost.

Khalil Aouasti:

Monsieur le président, je remercie M. Van Quickenborne de me céder la parole.

Monsieur le ministre, malheureusement, un nouveau scandale, un de plus, secoue le monde de la finance. On en a discuté dans le cadre de l'ordre des travaux de cette commission et il a été décidé d'entendre le gouverneur de la Banque nationale de Belgique (BNB) pour pouvoir faire la pleine et entière transparence. On ne peut toutefois pas ignorer ce qu'il s'est passé et ce qui a été révélé par le travail remarquable d'un consortium de journalistes nationaux et internationaux à travers le scandale des "Dirty Payments". Ce scandale mêle blanchiment d’argent, traite des êtres humains, prostitution, jeux illégaux, etc.

Comme je le disais, l’audition du gouverneur de la Banque nationale a été demandée parce qu’il apparait dans l’enquête que la BNB n’aurait pas joué le rôle de superviseur qui est le sien, contrairement à son homologue et à l'autorité allemande. Certaines sources anonymes évoquent même une supervision "incroyablement mauvaise".

Monsieur le ministre, avez-vous défini ou non le rôle qu’a joué la BNB dans le cadre de ce scandale des "Dirty Payments"? Selon les informations dont vous disposez déjà, a-t-elle assuré son rôle de superviseur? Pourriez-vous nous faire un point global sur les mesures mises en place depuis l'apparition de ce scandale pour éviter que cela ne se reproduise? Avez-vous eu ou comptez-vous avoir un contact avec le gouverneur de la BNB pour évoquer le sujet?

Jan Jambon:

Nog even bijkomende informatie voor de heer Van Quickenborne: Peppol staat voor Pan-European Public Procurement On-Line.

Monsieur Aouasti, j'en viens à votre question. En y répondant, j'aborderai également la question de M. Prévot.

La Cellule de Traitement des Informations Financières (CTIF) n’est pas l’autorité de contrôle ou de supervision des banques. Elle n’évalue donc pas la politique d’acceptation des clients. Être au fait du goût du risque d’une entité assujettie, telle que la banque ING dans ce cas précis, ne relève pas directement de ses compétences. La CTIF communique toutefois aux autorités de supervision, telle que la Banque nationale de Belgique pour les banques, des éléments qualitatifs et quantitatifs concernant l’activité déclarative. Lorsqu’elle reçoit une déclaration d’opération suspecte de la part d’une entité assujettie, elle est en mesure de procéder à des recherches dans sa propre base de données pour établir des liens avec d’éventuelles déclarations antérieures. Ces éléments, ainsi que les informations externes – telles que les données policières, administratives, ou les sources ouvertes comme les articles de presse – permettent d’évaluer le risque inhérent à la déclaration et de déterminer le degré de priorité de son traitement. Lorsque la CTIF constate des indices sérieux de blanchiment de capitaux ou de financement du terrorisme, et que dans le cas du blanchiment, un lien peut être établi avec une fraction sous-jacente visée par la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l’utilisation des espèces, elle transmet son analyse à un parquet compétent.

La BNB exerce plusieurs formes de supervision à l’égard de Worldline SA/NV en tant qu’établissement de paiement. Premièrement, elle exerce une supervision prudentielle, conformément à la loi du 11 mars 2018 relative aux établissements de payement et de monnaie électronique. Cette supervision vise à assurer la résilience opérationnelle, une bonne gestion des risques, la solidité financière, la protection des fonds des clients, ainsi qu’une évaluation de l’attitude et de l’honorabilité des membres des organes de direction et des fonctions de contrôle indépendantes.

Deuxièmement, la BNB exerce un contrôle en matière de lutte contre le blanchiment d'argent et le financement du terrorisme. Dans ce cadre, elle vérifie si les établissements de payement respectent leurs obligations légales en la matière, telles qu'énoncées dans la loi du 18 septembre 2017. Cela comprend les obligations relatives aux ??? customers , à la connaissance des transactions, ainsi qu'à la déclaration des opérations suspectes à la CTIF.

Enfin, la BNB exerce une mission d' oversight au sens de l'article 8 de la loi organique visant à garantir le bon fonctionnement, la sécurité et la fiabilité des systèmes de payement. Cette fonction contribue à la stabilité financière. Une loi spécifique du 24 mars 2017 encadre en outre la supervision des opérateurs systémiques dans le domaine des payements. Il convient toutefois de préciser que le contrôle des clients individuels d'un établissement de payement, de leurs activités spécifiques ou des taux de fraude individuelle ne relève pas directement de ces formes de supervision – prudentiel, AML ou CFT ou oversight .

Enfin, je souligne que, en tant que ministre, je ne suis pas compétent pour prendre connaissance des dossiers individuels traités par la BNB en sa qualité d'autorité de supervision. Je m'abstiens, par conséquent, de tout commentaire à leur sujet.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, monsieur le ministre. Vous m'avez cité effectivement les compétences de la BNB, mais je n'ai eu aucune réponse concrète dans le cadre de ce dossier. Il faut rappeler que le CEO lui-même, qui a été interviewé par la presse française et par des journalistes français, a dit: "Si je me réfère au cas belge, ce sont des sujets potentiels de blanchiment et d'actes illégaux, à en croire les allégations". Le CEO est lui-même en aveux d'actes illégaux et de blanchiment d'argent.

Ici, la question n'est pas de savoir si vous vous concentrez sur un dossier individuel, mais si la BNB, dans le cadre des missions que vous avez longuement exposées – qui sont les missions légales que l'on retrouve dans la loi –, a effectivement rempli ses missions de contrôle. Or c'est votre responsabilité. Je ne vous demande pas de vous prononcer sur Worldline; la justice le fera.

Votre responsabilité, monsieur le ministre des Finances, est de considérer cette question: comment se fait-il que dans un cas effectivement singulier, il a été démontré un dysfonctionnement systémique qui amène la BNB à être dans l'impossibilité de remplir sa mission prudentielle de contrôle, non pas vis-à-vis d'un client particulier, mais vis-à-vis d'un compte qui a été ouvert auprès d'une institution bancaire qui est déjà visée dans différents scandales de blanchiment d'argent et qui a permis, à travers ce compte client et ce compte tiers, de blanchir l'argent de toute une série d'autres acteurs qui ont bénéficié du support de Worldline?

Je suis désolé, il ne s'agit pas de vous prononcer dans le cadre d'un dossier individuel, mais de définir les responsabilités, de prendre la vôtre et de voir ce qui doit être mis en place pour que plus jamais ce genre de situation ne puisse se reproduire, que ce soit à travers l'insuffisance du contrôle de la BNB ou à travers la faculté de pouvoir ouvrir de tels comptes qui permettent à la criminalité de prospérer sur notre territoire.

Voorzitter:

Ik zie de heer De Smet niet, dus zijn vraag nr. 56006472C vervalt.

Het onderzoek naar locaties voor het forensisch psychiatrisch centrum door de Regie der Gebouwen

Gesteld door

Vooruit Nele Daenen

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met een tekort aan forensisch-psychiatrische capaciteit, waardoor geïnterneerden in gevangenissen belanden—twee nieuwe centra (Wavre, Paifve) zijn in aanbesteding, terwijl in Vlaanderen locaties zoals Tienen (Watervelden, militair domein) en Aalst worden onderzocht. Selectiecriteria omvatten bestemming, mobiliteit, vervuiling, veiligheid en draagvlak, met verplicht voorafgaand overleg met lokale overheden om bezorgdheden over veiligheid en omwonenden te adresseren. Een definitieve beslissing hangt af van haalbaarheidsstudies en lokale instemming, maar een concrete termijn ontbreekt. Draagvlak en praktische haalbaarheid zijn doorslaggevend, maar het proces loopt nog.

Nele Daenen:

Mevrouw de minister, mijn vraag gaat inderdaad over de forensisch-psychiatrische instellingen en het zoeken naar geschikte locaties. Momenteel is de opvangcapaciteit voor geïnterneerden in België volstrekt ontoereikend. Sommige geïnterneerden worden verplicht in een gevangenis ondergebracht. We weten allemaal dat zij daar niet op hun plaats zijn en dat er prioritair moet worden ingezet op nieuwe projecten met bijkomende opvangcapaciteit.

De Regie der Gebouwen onderzoekt daarom in opdracht van de federale overheid potentiële locaties voor de vestiging van een nieuw forensisch-psychiatrisch centrum. Dat onderzoek is momenteel volop aan de gang, vandaar de volgende vragen.

Is er al zicht op welke locaties in aanmerking komen voor de bouw van een nieuw FPC? Over hoeveel bijkomende locaties spreken we dan?

Welke criteria worden gehanteerd voor de selectie van de locaties en op welke basis gebeurt de definitieve selectie?

Klopt het – ik ben zelf schepen in de stad Tienen – dat twee locaties in de stad Tienen worden overwogen, namelijk de Tiense Watervelden in Goetsenhoven en een locatie op het militair domein in Vissenaken?

Wordt er door de Regie der Gebouwen voorafgaand overleg georganiseerd met de mogelijke betrokken lokale overheden?

Op welke manier wordt er rekening gehouden met de extra belasting die een dergelijk forensisch-psychiatrisch centrum legt op de lokale politie, onder meer door extra veiligheidsmaatregelen en noodzakelijke interventies?

Wordt er rekening gehouden met de bezorgdheden van inwoners en omwonenden?

Tot slot, op welke termijn voorziet de Regie der Gebouwen een beslissing? Zal er daarbij rekening worden gehouden met de adviezen van de lokale overheden?

Vanessa Matz:

De Regie der Gebouwen heeft twee openbare aanbestedingen uitgeschreven voor de bouw van twee forensische psychiatrische centra, in Wavre en in Paifve. In Vlaanderen onderzoekt de Regie der Gebouwen verschillende pistes. Ik kan daarom geen uitsluitsel geven over de locatie die uiteindelijk gekozen zal worden. De twee locaties in Tienen worden nu onderzocht.

Er hebben ook gesprekken plaatsgevonden voor een site in Aalst, maar de Regie der Gebouwen kon het terrein niet verwerven, gelet op de gestelde verkoopsvoorwaarden. De basisvoorwaarde om een FPC te kunnen inplanten op een site is dat het terrein, of een voldoende groot deel van het terrein, bestemd is als zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut of herbestemd kan worden via een bestemmingswijziging via een gewestelijk uitvoeringsplan.

De sites worden geëvalueerd op basis van hun verschillende eigenschappen. De bestemming volgens het gewestplan en de mobiliteit moeten geschikt zijn voor de site, of het moet mogelijk zijn deze geschikt te maken. Ook de vervuiling, de bestaande aansluitingen, de aanwezigheid van een overstromingsrisico en de mogelijkheid van het gebruik van hernieuwbare energie worden onderzocht. Als aan die basisvoorwaarden voldaan is, kan het terrein aan een eindgebruikerslocatieonderzoek onderworpen worden. Het doel is na te gaan of de inplanting werkbaar is op de site.

Als het terrein voldoet aan de voorwaarden, wordt er overleg georganiseerd met de betrokken lokale overheden. Het is cruciaal dat er op het terrein bij de betrokken overheden draagvlak is voor het bouwen van een FPC. De Regie der Gebouwen organiseert altijd voorafgaande vergaderingen en hecht veel belang aan goede communicatie met de betrokken administraties.

Nele Daenen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord en om het proces toe te lichten. Het is heel belangrijk dat een draagvlak wordt gecreëerd als een dergelijk centrum in een bepaalde gemeente zou worden gebouwd.

Ik heb begrepen dat het onderzoek nog steeds loopt en dat het niet duidelijk is welke locatie er geselecteerd zal worden. Ik zal daarop dus zeker nog terugkomen.

Voorzitter:

Vraag nr. 56006412C van mevrouw Huybrechts wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers
De bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers in de menswetenschappen
Fiscale voordelen voor onderzoekers in diverse wetenschapsdomeinen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De reformering van de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek in universiteiten, hogescholen, ziekenhuizen en wetenschappelijke fondsen blijft vaag, ondanks de toezegging in het regeerakkoord, wat zorgen baart over financiering, werkgelegenheid en aantrekkelijkheid van academische loopbanen. Minister Jambon bevestigt dat de concrete inhoud en motieven nog intern overlegd moeten worden en belooft overleg met stakeholders, maar biedt geen tijdpad of garanties. Schlitz kritiseert het gebrek aan transparantie en noemt het akkoord "leegtaal", omdat essentiële beslissingen achteraf politiek uitgevochten moeten worden zonder duidelijke visie. De sector moet zich tevredenstellen met de toezegging van toekomstig overleg, zonder zekerheid over de impact.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, dans l’accord de gouvernement, il est indiqué que le champ d’application de la dispense partielle de versement du précompte professionnel sera réformé pour ce qui concerne la recherche dans les universités, les hautes écoles, les hôpitaux et les fonds pour la recherche scientifique.

Cette mention soulève de nombreuses questions parmi les secteurs concernés, d’autant plus qu’aucune précision n’a été apportée depuis l'adoption de cet accord. Lors des débats en commission sur votre exposé d’orientation politique, la question a pourtant été posée, sans que des réponses claires aient été apportées à ce stade.

Les universités, les hautes écoles, les hôpitaux universitaires et les fonds de recherche s’inquiètent légitimement de l’impact qu’une telle réforme pourrait avoir sur le financement de la recherche, la pérennité des équipes scientifiques et l’attractivité des carrières académiques. Pour de nombreuses institutions, ce mécanisme constitue aujourd’hui un levier budgétaire essentiel pour soutenir les chercheurs.

Monsieur le ministre, quelle réforme concrète envisagez-vous concernant ce dispositif? Selon quel calendrier une telle réforme serait-elle mise en œuvre?

Les acteurs concernés – notamment les établissements d’enseignement supérieur et les fonds de recherche – seront-ils consultés en amont de cette réforme?

Envisagez-vous des garanties pour préserver le financement de la recherche et la stabilité de l’emploi scientifique dans ces institutions?

En complément de cette question déposée au mois de mai, pourriez-vous m'indiquer si vous prévoyez de créer une distinction entre les chercheurs et d'exclure uniquement les chercheurs en sciences humaines du périmètre de la défiscalisation du précompte?

Jan Jambon:

Madame Schlitz, l'accord de gouvernement a fixé l'objectif de clarifier davantage le régime actuel de la dispense partielle de versement du précompte professionnel pour la recherche et le développement, ainsi que d'y apporter des améliorations qualitatives afin de garantir une sécurité juridique maximale, une efficacité accrue, un contrôle budgétaire rigoureux et une stabilité durable.

En outre, l'accord de gouvernement prévoit une réforme de la dispense partielle de versement du précompte professionnel applicable aux universités, hautes écoles, hôpitaux universitaires et fonds pour la recherche scientifique. Le contenu de cette réforme fera d'abord l'objet de discussions au sein du gouvernement.

Outre le contenu de la réforme de la dispense partielle de versement du précompte professionnel, les motifs de cette réforme feront également, dans un premier temps, l'objet de discussions au sein du gouvernement. Les mesures prises en exécution de l'accord de gouvernement feront l'objet d'un dialogue avec les parties prenantes concernées. La réforme est donc prévue dans l'accord de gouvernement, mais n'est pas encore mise en exécution.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, j'en conclus que vous n'avez pas d'information à me communiquer sur cette ligne qui est pourtant essentielle dans l'accord de gouvernement et qui a un impact énorme sur certains secteurs en fonction de la manière dont cette réforme va se décliner. Je ne comprends dès lors pas comment on peut accepter de signer un tel accord de majorité qui contient une telle phrase, sans savoir ce que cela veut dire et comment cela va se traduire par la suite. Je déduis de votre réponse que cela va encore se bagarrer pendant des semaines, des week-ends et des nuits pour savoir qui va gagner dans l'interprétation de cette ligne car les impacts sont considérables. En fait, cet accord, c'est du vent, comme d'habitude! Il y a une ligne mais on ne sait pas ce qu'il y a derrière. Les uns vont plaider en fonction de ce que leurs amis leur demandent et les autres vont plaider en fonction de ce que leurs amis leur demandent. C'est quand même un vrai problème démocratiquement de ne pas savoir ce que veulent dire les accords qui ont pourtant été pris pour former ce gouvernement. La réponse sera communiquée au secteur qui sera heureux d'apprendre que vous allez vous concerter avec lui prochainement. Je pense que c'est déjà un bon signal.

Het onderzoek van de Economische Inspectie naar de door Fabian gebruikte step

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om veiligheid en regelgeving van elektrische steps, met name na het dodelijk ongeluk met Fabian, waarbij de Economische Inspectie geen specifiek onderzoek naar zijn step (KuKirin) voert, maar wel eerdere economische inbreuken in een stepwinkel aankaartte die aan het parket werden doorgegeven. Minister Beenders bevestigt een lopend thematisch veiligheidsonderzoek (gestart op 6 juni 2025) naar e-steps, gericht op snelheidsmanipulatie en algemene risico’s, en belooft de resultaten aan de Economiecommissie voor te leggen. Van der Straeten benadrukt het belang van strenge controles (analog aan eerdere acties tegen slechte deelfietsen) om kwaliteit en veiligheid te garanderen, zonder de step van Fabian direct te koppelen aan het brede onderzoek. Beide partijen onderstrepen dat veiligheid en handhaving prioriteit blijven, los van het specifieke incident.

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer de minister, ik wil voorafgaand twee zaken zeggen. Ten eerste, ik woon naast het park waar Fabian door de politie is aangereden. Het is voor mij dus heel persoonlijk. Ten tweede, ik wil u zeker geen uitspraken ontlokken die vooruitlopen op het onderzoek dat moet worden gevoerd. Dat is niet mijn intentie.

De elektrische steps zijn sowieso al het onderwerp van onderzoek bij de politie. Ze worden strenger gecontroleerd door de politie, onder meer op het naleven van de maximumsnelheid. In het geval van Fabian heeft de procureur tijdens de persconferentie verwezen naar een onderzoek van de Economische Inspectie, specifiek naar het merk van de step waarop Fabian reed, namelijk KuKirin.

Waarover gaat het onderzoek van de Economische Inspectie precies? Wat is de timing daarvan? Zult u de resultaten van het onderzoek van de Economische Inspectie en het parket ook ontvangen in het kader van uw bevoegdheden, of verloopt dat volledig gescheiden?

Heeft de Economische Inspectie eerder al initiatieven met betrekking tot elektrische steps genomen? Op welke manier kan er op dat vlak complementair met de politie worden samengewerkt?

Rob Beenders:

Mevrouw Van der Straeten, ik zal verduidelijking bieden, want een deel van uw informatie is niet helemaal correct en stemt niet overeen met de communicatie van het parket. Het lijkt immers alsof de Economische Inspectie nu een onderzoek zou uitvoeren naar die specifieke step, maar de Economische Inspectie heeft eigenlijk geen bevoegdheid inzake de controle op de specifieke regelgeving van die specifieke step of de veiligheidsconformiteit van elektrische steps.

Wat er wel is gebeurd, en waarover ook het parket heeft gecommuniceerd, is dat de Economische Inspectie samen met de politie aan een controleactie heeft deelgenomen van een winkel die elektrische steps verkoopt. De Economische Inspectie heeft tijdens die controle in die winkel een aantal inbreuken vastgesteld op enkele economische regels die wel onder haar bevoegdheid vallen. De Economische Inspectie heeft dat dossier aan het parket overgemaakt, dat de zaak opvolgt.

Er is dus geen actie gevoerd, gericht ten aanzien van één bepaalde firma, wel betreft het een controle in een winkel waar ook steps werden verkocht en waar gecontroleerd werd of er economische inbreuken werden gepleegd. Dat bleek het geval te zijn en de vastgestelde inbreuken zijn aan het parket overgemaakt.

Op 6 juni 2025 heb ik een thematisch onderzoek omtrent de e-steps laten opstarten door de algemene directie Kwaliteit en Veiligheid van de FOD Economie. Dat was dus vóór de datum van het drama. Beide hebben elkaar wat gekruist. Los van het ongelofelijk spijtige voorval dat zich heeft voorgedaan, is het noodzakelijk om de e-steps te controleren, al is het maar om vooral de communicatie op sociale media tegen te gaan waarin op een heel eenvoudige manier wordt uitgelegd hoe men de snelheid ervan kan opdrijven. We stellen vast dat de veiligheid van gebruikers in het gedrang komt. Dat onderzoek loopt nu. Ik zal de commissie voor Economie zeker informeren over de uitkomsten van dat onderzoek, zodra die beschikbaar zijn.

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer de minister, dank u voor de verduidelijking. Men vult soms dingen in binnen de eigen context, maar de gang van zaken is eigenlijk heel logisch.

Het is goed dat er initiatieven zullen worden genomen, want steps zullen blijven bestaan. Ik woon in Brussel, waar er veel om te doen is, maar die steps zullen niet verdwijnen. Steps zijn namelijk ook wel een handige manier om zich te verplaatsen.

Op een gegeven moment werd Brussel ook door deelfietsen overspoeld. Die waren van slechte kwaliteit, van Chinese makelij, en niet in orde met de opgelegde vereisten. Daarop is ook geageerd en dat is verbeterd. In die zin is het absoluut een goede zaak dat er in de breedte en in de diepte wordt gekeken en dat daaruit de juiste conclusies worden getrokken.

Rob Beenders:

Ik wil nog even verduidelijken dat de veiligheid van de step van Fabian niet gelinkt is aan het onderwerp. U hebt die link ook zeker niet gelegd, maar ik wil dat toch nog eens benadrukken. Het zijn twee losstaande zaken.

Tinne Van der Straeten:

Geen zorgen. U hebt die link inderdaad evenmin gelegd. Het was ook zo niet overgekomen. Voor het verslag is het misschien goed dat het op die manier gestipuleerd wordt.

Spermadonatie
De analyses van donorsperma en de monitoring door de Belgische spermabanken
De audit van het FAGG
De genafwijking van een donor met wiens sperma 52 kinderen werden verwekt in ons land
Het onderzoek naar het schandaal met spermadonoren
De met het sperma van een donor die drager is van een kankergen verwekte kinderen
Het donorzaadschandaal en het structureel falen van het FAGG
Het donorschandaal
Donorschandalen en falend toezicht op spermadonatie in België

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het donorschandaal toont aan dat 52 kinderen bij 37 moeders in 12 Belgische fertiliteitscentra verwekt werden met zaad van één donor met een kankerverwekkende genmutatie (TP53), terwijl de zesvrouwenregel (sinds 2007) herhaaldelijk werd overschreden—minstens 22 keer in drie jaar—zonder adequate controle door het FAGG, dat sinds 2023 op de hoogte was maar pas in mei 2025 de minister inlichtte. De politieke verantwoordelijkheid wordt breed erkend: opeenvolgende regeringen faalden in het opzetten van een centraal donorregister (eindelijk operationeel sinds 2024), terwijl het FAGG structureel tekortschiet in toezicht, transparantie en meldingsplicht (ook niet aan justitie). Audits (interne en systeemaudits) moeten de handhavingsfouten blootleggen, maar retroactieve reconstructie van overschrijdingen blijft onzeker, ondanks beloftes om gezinnen te informeren. Toekomstige maatregelen omvatten afschaffing donoranonimiteit, Europese harmonisatie (SoHO-verordening) en versterkte controles op buitenlandse donoren, maar acute vragen blijven over juridische vervolging, medische opvolging van getroffen kinderen en verantwoordelijkheidsafbakening tussen FAGG, centra en politiek. Kernpunt: Systeemfalen door jarenlange nalatigheid, gebrek aan transparantie en onvoldoende handhaving, met diepgaande gevolgen voor betrokken gezinnen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, de reden van dit actualiteitsdebat is de laatste dagen geschetst: 52 kinderen zijn in 37 gezinnen in België verwekt met zaadcellen van dezelfde donor. Dat is natuurlijk niet enkel problematisch, maar ook heel spijtig omdat bleek dat de donor een zeer ernstig gendefect had. Blijkbaar is het niet de eerste keer dat de zesvrouwenregel, in voege sinds 2007, is overschreden. Zo vernamen we in de media dat het al 22 keer zou zijn gebeurd in de laatste drie jaar.

Voor het bekend was hoeveel gezinnen getroffen waren in België, had ik hierover al een vraag ingediend. Daarom zal ik mijn vraag een beetje aanpassen.

Ging het bij die 22 andere meldingen om vaststellingen na biovigilantiemeldingen of werden er routinematig steekproeven uitgevoerd door het FAGG? Hoeveel overschrijdingen waren er sinds de wet van 2007 en dus niet enkel in de afgelopen drie jaar? Weten we over hoeveel overschrijdingen het gaat? Bent u op de hoogte gebracht en wanneer was dat? Op welke manier werden de overschrijdingen gecontroleerd? Wat is volgens u de rol en de taak van het FAGG hierin? Waar is het FAGG volgens u in gebreke gebleven? Wat is uw reactie op de verklaringen van het FAGG?

Er is een algemene audit besteld voor het FAGG. Mijn collega zal daar zeker nog verder op ingaan. Naar aanleiding van dit donorschandaal komt er ook een specifieke audit. Wie zal die audits uitvoeren? Wat zijn de onderzoeksvragen en wat is de tijdlijn wat betreft die specifieke audit? Zult u de fertiliteitscentra eventueel ook laten doorlichten? Wat vindt u ervan dat zij de wensouders hebben verteld – zoals we vernamen – dat de zesvrouwenregel werd nageleefd, terwijl ze dat misschien niet konden controleren?

Het zou goed zijn om het huidige register ook retroactief te maken, want er heerst nu natuurlijk ongerustheid bij vele gezinnen. Hebt u die opdracht ondertussen ook al gegeven?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, in enkele dagen tijd zijn we in een ware storm terechtgekomen en dat geldt niet het minst voor de getroffen families, voor wie hetgeen bekend werd, een echte nachtmerrie moet zijn. Na uw persbriefing van vorige vrijdag zijn we blij dat we u vandaag in het Parlement kunnen ondervragen over uw standpunt en over uw verklaringen tijdens de persbriefing.

U gooit, zo merken we in de media, een en ander in dit bijzonder delicate dossier op een hoop, net zoals verschillende partijen. Men sleurt er zaken bij die er vandaag niet toe doen en die afleiden van de essentie. Wat is de essentie? Die bestaat erin dat in 12 fertiliteitscentra minstens 52 kinderen bij 37 vrouwen met dezelfde Deense donor, die bovendien sinds 2023 definitief werd geblokkeerd, werden verwekt. Hoe is dat kunnen gebeuren? Wie draagt de verantwoordelijkheid? Hoe zullen de getroffen gezinnen worden begeleid?

Ik heb nog enkele punctuele vragen.

Tegen wanneer mogen wij de door u bestelde audit verwachten? Waarom werd er nooit eerder een audit uitgevoerd, aangezien de feiten blijkbaar al sinds 2022 bekend zijn?

Hoe schat u de verantwoordelijkheid van het FAGG in? Waarom heeft het FAGG u niet verwittigd? Dat is toch bijzonder vreemd. Bijna drie jaar heeft het die informatie voor zich gehouden.

In Nederland werden de gegevens van de fertiliteitscentra samengebracht en ontdekte men zo dat er heel wat megadonoren waren. Waarom heeft het FAGG dat niet gedaan? Zal het donorregister nu worden aangevuld met alle data van de fertiliteitscentra?

In 2022 bleek al dat drie centra het zesvrouwenprincipe hadden overschreden. Werd er een sanctie uitgesproken ten opzichte van die centra? Was u op de hoogte van die overschrijding?

Hoe worden de ouders bijgestaan? Beschikken zij nu over de volledige informatie? Beschikken alle families over de nodige informatie? Waar kunnen zij terecht om na te gaan of hun kind de genmutatie al dan niet heeft?

Ten slotte, hoe schat u uw eigen politieke verantwoordelijkheid in?

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de vicepremier, ik zal niet alles herhalen, aangezien collega's de feiten al schetsten. Bovendien beslisten we in de commissie voor Gezondheid gisteren al om hoorzittingen te organiseren. Dat is een goede zaak, want er moeten toch een en ander echt tot op het bot worden onderzocht. Wij willen u wel nog enkele vragen stellen.

In uw communicatie hebt u gesproken over politieke nalatigheid in de zaak. U hebt gewezen op een collectieve politieke verantwoordelijkheid. Het is moedig en terecht dat u ook verantwoordelijkheid legt bij de politieke wereld en niet alleen bij het FAGG. Hoe schat u uw eigen rol in de zaak in? Hebt u sinds uw aantreden in 2020 de wet van 2007 onvoldoende nageleefd of te weinig gedaan om de naleving ervan te verzekeren? Hoe kijkt u terug op uw rol?

Wat is volgens u de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van het FAGG? Het agentschap was immers al veel langer op de hoogte van het probleem van die genmutatie.

Hoe zult u het probleem van gebrekkige handhaving aanpakken? Hoe zult u de controle op buitenlandse donoren verstrengen? We hebben immers gemerkt dat een Deense firma maar leverde, maar zelf geen telling bijhield.

Uit het overmatige gebruik van een beperkt aantal buitenlandse donoren blijkt ook een groot tekort aan nationale spermadonoren. Hoe zult u donoren aantrekken om dat tekort op te lossen?

Tot slot, zult u ook rekening houden met dat tekort bij de plannen van de regering om anoniem donorschap af te schaffen? Zo ja, hoe?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, vous avez indiqué, ce vendredi, que 52 enfants issus de 37 familles différentes avaient été conçus dans des centres de procréation médicalement assistée (PMA) belges à partir du sperme d'un donneur danois, porteur du gène TP53. Cette mutation très rare est associée au syndrome de Li-Fraumeni (LFS), susceptible de provoquer un grand nombre de cancers.

Au total, le sperme de ce donneur aurait permis de concevoir au moins 67 enfants dans 46 familles européennes. Selon The Guardian , parmi ces enfants qui seraient aujourd'hui âgés de huit à 17 ans, 10 cas de cancers auraient depuis été diagnostiqués en Europe.

Ces faits sont bien évidemment choquants. Si de nombreux éléments devront être clarifiés, toute notre attention doit avant tout être portée sur l'accompagnement des familles touchées et le suivi médical de l'ensemble des enfants concernés.

Monsieur le ministre, vous avez indiqué que 14 centres de PMA belges avaient reçu des gamètes du donneur danois et que 12 avaient permis plusieurs fécondations ayant donné lieu à 52 naissances.

Pouvez-vous nous indiquer des chiffres précis sur les centres concernés et pour chacun d'eux, le nombre de femmes et d'enfants concernés? Les chiffres relatifs au nombre de familles et d'enfants concernés sont-ils encore susceptibles d'évoluer?

L'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé (AFMPS) a-t-elle bien été alertée des premiers signalements dès le mois d'octobre 2023?

Vous dites avoir été mis au courant il y a quelques jours seulement. Comment pouvez-vous nous expliquer cela?

Quelle suite concrète l'AFMPS a-t-elle donné à ces signalements en 2023? Quelle concertation a été menée avec les centres de PMA à ce moment-là?

L'AFMPS a-t-elle pu identifier tous les centres impliqués ainsi que les 37 familles concernées dès 2023? Quelles démarches précises ont alors été effectuées auprès des familles?

Des tests génétiques ont-ils systématiquement été proposés via les centres de PMA concernés à ce moment-là? Si oui, l'AFMPS a-t-elle connaissance du nombre de familles qui a répondu positivement et a-t-elle effectué un suivi des résultats de ceux-ci?

Confirmez-vous, monsieur le ministre, le fait que 10 des enfants concernés ont été aujourd'hui diagnostiqués d'un cancer en Europe? Les enfants conçus dans des centres de PMA belges sont-ils concernés?

Depuis la révélation publique des faits il y a quelques jours, quelles autres initiatives ont été prises vis-à-vis des familles? Quels suivis et accompagnements leur ont été proposés?

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, de zaak werd intussen geschetst.

Wat ons verontrust is dat het FAGG al jarenlang werkt zonder enige transparantie en intussen steeds meer bevoegdheden krijgt, zonder noemenswaardige controle. Het Vlaams Belang vraagt al geruime tijd om een onafhankelijke externe audit. We hebben dat samen met N-VA ondertussen zeker al tien keer gedaan.

Wat ons ook verontrust is het structureel gebrek aan controle op commerciële circuits van menselijk lichaamsmateriaal, of het nu om donors, donorzaad, eicellen of embryo's gaat, maar ook op de contracten en de geldstromen rond klinische studies. U hebt elke keer geweigerd om op deze vraag in te gaan.

In dit concrete dossier is het ronduit hallucinant dat het FAGG al in november 2023 wist dat er genetisch belast donorzaad was gebruikt, maar daarvan geen melding deed. Geen waarschuwing, geen melding aan het parket, geen communicatie met uw kabinet, geen actie. Pas anderhalf jaar later, in mei 2025, werd u naar eigen zeggen ingelicht. Mijnheer de minister, dit roept ernstige vragen op over de interne werking van uw administratie, maar ook over uw persoonlijke verantwoordelijkheid. Laten we eerlijk zijn, ofwel wist u ervan en bent u verantwoordelijk, ofwel wist u er niet van en bent u onbekwaam. Er is geen derde optie.

De wetgeving rond donatie en de import van reproductief materiaal is achterhaald, maar het echte probleem is dat fertiliteitscentra zich niet houden aan de bestaande regels en dat niemand daarop screent. Het resultaat is donorfraude op ongeziene schaal. Uit eigen onderzoek van het FAGG blijkt dat er tussen 2008 en 2017 in 12 fertiliteitsklinieken gebruik werd gemaakt van hetzelfde donorzaad voor ten minste 37 vrouwen, wat leidde tot 52 kinderen die mogelijk het mutatiegen dragen. In één centrum zijn met die donor zelfs negen vrouwen behandeld.

U had het in de persnota ook over een andere donor waarmee 10 vrouwen werden geïnsemineerd. Dat is bijna dubbel zoveel als wat wettelijk mag. Deze grove overtredingen van de zesvrouwenregel zijn nooit opgemerkt of gestopt omdat er tot voor kort geen centrale databank bestond om donorgegevens tussen centra te vergelijken. Pas in 2024, veel te laat, werd de databank Fertidata opgericht om informatie te delen, maar het kwaad was toen al geschied.

Wat nog schrijnender is, is dat het FAGG duidelijke wetsovertredingen niet aan justitie heeft doorgegeven. Ondanks de ernst van deze feiten is er tot heden geen enkel dossier aan het parket bezorgd. Men heeft keiharde bewijzen van donorfraude achtergehouden, waardoor het parket niet kon optreden, zelfs niet voor feiten die nog niet verjaard waren.

Waarom is dit niet onmiddellijk aan het gerecht gemeld? Heeft niemand bij het FAGG beseft dat hier strafbare feiten plaatsvonden?

Mijnheer de minister, in uw nota staat naar verluidt dat ambtenaren niet verplicht zijn om dit soort gevallen van donorfraude aan justitie te melden. Als dat uw standpunt is, dan baart mij dat grote zorgen. Het is immers nogal wiedes dat overheidsmedewerkers, zeker die van het FAGG, niet op eigen houtje moeten inschatten wie vervolgd of gestraft moet worden of hoe de strafwet moet worden toegepast. Moreel gezien moet elke burger die weet heeft van een misdrijf daar melding van maken. Voor ambtenaren geldt dat zelfs als een wettelijke plicht. Welk nut heeft de strafwet nog als uw diensten dit gewoon naast zich neerleggen?

Helaas is dit geen alleenstaand geval. Denk maar aan de Medista-affaire, waarbij medewerkers van uw kabinet hun boekje te buiten gingen en u de zaak lange tijd stevig hebt toegedekt. Het lijkt erop dat u uw diensten niet onder controle hebt. In dit dossier hadden ambtenaren jarenlang kennis van duidelijke fraude, maar brachten zij justitie daarvan niet op de hoogte, ondanks hun wettelijke meldingsplicht. Daardoor kon het parket nooit tijdig ingrijpen. Dit ruikt opnieuw naar een doofpotoperatie om een schandaal te vermijden.

U verwijst nu naar een evaluatie, maar dat is niet genoeg. Wat moeten we trouwens denken van het feit dat uw gewezen kabinetschef intussen parlementslid is en dit dossier mee opvolgt? Bij een eventuele onderzoekscommissie zou hij dan tegelijk onderzoeker en verantwoordelijke zijn. Dat is alsof een pyromaan zelf zijn brandverslag opstelt.

Mijnheer de minister, wanneer werd u persoonlijk op de hoogte gebracht van deze donorzaak? Waarom gebeurde dat niet reeds in november 2023? Kunt u ook verduidelijken waarom uw kabinet bij de VRT verklaarde dat sommige ouders nog gecontacteerd moesten worden, terwijl u publiekelijk in De zevende dag zei dat alle ouders al gecontacteerd waren?

Hoe hebt u topman Hugues Malonne de voorbije jaren geëvalueerd? Werden die evaluaties positief of negatief afgesloten? Kunt u de motivatie en de evaluatiedocumenten met het Parlement delen?

Kunt u alle communicatie, brieven, e-mails en nota’s, tussen uw kabinet en het FAGG sinds 2020 delen die betrekking hebben op spermadonoren, fertiliteitscentra, biovigilantie en de oprichting van de donorendatabank?

Hoewel artikel 29 van het Wetboek van strafvordering een meldingsplicht aan het parket oplegt, bestaat er geen wettelijke verplichting voor het FAGG om ook de minister of zijn kabinet tijdig te informeren. Evenmin is er een formele waarschuwingsplicht tegenover patiënten. Erkent u dat er op dat vlak een lacune bestaat en bent u bereid om een meldingsplicht aan het kabinet en een transparantieplicht tegenover patiënten wettelijk te verankeren?

Hoe verantwoordt u dat het FAGG minstens sinds 2022 op de hoogte is van meerdere ernstige gevallen van donorfraude, waaronder overschrijdingen van de donorlimiet, maar geen enkele melding heeft gedaan aan het parket? Erkent u dat artikel 29 van het Wetboek van strafvordering een bindende meldingsplicht oplegt aan ambtenaren die kennis hebben van misdrijven? Zo ja, waarom heeft het FAGG daar niet naar gehandeld? Zult u alsnog melding doen aan het parket?

U verwees in uw nota naar een donor die tot 2017 gedoneerd heeft. Als ik dan reken met een verjaringstermijn van 10 jaar, kom ik uit op 2027. Bent u zeker dat de termijn in al die zaken verstreken is?

Bent u bereid een brede externe audit van het FAGG te laten uitvoeren en het parket zijn werk te laten doen? Welke sancties zijn genomen of zullen genomen worden tegen fertiliteitscentra die de zesvrouwenlimiet hebben overschreden? Zijn er al sancties genomen? Zo niet, waarom niet?

Worden de centra verplicht retrospectief gegevens aan te leveren over het aantal verwekte kinderen per donor? Zult u het Belgische donorregister retrospectief uitbreiden met historische gegevens van fertiliteitscentra, zoals Nederland dat al deed?

Tot slot, welke systematische ondersteuning wordt er momenteel geboden aan de betrokken ouders en kinderen? Zijn zij volledig geïnformeerd over genetische risico's, opvolging en beschikbare medische tests?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten is een belangrijk orgaan binnen de volksgezondheid. We hebben er in de vorige legislatuur uitgebreid over gedebatteerd. Tijdens de coronacrisis heeft de N-VA-fractie verschillende aanwijzingen op tafel gelegd. Het ging toen onder meer over de vergeten handtekeningen in december 2020, over neuswissers, over zelftesten, over serologische testen en de validering ervan, maar ook over de Medistazaak.

In het kader van de besprekingen rond het regeerakkoord hebben we vervolgens samen afgesproken dat er een audit zou worden uitgevoerd. Ik denk dat het absoluut een goede zaak is om te evalueren en aan te passen wanneer dat noodzakelijk is. Naar aanleiding van de beleidsnota heb ik u gevraagd wanneer die audit was gepland. Op dat moment stond die nog later in de agenda. Ik verneem nu dat het donorschandaal het hele dossier in een stroomversnelling heeft gebracht, dus dat de algemene audit naar de werking van het FAGG zou worden versneld en dat de opdracht intussen is gegeven.

Mijnheer de minister, ik had graag van u vernomen wanneer die audit uitgevoerd zal worden, door wie, en wat de specifieke omschrijving van de opdracht is. Communicatie is altijd al problematisch geweest, zoals we ook in de Medistazaak hebben gezien. In die zaak werd u pas helemaal op het einde op de hoogte gebracht. Ik vraag me af of er vandaag een soortgelijke communicatieproblematiek speelt. U geeft immers aan dat u nu opnieuw pas op het einde op de hoogte bent gebracht. Werd uw kabinet eerder geïnformeerd, of niet?

Belangrijk vind ik ook dat het FAGG stelt dat alle betrokken gezinnen gecontacteerd zijn. Hebt u dat kunnen controleren? Zijn bijvoorbeeld ook gezinnen gecontacteerd die in het buitenland verblijven?

Tot slot had ik graag van u vernomen wanneer de rapportering van de algemene audit aan het Parlement zal worden bezorgd.

Ayse Yigit:

Mijnheer de minister, 52 kinderen werden verwekt met het sperma van een donor die drager is van een kankerverwekkende genmutatie. Dat is een verschrikkelijk drama voor die kinderen en hun families. Dat had niet mogen gebeuren.

Spermadonatie biedt veel mensen de kans om een warm gezin te stichten. Het zou een goede daad moeten zijn. Achter die goede daad gaan echter vaak commerciële spermabanken schuil. De Deense donor in kwestie doneerde via het commerciële bedrijf European Sperm Bank. Dat er bedrijven bestaan die winst proberen te maken via spermadonatie, roept toch vragen op. We weten immers dat wanneer winstbejag primeert, bedrijven vaak tot aan de grens gaan van wat de wet toelaat.

Tegelijkertijd is de politiek er niet in geslaagd ervoor te zorgen dat de wetgeving werd nageleefd. De wet die bepaalt dat één donor maximaal zes vrouwen mag helpen, dateert van 2007, maar bleef jarenlang dode letter. Pas sinds vorig jaar is er immers een databank opgericht die moet toezien op het naleven van die regel, zodat er niet te veel kinderen worden verwekt met sperma van dezelfde donor.

Daarenboven was het FAGG al sinds 2023 op de hoogte van de genmutatie van de Deense donor, maar u werd niet op de hoogte gebracht. Dat is een ernstig politiek falen.

Mijnheer de minister, daarom stel ik u graag de volgende vragen.

Hoe worden de betrokken gezinnen en kinderen ondersteund?

Hoe verklaart u dat het FAGG u pas enkele dagen geleden heeft geïnformeerd? Hoe wilt u de werking van het FAGG verbeteren?

Hoe ziet u de verantwoordelijkheid van buitenlandse commerciële spermabanken in dat verhaal?

Nathalie Muylle:

Mevrouw de voorzitster, de ongerustheid bij die ouders en bij die kinderen moet verschrikkelijk zijn, want die groep is nog veel groter. Ik ben de moeke van drie donorkinderen. Mijn kinderen, die geboren zijn na 2007, hebben ongelooflijk veel vragen. Is de zesvrouwenregel wel toegepast? Hoe vaak is de donor bijvoorbeeld gebruikt, ook in het buitenland? Was de donor gezond? Vandaag is er geen enkele communicatie vanuit het centrum waar de kinderen geboren zijn of waar de donatie heeft plaatsgevonden. Die ouders zitten dus met ongelooflijk veel vragen. Dat geldt ook voor een grote groep gezinnen in ons land. Ik denk dat het belangrijk is dat zij ergens terechtkunnen met hun vragen en dat zij weten wat er gebeurd is.

Ik zit hier niet voor mijn gezin, maar ik denk dat vandaag in ons land zoveel gezinnen met heel wat vragen en grote ongerustheid zitten. Daarom wil ik echt vragen om de nodige communicatie te voorzien. Die is er vandaag namelijk niet vanuit bepaalde centra.

Een aantal van de korte vragen die ik stel, zijn ook ingediend door collega Van Hoof, die momenteel op buitenlandse missie is.

Mijnheer de minister, wat is er vóór 2024 gebeurd? Hoe werd de zesvrouwenregel toen gecontroleerd? Hoeveel gevallen van overschrijding zijn er sinds 2007 vastgesteld? Is dat ook meegedeeld aan de betrokken gezinnen?

Er is al veel gezegd over de audit. Wie zal die uitvoeren en wat is de timing? Wat vindt u van het voorstel van collega Van Hoof om de controle te laten uitvoeren door een onafhankelijke instantie?

Wat betreft Fertidata: wordt in de gametenbank ook melding gemaakt van de herkomst van de gameten? Wordt die databank ook retroactief aangevuld?

Zult u op Europees niveau initiatieven nemen om na te gaan op welke manier de sterk verschillende limieten per donor geharmoniseerd kunnen worden?

Mijn grootste bezorgdheid vandaag blijft echter de communicatie ten aanzien van al die gezinnen die met tal van vragen zitten en doodongerust zijn. Hoe zult u dat aanpakken?

Irina De Knop:

Ik wil ook nog iets zeggen over de regeling der werkzaamheden.

Hier is een heel belangrijk debat, waarnaar we allemaal hebben uitgekeken, aan de orde. We moeten onze vragen echter in 2 minuten stellen. Collega Bury was intelligenter en heeft een interpellatieverzoek ingediend. Gelet op het feit dat bijna alle fracties vragen hebben ingediend, en het belang van het dossier, kunnen we als commissie niet beslissen om een extra vragenronde toe te staan? Niet alle vragen konden worden gesteld. De spreektijd van 1 minuut per repliek is hier trouwens ook zeer beperkt.

De voorzitster : We zullen het antwoord van de minister afwachten, vooraleer een beslissing te nemen. We hebben trouwens nog maar pas beslist dat er een hoorzitting met het FAGG en de fertiliteitscentra komt. Het debat over de kwestie zal sowieso nog worden gevoerd.

Irina De Knop:

De vraag is natuurlijk wanneer. We mogen dat niet twee of drie weken uitstellen. Iedereen voelt aan dat dat gezien het belang van het dossier niet gepast zou zijn.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, ik heb begrip voor uw vraag. Ik zal een uitvoerig antwoord geven en, als de voorzitster het mij toestaat, de reglementaire spreektijd overschrijden. Ik zal u alle mogelijke informatie geven die ik kan geven. Heel veel feitelijke vragen zullen daarmee beantwoord zijn, veronderstel ik.

De voorzitster : U hebt het woord, mijnheer de minister.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw de voorzitster, collega’s, vorige week heb ik iets moeten doen, wat ik eerlijk gezegd nog nooit eerder meemaakte. We waren verbijsterd toen we het nieuws vernamen dat een donor, waarvan een deel van zijn zaadcellen mogelijk een kankerverwekkend gen bevatte, in Belgische fertiliteitscentra bij een grote groep vrouwen een kind verwekt heeft. De tragiek is dubbel. Het FAGG heeft anderhalf jaar geleden aan een aantal Belgische fertiliteitscentra gevraagd om de ouders van donorkinderen te informeren dat de zaadcellen van een welbepaalde donor misschien een kankerverwekkend gen bevatten. Ongeacht de ‘misschien’, is dat een zeer harde boodschap. Vorige week hebben we dan aan het FAGG de opdracht moeten geven om de fertiliteitscentra bijkomend te informeren over het feit dat het effectief over een grote groep kinderen gaat die zaadcellen van dezelfde donor hebben gekregen. Dat was opnieuw een heel harde boodschap.

We worden geconfronteerd met een zeer problematische situatie die 17 jaar heeft aangesleept. We moeten dit absoluut rechttrekken. Dat lukt helaas niet in enkele dagen en zelfs niet in enkele weken. Om te beginnen verloopt het reconstrueren van de feiten helaas druppelsgewijs, met gegevens die soms zelfs niet gevalideerd zijn en nadien gecorrigeerd moeten worden. Dat zal trouwens zo meteen ook blijken uit mijn betoog. Ik vrees dat dit de komende weken niet zal veranderen. Dat gegeven, naast het feit dat het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten me veel eerder hierover had moeten informeren, is een van de redenen waarom ik een audit van het agentschap heb gevraagd. De audit behandelt in eerste instantie de vele vragen die deze zaak oproept. In een tweede fase komt er een bredere audit over de volledige werking van het agentschap. Het leidmotief daarbij moet zijn dat het FAGG ten dienste moet staan van de mensen. Een dergelijke audit is nodig om verder aan de slag te gaan en het is goed dat het Parlement interesse toont.

De vraag is gesteld hoe ik de politieke verantwoordelijkheid, te beginnen bij mezelf, inschat. Ik zal vanzelfsprekend optreden op basis van de conclusies van de audit. We denken dan aan gebreken bij het FAGG, maar ik wil toch herhalen dat gebreken bij het FAGG niet wegnemen dat er hier ook een grote politieke verantwoordelijkheid speelt voor het uitblijven van een controlesysteem op landelijke overschrijdingen van de zesvrouwenregel.

Er zijn collega's die in het verleden tussengekomen zijn over de problematiek van de anonimiteit en de controle. Valerie Van Peel heeft dat gedaan toen ze nog lid was van deze assemblee. Elke Sleurs en Frieda Gijbels hebben dat gedaan, net als Els Van Hoof die dat verschillende keren heeft gedaan.

Er zijn dus individuele leden die op die nagel hebben geklopt, maar uiteindelijk, als het gaat over beleid, moet men de vraag stellen of de regering daar iets mee heeft gedaan. Dan is het antwoord helaas dat opeenvolgende regeringen hebben nagelaten om het register, dat moest georganiseerd worden op basis van wat was beslist in 2007, effectief te organiseren. Heel wat partijen hebben van deze opeenvolgende regeringen deel uitgemaakt, inbegrepen mijn eigen partij. Vandaar dat ik denk dat een brede politieke verontschuldiging hier op zijn plaats is.

We moeten dus naar het verleden kijken, maar we moeten ook naar de toekomst kijken. Daarbij moet het respect voor de donorkinderen en hun belang centraal staan. Respect betekent voor mij dat men rekening moet houden met alle gevoeligheden van de donorkinderen en hun gezinnen en daarbij ook moet beseffen dat donorkinderen en gezinnen soms heel verschillend staan in deze kwestie.

Eind 2021 heb ik aan het FAGG de instructie gegeven om een centraal donorregister te organiseren. Dat is er nu en dat is de garantie voor de toekomst dat bestaande regels geen dode letter meer zullen blijven. Ik wil daaraan meteen de volgende principiële doelstelling toevoegen. Als de overheid informatie heeft over overschrijdingen van de zesvrouwenregel door Belgische fertiliteitscentra in het verleden, dan hebben de donorkinderen, hun gezinnen en ook de donoren, als zij dat wensen, het recht om die informatie te krijgen. Ik vind dat een fundamenteel uitgangspunt, maar dat principe in de praktijk realiseren voor het verleden zal niet eenvoudig zijn.

Om te beginnen zal daarvoor een specifieke wettelijke basis nodig zijn, die correcte en transparante procedures vastlegt in het belang van de kinderen, de gezinnen en de donoren die de informatie willen opvragen. Dat register moet, wat betreft de overschrijdingen, op de een of andere manier retroactief worden. Ik beloof dat ik er alles aan zal doen om dat mogelijk te maken, maar ik kan niet beloven dat dat gemakkelijk zal zijn.

Wat ik zeker niet kan – en ook niet mag – beloven, is dat we alle overschrijdingen uit het verleden zullen kunnen registreren. Ik vrees dat dat helaas niet mogelijk is. Teruggaan naar vóór 2007 lijkt me niet haalbaar. Toch moeten we doen wat we kunnen. We moeten er ons wel van bewust zijn dat we helaas nooit iedereen de antwoorden zullen kunnen geven die gevraagd worden.

Dit engagement impliceert ook dat we de informatieverplichtingen van de fertiliteitscentra zelf scherp zullen moeten stellen. We zullen daar ook wetgevend werk rond moeten verrichten. Wat zijn de informatieverplichtingen van de fertiliteitscentra ten aanzien van donorkinderen, hun gezinnen en donoren? U weet dat ik van oordeel ben dat het principe van de anonimiteit moet worden opgeheven. Kinderen moeten vanaf een bepaalde leeftijd het recht krijgen om informatie over hun donor op te vragen. Het is echt belangrijk dat we ons inleven in het perspectief van het kind of de jongere, die vaak met vragen zit over afkomst en identiteit.

Gelukkig is er in het regeerakkoord voor gekozen de verplichte anonieme donatie af te schaffen. Dat is een stap die moet bijdragen aan meer openheid, duidelijkheid en bescherming van elke betrokkene. We zijn daar momenteel volop mee bezig en ik wil benadrukken dat deze keer, in deze regeerperiode, ons niets zal kunnen tegenhouden. Gelukkig zijn er ook geen koppelingen meer tussen verschillende ethische dossiers. Koppelingen die ons in de vorige legislatuur in dit fundamentele debat sterk hebben verlamd. Er is dus niets meer wat ons tegenhoudt om hier vaart achter te zetten.

Ik wil meteen ingaan op een belangrijke vraag in dit debat, namelijk waarom de overheid de namen van de betrokken centra niet bekend maakt. Ik wil u meegeven dat dat weloverwogen is beslist. U kunt het daar niet mee eens zijn, maar het is een afweging die bewust is gemaakt. De reden daarvoor is dat het bekendmaken van de namen van die centra – en dus eigenlijk zeggen: “Bel die maar” – het verkeerde signaal naar de betrokken kinderen en hun gezinnen zou zijn. Het is aan die centra om de betrokken gezinnen meteen te verwittigen.

De mensen hoeven niet zelf te beginnen bellen naar het centrum waar ze vroeger een behandeling hebben gekregen. Het feit dat die centra daartoe verplicht zijn, meteen, zeker wanneer er sprake is van medische risico's, is een evidente verplichting. Ik vind, dat vraagt wetgevend werk, dat een dergelijke informatieplicht ook zou moeten gelden wanneer is vastgesteld dat de zesvrouwenregel is overschreden. Dat zullen we wettelijk moeten regelen. Ouders inlichten dat er een medisch probleem is, is evident en is vandaag, wat mij betreft, al een implicatie van de bestaande wetgeving.

Ik kan u ook zeggen dat in het specifieke geval waarover we nu spreken, de betrokken centra in 2023 niet alleen meteen de opdracht van het FAGG hebben gekregen om de ouders te verwittigen over een mogelijk medisch risico, maar dat het FAGG intussen ook uitdrukkelijk bevestigt dat alle centra aangeven dat ze alle ouders waarvan het laatste adres in België is ook daadwerkelijk met die boodschap hebben bereikt. Hetzelfde geldt voor de informatie over de overschrijding van de zesvrouwenregel.

Ouders die in België wonen en die geen bericht over dit geval hebben gekregen, hebben op basis van de informatie van het FAGG en de fertiliteitscentra, die ik voor waar moet aannemen, geen reden om zich zorgen te maken. Dat is toch wel heel belangrijk voor alle ouders van donorkinderen. Ik denk dat dat ook mag gezegd worden. Ik baseer mij daarbij uiteraard op wat de fertiliteitscentra aan het FAGG melden en wat het FAGG aan mij meedeelt.

Ik wil ook een bijkomende reden geven waarom de overheid de lijst van die fertiliteitscentra niet zomaar publiek maakt. Zodra we vorige week contacten zijn beginnen te leggen, hebben betrokken ouders in de centra aangegeven dat ze echt niet graag hebben dat er veel publieke informatie wordt verspreid over de medische risico's, over overschrijdingen, waar die plaatsvonden en met wie. Zij vinden dat zelf heel gevoelig. Er is een uitdrukkelijke vraag geweest, ook van ouders, via de centra, om zeer zorgvuldig om te gaan met gegevens die vertrouwelijke medische informatie betreffen.

Daarom zijn het de centra die onmiddellijk contact moeten opnemen met de ouders. Ouders moeten niet zelf beginnen rondbellen. Dat is ook de reden waarom ik geen lijst van die centra bekendmaak en niet vraag om ze op te bellen. Dat zijn vanzelfsprekend allemaal zaken om over na te denken voor de toekomst.

Ik wil hier nog het volgende aan toevoegen – en ik zeg dat met het nodige voorbehoud, want ik moet mij baseren op de informatie die het FAGG mij verstrekt. We moeten een onderscheid maken tussen twee zaken. Enerzijds is er biovigilantie: waakzaamheid ten aanzien van medische risico’s. Dat is een belangrijk probleem. Anderzijds is er het overschrijden van een regel die sinds 2007 in ons land geldt, namelijk dat een donor slechts bij zes verschillende vrouwen kinderen mag verwekken. Dat zijn twee verschillende zaken.

Op basis van wat het FAGG mij vandaag zegt, heb ik geen aanwijzingen dat het FAGG fouten zou hebben gemaakt met betrekking tot het verwittigen van fertiliteitscentra wanneer er ernstige meldingen waren op het vlak van biovigilantie. Indien het FAGG een signaal kreeg dat er mogelijk een medisch risico verbonden was aan bepaalde gameten, dan heb ik geen aanwijzingen dat het dat signaal niet heeft doorgespeeld aan de betrokken centra.

Wat we wel weten, is dat het FAGG niet gecommuniceerd heeft naar het beleid toe, ook niet naar de centra, over het overschrijden van de zesvrouwenregel. We moeten die twee aspecten echter van elkaar onderscheiden. Het gaat immers om twee verschillende, beide zwaarwegende problematieken, maar we moeten ze wel uit elkaar houden.

Er staat vandaag een interessant artikel in De Standaard waarin een expert stelt dat de vraag of een donorkind een groter risico loopt op een medische complicatie door overgedragen genen, niet rechtstreeks samenhangt met het aantal verwekte kinderen met hetzelfde donorzaad. Het is niet per se zo dat als er veel donorkinderen zijn van dezelfde donor, het risico voor die groep kinderen groter is. Ik zal mij daarover verder niet uitspreken. Dat is een discussie. Informatie over medische risico’s moet echter correct en goed worden meegedeeld. Daarover gaat dat deel van het verhaal.

De andere discussie is van principiële aard. We willen niet dat van dezelfde donor te veel kinderen worden verwekt bij te veel verschillende vrouwen. Dat is een andere, principiële discussie en ik vind het erg belangrijk dat we die twee discussies gescheiden houden.

Het eerste gaat immers over waakzaamheid voor medische risico’s, het tweede over de vraag hoeveel kinderen er op de wereld zijn gezet die van dezelfde donor afkomstig zijn. Ouders en kinderen gaan ervan uit dat dit geen al te groot aantal is. Bovendien bestaat daar een regel voor en die regel moet gehandhaafd worden. Het gaat om twee zeer gevoelige kwesties, die allebei met tragiek gepaard kunnen gaan, maar we moeten ze wel goed uit elkaar houden. Als men ze vermengt, ontstaat er immers nodeloze, bijkomende ongerustheid in het debat en dat is ook niet goed. Men moet die twee dingen dus uit elkaar houden.

Dan kom ik aan de feitelijke vragen. Ik begin met de vragen over dit specifieke geval, over deze donor. De behandelingen van de betrokken vrouwen vonden plaats tussen 2007 en 2017. Op basis van de hele reconstructie, die het FAGG ondertussen verder heeft verfijnd, stelt men dat er 53 kinderen zijn verwekt met het sperma van deze donor. Eerder sprak ik, op basis van informatie van het FAGG, over 52, maar het zijn er dus 53, waarvan twee miskramen. Dat heeft men nu gereconstrueerd op basis van verdere contacten met de centra. Dat komt neer op 51 kinderen.

Intussen zegt het FAGG ons ook, dankzij de feedback van de centra, dat het gaat om 14 vrouwen woonachtig in België. De overige vrouwen wonen niet in België. Dat is een belangrijk gegeven, dat ook illustreert dat onze centra heel veel behandelingen uitvoeren bij vrouwen uit het buitenland. Van die 37 vrouwen wonen er dus 14 in België. De anderen wonen elders: 17 in Frankrijk, 2 in Nederland, 1 in Duitsland, 1 in Zuid-Amerika en 1 in Italië. U ziet dat het totaal niet helemaal op 37 uitkomt, 1 vrouw kreeg een miskraam.

Dat zijn de gegevens. Mevrouw Désir, u vroeg om meer gedetailleerde gegevens. Ik wil die ook geven. Mevrouw de voorzitster, ik wil daarbij even een technische toelichting geven om misverstanden in de toekomst te vermijden. Mevrouw Désir, ik hoop dat u het mij niet kwalijk neemt dat ik dat in het Nederlands zal doen.

Het aantal gezinnen zal niet meer veranderen, vermits de donor geblokkeerd is, op voorwaarde dat de fertiliteitscentra ons de juiste informatie hebben gegeven met betrekking tot het aantal gezinnen.

Het aantal kinderen kan heel misschien nog wijzigen, omdat volgens de fertiliteitscentra het contact met sommige families na de inseminatie en behandeling verloren is gegaan.

Voor de volledigheid vermeld ik dat, afhankelijk van de wensen van bepaalde ouders en op voorwaarde dat een specifiek formulier voor geïnformeerde toestemming van de instelling werd ondertekend, het materiaal van deze donor nog zou kunnen worden gebruikt voor de verwekking van broers of zussen. Dat geldt enkel als de verantwoordelijke van het betrokken centrum oordeelt dat het materiaal voldoende veilig is en van goede kwaliteit, bijvoorbeeld door gebruik te maken van pre-implantatiediagnostiek om na te gaan of het embryo al dan niet is aangetast. In dat zeer hypothetische geval zijn volgens de huidige wetgeving mogelijk nog extra kinderen toegelaten. Die verantwoordelijkheid blijft bij het fertiliteitscentrum liggen en het centrum zou dat gebruik moeten kunnen verantwoorden. Het FAGG raadt dit echter zeer sterk af en wijst op de grote verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke van het fertiliteitscentrum.

U vroeg bovendien om een uitsplitsing per centrum. Ik lees die gegevens voor en geef elk centrum een nummer:

Centrum 1: twee vrouwen, drie kinderen wat deze donor betreft;

Centrum 2: vier vrouwen, vijf kinderen;

Centrum 3: vijf vrouwen, acht kinderen

Centrum 4: één vrouw, geen kinderen;

Centrum 5: één vrouw, twee kinderen;

Centrum 6: één vrouw, twee kinderen;

Centrum 7: twee vrouwen, drie kinderen;

Centrum 8: één vrouw, twee kinderen;

Centrum 9: vijf vrouwen, zeven kinderen;

Centrum 10: geen vrouwen, geen kinderen;

Centrum 11: vijf vrouwen, zes kinderen;

Centrum 12: geen vrouwen, geen kinderen;

Centrum 13: negen vrouwen – daar is dus sprake van een overschrijding – en twaalf kinderen;

Centrum 14: één vrouw, één kind.

Dat brengt het totaal op 37 vrouwen, 53 behandelingen, 2 miskramen en 51 kinderen. Het agentschap is niet op de hoogte van Belgische wensouders die zich in het buitenland lieten behandelen met deze donor.

In 2023 gaf het agentschap de fertiliteitscentra de opdracht om alle betrokken gezinnen te contacteren en te informeren over de genmutatie en hen door te verwijzen voor een genetisch consult. Alle fertiliteitscentra bevestigden toen dat de moeders op de hoogte zouden worden gebracht en zouden worden doorverwezen naar de dienst genetica. Het agentschap heeft inmiddels geverifieerd of de moeders effectief op de hoogte werden gebracht. Dat is ook gebeurd, voor zover de centra over de juiste contactgegevens beschikten. Op mijn vraag werd de fertiliteitscentra vorige week verzocht om alle gezinnen binnen 48 uur te informeren over de overschrijding van het donorquotum.

Na verdere contactopname door het agentschap met de fertiliteitscentra kan ik het volgende meedelen op basis van de verkregen gegevens. Wanneer ik spreek over landen, gaat het om de laatst gekende woonplaats. Alle gezinnen die in België wonen, werden effectief bereikt met informatie over het genetisch defect. Zes gezinnen die momenteel in het buitenland wonen, werden gecontacteerd maar konden ondanks inzet van verschillende middelen niet bereikt worden. Het gaat om vier gezinnen in Frankrijk, een in Italië en een in Zuid-Amerika. Alle gezinnen die in België wonen, werden ook bereikt met betrekking tot de overschrijding van het donorquotum. Tien gezinnen die in het buitenland wonen, konden nog niet bereikt worden: een in Zuid-Amerika, acht in Frankrijk en een in Italië.

Het hele dossier is uiteraard bijzonder zwaar, zowel voor de donoren als voor de direct of indirect betrokken gezinnen. Vernemen dat zijn of haar donorkind mogelijk drager is van een genetische aandoening en dat een test nodig is, is bijzonder aangrijpend. Daarbij rijst uiteraard de vraag of het medische probleem had kunnen worden voorkomen.

.

Malheureusement, il est impossible d'exclure totalement un risque génétique. Même avec les technologies actuelles, comme le séquençage complet du génome, identifier et interpréter correctement les variants génétiques rares ou jusqu'alors inconnus reste un défi insurmontable. Il est scientifiquement impossible de prédire l'effet d'une mutation en l'absence d'un lien connu avec une maladie. En ce qui concerne le diagnostic génétique, il n'est ni réaliste, me disent les experts, ni même utile d'effectuer un séquençage complet du génome.

L'arrêté royal en question précité prévoit au minimum: premièrement, la réalisation d'un test génétique pour détecter les maladies autosomiques récessives fréquentes dans le contexte du profil ethnique du donneur. C'est littéralement ce qui se trouve dans l'arrêté. Donc il faut réaliser un test génétique pour détecter les maladies autosomiques récessives fréquentes dans le contexte du profil ethnique du donneur. Et deuxièmement, une évaluation du risque de transmission de maladies héréditaires connues pour être présentes dans la famille. Cela se trouve dans l'annexe 4.36 de l'arrêté royal.

En ce qui concerne l'application du diagnostic génétique préimplantatoire, cette possibilité existe, elle est normalement utilisée pour détecter des défauts génétiques connus et n'aurait dans le cas actuel pas permis de détecter le défaut vu le fait que le défaut n'était pas connu et que le donneur n'avait pas d'historique de cancer dans sa famille. C'est ce que me disent les experts.

Enkele ouders hebben uitdrukkelijk om discretie gevraagd. We zijn dan ook zeer voorzichtig geweest in onze mededelingen en hebben niet gecommuniceerd wat ons door de centra wel is gemeld over onder andere het aantal testen. We zijn dat ook niet van plan.

Graag licht ik nu de tijdslijn in detail toe. Vorige maandag ontving mijn kabinet om vier minuten over twee ’s namiddags via WhatsApp een vraag van Het Nieuwsblad . Om zes minuten v óó r drie heeft het daarover contact opgenomen met het FAGG, want die vraag had betrekking op een donor met een genmutatie met een mogelijk belangrijke overschrijding. Om 16.37 uur antwoordde het FAGG dat het mogelijk om een groot aantal betrokkenen ging en dat het tegen juli 2024 de vaststelling had gedaan dat het om 50 kinderen ging. Ik ben daar onmiddellijk over geïnformeerd en we zijn meteen aan de slag gegaan. Dinsdag hebben we met spoed overleg georganiseerd met het FAGG, mijn beleidscel, mijn kabinetschef, de betrokken adviseur en de woordvoerder. Zelf was ik daar toen nog niet bij aanwezig, omdat ik andere verplichtingen had. In de namiddag is daarover teruggekoppeld. Om 20 uur heb ik zelf opnieuw met het FAGG een crisisoverleg georganiseerd. Ik heb de betrokken mensen van het FAGG ondervraagd om te begrijpen wat er precies was gebeurd. Uiteraard heb ik ook mijn grote verbazing uitgesproken over het feit dat dergelijke informatie niet eerder was meegedeeld.

Straks kom ik daar op terug, want mevrouw Gijbels stelde een specifieke vraag over informatiestromen.

Op dat moment waren de puzzelstukjes gelegd. De fertiliteitscentra zijn op woensdagochtend 28 mei gevraagd om binnen de 48 uur de nodige bijkomende gegevens aan te leveren, zodat we de situatie van de gezinnen beter konden inschatten. Ze zijn ook gevraagd om binnen de 24 uur de betrokken gezinnen persoonlijk met de nodige empathie en omkadering te informeren over het nieuwe feit van de quotumoverschrijding. We hebben op 30 mei om 12 uur de pers onder embargo een toelichting gegeven, omdat we niet de indruk wilden wekken dat we iets achterhielden. De pers drong aan op informatie. We hebben uitdrukkelijk gevraagd om het embargo van 48 uur te respecteren, zodat de ouders eerst konden worden geïnformeerd. We hebben ook meteen de vzw Donorkinderen uitgenodigd op vrijdagochtend in de hoop dat we dan al veel informatie op een rijtje zouden hebben, zodat we hen vóór het verstrijken van het embargo konden informeren. Dat hebben we ook gedaan. Ik heb het volledige dossier aan de vzw bezorgd vóór het embargo verstreek, zoals afgesproken.

Maandag hebben we bovendien een bijkomende brief gestuurd naar de fertiliteitscentra, waarin we hebben gevraagd om alle informatie over de laatste woonplaats van de betrokken gezinnen te bezorgen, al hebben we daar geen wettelijke basis voor. We wilden beter kunnen inschatten wie waar was bereikt. Dus ondanks het gebrek aan wettelijke basis hebben we toch de nodige informatie verzameld. Dat is alvast een van de zaken die we beter moeten omschrijven.

Ik denk dat het FAGG een grote fout heeft begaan door mij daarover niet eerder te informeren. Dat is een van de redenen waarom ik onmiddellijk een audit heb gevraagd. Ik kom dadelijk terug op de audit.

Heb ik of heeft mijn beleidscel ooit eerder informatie over overschrijdingen gekregen? Uit de reconstructie die ik nu heb gemaakt, blijkt dat op 15 april van dit jaar een vraag is ingediend, ik denk door mevrouw Gijbels, waarin naar overschrijdingen werd gevraagd. Op die vraag is op 22 april een antwoord van het FAGG in mijn beleidscel toegekomen. Die vraag had ik nog niet persoonlijk verwerkt, omdat die vraag nog niet aan de orde was. Da antwoord van het FAGG van 22 april luidde samenvattend dat het FAGG de voorbije jaren bij één centrum een overschrijding bij vijf donoren, dus op het niveau van het centrum, en bij een ander centrum een overschrijding bij één donor had vastgesteld. Voor de rest gaf het FAGG geen andere aanwijzingen. Toen ik vorige week de reconstructie maakte, vond ik dat eerlijk gezegd een veel te kort antwoord. Als ik u dat zou gegeven hebben, mevrouw Gijbels, dan had ik u een antwoord gegeven dat misschien op de letter juist was, maar dat absoluut onvoldoende informatie gaf, zeker omdat het FAGG in het verleden, op basis van biovigilantie, de rapid alerts, wel meer aanwijzingen had van landelijke overschrijdingen, die ook belangrijk zijn.

U zult het met mij eens zijn dat, als ik zou hebben geantwoord dat er de voorbije jaren bij twee centra op het niveau van het centrum een overschrijding, die niet eens zo belangrijk was, dat zelfs geruststellend zou hebben geklonken. Dan was de volgende vraag inderdaad wat het FAGG dan doet. Het probleem is evenwel veel groter dan dat, op het landelijke niveau.

Dat verklaart ook waarom ik niet tevreden ben over vooral de proactieve informatiedoorstroming over de bredere kwestie vanuit het FAGG.

Hoe komt de informatie bij het FAGG terecht en wat doet het ermee? Volgens het FAGG halen de centra, waarvan het zegt dat het er niet veel zijn – volgens de recentste informatie, die ik ook aan de pers heb gegeven, zou er nog een derde centrum bij betrokken zijn - als argument aan dat zij ook buitenlandse vrouwen hebben geholpen en niet op de hoogte waren van het feit dat het quotum ook op hen van toepassing was. Ik denk dat de wet nochtans duidelijk is. Ik geef u gewoon mee wat als argument werd aangehaald.

Het FAGG heeft mij laten weten dat volgende maatregelen ten opzichte van die centra werden genomen bij overschrijdingen op het niveau van het centrum. Ik begin met centrum 1. Het betreft hier de donor die momenteel in de pers wordt genoemd. De overschrijding van het quotum op het niveau van het centrum werd vastgesteld bij de meldingen van eind 2023. Het FAGG heeft toen bijkomende uitleg gevraagd met betrekking tot de reden van overschrijding. Volgens het FAGG bleek uit de gegevens dat het centrum reeds corrigerende maatregelen had genomen om dat in de toekomst te vermijden. Er was verder geen weet van andere gevallen van overschrijding in dat centrum. Op basis van een risicoanalyse en de beschikbare middelen op dat moment werd door het FAGG beslist – zo verklaart het FAGG –om niet onmiddellijk ter plaatse te gaan, maar om dat op te nemen in een volgende inspectie. Die inspectie werd aangekondigd op 25 april van dit jaar en uitgevoerd in mei van dit jaar.

Bovendien, aldus het FAGG, ging het om een overschrijding die in 2010 plaatsvond, waardoor de feiten op het moment van de vaststelling verjaard waren. Pas deze week werd tijdens de inspectie gemeld dat een bijkomende vrouw in 2014 werd geïnsemineerd met hetzelfde sperma. Het FAGG stelt dat er een onderzoek is opgestart en dat het parket hierover zal worden gecontacteerd.

Ook in centrum 2 was er sprake van een overschrijding op het niveau van het centrum. Tijdens een inspectie op 12 en 13 mei 2025 werd het overschrijden van het quotum vastgesteld door de inspecteur. Het sperma van de donor werd gebruikt bij zeven vrouwen: vijf in België, twee woonachtig in België.

Het centrum verklaarde dat het de wetgeving verkeerd had geïnterpreteerd. Men dacht dat de zesvrouwenregel alleen van toepassing was op vrouwen woonachtig in België. Op basis van een risicoanalyse en het feit dat corrigerende maatregelen werden genomen, werd beslist om de zaak niet over te leggen aan het parket. Wel werd hiervoor een tekortkoming geformuleerd en een waarschuwing gegeven.

Centrum 3 is een centrum waar een onderzoek loopt, waarvoor het FAGG contact opneemt met het parket en me nu dus nog geen informatie heeft gegeven.

Ik geef u dus druppelsgewijs beperkte informatie. Ik heb die ook aan de pers gegeven. Het FAGG stelt dat het een eigen wetgeving heeft die zijn ambtenaren toelaat om op basis van de gedane vaststellingen te kiezen voor een administratieve afhandeling of voor een kennisgeving aan het parket. Het FAGG zegt dat de algemene wetgeving, waarnaar verwezen is, eigenlijk onderworpen is aan een specifieke wetgeving inzake de inspectiefunctie van het FAGG, waarbij het FAGG discretionair kan beslissen - net als andere inspectiediensten - of het naar het parket stapt dan wel in bepaalde gevallen zelf optreedt.

Ik zal me daar niet over uitspreken, dat is een juridische discussie. Ik vind dit echter een van de kwesties die de Federale Interne Audit moet evalueren. De Federale Interne Audit moet het handhavingsbeleid van het FAGG evalueren en ook dit argument.

Wat heb ik gevraagd aan de Federale Interne Audit? Ik heb die eigenlijk een dubbele opdracht gegeven. Ik heb gevraagd dat hij een conformiteitsaudit uitvoert met specifieke focus op de interne kwaliteitsprocessen, de handhaving en de inspectie, alsook de communicatie met externen in deze zaak. Dit moet zowel de vigilantie als de inspecties bestrijken, alsook de behandeling van klachten, de opvolging van vaststellingen van inbreuken en de volledige communicatie daarover. Dan gaat het zowel over de communicatie met verenigingen, patiënten, donorkinderen, fertiliteitscentra, mijn beleidscel en de pers.

Ik heb de FIA gevraagd het rapport over de conformiteitsaudit klaar te hebben tegen de start van het volgende politieke jaar, dus tegen september 2025, zodat het Parlement er meteen mee aan de slag kan.

Het federale regeerakkoord bepaalt ook dat de werking van het FAGG geëvalueerd zal worden. Ook daar wil ik graag een beroep doen op de Federale Interne Audit om voortbouwend op de bestaande jaarlijkse audits een gehele systeemaudit uit te voeren en de bredere werking van het FAGG tegen het licht te houden, met het oog op de nodige hervormingen. Mijn medewerkers zitten morgen al samen met de Federale Interne Audit om de exacte opdracht te definiëren en af te bakenen, alsook om te bespreken hoe we de resultaten kunnen bespoedigen door bijvoorbeeld een beroep te doen op externe hulp, uiteraard altijd onder toezicht van de Federale Interne Audit.

De heer Van Hecke vroeg om een stand van zaken. Sinds 1 januari 2024 beschikken we eindelijk over een centraal register. Eind 2021 kreeg het agentschap de instructie om dat register te realiseren. Het ging daarbij om een onderzoek dat ik vroeg om eindelijk dat register tot stand te brengen, maar het betrof duidelijk een instructie.

Er moest onderzocht worden welke wetgeving daarvoor nodig was. Dat was een complexe aangelegenheid vanwege de GDPR en het respecteren van de anonimiteit van de donoren die op dat moment gold en overigens nog steeds geldt. Ook moest er technisch een passend informatiesysteem worden opgezet, in samenwerking met de fertiliteitscentra, en moesten de registraties op elkaar worden afgestemd.

Dat heeft geleid tot een aantal stappen. Er is bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) een aanvraag gedaan voor advies over een voorontwerp dat ik had opgesteld. Die aanvraag bij de GBA is gebeurd op 12 juli 2022. Het advies van de GBA kwam binnen op 29 september 2022. Het ontwerp werd uiteindelijk goedgekeurd in de ministerraad, als onderdeel van een wetsontwerp houdende diverse bepalingen, op 20 januari 2023.

Op 17 maart 2023 ontving ik een advies van de Raad van State over dit ontwerp. Dat heeft geleid tot de wet van 11 juli 2023 en de inwerkingtreding van de databank op 1 januari 2024. Ik denk dus niet dat we tijd verloren hebben. De feiten waar het in dit geval over gaat, situeren zich echter tussen 2007 en 2017. Dat is dus natuurlijk hopeloos te laat.

Mevrouw Gijbels, opdat hierover geen misverstand zou bestaan, wil ik meegeven dat ik inderdaad al gegevens bekendgemaakt heb aan de pers over het aantal landelijke overschrijdingen waarvan we weet hebben op basis van zogenaamde rapid alerts , biovigilantiemeldingen afkomstig uit het buitenland. Ik heb dat cijfer gegeven en het zijn er wel een aantal. Nu heb ik het FAGG gevraagd om dat verder uit te pluizen, op basis van alle biovigilantiemeldingen. Ik vermoed dat we op die manier een nog veel groter aantal zullen vaststellen, maar zelfs dat zal nooit de volledige realiteit van het verleden dekken. Een biovigilantiemelding uit 2022 heeft immers vaak betrekking op behandelingen en geboorten van vele jaren eerder. Dat gaat dus niet over behandelingen en geboorten van 2022, maar meestal over gevallen van vele jaren eerder.

Dankzij het centrale donorregister Fertidata dat we nu uiteindelijk hebben, kunnen we zeggen dat we die zesvrouwenregel op landelijk niveau gaan handhaven. Die regel geldt voor elke vrouw die in een Belgisch fertiliteitscentrum wordt behandeld, los van haar nationaliteit of woonplaats. Zoals ik al in de vorige legislatuur heb gezegd, is het mijn persoonlijke overtuiging dat we het principe van de anonimiteit van sperma- en eiceldonatie moeten afschaffen. Gelukkig vinden we dat ook terug in het regeerakkoord.

Wat de principes en de wetgeving betreft, moeten we voor donaties uit het verleden zoeken naar een overgangsmaatregel en een correct evenwicht tussen de rechten van de donorkinderen, de wensouders en de vroegere donoren. Dat is ook wat het Grondwettelijk Hof zegt. We moeten dat nu heel snel aanpakken. De wetsvoorstellen die werden ingediend door de dames Gijbels en Van Hoof zijn interessant en bieden heel wat inspiratie. Mijn administratie heeft intussen ook een eerste tekst klaar, maar we zullen elkaar vinden.

We mogen niet dralen en we moeten ook Europees te werk gaan. Er is een beetje vooruitgang geboekt op Europees niveau omdat midden 2027 de nieuwe SoHO-verordening in werking zal treden. Die nieuwe verordening bepaalt dat een buitenlandse spermabank die gameten levert aan een fertiliteitscentrum steeds verplicht is om de nationale regelgeving van het ontvangende land te respecteren met betrekking tot het donorquotum. Dat staat duidelijk in de Europese richtlijn.

Ons land heeft in dat debat het voortouw genomen in het kader van de besprekingen op Raadsniveau over de SoHO-verordening. Alhoewel de Belgische vertegenwoordigers getracht hebben een sluitender, nog strenger systeem op Europees niveau te laten doorvoeren, zijn we niet helemaal geraakt waar we wilden geraken, maar we hebben in die SoHO-verordening toch een compromis kunnen laten opnemen, waarbij de leverende fertiliteitscentra verplicht zijn de limieten van de lidstaat van ontvangst te respecteren.

We zien nu ook bij de andere lidstaten wel een kentering in het debat en we voeren de druk verder op om werk te maken van een Europese beperking. Ik heb heel recent formeel mijn volle steun verleend aan een initiatief van Zweden om een debat te hebben op Europees niveau, met de bedoeling om het aantal kinderen per donor internationaal te beperken.

Idealiter zou er niet alleen een Europese afspraak of regelgeving moeten komen, maar ook een Europees donorregister. Daar wil ik mij ten volle voor inzetten en ik denk dat ik daarvoor op uw steun kan rekenen.

Ik wil herhalen wat ik daarnet heb gezegd, omdat ik dat een heel belangrijke doelstelling vind. Wat mij betreft is dat echt een belangrijke inspanningsverbintenis. Als de overheid weet heeft van overschrijdingen uit het verleden, dan moeten de betrokken donorkinderen, wensouders en donoren, als ze dat wensen, toegang kunnen krijgen tot die informatie. Die mag niet enkel bij de overheid zitten. Dat betekent dat we die informatie zo correct mogelijk moeten verzamelen en reconstrueren. Dat zal niet eenvoudig zijn en die reconstructie zal nooit volledig kunnen zijn.

Als we die informatie hebben – ik heb het niet over medische gegevens, wel over aantallen – dan moeten de betrokken donorkinderen, wensouders en donoren die ook kunnen opvragen en verkrijgen. Dat veronderstelt wetgeving, want het gaat om verplichtingen die aan de centra worden opgelegd. Die moet men correct kunnen organiseren en het vereist uiteraard ook dat men het verleden maximaal kan reconstrueren. De realiseerbaarheid van een retroactieve databank zal dus onderzocht moeten worden.

Wat achter ons ligt, is helaas enigszins vanzelfsprekend: als een landelijke regel niet gecontroleerd wordt, dan wordt hij gewoon niet toegepast. Wie denkt dat een controle per centrum volstaat, zal vaststellen dat er op dat niveau wel enkele, maar zeer weinig overschrijdingen zijn geweest. Op basis van wat we weten, vermoeden we dat er op landelijk niveau vaker sprake was van overschrijdingen. Dat moeten we uitklaren.

Als tussenstap heb ik aan het FAGG gevraagd om op basis van alle biovigilantiemeldingen die zij in het verleden hebben ontvangen – en dat zijn er veel meer dan de internationale rapid alerts – na te gaan in hoeveel gevallen we kunnen vaststellen dat er sprake was van een overschrijding op landelijk niveau. Ik heb hun gevraagd mij daar gegevens over te bezorgen. Als die gegevens voldoende stabiel zijn, vind ik dat we die ook aan u moeten overmaken en ze publiek moeten maken. Ik ga ervan uit dat dat aantal aanzienlijk hoger zal liggen dan wat we momenteel weten op basis van de rapid alerts . Ook dat blijft echter slechts een steekproef. We beschikken over biovigilantiemeldingen waarmee we een reconstructie kunnen maken, maar dan rijst de vraag over hoeveel gezinnen het precies gaat. Daarom heb ik het FAGG gevraagd om ook die reconstructie zorgvuldig uit te voeren. Zodra die reconstructie beschikbaar is, zal ik ze meedelen. Idealiter probeert men een retroactieve datakoppeling tot stand te brengen.

Er is ook gevraagd of het verlaten van het principe van anonimiteit niet zou leiden tot een daling van het aantal donoren. Ik wil mij daar niet te stellig over uitspreken. Ik denk dat er een grondig debat moet worden gevoerd over nieuwe wetgeving. Hoorzittingen met onder meer ethici en medische experts kunnen nuttig zijn om daar samen over na te denken. Men zegt dat het opheffen van de anonimiteit eigenlijk niet tot een fundamenteel probleem leidt wat het aantal donoren betreft. Maar goed, dat is een debat dat nog gevoerd moet worden. Persoonlijk beschouw ik het als een principiële kwestie. Ik vind niet dat anoniem doneren het uitgangspunt moet zijn, wel integendeel. Dat is uiteraard mijn persoonlijke mening.

Ik ben ook van oordeel dat het altruïstische karakter van de donatie belangrijk is. We mogen dat niet verder commercialiseren, wel integendeel. Dat is trouwens gelukkig ook de geest van de SoHO-verordening. Het gaat immers om voluntary unpaid donation . Dat betekent dat er geen financieel vergoedingssysteem aan is verbonden.

In haar schriftelijke voorbereiding vroeg mevrouw Van Hoof of in Fertibank is geweten van welke buitenlandse bank een donatie afkomstig is. Het antwoord is dat indien het om een buitenlandse spermabank gaat die aan een Belgische bank levert, er een Europese code voor de donor bestaat. In principe is er geen aparte codering voor de bank. Volgens het antwoord van het FAGG is dat ook niet nodig voor wat Fertidata op dit moment inhoudt. De functionaliteit van Fertidata is uitsluitend bedoeld om de zesvrouwenregel te garanderen. Het fertiliteitscentrum zelf moet de gegevens van de oorspronkelijke bank bijhouden met het oog op de traceerbaarheid. Die traceerbaarheid is immers wel degelijk een verplichting. In Fertibank zult u die informatie over de oorspronkelijke bank dus niet rechtstreeks terugvinden. Dat is het antwoord dat ik van het FAGG kreeg op die specifieke vraag.

Collega’s, mijn excuses voor mijn lange betoog. Ik denk daarmee toch wel alles te hebben beantwoord.

Ik wil nog eens beklemtonen dat we in de komende periode onvermijdelijk met nieuwe gegevens te maken zullen krijgen. Ik meen dat we vooral de doelstelling voor ogen moeten houden, het belang ervan en het respect voor de betrokken kinderen en hun gezinnen, net als voor de donoren.

Dat is de doelstelling. Die moeten we voor ogen houden, zowel bij het omgaan met de informatie die nu naar buiten komt als voor de informatie die we ongetwijfeld nog zullen krijgen, evenals bij onze beslissing over wat we ermee doen en de conclusies die we eruit trekken voor het beleid in de toekomst.

Pour répondre à une question qui m'avait été posée par écrit par M. Cornillie au sujet des vérifications qui sont actuellement exigées en Belgique avant d'accepter un don de sperme, je peux indiquer que les donneurs de gamètes, de gonades, de fragments de gonades, de matériel corporel humain fœtal et d'embryons sont soumis à un certain nombre de critères de sélection et de tests biologiques conformément à l'article 9, § 2 et à l'annexe 4 de l'arrêté royal du 28 septembre 2009. Ainsi, pour les dons autres qu'entre partenaires, les centres de fécondation sont tenus, après avoir obtenu le consentement du ou des donneurs, d'effectuer un dépistage génétique des gènes récessifs autosomiques prévalents dans le contexte ethnique du donneur, selon les connaissances scientifiques internationales, et de réaliser une évaluation du risque de transmission de maladies héréditaires connues pour être présentes dans la famille. Ils doivent également informer le receveur de manière complète et intelligible des risques associés et des mesures prises pour les réduire. Il n'y a donc aucune autre spécificité plus détaillée au niveau du screening génétique. Par ailleurs, du matériel corporel humain ne peut être importé ou transféré d'un autre État membre de l'Union européenne qu'à condition que ce matériel réponde aux dispositions dudit arrêté. Ceci implique que les tests précités doivent avoir été effectués. Les inspecteurs de l'Agence fédérale peuvent demander, lors d'inspections, la liste du screening à une banque de gamètes, mais il n'est pas possible de donner une liste standard, vu que les tests génétiques dépendent, comme je l'ai indiqué, du contexte ethnique du donneur et de l'anamnèse, dont une évaluation du risque de transmission des facteurs héréditaires présents dans la famille.

Madame la présidente, chers collègues, je crois avoir répondu ainsi à toutes les questions.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, het is goed dat u een heel uitgebreid antwoord hebt gegeven.

Ik vind het echt onaanvaardbaar dat het FAGG tegen de pers heeft gelogen. Het FAGG zei aan de pers dat er geen overschrijdingen waren of dat er geen sprake was van massadonatie. Verder heeft het FAGG voor u informatie achtergehouden en bij het parket geen melding gemaakt van de vaststelling van de overschrijding van de zesvrouwenregel. Het ergste is dat de betrokken gezinnen nooit werden geïnformeerd over de overschrijding van die zesvrouwenregel.

U zegt dat de overschrijdingen op landelijk niveau op basis van biovigilantiemeldingen werden vastgesteld, maar dat nog moet worden uitgezocht hoeveel het er precies zijn. Ik vind dat weinig geruststellend. Ik heb steeds gedacht dat zulke zaken perfect traceerbaar zijn. U vermoedt ook dat het om aanzienlijk meer gevallen zal gaan. We moeten ons hart dus vasthouden. Het gaat dan nog maar alleen over biovigilantiemeldingen, dus daarbuiten zijn er waarschijnlijk nog veel meer overschrijdingen geweest.

Daarbij doet het er niet toe of die overschrijdingen van lang geleden of van recent dateren. De donorkinderen hebben het recht om te weten hoeveel halfzussen of halfbroers ze hebben.

Het FAGG wist dat er overschrijdingen waren. Ik vind het een groot probleem dat het niet meer steekproeven heeft uitgevoerd los van de biovigilantiemeldingen. Het FAGG had dat in kaart moeten brengen om een idee te krijgen van de omvang van het risico in het land, want naar mijn mening was het FAGG daarvoor verantwoordelijk.

Het is heel jammer dat er een schandaal van deze omvang nodig is geweest, dan nog eens gecombineerd met een ernstige medische aandoening. Het is erg dat het zo ver moest komen voor er sprake was van algemene verontwaardiging, want de vermoedens bestonden al lang. Ik ben zelf pas sinds deze legislatuur bezig met dat dossier, maar mijn collega's, ook van andere partijen, hebben in het verleden al veel vragen gesteld over het uitblijven van een register. We proberen ook het belang aan te kaarten van het opheffen van de donoranonimiteit, die het gebrek aan transparantie in de hand heeft gewerkt. Het is dan ook goed dat deze regering daarvan nu echt werk zal maken, dat die donoranonimiteit wordt opgeheven.

Donorkinderen roepen al jaren dat ze nood hebben aan meer informatie voor antwoorden op hun essentiële levensvragen. We moeten echt alle informatie uit de fertiliteitscentra samenbrengen, zodat geanalyseerd kan worden hoe vaak de zesvrouwenregel is overschreden en zodat, zoals u zegt, mogelijke betrokkenen daarover kunnen worden geïnformeerd als ze dat willen.

Ik geloof dat dat moeilijk is, maar moeilijk gaat ook. Als het niet onmogelijk is, dan moet het volgens mij gebeuren. We moeten nagaan hoe de vork aan de steel zit. In Nederland is men teruggegaan tot 2004. Ik denk dat wij kunnen teruggaan tot 2007. Dat lijkt me echt niet onmogelijk.

Ik begrijp dat u zelf ook vindt dat de fertiliteitscentra daarin meer verantwoordelijkheid hadden moeten opnemen. We zullen zien in hoeverre bijkomend onderzoek nodig is, want ik heb begrepen dat u zelf geen audit hebt bevolen.

Ik hoop dat we snel resultaten krijgen van de aangekondigde audit. Ik heb niet precies gehoord wanneer wij de resultaten mogen verwachten, maar aan de hand van die audit kan het Parlement bekijken of verder stappen moeten worden gezet.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dank voor uw uitvoerig antwoord. Wie al voldoende lang politiek actief is, weet dat er wellicht meer aan de hand is wanneer er zeer lange persnota’s nodig zijn en wanneer uitgebreide en erg complexe informatie aan het Parlement dient te worden verstrekt.

Daarnaast stel ik vast dat u erg voorwaardelijk blijft in uw antwoorden. U zegt dat u op dit moment, op basis van de informatie waarover u nu beschikt, geen aanwijzingen hebt van fouten van het FAGG inzake het verwittigen van ouders of donorkinderen. Zo gaat uw antwoord maar door. Het FAGG valt onder uw bevoegdheid, maar u doet een beetje alsof u daar zelf niets mee te maken hebt.

U hebt ook gezegd dat uw kabinet al sinds 22 april meldingen heeft ontvangen over een aantal overschrijdingen van de zesvrouwenregel. Blijkbaar is ook dan nog geen alarmbel afgegaan.

Op 6 oktober ontving het FAGG een eerste melding van een fertiliteitscentrum dat aangaf dat donor X het voorwerp uitmaakte van een onderzoek. Op 8 november kreeg het FAGG een officiële rapid alert van de Deense overheid waarin werd meegedeeld dat een genmutatie was vastgesteld. Op 13 november werd een nieuw schrijven naar het FAGG en de veertien fertiliteitscentra verstuurd met de melding dat er een blokkering voor die specifieke donor geldt. Ik vind het erg moeilijk te begrijpen dat uw kabinet blijkbaar op geen enkel van die momenten betrokken werd.

Sta mij, als lid van de oppositie, toe te vragen dat ook dat nog eens grondig wordt nagekeken. Ik ben uiteraard bereid u op uw woord te geloven, maar in eerdere regeerperiodes zijn daaromtrent al grondigere onderzoeken gevoerd. Zoals ook collega Bury vroeg, denk ik dat het nodig is om het volledige e-mailverkeer en alle informatie die is uitgewisseld tussen het FAGG en het kabinet tussen 2022 en nu aan het Parlement ter beschikking te stellen.

Wat mij opvalt, is dat u sterk de nadruk legt op de oprichting van het centraal register. Ik begrijp dat dat uw verdienste is en dat u daar blij mee bent, maar ook vorige ministers waren al bezig met de oprichting van zo’n register en botsten op dezelfde problemen als waar u vandaag naar verwijst. Klaarblijkelijk vindt u het zinvol om naar het verleden te verwijzen, hoewel dat intussen al een volledige legislatuur onder uw bevoegdheid viel.

Tegelijk worden telkens verwoede pogingen ondernomen om het debat te voeren over de afschaffing van de anonieme donatie, terwijl dat in deze context eigenlijk niet ter zake doet, want binnen het bestaande wettelijk kader kunnen we perfect nagaan in welke mate de zesvrouwenregel werd overschreden.

Ik volg collega Gijbels volledig in haar betoog. We moeten inderdaad proberen het verleden te reconstrueren. In Nederland is dat gelukt. De fertiliteitscentra houden zulke gegevens zorgvuldig bij. Dat mag dus geen enkel obstakel vormen om die hersamenstelling ook hier te maken, en op die manier gezinnen, families en donorkinderen gerust te stellen.

Mijnheer de minister, tot slot, ik ben het niet eens met uw beslissing dat de fertiliteitscentra zelf de gezinnen moeten informeren en dat er geen informatie zal worden vrijgegeven over de betrokken centra. Ik ben het er fundamenteel mee oneens dat ouders niet mogen bellen naar die centra. Om ongerustheid weg te nemen , kan het helpen als u als overheid proactief zegt dat wie zich zorgen maakt en vragen heeft, contact kan opnemen met de betrokken fertiliteitscentra. Volgens de informatie waarover ik momenteel beschik, zou iedereen geïnformeerd moeten zijn. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten.

De voorzitster : Ik laat iedereen wat langer aan het woord, omdat de minister ook meer tijd heeft gekregen. Laten we wel zo bondig mogelijk zijn.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het uitgebreide antwoord.

In het begin van uw antwoord hebt u herhaald dat een brede politieke verontschuldiging nodig is. Dat is ook heel terecht. Op basis van uw antwoord en de tijdslijn stel ik vast dat er sprake was van bijzonder grove laksheid bij de opeenvolgende ministers van Volksgezondheid sinds 2007. Daar ligt een grote verantwoordelijkheid, die ook een stevig juridisch staartje kan krijgen. De Belgische Staat werd trouwens vroeger ook al veroordeeld voor de niet-uitvoering van wetgeving, omdat er geen koninklijk besluit volgde, nadat een wet was goedgekeurd.

Nader onderzoek, de audits en de eventuele bijkomende werkzaamheden van de commissie zullen duidelijk moeten maken hoe een en ander is gelopen sinds 2007.

Het is goed dat zal worden bekeken om het register retroactief te maken. Dat zal heel belangrijk zijn. Het is ook heel belangrijk om een en ander op internationaal vlak te bekijken. Indien commerciële spelers internationaal werken, komt gedoneerd sperma niet alleen in België terecht, maar ook in andere landen. Willen we dan de kwaliteit ervan onder andere om gezondheidsredenen bewaken, dan moeten we dat ook Europees monitoren. Ik ben het met u eens dat we dus ook internationaal en Europees databanken nodig hebben, willen we eventuele problemen kunnen traceren.

Essentieel voor België is de vaststelling dat het FAGG ernstig tekortgeschoten is in zijn communicatie aan de beleidsvoerders en aan de betrokken gezinnen. Het ongenoegen en de onrust bij vele gezinnen is bijzonder groot en zal nog zo blijven, zelfs bij de gezinnen die geen brief hebben gekregen, ook al hebt u duidelijk aangegeven dat enkel gezinnen die werden aangeschreven, potentieel een probleem hebben.

Voorzitster: Ludivine Dedonder.

Présidente: Ludivine Dedonder.

Ik hoop dan ook dat we met de verdere werkzaamheden in de commissie voor Gezondheid vooruitgang kunnen boeken. Mijn collega Petra De Sutter zal die werkzaamheden opvolgen. De hoorzittingen die reeds zijn gepland met het FAGG, met verantwoordelijken van fertiliteitscentra en met vele andere experten, zijn daarbij zeer belangrijk. Er valt dus nog heel wat te bespreken.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik heb al vaak gezegd dat gezondheidszorg precisiewerk is. We verwachten precisiewerk van onze zorgverstrekkers en evenzeer van het FAGG. Ik ben dan ook verwonderd wanneer ik hoor dat het om 52 of 53 casussen gaat en dat u moet toegeven nog geen definitieve cijfers te hebben. Dat illustreert precies wat ik in de vorige legislatuur vaker heb aangekaart. In discussies die we toen hadden, vroeg ik u, bijvoorbeeld, of er een inspectie had plaatsgevonden. U antwoordde dat die nog niet had plaatsgevonden, maar achteraf bleek dat dat wel het geval was geweest. Die precisie in communicatie tussen een federale gezondheidsinstantie en de beleidsmaker ontbreekt volledig. Dat is precies waarom die audit zo noodzakelijk is.

Tijdens de coronacrisis ging het over een vergeten handtekening tot neuswissers, narcotica, de Medistazaak en spierverslappers. Nu gaat het om mensen, om menselijk materiaal. Dat is een bijzonder ernstige zaak. Ik ben dan ook tevreden dat die audit intussen al wordt uitgevoerd. De audit die we in het regeerakkoord hebben afgesproken, wordt nu ook effectief uitgevoerd. Hopelijk gebeurt die zo breed mogelijk, zodat we maatregelen kunnen nemen om de organisatie te optimaliseren. We moeten ervoor zorgen dat men op het FAGG kan vertrouwen. Wanneer ik als apotheker het FAGG over de vloer krijg, moet ik tot op één voorschrift na kunnen aantonen welk medicijn ik wanneer aan wie heb verkocht. Dat is ook wat ik verwacht van de organisatie zelf ten aanzien van onze patiënten, onze zorginstellingen en onze zorgverstrekkers.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse très détaillée. Nous avons reçu quantité d'informations. Nous ne manquerons évidemment pas de relire ce rapport à tête reposée et nous reviendrons avec des questions précises lors des auditions que nous aurons prochainement.

Une première réaction consiste à dire qu'il est indéniablement important et urgent de travailler à une plus grande transparence dans le flux d'informations au sein de l'AFMPS et de comprendre pourquoi cette information essentielle découverte en 2023 ne vous a pas été communiquée plus tôt. Cela nous semble être un grave problème et il semblerait que ce soit votre avis également.

Il nous semble aussi important d'analyser la réglementation interne à l'AFMPS que vous avez évoquée et qui pose certaines questions en termes de respect de la législation, certainement concernant la règle des six femmes qui nous préoccupe aujourd'hui. En ce sens, nous espérons que tant les auditions que l'audit interne que vous avez demandé répondront plus précisément à un certain nombre de questions cruciales.

Je vous rejoins sur la nécessité d'auditionner des experts concernant la levée de l'anonymat. On doit en effet trouver un système plus équilibré entre les droits des uns et des autres. Mais je vous avoue que je n'arrive toujours pas bien à comprendre le lien qui est fait entre cette question de l'anonymat et la situation choquante à laquelle nous faisons face aujourd'hui.

Un mot enfin concernant l'accompagnement des familles. L'information est évidemment une chose importante. Je crois comprendre de votre intervention qu'on peut être assuré du fait que tous les ménages concernés, en tout cas pour ceux qui résident en Belgique, ont aujourd'hui bien été informés par leur centre. C'est évidemment quelque chose d'important à répéter. Il y a une vraie importance dans cette affaire du respect pour les familles. Mais, si des enfants sont touchés par la maladie, qu'en sera-t-il de l'accompagnement de ces enfants, de la prise en charge des traitements, etc.? On ne vous a pas encore entendu sur ce volet-là de la réponse, monsieur le ministre. Or c'est évidemment une de nos préoccupations premières. Nous ne manquerons pas de poursuivre ces débats, notamment au moment des auditions, qui ont été demandées hier.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, uw antwoord stelt me allesbehalve gerust.

Het lijkt wel een communicatieflater: een technisch probleem bij het FAGG. Ik zei daarnet: ofwel wist u ervan en bent u verantwoordelijk, ofwel wist u het niet en bent u onbekwaam. Een derde optie lijkt er niet te zijn, al denk ik dat ze er toch is: u wist ervan, dus u bent verantwoordelijk, én u bent onbekwaam.

Uit het veel te korte antwoord aan mevrouw Gijbels kunnen we afleiden dat u op 22 april al wist dat er veel meer aan de hand was; dat korte antwoord klopte niet. Voor u geldt ook het artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. Het geldt ook voor uw ambtenaren, wat u onder de mat probeert te vegen. U zegt dat er interne regelgeving is en dat u dit nog zult onderzoeken, maar iedereen wordt geacht de wet te kennen: zowel ik, als u, als uw ambtenaren. Uw ambtenaren kunnen geen interne regelgeving hanteren die boven de wet staat. Dat is uitgesloten. Het onderzoek zal dat ook aantonen.

U kondigt in uw beleidsnota zoveel nieuwe initiatieven aan – daar staan overigens goede voorstellen in, dat hebben we eerder gezegd – dat u door de bomen het bos niet meer ziet. Daar wringt het. U bent nochtans voogdijminister en u hebt een controlefunctie. U hebt het over het FAGG alsof dat agentschap een eigen wetgeving zou hebben en u dat zult bekijken.

U hebt als voogdijminister de taak om het agentschap te controleren, ook proactief. U moet een juridische beoordeling maken als er zaken niet kloppen. U moet waar nodig optreden en Justitie of een andere instantie inschakelen. U hebt dat allemaal niet gedaan. Intussen zijn er 37 gezinnen die mogelijk kinderen hebben met een verhoogd risico op kanker. De vraag rijst nu of de verkregen antwoorden wel correct zijn. De vzw Donorkinderen stelt bovendien dat dit wellicht slechts het topje van de ijsberg is. We weten het niet en het FAGG blijkt niet in staat de regels te handhaven. Wat zijn de volledige cijfers en kan het FAGG die überhaupt geven?

Uw uitleg overtuigt niet. U hebt uw verantwoordelijkheid niet genomen en u blijft de feiten achternalopen. Dit is geen bedrijfsongeval en u had dat kunnen voorkomen. U had als voogdijminister proactief moeten optreden om te controleren. Controle is een belangrijke taak van u als minister. Het staat buiten kijf dat dit nooit meer mag gebeuren.

U zegt dat de fertiliteitscentra ter verantwoording zullen worden geroepen. U zegt dat er ook wetgevend werk nodig is. Dat is goed, maar wij blijven hameren op het feit dat het parket waar mogelijk moet worden ingelicht, sowieso, zelfs voor feiten die verjaard zouden kunnen zijn. Het parket moet ook de puzzel kunnen leggen met het oog op toekomstige feiten. Het parket moet dus zoveel mogelijk worden ingelicht. Ik heb gemerkt dat het FAGG plots wel naar het parket stapt. Blijkbaar vindt men nu dat er iets meer dan een administratieve boete nodig zal zijn.

Ik vind het hallucinant dat u door een onderzoeksjournalist wakker gemaakt bent en dat u uw functie gewoon niet hebt uitgeoefend zoals het moest.

Ik stel ook vast dat op een aantal van mijn vragen geen antwoord werd gegeven. Ik heb gevraagd of u de topman de voorbije jaren hebt geëvalueerd. Waren die evaluaties positief of negatief? Kunt u die motivering of de documenten met het Parlement delen? Daarnaast vraag ik ook om alle communicatie, brieven, e-mails en nota’s, die betrekking heeft op de spermadonoren, de fertiliteitscentra, de biovigilantie en de oprichting van de donorendatabank.

Ik heb een motie opgesteld, die ik nu aan de voorzitter overhandig.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, u moet de zaken uit elkaar houden. Ik heb op de vraag van mevrouw Gijbels geantwoord dat wij de voorbije dagen een reconstructie hebben gemaakt van de informatie die wij hebben gekregen. Daaruit blijkt dat het FAGG op 22 april, in de voorbereiding van een antwoord op parlementaire vragen, heeft gezegd: "Bij twee centra hebben wij een overschrijding van de zesvrouwenregel vastgesteld, op het niveau van het centrum. Het gaat om relatief beperkte overschrijdingen". Dat is uiteraard fout. Dat mag niet. Dat roept heel wat vragen op. Men kan dat antwoord echter niet als volledig aannemen, want dat zou een zeer minimalistische lezing van het werkelijke probleem zijn. Dat is niet het antwoord waardoor iemand zou zeggen: dat is een groot schandaal. Dat is alles wat ik heb willen zeggen.

Het gebrek aan proactieve communicatie naar mij en het gebrek aan beleid op het vlak van controle en inspectie, dat men als minister niet kan opvolgen, is ook de reden waarom ik een interne audit heb gevraagd.

Ik wil daar nog aan toevoegen, mevrouw de voorzitster, dat ik aan de Federale Interne Audit vraag met het eerste deel van de audit in september klaar te zijn. Het tweede deel, de brede audit, kan wel langer duren. Die kan voor de zomer van 2026 of zo zijn. Ik wil me daar nu niet op vastpinnen.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, dank u wel voor de reconstructie die u gemaakt hebt en voor de informatie die u ons meegedeeld hebt. Ik meen dat we het er allemaal over eens zijn dat dit een gevoelige kwestie is en dat we zeker moeten ageren, als parlementsleden, met respect voor de kinderen en hun ouders.

Ik onthoud twee zaken die van fundamenteel belang zijn voor ons, mijnheer de minister.

Ten eerste, de heer Van Hecke heeft ernaar verwezen, het is terecht dat we, als politiek, nederig zijn. Ik meen dat we collectief een politieke verontschuldiging moeten uitspreken. We moeten dat gewoon doen. Ten tweede, we moeten als parlementsleden ook onze rol spelen en we moeten bekijken hoe het FAGG en de fertiliteitscentra gewerkt hebben. We zullen hoorzittingen organiseren. Daar moeten we als Parlement mee aan de slag.

Wat de toekomst betreft, meen ik dat het van essentieel belang is dat indien ouders en/of kinderen het wensen, ze informatie kunnen krijgen. Indien ze het wensen. Dat is wel een belangrijk element. We moeten de informatie over het overschrijden van de zesvrouwenregel, als we die hebben en kunnen reconstrueren, bijhouden. We moeten zo ver in de tijd teruggaan als we kunnen. Tot 2007 als het kan. Ondanks alle technische problemen die we tegenkomen.

Het volgende is ook belangrijk – op dat vlak ben ik het niet eens met mevrouw De Knop. We kunnen van mening verschillen, maar het is belangrijk dat we eindelijk een debat hebben, een discussie kunnen voeren over het principe van de opheffing van de anonimiteit. Laten wij die discussie democratisch voeren en vermijden dat de ene de andere blokkeert, zoals in het verleden het geval was. Laten wij die ethische discussie aangaan. We kunnen daarbij van mening verschillen, maar laten wij op zijn minst de discussie voeren.

Mijnheer de minister, u hebt het ook aangehaald, België moet blijven ageren op Europees niveau. U hebt de SoHo-verordening aangehaald, die binnenkort in werking zal treden. We moeten verder druk uitoefenen om idealiter een Europees donorregister tot stand te brengen. Laat ons land daarvoor strijden.

Tegelijkertijd, het is zeker belangrijk voor de Vooruitfractie, maar ik heb het ook andere collega’s horen zeggen, moeten we er ook voor strijden om het altruïstisch karakter van een donatie te verankeren. We moeten geen verdere stappen zetten richting winstgevende modellen of commercialisering van deze belangrijke maatschappelijke kwestie. Veel wensouders wensen dat wij dit goed regelen en ook goed controleren.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Katleen Bury en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Katleen Bury en het antwoord van de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast Armoedebestrijding, - overwegende dat in België minstens 52 kinderen zijn verwekt met het zaad van 1 spermadonor, bij 37 moeders in 12 verschillende centra, hetgeen een ernstige schending vormt van de wettelijke zesvrouwenregel inzake spermadonatie; - overwegende dat het FAGG reeds sinds eind 2023 op de hoogte was van deze feiten maar heeft nagelaten de betrokken ouders tijdig te informeren en de bevoegde minister pas in mei 2025 op de hoogte heeft gebracht; - overwegende dat het FAGG evenmin melding heeft gedaan bij het parket van duidelijke overtredingen van de wet van 2007 op medisch begeleide voortplanting (betreffende het maximumaantal donorinzettelingen per donor), waardoor mogelijke strafbare feiten niet vervolgd zijn en gedupeerde ouders en kinderen in de kou staan; - overwegende dat een gebrek aan centrale registratie en informatie-uitwisseling tot 2024 de handhaving van de zesvrouwenregel ernstig heeft bemoeilijkt, en dat inmiddels een databank (Fertidata) werd opgericht die een dergelijk toezicht moet verbeteren; - overwegende dat de controle door het FAGG op de naleving van donorwetgeving tot nog toe onvoldoende is gebleken en dat reeds eerder door diverse bronnen is gewezen op mogelijke donorfraude die jaren onbehandeld bleef; - overwegende dat de minister tot op heden heeft nagelaten een externe doorlichting van het FAGG te laten uitvoeren ondanks herhaalde oproepen daartoe, en pas na het uitbreken van dit schandaal een interne doorlichting heeft aangekondigd; vraagt de regering - onverwijld een onafhankelijke externe audit uit te voeren van het FAGG, met bijzondere aandacht voor het juridisch kader en het mandaat, de meldingsstructuren en het informatiebeheer, de operationele werking, de chronologie van de feiten, de externe communicatie en transparantie, de internationale coördinatie, het importtoezicht en de interne verantwoordelijkheden; - volledige duidelijkheid te scheppen over het donorschandaal door alle relevante informatie en bewijsmateriaal omtrent overtredingen van de donorwetgeving onverwijld over te maken aan het parket, opdat gerechtelijke stappen alsnog mogelijk worden; - de naleving van de zesvrouwenregel voortaan strikt te garanderen, onder meer door het optimaal inzetten van de centrale donorendatabank en door versterkt toezicht op fertiliteitscentra, zodat een gelijkaardige overtreding zich niet kan herhalen; - na te gaan of het opportuun is een onafhankelijk orgaan of instantie op te richten dan wel aan te wijzen dat specifiek belast wordt met het controleren van de regelgeving rond donormateriaal, indien zou blijken dat het FAGG zelf hiertoe onvoldoende in staat is; - met spoed werk te maken van een actualisering van de wetgeving rond donorgegevens, donatie en import van menselijk voortplantingsmateriaal, zodat lacunes in het wettelijk kader worden weggewerkt en de rechten van donorkinderen, wensouders en donors beter gewaarborgd zijn; - openbaar te maken hoe de minister de top van het FAGG heeft geëvalueerd sinds 2020, met inbegrip van evaluatieverslagen van de heer Hugues Malonne; - alle relevante communicatie tussen het FAGG en het kabinet Volksgezondheid sinds 2020 – inzake fertiliteitscentra, donorendossiers, databanken en biovigilantie – over te maken aan het Parlement, ter controle van de informatieketen; - ervoor te zorgen dat leden van het Parlement die als kabinetschef betrokken waren bij de voorbereiding of de opvolging van dit dossier, zich onthouden van een actieve rol in parlementaire opvolging of in een eventuele onderzoekscommissie, teneinde belangenvermenging of schijn van partijdigheid te vermijden. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Katleen Bury et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Katleen Bury et la réponse du vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté, - considérant que le sperme d'un seul donneur a été utilisé en Belgique pour engendrer 52 enfants de 37 mères dans 12 centres différents, ce qui constitue une violation grave de la règle légale des six fratries en matière de don de sperme; - considérant que l'AFMPS avait déjà connaissance de ces faits depuis fin 2023 mais s'est abstenue d'informer à temps les parents concernés et n'a informé le ministre compétent qu'en mai 2025; - considérant que l'AFMPS n'a pas non plus signalé au parquet ces infractions manifestes à la loi de 2007 relative à la procréation médicalement assistée (concernant le nombre maximal d'utilisations par donneur), en conséquence de quoi de possibles faits punissables n'ont pas été poursuivis tandis que des enfants et des parents lésés sont abandonnés à leur sort; - considérant que l'absence d'enregistrement centralisé et d'échanges d'informations jusqu'en 2024 a considérablement compliqué le respect de la règle des six fratries, et qu'une base de données (Fertidata) a entre-temps été créée afin d'améliorer le contrôle en la matière; - considérant que le contrôle, par l'AFMPS, du respect de la législation relative aux donneurs s'est révélé insuffisant jusqu'à présent et que plusieurs sources ont déjà indiqué que de possibles fraudes en matière de dons sont demeurées sans suites pendant les années considérées; - considérant qu'à ce jour, le ministre s'est abstenu de faire réaliser un audit externe de l'AFMPS malgré des appels répétés en ce sens et qu'il n'a annoncé un audit interne qu'après la révélation de ce scandale; demande au gouvernement - de faire réaliser un audit externe indépendant de l'AFMPS, accordant une attention particulière à son cadre juridique et son mandat, ses structures de signalement et sa gestion de l'information, son fonctionnement opérationnel, la chronologie des faits, la communication externe et la transparence, la coordination internationale, le contrôle des importations et les responsabilités internes; - de faire toute la clarté sur le scandale des dons en transmettant sans délai au parquet toutes les informations pertinentes et les preuves concernant des infractions à la législation sur le don, de sorte que des actions judiciaires puissent encore être menées; - de garantir désormais le respect strict de la règle des six fratries, notamment en veillant à une utilisation optimale de la base de données centrale des dons et en renforçant le contrôle exercé sur les centres de fertilité, de sorte qu'une telle infraction ne puisse pas se reproduire; - d'examiner l'opportunité de créer ou de désigner une instance ou un organe indépendant spécifiquement chargé du contrôle en matière de réglementation relative au don de matériel génétique, s'il apparaissait que l'AFMPS n'est pas suffisamment en mesure d'y veiller elle-même; - de s'atteler d'urgence à une actualisation de la législation relative aux données des donneurs, aux dons et à l'importation de matériel reproductif humain, afin de pouvoir éliminer les lacunes du cadre légal et de mieux garantir les droits des enfants issus d'un don, des parents demandeurs et des donneurs; -de rendre publique la manière dont le ministre a évalué la direction de l'AFMPS depuis 2020, y compris les rapports d'évaluation de M. Hugues Malonne; - de transmettre au Parlement toutes les communications pertinentes échangées entre l'AFMPS et le cabinet de la Santé publique depuis 2020 – en matière de centres de fertilité, de dossiers de donneurs, de bases de données et de biovigilance – à des fins de contrôle de la chaîne d'informations; - de veiller à ce que des membres du Parlement qui étaient associés à la préparation ou au suivi de ce dossier au titre de chef de cabinet s'abstiennent de jouer un rôle actif dans le suivi parlementaire ou dans une éventuelle commission d'enquête, afin d'éviter tout conflit d'intérêts et toute apparence de partialité. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Jan Bertels. Une motion pure et simple a été déposée par M. Jan Bertels. Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close. Mme De Sutter n'est pas présente pour poser ses questions n os 56003506C et 56004978C.

Het FSMA-onderzoek naar Ekopak

Gesteld door

Groen Meyrem Almaci

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: De FSMA onderzoekt Ekopak op vermoedelijke schending van marktcommunicatieplichten (te late/misleidende voorwetenschap over het mislukte Waterkracht-project), met mogelijke sancties tot 15 miljoen euro of 15% omzet en strafrechtelijke vervolging. Het administratief onderzoek (door een FSMA-auditeur) duurt maanden, met uitkomst mogelijk tegen de zomer; resultaten worden gepubliceerd op de FSMA-website, maar zijn nu moeilijk toegankelijk. Almaci benadrukt het gebrek aan transparantie en dat Ekopak het project al afboekte, terwijl Jambon bevestigt dat de FSMA eerder sancties oplegde voor gelijkaardige inbreuken. Het dossier toont structurele twijfels over beurscompliance en de gevolgen voor het havenproject.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, de relevantie van deze vraag wordt aangetoond doordat de FSMA vandaag de communicatie uitgebracht heeft dat zij verder onderzoek instelt. Verschillende persartikels in Apache , Trends en De Tijd schetsen een meer dan problematisch beeld over de communicatie van het beursgenoteerd waterzuiveringsbedrijf Ekopak ten aanzien van haar aandeelhouders en beleggers. Ekopak was initieel betrokken bij het miljoenenproject Waterkracht met de Antwerpse intercommunale water-link. Die intercommunale besliste in het najaar van 2023 uiteindelijk echter alleen verder te gaan met het project Waterkracht. Het bedrijf zou daarvan op de hoogte zijn geweest, maar communiceerde anders.

In februari 2024 kwam het bedrijf terug aan tafel en werd een confirmation letter opgesteld. Ondertussen is duidelijk dat dat geen effectieve deal is. Er was nog geen contractuele verandering, zoals het bedrijf overigens toegegeven heeft en ondertussen werd bevestigd in een recent antwoord van schepen Koen Kennis in de stad Antwerpen op een mondelinge vraag die ik daar zelf heb gesteld.

De huidige situatie is dusdanig bijzonder dat het aandeel van Ekopak tijdelijk werd geschorst. De media hebben gemeld dat de FSMA een onderzoek is gestart. Vandaag staat in de krant effectief dat beurswaakhond FSMA het nodig vindt om een auditeur te gelasten met het onderzoek naar de communicatie van Ekopak, wat een nieuwe stap in het dossier is. Daarmee heb ik een zeer beknopte samenvatting gegeven van een dossier met een flink tijdsverloop en heel wat kronkels.

Mijnheer de minister, volgens de marktmisbruikverordening moeten beursgenoteerde bedrijven voorwetenschap zo snel mogelijk bekendmaken, dus ook de wetenschap dat een deal niet meer juridisch verankerd is of niet meer zal doorgaan. Wat is de mogelijke sanctie als bedrijven daartegen zondigen? Wat is de vork waartussen beslist kan worden om bepaalde maatregelen te nemen?

Wat is de specifieke aard van het onderzoek dat de FSMA uitvoert? Hoe vaak heeft de FSMA in de afgelopen tien jaar onderzoeken van vergelijkbare aard uitgevoerd bij bedrijven? Welke timing is voorzien voor de afronding van dat onderzoek, gelet op de vandaag bekendgemaakte nieuwe stap, dus tegen wanneer zou dat onderzoek klaar moeten zijn? Op welke manier zal het resultaat gecommuniceerd worden? Is de gangbare praktijk enkel een bericht op de website, of kan het Parlement daarin inzage krijgen?

Welke zijn de mogelijke consequenties voor het bedrijf en haar directie? Kortom, welke sanctiemiddelen heeft de FSMA tot haar beschikking voor dergelijke zaken, mocht ze na haar onderzoek naar de communicatie van beursgenoteerde bedrijven vaststellen dat er wel degelijk malversaties zijn geweest?

Jan Jambon:

Mevrouw Almaci, allereerst wil ik u eraan herinneren dat ik mij als minister van Financiën natuurlijk niet mag uitspreken over de inhoud van individuele toezichtdossiers. Een aantal van uw vragen waren wel in meer algemene termen geformuleerd, maar ik mag dus niet ingaan op individuele dossiers.

In principe moet een beursgenoteerd bedrijf over koersgevoelige informatie, de zogenaamde voorwetenschap, onmiddellijk communiceren naar het publiek. Bij een inbreuk op deze bepaling van de marktmisbruikverordening kunnen verschillende administratieve sancties worden opgelegd. Deze variëren van administratieve geldboetes van 15 miljoen euro of 15 % van de totale jaaromzet voor rechtspersonen en tot 5 miljoen euro voor natuurlijke personen, tot een formele waarschuwing of berisping tot corrigerende maatregelen, zoals een bevel tot openbaarmaking, indien de voorwetenschap nog niet is bekendgemaakt of een verplichte herstelmaatregel, bijvoorbeeld het aanpassen van interne procedures om herhaling te voorkomen. De Europese regelgeving voorziet ook de mogelijkheid om sancties op te leggen aan de individuele personen die deelnemen aan de laakbare beslissingen van het beursgenoteerde bedrijf inzake informatieverstrekking.

Binnen de behoeften die haar zijn toevertrouwd krachtens de Belgische wet van 2 augustus van 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en financiële diensten en de Europese marktmisbruikverordening, voert de FSMA onderzoeken vanaf het ogenblik dat er aanwijzingen zijn van een laattijdige publicatie van voorwetenschap. Daarnaast kunnen er aanwijzingen worden gevonden van marktmanipulatie of pogingen tot marktmanipulatie door middel van onjuiste of onvolledige communicatie en het opzettelijk weglaten van essentiële feiten. Ten slotte kunnen de vaststellingen ook worden overgemaakt aan het openbaar ministerie, wat dan weer kan leiden tot strafrechtelijke vervolging.

Wat het Ekopakdossier betreft, heeft het directiecomité van de FSMA op basis van de analyse die reeds geruime tijd liep, beslist van haar onderzoeksbevoegdheden gebruik te maken en heeft het de auditeur van de FSMA gelast met een administratief onderzoek naar de naleving door Ekopak nv van haar informatieverplichtingen ten aanzien van de markt. In overeenstemming met de procedure voorzien in de artikelen 70 en volgende van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten zal de volgende stap in de procedure de overmaking zijn van het voorlopige onderzoeksverslag van de auditeur aan Ekopak om haar toe te laten haar opmerkingen te maken.

Na onderzoek van deze opmerkingen zal de auditeur zijn verslag finaliseren en aan het directiecomité van de FSMA bezorgen. De gemiddelde doorlooptijd van het onderzoek door de auditeur bedraagt momenteel een aantal maanden. Dit is onder meer afhankelijk van de complexiteit van het dossier en de noodzaak tot internationale samenwerking.

Overeenkomstig artikel 71 van de voormelde de wet heeft het directiecomité drie mogelijkheden. Ten eerste, de grieven ter kennis van de betrokken partijen brengen en het dossier aan de sanctiecommissie bezorgen, waarop een tegensprekelijke procedure volgt. Ten tweede, een minnelijke schikking accepteren. Ten derde, het dossier afsluiten zonder verdere actie.

In het eerste geval, wanneer een van de grieven tevens een strafrechtelijke inbreuk kan uitmaken, informeert de FSMA ook de procureur des Konings. Voor inbreuken op de informatieverplichtingen van genoteerde vennootschappen heeft de FSMA de voorbije jaren reeds meerdere sancties opgelegd en minnelijke schikkingen getroffen. Deze zijn allemaal raadpleegbaar op de website van de FSMA.

Meyrem Almaci:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik weet dat ze raadpleegbaar zijn op de website van de FSMA, maar het is niet zo evident om daar iets terug te vinden. Het is eigenlijk onbegonnen werk. Alle cases staan gewoon onder elkaar, ongeacht van welke aard ze zijn. Ik zal misschien een schriftelijke vraag indienen om een overzicht te krijgen van de cases en de evolutie in de jaren. In hoeverre is er misleidende communicatie van Ekopak met betrekking tot koersgevoelige informatie geweest? Wij kunnen alleen afgaan op de artikelen en de communicatie van de schepen in Antwerpen. Het ziet er niet zo fraai uit. Zij hebben hun aandeel zelf tijdelijk laten schorsen. Het is nu de vraag hoe dat waardevolle project verdergaat, want van de beloofde circulaire oplossing voor het water in de Antwerpse Haven blijft weinig over. Er zal nog een raad van bestuur komen van de intercommunale. De vraag is hoe zij zich zullen opstellen. Het is in ieder geval duidelijk dat Ekopak het project inmiddels zelf uit haar boeken heeft geschrapt wegens te veel onzekerheid. Dat is toch een gang van zaken die vragen oproept. Of men deze vraag nu stelt als gemeenteraadslid, als Vlaams parlementslid of als federaal parlementslid, het gebrek aan transparantie in dit dossier is toch wel bijzonder opmerkelijk. Ik begrijp dat het onderzoek van de FSMA nog maanden zal duren, afhankelijk van de complexiteit. Ik verwacht tegen de zomer resultaat. Wij zullen zien waar het toe leidt. In ieder geval is het niet gelopen zoals dat voor een beursgenoteerd bedrijf zou moeten lopen. Dat is duidelijk. Ik dank u voor uw antwoorden. Ik zal het resultaat van het onderzoek opvragen als dat afgerond is.

Het pensioen van het academische en wetenschappelijke universiteitspersoneel

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Isabelle Hansez waarschuwt dat de pensioenhervorming de attractiviteit van academische loopbanen in België verder ondermijnt door late carrièrestart, cumulatie van nadelige maatregelen (plafonds, non-indexatie) en concurrentie met het privésector, wat een braindrain dreigt te versnellen. Minister Jambon erkent het probleem maar benadrukt dat pensioenhervorming gepaard moet gaan met een modern HR-beleid (loopbaanflexibiliteit, salarisstructuren), hoewel dit onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen valt; hij belooft wel impactanalyses per cohorte en overleg met onderwijsactoren, maar stelt dat de effecten pas middellangetermijn zullen zijn. Hansez houdt vol dat onmiddellijke zekerheid nodig is om jong talent te behouden, gezien het cruciale belang van kennisproductie voor de economie. Jambon wijst op de generuze academische pensioenen als huidige troef, maar suggereert dat de hervorming een katalysator kan zijn voor betere salarissen—zonder concrete garanties.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je reçois de nombreux messages de collègues, professeurs d'université, inquiets quant aux conséquences de la réforme des pensions sur le personnel académique et scientifique. Dans plusieurs domaines à haute valeur stratégique, comme la médecine, la pharmacie, les mathématiques ou encore l’ingénierie, les universités belges doivent composer avec une concurrence accrue du secteur privé, qui propose des conditions d'emploi et des ressources de recherche significativement plus avantageuses.

Cette réalité exerce une pression croissante sur notre capacité à recruter et à retenir les talents scientifiques. Or, la qualité de la formation de nos jeunes, futurs citoyens actifs et responsables, repose fondamentalement sur la solidité, la stabilité et la reconnaissance du corps académique. Ceci appelle dès lors une attention toute particulière dans le cadre de la réforme en cours. Toute réforme des pensions qui ne tiendrait pas compte des spécificités inhérentes aux carrières universitaires risquerait de compromettre davantage encore l'attractivité de nos institutions académiques ainsi que leur capacité à produire et à transmettre des savoirs de pointe indispensables au développement économique, social et technologique de notre société.

Il est essentiel de rappeler que l'objectif d'égalité et d'harmonisation des statuts ne doit en aucun cas conduire à leur uniformisation. Ceci m'amène à répéter les questions que j'avais posées lors de votre exposé. Comment envisagez-vous de considérer la spécificité du monde académique dans les réformes prévues? Comptez-vous notamment tenir compte de la tardiveté des carrières académiques si on veut que nos universités restent attractives? Comment motiver encore les jeunes chercheuses et chercheurs à s’engager dans une carrière scientifique en Belgique? Comment la future réforme prendra-t-elle davantage en compte la spécificité de l'hybridité sociale du monde académique: une carrière dans le régime de sécurité sociale des travailleurs salariés et une dans celle des indépendants? Comment envisagez-vous de facto la concertation sur ce sujet avec les acteurs des universités qui sont en l'occurrence demandeurs de celle-ci?

À cet effet, monsieur le ministre, je tiens à souligner que l'accord de gouvernement prévoit explicitement une prise en compte des effets cumulatifs des réformes en matière de pension. De surcroît, un éventuel plafonnement des pensions du personnel académique, combiné à d'autres mesures telles que la non-indexation du plafond Wijninckx engendrerait une différence de traitement significative par rapport à d'autres catégories de personnel. Une telle accumulation de dispositions favorables risque de fragiliser profondément l'attractivité du métier académique et de provoquer à terme un exode inévitable de talents vers des environnements professionnels plus stables et plus valorisants en Belgique comme à l'étranger?

Pourriez-vous dès lors nous indiquer, monsieur le ministre, si le Service fédéral des Pensions sera effectivement mandaté pour procéder à une évaluation concrète de l'impact qu'aurait sur le montant des pensions du personnel académique la mise en œuvre des mesures envisagées dans le cadre de la réforme et en prenant particulièrement en considération l'effet de cumul des différentes mesures qui doivent être prises. Par ailleurs, pourriez-vous nous donner un délai dans lequel ces données seraient disponibles et communiquées au Parlement.

Jan Jambon:

Merci pour votre question tout à fait pertinente, madame Hansez. Votre question nous rappelle une fois de plus qu'une réforme des pensions à un impact sur des domaines bien différents que les pensions elles-mêmes. Par exemple, un relèvement de l'âge de la retraite mène régulièrement à une discussion sur la charge de travail, ou même, sur les métiers lourds. La réponse qu'il convient de donner est que nous allons malgré tout réformer les pensions parce que c'est bien nécessaire, mais que cela nous oblige à repenser l'organisation du travail au sein de chaque entreprise ou organisation. En effet, si une réforme des pensions se veut effective, elle doit peut-être aller de pair avec une nouvelle politique du personnel qui mise sur la formation continue, le développement des compétences tout au long de la carrière, la mobilité professionnelle, qui prête attention à la charge de travail et aux possibilités de reconversion professionnelle et de travail adapté, etc. Une réforme des pensions doit donc aller de pair avec une politique du personnel adaptée. Autrement dit, une réforme des pensions donne beaucoup plus de poids à une nouvelle politique du personnel par rapport au poids qu'elle a eu dans le passé. Cela peut aussi créer des opportunités pour une politique du personnel ou une politique salariale. On aurait pu implémenter aussi cette politique avant les réformes de pension. Mais on ne l'a pas fait car l'urgence n'était peut-être pas là.

Vous allez peut-être dire que je tourne autour de votre question mais, en fait, votre question sur l'impact d'une réforme des pensions sur le secteur des universités est une question importante qui demande une perspective plus globale et qui nécessite une réponse équilibrée. Or, moi, en tant que ministre des Pensions, je suis uniquement compétent pour les pensions, pas pour la politique du personnel, ni la politique salariale de l'enseignement.

Je peux vous affirmer que mon cabinet a déjà eu des réunions avec le cabinet de l'enseignement, francophone et néerlandophone, pour mieux comprendre et identifier l'impact potentiel de l'accord de gouvernement fédéral sur le secteur de l'enseignement. On envisage des réunions régulières dans le futur à ce sujet. Je pense que cette consultation avec les acteurs de l'enseignement, y compris les universités, est vraiment importante. On veut écouter leurs soucis spécifiques et on a convenu de se réunir à nouveau dans les semaines qui suivent pour discuter, entre autre, des simulations et d'une analyse d'impact réalisée par le Service fédéral des Pensions en distinguant plusieurs profils types et plusieurs cohortes.

Quand j'ai vu, la semaine dernière, des représentants des syndicats du secteur public qui siègent au sein du Comité A, j'ai également suggéré de se baser sur des analyses d'impact effectuées par le Service fédéral des Pensions pour nous assurer que nous faisons la même analyse technique et numérique. On organisera une réunion technique informelle avec eux pour clarifier l'impact des réformes sur des profils types dans plusieurs secteurs, notamment l'enseignement.

Je veux insister sur le fait que l'impact de la réforme des pensions sur les universités se situe, selon nos estimations, plutôt sur le moyen ou le long terme. Une analyse de l'impact devrait révéler que celui-ci est très différent pour des gens proches de leur retraite que pour les jeunes qui entrent sur le marché de l'emploi. Dans cette perspective, il est très important de faire des simulations et des analyses d'impact par cohorte. Malheureusement, des chiffres erronés ont circulé dans les médias, ce qui crée évidemment des incertitudes.

En tant que ministre des Pensions, je ne suis pas compétent pour le secteur de l'enseignement universitaire mais j'ai compris que les salaires dans les universités belges ne sont pas compétitifs pour attirer des chercheurs prometteurs provenant de l'étranger. L'argument avancé pour attirer ces profils étrangers semble être l'argument de pensions généreuses alors que les salaires ne le sont pas. En effet, les pensions des professeurs d'université sont vraiment généreuses, y compris dans une perspective internationale.

On est devant une réforme des pensions qui pourrait – ou pourrait ne pas –, enclencher une dynamique concernant la politique du personnel et la politique salariale utilisée dans les universités belges. Une réforme des pensions pourrait être utilisée comme un catalyseur pour développer une structure de rémunération attractive pendant la carrière. Mais, à nouveau, cela relève de la compétence des Communautés, avec lesquelles on poursuit la concertation.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. J'entends bien votre volonté de vous concerter avec les entités fédérées. J'entends bien aussi que la politique des ressources humaines, des carrières et des académiques est importante. Et je retiens également que vous avez prévu de procéder à des simulations pour vous assurer que l'effet cumulé puisse être analysé et vérifié de manière à rassurer peut-être les académiques. Comme vous parlez d'effet à moyen ou long terme, cela laisserait aux plus jeunes la possibilité de faire des choix de carrière. Mais, de nouveau, j'insiste sur le fait qu'on a besoin de jeunes universitaires qui s'engagent dans une carrière académique, parce qu'on sait que la production de connaissances va stimuler notre système économique en Belgique.

Voorzitter:

Il a déjà été répondu aux questions n° 56003300C de Mme Ayse Yigit, n° 56003553C et n° 56003933C de Mme Sarah Schlitz ainsi qu'à la question n° 56003782C de Mme Farah Jacquet dans le cadre de l'exposé d'orientation politique. La question n° 56003484C de Mme Nahima Lanjri est transformée en question écrite.

Het jongerenonderzoek over tolerantie
De groeiende intolerantie bij jongeren ten aanzien van lgbtqi+-personen
Jongeren en tolerantie ten opzichte van diversiteit

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een recente studie toont een alarmerende stijging van homofobie bij Vlaamse jongeren (1 op 5 vindt agressie tegen holebi’s aanvaardbaar), vooral bij jongens en arbeidsmarktgerichte leerlingen, met religie als invloedrijke factor. Minister Beenders erkent de urgentie, belooft een interfederaal actieplan en wetenschappelijk onderzoek, maar benadrukt dat samenwerking met gewesten, onderwijs en sociale media (waar intolerantie wordt verspreid) cruciaal is om tolerantie te herstellen. De Knop dringt aan op strijdbaarder optreden tegen desinformatie en polariserende politieke discours, met focus op weerbaarheid van jongeren via objectieve informatie en referentiekaders. Kernpunt: België moet zijn voortrekkersrol in LHBTQI+-rechten herbevestigen door concrete acties tegen groeiende intolerantie, met aandacht voor kwetsbare groepen en digitale radicalisering.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, uit zeer recente cijfers van het Jeugdonderzoeksplatform blijkt dat meer jongeren geweld tegen homo's en lesbiennes aanvaardbaar vinden en ze willen dat het burgerlijk huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht wordt afgeschaft. Op een schaal van 0 tot 10 scoorden Vlaamse jongeren in 2023 3,2 voor homofobie. Vijf jaar eerder, in 2018, was dat cijfer nog fundamenteel lager. Het gaat om een bevraging bij meer dan 1.500 leerlingen uit het vijfde en zesde middelbaar. Dat lijkt ons dan ook vrij representatief te zijn.

De terugval is in alle groepen merkbaar. Zowel jongens als meisjes, gelovigen als niet-gelovigen en leerlingen in doorstroom- of arbeidsmarktgerichte richtingen werden in vijf jaar tijd gemiddeld meer homofoob. Dat vertaalt zich onder meer in één jongere op vijf die het volmondig eens is dat agressie tegen homo's aanvaardbaar is. Twee groepen springen eruit: jongens en leerlingen uit de arbeidsmarktgerichte finaliteit. Zij kenden de grootste stijging. Deze studie, waaruit duidelijk blijkt dat homofobie toeneemt, is een belangrijk teken aan de wand als u het ons vraagt.

In internationale context is het ook zeer duidelijk dat de rechten van mensen onder druk staan onder het mom van de vrije meningsuiting. Dat mag zeker geen vrijgeleide zijn om mensen te discrimineren of om vrijheden van mensen te beknotten. Wij liberalen vinden het echt cruciaal dat mensen altijd zichzelf kunnen zijn en dat ze zich veilig voelen om zich vrij te bewegen in het uitgaansleven en in het openbaar domein. Wij vinden het ook cruciaal dat mensen blijven opstaan om te zeggen dat het niet oké is mensen te bashen omdat ze anders zijn. Daarom stel ik u vandaag deze vraag. We zijn het in die zin absoluut niet eens met wat wereldleiders als Trump vandaag proclameren.

Democratie is ook afhankelijk van feitelijke informatie. Sociale media worden echter steeds meer gecontroleerd door autoritaire machten en creëren een soort alternatieve waarheid. Wij weten allemaal dat de geesten van jonge mensen kneedbaar zijn en dat het daarom cruciaal is om te blijven ingaan tegen fake news . Mijnheer de minister, daarom heb ik de hiernavolgende vragen voor u.

Hoe zult u vanuit uw bevoegdheid voor Gelijke Kansen ingrijpen tegen de groeiende intolerantie? Hoe zult u jongeren bereiken om ervoor te zorgen dat zij ook objectieve informatie aangereikt krijgen? Hoe zult u hen kunnen meegeven wat onze democratisch verworven vrijheden betekenen en inhouden?

Welke conclusies trekt u zelf uit de studie? Hoe zult u daarmee verder aan de slag gaan?

U kondigde in uw beleidsverklaring ook aan dat u een actieplan zult brengen voor een "lgbtqi+ Friendly België". U wilt dat plan evalueren en werken aan een nieuw federaal actieplan. Kunt u uw inzichten daarover geven?

Ten slotte, welke initiatieven zult u nemen om ook de problematische groepen te kunnen bereiken die een meer uitgesproken homofoob gedrag vertonen?

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden.

Rob Beenders:

Mevrouw De Knop, ik dank u voor uw vraag en ook voor uw bezorgdheid over de stijgende intolerantie tegenover lgbtqi+-personen bij jongeren. Ik deel uiteraard uw bezorgdheid. De cijfers die wij uit de studie te zien krijgen, bestuderen we momenteel heel intensief. Ik doe dat niet alleen maar samen met de gewesten. Er is immers ook een sterke link met het onderwijs.

Internationaal behoren wij op dit moment nog tot de koplopers op het vlak van lgbtqi+-rechten. We voelen echter aan alle kanten dat die rechten zwaar onder druk staan. De maatschappelijke aanvaarding daalt immers. Daarvoor moeten wij waakzaam zijn. Wat wij nu doen, is begrijpen in welke mate wij kunnen benoemen waar de daling merkbaar is. De studie helpt ons daarbij. Het is opvallend dat in tal van geledingen de tolerantie daalt, bij de ene groep al wat meer dan bij de andere.

Het is duidelijk dat ook religie een rol speelt wat betreft de tolerantie ten aanzien van holebi's. Het is pijnlijk vast te stellen dat een op vijf jongeren geen holebileerkracht voor de klas wil. Dat zijn cijfers die men niet zomaar naast zich kan neerleggen omdat dit een maatschappelijke impact zal hebben als we daar niets aan doen. We hadden al aangekondigd dat we met een interfederaal actieplan zouden komen. Dat zullen we zeker doen, maar daarnaast zullen we ook kijken hoe we op basis van deze elementen nog meer wetenschappelijk onderbouwd onderzoek kunnen doen om die maatschappelijke evolutie in kaart te brengen.

Ik zal overleg plegen met alle organisaties die betrokken zijn bij deze materie en die ondersteuning krijgen van de federale overheid over hoe we kunnen heroriënteren, rekening houdend met dit onderzoek. De volgende weken zullen er nog acties komen als antwoord op de groeiende intolerantie ten aanzien van de holebigemeenschap. We moeten dit samen doen met de gewesten en met alle entiteiten die kunnen helpen om beter en anders te communiceren. Alles wat nodig is om die tolerantie opnieuw omhoog te krijgen, zullen we bespreken. Als we niets concreets doen en de zaken niet benoemen die we moeten benoemen, vrees ik dat die intolerantie de komende jaren alleen maar zal toenemen.

Die studie helpt ons, geeft ons de juiste inzichten en zal wat acties doen veranderen. De komende weken zal ik daarop zeker terugkomen. Wees gerust dat de conclusies van die studie zijn binnengekomen, niet alleen bij mij, maar ook bij de hele regering. België, dat altijd een voortrekkersrol speelde op het vlak van holebirechten, moet actie ondernemen, want iedereen kent wel iemand die holebi is. Gisteren zei iemand mij dat holebi's geen mensen zijn die in de dierentuin zitten en waarnaar men gaat kijken als men zin heeft. Ik vond dat een heel harde vergelijking, maar het kwam er eigenlijk wel op neer. We praten hier over mensen die iedereen wel kent en die een op vijf die geen holebileerkracht voor de klas wil, zal ook wel iemand kennen die holebi is.

Wanneer men die personen daarover aanspreekt, reageren ze anders. Ik voerde gisteren een gesprek met jongeren over dat onderwerp en ik voelde de spanning bij jongeren die verklaarden geen holibi als leerkracht te willen. Toen ik zei dat ik zelf ook holebi ben, repliceerde de jongere: "Ja, maar aan u ziet men het niet." Dan is het blijkbaar oké. We hebben een goed gesprek gehad, dat we ook goed hebben afgesloten. De jongeren zagen het niet aan mij en blijkbaar was dat een argument dat in de aanvaarding belangrijk was. Het gesprek was wel nodig en dat toont gewoon aan dat we daarmee op een andere manier moeten omgaan. Die les is getrokken en we gaan daarmee aan de slag.

De komende weken zijn er nog verschillende acties, maar het is een opdracht van ons allen. De golf van intolerantie woedt ook extreem op sociale media. Zo verneem ik dat een aantal influencers die intolerantie bevorderen en ook programma's op VRT MAX hebben. Ik stel me daar vragen bij. Op dat vlak moeten we nog stappen zetten. We moeten ook die golf van communicatie herbekijken en hier en daar herpositioneren.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Het is een heel belangrijk antwoord, maar ondanks uw goede intenties, waaraan ik absoluut niet twijfel, hoor ik in uw antwoord ook wat onmacht. U verklaart immers dat, enerzijds, deze materie ook een bevoegdheid van de gewesten is en dus ook op dat niveau moet worden aangekaart, en dat, anderzijds, de sociale media een rol spelen. Ik zou u vooral willen uitnodigen om strijdbaar te blijven, u niet te laten overmeesteren door onmacht en u niet te laten afleiden door bepaalde politieke meningen. Ik ben absoluut samen met u ervan overtuigd dat de sociale media een enorm grote rol spelen. Ik heb zelf tieners van wie ik hoor wat er zoal leeft. Uiteraard was er ook de recente verkiezingscampagne, waarbij bepaalde intolerante meningen door welbepaalde partijen werden gepromoot op de sociale media. Dat zal de zaak zeker niet verbeteren. Zoals ik daarnet verklaarde, is dat een reden te meer om in ieder geval met de organisaties waarmee u werkt, te bekijken hoe u objectieve informatie en andere referentiekaders kunt blijven aanbieden om op die manier toch tegenwicht te bieden tegen de vaak foute informatie, informatie waarbij mensen worden opgezweept. Er is echt wel sprake van opzwepende taal. Als wij jongeren voldoende weerbaar maken en voldoende alert maken voor dergelijke praktijken, zullen zij er klaarder naar kijken. De overheid speelt daar een cruciale rol in. Ik reken op u.

Het seksueel geweld in het studentenmilieu en meer bepaald de casus bij de KU Leuven

Gesteld door

Ecolo Sarah Schlitz

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een verkrachting op de KU Leuven-kampus benadrukt Sarah Schlitz de nood aan verplichte EVRA-sensibilisatie (consentement, respect) van kleuter tot universiteit, inclusief selectiecriteria voor toekomstige gynécologen, en pleit voor verplichte vormingen (zoals in Québec) om studies veilig te maken. Minister Beenders verwijst naar bestaande campagnes, tools en samenwerkingen (o.a. met Plan International) voor veilig uitgaan en slachtofferopvang, met een geplande campagne over consentement en alcohol eind 2024. Schlitz dringt aan op concrete actie: verplichte ongescoorde cursussen, brieven aan rectoraten voor strengere opname-eisen in medische opleidingen, en structurele middelen om seksueel geweld op campussen uit te bannen. Kernpunt: systeemwijziging in onderwijs en selectie om cultuur van straffeloosheid te doorbreken.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, une jeune femme a été victime d'un viol sur le campus de l'université de Leuven. Cet événement terrible met une nouvelle fois en exergue la question des violences sexuelles qui se produisent dans les milieux festifs estudiantins sur nos campus belges. Ce phénomène n'est pas nouveau; il a été très fortement mis à l'agenda grâce à des collectifs militants, bénévoles, comme Balance ton bar, Balance ton folklore, qui ont interpellé les politiques pendant des années pour obtenir des avancées.

Alors, évidemment, il y a eu des avancées ces dernières années: la création de centres de prise en charge des violences sexuelles, plusieurs campagnes menées au niveau des Régions, des Communautés mais aussi au niveau fédéral pour renforcer la sensibilisation et mieux faire connaître la question du consentement. Mais, visiblement, ce n'est pas encore suffisant.

Monsieur le ministre, avez-vous pris contact avec le rectorat de Leuven pour aborder la question de la prévention et de la sensibilisation des étudiants? En ce qui me concerne, je suis convaincue que l'EVRAS, les politiques qui permettent d'avoir une éducation à la vie sexuelle, relationnelle et affective, doivent être données de la maternelle jusqu'à l'université et dans les hautes écoles.

Quand on débarque à 17 ans dans un campus et qu'on découvre la liberté, c'est un moment crucial, notamment dans sa vie intime. C'est donc le bon moment pour donner ce type de sensibilisation. Et pourtant, beaucoup d'universités continuent à être frileuses par rapport au fait d'imposer ce type de programme dans le cadre des études.

Monsieur le ministre, comptez-vous aborder ce sujet avec les autorités de la KU Leuven? Prévoyez-vous aussi de débloquer des moyens pour soutenir des campagnes sur les campus belges? D'autres actions sont-elles prévues? Par ailleurs, ce qui est très interpellant dans le cas qui nous occupe, c'est le fait que l'auteur n'est autre qu'un futur gynécologue. Cela me paraît particulièrement interpellant d'imaginer qu'une personne a réussi à franchir les sélections pour devenir gynécologue, alors que les candidats et les candidates ne manquent pas, et que cette personne n'ait pas conscience des limites relatives au consentement

C'est une énorme lacune dans la procédure de sélection des candidats gynécologues. D'autres spécialités sont aussi concernées, mais avouons que cette situation est extrêmement choquante. Les universités pourraient, dès lors, intégrer cette dimension spécifique dans leur processus de sélection.

Rob Beenders:

Madame Schlitz, l'Institut pour l' égalité des femmes et des hommes a déjà pris diverses initiatives par le passé pour rendre la vie nocturne, les festivals et l'enseignement supérieur plus sûrs. Par exemple, de la fin octobre 2022 à la fin octobre 2023, une collaboration s'est établie avec Plan international et le Plan SACHA. Toutes sortes d'outils ont été développés pour rendre les sorties plus sécurisées et prendre en charge les victimes. Nous avons également travaillé sur la sensibilisation et la prévention en étant présents lors des festivals et en dehors. Des rencontres ont été organisées avec des associations étudiantes et des organisateurs ou organisatrices d'événements. Un guide pratique a également été élaboré.

L'Institut mène également des campagnes de sensibilisation. Entre 2023 et 2025, il a ainsi lancé deux grandes campagnes sur les CPVS, en mettant l'accent sur les mineurs. Il étudie, par ailleurs, la possibilité d'en lancer une sur le consentement et l'alcool pour la fin de l'année.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie. En effet, sous la précédente législature, nous avons lancé plusieurs initiatives avec des moyens à la clef pour mieux faire connaître le consentement et sensibiliser en milieu festif. Maintenant, comme je vous l'ai déjà dit, ne faites pas le coucou, mais essayez de développer vos propres actions et d'aller chercher des moyens pour empêcher que ce type de phénomène se reproduise. Le milieu festif est festif pour toutes et tous. Ce n'est pas festif pour les uns et dangereux pour les autres. Cela, c'est inacceptable. Ce message doit mieux passer. Il existe notamment des exemples concrets au Québec où, pour pouvoir valider sa première année, il est obligatoire d'avoir suivi une formation relative au consentement et au principe de respect de l'autre. Eh bien, je continue de penser que toutes les universités et hautes écoles devraient imposer ce test. Il ne serait pas coté, mais obligatoire pour pouvoir valider ses crédits en fin d'année. D'autres pays le font, et je ne vois pas pourquoi nous ne pourrions pas mettre en place un tel dispositif. Subir une agression sexuelle, subir un viol pendant ses études, c'est compromettre sa réussite et donc son avenir. Je ne vais pas vous apprendre que ce sont majoritairement des femmes qui sont les victimes de ces agressions. Il est donc indispensable, aussi pour une question d'égalité, de garantir que les études soient safe pour toutes et tous. Par ailleurs, je ne vous ai pas entendu sur la sélection des futurs gynécologues. J’imagine que c’est un sujet qui doit être discuté avec le ministre de la Santé et avec les ministres des entités fédérées. J’entends que vos collègues, au niveau de la Défense et de la Santé, ont envoyé un courrier aux rectorats pour faire savoir qu’ils souhaitaient que la médecine de guerre soit une obligation à partir d’aujourd'hui dans le cursus des urgentistes. Je vous suggère d’envoyer un courrier à tous les recteurs et rectrices de ce pays pour leur demander de renforcer la dimension du consentement et la prévention des violences sexuelles dans les parcours des médecins, et en particulier des gynécologues. Je vous remercie.

Fraude in wetenschappelijk onderzoek

Gesteld door

N-VA Frieda Gijbels

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Fraude in wetenschappelijk onderzoek (met name kankerstudies) en misleidende "wondermiddelen" worden bestreden via EU-regels voor markttoelating (EMA, FAGG, verplichte registratie klinische proeven) en ethische codes (Sciensano, universiteiten, FWO), met sancties zoals financieringsverlies of ontslag. Federale toezicht op onbewezen behandelingen verloopt via het RIZIV en de Toezichtcommissie, terwijl palliatieve zorg en patiëntenorganisaties (CEBAM, Kankercentrum) informatieverspreiding en klachtenafhandeling moeten versterken. Nieuwe initiatieven zoals een meldpunt voor misleidende claims (via Antikankerfonds) en strengere peer review worden voorgesteld, maar veel acties vallen onder regionale/gemeenschapsbevoegdheden (onderwijs, onderzoek). Kwetsbare patiënten (uitbehandelde kankerpatiënten) blijven een doelwit, ondanks bestaande wetgeving en sensibiliseringscampagnes.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, recent verscheen een bericht in de media dat naar schatting 2 % van alle wetenschappelijke studies frauduleus zou zijn en dat kankeronderzoek daar het vaakst in betrokken zou zijn. Dat werd ook bevestigd door het Antikankerfonds. Dit zou komen omdat sommige onderzoekers er in de zoektocht naar financiering voor kiezen om niet noodzakelijk de correcte maar wel de positieve resultaten te publiceren. Het is natuurlijk ook een gekend fenomeen dat wetenschappelijke artikels die positieve resultaten brengen gemakkelijker worden gepubliceerd dan onderzoek dat geen of negatieve resultaten genereert. Daarnaast blijkt het vaak moeilijk om frauduleuze publicaties in te trekken, waardoor misleidende informatie blijft circuleren.

Sommige commerciële ziekenhuizen zouden hiervan misbruik maken door patiënten valse hoop te geven en hen dure onbewezen "wondermiddelen" aan te bieden, zonder wetenschappelijke onderbouwing. Dit zou de patiënt duizenden euro's kunnen kosten, terwijl er geen enkele wetenschappelijke garantie op effectiviteit is.

Mijnheer de minister, bestaat er vandaag federale wetgeving om op te treden tegen fraude in wetenschappelijk onderzoek? Zo ja, welke wetgeving? Worden hieraan ook bepaalde sancties gekoppeld?

Hoe verloopt de samenwerking tussen de federale overheid en wetenschappelijke instellingen zoals Belspo om deze problematiek aan te pakken? Werkt de federale overheid hieromtrent ook samen met andere onderzoeksinstellingen? Welke initiatieven neemt de federale overheid om te verhinderen dat ziekenhuizen of zorgverstrekkers in de ambulante zorg wetenschappelijk onbewezen behandelingen aanbieden? Zijn er wetgevende kaders om dat tegen te gaan? Is daarover overleg met de gemeenschappen?

Op welke manier tracht de federale overheid patiënten beter te informeren over misleidende claims van niet-wetenschappelijk onderbouwde wondermiddelen? Zijn er gevallen bekend van frauduleuze onderzoeken met betrekking tot gezondheidszorg in ons land?

Zijn er volgens u bijkomende federale wetgevende initiatieven nodig om patiënten te beschermen tegen misleidende claims? Waaraan zou u in dat geval denken?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Gijbels, ik wil een onderscheid maken tussen fraude in wetenschappelijk onderzoek in de aanloop naar het krijgen van een marktvergunning en fraude in wetenschappelijke publicaties.

Wat betreft maatregelen tegen fraude in wetenschappelijk onderzoek wat nodig is in het kader van een marktvergunning, moet ik zeggen dat kankermedicijnen alleen op de markt komen met een marktvergunning via de Europees gecentraliseerde procedure van het EMA. De transparantieregels voor klinische proeven werden in 2023 aangescherpt. Bedrijven en onderzoekers moeten vooraf primaire en secundaire eindpunten registreren in het Clinical Trials Information System, zodat negatieve resultaten niet kunnen worden achtergehouden. Klinische proeven worden goedgekeurd door nationale bevoegde autoriteiten, zoals het FAGG in België, en moeten aan strikte normen voldoen. Elke studie kan worden geïnspecteerd in geval van twijfel of inconsistenties in de gegevens. De EU Clinical Trial Regulation verplicht de registratie vooraf van alle studies in een centraal systeem, waardoor fraude wordt ontmoedigd.

Fraude in wetenschappelijke publicaties wordt vooral aangepakt via ethische codes en integriteitsregels, eerder dan via specifieke federale wetgeving. In België geldt een ethische code voor wetenschappelijk onderzoek. Veel financieringsinstanties, zoals het FWO, hanteren integriteitsclausules. Binnen Sciensano is er een deontologische code en een integriteitscomité. Universiteiten hebben vaak meldpunten en commissies voor wetenschappelijke integriteit. In Vlaanderen kan de Vlaamse Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit een tweede opinie geven.

Sancties voor fraude variëren van een publieke melding tot het verlies van financiering of ontslag, afhankelijk van de ernst van de inbreuk. Hoofdredacteurs en uitgevers kunnen voor advies terecht bij het Committee on Publication Ethics. Grote uitgevers zoals Elsevier en Springer onderschrijven deze richtlijnen.

Wat betreft uw tweede vraag over de samenwerking, er wordt actief samengewerkt tussen Sciensano, de Hoge Gezondheidsraad en het KCE om procedures uit te werken die de wetenschappelijke integriteit versterken. Zo werd er bijvoorbeeld in 2024 een nieuwe procedure opgestart binnen Sciensano om belangenconflicten te melden op basis van een gezamenlijk uitgewerkte algemene belangenverklaring en een gezamenlijke wens van zowel de Hoge Gezondheidsraad, het KCE als Sciensano.

In antwoord op uw derde vraag kan ik om te beginnen zeggen dat er welomschreven procedures bestaan binnen het RIZIV om te bepalen welke behandelingen terugbetaald worden. Daarvoor moet aan strenge wetenschappelijke standaarden voldaan worden.

De niet-terugbetaalde behandelingen zijn moeilijk op te volgen. Voor de vergoeding van iatrogene schade is een wet van kracht. Het is duidelijk dat kankerpatiënten, vooral wanneer ze uitbehandeld zijn in het traditioneel zorgsysteem, een kwetsbare groep vormen. Een mogelijke strategie om misbruik van die kwetsbaarheid tegen te gaan, kan zijn inzetten op betere palliatieve zorg vanaf het begin van elke behandeling. In Vlaanderen is er geïnvesteerd in netwerken voor palliatieve zorg, zoals u weet.

Zorgverstrekkers die bewust, of misschien niet helemaal bewust, onbewezen wetenschappelijke behandelingen aanbieden, kunnen daarop worden aangesproken door de Federale Toezichtcommissie naar aanleiding van een klacht of een melding of op initiatief van de Toezichtcommissie zelf.

In uw vierde en vijfde vraag hebt u het over informatie over zogenaamde wondermiddelen. Ik denk dat patiëntenorganisaties daarin een belangrijke rol spelen. Ze worden actief betrokken bij de werking van het Kankercentrum binnen Sciensano, via de zogenaamde European Beating Cancer Plan Mirror Group, team Burger- en Patiëntenparticipatie, en de deelname aan het Patiënt Expert Center. CEBAM, u ook wel bekend, lanceerde Gezondheid en wetenschap, een website en podcast gericht op het verspreiden van onderbouwde wetenschappelijke kennis naar het bredere publiek. Infosanté doet hetzelfde aan Franstalige kant.

Op uw zesde vraag, kleinschalige fraude zoals harking en onterecht auteurschap zal altijd voorkomen, omdat onderzoekers blijkbaar soms niet aan de verleiding kunnen weerstaan. Het doctoraat van Simon Godecharle over integrity en fraude in biomedical research van 2018 toonde onder andere aan hoe vaak fraude nog voorkomt. Het is belangrijk om continu in te zetten op integere onderzoekspraktijken.

Dan kom ik bij uw laatste vraag, over bijkomende federale wetgevende initiatieven. We kunnen de Europese agenda misschien versterken door proactief onderzoek naar fraude met gezondheidsproducten op Europees grondgebied en de coördinatie daarvan door het EMA op de agenda te zetten. We kunnen een meldpunt misleidende claims voorzien voor patiënten en zorgverleners bij het Antikankerfonds, de Stichting tegen Kanker, Kom op tegen Kanker. We kunnen sterker inzetten op de sensibilisering met betrekking tot risico's van niet-erkende buitenlandse therapieën. Ik denk dat we de wetenschappelijke integriteit en de deontologie die daarbij hoort sterker kunnen proberen aan te brengen op verschillende momenten in de onderzoeksloopbaan van onderzoekers. We kunnen peer review opwaarderen, zodat de reviewers grondiger nalezen.

U voelt het natuurlijk ook aan, dat ligt voor een stuk buiten de federale bevoegdheden, want het heeft steeds met opleiding en onderzoeksbeleid te maken. We moeten hier vooral rekenen op wat reeds gebeurt op het niveau van Sciensano, de Hoge Gezondheidsraad, het KCE en het EMA wat onze bevoegdheden betreft.

Frieda Gijbels:

U gaf het ook aan, het zijn vooral kankerpatiënten die in het reguliere circuit uitbehandeld zijn die kwetsbaar zijn op dat vlak. Ik vind het een belangrijke problematiek. Sensibiliseren en laagdrempelige, goed begrijpbare informatie verspreiden via websites, zoals Gezondheid en wetenschap, is heel goed. Het meldpunt dat u voorstelt om misleidende claims te verzamelen zou ook een heel goede zaak zijn. We moeten we er dan vooral op vertrouwen dat mensen zelf ook vertrouwen hebben in die websites en vooral daar informatie gaan zoeken.

Het Vias-onderzoek over het verschil tussen mannen en vrouwen achter het stuur

Gesteld door

Groen Staf Aerts

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Vias-studie toont aan dat 80% van de verkeersdoden mannen zijn, vooral door risicogedrag (snelheid, alcohol, geen gordel), terwijl vrouwen voorzichtiger rijden. Minister Crucke stelt gerichte campagnes, educatie, strengere controles en gedragsbegeleiding voor om dit aan te pakken, met nadruk op mannen als risicogroep. Aerts benadrukt nultolerantie voor alcohol en een puntenrijbewijs om recidivisme tegen te gaan, en pleit voor blijvende aandacht voor gendergerelateerd risicogedrag. Beide onderstrepen de noodzaak van concrete maatregelen om de verkeersveiligheid te verbeteren.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, u hebt het zelf waarschijnlijk ook wel eens meegemaakt dat wanneer u met een groepje mannen aan de toog staat, er wat meewarig wordt gedaan over de rijkunsten van de vrouwelijke medemens.

Eigenlijk heeft Vias nu bewezen dat het net andersom is: wij, mannen, moeten allemaal naar onszelf kijken, want tegenovergestelde is waar. Het is natuurlijk jammer dat er op dit ogenblijk geen vrouwelijke collega's aanwezig zijn terwijl ik dat zeg, maar de cijfers zijn wel heel opvallend.

In de afgelopen 10 jaar is het percentage nog gestegen. Liefst 80 % van de verkeersdoden bestaat uit mannen. Ook bij de zwaargewonden ligt het percentage mannen aanzienlijk hoger. Nochtans, als men het aantal verkeersongevallen bekijkt, blijkt 'maar' 59 % van alle verkeersslachtoffers een man te zijn. Dat is nog altijd iets meer dan de helft, maar het is een heel ander cijfer dan die 80 % van de verkeersdoden.

Die cijfers komen van Vias. Daaruit blijkt dat de ongevallen waar mannen bij betrokken zijn vaak ernstiger zijn dan de ongevallen met vrouwelijke bestuurders. Ik heb het zelf nog niet meegemaakt. Ik hoop u ook nog niet. Dat zijn natuurlijk algemene cijfers.

Een belangrijke factor blijkt het risicogedrag in het verkeer te zijn. Mannen overschatten zichzelf wat sneller achter het stuur en nemen daardoor meer risico's. Vrouwen rijden daarentegen voorzichtiger, wat prima is voor de verkeersveiligheid.

Dat roept een aantal vragen op. Het is geen evidente studie om mee aan de slag te gaan, maar ik ben toch benieuwd naar de manier waarop we er iets mee kunnen doen, zodat we de verkeersveiligheid hoger op de agenda kunnen zetten.

Ik wil deze vraag als man stellen. Dan zal ik misschien een meer onbevangen antwoord krijgen.

Hoe kijkt u naar die studie? Ziet u bepaalde concrete actiepunten die we kunnen toepassen om de verkeersveiligheid te verhogen en dat specifieke mannenprobleem aan te pakken?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Aerts, ik dank u voor deze interessante vraag over de recent door Vias gepubliceerde studie naar de oververtegenwoordiging van mannen onder de verkeersslachtoffers in België.

De Vias-studie brengt een zorgwekkend feit aan het licht. 80 % van de verkeersdoden zijn mannen, een percentage dat de laatste tien jaar gestegen is. Bovendien vertegenwoordigen mannen 67 % van de zwaargewonden, terwijl ze 59 % van alle verkeersslachtoffers uitmaken. Die situatie weerspiegelt een grote blootstelling aan risicogedrag, in het bijzonder te hoge snelheid, alcohol- of drugsgebruik en het niet dragen van de veiligheidsgordel.

De resultaten van deze studie bevestigen de trends die op internationaal niveau zijn waargenomen en onderstrepen het belang van de voortzetting en intensifiëring van preventie- en bewustmakingscampagnes, met name die gericht op mannelijke bestuurders.

Wat betreft de mogelijke acties om de verkeersveiligheid te verbeteren, op basis van deze bevindingen kan een aantal acties worden overwogen om dit sterftecijfer terug te dringen en de verkeersveiligheid in het algemeen te verbeteren.

Ten eerste, de intensivering van gerichte bewustmakingscampagnes; het opzetten van specifieke campagnes gericht op mannelijke bestuurders, waarbij de nadruk wordt gelegd op de gevaren van risicovol gedrag en de mogelijke dramatische gevolgen voor hun eigen leven en dat van andere weggebruikers; de deconstructie van bepaalde stereotypen met betrekking tot autorijden en het nemen van risico's, in samenwerking met gedrags- en communicatiedeskundigen.

Ten tweede, een educatieve dimensie, opnieuw vanaf jonge leeftijd; in de lesprogramma's op school een benadering van verkeersveiligheid introduceren die rekening houdt met een gedragsdimensie en een genderverschil in risicoperceptie; jonge mannelijke bestuurders bewust maken van de specifieke risico's die ze lopen zodra ze leren autorijden.

Ten derde, controles en hard optreden tegen risicogedrag opvoeren; de frequentie van alcohol- en snelheidscontroles verhogen, met name op tijdstippen en plaatsen waar overtredingen het vaakst voorkomen; de toepassing van afschrikwekkende sancties voor ernstige overtredingen systematischer maken.

Ten vierde, de invoering van specifieke opleiding en ondersteuning; de ontwikkeling van een verplichte opleiding voor bestuurders die bepaalde overtredingen hebben begaan, zoals te snel rijden, rijden onder invloed of geen veiligheidsgordel dragen, om hen bewust te maken van de gevaren die aan hun gedrag verbonden zijn; experimenteren met programma's voor gedragsondersteuning en samenwerking met psychologen en mobiliteitsdeskundigen om een blijvende verandering in de rijgewoonten aan te moedigen.

Deze verschillende maatregelen maken deel uit van de vastberadenheid van de regering om haar inspanningen op het gebied van verkeersveiligheid voort te zetten en te versterken. Rekening houden met het risicogedrag en de maatschappelijke factoren die dat beïnvloeden, is essentieel als we het aantal slachtoffers willen verminderen en de doelstelling voor het terugdringen van ernstige en dodelijke ongevallen op onze wegen willen behalen.

Ik dank u voor uw vraag en blijf tot uw beschikking voor alle verdere informatie die u nodig mocht hebben.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, we zitten grotendeels op dezelfde lijn als het gaat over sensibilisering. Het is echter belangrijk het onderzoek op die genderkwestie te blijven toespitsen en die in ogenschouw te houden. Na deze studie zal ik dat voor mezelf ook meer doen. Ik wil niet van elke man een boeman maken – dat is uiteraard niet de bedoeling –, maar we moeten wel iets met dat opvallende cijfer doen. Het grote probleem situeert zich onder andere bij alcoholgebruik, een punt dat steeds weer terugkomt. Ik kom dan ook op twee punten terug, namelijk het rijbewijs met punten, want dat gaat over het recidivisme dat steeds weer opduikt, en de nultolerantie voor alcohol, want alcohol achter het stuur speelt duidelijk ook een belangrijke rol bij het aantal ongevallen bij mannen. We steunen dus beide initiatieven, het ene van groene hand en het andere dat we reeds in de vorige legislatuur mee hebben ingediend. Ik heb de nultolerantie voor alcohol niet in het regeerakkoord zien staan, maar dat betekent niet dat die niet gerealiseerd zou kunnen worden. Ik zal met initiatieven blijven komen zolang die nultolerantie er niet is. Ik denk immers dat daardoor de verkeersveiligheid zou toenemen en het aantal dodelijke ongevallen zou afnemen.

De weigering van toegang tot gevangenissen voor wetenschappelijk onderzoek

Gesteld door

DéFI François De Smet

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt geen algemene blokkering, maar strengere selectie van wetenschappelijk onderzoek in gevangenissen vanaf 2025: enkel goedgekeurd bij directe meerwaarde voor de organisatie, koppeling aan subsidie of verzoek van de inrichting zelf, met evaluatie eind 2025. De Smet benadrukt dat fundamenteel onderzoek (bv. mensenrechten) hierdoor riskeert uitgesloten te worden en kondigt verdere opvolging aan. De maatregel is een reactie op operationele druk door overbevolking, maar sluit niet alle academische toegang uit. Kritische noot: prioritering efficiëntie dreigt maatschappelijk relevante studies te marginaliseren.

François De Smet:

Madame la ministre, il m’est revenu que la Direction générale des Établissements pénitentiaires (EPI), Direction Soutien logistique, refuserait désormais toute nouvelle autorisation d’accès aux prisons dans le cadre de recherches scientifiques ou de recherches en vue d’un mémoire. Cette mesure serait justifiée par la nécessité de donner la priorité aux besoins opérationnels essentiels pour gérer les effets de la surpopulation carcérale.

Je ne disconviens pas que la situation actuelle dans nos prisons est difficile mais il est dommageable que des établissements pénitentiaires ne puissent plus faire l’objet d’accès pour toutes celles et tous ceux qui souhaiteraient en étudier le fonctionnement et l’enjeu sociétal qu’ils constituent.

Madame la ministre, cette interdiction est-elle réelle? Celle-ci est-elle valable pour toute la durée de la législature? Des exceptions existent-elles? Si oui, de quel ordre?

Annelies Verlinden:

Monsieur De Smet, il convient de souligner qu'il ne s'agit pas d'une interdiction générale mais d'une restriction. Toutes les demandes de recherche ne sont donc pas refusées. Un filtre plus strict est utilisé pour les demandes de recherche. Ainsi, l'approbation n'est accordée que si cela ajoute réellement de la valeur à l'organisation et/ou si cela est lié à des subventions. Une recherche peut également se poursuivre à la demande de l'établissement pénitentiaire si cela correspond à sa charge de travail. Cette mesure entrera en vigueur en 2025 et sera évaluée en fin d'année.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je reviendrai peut-être avec une autre question pour en savoir plus sur les critères. J'entends bien les critères que vous mentionnez quant à la plus-value sur l'organisation ou au lien avec des subventions mais il y a peut-être d'autres motifs pour faire des études universitaires, par exemple, sur les droits fondamentaux des détenus. Nous veillerons sur ce dossier à l'avenir et essaierons d'avoir plus de précisions.

De hacking van mailsystemen bij de Veiligheid van de Staat
Het onderzoek naar datadiefstal bij de Staatsveiligheid door een Chinese groep hackers
De Chinese cyberaanval op de Staatsveiligheid (VSSE)
Chinese cyberaanvallen op de Belgische Staatsveiligheid

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tussen 2021 en mei 2023 onttrokken vermoedelijk Chinese hackers via een lek in Barracuda-software 10% van de e-mails van de Belgische Staatsveiligheid, zonder dat gecodeerde data werden blootgesteld, maar wel met risico’s voor personeelsgegevens en gevoelige informatie. De Sûreté de l'État schakelde over naar een nieuw systeem, diende klacht in en volgde aanbevelingen van de APD en cybersecurity-experts, terwijl het gerechtelijk onderzoek loopt en China elke betrokkenheid ontkent, ondanks verdachtmakingen door beveiligingsfirma Mandiant. Parlementsleden benadrukten de nood aan strenge opvolging, waaronder diplomatieke druk op China, versterkte cyberbeveiliging (o.a. verbod op Chinese apps zoals Temu op overheidsapparaten) en bescherming van personeel tegen potentiële chantage, terwijl de minister geen direct overleg met de Chinese ambassadeur bevestigde. De kwetsbaarheid bij Barracuda werd gepatcht, maar het incident onderstreept de aanhoudende dreiging en structurele alertheid die vereist is.

Khalil Aouasti:

Monsieur le président, je vous remercie pour avoir inversé les questions, ce qui m'a permis d'arriver.

Madame la ministre, nous apprenions dans le journal Le Soir que un courriel sur 10 qui entrait ou sortait de la Sûreté de l'État aurait été détourné entre 2021 et 2023 par un groupe de hackers lié à la Chine et qui exploitait la faille d'un logiciel de sécurité de la firme américaine Barracuda. Il s'agirait du plus grave incident de sécurité qu'ait connu le service civil de renseignement.

Si les données classifiées ne seraient pas concernées – j'emploie le conditionnel –, ce hacking est inquiétant car il a touché vraisemblablement des données à tout le moins sensibles. L'enquête interne ne permettrait pas, à notre connaissance, de savoir avec précision quels courriels ont été siphonnés, et donc quelles identités du personnel de la Sûreté ont potentiellement été compromises.

Par ailleurs, nous apprenons que la Sûreté de l'État a porté plainte et que le Comité R a pour sa part produit un rapport dont le contenu est classifié, en ce compris pour la commission d'accompagnement dont je fais partie.

Madame la ministre, tout en garantissant éventuellement la confidentialité qui s'impose, pouvez-vous me communiquer les informations en votre possession concernant cette attaque informatique, ses impacts potentiels sur nos services et leur personnel? Les questions indirectes sont importantes. Quelles mesures ont-elles été prises pour remédier à ces failles et à leurs conséquences? Concernant les auteurs de cette attaque, quelles mesures sont-elles prises, tant sur le plan judiciaire et sécuritaire que diplomatique, le cas échéant?

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de voorzitter, de omstandigheden zijn al uitvoerig geschetst dus ik zal het heel kort houden.

Tussen 2021 en 2023 werden gegevens van de Veiligheid van de Staat gestolen. Naar alle waarschijnlijkheid is dat gebeurd door een hackerscollectief dat spioneert voor de Chinese overheid. De hackers slaagden erin om in die tijdsperiode een op tien e-mails bij de Veiligheid van de Staat te onderscheppen. Het zou gaan om het zwaarste veiligheidsincident binnen de Veiligheid van de Staat ooit.

Wanneer werd die datadiefstal precies ontdekt en hoe? Was u daarvan als minister al langer op de hoogte? Of was een van uw voorgangers op de hoogte?

Wat heeft de Veiligheid van de Staat ondertussen ondernomen om de cybersecurity te verbeteren? Ik begrijp dat u daarover niet al te zeer in detail kunt gaan, maar het zou wel interessant zijn om te weten in welke richting er stappen ondernomen zijn om ervoor te zorgen dat dit niet opnieuw kan gebeuren.

Zijn er de afgelopen jaren nog andere pogingen tot datadiefstal geweest bij de Veiligheid van de Staat? Zo ja, uit welke hoek kwamen die pogingen dan? Hebben we daarover vermoedens of weten we het zeker? Waren die pogingen succesvol of niet?

De Chinese ambassade reageerde eerst niet op de berichtgeving. Vervolgens ontkende ze dat ze achter de hacking zat. Hebt u de ambassadeur persoonlijk om uitleg gevraagd over het incident? Zo niet, zult u dat nog doen? Zo ja, wat leverde het gesprek precies op?

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Recent is aan het licht gekomen dat vermoedelijke Chinese hackers tussen 2021 en 2023 gevoelige gegevens van de Staatsveiligheid hebben gestolen. Via een kwetsbaarheid in de beveiligingssoftware van het Amerikaanse softwarebedrijf Barracuda kregen de hackers toegang tot zowat 10 % van de inkomende en uitgaande e-mails van de VSSE.

Deze diefstal van gevoelige informatie, waaronder persoonlijke gegevens van personeelsleden, is bijzonder zorgwekkend, ook gezien eerdere incidenten waarbij Chinese hackers Belgische overheidsdiensten hebben geviseerd. Er werd een klacht ingediend bij het federaal parket maar intussen ontkent de Volksrepubliek China in alle toonaarden en spreekt ze van “valse informatie over zogenaamde Chinese hackers en de vermeende dreiging vanuit China”.

Kan u bevestigen dat er inderdaad gevoelige informatie, waaronder persoonlijke gegevens van personeelsleden, buitgemaakt werd door de hackers?

Welke stappen werden sinds de ontdekking van de cyberaanval ondernomen om de schade te beperken en verdere datalekken te voorkomen?

Zijn er specifieke maatregelen genomen om de beveiliging van de communicatie en gegevens binnen de VSSE te versterken?

In welke mate is het Amerikaanse bedrijf Barracuda medeverantwoordelijk voor deze hacking? Werd de ‘kwetsbaarheid’ in het systeem intussen verholpen en hoe wordt het systeem verder geoptimaliseerd?

Werden al mogelijke diplomatieke stappen besproken binnen de regering ten aanzien van de Chinese Volksrepubliek, in reactie op deze en eerdere cyberaanvallen op Belgische overheidsdiensten?

Annelies Verlinden:

Chers collègues, fin mai 2023, la Sûreté de l'État a découvert la présence d'une vulnérabilité dans le système de sécurité des e-mails de Barracuda qu'elle utilisait. Cette faille active du 4 février 2021 au 31 mai 2023 aurait pu permettre un accès non autorisé aux communications traitées par ce système. Il importe de souligner que les données classifiées ne transitent pas par ce canal, limitant ainsi l'impact potentiel sur la sécurité de nos services.

Dès la détection de la faille, plusieurs mesures correctives ont été mises en œuvre. Le système de passerelle de sécurité e-mail vulnérable a été entièrement remplacé par une autre solution. En outre, la Sûreté de l'État a appliqué strictement les recommandations de son data protection officer et de l'Autorité de protection des données (APD).

De verantwoordelijkheid blijkt inderdaad mede te liggen bij het Amerikaanse bedrijf Barracuda, waarvan de Veiligheid van de Staat klant was. Het Barracudasysteem wordt intussen niet meer gebruikt. De vorige minister van Justitie en het Comité I werden in 2023 meteen geïnformeerd door de Veiligheid van de Staat, die geen andere poging tot datadiefstal heeft vastgesteld. De attributie aan een Chinese hackersgroep komt van de beveiligingsfirma Mandiant, die spreekt van “suspected links to China”. De Veiligheid van de Staat heeft zelf geen sluitende attributie kunnen doen.

Het gerechtelijk onderzoek naar dit alles is lopende en u zult daarom willen begrijpen dat ik daarover geen verdere uitspraken kan doen.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, madame la ministre, pour les réponses.

J'entends que plusieurs volets sont classifiés et suis rassuré d'apprendre que nous n'utilisons plus ce système mais bien un autre système. J'ose espérer que le nouveau système ne comporte pas de porte dérobée qui nous rend susceptible de revivre les mêmes choses.

Au-delà des informations classifiées, nous savons que dans les incidents de sécurité, la question du personnel est primordiale. À partir du moment où des identités de personnel ont pu être dévoilées, il s'agit de voir et de s'assurer que, dans la gestion de ces incidents de sécurité et dans la protection de notre personnel et des pressions potentielles pouvant s'exercer sur lui indirectement pour obtenir certaines informations classifiées, tout soit mis en œuvre pour éviter ce genre d'incident. À cet égard, la sécurité est vraiment capitale.

Pour votre information, madame la ministre, j'ai été étonné ce matin de recevoir un courriel de l'ambassade de Chine qui était apparemment informée de la question que j'allais poser aujourd'hui et qui m'a envoyé un plaidoyer m'indiquant qu'elle était elle-même victime de ces tentatives de piratage et qu'elle vous encourageait à combattre ce phénomène avec nous.

Alexander Van Hoecke:

Ik heb hetzelfde mailtje van de Chinese ambassade in mijn mailbox ontvangen.

Mevrouw de minister, het was mij niet duidelijk of u al dan niet overleg hebt gehad met de Chinese ambassadeur. (Nee) Ik vraag het gewoon voor de duidelijkheid.

Het is enigszins geruststellend dat de impact beperkt is. Er is het mailtje dat ik heb gekregen, waarin de Chinese ambassade stelt totaal niet achter de zaak te zitten en zegt dat zij zoiets nooit zou doen. Laten we onszelf echter niets wijsmaken, zelfs al zou de ambassade met die zaak niets te maken hebben, dan nog weten we hoe die praktijken in hun werk gaan of waar het probleem ligt. We weten dat de dreiging reëel is en we dragen de verantwoordelijkheid om daarover te waken. In uw hoedanigheid van minister van Justitie draagt u mee de verantwoordelijkheid om daarover te waken.

Ik zou u daarom willen oproepen om de cyberbeveiliging van nabij op te volgen en regelmatig met de Veiligheid van de Staat samen te zitten om de specifieke cyberdreiging te bespreken. Implementeer ook aanbevelingen zoals de aanbevelingen van het Centrum voor Cybersecurity.

Eerste minister De Wever verklaarde twee weken geleden nog dat er blijkbaar een aanbeveling van het Centrum voor Cybersecurity is geweest om Chinese apps zoals Temu niet te installeren op apparaten van het overheidspersoneel. Leg dat op tafel binnen de regering en implementeer die maatregel minstens binnen Justitie. Dat lijkt mij een kwestie van gezond verstand te zijn en vooral ook laaghangend fruit voor de beveiliging van onze data.

Sophie De Wit:

Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik zal mijn mailbox toch eens dubbelchecken op mails van de ambassade. Dat is misschien bij de spamberichten terechtgekomen. Alle gekheid op een stokje, de les die men daaruit moet leren is dat men heel voorzichtig moet zijn en alles in het werk moet stellen om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens en gegevens over veiligheid zomaar te grabbel zouden kunnen worden gegooid. Daarover moeten we waken, ongeacht wie het zou zijn geweest. Dat is de belangrijkste les die we uit dergelijke zaken moeten trekken. Het zal niet de eerste keer zijn dat zoiets gebeurt en ik vrees ook niet de laatste keer.

Het pensioenonderzoek van Acerta

Gesteld door

N-VA Axel Ronse

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ondanks de pensioenbonus van regering-De Croo gaat 40% nu vroeger met pensioen (vs. 30% in 2019), met een gemiddelde uittreedleeftijd van 63,5 jaar, mede door gelijkgestelde periodes (1/3 van de pensioenrechten). Minister Jambon kondigt een bonus-malussysteem aan om vroeger stoppen financieel minder aantrekkelijk te maken en gelijkstellingen te beperken, terwijl flexibiliteit (bv. pensioen na 42 loopbaanjaren) behouden blijft. Ronse prijst het plan als noodzakelijke correctie na de mislukte bonus en benadrukt de urgentie om werkelijke arbeid (vs. gelijkgestelde jaren) centraal te stellen. Het regeerakkoord mikt op duurzaamheid zonder dwang, maar met strengere financiële prikkels.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, een studie van Acerta heeft een heel specifiek resultaat opgeleverd. Van alle mensen die in 2024 op pensioen gingen, waren vier op de tien jonger dan 65 jaar. Vijf jaar eerder, in 2019, waren maar drie op de tien jonger dan 65 jaar. Mensen gaan dus steeds vroeger op pensioen, ondanks het feit dat de regering-De Croo een pensioenbonus heeft ingevoerd om ervoor te zorgen dat mensen langer zouden werken door meer prikkels te geven. Dat is een redelijk verrassende vaststelling die toch wat zorgen baart; vandaar drie vragen.

Hoe komt het volgens u dat steeds meer mensen jonger dan 65 op pensioen gaan, ondanks de fameuze pensioenbonus?

Krijgen mensen – misschien zit daar voor een stuk al het antwoord op de eerste vraag – vandaag wel de juiste financiële prikkels met betrekking tot hun arbeidsduur en pensioen?

We hebben uiteraard al het regeerakkoord gelezen, maar welke maatregelen en financiële stimuli zult u nog voorzien om de pensioenen betaalbaar te houden en vooral om de keuze om vervroegd op pensioen te gaan ook budgettair haalbaar te maken?

Jan Jambon:

Mijnheer Ronse, de groep die voor zijn 65ste op pensioen gaat, werd de voorbije jaren inderdaad groter. Het nieuwe onderzoek van Acerta maakt dus duidelijk dat het beeld dat soms wordt geschetst, namelijk dat we binnenkort, vanaf 2030, allemaal tot 66 of 67 jaar zullen moeten werken, in de realiteit absoluut niet klopt. De effectieve gemiddelde uittreedleeftijd voor werknemers en zelfstandigen ligt in 2024 immers in de realiteit op 63,5 jaar. Bij ambtenaren – zij maakten geen deel uit van de dataset van Acerta, want die betrof enkel werknemers – is dat gemiddeld nog vroeger. De vaststelling dat in 2023 43 % van alle werknemers en zelfstandigen voor de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar op vervroegd pensioen ging, is dus geen verrassing.

Op zich is er ook niets mis met de mogelijkheden om na een lange loopbaan op vervroegd pensioen te gaan. In onze pensioenhervorming introduceren we zelfs een nieuwe mogelijkheid om na 42 loopbaanjaren van elk minstens 234 gewerkte dagen toch op vervroegd pensioen te kunnen gaan vanaf de leeftijd van 60. Het probleem is dat ons pensioensysteem vandaag niet de juiste financiële prikkels bevat om de keuze om al dan niet op vervroegd pensioen te gaan, ook budgettair haalbaar en duurzaam te maken, want vandaag is niet minder dan één derde van de loopbaanjaren niet effectief gewerkt, maar gelijkgesteld, wegens onder meer langdurige werkloosheid of brugpensioen. In onze pensioenhervorming zullen we deze gelijkstellingen beperken via de invoering van een fair en correct bonus-malussysteem, waarmee vroeger stoppen of langer doorwerken op de juiste wijze vertaald wordt in het opgebouwde pensioenbedrag. Zo bieden we werknemers, zelfstandigen en ambtenaren meer flexibiliteit om zelf een keuze te maken, zonder de financiële draagkracht van ons pensioenstelsel te hypothekeren.

Axel Ronse:

Ik kan maar één ding zeggen: chapeau voor wat zal komen, mijnheer de minister! Na de desastreuze pensioenbonus is er eindelijk een plan om mensen langer aan de slag te houden, via het bonus-malussysteem, en om de gelijkgestelde periodes in te perken. Ik val ervan achterover dat vandaag een derde van de pensioenrechten is opgebouwd uit gelijkgestelde periodes. Een derde van alle pensioenen zijn dus niet gebaseerd op gewerkte jaren, maar op gelijkgestelde periodes. Het is fantastisch dat daar ook een cap op wordt geplaatst in dit regeerakkoord. Mijnheer de minister, ik kan niet wachten om het wetsontwerp om dit te wijzigen in de plenaire vergadering te verdedigen en goed te keuren.

Het bijkomende onderzoek naar de Bende van Nijvel
De heropening van het dossier over de Bende van Nijvel
De nieuwe onderzoeksdaden in het dossier van de Bende van Nijvel
Recente ontwikkelingen in het Bende van Nijvel-onderzoek

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na 40 jaar blijkt dat het Bende van Nijvel-dossier cruciaal bewijs—zoals een niet-onderzochte nummerplaat van een vermoedelijke dader—heeft genegeerd, ondanks eerdere claims van het federaal parket dat *alles* was nagegaan; slechts dankzij slachtofferpersistente wordt nu alsnog beperkt bijkomend onderzoek gedaan door twee onderzoekers, met resultaten "eerstdaags" verwacht. De minister bevestigt dat één extra verzoek (met negatief advies van parket/rechter) nog hangende is en toont openheid voor een onafhankelijke taskforce (historici/criminologen), maar de samenleving en slachtoffers—diep geschokt door dit justitieel falen—vragen zich af of de waarheid ooit nog boven water komt, gegeven het verloren vertrouwen in de aanpak. Kern: systeemfouten, gemiste kansen en een dossier dat nooit echt is afgesloten.

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, bijna 40 jaar na de bloedige overvallen van de Bende van Nijvel moeten slachtoffers en nabestaanden nog altijd blijven strijden voor de waarheid. Vorig jaar liet het federaal parket weten dat het onderzoek zou worden stopgezet. De minister heeft bevestigd dat al het mogelijke gedaan was en dat alle pistes onderzocht waren.

Toch heeft een van de slachtoffers een bijkomend onderzoek verkregen naar een auto die mogelijk van een van de daders is. Een verdachte nummerplaat, genoteerd door getuigen vlak voor de aanslag in Delhaize in Aalst, is nooit nagetrokken, hoewel die onmiddellijk na de aanslag is doorgegeven. De getuigen werden nooit ondervraagd. Er is nooit contact opgenomen met de firma op wiens naam de nummerplaat stond. Er is nooit uitgezocht wie er mogelijk met die auto reed. Alleen dankzij de volharding van een slachtoffer wordt nu een bijkomend onderzoek gevoerd. Dat roept opnieuw vragen op over de aanpak van het onderzoek.

Hoe is het mogelijk dat dergelijke essentiële elementen jarenlang over het hoofd werden gezien?

Wat betekent dat? Zijn er nog andere pistes die nog uit de kast kunnen vallen en nog nooit onderzocht zijn?

Hoeveel onderzoekers zijn nu bezig met dat dossier?

Noch ik noch u weet wat het resultaat van dat onderzoek zal zijn. Ik ben zelf van Aalst. De aanslag van de Bende van Nijvel is een litteken op onze ziel. Voor mij is de waarheid belangrijk. Wat denkt u ervan dat een groep wetenschappers toegang zou krijgen tot het hele onderzoek, de maatschappelijke context zou nagaan en de zoektocht naar de waarheid kan voortzetten?

Alexander Van Hoecke:

In 2024 gaf het federaal parket inderdaad aan dat het onderzoek naar de Bende van Nijvel afgerond was. De slachtoffers konden echter wel nog een bijkomend onderzoek vragen. Een van die slachtoffers stapte daarom inderdaad naar de rechter en verkrijgt dat bijkomend onderzoek nu ook.

De aanleiding is een toch wel heel opvallend spoor dat nooit onderzocht werd. Het gaat om twee jonge broers van zeven en negen jaar, die de vermoedelijke daders op de dag van die beruchte aanval op de Delhaize in Aalst gespot zouden hebben en hun nummerplaten hebben genoteerd. Een van die nummerplaten werd getraceerd en bleek ook op naam van een firma te staan, maar die werd nooit gecontacteerd.

Ik heb daarom drie vragen voor u, mevrouw de minister. Hoe verklaart u als minister van Justitie dat een 40 jaar durend onderzoek afgesloten wordt zonder dat opgemerkt wordt dat een belangrijk spoor, met name een nummerplaat van een vermoedelijke dader, niet werd onderzocht?

Wat betekent dit concreet voor het dossier over de Bende van Nijvel? Hoe zal het parket te werk gaan? Zullen er opnieuw speurders op de zaak gezet worden?

Was dit de enige vraag naar bijkomende onderzoeksdaden of werden er nog gevraagd? Zo ja, wanneer werden die bijkomende onderzoeksdaden gevraagd en over welke specifieke piste werden die gevraagd?

Stefaan Van Hecke:

De meeste informatie is gegeven. Inderdaad, op een vorige vraag heeft de minister geantwoord dat het federaal parket al het mogelijke had gedaan. Niets werd aan het toeval overgelaten. Er waren 1.131 processen-verbaal, DNA-onderzoek, analyse van camerabeelden enzovoort. Vervolgens gaat er een advocaat door het dossier, die vaststelt dat een belangrijk spoor niet verder is onderzocht.

Hij vraagt bijkomende onderzoeksdaden en men zegt terecht dat die ook gesteld zullen worden. Niemand van de politie, niemand van de onderzoeksrechters, ook niet het federaal parket, heeft in die 40 jaar gezien dat dat spoor niet was onderzocht. Eerlijk gezegd, ik begrijp dat niet.

Mevrouw de minister, hoe kan het dat zo'n belangrijk spoor niet werd onderzocht, terwijl het federaal parket aangeeft niets aan het toeval te hebben overgelaten? Ik had zelf ook heel veel vertrouwen in het federaal parket toen dat het dossier kreeg.

Hoeveel onderzoekers zijn nu nog actief bezig met het onderzoek naar die nieuwe pistes? Hoeveel tijd zal er ongeveer nodig zijn om de nieuwe onderzoeksdaden uit te voeren?

Wat is uw mening over het idee van de taskforce waarbij historici en criminologen toegang krijgen tot het dossier, zoals historicus Emmanuel Gerard dat voorstelde. Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Annelies Verlinden:

Geachte collega's, uw vragen gaan inderdaad over een zeer belangwekkend dossier. Ik begrijp dat de elementen waarnaar jullie in de vraagstellingen verwijzen tijdens het onderzoek wel degelijk werden beoordeeld en verder werden geverifieerd op verschillende punten. De KI heeft desalniettemin geoordeeld dat een aantal bijkomende onderzoekshandelingen dient te worden gesteld. Dat onderzoek is op dit moment lopende en zal, zo begrijp ik, eerstdaags kunnen worden afgerond. Op dat moment zal het onderzoek aan het strafdossier worden toegevoegd.

Daarnaast is op dit ogenblik nog één verzoekschrift tot bijkomend onderzoek hangende. Zowel de onderzoeksrechter als het federaal parket hebben daarover negatief geadviseerd. Eind maart wordt daarover een debat gehouden voor de KI, die finaal zal oordelen of dat gevorderd bijkomend onderzoek al dan niet moet worden uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat ik in het licht van het geheim van het onderzoek niet nader kan ingaan op de inhoud van dat verzoekschrift. Op dit moment werken twee onderzoekers daar actief aan.

Het voorstel van de eminente historicus Emmanuel Gerard om voor dit dossier een taskforce op te richten, samengesteld uit historici en criminologen, genoot en geniet mijn bijzondere interesse en zal nog verder worden bekeken, dus daarover kunnen we later verder van gedachten wisselen.

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, alleszins bedankt voor uw antwoord. Ik kijk in ieder geval uit, als het eerstdaags afgerond wordt, naar het resultaat van het onderzoek.

Al bij al blijf ik het wel choquerend vinden, echt choquerend. Dat dossier is de grootste schandvlek in de geschiedenis van justitie. Meerdere mensen erkennen dat ook. Een hele tijd lang leefde er hoop onder de slachtoffers en hadden zij vertrouwen in het federaal parket. Ook werd de verjaringstermijn verlengd. De slachtoffers hoopten op de waarheid. Ze hoopten ook dat de daders eindelijk toch voor de rechtbank zouden verschijnen. Die hoop is aan diggelen geslagen toen het federaal parket aankondigde het onderzoek te zullen stopzetten. Nu blijkt dat er nog niet-onderzochte elementen zijn, is dat een extra slag in hun gezicht.

Het feit dat bijkomend onderzoek wordt verricht, is alleen maar te danken aan de veerkracht van de slachtoffers. Die veerkracht is na 40 jaar eigenlijk ongelooflijk, want die aanslagen hebben hun levens echt overhoop gehaald. Hun levens zijn nooit meer dezelfde geworden. Zij dragen daar nog altijd de gevolgen van. Daarom gaat dat er bij mij echt niet in.

Ook voor mij is het achterhalen van de waarheid bijzonder belangrijk. Niet alleen de slachtoffers hebben belang bij de waarheid, ook de hele samenleving, want daardoor wordt het vertrouwen in justitie nog maar eens geschonden.

Ik ben wel tevreden dat u zegt dat u meer historisch onderzoek en onderzoek door criminologen in een taskforce nader wilt bekijken. Ik hoop dat u dat echt ter harte neemt, want volgens mij kan daar een piste in zitten om de waarheid aan het licht te brengen.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, ik ben niet heel veel wijzer geworden uit uw antwoord.

Dat onderzoek zal eerstdaags kunnen worden afgerond. Het ging inderdaad snel en ik vermoed dat we er weinig hoop uit moeten putten, gezien de snelheid waarmee het bijkomende onderzoek werd afgerond. Er zal dus weinig nieuws uit komen.

Ik blijf toch met heel wat vragen zitten. Na 40 jaar wordt zo'n dossier afgesloten. Dan komt er zo'n opmerkelijke tip naar boven, die al 40 jaar bekend was. We hadden misschien een heel ander verhaal kunnen schrijven, mocht dat indertijd wel goed bekeken zijn. We kijken uit naar wat het bijkomende onderzoek opgeleverd heeft. Als u zegt dat het eerstdaags afgesloten zal worden, dan mogen we dat heel letterlijk nemen en neem ik aan dat die communicatie daarover ook zal volgen. We volgen het alleszins op.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Als er vandaag weinig of geen geloof is in de werking van justitie of de politiek, dan heeft dat ook te maken met dossiers zoals dit. De mensen vertrouwen het immers niet en vragen zich terecht af hoe het komt dat zo'n dossier niet tot een goed einde kan worden gebracht. Als dan zo’n element opduikt na 40 jaar, dat blijkbaar niet of onvoldoende onderzocht zou zijn, dan stelt men zich daar heel veel vragen bij. In ieder geval kijk ik ook uit naar de resultaten van het bijkomende onderzoek, die we dus eerstdaags mogen verwachten. Ik ben zelf ook wel tevreden dat u interesse toont in de piste van de taskforce. Als het dossier uiteindelijk niet voor de rechtbank komt, zal de enige mogelijkheid waarschijnlijk zijn om op basis van historisch en chronologisch onderzoek misschien toch nog de waarheid te achterhalen, zoals dat ook gebeurd is in de zaak-Lahaut. De academici hebben aangetoond dat zij waardevol werk kunnen doen om ook de waarheid aan het licht te brengen. We volgen het verder op.

Het onderzoek van de KUL over de deelplatformen
De arbeidsomstandigheden van platformkoeriers
De impact van digitale deelplatformen op arbeidsomstandigheden

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 25 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Onderzoek van de KU Leuven toont aan dat platformwerkers bij Deliveroo, Uber Eats en soortgelijke bedrijven (behalve Takeaway.com) werken onder precaire omstandigheden, onvoldoende loon en gebrek aan sociale bescherming, terwijl ze misbruik maken van het peer-to-peerstatuut om schijnzelfstandigheid en belastingontwijking te faciliteren. Rechtbanken hebben al herhaaldelijk geoordeeld dat dit statuut voor deze platformen onwettig is, maar de rulings (fiscale afspraken) blijven tot 2025-2026 geldig, ondanks eerdere beloftes om ze in te trekken. Minister Jambon belooft meer controles en onderzoek naar fraude, maar weigert de rulings onmiddellijk stop te zetten, verwijzend naar wettelijke termijnen en fiscale geheimhouding, terwijl hij benadrukt dat zijn diensten jurisprudentie volgen. Kritiek blijft dat structurele oplossingen (zoals intrekking van erkenning voor frauderende platformen) ontbreken, waardoor uitbuiting en oneerlijke concurrentie voortduren, ondanks juridische duidelijkheid en dringende oproepen tot actie.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, uit een tweede onderzoek van de KU Leuven blijkt dat veel platformwerkers in België onder onaanvaardbare arbeidsomstandigheden werken. Platformen zoals Deliveroo, Uber Eats en Helpper slagen er niet in om een eerlijk loon, degelijke contracten en sociale bescherming te garanderen. Enkel Takeaway.com kreeg een positieve beoordeling.

Veel platformwerkers werken onder het peer-to-peerstatuut, dat tot op bepaalde hoogte voor een voordelig belastingtarief zorgt. Dit statuut beperkt echter hun sociale bescherming en leidt tot inkomensonzekerheid. De Europese Raad benadrukt dat een correcte verloning en arbeidsstatus van platformwerkers een prioriteit moet zijn.

De arbeidsrechtbank, het arbeidshof en de Commissie Arbeidsrelaties hebben reeds geoordeeld dat Uber en Deliveroo geen beroep kunnen doen op de peer-to-peerregeling en dat de toepassing ervan voor hen niet wettelijk is. Desalniettemin staan deze platformen nog steeds op de lijst van erkende platformen. Hiervoor werden in het verleden rulings afgesloten. De vorige minister van Financiën zei dat één ruling zou vervallen in 2025 en de andere in 2026.

Wat is de stand van zaken? Hoe zult u het gelijke speelveld garanderen? Bent u bereid om de impact van het peer-to-peerstatuut te evalueren en bij te sturen om schijnzelfstandigheid en uitbuiting van platformwerkers tegen te gaan? Overweegt u maatregelen om platformen die via de peer-to-peerregeling de arbeidswetgeving omzeilen, te ontmoedigen of hun erkenning in te trekken? Anders blijft het bij aanhoudend controleren, maar ik noem dat dweilen met de kraan open. We moeten het probleem bij de bron aanpakken.

Sophie Thémont:

Monsieur le ministre, une étude récente, menée par le centre d'études sociologiques de la KU Leuven en collaboration avec l'université d'Oxford, met une nouvelle fois en lumière les conditions de travail inacceptables des livreurs des plateformes comme Deliveroo et Uber Eats. Sur une échelle de 10 points basée sur 5 principes de travail équitable: salaire, conditions, contrat, gouvernance et représentation, ces plateformes obtiennent des scores dramatiquement bas. Uber ne récolte qu'un point alors que Deliveroo et Uber Eats n'en récoltent aucun. Seul Takeaway.com se distingue avec un score de 8/10, confirmant qu'un modèle plus juste est possible et que ce modèle passe par des travailleurs salariés.

Face à ces constats implacables, il est impensable aujourd'hui que l'État continue à cautionner, voir encourager, ces entreprises qui exploitent les travailleurs qui n'ont aucun droits sociaux. Cela fait maintenant presque un an que la cour du travail a rendu son arrêt confirmant que ce régime fiscale P2P ne s'applique pas aux plateformes comme Deliveroo. Le tribunal du travail l'avait déjà énoncé dans son jugement du 8 décembre 2021: "Les coursiers de Deliveroo exercent bien une activité professionnelle et doivent être soumis à un régime de sécurité sociale et le ruling fiscal doit être retiré." Le ministre des Finances précédent s'est pourtant obstiné à maintenir ce ruling envers et contre toute cohérence juridique.

Ma question sera très simple: contrairement à votre prédécesseur, êtes-vous prêt à retirer immédiatement ce ruling fiscal en faveur de ces plateformes pour cesser de cautionner un modèle qui exploite les travailleurs et dégrade les conditions de travail dans notre pays?

Jan Jambon:

Collega's, we zullen het aantal controles op platformen in de deeleconomie verhogen en de strijd tegen schijnzelfstandigheid opdrijven.

Ik kan geen uitspraak doen over zaken van individuele belastingplichtigen. Rulings zijn in principe altijd geldig voor een termijn van maximum vijf jaar. Die maximumtermijn is opgenomen onder artikel 23, eerste lid, van de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

Sommige van de voorafgaande beslissingen waarnaar u verwijst, zullen effectief vervallen in 2025 of 2026. Ik zal mijn diensten de opdracht geven om misbruik of fraude en eventuele maatregelen daartegen in het stelsel van de deeleconomie en het verenigingswerk verder te onderzoeken.

La loi prévoit un secret professionnel spécifique concernant l'identité des demandeurs, de sorte que je ne peux pas me prononcer sur des décisions anticipées individuelles. De plus, le Service des Décisions Anticipées en matières fiscales n'est pas compétent pour se prononcer sur la législation sociale. De manière générale, le service tient compte de la jurisprudence constante, y compris en ce qui concerne l'application des lois fiscales aux situations soumises au service par les plateformes collaboratives.

L'accord du gouvernement indique clairement que nous renforcerons les contrôles sur les plateformes de l'économie de partage et que nous nous attaquerons au faux travail indépendant. Je ne pourrai débattre avec vous du contenu effectif et de la manière dont mon administration développera celui-ci que dans les semaines et les mois à venir, une fois la préparation terminée.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Voor alle duidelijkheid – want daar bestaan nogal eens misverstanden over –, ik heb niets tegen deelplatformen. Als technologie mensen kan samenbrengen om elkaar te helpen, dan heb ik daarmee geen probleem. Hier zien we echter dat multinationals zoals Uber en Deliveroo die deelplatformen en het fiscaal voordeel gewoonweg misbruiken om te frauderen.

Uiteraard moeten we de controles verder opvoeren. Er wordt gewerkt met valse accounts om boven het fiscaal plafond te gaan. De verdeling gebeurt via nachtwinkels, via Facebookgroepen, via allerlei wegen. Toch slaagt men er maar niet in om daar de hand op te leggen.

U zegt opnieuw dat de rulings zullen vervallen in 2025 en in 2026, maar wat betekent "in 2025"? Bedoelt u het fiscaal jaar? Anders geformuleerd, de fietskoeriers mogen niet midden in het jaar geconfronteerd worden met een wijziging van hun fiscaal en sociaal statuut. Om die reden, enerzijds om fraude tegen te gaan, anderzijds om rechtszekerheid te behouden voor de fietskoeriers, vind ik het zo belangrijk dat we dat eindelijk aan de bron aanpakken. Nu zie ik alleen maar dat de controles opgevoerd worden. U kunt echter niet overal, niet in alle steden waar eten wordt rondgebracht, agenten en sociale inspecties inzetten. Daarom moet effectief de erkenning worden ingetrokken van wie fraudeert en ingaat tegen de wettelijke regels.

Voorts ben ik wel tevreden om u te horen zeggen dat u het verder zult onderzoeken. Dat lijkt me heel belangrijk, want Uber en Deliveroo zijn niet de enige platformen. Naar dat verder onderzoek kijk ik uit en ik zal u daarover verder bevragen. Het resultaat moet zijn dat het gelijke speelveld wordt gegarandeerd binnen die sector.

Sophie Thémont:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Le régime de l'économie collaborative pose de nombreux problèmes qui retombent sur le dos des travailleurs. En effet, les plateformes s'en lavent vraiment les mains. Ces travailleurs n'ont pas de couverture sociale en cas d'accident de travail, quand le statut P2P s'applique, et ce, malgré deux décisions de justice très claires. Elles indiquent ainsi qu'on ne peut pas recourir au ruling dans le cas du P2P. Vous parlez d'y mettre fin immédiatement, mais votre prédécesseur ne l'avait pas fait non plus. L'administration pourrait éventuellement introduire un recours. Je pense qu'il y a jurisprudence, puisque non seulement en première instance, mais également en appel, le tribunal et la cour du travail ont prononcé des décisions très claires en la matière. Comme l'a dit ma collègue, on laisse toujours les multinationales abuser d'un système qui leur est, en définitive, plus que favorable. Bien évidemment, je ne vous lâcherai pas à ce sujet et je reviendrai prochainement, monsieur le ministre, vous poser de nouvelles questions pour savoir quelles mesures vous comptez prendre. J'espère qu'elles seront favorables à ces travailleurs.

De score van België in het onderzoek van Transparency International

Gesteld door

PS Hugues Bayet

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 25 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische corruptieperceptie zakt naar historisch dieptepunt door zwakke preventieve wetgeving voor bedrijven, vergelijkbaar met de Franse *loi Sapin II*. Minister Jambon (pas drie weken in functie) verwijst naar plannen voor een gespecialiseerde afdeling corruptiebestrijding binnen het parquet, maar ziet nog geen concrete stappen. Bayet biedt constructief een voorstel aan gebaseerd op het Franse model om de achterstand aan te pakken. Akkoord over noodzaak, maar actie blijft vaag en toekomstgericht.

Hugues Bayet:

Comme vous le savez, monsieur le ministre, Transparency International publie chaque année son baromètre annuel sur la perception de la corruption à travers le monde. Or, cette année, notre pays fait la grimace. En effet, en plus de dix ans, jamais la Belgique n'avait enregistré de résultats aussi mauvais. Le premier point mis en exergue à cet égard est le cadre légal, qui reste lacunaire, avec notamment la faiblesse du cadre de prévention de la corruption pour les sociétés privées, comme prévu en France dans la loi Sapin II, promulguée en 2016.

Au regard des différents scandales qui émaillent l'actualité en matière de suspicion de corruption, il est évidemment essentiel de se doter d'un tel arsenal pour prévenir la corruption dans notre pays et lutter contre cette problématique qui, selon moi, doit dépasser les clivages politiques. Je voudrais savoir ce que vous comptez mettre en place pour permettre à la Belgique de remonter dans ce classement. Comptez-vous proposer un projet de prévention de la corruption pour les sociétés privées? Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Jan Jambon:

Je comprends très bien votre préoccupation, mais je ne suis ministre que depuis trois semaines. L'accord de coalition prévoit que le gouvernement crée au sein du parquet fédéral une section criminalité financière axée sur la fraude fiscale et la corruption, à laquelle vous faites référence. Je discuterai, le cas échéant, de mesures supplémentaires avec ma collègue ministre de la Justice, mais ce point ne figure pas encore dans mon agenda quotidien.

Hugues Bayet:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Je comprends bien évidemment qu’il est encore trop tôt pour que ce point figure dans vos petits papiers, mais je suis quelqu'un de constructif et je sais que nous partageons ensemble cette volonté de lutter contre la corruption. Dès lors, je propose de vous envoyer, avec mon groupe, un texte quelque peu similaire à celui qui a été rédigé en France pour prévenir la corruption à tous les niveaux de pouvoir. Je vous remercie.

De fiscale vrijstelling van inkomsten uit studentenarbeid

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 25 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon verduidelijkt dat de fiscale vrijstelling voor studentenarbeid (art. 143 WIB) – nu €3.420 – wordt verdubbeld naar €6.840 (voor aanslagjaar 2026), niet de algemene belastingvrije som (art. 131), en koppelt dit aan een verhoging van nettobestaansmiddelen naar €12.000. Van Quickenborne bevestigt dat dit conform het regeerakkoord is (tegen de Arizona-meerderheid in, die via andere artikelen wil werken) en dringt aan op eensgezindheid binnen de coalitie, met steun voor Jambons aanpak. De budgettaire impact is beperkt (studenten betalen minder belasting bij extra inkomen), maar neveneffecten worden nog onderzocht. Kern: Verdubbeling vrijstelling studentenarbeid (€3.420 → €6.840), gekoppeld aan nettobestaansmiddelenverhoging, met politieke spanning over de juiste wettelijke route.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, het aantal uren studentenarbeid zal worden opgetrokken van 600 naar 650 uur, en dat is een zeer goede zaak. Collega Ronse – hij is hier nu niet aanwezig en kan dus geen persoonlijk feit inroepen – noemde dat historisch, maar ik vind het een stapje vooruit. Het ware historisch geweest mochten we de studenten onbeperkt laten bijverdienen, als zij dat willen.

In het regeerakkoord staat in dat verband ook een zin die mij geïntegreerd heeft – met mijn excuses dat ik het regeerakkoord zo lees, maar u hebt er acht maanden aan gewerkt, dus u bent meester van de teksten. Ik citeer de zin: "De regering zal onmiddellijk de fiscale vrijstelling voor inkomsten uit studentenarbeid verdubbelen." Voor alle duidelijkheid, die zin gaat niet over de nettobestaansmiddelen, want in het regeerakkoord staat daarover een andere zin, namelijk: "We verhogen het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen naar 12.000 euro voor iedereen."

Ik vraag me af wat de fameuze zin dat men onmiddellijk de fiscale vrijstelling zal verdubbelen, precies betekent. Betekent die zin dat u het belastingvrije basisbedrag voor studenten, dat momenteel vastligt op 10.910 euro, zult verdubbelen naar 21.820 euro? Of indien niet, wat wordt er dan precies bedoeld met de verdubbeling van de fiscale vrijstelling? Wat bedoelt u daarnaast met onmiddellijk? Is dat nog dit jaar, of is dat voor volgend jaar?

Vervolgens, indien de belastingvrije som voor studenten wordt verdubbeld, welke budgettaire impact verwacht de regering daarvan? Wat zal dat mogelijk kosten? Is dat effectief doenbaar? Daarmee bedoel ik het volgende. Als u dat enkel doorvoert voor studenten, vraag ik me opnieuw af hoe het zit met de gelijke behandeling van andere categorieën van belastingplichtigen. Ik denk bijvoorbeeld aan jonge werknemers die geen student zijn en die de belastingvrije som dan ook niet zouden zien verdubbelen.

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, u verwart volgens mij de belastingvrije som in artikel 131 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen met de vrijstelling voor studentenarbeid in artikel 143 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. In dat artikel kunt u in het zevende lid lezen dat de bezoldigingen uit studentenarbeid voor inkomstenjaar 2025 tot 3.420 euro niet in aanmerking komen als nettobestaansmiddelen. Het is dat bedrag dat wij zullen verdubbelen.

Wij zullen dat inderdaad doen voor het aanslagjaar 2026. Daarbovenop verhogen wij stevig het maximumbedrag voor de nettobestaansmiddelen naar 12.000 euro.

In uw tweede vraag vraagt u hoe wij dat zullen doen. Wij zullen dat via een wetswijziging doen. Als er al een budgettaire impact is, zal die impact zijn dat studenten niet meer worden bestraft omdat ze een beetje te veel hebben gewerkt en dus wat geld hebben verdiend.

In antwoord op uw derde vraag geef ik u mee dat mijn administratie inderdaad de mogelijke neveneffecten bekijkt. Daarvoor moeten wij heel beducht zijn. Ik vraag u dus ook op dat vlak even geduld te hebben, tot de wetteksten er zijn. Wij zijn ons echter bewust van het feit dat ook op dat punt naar de mogelijke neveneffecten moet worden gekeken.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw heldere antwoord, dat eigenlijk ook heel relevant is. Op het ogenblik voeren wij in de commissie voor Sociale Zaken immers de discussie over de studentenarbeid. Mijnheer de minister, ik steun de maatregel om studentenarbeid tot 650 uur toe te laten. Dat heeft echter ook een fiscaal aspect. Collega’s, in het desbetreffende wetsvoorstel en de discussie daarover pleit ik voor de aanpassing van artikel 143, wat de minister net heeft verteld. Weet u wat de arizonameerderheid daarover aangeeft? Zij stelt dat zij dat niet zal doen en niet zal werken op artikel 143. Zij wil werken aan de combinatie van artikel 136 en artikel 141. Mijnheer de minister, ik merkte op dat die werkwijze niet conform het regeerakkoord is. U blijkt mij gelijk te geven. Ik zal uw antwoord dus straks, tijdens de tweede lezing over het wetsvoorstel, kunnen gebruiken. U hebt immers gelijk. Het is inderdaad veel beter te werken op artikel 143, door het geïndexeerde bedrag van 3.420 euro te verdubbelen naar 6.840 euro. Ik steun u dus. Ik hoop echter dat u uw antwoord ook doorgeeft aan mevrouw Muylle en de heer Ronse, de auteurs van het bewuste amendement, en dat er eensgezindheid is in de arizonaregering. Mijnheer de minister, ik dank u dus. Uw antwoord was heel helder. Ik ben u erg erkentelijk.

Onwettige praktijken bij tandzorgtoerisme
De instroom van Roemeense tandartsen
De inval in een hotel in het kader van een onderzoek naar illegale tandheelkundige praktijken
Illegale tandheelkundige praktijken en arbeidsmigratie

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om illegale en twijfelachtige praktijken in tandheelkundig toerisme (met name naar Turkije) en de kwaliteit van buitenlandse zorgverleners (o.a. Roemeense tandartsen) in België. Minister Vandenbroucke bevestigt dat automatische erkenning van EU-diploma’s (zoals Roemeense) moeilijk te controleren is, maar dat taaleis (C1-niveau) en registers zoals ProGezondheid patiënten moeten beschermen—al blijven handhaving en bewustmaking tekortschieten. Gerechtelijke invallen (bv. in Antwerpen) lopen, maar concrete cijfers over overtredingen of kosten van nazorg ontbreken, terwijl samenwerking met Turkije nog niet plaatsvindt. Kritiekpunten zijn de ontoereikende transparantie (ontbrekende namen/RIZIV-nummers op websites), moeilijke opsporing van illegale praktijken en de financiële last van complicaties voor de Belgische gezondheidszorg, waarvoor betere registratie en risicoaanvaarding worden geëist.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, het parket van Antwerpen is een tijdje geleden binnengevallen in een Antwerps hotel, waar er informatiesessies werden georganiseerd voor tandheelkundig toerisme in Turkije.

Die praktijken zijn niet nieuw en er wordt volop voor geadverteerd op verschillende websites. Ik heb er een aantal gevonden, zoals Dental Travel België, Medical Travel en Esthetic Airlines. Soms wordt er nazorg aangeboden in België, maar soms wordt daar helemaal geen melding van gemaakt. Eerder zelden is het duidelijk wie de tandartsen precies zijn.

In 2019 ondervroeg ik minister De Block daarover. Ze kondigde toen een kadaster aan, waardoor elke potentiële patiënt zou kunnen opzoeken of een zorgverstrekker de nodige opleiding en beroepsbekwaamheden had, want die op zijn minst twijfelachtige, maar waarschijnlijk ook onwettige praktijken bleken zich toen ook uitsluitend in Vlaanderen te situeren.

Graag stel ik u daarover de volgende vragen.

Volgens de kwaliteitswet moeten zorgverstrekkers hun bijzondere beroepstitels kenbaar maken als ze informatie over hun praktijk verspreiden. Dat gebeurt dus duidelijk niet altijd. Vaak vindt men niet eens de namen van de artsen of tandartsen op websites. Zou het volgens u niet nuttig zijn als daarenboven ook het RIZIV-nummer of het visum vermeld moet worden op de website en sociale media, zodat duidelijk is of zorgverstrekkers hun beroep in België mogen uitoefenen?

Hoever staat het met een gedetailleerd kadaster van zorgverstrekkers?

Hoeveel van dergelijke praktijken werden ontdekt en onderzocht? Door welke instantie werden ze opgespoord? Kunt u ook verduidelijken over hoeveel gevallen het gaat per provincie?

Wat waren exact de overtredingen die de artsen of tandartsen ten laste werden gelegd?

Gaat het vooral om tandheelkundig toerisme richting Turkije of gaat het ook om andere landen?

Hoe komt het volgens u dat die praktijken vrij openlijk online adverteren en toch zo moeilijk aan te pakken zijn?

Katleen Bury:

Ik heb nog enkele bijkomende vragen over de aanhoudingen die verricht zijn bij de inval in dat hotel.

Er werd een medewerker gearresteerd. Is die persoon nog steeds gearresteerd?

Zijn er plannen om in de toekomst meer van dergelijke invallen uit te voeren? Welke specifieke vervolgstappen zal de Toezichtcommissie nemen?

Is er samenwerking met de Turkse autoriteiten om de zorgpraktijken van de artsen die actief zijn in België te reguleren en de veiligheid van onze patiënten te waarborgen?

Mijn volgende vraag had ik u misschien beter schriftelijk kunnen stellen. Hebt u een zicht op de extra kosten voor de gezondheidszorg voor ingrepen die door buitenlandse artsen zijn uitgevoerd waarbij wij opdraaien voor de nazorg omdat het een en ander misgelopen is?

Ik stel vast dat mijn vraag over de Roemeense tandartsen toegevoegd werd, maar eigenlijk ging die over iets anders. Daar zien we mensen met een diploma dat als het ware gekocht is. In de vorige legislatuur hebt u daarover al overleg gepleegd met de Roemeense autoriteiten. Daaruit kwam een maatregel voort, namelijk de taalkennisvereiste. In de praktijk zien we dat het daarbij meestal om het Frans gaat. Dat zal de zorgkwaliteit bij ons in Vlaanderen evenwel niet noodzakelijk verbeteren.

Daarover had ik ook een aantal vragen, die losstaan van de inval in Antwerpen, met name over de resultaten van de onderhandelingen met Roemenië.

Heeft dat overleg daadwerkelijk geleid tot concrete maatregelen die de kwaliteit van de tandheelkundige zorg door Roemeense tandartsen in België verbeteren? Welke aanvullende stappen zullen er worden ondernomen om te waarborgen dat tandartsen die in België werkzaam zijn de hoge professionele normen hanteren die wij in ons land verwachten?

Frank Vandenbroucke:

Ik begin met uw laatste punt, over de Roemeense tandartsen. In november 2023 heb ik daarover effectief al met mijn Roemeense ambtgenoot gesproken. Ik heb uitgelegd dat er bezorgdheden rijzen over de kwaliteit van de opleiding van bepaalde tandartsen die in Roemenië afstuderen. Mijn Roemeense collega heeft me gezegd dat, wanneer er gegronde vermoedens zijn dat bepaalde kandidaten niet voldoen, bijkomende informatie kan worden ingewonnen bij de bevoegde autoriteiten in Roemenië. Hij voegde daaraan toe dat men dan wel concrete informatie moet aanleveren dat men niet aan de Europese regelgeving voldoet.

U weet dat de beroepskwalificaties van Europese tandartsen in het kader van de Europese richtlijn erkend worden op basis van een coördinatie van minimumopleidingseisen. Het betreft een automatische erkenning, wat tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort. We hebben de aandacht van de gemeenschappen gevestigd op het feit dat de richtlijn een aantal mogelijkheden bevat om Roemenië in geval van gerechtvaardigde twijfel om aanvullende informatie over opleidingen te verzoeken. De moeilijkheid ligt in het duidelijk aantonen welke onderwijsinstellingen in Roemenië met dat probleem te maken hebben. Men moet niet alleen aanwijzingen hebben, maar ook onweerlegbaar bewijs kunnen aanleveren.

U weet dat ik in de vorige legislatuur ook een maatregel heb genomen om de kennis van de landstalen bij zorgverstrekkers, in dit geval tandartsen, te garanderen. Concreet betekent dat dat tandartsen moeten aantonen dat ze een van onze drie landstalen op het niveau C1 van het Europese referentiekader beheersen. De controle gebeurt v óó r de aflevering van het visum op basis van een taalcertificaat. Daarnaast moeten gezondheidszorgbeoefenaars de nodige gegevens waaruit hun talenkennis blijkt, bijhouden in hun portfolio. De Federale Toezichtcommissie staat in voor de controle van die talenkennis in het kader van de andere kwaliteitscriteria.

Wat uw laatste vraag over de Roemeense tandartsen betreft, herhaal ik dat de Europese richtlijn niet toelaat om de kennis van de taal van een specifiek taalgebied te eisen. De beoefenaar kan kiezen welke van de officiële Belgische talen hij spreekt en doorgeven van welke talen hij kennis heeft. Wel moet elke gezondheidszorgbeoefenaar patiënten doorverwijzen naar een andere gezondheidszorgbeoefenaar wanneer hij bij de uitoefening van zijn beroep de grenzen van zijn eigen bekwaamheid overschrijdt. Dat geldt uiteraard ook voor communicatieproblemen met de patiënt, waarbij verwezen kan worden naar de rechten van de patiënt.

Ik heb de vragen van mevrouw Gijbels en van mevrouw Bury samengevoegd in elf punctuele vragen.

Ten eerste, inzake de recente inval in het hotel nabij het station Antwerpen-Centraal, heeft de Federale Toezichtcommissie geen zicht op het verdere verloop van het dossier daar het om een lopend onderzoek bij het parket gaat. Indien het parket of de politiediensten dat nodig achten, kan evenwel een beroep worden gedaan op de inspecteurs van de Federale Toezichtcommissie voor advies of bijstand.

Het gerechtelijk onderzoek is geheim. Eenieder die beroepshalve zijn medewerking moet verlenen aan het gerechtelijk onderzoek is tot geheimhouding verplicht. U weet dat wie dat geheim schendt, bestraft kan worden. Indien dus aan de inspecteurs van de Federale Toezichtcommissie advies wordt gevraagd, mag men daar niet over communiceren.

Ten tweede, zijn er plannen om in de toekomst vaker dergelijke invallen uit te voeren? Dat hebben we al besproken in een recent actuadebat. Al onze inspectiediensten en de parketten zijn zich zeer bewust van die praktijken. Ze nemen ook actie. Daarvan getuigt de berichtgeving waarnaar u in uw vraag verwees. We blijven daar dus op werken. Ik zal ook bekijken of er versterking nodig is, bijvoorbeeld voor de taken van de Toezichtcommissie.

Ten derde, inzake de vervolgstappen is de Federale Toezichtcommissie bevoegd om gevallen van illegale praktijken te onderzoeken en door te geven aan het openbaar ministerie, dat vervolgens overgaat tot vervolging.

Ten vierde, is er op dit moment enig overleg en samenwerking met de Turkse autoriteiten? Er is geen contact met de Turkse autoriteiten over deze kwestie.

Ten vijfde, hebben we zicht op extra kosten die onze gezondheidszorg op zich moet nemen wegens complicaties na ingrepen die werden uitgevoerd door buitenlandse artsen? De oorsprong van de complicaties die optreden na een operatie, al dan niet uitgevoerd door in het buitenland gevestigde zorgverleners, wordt niet in het gezondheidszorgsysteem geregistreerd. Het is dus niet mogelijk om de kosten van complicaties aan hun oorzaak te koppelen.

Ten zesde, hoe vindt men informatie over de namen van tandartsen of artsen op de websites? Zou het niet nuttig zijn als ook het RIZIV-nummer of het visum op de website en in sociale media wordt vermeld? Het artikel 31 van de wet van 22 april 2019 over de kwaliteitsvolle praktijkvoering bepaalt dat de gezondheidzorgbeoefenaar die informatie in verband met zijn gezondheidsberoep onder de aandacht van het publiek brengt de specifieke beroepstitels die hij of zij bezit moet vermelden. Bovendien kan de patiënt op de website van de FOD Volksgezondheid gemakkelijk het register van de gezondheidswerkers raadplegen. Dat zal aangeven of de beroepsbeoefenaar tot wie hij zich richt gemachtigd is om op het Belgische grondgebied te werken.

In dit specifieke geval is het vermelden van het RIZIV-nummer minder van tel, aangezien de patiënten in principe weten dat ze zich wenden tot een buitenlandse beroepsbeoefenaar die zich buiten België bevindt en die buiten België werkt. Ik moet erop wijzen dat de promotie van zorg in het buitenland aan Belgische patiënten niet strafbaar is. De promotie moet wel voldoen aan alle regels inzake economische praktijken en mag niet met illegale uitoefening gepaard gaan.

Hoever staat het met een gedetailleerd kadaster van zorgverstrekkers? Het register van praktijken, zoals gedefinieerd door de wet op de kwaliteitsvolle praktijkvoering, is nu al operationeel. Via een samenwerking tussen de FOD Volksgezondheid en het RIZIV is MyRIZIV omgevormd tot ProGezondheid. Dat is een portaal waarop elke zorgverlener met een visum kan inloggen en zijn profiel kan aanvullen en valideren.

ProGezondheid gaat verder dan het register en verzamelt naast de beroepstitel en de locatie ook de contactgegevens, de noodcontactgegevens en alle informatie vanuit het RIZIV. Die gegevens zullen binnenkort ook beschikbaar zijn voor de burger via de zoekmotor HealthPro. De burger zal dan alle gegevens met betrekking tot een zorgverlener kunnen opzoeken.

Ten achtste, hoeveel van dergelijke praktijken werden ontdekt en onderzocht en hoeveel per provincie? Ik kan u geen precieze cijfers geven, omdat de Federale Toezichtcommissie alleen bevoegd is om gevallen van illegale praktijken te onderzoeken en de feiten vast te stellen, indien nodig in samenwerking met Economische Inspectie en het openbaar ministerie. De strafrechtelijke procedure valt dan onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. De Federale Toezichtcommissie heeft dat soort voorvallen al meermaals gemeld aan het openbaar ministerie en de Economische Inspectie, maar ik kan dus niet zeggen welke juridische stappen er dan zijn ondernomen. Het fenomeen treft vooral de grote agglomeraties van Vlaanderen – Antwerpen, Gent enzovoort – en Brussel.

Wat waren de overtredingen? Het promoten van zorg in het buitenland bij Belgische patiënten is niet strafbaar. Die promotie moet wel voldoen aan alle regels inzake economische praktijken en ze mag niet gepaard gaan met de illegale uitoefening van het beroep in België.

Gaat het vooral om tandheelkundig toerisme richting Turkije? Volgens mijn diensten is Turkije een vaak voorkomende bestemming, maar het gaat ook om landen in Oost-Europa en Noord-Afrika.

Inzake het online adverteren herhaal ik dat het promoten van zorg in het buitenland aan Belgische patiënten niet strafbaar is. Wat wel strafbaar is, zijn oneerlijke economische en illegale praktijken, in het bijzonder de consultatie of het opstellen van zorgplannen door beroepsbeoefenaren die niet gemachtigd zijn om in België een gezondheidszorgberoep uit te oefenen. De moeilijkheid ligt in het vaststellen van de strafbare feiten door middel van bevindingen ter plaatse.

Frieda Gijbels:

Dank u wel, mijnheer de minister. Het is natuurlijk een goede zaak dat er al zoekmotoren bestaan om zorgverstrekkers na te trekken en om te kijken of die wel gemachtigd zijn om hier zorg te verlenen. Het probleem is ook dat de patiënten of de modale burgers zich er niet van bewust zijn dat die zoekmotoren bestaan. Dat zou dus wel eens onder de aandacht moeten worden gebracht.

U zegt dat het niet verboden is om promotie te maken voor zorg in het buitenland, maar vaak ziet men niet eens wie de zorg verleent, zelfs al gebeurt dat op locaties in Vlaanderen. Dat is problematisch, want dan kan een burger niet opzoeken of een persoon wel de juiste kwalificaties heeft. Er is dus nog wel wat werk rond het informeren en sensibiliseren van de bevolking.

Natuurlijk moet ook gehandhaafd worden wat wettelijk bepaald is. Er is al heel veel bepaald, bijvoorbeeld dat men zijn kwalificaties moet vermelden. Als dat echter niet gebeurt en er wordt niet ingegrepen, dan zullen die praktijken, die nu al tientallen jaren bestaan, niet direct uitgedoofd zijn.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, met betrekking tot de Roemeense tandartsen hebt u enigszins herhaald wat ik ook al in mijn vraagstelling had geformuleerd. U eindigde met de kennis van de landstalen. Men moet één landstaal op niveau C1 spreken voordat men een visum krijgt. U zei dat we niet aan Europa kunnen vragen om meerdere talen op te leggen of om de taal te koppelen aan het landsdeel waar men werkt. Gelet op de patiëntenrechten dient een tandarts door te verwijzen wanneer hij niet kan communiceren met de patiënt. Is er echter toezicht op dat die tandartsen dat daadwerkelijk doen? Als dat zo zou zijn, kan men daar zeker een veiligheid inbouwen. Dat moet echter verder onderzocht worden. U weet immers hoe dat in de praktijk verloopt. Voor de tandarts gaat het om inkomsten. De communicatie mag dan wel in gebrekkig Frans verlopen, de tandarts zal niet gauw zelf de patiënt doorverwijzen naar een collega. Het is niet daarom dat hij werk zoekt in België. Mijn andere vraag ging over de inval bij die Turkse tandarts in Antwerpen. U zegt dat het gerechtelijk onderzoek geheim is. Ik vraag evenwel alleen of van de aangehouden personen nog iemand aangehouden is en of het over meerdere personen gaat. Ik vraag niet om de identiteit. Ik geef een ander voorbeeld. Als wij aan de eerste minister of aan de minister van Justitie vragen hoeveel mensen werden aangehouden bij de rellen tijdens nieuwjaarsnacht en hoeveel er nog in de gevangenis zitten, kunnen zij daarop gerust antwoorden. Dat schendt het gerechtelijk onderzoek niet. U zult bekijken of er versterking nodig is voor de Toezichtcommissie. Dat is heel goed. U stelt dat u geen contact met de Turkse autoriteiten hebt. Nochtans toont de daaraan gekoppelde vraag over Roemenië dat dergelijke contacten nuttig kunnen zijn. Ik zou er dus op willen aandringen dat u wel contact opneemt met de Turkse autoriteiten. Heel belangrijk is het traceren van de complicatiekosten. Die kosten vormen een belangrijke belasting voor onze gezondheidszorg. De komende vijf jaar zal ik dan ook enorm op dat dossier hameren. Alles wat in de gezondheidszorg heel goed werkt, is immers top. Aan alles waarvoor evenwel te veel geld wordt opgesoupeerd, moeten we paal en perk stellen om het systeem betaalbaar te houden. Wanneer mensen ervoor kiezen om naar Turkije te gaan om ginds alle tandjes te laten afslijpen zoals een vampier, dan moeten de complicaties daarna niet op onze gezondheidszorg worden verhaald. Dat is risicoaanvaarding. Dat is een goede juridische term die bestaat. Wie naar Turkije trekt, moet ook niet meer op onze gezondheidszorg rekenen voor de nazorgbehandeling. Daarom moet dringend werk worden gemaakt van het wel traceerbaar maken van complicaties, zodat kan worden nagegaan vanwaar die kosten komen. Daarom roep ik op om een en ander zo snel mogelijk in kaart te brengen.

De dubbele test (HPV en cytologisch onderzoek)
De HPV-test en de cytologische screening
Het aanzetten tot overbodige cytologietesten
De terugbetaling van HPV-tests
De cotesting voor het opsporen van HPV
Cotesting in het kader van de HPV-screening
Gecombineerde HPV- en cytologische screening en beleid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sinds 1 januari 2025 vervangt de HPV-test (om de 5 jaar) het traditionele uitstrijkje (om de 3 jaar) voor baarmoederhalskankerscreening, maar sommige labo’s promoten onterecht dubbele testen (HPV + uitstrijkje), wat onnodige kosten (€18) en overconsumptie veroorzaakt en indruist tegen de wetenschappelijke richtlijnen. Minister Vandenbroucke bevestigde dat hij labo’s tot de orde riep, samenwerkt met beroepsverenigingen (VVOG, Domus Medica) en mutualiteiten om correcte informatie te verspreiden, en monitoring via Sciensano en het Kankerregister beloofde, maar sancties en concrete cijfers over misbruik ontbreken nog. Kritiek blijft bestaan over commerciële drijfveren en het ondermijnen van patiëntvertrouwen, terwijl sommigen (o.a. Depoorter) benadrukken dat therapeutische vrijheid in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd kan zijn.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, tot eind 2024 werd in het kader van een bevolkingsonderzoek inzake baarmoederhalskanker elke drie jaar in een cytologietest of uitstrijkje voorzien. Naar aanleiding van de actualisatie van de medische richtlijnen en de beslissing van het Nationaal Intermutualistisch College wordt sinds 1 januari 2025 voor de opsporing van baarmoederhalskanker in eerste instantie gebruikgemaakt van een HPV-test.

Dat is een goede stap. De HPV-test is namelijk een nauwkeurige en vooral ook kostenefficiëntere testmethode. Wij zijn dus zeker voorstander van die test. De test zorgt er ook voor dat vrouwen tussen 30 en 64 jaar niet meer om de drie jaar, maar om de vijf jaar een test moeten laten uitvoeren.

Enkel indien een HPV-test afwijkende resultaten vertoont, is er nog een bijkomend onderzoek via een uitstrijkje nodig. Dat onderzoek wordt dan ook terugbetaald. In andere gevallen zal de patiënt zelf het uitstrijkje moeten betalen. Die kosten bedragen ongeveer 18 euro.

Nu blijkt dat een aantal grote labo’s huisartsen en gynaecologen uitdrukkelijk hebben aangeschreven om hen ertoe aan te sporen alsnog beide testen uit te voeren, dus om zowel de HPV-test als het uitstrijkje aan de patiënten aan te bieden. Dat roept natuurlijk een aantal vragen op, omdat dat niet de richtlijn is die door het Nationaal Intermutualistisch College wordt voorgeschreven en enige vorm van overconsumptie kan teweegbrengen.

Mijn vragen daarover zijn dan ook heel erg kort.

Zijn er ondertussen al klachten binnengekomen van patiënten bij wie een dergelijke onnodige en niet-terugbetaalde test werd afgenomen?

Hebt u zelf al stappen ondernomen om die praktijk tegen te gaan?

Wat kunt en zult u doen om te voorkomen dat onnodige tests worden gedaan en dat labo’s daartoe worden aangezet?

Welke stappen kan het RIZIV nemen ten aanzien van de bedoelde labo’s?

Ik dank u alvast voor de antwoorden.

Katleen Bury:

De inleiding is perfect gegeven door mevrouw Farih. Ik zal ze dus niet herhalen.

De vraag is duidelijk. Waarom is die dubbele testing nodig?

Een deel van mijn vragen werd al gesteld. Ik heb nog de volgende bijkomende vragen. De Belgische Vereniging voor Pathologie heeft nog niet officieel gereageerd op de situatie. Hoe zult u in samenwerking met die beroepsorganisatie de regeling van die praktijken verbeteren? Zult u met hen in dialoog gaan?

Dan heb ik nog een vraag over de rol van Sciensano in de controle en opvolging van de nieuwe baarmoederhalskankerscreening. Hoe ziet u de samenwerking met de verschillende medische instellingen om die verandering correct door te voeren?

Irina De Knop:

Mijnheer de voorzitter, de situatie is goed geschetst. Ik kom meteen tot mijn vragen.

Mijnheer de minister, hebt u zicht op het aantal labo's dat huisartsen en gynaecologen aanspoort om standaard een bijkomende cytologietest uit te voeren bij vrouwen?

Welke stappen hebt u al gezet om die labo's, die eigenlijk aanzetten tot overconsumptie van tests, te sanctioneren?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, er was een perscommunicatie van Solidaris. Een aantal laboratoria – volgens mijn informatie gaat het over Waalse klinische labs; ik krijg daarvan graag bevestiging – zouden inderdaad huisartsen en gynaecologen hebben aangeschreven. Een extra test kost 18 euro voor de patiënt, maar in het schrijven worden andere bedragen genoemd. Solidaris geeft ook aan dat die brief commercieel gedreven is en dat de extra test geen noodzakelijke meerwaarde biedt voor de patiënten. Solidaris hekelt dat daarmee de wetenschappelijke richtlijnen worden ondermijnd.

Mijnheer de minister, hebt u het schrijven aan die klinische labs zelf gezien? Klopt het dat die brief zonder wetenschappelijke onderbouwing of argumentatie is opgesteld?

Solidaris stelt eigenlijk dat co-testing niet evidencebased is. In de Europese richtlijnen staat echter dat HPV-tests licht superieur scoren. Een beslissing werd genomen; ik betwijfel die niet. Sommige Europese landen houden het echter bij co-testing, dat op vrije wil aan een goed geïnformeerde patiënt kan worden aangeboden. Is co-testing volgens u niet evidencebased? Is dat, zoals de socialistische mutualiteit eigenlijk stelt, echt een vorm van wanpraktijk?

Er wordt melding gemaakt van tests die duurder zijn dan 18 euro. Klopt die berichtgeving? Bent u al tests duurder dan 18 euro tegengekomen?

De mutualiteit beweert dat co-testing uit winstbejag wordt aangeboden. Sommige anatoom-pathologen geven aan dat die extra test nauwelijks winstgevend was en dat de nomenclatuur helemaal niet toereikend was om de volledige kostprijs te dekken. Welk bedrag kon een laboratorium voorheen aanrekenen voor een cervixcytologie?

Klopt het dat dit dossier besproken werd in de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen? Wat was de conclusie van die bespreking?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, de inleiding is al uitgebreid gegeven. Ik kom meteen tot mijn vragen.

Hebt u al contact gehad met de betrokken laboratoria of met de Federale Vereniging voor Klinische Laboratoria? Welke maatregelen kunt u nemen om ervoor te zorgen dat patiënten correct geïnformeerd worden over de noodzaak van bijkomende testen en niet geconfronteerd worden met onterechte kosten?

Werd deze kwestie besproken in de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen op 13 januari? Wat werd er precies besproken en welke beslissingen zijn daar genomen? Zijn er al meldingen van vrouwen die het slachtoffer werden van ongeïnformeerde co-testing?

Funda Oru:

Mijnheer de minister, soms schrikken mensen wanneer ze zien wat zij na een behandeling in een ziekenhuis moeten betalen. Wat het nog erger maakt, is dat sommige behandelingen misschien niet nodig waren.

Iedereen hier zal erkennen dat er de voorbije jaren enorme stappen vooruit zijn gezet om onze gezondheidszorg te versterken, eerlijker en toegankelijker te maken. Denk maar aan de inspanningen om onze samenleving gezonder te maken, met de nadruk op preventie. We weten echter ook allemaal dat het werk nog niet af is en dat hervormingen nu eenmaal tijd en overtuigingskracht vragen. In een complexe sector, zoals de gezondheidszorg, is er altijd wel ruimte om te verfijnen en te verbeteren, zeker wanneer het gaat over de bescherming van patiënten tegen onnodige behandelingen en kosten.

De collega's hebben het hierover al uitgebreid gehad. Vandaag blijkt dat er in ons land laboratoria zijn die patiënten tijdens de HPV-screening systematisch oproepen voor een co-testing, hoewel die aanpak indruist tegen de wetenschappelijke richtlijnen en de medische ethiek. De meeste vragen werden al gesteld, maar ik vind het belangrijk om te vernemen of het RIZIV weet over welke laboratoria het gaat. Heeft het RIZIV hen daarop al aangesproken?

Voorzitter:

Vraagt nog iemand het woord?

Meyrem Almaci:

Ik ben speciaal naar hier gekomen, omdat ik dit debat enorm belangrijk vind. Ik wil hier ook hulde brengen aan een van de mensen die een nieuwe testing mogelijk hebben gemaakt. Het gaat om de betreurde Stephanie Van Houtven, een collega van Vooruit, die ik heel goed heb gekend, met wie ik samen deel uitmaakte van het schepencollege van Borgerhout en die in Antwerpen nog steeds wordt gemist.

De gebeurtenissen die hier worden verteld, zijn ongehoord, want het ze waren onnodig. Men kan mensen niet meer angst aanjagen dan door hen te zeggen dat er zo meer zekerheid is over een eventuele kanker.

Artsen – en de medische sector in het algemeen –hebben een bepaalde status ten aanzien van de patiënten. Die gaan ervan uit dat een zorgverstrekker die medische handelingen uitvoert bekwaam is en handelt met het oog op het welzijn van de patiënt. Als iemand dan oppert om voor alle zekerheid die co-testing te doen, dan is dat niet zomaar een voorstel, maar wel iets dat bij de mensen aankomt. Zij beslissen dan om die test voor alle zekerheid te doen, ook al kost die 18 euro. Ik ben in die zin dus gechoqueerd door wat er gebeurd is.

De nieuwe screening voor baarmoederhalskanker is effectief. Er is na lang overleg beslist om daarop over te stappen. Als laboratoria dan nog proberen artsen te overtuigen om beide testen aan te bieden, dan is het wel duidelijk dat het nodig is om in te grijpen. Ik verwijs naar de Vlaamse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (VVOG), die zelf haar leden heeft gewaarschuwd voor die co-testing en de actieve promotie ervan.

Op basis van welke criteria doen sommige landen wel aan co-testing? Dat lijkt me een relevante vraag. Moet het dan toch niet overwogen worden? Zolang de huidige wettelijke regelgeving van kracht is, is wat nu gebeurt echter onaanvaardbaar.

Bent u in contact geweest met de Belgische vereniging voor pathologen? Bent u in gesprek gegaan met die labo’s? Mag men rekenen op een herstel van die onnodige ingrepen? Welke maatregelen bent u van plan te nemen? Is dit besproken in de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen? Wat was daarvan het resultaat?

Voorzitter:

Wenst er iemand zich hierbij aan te sluiten? (Nee)

Frank Vandenbroucke:

We zijn inderdaad op de hoogte gebracht van aberrante HPV-screeningspraktijken bij een klein aantal betrokkenen. Daarbij gaat het niet specifiek over pathologen, maar wel over enkele grote laboratoria voor zowel klinische biologie als pathologie die zich schuldig maken aan het onterecht, buiten het afgesproken screeningsalgoritme, aanbieden van extra testen.

Het probleem is uitgebreid besproken op de afgelopen medicomut en het intermutualistisch overleg. We hebben meteen de koe bij de hoorns gevat en alle betrokken partijen samengebracht om een gemeenschappelijke strategie te bepalen. Ik heb de laboratoria in een brief tot de orde geroepen en hun verzocht hun aanvraagformulieren, communicatie en werkwijze in overeenstemming te brengen met het nationaal goedgekeurde algoritme. De Commissie voor klinische biologie en de Commissie voor pathologische anatomie zullen nog een gezamenlijke communicatie uitsturen naar de beroepsgroepen waarin ze benadrukken dat ze de nieuwe screeningsalgoritmes ondersteunen en vragen dat de beroepsgroep die correct mee uitdraagt.

Ook de gynaecologen – de Vlaamse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (VVOG) en het Collège Royal des Gynécologues Obstétriciens de Langue Française de Belgique (CRGOLFB) – en Domus Medica en de Société Scientifique de Médecine Générale (SSMG) en verbonden organisaties zullen verder inzetten op educatie van de voorschrijvende artsen en de co-test als optie binnen het preventieve baarmoederhalsonderzoek nogmaals correct kaderen: die hoort niet thuis in de screening, tenzij in uitzonderlijke gevallen.

Ook de communicatie naar het grote publiek is van belang. De mutualiteiten moeten hun leden informeren, samen met de screeningsorganisaties en de deelstaten.

Ten slotte is het duidelijk dat wij de uitrol van deze interventie grondig zullen monitoren om aldus de vragen en bezorgdheden zoals die door Solidaris geformuleerd werden adequaat te beantwoorden. Sciensano, het Kankerregister en screeningsorganisaties zullen de komende jaren samen met de beroepsgroepen en de betrokken overheden de nodige data verzamelen om onze interventie te optimaliseren.

Ik wens eraan toe te voegen dat we de HPV-vaccinaties niet uit het oog zullen verliezen en dat er een koppeling van screenings en vaccinatiedata opgezet zal worden. Ik hoop hiermee op uw vragen geantwoord te hebben.

Katleen Bury:

Wat mij betreft, lijkt uw antwoord momenteel voldoende geduid. U hebt de informatie doorgegeven. De vraag is hoe de beroepsgroep daarop zal reageren en of die er daadwerkelijk ook gevolg aan zal geven. Het is aan ons en aan u om dat op te volgen. Voor een eerste antwoord is het duidelijk, maar we moeten afwachten of het voldoende is om daarmee aan de slag te gaan en of daarmee die overdreven testing van de baan zal zijn.

Nawal Farih:

We kunnen perfect teruggaan in de tijd en bekijken wanneer er twee testen simultaan zijn uitgevoerd op een patiënt. Er is nood aan een sanctiebeleid, want het is een vorm van misbruik die niet alleen de patiënten raakt, maar ook onze sociale zekerheid, gelet op de overconsumptie. Dat kan voor mij niet onbestraft blijven. Ik hoop dat we daarom ook de nodige strikte stappen zullen zetten.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, het is zeer goed en zeer lovenswaardig dat u onmiddellijk het initiatief hebt genomen om een brief met de correcte werkwijze te sturen naar al die labo’s. Ik kan me echter niet van de indruk ontdoen dat er toch misbruiken zijn die leiden tot overconsumpties. In die zin is het jammer dat u geen cijfers kunt geven van het aantal keren dat die testen tot op heden effectief samen uitgevoerd zijn.

De situatie is nog vrij nieuw – sinds begin dit jaar – en monitoring zal zeker belangrijk zijn. Zoals collega Nawal terecht opmerkt, moeten we overconsumptie kunnen aanpakken door er eventueel sancties tegenover te zetten. We hebben dan wel eerst en vooral goede informatie nodig. Onze gezondheidszorg heeft nood aan een goede opvolging en meer data.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, patiënten informeren is een van de taken van de ziekenfondsen. U geeft zelf aan dat het over een heel kleine groep gaat. Ik heb het eigenlijk echt gehad met de polariserende taal die ziekenfondsen spreken over de relatie tussen patiënt en arts. Die ondermijnt het vertrouwen in de artsen. Er bestaat nog zoiets als therapeutische vrijheid.

De HPV-tests zijn wetenschappelijk gefundeerd en de beslissing is genomen. In individuele gevallen, u hebt het ook aangegeven, kan de arts echter oordelen dat een cytologische test ook noodzakelijk is. Het gaat dan om 18 euro. Collega's, 10 % van de carcinomen worden niet ontdekt met een HPV-test. Op HPV 74, die spinocellulaire carcinomen kan veroorzaken, wordt niet getest. Nochtans is die vorm in opmars.

Laten we in dergelijke discussie gewoon redelijk blijven. Uiteraard mogen er geen tests verkocht worden die niet noodzakelijk zijn, maar het klopt ook dat er is een lichte wetenschappelijke evidentie is om bij die HPV-tests co-testing te verkiezen. En neen, niet alle gynaecologen, artsen of anatome pathologen doen dat uit geldbejag.

Ik heb u naar de nomenclatuur gevraagd. Ik heb gevraagd hoeveel een labo krijgt voor een cytologische test. U hebt daarop niet geantwoord, mijnheer de minister. Er valt gewoon geen grote winst te maken met die tests.

Laten we eerlijk zijn ten aanzien van de patiënten. Laten we er alstublieft niet in meegaan. De ene keer schrijft een arts te veel antidepressiva voor, de andere keer te veel ziekteverlof en nu gaat het over cytologische tests. Ik vertrouw nog steeds op de therapeutische interpretatie van de arts.

Natalie Eggermont:

Als er iets is dat de vertrouwensrelatie tussen patiënt en zorgverstrekker schaadt, dan is het wel de praktijk die vandaag ter discussie staat, waarbij labo's artsen proberen te overtuigen om onnodige testen te laten uitvoeren. De gynaecologen hebben zelf op de brieven gereageerd met de stelling dat die ongegronde angst opwekken over de huidige screening. Ze beschouwen die aanpak als onethisch en tegen de evidencebased geneeskunde.

Het is dus heel correct dat het Parlement daarop ingrijpt. We moeten steeds heel kritisch kijken naar het argument om de patiënten de vrije keuze te laten, want we weten dat er in de geneeskunde een onevenwicht in kennis is bij het maken van bepaalde keuzes. Als er evidencebased geneeskunde is, moet die worden toegepast. Dergelijke praktijken zijn onethisch en daar moeten we iets aan doen. Ik vind het goed dat we de eerste stap zetten om dat in kaart te brengen en op te volgen, maar ik ben dezelfde mening toegedaan als cd&v: we moeten overgaan tot sancties als er sprake is van misbruik.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. De twee actualiteitsdebatten van vandaag tonen aan dat de gezondheidssector een sector in beweging is, met nieuwe technologieën, inzichten en wetgeving, meestal in het voordeel van de patiënt, maar soms ook niet. We zien immers dat er misbruik is door onbevoegden die medische handelingen uitvoeren, maar ook door bevoegden in de medische sector zelf die misbruik maken van de wetgeving en die niet altijd handelen in de geest van de wetgeving. Het is aan de politici om daarvoor alert te zijn.

Het belang van wetenschappelijk onderzoek

Gesteld aan

Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en Europa kampen met een cultuur van risicomijding en fragmentatie in R&D-financiering, waardoor Europees kapitaal vaak naar de VS vloeit in plaats van lokale innovatie te stimuleren, aldus minister Dermagne. Hij benadrukt federale rol (o.a. 570 mln via BELSPO, 312 mln voor ruimtevaart) en Europese coördinatie (rapporten Letta/Draghi) als sleutels, naast fiscale stimulansen en internationale lobby (bv. "télescope Einstein"). Crucke beaamt dit en pleit voor administratieve vereenvoudiging om concurrentiekracht te versterken, plus waarschuwt voor het dubbel verlies (Europese fondsen + Amerikaanse schuldfinanciering). Beide onderstrepen de nood aan strategische autonomie via betere kapitaalallocatie en vereenvoudigde regelgeving.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, il s'agit plus ici d'une question de philosophie politique. Je suppose que vous avez lu l'interview très intéressante du prix Nobel d'économie, M. Simon Johnson, dans L'Echo du début de ce mois, où il relativisait l'influence et les performances des États-Unis et expliquait que la grande différence, pour lui, se plaçait dans la culture du risque inhérente au climat des affaires dans ce pays et dans l'investissement dans la recherche scientifique. Il constatait aussi que, souvent, les Européens se déplaçaient aux États-Unis pour investir et faire de la recherche scientifique.

Pour autant que vous soyez d'accord avec ces constats, comment pouvons-nous mieux positionner la Belgique et l'Europe en la matière?

Quel bilan peut-on tirer de ce qui a été fait lors de la législature qui vient de se terminer?

Cette matière étant très régionale, le fédéral y tient un rôle plus complémentaire. Mais je constate que l'influence fédérale permet d'ajouter à la puissance des projets. Et c'est souvent une garantie que les entrepreneurs recherchent, pas toujours en termes financiers d'ailleurs. Quelles sont les mesures qui devraient, selon vous, être prioritaires en la matière? ​

Pierre-Yves Dermagne:

Merci, monsieur Crucke, pour cette question intéressante, je dirais même passionnante.

Tout d'abord, je donnerai quelques éléments de comparaison entre la Belgique et les États-Unis. Il existe des similarités importantes, ce qui, prima facie , n'est peut-être pas évident. En effet, la majorité des dépenses de recherche et développement (R&D) effectuées par les entreprises et les niveaux de soutien R&D par le gouvernement sont relativement comparables, bien entendu toutes proportions gardées. Cependant, des différences majeures existent également. Par exemple, la capitalisation boursière des entreprises actives en R&D est beaucoup plus petite en Belgique. La fragmentation du marché européen et le fait qu'une part importante du financement étranger provient de la Commission européenne et des entreprises multinationales ayant une succursale en Belgique peuvent expliquer aussi certaines différences en termes d'investissements.

Vous évoquiez dans votre question la culture du risque. C'est vrai, mais cette culture du risque est soutenue par des capitaux, qui sont présents. Dans le rapport qu'a rédigé, à la demande et à l'initiative de la présidence belge, Enrico Letta, cet élément est clairement pointé. Mario Draghi a aussi pointé la possibilité de financement de toute une série de projets et d'initiatives et donc de prise de risques beaucoup plus facile aux États-Unis que chez nous en Europe.

Avec cette contradiction que ce financement est aussi constitué d'une part importante de fonds européens: des particuliers que nous sommes, de certains investisseurs institutionnels. C'est un enjeu majeur pour la réindustrialisation du continent européen, pour l'émergence de champions européens dans toute une série de domaines. Il s'agit de pouvoir financer ces projets de recherche, de développement et de phases d'industrialisation.

Il faut éviter, pour faire simple et le dire en des mots plus clairs, que de l'argent des Européens ne finance des projets et des entreprises américains, ou en tous cas situés aux États-Unis. Il faut qu'on puisse utiliser cet argent beaucoup plus efficacement et en quantité beaucoup plus importante qu'aujourd'hui chez nous, en Europe.

Je reviens maintenant sur les crédits fédéraux, parce que c'est effectivement important. Vous avez évoqué l'influence fédérale. Je pense qu'il y a aussi et avant tout des crédits fédéraux pour la recherche et l'innovation, qui représentaient 19 % de l'ensemble des crédits gouvernementaux belges en matière de soutien à la recherche scientifique et à l'innovation, même si, comme vous l'avez évoqué, ce sont des compétences qui, a priori , relèvent au premier chef des Régions et des Communautés.

Parmi ces financements, BELSPO assurait à elle seule 69 % de la contribution des crédits fédéraux. Pour l'ensemble de l'année 2025, les crédits d'engagement pour BELSPO s'élèvent à 570,19 millions d'euros. Ce montant reprend l'intégralité des crédits budgétaires du département.

La contribution fédérale au spatial en 2025 est estimée quant à elle à 312,25 millions d'euros, dont 287,59 millions d'euros dans la contribution belge à l'ESA.

Les investissements dans le spatial engendrent des retombées socioéconomiques directes importantes, telles que la création de postes de travail et d'équivalents temps plein, ainsi que le rayonnement de la Belgique à l'international grâce à son expertise dans des secteurs de niche, technologiques et scientifiques.

Parmi les missions essentielles de BELSPO, je peux citer la coordination de la position belge sur des questions européennes et internationales en matière de recherche, de développement et d'innovation, ainsi que la participation aux organisations européennes et internationales, conformément au principe "un pays, une voix". Cela inclut par exemple les discussions actuelles sur le télescope Einstein.

BELSPO représente également la communauté scientifique belge dans les grandes infrastructures de recherche internationale, de la même manière que les autres États européens sont représentés au niveau national, et se charge du paiement des contributions nationales, c'est-à-dire les cotisations d'adhésion en 2024.

Je l'évoquais en prélude à ma réponse, trois rapports ont été publiés à l'échelon européen: le rapport Heitor, le rapport Letta et le rapport Draghi. Les propositions qui y sont faites sont à l'examen tant à l'échelon européen qu'à l'échelon belge.

Étant donné l'importance de votre dernière question, qui mériterait une réponse exhaustive qu’il ne m’est pas possible de donner dans le temps qui nous est imparti, je vous invite à m'adresser, dans les heures ou les minutes qui viennent, une question écrite, si vous souhaitez recevoir davantage d'informations à ce sujet.

Enfin, nous évoquions le soutien ou l'influence fédérale à côté des budgets fédéraux à la recherche et au développement. Je pense qu’il ne faut pas oublier non plus les dispositifs fiscaux en la matière, qui sont essentiels et qui sont appréciés des entreprises et des centres de recherche.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Une fois de plus, je suis assez en accord avec votre réflexion et votre manière de voir les choses. Il convient d'éviter que de l'argent européen aille financer de la recherche aux É tats-Unis car ce faisant, nous sommes doublement perdants. Nous perdons un financement direct de notre recherche et nous finançons la dette américaine qui vend sa dette à l'étranger. Nous sommes donc contraints à des efforts budgétaires – c'est indiscutable –, alors que les Américains peuvent se permettre d'avoir des déficits abyssaux. Effectivement, nous devons trouver une solution. Vous en avez évoqué quelques-unes. Je voudrais en ajouter une, dont je prends de plus en plus conscience: la nécessité d'un choc de simplification sur le plan administratif. Monsieur le ministre, comme il s'agit sans doute de la dernière question que je vous pose en commission – vous avez parlé de minutes, d'heures, et il s'agit peut-être de jours, d'ailleurs –, j'en profite pour vous remercier pour la correction et le professionnalisme de vos réponses et pour vous témoigner le plaisir que j'ai toujours eu à débattre avec vous.

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor universiteiten

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 28 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de ongelijke toepassing van de 80%-dispense op précompte professioneel (art. 275/3 CIR) voor onderzoekers en academici aan Belgische universiteiten, waarbij francophone instellingen benadeeld lijken ten opzichte van Nederlandstalige. Minister Van Peteghem weigert gedetailleerde cijfers te geven wegens fiscale geheimhouding en belooft lopende controles voor gelijke behandeling, maar bevestigt geen concrete oplossing. Piedboeuf erkent het structurele probleem en stelt uitstel voor tot na de regeringvorming. Constitutionele beginselen (gelijkheid, non-discriminatie) blijven onbeantwoord.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, l’article 275/3 du CIR prévoit une dispense de précompte professionnel à concurrence de 80% pour les rémunérations payées à des chercheurs assistants ou à des chercheurs post-doctoraux, sans que lesdites notions ne fassent l’objet d’une définition légale.

Cette dispense partielle a été introduite par la loi-programme du 24 décembre 2002 et est entrée en vigueur le 1er octobre 2003, l’intention annoncée par le législateur de l’époque étant de se conformer à la stratégie dite de Lisbonne, dont l’objectif était de pousser les États membres de l’Union européenne à consacrer, à l’horizon 2010, 3% du PIB à la recherche et au développement.

Une circulaire AGFisc n°17/2015 du 8 mai 2015 a confirmé, dans le tableau récapitulatif, que les chercheurs qui entrent dans le champ d’application de la mesure pour les universités et hautes écoles sont à la fois les chercheurs assistants et les chercheurs post-doctoraux.

Ladite circulaire interprète par ailleurs la disposition légale visée en permettant l’application du régime fiscal même si les chercheurs réalisent d’autres tâches que la recherche.

Plusieurs universités ont été les bénéficiaires, au cours des dernières années, de dégrèvements qui leur ont été octroyés par le SPF Finances en raison de l’activité de recherche déployée par les membres de leurs corps académiques respectifs, alors que d’autres n’ont pas obtenu une décision de dégrèvement à due concurrence. Cette différence de traitement constitue un préjudice grave pour ces dernières.

Il semblerait par ailleurs que les universités néerlandophones bénéficient de la ristourne de précompte à tout le moins pour une partie des membres de leurs corps académiques.

Monsieur le ministre, j’en viens à mes questions:

1° Pouvez-vous communiquer le montant des dégrèvements dont chaque université, néerlandophone ou francophone, a pu bénéficier (ou non) depuis l’exercice 2016, en précisant les décisions de dégrèvement intégrant les membres du personnel académique dans le champ d’application de l’article 275/3 du CIR qui ont été arrêtées pour certaines de ces universités?

2° Confirmez que la ristourne de précompte est octroyée aux universités néerlandophones pour certains membres de leurs corps académique? Le cas échéant, quels sont les montants dont chaque université concernée a pu bénéficier depuis l’exercice 2016?

3° Comment envisagez-vous de mettre de l’ordre en la matière, eu égard au prescrit des articles 10, 11 et 172 de la Constitution?

Vincent Van Peteghem:

Les dispositions de l'article 337 du Code des impôts sur les revenus 1992 relatives au secret professionnel s'opposent à ce que les renseignements demandés soient fournis par les universités.

En outre, eu égard à l'absence de détails prévus dans les déclarations au précompte professionnel, il n'est pas possible de préciser pour quel employé en particulier la dispense est revendiquée.

Des contrôles sont en cours concernant l'application de la dispense de versement du précompte professionnel pour les chercheurs au sein de toutes les universités belges. L'administration centrale coordonne ces contrôles pour assurer une égalité de traitement entre toutes les universités.

Benoît Piedboeuf:

Je comprends le cadre de la réponse du ministre concernant les précisions demandées.

Par ailleurs, nous savons qu'il y a un problème de fond quant à cette dispense de précompte professionnel. Je ne doute pas que nous nous repencherons sur cette question dès que le prochain gouvernement sera formé.

Voorzitter:

Vraag nr. 56001670C van de heer Crucke wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De stand van zaken in het dossier Medista
Het onderzoek van de CDBC in het kader van de strafklacht in de zaak Medista
Het dossier en onderzoek naar de zaak Medista

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De tender STR STK 2022 en bijhorende integriteitsschendingen (partijdigheid, geheimschending, onregelmatige communicatie) leidden tot een geschorst topambtenaar (sinds 27/03/2024) wiens tuchtprocedure is opgeschort in afwachting van strafrechtelijk onderzoek, zonder sanctievoorstel tot nu toe. Drie gerechtelijke klachten lopen: (1) Staat vs. Medista (afpersing/bedrijfsspionage, Halle-Vilvoorde), (2) Medista vs. Staat (corruptieonderzoek door CDBC Brussel, sinds mei 2024), en (3) diverse factuurgeschillen (€4,05M onbetaald + €550K intresten, met mogelijke verdubbeling tot €1M bij 12% rente). Depoorter kritiseert Vandenbrouckes weigering om details te geven over het CDBC-onderzoek (geen bevestiging van verhoren, huiszoekingen of inbeslagnames) en wijst op tegenstrijdige rechterlijke uitspraken (Medista eerst in ongelijk, later in gelijk gesteld). Transparantie ontbreekt over de strafklacht van Medista tegen de Staat.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, eind maart 2024 publiceerde de Federale Interne Audit het rapport van het vooronderzoek naar mogelijke integriteitsschendingen in de plaatsing van STR STK 2022 en de mogelijke daaraan verbonden integriteitsschendingen. In de conclusies van die rapportage vernemen we dat de formele ontvankelijkheid van de klacht en drie vermoedelijke integriteitsschendingen als waar worden beschouwd.

Ten eerste wordt vastgesteld dat de verantwoordelijke topambtenaar aan Movianto een advocatenbureau heeft aanbevolen. Dat gebeurde na het consulteren van de advocaten die de Belgische Staat vertegenwoordigen. Een schijn van partijdigheid kan daardoor niet worden uitgesloten. Ten tweede deed de betrokken topambtenaar mededelingen naar derden na de gunning over de tender en het verloop van de gunning. Ten derde werd vastgesteld dat de bedrijfsgeheimen van Medista mogelijk werden geschaad.

In de door FIA opgestelde aanbevelingen werd u aangeraden gepaste corrigerende maatregelen te nemen ten opzichte van de topambtenaar. Daarnaast zou u het parket en de politie in kennis stellen – u hebt dat net bevestigd – van het vooronderzoek en in het verlengde daarvan klacht neerleggen ten opzichte van de personen die de topambtenaar tot verklaringen hebben overgehaald. Afhankelijk van het verdere verloop zou er eventueel worden overgegaan tot een forensische audit.

Wat is de huidige stand van zaken van het dossier in kwestie?

Graag verneem ik van u of topambtenaar in kwestie – die geschorst was – reeds terug aan het werk is gegaan. Heeft die persoon dezelfde functie opgenomen? Werden er corrigerende maatregelen genomen? Zo ja, welke en voor welke tijdsperiode? Zo nee, waarom achtte u dit niet nodig?

U verklaarde klacht te hebben neergelegd tegen de firma Medista. Wat is de stand van zaken? Werd er een onderzoek gestart? Welke zijn de, eventueel voorlopige, bevindingen daaromtrent? Lopen er nog gerechtelijke procedures in deze zaak? Zo ja, welke?

Hebt u weet van andere lopende procedures die hiermee verband houden – behalve deze die in deze mondelinge vraag werden aangehaald – en waarin uw administratie direct of indirect mee betrokken is? Zo ja, welke?

Werd er ondertussen een forensische audit opgestart? Zo ja, wanneer werd die aangevat en wat was de indicatieve tijdslijn? Zo neen, waarom niet? Wanneer zou die dan starten?

Het dispuut startte bij de tender STR STK 2022, maar ging ook over niet-betaalde facturen voor de verhuis van de strategische stock. Zijn die facturen ondertussen betaald? Hoeveel bedragen de eventueel nog openstaande facturen vandaag, inclusief intresten?

Ook heb ik in Het Laatste Nieuws gelezen dat er in de zaak Medista drie gerechtelijke onderzoeken lopen. In het gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde loopt een klacht over bedrijfsspionage van Medista tegen Movianto, alsook een klacht wegens afpersing, van de Staat tegen Medista.

Het artikel vermeldt eveneens een strafklacht die ingediend is in Brussel en die wordt onderzocht door de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie (CDBC), van Medista tegen de Staat. Die klacht zou in de maand mei ingediend zijn. Graag krijg ik over deze laatste klacht, de strafklacht die onderzocht wordt door de CDBC, een antwoord op de volgende vragen.

Sinds wanneer bent u op de hoogte van die klacht? Hoe en wanneer werd u op de hoogte gebracht? Is er sprake van een volwaardig onderzoek? Bent u verhoord in deze zaak? Werd de voorzitter van de FOD verhoord inzake deze strafklacht? Werden andere personen, gelinkt aan uw kabinet, de FOD Volksgezondheid of het FAGG, ondervraagd in het kader van deze strafklacht?

Werden er onderzoeksdaden gesteld, zoals huiszoekingen, opvraging van dossiers, of inzage in digitaal verkeer en computers? Welke onderzoeksdaden werden gesteld en wanneer vonden die plaats? Werden er zaken in beslag genomen? Werd er sms- of telefonisch verkeer onderzocht? Werden daar vragen over gesteld tijdens het verhoor? Werd uw kabinet of de FOD betreden via inval of via wederzijdse afspraak in het kader van dit onderzoek?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Depoorter, ik zal eerst antwoorden op de zeven vragen onder de noemer ‘stand van zaken Medista’. Vervolgens zal ik antwoorden op de vragen onder de noemer ‘strafklacht CDBC-zaak Medista’.

Ten eerste, in maart 2024 werd gevraagd een tuchtprocedure te starten tegen de betrokken ambtenaar. De procedure is officieel van start gegaan in mei 2024. De betrokken ambtenaar heeft op dat moment een uitnodiging ontvangen om te worden gehoord. Het rapport van de FIA is het uitgangspunt geweest in de procedure. In het kader van de tuchtprocedure zijn ook nog verschillende getuigen gehoord.

Op 17 oktober 2024 is het volledige dossier met alle stukken en een uitgebreide nota bezorgd aan de leden van het directiecomité. De betrokken ambtenaar is vervolgens op 5 november 2024 uitgenodigd voor een hoorzitting bij het directiecomité.

Naar aanleiding van het tuchtonderzoek is sindsdien vastgesteld dat de betrokken ambtenaar de bevindingen van het FIA-rapport betwist. Het directiecomité was van mening dat niet met een absolute zekerheid uitspraak gedaan kon worden over het bewezen karakter van de tuchtvergrijpen in hoofde van de betrokken ambtenaar. Het stelde voor de tuchtprocedure stop te zetten.

In het kader van een tuchtprocedure bestaan niet dezelfde onderzoeksmogelijkheden als in een strafonderzoek. Ik heb beslist de tuchtprocedure op te schorten, in afwachting van het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek. De voorzichtigheid gebiedt immers geen uitspraken te doen in het tuchtdossier die later zouden worden tegengesproken in de strafprocedure. De opschorting van de tuchtprocedure brengt met zich mee dat er op dit moment nog geen voorstel van tuchtsanctie wordt gedaan. De procedure kan worden hernomen wanneer het openbaar ministerie zijn werkzaamheden beëindigd zal hebben. De betrokken ambtenaar blijft voorlopig geschorst in het belang van de dienst.

Ten tweede, de ambtenaar werd met ingang van 27 maart 2024 in het belang van de dienst geschorst en is dat tot op vandaag nog steeds.

Ik kom tot uw derde vraag. Ikzelf en de FOD hebben zelf klacht met burgerlijke partijstelling neergelegd, in handen van de onderzoeksrechter. Respect voor de werking van de rechtsstaat noopt ertoe hierover geen verder commentaar te geven, zodat het gerecht in alle sereniteit zijn werk kan doen.

Uw vierde vraag, zoals ze geformuleerd is, kan ik als minister alleen beantwoorden vertrekkende vanuit eigen kennis binnen mijn kabinet en de FOD. Ik zal mij bij het beantwoorden van de vraag niet verlaten op hetgeen daarover door de media, al dan niet als gerucht, werd bericht. Bovendien noopt het principe van het geheim van een gerechtelijk onderzoek mij ertoe in dit antwoord beperkt te blijven tot het louter aanwijzen van de initiatieven die mij bekend zijn.

Na ontvangst van het rapport van de Federale Audit gaf ik opdracht tot twee initiatieven. Op grond van de bevindingen van de Federale Audit werd een klacht met burgerlijke partijstelling neergelegd, in handen van een onderzoeksrechter, door mijzelf en de FOD. Anderzijds werd het volledige auditrapport overgemaakt onder de ambtelijke meldingsplicht van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering aan het parket van de procureur des Konings, eveneens door mijzelf en de FOD.

Ik mocht hierover ten aanzien van het Parlement in het verleden al de nodige transparantie verzekeren. Ikzelf heb geen eigen kennis, mijn administratie evenmin, van enige andere gerechtelijke – lees strafrechtelijke – procedures die zouden lopen.

Daarnaast lijst ik op in welke procedures de FOD verwikkeld is geweest en welke nog steeds lopende zijn.

Ten eerste is er een eenzijdig verzoekschrift tot aanstelling van een sekwester. Het gaat om de zaak AR/2022/QR/19 voor het hof van beroep te Brussel, 17de kamer, waarin Medista eenzijdig de aanstelling van een sekwester van bepaalde documenten in het kader van overheidsopdracht 2022/STR/STK vroeg. Het sekwester werd aangeduid op 7 juni 2022.

Ten tweede, een procedure door de Raad van State, de zaak 1236/12-9236. In deze schorsingsprocedure bij uiterste en dringende noodzakelijkheid werd door de Raad een arrest uitgesproken op 8 augustus 2022, waarin de rechter de FOD over de hele lijn gelijk gaf.

Ten derde, een procedure inzake een verbod op het eenzijdig opschorten van verbintenissen, de zaak 22/1175/B, waarin de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 16 september 2022 een beschikking uitsprak die Medista verbood om eenzijdig haar verbintenis op te schorten in het kader van de uitvoering van de op dat moment lopende overheidsopdrachten.

Ten vierde, een procedure in kortgeding inzake het verbod op het eenzijdig opschorten van verbintenissen, de zaak 2022/59/C, volgend op de bovenstaande beschikking, met beschikking van 9 november 2022, waarbij de voorlopige maatregel werd opgeheven.

Ten vijfde, procedures inzake facturatie. Hierbij gaat het om geschillen met Medista over door de FOD betwiste facturen. Die geschillen zijn alle aanhangig voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het gaat over de zaak 2023/1351/A inzake facturen augustus-december 2022, de zaak 2022/2579/A inzake facturen februari-april 2022, de zaak 2022/1650/A inzake facturen januari 2022 en de zaak 2023/1660/A inzake facturen midden februari 2023. Die procedures zijn lopende.

De zesde is een procedure in kortgeding, de zaak 2024/64/C, voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waarin een inventarisatiemaatregel voor bepaalde goederen werd opgelegd.

Ten slotte is er een procedure inzake schadevergoeding, de zaak AR/24/1976/A voor de rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, waarin Medista een schadevergoeding vordert van de FOD, provisioneel begroot op één euro.

Wat uw vijfde vraag betreft, verwijs ik naar mijn antwoorden op uw vierde vraag.

Wat uw zesde vraag betreft, er loopt geen forensische audit. De FIA heeft een vooronderzoek uitgevoerd in het voorjaar van 2024 en heeft hiervan het eindrapport afgeleverd op 21 maart 2024. Zoals al gemeld, werd het volledige auditrapport overgemaakt aan het parket van de procureur des Konings, onder de ambtelijke meldingsplicht van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering.

Wat uw zevende vraag betreft, de verschillende lopende procedures gaan over een totaalbedrag van 8.110.356,01 euro, inclusief btw. Daarvan werd wel reeds een deel provisioneel of definitief betaald. Het totaalbedrag van de onbetaalde facturen bedraagt 4.051.280,70 euro, inclusief btw. De lopende en mogelijk nog verschuldigde intresten, alsook de potentieel te betalen rechtsplegingsvergoedingen werden niet meegenomen in dit totaalbedrag. De eventuele intresten zijn in de grootteorde van 550.000 euro, rekening houdend met een gerechtelijke intrestvoet van 5,75 % en met het feit dat de facturen dateren van twee tot drie jaar geleden.

Tot zover mijn antwoorden op deze zeven vragen. Wat betreft uw vraag over het onderzoek van de CDBC in het kader van de strafklacht in de zaak Medista, de FOD en ikzelf hebben klacht met burgerlijke partijstelling neergelegd, in handen van de onderzoeksrechter, waarbij het respect voor de werking van de rechtsstaat mij ertoe noopt daarover geen verder commentaar te geven, zodat het gerecht in alle sereniteit zijn werk kan doen.

Kathleen Depoorter:

Vier miljoen aan facturen die nog altijd niet betaald zijn. U spreekt over 550.000 euro intresten aan 5,75 %. Ik meen dat dat percentage nog ter discussie voorligt. Normaliter wordt 12 % gehanteerd. Dat is het dubbele, meer dan een miljoen intresten. Dat heb ik u altijd gezegd. Wat de opsomming van de verschillende lopende procedures betreft, het is bijzonder, u vernoemt ze inderdaad. Medista is op 16 september 2022 in het ongelijk gesteld en op 9 november 2022 dan weer in het gelijk gesteld. U verwoordt het een beetje anders, maar de voorlopige maatregel wordt opgeschort. De procedure in kortgeding rond de inventarisatiemaatregel betreft volgens mij het al dan niet vernietigen van bewijsmateriaal, zoals de rechter het in het vonnis vernoemt. Over de procedure van de schadevergoeding in Dendermonde heb ik nog niet veel uitleg gekregen, mijnheer de minister. Blijkbaar loopt die procedure dus ook nog. Het is echter bijzonder dat u mijn vraag betreffende het onderzoek van de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie van Medista tegen de Staat helemaal niet beantwoordt. U spreekt over de klacht die u tegen Medista hebt neergelegd. Daarover hebben we het al vaak gehad. Er zou ook een klacht zijn neergelegd door Medista tegen de Staat. Ik heb u gevraagd of u bent verhoord. Zijn er onderzoeksdaden gesteld? Is men met u, met de FOD of met de voorzitter van de FOD in gesprek gegaan? In het kader van de transparantie is het vreemd dat u hierop geen antwoorden geeft. In een dergelijke zaak lijkt het me vanzelfsprekend dat u hier een stand van zaken komt geven. Ik betreur dat we hier niet dieper op in kunnen gaan.

De verlenging van de 600 urengrens voor studentenarbeid

Gesteld door

MR Florence Reuter

Gesteld aan

Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)

op 19 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De tijdelijke verhoging van het studentenwerkquota van 475 naar 600 uur (in 2024) loopt af op 31 december, terwijl de eindbeoordeling—gebaseerd op data uit 2023-2024—nog niet is afgerond, ondanks de dringende vraag om zekerheid voor 600.000 studenten tijdens de blokperiode. Minister Dermagne bagatelliseert de impact door te wijzen op het lage gemiddelde gebruik (216u in 2023) en adviseert studenten zich op hun examens te concentreren, maar biedt geen concrete oplossing—terugval naar 475 uur is zeker zonder nieuwe regeling. Reuter kritiseert dit gebrek aan urgentie, benadrukt dat studenten planningszekerheid en financiële stabiliteit nodig hebben (voor sommigen een *noodzaak*), en kondigt een parlementair voorstel (met N-VA) aan om de 600-uursnorm definitief te verankeren, los van de lopende regeringsonderhandelingen.

Florence Reuter:

Monsieur le ministre, la période des fêtes est aussi une période stressante pour les étudiants puisque le blocus commence dans les hautes écoles et les universités. Aujourd'hui, les étudiants qui ont un job sont dans l'incertitude. En effet, si le quota d'heures de travail pour un étudiant était de 475 heures par an jusqu'en 2023, en 2024 il a été augmenté à 600 heures, ce qui leur permettait d'avoir une plus grande marge de manœuvre, plus d'autonomie, tout en arrondissant leurs fins de mois. Le travail étudiant leur offre aussi une première approche, un premier contact dans le monde professionnel, tout en permettant parfois aux entreprises de secteurs en pénurie de se sauver.

Cette mesure prend fin au 31 décembre, car elle n'a pas été pérennisée. Elle avait été inscrite dans un arrêté, et une évaluation devait être faite pour décider de sa prolongation. Monsieur le ministre, vous allez me répondre que des négociations sont en cours pour la formation du prochain gouvernement et que celui-ci n'a qu'à décider de cette prolongation. Mais, si cette évaluation avait été faite, une décision aurait pu être prise avant.

A-t-on procédé à cette évaluation? Le cas échéant, quel en est le résultat? Faut-il pérenniser cette mesure et ce quota de 600 heures?

Que répondez-vous aux étudiants, sans renvoyer le dossier aux négociateurs? Les étudiants ont besoin d'être rassurés avant leurs examens.

Pierre-Yves Dermagne:

Merci, madame la députée, pour votre question qui rejoint celles qui m'ont été adressées le 24 octobre dernier par MM. Ronse et Van Quickenborne. À l'époque, j'avais effectivement indiqué que la mesure était le fruit d'un accord dans le cadre d'un compromis plus large au sein du gouvernement Vivaldi de passer de 475 heures à 600 heures de travail sous le statut de travailleur étudiant, c'est-à-dire très peu fiscalisé. Au-delà de ces 600 heures – 475 aujourd'hui – un étudiant peut toujours continuer à travailler mais il sera soumis à une imposition classique, celle d'un travailleur ou d'une travailleuse dans les liens d'un contrat de travail normal.

Vous m'avez demandé ce que je pouvais dire aux étudiants qui sont aujourd'hui en blocus. D'abord, je leur souhaite un excellent blocus et la réussite la plus totale aux examens de janvier. Ensuite, je leur dis que s'ils savent un peu compter, nous reviendrons à un quota de 475 heures par année et qu' a priori , ces 475 heures de travail étudiant ne seront pas épuisées à la fin du mois de janvier, février ou encore mars.

Je les inviterais donc d'abord à se concentrer sur leur session d'examen, leur blocus et leurs études et leur dirais qu' a priori les 475 heures qui seront à nouveau en vigueur à partir du 1 er janvier devraient suffire à faire en sorte qu'ils puissent continuer à travailler sous les liens d'un contrat de travail étudiant. Je voudrais vous dire enfin que l'évaluation est en cours de finalisation. J'ai chargé mon administration – de même que le ministre Vandenbroucke la sienne – de procéder à celle-ci. Elle portait sur deux périodes, 2023 et 2024, il est donc logique que nous attendions la fin 2024 pour clôturer l'évaluation. Pour terminer, sur l'année 2023, la moyenne d'heures de travail étudiant prestées par étudiant était de 216 heures. Donc, pour beaucoup d'étudiants, cela laisse encore un peu de marge.

Florence Reuter:

Monsieur le ministre, vous parlez d'une moyenne de 216 heures mais en attendant, plus de 600 000 étudiants sont aujourd'hui dans l’attente de réponses. J’entends bien: "Oui, mais ils ont encore janvier, février. Les 475 heures ne seront pas épuisées." Mais quand on est étudiant, on a aussi envie de pouvoir s’organiser, de savoir vers où on va. Avant de signer un contrat, on a aussi envie de savoir si ce sera possible. Et on a surtout envie, en cette période, de se concentrer sur ses études, ses examens, son blocus et de ne pas s’inquiéter. Même si, pour certains, c’est un plus de travailler comme étudiant et de ne pas être taxé au-delà; pour d’autres, c’est un besoin. Je pense qu’il faut pouvoir quand même leur répondre dans les temps. J'espère que nous aurons cette évaluation assez vite, malgré tout, pour pouvoir aller plus loin. En attendant, nous travaillerons avec le Parlement. J’ai cosigné une proposition de loi pour prolonger effectivement et pérenniser ces 600 heures avec mes collègues de la N-VA. Je pense que nous verrons enfin un résultat. Je vous remercie.

De juridische stabiliteit van de ENGIE-deal
De procedure van de VLIR voor het Grondwettelijk Hof tegen enkele artikelen van de Phoenixwet
De ENGIE-deal en de effecten op de afvalverwerking van universiteiten
De bezorgdheid van de universiteiten
De juridische en praktische gevolgen van de ENGIE-deal en de Phoenixwet voor universiteiten

Gesteld aan

Tinne Van der Straeten

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De universiteiten (VLIR en Franstalige koepel) daagden de Hederawet (Phoenixwet) aan bij het Grondwettelijk Hof, omdat ze vrezen voor oneerlijke lastenverdeling en financiële onzekerheid door de *cap* op ENGIE’s kernafvalkosten, waardoor hun kleinere afvalstromen (medisch/wetenschappelijk) mogelijk extra belast worden. Minister Van der Straeten was verrast door de procedure, benadrukte dat Hedera’s 15 miljard voor ENGIE’s afval losstaat van andere producenten, en wees op gebrek aan voorafgaand overleg met universiteiten, die nu via NIRAS-tarieven betalen maar geen zicht hebben op langetermijnrisico’s. De kern van het conflict draait om retroactieve tariefaanpassingen en het ontbreken van een geïntegreerd systeem voor alle afvalproducenten, terwijl NIRAS en universiteiten al langer botsen over kostenverdeling—een politieke oplossing (via dialoog) wordt geprefereerd boven een juridische uitspraak, maar de universiteiten willen eerst gelijkheid in risicodraging. Risico’s voor de ENGIE-deal en LTO-projecten blijven beperkt, maar onduidelijkheid over de *cap* en toekomstige afvalfinanciering kan vertraging of heronderhandelingen afdwingen.

Bert Wollants:

Mevrouw de minister, ik had mijn vraag al ingediend voordat de persartikels zijn verschenen. Dat merkt u ook aan de inhoud.

De verschillende wetten gekoppeld aan de ENGIE-deal zijn ondertussen al enige tijd door het Parlement goedgekeurd. We weten ondertussen dat bepaalde delen daarvan worden aangevochten. U kunt ongetwijfeld meer details geven over de procedures die zijn gestart tegen een of meerdere wetten die met de ENGIE-deal verband houden.

Wat is de aanleiding voor die procedures? Welke tegenpartijen dienen zich aan?

Zijn er nog andere partijen dan de universiteiten waarover de kranten intussen berichtten?

Welke evaluatie maakt u hiervan? Zijn hiervan gevolgen te verwachten bij de praktische uitrol van de LTO-projecten en de hele ENGIE-deal?

Kurt Ravyts:

Mevrouw de minister, er werd blijkbaar een procedure bij het Grondwettelijk Hof ingesteld door de Vlaamse koepel VLIR tegen enkele artikels van de Phoenixwet, of eigenlijk de Hederawet, van april 2024.

In het kader van de deal met ENGIE is overeengekomen om de financiële verplichtingen in verband met het hoogradioactief afval en de gebruikte splijtstoffen voor een totaalbedrag van 15 miljard euro over te nemen. Dat weten we allemaal. Universiteiten en hun academische ziekenhuizen produceren nu eenmaal radioactief afval bij wetenschappelijke experimenten en medische activiteiten zoals diagnoses of kankerbestrijding. Het gaat wel om veel kleinere hoeveelheden en minder langlevend afval dan het kernafval van de elektriciteitsproductie. Zij vinden dat deze deal een dreiging van financiële onzekerheid voor hen inhoudt en een oneerlijke verdeling van de lasten met zich meebrengt. Dat is de kern van de zaak.

NIRAS heeft daarover vorige week haar visie gegeven in de subcommissie Nucleaire Veiligheid. Ik heb daar gevraagd hoe dat technisch in elkaar zit. Dat is zeer complex. De stelling van de universiteiten is dat er voor ENGIE een cap wordt vastgelegd, waarbij eventuele tekorten dan ten laste van de overige producenten vallen, waaronder de universitaire instellingen. Zij vragen de vernietiging van enkele artikelen van de Hederawet en een herziening van de regelgeving, met op de achtergrond het dispuut met NIRAS.

Ik hoor graag uw visie op die zaak. U zei in de pers dat u nog niet wenste te reageren op de juridische demarches omdat u het verzoekschrift nog aan het doornemen was. Misschien hebt u nu al wat tegenargumentatie klaar. Tot slot, heeft dit mogelijk een impact op de LTO?

Koen Van den Heuvel:

Mevrouw de minister, ik sluit mij aan bij de vorige vraagstellers en zal niet herhalen wat beide collega's al hebben gezegd. Ook bij ons leeft er onzekerheid en ongerustheid omdat de twee koepels van universiteiten naar het Grondwettelijk Hof zijn gestapt met betrekking tot de Phoenixwet. Zij zeggen dat er van alles fout loopt en vragen waarom sommige producten een cap krijgen en zij niet. Ik krijg dus graag wat verduidelijking.

Aanvullend, we weten dat er tussen de universiteiten en NIRAS al een tijdje wat wrevel bestaat. Kunt u daarover wat meer zeggen? Is er een oplossing in zicht voor de retroactieve retributies?

Oskar Seuntjens:

De vorige sprekers hebben het probleem duidelijk geschetst, dus ik zal dat niet herhalen. Als de universiteiten juridische stappen overwegen, dan zullen zij dat niet zomaar doen. Ik heb dan ook enkele concrete vragen die aansluiten bij die van de vorige sprekers.

Hoe beoordeelt u die bezorgdheden? Welke mogelijke oplossingen zijn er? Wat is de rol van NIRAS? Kunt u daarover wat meer duidelijkheid verschaffen?

Tinne Van der Straeten:

Geachte leden, er zitten verschillende elementen in mijn antwoord over de procedures op zich en een aantal beschouwingen over het statuut van de universiteiten en de verschillende entiteiten die al dan niet beschikken over nucleair afval. Vandaag hebben mijn administratie en ik eigenlijk niet veel informatie over de procedures. De verzoekschriften zijn nog niet aan de federale regering betekend en ik baseer mij dus aan de ene kant op het overzicht op de website van het Grondwettelijk Hof waaruit blijkt dat er inderdaad twee procedures zijn en aan de andere kant op de krantenartikels die hierover verschenen zijn.

Ik lees samen met u op de website van het Grondwettelijk Hof en in de krantenartikels dat de twee koepels, de Nederlandstalige en de Franstalige koepel, een beroep hebben ingediend tegen een aantal artikels van de Phoenixwet. Aangezien dat mijn informatie is, wil dat dus ook zeggen dat ik geen verdere toelichting kan geven bij de juridische argumenten die zij inroepen. Natuurlijk is het een procedure voor het Grondwettelijk Hof en de juridische argumenten gaan dus uiteraard altijd terug op het gelijkheidsbeginsel, maar tot nader orde heb ik geen verdere details over de juridische procedure an sich en de argumenten die ze aanhalen.

Sta mij echter toe om te zeggen dat ik wel zeer verrast was door die procedures. Ik had dat niet zien komen en er was op voorhand ook geen enkele indicatie dat een dergelijke procedure zou worden gestart. Het is dus niet zo dat er voorafgaand overleg was of dat er door de universiteiten contact was gezocht met mijn administratie, mijn team of anderen om te worden betrokken bij de onderhandelingen over een akkoord met ENGIE over de levensduurverlenging, waarvan afval een belangrijk onderdeel uitmaakt. De universiteiten zijn weliswaar geen elektriciteitsproducent, maar ze produceren wel afval, weliswaar ander afval. Zij hebben echter niet gevraagd om te weten waarover de deal gaat en of ze daar al dan niet bij betrokken konden worden. Niets van dit alles is op voorhand gebeurd en ik was dus erg verrast. Het is niet dat we de universiteiten niet kennen, want we hebben er redelijk veel contact mee, maar er is dus geen voorafgaand overleg geweest.

U kunt dan misschien vragen of wij niet met andere afvalproducenten hebben gesproken. Ik zal het overleg met ENGIE even kaderen. De onderhandelingen met ENGIE waren intensief en zijn gedurende lange tijd gevoerd. Ze gingen over de verlenging van de exploitatie van de kerncentrales Tihange 3 en Doel 4, waarbij de Belgische Staat enerzijds bevoorradingszekerheid wilde garanderen vanaf de winter van 2025 en ENGIE anderzijds zekerheid wilde hebben over haar afval. ENGIE is een elektriciteitsproducent die een eigen specifiek regime heeft, waarbij het werkt met een kernprovisievennootschap waarin de provisies worden aangelegd die onder toezicht staan van de Commissie voor nucleaire voorzieningen. Zij hebben een totaal ander systeem. De universiteiten werken met overeenkomsten met MYRRHA. Ik zal daar zo meteen iets meer over zeggen. In het kader van ENGIE waren we in dat bestek aan het werken.

De universiteiten waren daar dus niet bij en het was op dat moment ook niet nodig om ze te betrekken bij die onderhandelingen aangezien het over de bevoorradingszekerheid ging. Het was de bedoeling dat Hedera enerzijds de 15 miljard euro te betalen door ENGIE zou beheren en anderzijds de kosten onder controle zou houden. Bij de oprichting van Hedera hebben we altijd op de radar gehad dat Hedera in de toekomst idealiter over het beheer van alle afval zal gaan, met de inkanteling van de nucleaire passiva, wat wel in de Hederawet is voorzien. In de Hederawet is nog niet voorzien dat de andere afvalstromen er op termijn ook in ondergebracht kunnen worden. Daarvoor was de tijd te kort en u weet wat we nog in orde moeten brengen voor Hedera. We kunnen niet alles tegelijk doen.

Als daar andere afvalproducenten bij betrokken worden, is het aangewezen te onderzoeken of zij een dergelijke regeling verkiezen. De universiteiten hebben momenteel tariefakkoorden met NIRAS en ik begrijp dat er een haar in de boter is gekomen door die tariefakkoorden. Volgens mij heeft dat onderliggend probleem geleid tot het beroep. Let wel, dat is mijn interpretatie. Natuurlijk zullen de universiteiten erover moeten nadenken of zij zulke regeling verkiezen en bijgevolg ook een risicopremie willen betalen en dat prudentieel toezicht van het Parlement willen. Het is een totaal verschillend systeem. Hedera is op dat vlak een gamechanger.

Het zou volgens mij beter zijn dat de betrokken partijen, NIRAS en de overheid onderzoeken hoe de regeling voor de universiteiten gewijzigd kan worden in plaats van het uit te vechten voor het Grondwettelijk Hof, hoewel het de partijen vrij staat dat te doen. Zij focussen nu erg op de tarieven die op hen van toepassing zijn, maar bij provisies horen ook nog andere zaken, bijvoorbeeld de beschikbaarheid van de middelen. In de inventaris nucleair afval van NIRAS staat dat men gehouden is tot boekhoudkundige voorzieningen in de rekeningen. ENGIE Electrabel moet verplicht voldoende provisies aanleggen en die moeten ook beschikbaar zijn om risico’s af te dekken. Ook het debat daarover zal dan moeten worden gevoerd.

Ik wacht momenteel de betekening van de verzoekschriften af. Op basis van de inhoud ervan zullen we een aantal zaken nader bekijken. Het is dan de vraag of de regering in lopende zaken zelf nog het initiatief zal nemen om met NIRAS en de universiteiten samen aan tafel te zitten om naar oplossingen te zoeken. Het zal ook afhangen van de keuze van de universiteiten om de kwestie al dan niet voor het Grondwettelijk Hof af te handelen.

Ten slotte heb ik een aantal krantenartikelen gelezen, waarin stond dat de universiteiten er vooral voor bevreesd zijn dat de kosten voor het beheer van het afval dat zij produceren, zouden verhogen, indien de fondsen in het kader van Hedera ontoereikend zijn. Dat is feitelijk onjuist. Dat klopt niet. Het gaat niet om communicerende vaten. Zelfs mocht alles worden ondergebracht in het kader van Hedera, moet er geringfencet worden.

Ik ben ook niet helemaal zeker of de universiteiten voldoende op de radar hebben wat de consequenties zijn of wat de inhoud is van de regeling voor het afval, die werd afgesproken met ENGIE.

Bert Wollants:

Mevrouw de minister, ik dank u voor de verduidelijking.

Er moet in ieder geval worden bekeken op welke manier in dialoog kan worden gegaan met de universiteiten om vast te leggen waar we willen landen. Het zal altijd een inschatting blijven welke kans een dergelijke zaak maakt en het effect daarvan op de hele deal. Mocht op een bepaald moment uit die dialoog blijken dat de cap een probleem is – ik stel het heel voorwaardelijk –, dan is er een probleem met de hele deal en moet een en ander worden herbekeken.

Ik heb ondertussen uit de vergadering van de subcommissie Nucleaire Veiligheid ook begrepen van NIRAS dat een deel van het probleem ligt in het feit dat in het verleden is gewerkt met te lage tarieven, waardoor moest worden bijgepast. Dat bijpassen gebeurde in het verleden vooral door de grootste producenten, in casu de nucleaire exploitanten, die in het kader van de cap nu natuurlijk ook niet meer bereid zijn die stap te zetten. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat men met Hedera die stap wel zou zetten en de tekorten zou opvangen die zich bij andere producenten voordoen. Dat moet mee worden bekeken in het geheel der zaken. Dat mogen we alleszins niet op zijn beloop laten, want het is riskant om af te wachten welk standpunt het Grondwettelijk Hof uiteindelijk in het dossier inneemt.

Misschien moeten er stappen worden ondernomen. Of dat kan door de regering in lopende zaken dan wel door de nieuwe regering, is een moeilijke vraag. Op een bepaald moment moeten we vermijden dat bepaalde effecten zouden opduiken. De gevolgen daarvan kunnen immers weleens heel erg verstrekkend zijn.

Kurt Ravyts:

Ik deel de interpretatie van de heer Wollants. Ik was eveneens aanwezig in de vergadering van de subcommissie en ook ik interpreteer het dat de Hederawet een gevolg heeft voor de huidige manier van werken van NIRAS met afvalproducenten. Dat is de link. Zolang we geen zicht op het resultaat van het verzoekschrift hebben, kunnen we nog niet veel zeggen.

U hebt wel een punt met uw argument dat men moet weten wat men wil en in welk systeem men wil instappen.

Kortom, ik deel de bezorgdheid van mijn collega over de mogelijke impact op de totaliteit van de Hederawet.

Koen Van den Heuvel:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Het is voor iedereen duidelijk dat we hier de nodige omzichtigheid aan de dag moeten leggen. Het principe van de cap is heel delicaat. We moeten de kwestie scherp in het oog houden. Nu er een zaak bij het Grondwettelijk Hof aanhangig werd gemaakt, moeten we toch de consequenties daarvan bekijken.

Mevrouw de minister, u hebt niet met de andere producenten rond de tafel gezeten. U hebt ook gezegd waarom. Dat is duidelijk.

Het zou ook goed zijn dat in het dispuut tussen de universiteiten en NIRAS faciliterend wordt opgetreden om daar tot een goede oplossing te kunnen komen.

Oskar Seuntjens:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van mijn collega's. Het is belangrijk dat we het dossier goed opvolgen.

Subitogate en de nieuwe onthullingen in de zaak-Reynders
Het onderzoek naar witwaspraktijken met loterijbiljetten
Fraudezaken in de Belgische politiek

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 12 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om vermoedens van witwassen door Didier Reynders, die 800.000 euro cash storte en 200.000 euro aan loterijtickets kocht om verdachte transacties te maskeren, volgens kritische parlementsleden als Hedebouw en Van Hecke. Van Peteghem (minister) benadrukt dat de Nationale Loterij haar controles volgt en meldingen deed, maar ontwijkt of banken de cashstortingen signaleerden—wat Hedebouw blijft aankaarten als cruciale leemte. Van Hecke pleit voor strengere regels, waaronder uitbreiding van de antiwitwaswet naar de Loterij en scherpere controles, terwijl hij wijst op gokverslavingsrisico’s en chantabiliteit bij hooggeplaatsten. Justitie moet het onderzoek afronden, maar de oppositie eist transparantie over bankmeldingen en systeemfalen bij financiële waakhonden.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le ministre, je vous interroge aujourd'hui sur des possibles agissements de blanchiment.

On sait qu'en Belgique, pour les ministres, c'est déjà le Win for Life: 11 000 euros nets par mois in the pocket . On sait que, pour les commissaires européens, c'est le super Win for Life: carrément 28 000 euros par mois! Mais, là, visiblement, selon la presse, M. Reynders aurait potentiellement voulu encaisser le super super Win for Life. M. Reynders aurait, ces dernières années, d'abord été déposer 800 000 euros sur des comptes en banque, en cash! Salut les gars!

Puis, un jour, la banque lui a dit: "C'est un peu suspect!" Qu'a-t-il alors fait? Il a acheté pour 200 000 euros de tickets de la Loterie Nationale, 50 semaines sur 52, dans une pompe à essence. Imaginez Didier Reynders: "Salut, je vais prendre un paquet de Marlboro et tu me mets encore 500 euros de tickets en plus". Et, la semaine d'après: "Mets-moi un Snickers et 500 euros de tickets en plus". Imaginez-vous, un commissaire européen! Mais quelle honte! Là est la question!

Au MR, chez les élites libérales, c'est toujours la même chose. On fait les malins contre les profiteurs, les malades de longue durée, les chômeurs, etc. Mais, quand il s'agit de vous-mêmes, il n'y a plus personne au balcon! Voici deux minutes, M. Georges-Louis Bouchez était là! Il était là! Mais il s'est "viré" pour le débat! Il ne veut évidemment pas de débat là-dessus! On ne l'entend pas.

Monsieur le ministre, les banques ont-elles signalé à la cellule de lutte contre le blanchiment d'argent le cash et le fait que ces opérations étaient potentiellement frauduleuses? (…)

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het zou een gokverslaving zijn. Dat is de uitleg die de heer Reynders geeft aan dit dossier. Het is een gokverslaving. Collega's, wie een gokverslaving heeft, is chanteerbaar. Daarom mogen bijvoorbeeld politieagenten, magistraten, deurwaarders en notarissen niet binnen in een casino en mogen ze wettelijk gezien nooit gokken. Daarvoor zijn dus goede redenen.

Elke dag komen er nieuwe elementen naar boven. Ook de Nationale Loterij probeert nu aan te tonen dat hun controlemechanismen gewerkt zouden hebben. Ik wil daarop wel dieper ingaan, mijnheer de minister. Er wordt immers gesproken over een totaalbedrag van ongeveer 1 miljoen euro waarvoor een verklaring moet worden gegeven: een poging tot witwassen via de Nationale Loterij ter waarde van 200.000 euro en 800.000 euro cashgeld dat aangeboden werd aan een bank om op een rekening te zetten. Dat roept wel wat vragen op.

Ik zal het eerst hebben over de Nationale Loterij. Er zou één verdachte transactie gevonden zijn op vijf jaar tijd terwijl de feiten toch – zegt men – een tiental jaar zouden hebben geduurd. We krijgen dan een hele uitleg van de Nationale Loterij op twaalf pagina's. Ik denk echter dat er wel wat meer nodig is om de zaken uit te klaren. Mijn eerste vraag luidt dan ook of het volgens u nodig is om de controlemechanismen bij de Nationale Loterij te verstrengen en verstevigen?

Ten tweede valt de Nationale Loterij blijkbaar ook niet onder de antiwitwaswet. Er is dus geen aangifteplicht voor de Nationale Loterij. Bent u van oordeel dat de Nationale Loterij ook onder die witwaswet zou moeten vallen?

Mijn derde vraag gaat over de cashstortingen bij de bank. Hoe kan het dat het zo lang heeft geduurd voor er signalen zijn gekomen? Men moet maar eens proberen om 800.000 euro cash op een bankrekening te zetten. Dat zou dus gedurende een hele periode gebeurd zijn. Zijn er dan nooit signalen gekomen…

Voorzitter:

Bedankt, mijnheer Van Hecke. Uw tijd is om.

Ik wil u nog even herinneren aan de geheime stemmingen, want er is nog geen toevloed vastgesteld. U bent allen uitgenodigd om in de loop van de zitting uw stem uit te brengen.

Vincent Van Peteghem:

Collega’s, ik heb vorige week al geantwoord op zeer veel vragen. Er is deze week ook verduidelijking gekomen van de Nationale Loterij. Ik heb vorige week uitgelegd hoe dat controlemechanisme precies werkt.

J'ai expliqué toutes les limites de jeu, le contrôle d'identité, les limites de versement et le système de contrôle de la Loterie Nationale.

Dat werd, zoals ik al zei, in de afgelopen dagen reeds uitgebreid toegelicht door de Nationale Loterij zelf met cijfermateriaal, waaruit nogmaals blijkt dat dat controlesysteem heeft gewerkt, ondanks het uitzonderlijke karakter van het dossier, en dat ook de nodige meldingen bij de bevoegde instanties zijn gebeurd.

U kunt die nota nalezen en bestuderen, want die is openbaar. U kunt die opvragen bij mijn kabinet en ook bij de Nationale Loterij. In die nota zult u ook de antwoorden vinden op vragen over de gehanteerde controlemethode, over welke indicatoren juist wijzen op mogelijk witwassen, maar ook over de tijdlijn van het geschetste dossier.

Ceci, bien sûr, toujours en prêtant attention au secret de l'enquête.

Meer algemeen en wat betreft uw andere vragen ben ik het natuurlijk met u eens dat wij de strijd tegen witwassen – ook dat heb ik vorige week uitgebreid benadrukt – moeten verderzetten. Dat is ook exact de reden waarom de nieuwe Europese antiwitwasverordening er is, waaronder ik op Europees niveau mee mijn schouders heb gezet. Die verordening zal daar natuurlijk ook toe bijdragen. Wij moeten uiteraard bekijken hoe wij die strijd nog verder kunnen voeren, maar ik wil wel nog toevoegen dat het nu aan de justitie is om het onderzoek te voeren. Alle meldingen, zowel door de Nationale Loterij als door de CFI, zijn gemaakt.

La justice doit faire son travail et elle est évidemment la même pour tout le monde.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de minister, u hebt niet geantwoord op mijn specifieke vraag. In de media wordt gezegd dat de heer Reynders op een bepaald moment 200.000 euro tickets had gekocht, omdat zijn bank hem had gezegd dat 800.000 euro cash toch te veel was om op zijn rekening te storten. Mijn vraag was of de bankensector die informatie heeft doorgegeven aan de antiwitwascel. Is er van daaruit een signaal gekomen?

U hebt het alleen maar over de Nationale Loterij gehad, maar ik heb het over de banken en op die vraag antwoordt u niet. Als het over liberale, rechtse elitepolitici gaat, dan is er geen probleem, dan is alles openbaar. Win for life for Reynders . Die kreeg al 30.000 euro per maand, maar toch vond hij nog meer systemen om geld op te strijken. U moet de bankensector ook onder de loep nemen. Dat interesseert mij. Is er een signaal gekomen van de banken of niet?

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Er is duidelijk nood aan meer controles, ook bij de Nationale Loterij. Ik heb de nota gelezen en men spreekt daarin over indicatoren. In dit geval ging het licht op rood voor drie indicatoren, maar wat doet men als er signalen komen in verband met een indicator of twee indicatoren? Blijkbaar onderneemt men dan geen actie. Men doet dat alleen wanneer men signalen voor de drie indicatoren krijgt. Beslissen over welk dossier wel of niet wordt doorgestuurd, mag geen kwestie van loterij zijn.

U hebt niet geantwoord op mijn vraag over de antiwitwaswet. De Nationale Loterij valt blijkbaar niet onder de antiwitwaswet. Het is duidelijk dat dat beter wel het geval zou zijn. Wij zullen een wetgevend initiatief nemen, zodat de Nationale Loterij wel onder de antiwitwaswet valt. Dan kan iedereen zijn stem uitbrengen.

(Rumoer)

Voorzitter:

Het stemgedrag van collega's kan altijd op de website worden nagekeken.

De stand van zaken met betrekking tot het offshore windmolenpark voor de kust van Duinkerke
De afsluiting van het openbaar onderzoek over het offshore windpark voor de kust van Duinkerke
Het windmolenpark in Duinkerke
Het windmolenpark ter hoogte van Duinkerke
Offshore windmolenpark Duinkerke: stand van zaken en onderzoek

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 3 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België protesteert fel tegen het geplande Franse windmolenpark bij Duinkerke, dat de Dyckroute (cruciale vaarweg voor Oostende), natuurgebieden (Vlaamse Banken, Natura 2000) en veiligheid (reddingsoperaties) bedreigt, ondanks massale Belgische bezwaren (95% negatief in openbaar onderzoek). De Franse commissie negeerde deze bezwaren en gaf groen licht, waarna België nu diplomatiek druk uitoefent (recent overleg tijdens staatsbezoek) en juridische stappen overweegt, met de Franse Raad van State als laatste redmiddel—hoewel de kansen klein zijn. De haven van Oostende daagde de bouwheren al voor een Belgische rechter, terwijl de federale regering aarzelt met internationale arbitrage (te risicovol en tijdrovend) en inzet op bilateraal overleg, maar Frankrijk toont weinig bereidheid tot compromis.

Kurt Ravyts:

Mijnheer de minister, ik moet een beetje bescheiden zijn, want er zitten veel Oostendse politici in de zaal. Hoe zou dat komen?

De essentie van het dossier is wat er na de afsluiting van het openbaar onderzoek op 1 juni van dit jaar is gebeurd. Hoe zijn de Fransen omgegaan met uw gecoördineerde inbreng, waar ook de haven een grote rol in speelde? Wat is de stand van zaken in het dossier rond de bouwvergunning? Er was sprake van dat die eind oktober zou worden afgeleverd. Daarnaast is er uiteraard ook nog de beslissing over de milieuvergunning.

De haven van Oostende stapt naar de rechter in de strijd rond dat reusachtige windturbinepark. Aanleiding daarvoor is de westelijke aanlooproute, de Dyckroute, die de haven van Oostende verbindt met onder andere Zuid-Engeland en de Atlantische Oceaan. Dat windturbinepark vormt toch wel een probleem wat betreft de westelijke toegang tot de haven. Men spreekt zelfs over een schadevergoeding.

Er is wat ergernis over het feit dat er weinig beweegt rond juridische procedures. Uw voorganger heeft ook altijd gezegd dat we naast de procedure in Rijsel, die eigenlijk grotendeels afgelopen is, moeten inzetten op diplomatieke contacten om te proberen de Fransen te overtuigen.

Hebt u nog contacten gehad sinds de afsluiting van het openbaar onderzoek? Wat is de conclusie van de speciale Franse commissie voor openbaar onderzoek, die de opmerkingen moest onderzoeken en conclusies moest trekken? De prefect zou de vergunningen al dan niet verstrekken.

Jeroen Soete:

Mijnheer de minister, mijn collega heeft de problematiek al goed geschetst. De plannen om het windmolenpark voor de kust van Duinkerke te bouwen dateren al van 2016. Ik heb ook de bezwaren gelezen die de Belgische Staat in coördinatie met alle diensten heeft ingediend.

De belangen van de Belgische Staat worden op verschillende vlakken aangetast. Zo is er de impact op het zeezicht van de kustbewoners en op de search-and-rescueoperaties, de mogelijke impact op het beschermde natuurgebied de Vlaamse Banken en, last but not least, de impact op de Dyckroute, de aanlooproute die van levensbelang is voor de Oostendse haven. De geplande zone ligt immers pal op die route. Het spreekt voor zich dat wij als pionier en voorloper in de ontwikkeling van windenergie op zee deze ontwikkelingen steunen, maar deze locatie is voor ons absoluut niet aanvaardbaar.

Er is een onderzoekscommissie geweest en die heeft naar aanleiding van het openbaar onderzoek jammer genoeg een positief advies uitgebracht. Er waren een kleine drieduizend bezwaren, waarvan er 95 % negatief waren. Misschien is dat eigen aan die procedures, maar slechts 4 % was positief. Ik vond het zeer opmerkelijk dat de fundamentele bezwaren die aangevoerd werden door de Belgische Staat en andere actoren gewoon terzijde werden geschoven door de commissie. Over de trafiek op die vaarroute wordt er bijvoorbeeld gezegd dat daar geen schepen zijn en er dus geen probleem is voor de doorvaart, terwijl uit hun eigen studies blijkt dat er toch wel duizenden vaarbewegingen zijn, ook van cargoschepen.

De vraag dringt zich dus op waar we momenteel staan op het vlak van de bouwvergunning en de milieuvergunning. Belangrijker nog, welke juridische stappen zult u ondernemen om de belangen van de Belgische Staat en de haven van Oostende te vrijwaren?

Charlotte Verkeyn:

Er is al veel over dit onderwerp gezegd en geschreven. Er is een hele voorgeschiedenis en we hebben daar in het verleden ook rond samengewerkt.

Het zal u niet verbazen aan uw zijde van de banken dat aan deze zijde van de banken de vragen vooral gericht zijn op het aan de dag leggen van meer panache van de kant van België, van de federale regering. Zoals correct is geschetst komen diverse landsbelangen hier wel degelijk in het gedrang. In om het even welk ander Europees land zou het niet op die manier verlopen.

Behalve ooit één mondelinge toezegging van de Fransen na de North Sea Summit, waarbij ze zich bereid verklaarden om eventueel te spiegelen en samen te werken rond een nog te realiseren bouw, wat veel problemen zou oplossen op het vlak van de natuur, de scheepvaart en de veiligheid, maar ook vooral in het belang van zowel onze vissers als de Franse vissers die die routes gebruiken, is er niet veel meer gebeurd en lag het dossier wat stil.

Volgens ons luistert een wolf zelden naar een schaap. Vanuit die optiek hebben we opnieuw de hand gereikt. De haven van Oostende heeft intussen de bouwheren rechtstreeks voor een Belgische rechtbank gedagvaard. Men geraakt immers niet vooruit wanneer men blijft meedraaien in een verhaal waarin niet wordt geluisterd naar de belangen van een ander land.

Al mijn vragen zijn er dan ook op gericht om na te gaan hoe u van plan bent meer panache te tonen om de tegenpartij te dwingen te luisteren naar onze belangen en tot een gezamenlijke oplossing te komen.

Wat zijn de volgende stappen? Hoe zet u Frankrijk politiek onder druk? Worden er strategische wissels toegepast, eventueel in functie van dossiers die de Vlaamse regering nog heeft liggen? Wat is de strategie om Frankrijk op de knieën te dwingen?

Paul Van Tigchelt:

Collega's, net zoals collega Ravyts dien ik hier de nodige bescheidenheid aan de dag te leggen. Ik ben niet van Zuienkerke, noch van Oostende, maar van Zoersel.

Dit dossier heeft inderdaad een heel lange voorgeschiedenis. Ze werd geschetst in de vragen, dus ik hoef dat hier niet allemaal te herhalen. We zijn het erover eens – dat is belangrijk als beginpunt – dat de Belgische belangen op verschillende niveaus dreigen te worden geschaad met dit dossier. Dat vertrekpunt, dat startpunt, heeft ons geleid in onze acties.

Ik zal beginnen met de actuele stand van het dossier toe te lichten. De publieksconsultatie, waarnaar verwezen werd, is het openbaar onderzoek. Dat werd georganiseerd naar aanleiding van de aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning en van een concessie voor het gebruik van het maritiem openbaar domein. Zowel de federale diensten als de Vlaamse instanties, de kustgemeenten, de haven van Oostende en andere belanghebbenden hebben bezwaren ingediend. Er werd een geconsolideerde versie namens de Belgische Staat ingediend, die werd toegelicht aan de leden van de Commission nationale d'enquête publique in Rijsel. Dat gebeurde, als ik me niet vergis, net voor 9 juni, op 30 mei. Als federale overheid werken wij dus wel degelijk samen met de Vlaamse diensten om de belangen te verdedigen, ook die van de haven van Oostende en de kustbewoners. Zoals ik in het begin zei, dreigen hier immers verschillende belangen te worden geschaad.

In ons bezwaar vragen wij de Commission nationale d'enquête publique bovenal om een negatief advies uit te brengen. Indien die commissie toch een positief advies zou uitbrengen, hebben we in ondergeschikte orde gevraagd om het park 5 kilometer of meer verder in zee te bouwen, een veiligheidsafstand van 2 kilometer van de Frans-Belgische grens te respecteren en een nieuwe studie uit te voeren, die de impact van dit verder gelegen windpark op het Belgische natuurgebied onderzoekt. Wij vroegen eveneens om betrokken te worden bij de opmaak van die studie.

Het advies van die commissie werd uiteindelijk op 22 november met de nodige vertraging gepubliceerd. België werd hierover geïnformeerd via het ESPO-contactpunt. Op dit moment analyseren zowel onze diensten als onze advocaten de stukken van dat advies, dat een encyclopedie dik is. Dat vergt dus enige tijd.

Uit de milieueffectenbeoordeling bleek duidelijk dat de bouw van het park een impact zou hebben op het Natura 2000-gebied en in het bijzonder op een aantal beschermde zeevogels. Dit werd uitgebreid becommentarieerd in het Belgisch standpunt en in de bijdrage van de dienst Marien Milieu. Ook de bezwaren van de organisatie Vent Debout 59 sluiten hierbij aan. We bekijken samen met onze advocaten welke verdere stappen we hier moeten zetten.

We kunnen veel panache aan de dag leggen en forse verklaringen afleggen, maar uiteindelijk moeten we met Frankrijk, een bevriend land, de beste oplossing voor de Belgische belangen vinden. De beste manier om dat te doen is door diplomatie, zolang dat mogelijk is. Indien dat niet kan, zullen we de juridische weg moeten bewandelen.

Op diplomatiek niveau is dat dossier trouwens nooit van de agenda verdwenen, integendeel zelfs. Het dossier wordt bij de diplomatieke gesprekken en ontmoetingen telkens weer op de agenda geplaatst. De laatste keer dat dit gebeurde, was tijdens het bezoek van het vorstenpaar aan het Elysée tijdens het staatsbezoek enkele weken geleden, op 15 oktober. Eigen aan diplomatiek overleg, collega’s, is uiteraard dat het niet gevoerd wordt in de openbaarheid, maar wel zoveel mogelijk in vertrouwen tussen diplomatieke en politieke vertegenwoordigers; met die kanttekening dat dit niet betekent dat hierover niet mag worden gediscussieerd. Er worden ook andere dossiers in rekening gebracht, en dat is precies de reden waarom de ministerraad mijzelf, de minister van Noordzee, met ondersteuning van de minister van Buitenlandse Zaken, belast heeft met dit dossier.

Ik herhaal dat dit dossier, het windmolenpark in Duinkerke, recent werd besproken in de marge van het staatbezoek van ons koningspaar aan Parijs. Ik kan u ook meegeven dat in navolging van dat bezoek een nieuw gesprek is aangevraagd tussen de minister van Noordzee, ikzelf of mijn opvolger, en de Franse bevoegde collega, minister Givernet. We hebben dat overleg aangevraagd maar er is nog geen datum gepland.

De volgende stappen zijn uiteraard belangrijk; daar vraagt u ook naar. Zonder te veel vooruit te lopen op de analyse van het advies, dat door de advocaten wordt behandeld, wil ik benadrukken dat er op dit moment, voor zover we correct zijn geïnformeerd, nog geen uiteindelijke beslissing is gevallen over het al dan niet toekennen van de vergunning. Die beslissingen zullen ten vroegste eind dit jaar of in januari 2025 genomen worden, althans indien onze informatie correct is.

Ook voor de volgende stappen, collega's, zullen wij overleg plegen met de belangrijkste stakeholders, waaronder in eerste instantie de Vlaamse overheid. Zoals steeds zullen wij de oplossingen trachten te zoeken in overleg. Als dat overleg geen resultaat oplevert, rest ons uiteraard juridische stappen te nemen.

Wat zijn de juiste juridische stappen? Een internationale procedure opstarten is volgens ons niet aan de orde. Zowel de experts zeerecht van de FOD Buitenlandse Zaken, als onze administratie, de DG Scheepvaart, schatten de slaagkansen van dergelijke dure en tijdrovende procedure immers zeer laag in.

Als u het hebt over panache, mevrouw Verkeyn, voel ik mij wel aangesproken. We kennen elkaar nog niet, maar in alle bescheidenheid wil ik u zeggen dat ik geen roeper ben maar een doener. Als ik moet roepen, kan ik echter ook roepen. Wat ik wil zeggen is dat we over dit dossier veel kunnen roepen en toeteren, maar we moeten kijken naar wat finaal een oplossing dichterbij brengt.

We doen wat we moeten doen. Dat gold voor mijn voorganger en hopelijk ook voor mezelf. We doen dat ook zonder valse verwachtingen te scheppen. Ik ben immers eveneens jurist, dus ik weet dat met zo'n procedurearbitrage misschien wel verwachtingen worden gecreëerd die nadien niet zullen worden ingelost. Perception management heet dat. Ook dat is iets waarmee we bezig moeten zijn bij het verdedigen van de vele belangen voor ons land die in dat dossier spelen.

Mocht die vergunning toch worden afgeleverd, zullen wij ze inderdaad aanvechten. De meest efficiënte manier om dat te doen is voor de Raad van State in Frankrijk. Dat is immers het bevoegde rechtscollege, dat er dan over zal moeten oordelen.

Panache of niet, u kunt rekenen op mijn engagement ter zake. Ik kan uiteraard niet spreken over het engagement van mijn opvolger.

Volgens de online beschikbare gegevens wenst EDF de bouw van het park van start te laten gaan in 2027. Dat lijkt veraf, maar eigenlijk ligt dat heel dichtbij.

Hopelijk heb ik aldus uw belangrijkste vragen beantwoord.

Kurt Ravyts:

Mijnheer de minister, uw antwoord is niet erg hoopvol, gelet ook op de politieke aspiraties van de Franse regering. Offshore wordt voor de Fransen ook belangrijk.

U zegt dat het advies van die speciale commissie wordt bestudeerd. De vergunningen bevinden zich in een cruciale fase en kunnen op elk moment kenbaar worden gemaakt.

Uw voorganger heeft zich eigenlijk al uitgesproken over die internationale procedure. Binnen de Europese Commissie waren de signalen met betrekking tot Belgische initiatieven evenmin hoopvol. De Franse Raad van State zou bijna de laatste reddingsboei – dat is misschien te positief omschreven – of toch het ultieme verweermiddel zijn. Dat geeft mij ook niet veel hoop.

We zullen zien wat het diplomatieke overleg met u of uw opvolger nog zal opleveren. In de komende weken en maanden zal onze fractie het dossier van zeer nabij blijven volgen en wij zullen u of uw opvolger verder blijven ondervragen.

Jeroen Soete:

Mijnheer de minister, dank u voor uw toelichting.

Ik twijfel niet aan uw goede bedoelingen noch aan uw inzet voor het dossier. Veel stappen zijn al gezet. Er is al een procedure voor de Raad van State aangespannen en we zijn naar de Europese Commissie gestapt.

Ik begrijp dat collega Verkeyn, gelet op het belang van de aanvoerroute, vanuit haar positie alles op alles moet zetten om de komst van het windmolenpark te vermijden.

Ik wil de minister van Noordzee, zowel de huidige als de toekomstige, blijven aansporen om alles uit de kast te halen om de bouw van dat windmolenpark op die locatie tegen te houden. Op dit moment kunnen we daar eigenlijk weinig meer over zeggen.

Charlotte Verkeyn:

Ik volg dit dossier al een tijdje op en er zijn al aardig wat ministers van Noordzee de revue gepasseerd. Telkens gaven zij aan het diplomatiek overleg kansen te geven. Ik ken uw kabinet al enkele jaren en het heeft heel wat werk verzet in dit dossier, maar we blijven steeds hangen in het geloof dat Frankrijk zich als een goede vriend zal gedragen. We moeten echter een kat een kat noemen: dat is niet het geval, goede vrienden doen dergelijke zaken niet. Wat de juridische procedures betreft, u hebt een andere mening over de internationale arbitrage en enerzijds kan ik mij daar in terugvinden. Anderzijds is het ook een stuk strategie. U hebt een team van kabinetsmedewerkers en juristen. Misschien is het noodzakelijk om daar nog iets aan toe te voegen in het kader van de onderhandelingen. Ik snap dat u in het kader van diplomatiek overleg niets kan zeggen over strategische dossiers die u eventueel daaraan zou kunnen koppelen. In het geval van internationale arbitrage is dat inderdaad een mes dat aan twee kanten snijdt. Als men de procedure inleidt, zal men gaandeweg wel ontdekken welke richting het uitgaat. Lukt het niet, dan heeft men lokaal de zekerheid over wat men kan verwachten. Het is jammer dat de haven van Oostende u en de bouwheren moet dagvaarden om voor een Belgische rechtbank te kunnen komen, en dat de federale regering hier geen initiatief neemt. Maar goed, wij doen verder. Het diplomatiek overleg is gereanimeerd, na te hebben stilgelegen. Ik hoor dat de dagvaarding op 15 oktober toch effect heeft gehad.

De vrees in de academische wereld voor de toekomst van het onderzoek

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 26 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om ongelijke fiscale behandeling van universiteitsprofessoren bij de exoneratie van précompte professionnel voor onderzoek: terwijl de wet enkel *assisterend personeel* uitsluit, krijgen sommige professoren in de praktijk wel degelijk vrijstelling, wat tot inconsistenties leidt. Minister Van Peteghem bevestigt dat professoren *principieel* zijn uitgesloten en dat controles uniform worden toegepast, maar Dubois wijst op concrete gevallen waar dit niet gebeurt, vraagt om juridische verificatie en historisch inzicht in de afwijkende toekenningen. De kernkwestie blijft wettelijke duidelijkheid versus praktijkverschillen tussen instellingen.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, voici une autre question relative au précompte professionnel.

Nous avons été interpellés par différentes institutions du monde académique au sujet du traitement fiscal des activités de recherche, pour lesquelles il existe une exonération du précompte professionnel. Se pose, à cet égard, la question des professeurs qui travaillent au sein de ces institutions. On constaterait ainsi une inégalité de traitement en fonction de l'endroit où l'on se trouve et du bureau qui gère la demande d'exonération. Dans certains cas, celle-ci serait reconnue intégralement, dans d'autres pas du tout. Cela pose donc question, notamment au regard des lois qui organisent les activités des professeurs d'université. En plus de donner cours, ceux-ci sont également chercheurs et parfois à un degré très élevé. Ne pas reconnaître chez certains d'entre eux cette activité de recherche reviendrait à ignorer une grande partie de leur travail.

Monsieur le ministre, êtes-vous informé de cette situation inégalitaire? Si oui, quelles actions avez-vous entreprises pour y mettre fin? Des directives ont-elles été données aux différents bureaux en vue d'un traitement équitable et égal? Surtout, comment allez-vous traiter ces questions à l'avenir pour que les acteurs soient tenus correctement informés de la manière dont ils doivent organiser leurs activités de recherche, afin que celles-ci soient soutenues?

Vincent Van Peteghem:

Dans le régime dédié au secteur universitaire, les chercheurs visés doivent être membres du personnel assistant. Le personnel enseignant autonome n'est donc pas visé par la mesure, quand bien même il se livrerait à de la recherche scientifique. Dès lors, sur le plan des principes, les professeurs en sont exclus.

Mon administration a lancé une action de contrôle. Ce principe général est connu des services de contrôle et appliqué uniformément pour l'ensemble du secteur en tenant compte de tous les éléments factuels du dossier.

Xavier Dubois:

Merci pour votre réponse. J'entends bien l'application que vous faites de la loi et les informations qui sont données. Cependant, ce ne serait pas le cas sur le terrain. Certaines institutions ont en effet obtenu des exonérations de précompte professionnel pour leurs professeurs, ce qui va à l'encontre de ce que vous venez d'énoncer.

Il serait intéressant d'approfondir la question afin de savoir ce qu'il en est. Ces exonérations sont-elles légales? Qu'en est-il de leur historique? J'aimerais recevoir davantage de réponses sur ce sujet.

Voorzitter:

Mijnheer Vanbesien, u verdient de prijs van het geduldigste lid van de commissie vandaag. U mag uw vraag stellen.

De steekpartij in Brussel waarbij een 25-jarige student om het leven kwam
Zinloos geweld en steekpartijen in Brussel
De schietpartijen in Anderlecht
Geweldsincidenten en dodelijke aanvallen in Brussel en omgeving

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende stijging van gewelddadige criminaliteit in Brussel, met name dodelijke steek- en schietincidenten (76 schietpartijen in 2024, +39% in hotspots zoals Anderlecht), vaak drugsgerelateerd maar ook bij roofovervallen. Critici (o.a. N-VA) wijzen op structurele tekortkomingen: gebrek aan harde strafmaatregelen, onvoldoende samenwerking tussen de zes Brusselse politiezones, en een taboe op de link tussen daderprofielen (migrantenachtergrond) en criminaliteit, terwijl ze pleiten voor één geïntegreerde politiezone. Minister Verlinden benadrukt versterkte patrouilles, federale steun (o.a. FERES-reserve) en een "ijschbergstrategie" (drugsbestrijding + sociale preventie), maar erkent dat de stijgende cijfers (6 moorden in Anderlecht vs. 1 in 2023) extra maatregelen vereisen, met evaluatie in december. Consensus: de huidige aanpak is onvoldoende, maar oplossingen blijven verdeeld (repressie vs. systeemwijziging).

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, vorige week in de nacht van woensdag op donderdag werd Brussel opnieuw opgeschrikt door een zoveelste geweldsincident met dodelijk gevolg. Een 25-jarige student kreeg op zeer brutale wijze een messteek in de buik. Ondanks de reanimatiepogingen van de hulpdiensten overleed hij aan zijn verwondingen. Het goede nieuws, de twee 18-jarige 'jongeren', de vermoedelijke daders, die de student ook van zijn gsm wilden beroven, werden opgepakt door de politie.

Dit doet mij denken aan Joe Van Holsbeeck, door sommigen misschien nog gekend. De 17-jarige jongeman werd in het station van Brussel-Centraal gedood door twee Roma-jongeren die zijn mp3-speler probeerden te stelen. Mevrouw de minister, eigenlijk is de situatie sinds 2006 niet verbeterd in Brussel, en misschien ook niet in andere grootsteden.

Stelt men ook cijfermatig vast dat het aantal zeer gewelddadige overvallen met dodelijke afloop in stijgende lijn zit in Brussel?

Gaat men na wat het profiel is van de daders, welke nationaliteit zij eventueel hebben?

Welke maatregelen hebt u al genomen? Zijn deze voldoende of moeten die nog aangepast worden aan de omstandigheden, die misschien wel steeds gewelddadiger worden?

Kan de Brusselse lokale politie dit nog aan? Er zijn zes Brusselse politiezones en er is nogal wat onenigheid over de globale aanpak van criminaliteit in Brussel. Moet de federale regering daar niet bijspringen?

Welke concrete acties zult u daarvoor ondernemen?

Maaike De Vreese:

Collega Depoortere heeft de gruwelijke feiten die vorige week hebben plaatsgevonden al zeer goed geschetst. In naam van onze fractie wil ik ons medeleven betuigen aan de familie en vrienden van het slachtoffer hier en in Singapore. Die jongen kwam hier zijn droom verwezenlijken om verder te studeren. Die droom is geëindigd in een totale nachtmerrie.

In Brussel gaat het niet om een alleenstaand feit. We merken dat er nog sprake is van zinloos geweld. Het gaat om zeer laffe geweldsdaden. Volgens de statistieken van de federale politie liggen de cijfers van dat soort misdrijven tegen de lichamelijke integriteit op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nog steeds hoog, evenals de cijfers van moord en doodslag.

Het spreekt voor zich dat we in ons land nooit zinloos geweld mogen tolereren. We moeten daar keihard tegen optreden. De daders moeten zeer hard worden gestraft. Veiligheid moet de kerntaak, de absolute prioriteit zijn van de overheid. We passeren allemaal wel eens langs de Beurs op een of ander moment van de dag. Ik wil me niet inbeelden dat een van mijn naasten op een dermate brutale manier zou worden aangepakt.

Mevrouw de minister, we moeten dat voorval aangrijpen om werk te maken van de strijd tegen zinloos geweld. Kunt u me een laatste stand van zaken geven van het trieste voorval van 7 november 2024?

Kunt u meer uitleg geven bij de cijfers van de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit op het Brusselse grondgebied? Hoeveel incidenten waren er met steekpartijen en hoeveel schietincidenten? Bij hoeveel incidenten was er een fatale afloop?

Welke stappen hebt u genomen in het verleden om die situatie aan te pakken en welke zult u nog nemen?

Wanneer hebt u daarover overleg gepleegd met de Brusselse minister-president en met de minister van Justitie? Wat leverde dat overleg op?

Pierre Kompany:

Madame la ministre, le quartier Aumale, dans la commune d'Anderlecht, est le théâtre d'une guerre de territoire sans précédent, que se livrent les acteurs du milieu de la drogue. La recrudescence de ce phénomène de guerre de territoire nous amène à des conséquences de plus en plus tragiques. Ces conséquences déséquilibrent les habitants du quartier. À titre d'exemple, on a dénombré pas moins de cinq fusillades en moins d'une semaine, au cours du mois d'octobre. La situation est donc devenue grave.

Je suis contacté par de nombreux citoyens qui craignent pour leur vie et celle des membres de leur famille. En tant qu'autorité, il est essentiel que nous puissions répondre à ce sentiment d'insécurité qui ne cesse de grandir. Montrer que de tels actes font l'objet de poursuites est une nécessité et une obligation de l'autorité qui gère le pays.

Madame la ministre, confirmez-vous une recrudescence des faits criminels à Anderlecht, en comparaison avec les autres années? Comment réagissez-vous face à la montée de cette violence? Quel suivi avez-vous réservé à cela? Avez-vous rencontré la commissaire nationale de lutte contre la drogue à ce sujet? Quelles mesures sont-elles prévues pour restaurer la sécurité? Comment le pouvoir fédéral compte-t-il s'organiser, avec les autorités locales, pour lutter efficacement contre le trafic de drogue? Comptez-vous déployer la réserve fédérale pour soutenir les effectifs de la police locale? Comptez-vous organiser des actions coup de poing dans ladite commune? Combien d'effectifs policiers locaux et fédéraux sont-ils affectés à la sécurité de cette commune? Pouvez-vous ventiler par catégories: policiers fédéraux, locaux, agents de sécurité? Comptez-vous recruter et affecter par mobilité des effectifs fédéraux supplémentaires? Si oui, combien?

Annelies Verlinden:

Geachte leden, zoals u al schetste, kreeg de politiezone Brussel HOOFDSTAD Elsene op donderdag 7 november omstreeks 2.30 uur de oproep dat een man gewond was geraakt na een messteek. De politie was snel ter plaatse en diende het slachtoffer de eerste hulp toe tot de hulpdiensten en de mug ter plaatse waren. Het slachtoffer werd in levensgevaar naar het ziekenhuis overgebracht, waar hij aan zijn verwondingen overleed.

Het gaat om een 25-jarige man van Singaporese afkomst die in België studeerde. Ik wil bij dezen mijn blijk van medeleven uitdrukken aan de familie en de vrienden, ook in het verre buitenland.

Het gerechtelijk onderzoek naar het incident loopt nog. Daarom kan en mag ik geen verdere details geven over het dossier.

Wat dergelijke incidenten in Brussel betreft, kan ik u de volgende informatie meegeven. Tot eind oktober 2024 waren er 76 schietincidenten met 8 doden en 5 gewonden. In 2022 waren dat er 56, met 3 doden en 26 gewonden. In 2023 waren het er 62, onder wie 4 doden en 28 gewonden. Ongeveer 70 % van die incidenten en schietpartijen is drugsgerelateerd, zo’n 10 % heeft een andere oorzaak, en de onderliggende reden voor de circa 20 % resterende schietincidenten is niet duidelijk. Er is geen eenduidige oorzaak die de stijging van dergelijke geweldsdelicten verklaart. Ik trap een open deur in als ik zeg dat allicht de toenemende illegale drugshandel daarin een rol speelt.

De Brusselse politie heeft al een aantal maatregelen genomen, waaronder de versterkte aanwezigheid van zichtbare en discrete patrouilles binnen de bijzondere aandachtszones, de zogenaamde hotspots. De politieaanwezigheid werd ook verder verhoogd en het precieze aantal politiepatrouilles in de Brusselse stadskern is uiteraard steeds plaats- en tijdsgebonden.

Wat de ondersteuning door de federale politie betreft, waartoe wij eerder overgingen, levert de federale politie een gerichte steun, en dit uiteraard in overleg met de lokale politie. De betrokken korpschefs melden ons dat dit in goede samenwerking verloopt. De ondersteuning door de federale politie zal in december geëvalueerd worden. Uiteraard levert ook de federale gerechtelijke politie een aanzienlijke bijdrage aan het identificeren en het ontmantelen van druggerelateerde clans in Brussel.

Wat de verzameling en uitwisseling van informatie over strafbare feiten betreft, wordt periodiek een vertrouwelijk rapport opgesteld over de belangrijke feiten die gepleegd zijn in Brussel. Dat rapport wordt opgesteld door de diensten van de DirCo van Brussel.

Collègue Kompany, les informations fournies par la zone de police Midi montrent une augmentation des incidents criminels dans les quartiers d'Aumale, notamment en lien avec le trafic de drogue et la détention illégale d'armes et/ou de munitions.

Entre 2023 et 2024 – jusqu'au 12 novembre –, on note une augmentation de 39 % des faits de criminalité enregistrés pour le hotspot Aumale. Les meurtres et assassinats ont connu une augmentation en 2024. Six cas ont été enregistrés cette année contre un seul en 2023. Parmi les faits de criminalité, 30 % concernent des vols, tous types confondus. Les faits de vandalisme représentent 16 % de la criminalité enregistrée; viennent ensuite les infractions liées aux stupéfiants qui comptent pour 14 %.

Pour faire face à cette violence, une approche polici è re à deux volets a entre autres été développée: d'une part, un volet préventif avec la présence quotidienne de patrouilles dynamiques de la police et d'autre part, un volet répressif avec l'organisation réguli è re d'opérations de police dans les différents hotspots identifiés dans la commune d'Anderlecht.

J'entretiens régulièrement des contacts avec la commissaire nationale Drogues dans le cadre de la stratégie d'iceberg qui suppose une approche structurelle et durable qui implique des acteurs de la lutte contre la criminalité organisée, en partant du citoyen jusqu'aux plus hautes autorités de l' É tat. Cette approche transversale doit permettre d'augmenter la résilience de la société face aux sirènes du crime organisé qui n'a pour objectif que la recherche du profit immédiat aux dépens de notre É tat de droit. Dans cet effort, le Commissariat national Drogues soutient notamment safe.brussels et les communes bruxelloises.

En ce qui concerne l'approche de ces incidents à Bruxelles, la stratégie déployée pour augmenter la sécurité et améliorer le quotidien dans les hotspots est axée sur plusieurs points: la sécurité, la prévention, la cohésion sociale et l'infrastructure.

Les opérations coup de poing n’ont aucun sens sans investissement dans les autres axes. En outre, ces mesures sont combinées de manière à ce que chaque hotspot fasse l’objet d’une approche dédiée à la spécificité du lieu et à ses besoins.

Comme déjà mentionné depuis la fin du mois d’octobre, la réserve de la police fédérale, le FERES, est déployée pour soutenir les effectifs de la zone de police Midi dans le cadre des patrouilles de surveillance dynamique.

Pour ce qui concerne les hotspots de cette zone de police, pour le mois de novembre, 15 policiers locaux, 18 membres du FERES et une section du corps d’intervention de Bruxelles sont engagés quotidiennement.

La police locale n’est cependant pas laissée seule pour affronter ces problèmes. Elle peut compter sur la police fédérale pour lui venir en aide et lui fournir des renforts quand cela est nécessaire.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

De collega van de N-VA heeft het over zinloos geweld. Ik hou niet van die term. Er is geweld en ik denk niet dat er zoiets bestaat als zinvol geweld. Dit is normvervaging die ontstaat.

Mevrouw de minister, u zegt dat de meeste steekincidenten met dodelijke afloop drugsgerelateerd zijn, maar dit was hier niet het geval. Hier ging het om een roofoverval op een 25-jarige student die men gewoonweg zijn gsm wilde afnemen.

Eén aspect hoorde ik niet in dit antwoord, noch bij de collega's, en dat is de correlatie tussen de afkomst van de dader en de criminaliteit. Dat is voor mij en mijn partij de olifant in de kamer. Sluit uw ogen daar toch niet voor. Dit is een fenomeen in Brussel dat we ook steeds meer zien opduiken in andere grootsteden.

Tot slot, criminaliteit blijft niet beperkt tot één Brusselse politiezone. Men verschuift het probleem alleen maar als men verder blijft doen met zes verschillende politiezones. Mevrouw de minister, u weet dat mijn fractie een wetsvoorstel heeft ingediend om de politiezones in Brussel een te maken. Wij zullen daarop blijven hameren en dat wetsvoorstel opnieuw indienen. Ik hoop dat de volgende regering daar meer oor naar zal hebben dan de vivaldiregering.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, ik heb gesproken over gruwelijk geweld dat inderdaad drugsgerelateerd is. De cijfers die u geeft, tonen een stijging aan. Dat betekent dat we voor de aanpak daarvan ook een versnelling hoger zullen moeten schakelen. Wat we nu doen, is niet voldoende.

We zullen dit geweld nooit voor 100 % kunnen voorkomen. Dat is een illusie, maar we moeten wel een versnelling hoger schakelen om daar keihard tegen te kunnen optreden. Dat zal zijn door op verschillende vlakken samen te werken. De federale politie kan dat niet alleen doen, maar wel samen met de lokale politie en vele andere spelers op het terrein.

We zullen ons uiteindelijk ook moeten buigen over het vraagstuk van Brussel en de politiezones, over een eengemaakte politiezone om de hele problematiek aan te pakken. Er is het drugsgerelateerde geweld, maar er zijn in Brussel nog veel andere problemen. We moeten dit absoluut ernstig nemen.

Pierre Kompany:

Madame la ministre, j'ai entendu la réponse. J'aurais peut-être envie de conseiller mais ce n'est pas mon rôle, parce que vous avez déjà décrit beaucoup d'éléments que vous abordez et qui me satisfont. Je prends pour exemple la procédure structurelle avec la surveillance dynamique entre la police fédérale et la police locale ou les services locaux. Vous avez également indiqué qu'une évaluation aura lieu en décembre. Je m'en tiens à cela pour évaluer ce que je pense qu'on peut faire. C'est surtout le programme de sensibilisation de la population qui est très important et je ne sais pas comment il sera abordé.

Medista
De stand van zaken m.b.t. de opvolging van het onderzoek inzake STR STK 2020
Voortgang en opvolging onderzoek STR STK 2020

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Medista-affaire draait om een omstreden openbare aanbesteding voor COVID-vaccinlogistiek (toegekend aan Movianto in plaats van Medista), een juridische strijd over de vernietiging van €200 miljoen aan medisch materiaal (nu geblokkeerd door een rechter tot afronding van een inventarisatie door een deurwaarder, nog niets vernietigd), en een FIA-onderzoek dat fraude en integriteitsschendingen aan het licht bracht. De beschuldigde ambtenaar is geschorst en onderworpen aan een lopend tuchtonderzoek, terwijl de FOD negen concrete maatregelen (opleidingen, transparantie, deontologische codes) heeft ingevoerd om toekomstige aanbestedingsfouten te voorkomen—na klachten bij het parket en interne herstructureringen. De kostprijs van de vertraging (opslag, juridische procedures) en de afhandeling van het dossier blijven onduidelijk, met lopende rechtszaken en politieke discussie over verantwoordelijkheden. Kritiek blijft bestaan op de trage afhandeling en de financiële gevolgen voor de belastingbetaler.

Sofie Merckx:

Mijnheer de minister, in de vorige legislatuur hebben wij vaak gesproken over de affaire Medista. Het gaat over een openbare aanbesteding voor opslag en transport van covidvaccins die u toekende aan Movianto, nadat Medista dat lange tijd deed. Er is een juridische veldslag ontstaan tussen uw diensten en Medista. Er gebeurde ook een audit met betrekking tot die openbare aanbesteding, waaruit heel wat bedenkingen naar voren kwamen.

In juli publiceerde u tevens dat er voor meer dan 200 miljoen aan medisch materiaal vernietigd zou worden. In augustus kwamen wij te weten dat een rechter die vernietiging verboden had, omdat het materiaal als bewijsmateriaal werd beschouwd.

Wat is de stand van zaken in deze zaak? Is het materiaal ondertussen vernietigd of niet?

Welke gevolgen hebt u gegeven aan het FIA-onderzoek, waarover wij in de vorige legislatuur uitgebreid hebben gesproken?

Een ambtenaar werd beschuldigd van heel wat onregelmatigheden. Wat is vandaag de status met betrekking tot die persoon, die werkte bij de FOD Volksgezondheid?

Welke stappen zijn er ondertussen genomen om ambtenaren meer bewust te maken inzake het correct laten verlopen van openbare aanbestedingen? Er kwamen immers heel wat problemen naar voren.

In het licht van de regeringsonderhandelingen, hoe kijkt u verder naar dit dossier? Neemt u verdere stappen of niet?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, in de vorige legislatuur hadden we het FIA-vooronderzoek van de federale auditeur naar de aanbesteding STR STK 2020 en de legal opinion in het kader van de toewijzing van het rescEU project.

Ik verneem graag van u welke stappen u of uw diensten hebben ondernomen. Welke conclusies kunt u ons vandaag meedelen? Welke concrete acties en vervolgstappen vloeien hieruit voort?

Frank Vandenbroucke:

Collega's, ik begrijp uit de uiteenzettingen dat men met de rechtszaak verwijst naar de kortgedingprocedure in het kader van de beoogde vernietiging van vervallen goederen binnen de COVID-19-voorraad. De FOD Volksgezondheid dient er als een goede huisvader voor te zorgen dat goederen in de COVID-19-voorraad die niet meer worden gebruikt, die vervallen of van slechte kwaliteit zijn, worden vernietigd. Dergelijke producten in omloop brengen zou immers nefast zijn voor de volksgezondheid en voor een efficiënt beheer van de COVID-19-voorraad.

In de ministerraad van 19 juli 2024 is beslist om over te gaan tot de vernietiging van voornamelijk vervallen producten binnen de COVID-19-voorraad. Daaropvolgend heeft Medista nv in augustus een kortgedingprocedure ingeleid. Bij beschikking van 29 augustus 2024 heeft de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel een gerechtsdeurwaarder aangesteld om vast te stellen welke voor vernietiging aangemerkte goederen overeenstemmen met de goederen die Medista nv destijds heeft overgedragen aan de huidige voorraadbeheerders. De gerechtsdeurwaarder voert momenteel haar inventarisatieopdracht uit. Dat is de stand van zaken met betrekking tot wat men wellicht bedoelt met de rechtszaak.

Is er reeds materiaal vernietigd dat volgens de rechter werd gezien als bewijsmateriaal? De rechter in kortgeding heeft zich niet uitgesproken over de bewijswaarde van de te inventariseren goederen. De FOD Volksgezondheid houdt zich aan de door de kortgedingrechter opgelegde bewarende maatregel. Deze maatregel houdt in dat de FOD Volksgezondheid de voor vernietiging aangemerkte goederen beschikbaar houdt voor inventarisatie en dus niet tot vernietiging overgaat tot de inventarisatieopdracht van de gerechtsdeurwaarder afgerond is.

U vroeg welke gevolgen ik gegeven heb aan het FIA-onderzoek. Ik breng u de belangrijkste aanbevelingen van het FIA-onderzoek in herinnering.

Ten eerste, de voorzitter en de minister wordt aanbevolen de opportuniteit af te wegen om al dan niet bij de politie en het parket kennis te geven van de bevindingen van dit vooronderzoek, wat betreft het feit dat de betrokken ambtenaar een advocaat aanraadde aan Movianto of om in dit verband minstens gepaste corrigerende maatregelen te nemen tegen de betrokken ambtenaar.

Ten tweede, de voorzitter van de FOD en de minister wordt aanbevolen bij de politie, dan wel bij het parket een klacht neer te leggen tegen de persoon en de personen die de betrokken ambtenaar hebben gebracht tot het afleggen van verklaringen tegenover hen over het verloop van de plaatsing van de opdracht STR STK 2022.

Ten derde, de voorzitter van de FOD en de minister wordt aanbevolen bij de politie, dan wel het parket, kennis te geven van de bevindingen van dit vooronderzoek wat betreft de wijze waarop er vanuit de FOD VVVL sprake is geweest van nalatigheid in het beschermen van bedrijfsgeheimen van Medista, waar de FOD op rechtmatige wijze over beschikte.

Die aanbevelingen werden gevolgd. De nodige klachten werden neergelegd bij het parket. Het integrale FIA-rapport werd overgemaakt aan het parket.

Daarnaast raadde de FIA aan onmiddellijk maatregelen te treffen die ertoe strekken te garanderen, primo, dat diegenen die een rol vervullen binnen de FOD in het plaatsen van overheidsopdrachten, voldoende kennis hebben van het overheidsopdrachtenrecht en van wat de algemene ambtelijke deontologie impliceert in de plaatsing van overheidsopdrachten, en secundo, dat er een formalisering gebeurt van alle contacten met deelnemers aan overheidsopdrachten, zodat deze contacten a posteriori steeds volledig gereconstrueerd kunnen worden.

Er werd intern in de FOD in nauw overleg met onder meer BOSA een geïntegreerd actieplan opgesteld dat de aanbevelingen en de vaststellingen van de FIA intussen in negen concrete acties omzette binnen de FOD. Ik antwoord daar dadelijk op, bij de vijfde vraag.

Ik ga eerst in op de vraag wat de status is van de ambtenaar die onder vuur kwam te liggen. Er is een tuchtprocedure geopend tegen de betrokken ambtenaar. De ambtenaar werd met ingang van 27 maart in het belang van de dienst geschorst gedurende het lopende tuchtonderzoek. Dat is nog niet helemaal afgerond, dus ik kan er op dit moment nog niet meer over zeggen.

Ik kom nu tot de vijfde vraag, namelijk welke stappen er ondertussen genomen zijn om ambtenaren meer bewust te maken van het correct laten verlopen van openbare aanbestedingen.

De FOD heeft mij toegelicht dat een geïntegreerd actieplan is opgesteld met negen concrete acties, die intussen zijn en worden geïmplementeerd door de FOD.

Ten eerste, er is het systematisch laten ondertekenen van een deontologische code, die ook op punt is gesteld. Ze wordt ondertekend door ambtenaren die overheidsopdrachten voorbereiden, publiceren en uitvoeren. Ook worden ze bijgehouden in een register.

Ten tweede, ambtenaren die overheidsopdrachten uitvoeren, volgen de BOSA-opleiding inzake overheidsopdrachten alsook diverse e-learningmodules met registratie van de gevolgde opleiding.

Ten derde, er wordt ingezet op nadere transparantie voor overheidsopdrachten, reeds vanaf een niveau van 5.500 euro, wat veel lager is dan het niveau dat nu wordt gehanteerd, namelijk 30.000 euro. Dat gebeurt door bijkomende stappen te integreren in het systematische gebruik van eProcurement en de verplichting om voor dergelijke overheidsopdrachten met een beperkte omvang die toch meer dan 5.500 euro bedragen, een aangepast bestek op te stellen.

Ten vierde, er komt een regelmatige sensibiliseringscampagne door de integriteitscoördinator, gericht op integriteit binnen de overheidsopdrachten, voor de doelgroep van alle ambtenaren die bij overheidsopdrachten betrokken zijn.

Ten vijfde, het beheer van toegangsrechten wordt verstrengd voor nieuwe medewerkers en medewerkers die van functie veranderen of die de FOD al dan niet tijdelijk verlaten. Dat kadert ook in de implementatie van NIS2 binnen de FOD.

Ten zesde, de governance van de G-Cloud tenant , waar mails en data worden beheerd, wordt verbeterd.

Ten zevende, er is een toelichting, en vervolgens de ondertekening door alle nieuwe medewerkers, van een verklaring ter vermijding van belangenconflicten, die in fase 2 wordt uitgebreid naar alle medewerkers.

Ten achtste, het actieplan van het inkapselingsbeleid rond de organisatiebeheersing en NIS2, met systematische meting en auditering, wordt nader gestructureerd.

Ten negende, er komt een nieuw opleidingsplan inzake integriteit, dat in een eerste fase is opgenomen in het leiderschapstraject van alle leidinggevenden van de FOD.

Dat zijn, kort samengevat, de negen punten.

U vraagt naar de ondernomen stappen om soortgelijke problemen in de toekomst te vermijden. Ik verwijs naar wat ik net heb gezegd.

Het FIA-onderzoek wordt intern continu opgevolgd door de FOD Volksgezondheid. Regelmatig vinden er ook nieuwe externe audits plaats, onder meer ook door de FIA in het kader van haar cyclische evaluaties en het jaarlijkse auditplan.

Op uw zevende vraag antwoord ik dat we begrijpen uit de bovenstaande uiteenzetting dat u met dat dossier verwijst naar de kortgedingprocedure die in augustus is ingeleid door Medista. Zoals gezegd voert de gerechtsdeurwaarder momenteel haar inventarisatieopdracht uit. Het al dan niet afronden van het dossier in lopende zaken hangt af van de voortgang van de inventarisatieopdracht en het al dan niet afronden van de overige lopende juridische procedures – bij de opvolging van de aanbevelingen van de FIA zitten ook juridische procedures – gedurende de periode van lopende zaken hangt ook af van de voortgang van die juridische procedures. Daar kan ik geen voorspelling over doen.

Sofie Merckx:

Ik heb begrepen dat de deurwaarder nog steeds bezig is met de inventarisatie. De uitspraak dateert van augustus, ondertussen zijn we half november. Klopt het dat tot nu toe geen enkele vernietiging is gebeurd, omdat die inventarisatie nog aan de gang is? Kunt u dat bevestigen?

Frank Vandenbroucke:

Ik heb mijn antwoord gegeven.

Sofie Merckx:

Ik wou even nagaan of ik het goed had begrepen.

Frank Vandenbroucke:

U kunt het nalezen, ik heb alles beantwoord.

Sofie Merckx:

Het lijkt wel een delicate vraag te zijn. U kunt toch eenvoudigweg ja of nee antwoorden. Is er al vernietigd of niet?

Frank Vandenbroucke:

Ik herlees. De FOD Volksgezondheid houdt zich aan de door de kortgedingrechter opgelegde bewarende maatregel. Die maatregel houdt in dat de FOD Volksgezondheid de voor vernietiging aangemerkte goederen beschikbaar houdt voor inventarisatie en dus niet tot vernietiging overgaat totdat de inventarisatieopdracht van de gerechtsdeurwaarder afgerond is.

Sofie Merckx:

Mijnheer de minister, is dat het geheel van de 207 miljoen euro? Is dat het geheel van de stock die u wou vernietigen of een deel van de stock? Dat is mijn vraag.

Frank Vandenbroucke:

Wij houden ons aan de door de kortgedingrechter opgelegde maatregel. Dat is bijzonder duidelijk. Dat moeten wij doen.

Sofie Merckx:

En houdt dat de hele stock in of niet? Dat is toch een eenvoudige vraag, niet?

Voorzitter:

Collega's, het is geen debat.

Sofie Merckx:

Ik begrijp dus dat er nog niets is vernietigd. Daar rijst natuurlijk een vraag. Ik veronderstel dat er moet worden betaald voor de stockage, zolang er niets is vernietigd. Dat is waarschijnlijk ook niet gratis, maar ik weet niet wie voor al die kosten moet opdraaien. De vraag is of de goedkope operatie, die is gebeurd door Movianto aan te stellen, nog zoveel goedkoper is, als wij zien hoeveel kosten ermee gepaard gaan. Voorts constateer ik ook dat de juridische veldslag met Medista nog steeds bezig is en dat daarvoor nog steeds geen oplossing is. Dat kost de belastingbetaler natuurlijk ook veel geld. Ik zal misschien nog een schriftelijke vraag indienen om iets meer details te krijgen, want ik weet niet of ik het niet heb begrepen dan wel of u niet echt wilt antwoorden.

Ik hoor dat de ambtenaar nog steeds geschorst is en dat het tuchtonderzoek nog steeds niet afgelopen is. Het is natuurlijk een spijtige zaak dat dat allemaal zo lang duurt. Voorts hoor ik dat er concrete acties zijn ondernomen naar aanleiding van de FIA-audit om ervoor te zorgen dat openbare aanbestedingen in de toekomst beter worden aangepakt.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Over dit dossier hebben we al vaker discussies gehad. Het FIA-rapport heeft ontegensprekelijk drie integriteitsschendingen vastgesteld. U vernoemt hier een maatregel die u onmiddellijk zult implementeren, met name dat u de a posteriori contacten wenst te registreren. Dat is rechtuit de legal opinion van het rescEU-project, a contrario uitgevoerd. Het was echt wel noodzakelijk om een actieplan naar voren te brengen. Ik denk dat we het daarover eens zijn. Negen punten worden aangepakt. Ik heb liever dat de tuchtprocedure grondig gebeurt en dat u echt laat onderzoeken wat er fout gelopen is, dan dat u snel snel te werk gaat. Zes maanden is inderdaad misschien lang, maar het is belangrijk dat het correct verloopt. Inzake de vernietiging vind ik het maar evident dat u als overheid de uitspraak van een rechter respecteert en dat u niet tot vernietiging overgaat wanneer bewarende maatregelen in een vonnis zijn uitgeschreven. Vandaar dat ik toch wel uitkijk naar het rapport van de deurwaarder. In dat rapport zullen we kunnen zien of er al dan niet iets vernietigd werd dat als bewijsmateriaal zou kunnen dienen. Ik heb er alle vertrouwen in dat de deurwaarder dat grondig zal bekijken. De afronding van het dossier is niet echt vernoemd, maar ik denk dat over de betaling van die facturen nog heel wat discussie zal ontstaan. De collega verwees net ook al naar de facturen van de verhuis. Daarop zullen we in de toekomst nog terugkomen. Als staat is het van belang om tot akkoorden te komen en om naar de rechter te luisteren. Dit wordt zeker nog vervolgd.

Het stilleggen van het onderzoeksschip Belgica
De juridische en budgettaire moeilijkheden i.v.m. het onderzoeksschip Belgica
Het oceanografische onderzoeksschip Belgica
De toekomst van de Belgica
De Belgica
De werkeloos aan de kaai liggende Belgica
De toekomst van de Belgica en de door de federale Staat aangespannen gerechtelijke procedure
De uitbating van de Belgica
De aan de ketting liggende Belgica
Het onderzoeksschip Belgica
Het handhaven van onze wetenschappelijke en maritieme soevereiniteit op de Belgica
De status, uitdagingen en toekomst van het onderzoeksschip Belgica

Gesteld aan

Thomas Dermine, Georges Gilkinet

op 12 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het onderzoeksschip Belgica (54 miljoen euro) ligt sinds juni 2024 stil in Zeebrugge door een conflict met exploitant Genavir, dat zich terugtrok na beschuldigingen van sociale dumping (Lets personeel onder niet-Belgische contracten) en intrekking van de vaarvergunning, met een lopende rechtszaak (volgende zitting 21 november). Van de geplande 162 vaardagen in 2024 werd amper de helft gerealiseerd, wat kritieke wetenschappelijke metingen (visserijquota, EU-verplichtingen, klimaatonderzoek) en economische schade (geannuleerde charterinkomsten) veroorzaakt, terwijl onderhoudsgebrek risico’s vormt voor het schip. Defensie kan door personeelstekort geen korte-termijnoplossing bieden, en een nieuwe aanbesteding (6-12 maanden procedure) wacht op de uitspraak; tussentijdse creatieve oplossingen (bijv. beperkt onderhoudscontract) worden gevraagd maar nog niet concreet uitgewerkt. De toekomstige regering moet kiezen tussen hernieuwd externaliseren (met strengere voorwaarden) of interne exploitatie (samen met Defensie), terwijl de huidige impasse internationaal gezichtsverlies en vertraging in mariene onderzoek veroorzaakt.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de staatssecretaris, we vernemen dat het splinternieuwe onderzoeksschip Belgica voor onbepaalde tijd voor anker zou liggen omdat de uitbater Genavir zich zou hebben teruggetrokken. Eerder stelde ik u ook al vragen over mogelijke sociale dumping aan boord van de Belgica, omdat er Letse bemanningsleden onder Lets contract zouden zijn aangesteld, wat niet compatibel is met het Maritiem Arbeidsverdrag.

Om meer inzicht te krijgen op de impact van het niet kunnen uitvaren van de Belgica, stel ik u graag de volgende vragen, mijnheer de staatssecretaris. Ik hoop op heel concrete antwoorden.

Klopt het dat Genavir zich heeft teruggetrokken? Wat is daar de aanleiding van?

Hoeveel vaardagen werden er in 2024 gepland en hoeveel vaardagen zijn er daadwerkelijk geweest?

Toen ik u eerder ondervroeg over deze kwestie, gaf u aan dat men zinnens was om de Belgica ook te charteren, waardoor er extra inkomsten zouden kunnen worden gegenereerd, tot maximaal 600.000 euro per jaar. Hoeveel dagen werd het schip gecharterd?

Welke consequenties zijn er wanneer de Belgica niet kan uitvaren? Wat met de nationale en Europese wettelijk verplichte metingen? Heeft dit impact op vergunningen voor visserij, windmolens of baggeraars? Hoe wordt dit ingeschat?

Wat is de economische impact van het stilliggen van de Belgica?

Wat is de impact op de kwaliteit en de waarde van het schip wanneer het stilligt? Wat kunnen we nog verwachten op het vlak van waardevermindering?

Ten slotte, wat dient er exact te gebeuren om ervoor te zorgen dat de Belgica zo snel mogelijk opnieuw operationeel kan zijn? Werden hiertoe al stappen gepland? Welke tijdlijn ziet u in het beste dan wel slechtste geval?

Kurt Ravyts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, de Belgica is een paradepaardje van het Belgisch wetenschappelijk onderzoek. De investering bedroeg destijds 54,5 miljoen euro. Echter, sinds juni 2024 ligt het schip blijkbaar aangemeerd aan de kade van Zeebrugge en is het niet meer uitgevaren.

Mevrouw Gijbels heeft de situatie rond Genavir geschetst. Eind 2022 werd die rederij door de Belgische regering aangesteld als exploitant van het schip. Er zijn ter zake blijkbaar veel problemen. Er is onder andere een rechtszaak aangespannen tegen de FOD Mobiliteit. De vaarvergunning werd ingetrokken. Er is nu ook een conflict met het Maritiem Arbeidsverdrag, waarvoor u trouwens werd gewaarschuwd. Dat is een eerste zaak.

De tweede zaak is het budgettaire aspect. In december 2023 was er maar een budget ingeschreven voor 128 vaardagen. U hebt toen geantwoord aan toenmalige parlementsleden dat pistes werden bekeken om het aantal vaardagen op te trekken, teneinde aldus te voldoen aan de grote vraag en teneinde de investering desgevallend volledig te laten renderen.

Ten eerste, wat is de stand van zaken in de zoektocht naar een nieuwe operator? Er is sprake van Defensie. Mijn vraag gaat dus over de aanbesteding.

Ten tweede, klopt het dat het schip in 2024 en misschien zelfs in 2025 niet meer zal uitvaren, zoals de woordvoerder van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) stelde? Dat instituut is verantwoordelijk voor de programmering van de wetenschappelijke campagnes.

Ten derde, hoe reageert u op de berichtgeving over de mogelijke dramatische impact op de verplichte wettelijke wetenschappelijke monitoring en dataverzameling?

Ten vierde, werd er voor 2024 uiteindelijk alsnog bijna 2 miljoen euro extra vrijgemaakt om de Belgica in 2024 toch 210 dagen te laten uitvaren? Hoeveel dagen werd er in 2024 uitgevaren?

Voorzitter:

Je ne vois pas M. Crucke; je passe la parole à M. Dubois.

Xavier Dubois:

Monsieur le secrétaire d'État, je ne vais pas refaire tout l'historique du dossier étant donné qu'il a déjà bien été mis en avant.

Le 24 octobre dernier, en séance plénière, une question vous a été posée et le ministre de l'Économie y a répondu à votre place. Il a mis en avant le fait que des discussions étaient en cours avec la Défense pour essayer de trouver des solutions, ou du moins de les envisager.

En séance de commission, la ministre de la Défense a mis en avant que la Marine n'avait pas le personnel pour reprendre l'exploitation du navire ni même pour en assurer l'entretien. Elle évoquait toutefois une sorte de coopération qui pourrait être réglée par protocole entre la Défense et le SPP.

Existe-t-il un protocole signé, en cours ou envisagé? Pourquoi avoir attendu si longtemps pour solliciter le support éventuel de la Défense? Quelles sont les mesures envisagées à très court terme pour assurer l'entretien du navire? Il serait dommage que ce navire qui aurait coûté près de 54 millions pourrisse à quai. Qu'attendez-vous pour lancer un nouveau marché public de concession pour avancer et avoir enfin des réponses relatives à l'exploitation et à l'entretien du navire?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de staatssecretaris, het onderzoeksschip Belgica is in 2021 gedoopt. Die Belgica werd met heel veel bombarie aangekondigd. Het heeft 54 miljoen euro gekost, het is een state-of-the-artschip, met zeer veel onderzoeksruimte. De Belgica is een zeer belangrijk schip, zowel voor Defensie als voor het wetenschapsbeleid in België.

Het schip kostte 54 miljoen en zou 30 jaar meegaan. Het is dus belangrijk dat de Belgica optimaal benut wordt. Laat dat nu precies het probleem zijn. Sinds juni 2024 ligt het schip aan de ketting in de marinebasis van Zeebrugge. Dat is geen goede zaak. Wij weten allemaal dat dit te maken heeft met mogelijke sociale dumping en het contract dat daarom door de Franse rederij Genavir eenzijdig werd opgezegd. Dit alles dwarsboomt de werking van de Belgica. Het is een drama voor het wetenschappelijk marien onderzoek.

Mijn vragen aan u zijn de volgende.

Welke stappen hebt u al ondernomen met Belspo om de Belgica zo snel mogelijk opnieuw te activeren?

Bent u actief op zoek naar een nieuwe exploitant?

Hebt u ondertussen contact opgenomen met de minister van Defensie om te bekijken of het schip op korte termijn door de diensten van de marine in gebruik genomen kan worden?

,

Aurore Tourneur:

Monsieur le secrétaire d' É tat, l'introduction relative à la situation du Belgica ayant été réalisée par mes coll è gues, j'en viens directement à mes questions.

Pouvez-vous nous retracer les événements depuis l'inspection du SPF Mobilité en décembre 2023? Comment l'opérateur Genavir a-t-il été choisi? Quels étaient les critères? Pouvez-vous nous informer de la nature des missions du Belgica qui ont été annulées en 2024? L' É tat belge risque-t-il des sanctions en raison des missions non exécutées du Belgica? Quelles sont les pertes financières associées à l'immobilisation du navire et à l'annulation de ses missions?

Dans un même ordre d'idées, lors de la séance plénière du 24 octobre dernier, le ministre Dermagne a déclaré en votre nom que l' É tat fédéral entendait contraindre Genavir via une procédure judiciaire à assurer un entretien périodique minimal du Belgica afin de limiter les dégâts au navire et sa détérioration potentielle.

Où en est cette procédure judiciaire? Qui se charge de l'entretien du navire en attendant les résultats de cette procédure? Des entretiens ont-ils eu lieu depuis que le bateau est à quai? Sinon, quand devraient-ils avoir lieu?

Farah Jacquet:

Monsieur le secrétaire d'État, le samedi 19 octobre 2024, l'Institut royal des Sciences naturelles de Belgique indiquait que l’opérateur français Genavir avait résilié unilatéralement le contrat qui le liait avec Belgica, notre navire de recherche océanographique.

Selon Genavir, cette résiliation fait suite à une visite d’inspection du SPF Mobilité et Emploi en décembre 2023 à la suite d'une plainte pour dumping social. Les services d’Inspection avaient alors conclu que les membres d’équipage devaient avoir des conditions de travail conformes à la législation belge, ce qui n’était pas le cas étant donné que des marins français et lettons étaient employés sous des contrats de travail de leur pays d’origine. Toujours selon Genavir, aucune solution n’a pu être trouvée avec l’Inspection et Belspo. L’opérateur n’aurait alors pas eu d’autre choix que de résilier le contrat.

Pourtant, selon Belspo, Genavir avait eu "plusieurs occasions de tout régler" à la suite des conclusions de l’inspection, ce qui n'a pas été fait.

Par conséquent, le Belgica se retrouve à quai depuis des mois au port de Zeebrugge. C'est regrettable car le Belgica est une référence au sein de la flotte de recherche européenne et est surtout un navire essentiel pour étudier les effets du dérèglement climatique, avec des missions importantes qui passent à la trappe, comme celle programmée au pôle Nord.

Monsieur le secrétaire d'État, où en sommes-nous actuellement? Comment expliquez-vous qu’un navire sous pavillon belge et sous le commandement opérationnel du ministère de la Défense belge soit exploité par une société privée française qui emploie des marins lettons sous contrats de travail lettons? Qu'est-ce que c'est que cette construction "public-privé" qui se traduit encore par du dumping social et une dégradation des missions de service public? Qu’avez-vous entrepris pour qu’une solution se dégage rapidement et éviter que le Belgica reste à quai de nombreux mois encore? Genavir aurait entamé une action en justice contre le gouvernement fédéral. Qu’en est-il? Concrètement, quelles missions sont annulées à la suite du retrait de l’opérateur? Enfin, que faites-vous actuellement pour résoudre la situation?

Hugues Bayet:

Monsieur le secrétaire d' É tat, le navire scientifique belge Belgica est, depuis quelques mois, un navire sans équipage. En effet, son opérateur privé, l’armateur français Genavir, a résilié unilatéralement le contrat qui le liait à l’Institut royal des sciences naturelles de Belgique (IRSNB).

En 2024, le navire de recherche n’a pu naviguer qu’un tiers du temps. Une expédition au pôle Nord est notamment tombée à l’eau. C'est vraiment dommage, car avec ses 400 mètres carrés d’espaces de laboratoire et ses instruments de mesure très modernes, le Belgica fait office de pointure au sein de la flotte de recherche européenne.

Des suspicions de dumping social et de violences sexuelles seraient la cause du début de la crise entre la politique scientifique et l’armateur privé.

Monsieur le secrétaire d’ É tat, pouvez-vous nous confirmer cette information? Quelles mesures avez-vous prises pour résoudre cette situation délicate?

Enfin, l’avenir de la politique scientifique fédérale serait menacé par des coupes budgétaires drastiques, si j'en crois ce qui a déjà fuité des négociations en vue de former le futur gouvernement. Ce serait, selon mon groupe, un détricotage complet d’une politique importante pour la recherche, la conservation et la mise en lumière du patrimoine, le devoir de mémoire, mais aussi la science de manière générale. Avez-vous un peu plus d’informations à ce sujet?

Gilles Foret:

Monsieur le secrétaire d'État, la situation du navire de recherche Belgica suscite de vives inquiétudes, comme en témoignent les nombreux témoignages et questions posées aujourd'hui. Ce dossier est d'autant plus préoccupant qu'il a un impact direct sur nos ambitions scientifiques, environnementales et stratégiques.

Pour le Mouvement Réformateur, je rappelle qu'il est impératif d'assurer cette continuité et, surtout, la souveraineté de nos infrastructures de recherche, dans le respect des normes internationales et avec toute la transparence que cela nécessite.

Monsieur le secrétaire d'État, mes questions sont dans la continuité de celles qui viennent d'être posées. Elles concernent les mesures concrètes que votre département prévoit pour garantir le retour rapide du Belgica et assurer la continuité et la souveraineté de nos infrastructures.

En outre, j'ai des questions plus précises concernant les accusations de dumping social. Pourriez-vous nous en dire un peu plus? Comment pouvons-nous respecter le droit des équipage à bord du Belgica mais aussi, plus largement, celui des équipages des navires sous pavillon belge?

Thomas Dermine:

Collega's, dank u voor uw vragen. Ik zal een globaal antwoord geven, met drie luiken. Het eerste luik gaat over de context en de aanvankelijke problemen in dit dossier.

Le deuxième paquet concernera "Les missions suspendues et leurs impacts" et le troisième les "Pistes de solution" établies à ce stade.

Venons-en d'abord au contexte et aux problèmes initiaux.

Comme vous l'avez soulevé dans vos questions, le navire de recherche Belgica se trouve à quai à Zeebrugge depuis juin 2024. Cette immobilisation résulte de la suspension de la licence de l'opérateur français Genavir qui a fait suite à des accusations de dumping social et de non-respect de la Convention du travail maritime. Genavir a unilatéralement interrompu l'exécution du contrat le 6 juin dernier mais le contrat entre l' É tat belge et Genavir – c'est important pour la suite – n'a pas été résilié à ce stade. Genavir a été mis en défaut à plusieurs reprises par mes services dans l'exécution du contrat.

De reden voor Genavir om het contract stop te zetten, is een dispuut rond arbeidsregels. Daarnaast haalt Genavir een aantal andere redenen aan die door BELSPO werden weerlegd.

Concernant l'emploi des marins non belges, le cahier des charges initial autorisait le tiers à employer des membres de l'équipage ayant la nationalité d'un pays de l'Union européenne à condition de respecter la législation belge, en particulier celle qui s'applique aux travailleurs maritimes.

Une procédure judiciaire a immédiatement démarré le 18 juin dernier.

Une première séance au tribunal de première instance de Bruxelles s'est tenue au début du mois de septembre. Un calendrier y a été acté. La prochaine séance au cours de laquelle l'affaire sera plaidée est prévue le 21 novembre prochain. Au cours de cette procédure, nous demandons à tout le moins que Genavir exécute l'entretien du Belgica, comme le prévoit le marché, afin d'éviter toute détérioration du navire. Comme il s'agit d'une affaire qui est en cours devant les tribunaux, je m'abstiendrai à ce stade de la commenter plus en détail.

J'en viens au deuxième volet des missions suspendues et à leur impact.

In totaal waren er in 2024 162 wetenschappelijke vaardagen gepland. De meeste campagnes werden gepland in de tweede helft van 2024 omdat verschillende buitenlandse instellingen interesse hadden om de Belgica te charteren in de eerste helft van 2024. Deze campagnes werden uiteindelijk echter geannuleerd als gevolg van budgettaire beperkingen binnen de geïnteresseerde instellingen.

Nous reconnaissons toute la gravité de la situation et l’impact qu’a l’accostage du Belgica sur la surveillance scientifique légalement requise. L’annulation de certaines missions entraîne des répercussions significatives sur la recherche scientifique et le monitoring environnemental en Belgique, notamment sur les quotas de pêche et sur certaines obligations environnementales vis-à-vis de l’Union européenne.

La suspension des activités entraîne également des conséquences directes pour des scientifiques belges, des doctorants belges, dont les recherches sont retardées.

Avec la suspension des activités par Genavir, c’est tout le planning du second semestre 2024 qui est à reprogrammer dans les plus brefs délais.

Ik kom tot het derde luik, over onze zoektocht naar oplossingen.

Ik kan u verzekeren dat parallel aan de juridische procedure op verschillende pistes wordt verder gewerkt, ook nu de regering in lopende zaken is. Mijn administratie heeft contact opgenomen met Defensie om zo snel mogelijk een oplossing te vinden. Defensie is een constructieve partner, maar kan op dit moment door een gebrek aan personeel niet op korte termijn helpen. Er lopen echter gesprekken om samen zo snel mogelijk een oplossing te vinden.

Le prochain gouvernement devra se prononcer sur le modèle opérationnel à mettre en place: soit des opérations assurées en interne en collaboration avec la Défense, qui nécessiteraient des moyens supplémentaires pour la Défense afin d'assurer cette mission, soit un nouveau marché public avec un opérateur externe.

Je rappelle que la décision d'externaliser à un tiers, à savoir Genavir, les opérations du Belgica est un choix du gouvernement MR-N-VA lors de la législature 2014-2019. Nous n'avons fait, durant la dernière législature, qu'opérationnaliser ce choix de faire appel à un prestataire externe. Aujourd'hui nous devons assumer les conséquences liées à l'instabilité de ce modèle, que nous devrons peut-être évaluer pour définir la solution à l'avenir.

Par ailleurs, il est à noter que nous ne pouvons pas lancer de nouveau marché public à ce stade parce que la procédure est en cours au tribunal. Nous ne pouvons pas lancer le nouveau marché avant que celui-ci ait rendu sa décision. Si le prochain gouvernement souhaite relancer un nouveau marché public, il faudra compter entre 6 et 12 mois avant qu'un nouveau contractant puisse commencer. Les critères de sélection dans le marché initial portaient sur l'aptitude à exercer l'activité professionnelle concernée, la portée financière et économique, la compétence technique et professionnelle.

Monsieur Bayet, concernant votre question sur l'avenir de la Politique scientifique, il ne m'appartient pas en commission d'évaluer ou d'émettre un jugement sur les lignes du prochain gouvernement, pour peu qu'il y en ait. Néanmoins, je rejoins votre constat que j'ai eu le privilège de diriger la Politique scientifique qui contribue à certaines missions essentielles en matière scientifique, de préservation, en matière spatiale aussi. Adopter une lecture communautaire sur ces matières qui, par essence, relèvent du niveau fédéral, serait mettre un pied dans quelque chose qui, potentiellement, peut porter atteinte à des compétences essentielles de notre pays.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de staatssecretaris, ik dank u voor het antwoord.

Ik vind het heel erg gemakkelijk om nu te verwijzen naar de vorige en de volgende regering. In de vorige legislatuur heb ik de verslagen van de Inspectie van Financiën opgevraagd, die aan uw regering zijn voorgelegd. Die verslagen waren niet min. Die wezen op een heel onduidelijk en complex exploitatiemodel, waarover niemand het blijkbaar eens werd. Die aanbestedingsprocedure heeft men ook nodeloos lang laten aanslepen. Ik denk dat er echt heel veel fout is gelopen in uw legislatuur, mijnheer de staatssecretaris.

In dat dossier werd ook veel te weinig garantie gevraagd met betrekking tot de bemanning, de brandstofvoorwaarden en de expedities. U zegt dat dit nu ten onrechte als een communautaire zaak wordt geduid. Het zijn wel de Vlaamse instellingen die hiervan nu de dupe zijn. Dit gaat ten koste van de Noordzee. Dit heeft expliciet gevolgen voor onderzoek, voor onze verplichtingen. Dit doet ons internationaal gezichtsverlies lijden.

We hebben nu zo'n duur splinternieuw schip met hoogtechnologische apparatuur aan boord en we kunnen er niets mee. Men zegt zelfs dat er ook volgend jaar niets mee kan gebeuren. Dat is echt een groot probleem, mijnheer de staatssecretaris. Het is al te gemakkelijk om nu naar de vorige en de volgende regering te verwijzen.

Viel de timing van het stilleggen van het schip toevallig ook tijdens de nationale verkiezingen? Moest het zo lang in vaart blijven zodat niemand iets zou merken voor de verkiezingen? Dat doet ook echt de wenkbrauwen fronsen.

U hebt er altijd voor gepleit dat het federale wetenschapsbeleid ook federaal zou blijven. U zou dan beter hebben aangetoond dat het ook werkt en dat hebt u niet gedaan. Het spijt mij.

Kurt Ravyts:

Mijnheer de staatssecretaris, het gaat inderdaad om een heel triestig dossier. Ook ik ben enigszins ontgoocheld in uw antwoord, waarin u de vlucht vooruit neemt. U begint over de vorige Zweedse regering, die het exploitatiemodel zou hebben opgestart. Ik merk echter een verwaarlozing van het dossier onder uw verantwoordelijkheid. Ik merk ook onderfinanciering.

Uiteraard stelt onze partij zich vragen bij het federale wetenschapsbeleid. Het bewuste dossier toont immers aan hoe het eigenlijk niet moet. Inzake het wetenschapsbeleid op zee is er ook de Simon Stevin, een Vlaams onderzoeksschip. De Belgica kan gerust worden geregionaliseerd.

Xavier Dubois:

Monsieur le secrétaire d' État , je vous remercie pour vos réponses, que vous avez structurées en trois chapitres, mais qui me déçoivent plutôt.

En effet, le dernier volet aborde les pistes de solution, qui n'existent cependant pas. Vous avez évoqué une collaboration avec la Défense. Or la main-d'œuvre est insuffisante pour pouvoir l'assurer. Quant à la conclusion éventuelle d'un nouveau marché, il faudra attendre une décision judiciaire. C'est vraiment problématique, parce qu'il faudra attendre des mois avant que la moindre initiative ne soit prise. Ne peut-on quand même pas imaginer un marché qui soit différent du marché initial? Il est nécessaire que ce patrimoine de plusieurs dizaines de millions d'euros soit entretenu, car on ne peut pas le laisser pourrir à quai.

Il faut creuser davantage, parce qu'on ne peut pas se contenter de dire qu'on va attendre une décision de justice pour agir. Il importe donc de se montrer créatif et inventif en vue d'attribuer un marché pour l'entretien. Ce doit pouvoir être justifiable au regard d'un tel patrimoine de l' État.

Je vous remercie, en tout cas, pour la suite que vous apporterez à ce dossier.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de staatssecretaris, ik dank u voor uw antwoord.

Als ik het goed heb begrepen, hebt u op 18 juni meteen de procedure opgestart en zal er op 21 november een nieuwe zitting voor de rechtbank zijn. U hebt dus snel geschakeld, zeker toen in juni al bleek dat het schip stillag in Zeebrugge. Dat is een goede zaak, maar ik ben het eens met de collega van Les Engagés dat we niet mogen wachten op juridische procedures. Een juridische procedure moet worden nageleefd, maar we moeten creatief zijn en kijken of we in de tussentijd geen oplossingen kunnen vinden om dat schip opnieuw operationeel te maken.

Wat betreft de missies, u hebt gezegd dat er voor 2024 in normale omstandigheden 162 vaardagen gepland waren. Het schip heeft een maximale capaciteit van 300 vaardagen, dus dat is maar iets meer dan de helft daarvan, wat veel te weinig is. Op die manier benutten we dat schip niet optimaal en voeren we niet voldoende marien wetenschappelijk onderzoek uit. Als men 54 miljoen investeert in zo'n schip, dan kan men daar heel nuttig werk mee doen. Ik betreur die zaak.

Wat de oplossingen betreft, ik begrijp dat u gesprekken voert met Defensie, maar dat er een personeelsprobleem is. Ook dat betreur ik, zeker omdat het schip altijd een hulpschip van Defensie is geweest. Het voert een aantal ondersteunende taken uit op de Belgische Noordzee, een zone met heel veel kritieke infrastructuur waarvan de veiligheid moet worden gegarandeerd.

Ik dring er dus op aan om intensief te blijven spreken met Defensie en na te gaan of er met de minister van Defensie niet naar een oplossing kan worden gezocht, zodat het als hulpschip van Defensie kan blijven functioneren. Een state-of-the-artschip van een dergelijke omvang mag toch niet volledig stilliggen.

Aurore Tourneur:

Merci, monsieur le secrétaire d' É tat, pour cette rétrospective et les questions auxquelles vous avez répondu. Deux de mes questions demeurent néanmoins en suspens, à savoir l'éventuel risque de sanctions à l'encontre de l' É tat belge eu égard aux missions non exécutées et les pertes financières associées à l'immobilisation du navire. Comptez donc sur moi pour continuer à vous poser des questions tant que vous serez en fonction et responsable de ces mati è res.

Farah Jacquet:

Merci, monsieur le secrétaire d' É tat, pour vos réponses.

J'entends que vous cherchez des solutions, ce qui est positif. Néanmoins, rien de concret ne semble se dessiner et c'est insatisfaisant. Vous le savez, le Belgica est une référence au niveau international avec plus de 400 m 2 de laboratoires et d'instruments de mesure modernes. L'immobilisation à quai du navire est une conséquence directe de la recherche incessante du gouvernement de réduction d es coûts et d'externalisation de ses missions vers le privé. Ce navire se voit donc contraint à mettre sur pause ses différentes missions qui visent à faire progresser les connaissances scientifiques sur nos mers et océans. C'est évidemment regrettable et une solution doit rapidement être trouvée. Nous vous demandons donc de faire le maximum pour que le Belgica reprenne ses explorations le plus rapidement possible. Il serait en outre souhaitable de mettre fin aux partenariats public-privé qui sont douteux, ne fonctionnent pas et ne profitent pas au public.

Enfin, je voudrais profiter de ma prise de parole pour souligner combien les investissements dans notre Politique scientifique à travers BELSPO et les différentes institutions sont essentiels. BELSPO est synonyme d'expertise renommée dans des domaines tels que l'astronomie, la paléontologie, la climatologie, la météorologie ou les sciences de la Terre. Au vu des inondations dramatiques en Espagne, je ne puis envisager que des partis ici présents souhaitent faire des économies dans ces domaines. Nous ne laisserons pas la Politique scientifique de la Belgique être détruite.

Hugues Bayet:

Monsieur le secrétaire d'État, il n'a en effet pas été facile pour vous de gérer ce dossier car, sous l'ancien gouvernement, la N-VA avait tout fait pour essayer de mettre fin au Belgica. Le dossier étant en cours de procédure judiciaire, nous attendrons d'en connaître les résultats pour agir, mais d'ici là toutes les pistes doivent être envisagées. Il s'agit d'un fer de lance de la Politique scientifique belge, reconnu dans toute l'Europe, tant pour les fonds marins que sous-marins.

Je vous enjoins de rester très attentif à ce dossier. Il nous a été promis un gouvernement des droites très rapidement, et nous voyons que ce n'est pas le cas. Donc vous risquez de rester aux commandes encore quelque temps. Ce serait une bonne chose de trouver des solutions concrètes pour le Belgica.

Gilles Foret:

Monsieur le secrétaire d'État, je vous remercie pour vos précisions et vos rétroactes politiques au sujet de la Politique scientifique.

Je reste évidemment préoccupé par la perte d'opportunités scientifiques et les conséquences stratégiques de cette crise. Nous espérons une solution rapide, où des alternatives pourront être trouvées. Nous privilégions une solution rapide et durable remettant en place le Belgica afin qu'il reprenne son rôle essentiel. Entre-temps, il est important que toutes les opérations qui permettent de préserver l'outil – l'entretien du navire, mais aussi de tous ses instruments – soient réalisées. Il faudra qu'il soit opérationnel dès qu'il pourra reprendre la mer, et nous savons que l'inactivité peut parfois entraîner des avaries.

Thomas Dermine:

Monsieur le président, je voudrais reprendre la parole pour conclure et afin de répéter certains éléments essentiels. Il s'agit d'un dossier qui est effectivement important, dans lequel l'État belge a investi et qui comporte des aspects critiques pour le monitoring de certaines données en mer du Nord et pour des missions scientifiques. Une prochaine session aura lieu au tribunal la semaine prochaine, le 21 novembre. Afin d'éviter que le matériel soit dégradé, il est essentiel que nous fassions en sorte que certaines missions confiées à Genavir concernant l'entretien du navire soient prestées indépendamment de la poursuite de la procédure judiciaire. Cette préoccupation de ma part est tout à fait légitime. Nous sommes dans une période politique particulière avec la formation d'un nouveau gouvernement. Celui-ci devra se positionner sur la clôture du dossier juridique et la relance d'un nouveau marché pour un opérateur tiers, tout en gardant en tête la complexité opérationnelle de gérer ce type de marché avec un partenaire privé pour l'exploitation du navire ou l'octroi à la Défense d'une mission spécifique, en sachant que nous avons de nombreuses synergies avec la Défense, y compris des missions d'écolage ou des missions annexes à d'autres sur des navires militaires qui ressemblent fort au Belgica dans leur conception. Ces deux options doivent être examinées par le prochain gouvernement fédéral et vu le timing très particulier avec la formation d'un gouvernement, la question est assez essentielle. En tout cas, nous sommes extrêmement vigilants sur la question de l'entretien du navire durant la phase judiciaire.

Het Belgische onderzoeksschip Belgica

Gesteld door

PVDA Robin Tonniau

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgica II, België’s cruciaal maritiem onderzoeksschip voor klimaatstudie, visserijonderzoek en windparkvoorbereiding, ligt sinds juni stil door een gefaald privatiseringscontract met Franse uitbater Genavir, die juridisch procedeert en het contract opzegde. Defensie (dat 3 officieren detacheert) kan de uitbating niet overnemen door personeelsgebrek, terwijl het vorige schip (Belgica I) wel functioneerde via een protocolakkoord tussen Defensie en Wetenschapsbeleid—een model dat nu als oplossing wordt voorgesteld om de 13 afgelaste missies in 2024 en dreigend stilstand in 2025 te voorkomen. De regering wordt verantwoordelijk gehouden voor de impasse door de keuze voor private uitbating, die leidde tot sociale uitbuiting en operationele stilval, zonder duidelijke oplossing of tijdspad voor heropstart.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, hoewel België een zeer bescheiden kustlijn heeft, betekenen we wel iets op wereldschaal qua scheepvaart. Denk daarbij bijvoorbeeld aan onze havens, onze baggeraars, maar ook ons maritiem onderzoeksschip, de Belgica. We mogen daar echt fier op zijn.

De onderzoekscapaciteit van de Belgica op zee is zeer belangrijk om de klimaatverandering te monitoren, minder schadelijke vistechnieken te ontwikkelen, de vispopulatie in kaart te brengen en de zeebodem te onderzoeken voor bijvoorbeeld de bouw van windmolenparken op zee. De Belgica biedt ook duizenden studenten de kans om zee-ervaring op te doen. Tot slot is de Belgica ook een hulpschip. De Belgica kan dus door Defensie worden ingezet in oorlogssituaties om andere schepen te helpen bevoorraden of te evacueren.

De Belgica ligt echter al sinds juni werkloos aan de kaai in Zeebrugge. We weten dat de Franse uitbater Genavir eenzijdig het uitbatingscontract heeft opgezegd en zelfs een juridische procedure heeft opgestart tegen de Belgische overheid. De PVDA heeft op 23 januari staatssecretaris Dermine al gewaarschuwd dat deze constructie van private uitbating voor problemen zou zorgen. Een Belgisch onderzoeksschip, dat onder andere werkt met gedetacheerd personeel van Defensie, laten uitbaten door een Franse privéfirma die op haar beurt Lets personeel aan boord neemt, is vragen om problemen. Dat is vragen om sociale uitbuiting. Datgene waarvoor wij hebben gewaarschuwd is nu gebeurd: de Belgica ligt stil.

Ons vorige onderzoeksschip, de Belgica I, hebben we aan Oekraïne geschonken. Het huidige schip ligt stil in juridisch pakijs. Die juridische problemen zijn het gevolg van de slechte regeringsbeslissing om de uitbating van de Belgica uit te besteden. Dat gebeurde om geld te besparen. De Belgica is nu een schip zonder bemanning, tenzij Defensie de uitbating ervan overneemt.

Hebt u reeds overleg gepleegd met staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Dermine over de inzetbaarheid van de Belgica? Wat was het resultaat daarvan? Komt het vaarprogramma van de Belgica voor 2025 in gevaar?

Defensie detacheert personeel voor de Belgica. Hoeveel personeel wordt er gedetacheerd en wat doen deze mensen vandaag? Zijn zij momenteel aan boord van de Belgica?

Kan Defensie de uitbating van de Belgica niet overnemen zodat het onderzoeksschip terug kan uitvaren? Hoeveel personeelsleden zouden daarvoor nodig zijn?

Wie stond er in voor de uitbating van de vorige Belgica?

Ludivine Dedonder:

De Belgica is eigendom van de POD Wetenschapsbeleid. Ten gevolge van de problemen op het vlak van uitbating en onderhoud van het schip heeft de marine al overleg gepleegd met de betrokken diensten over mogelijke oplossingen om het vaarprogramma voor 2025 en 2026 te kunnen realiseren. Het vaarprogramma wordt samengesteld onder leiding van de operationele directie van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. De marine detacheert een team van drie officieren: de gezagvoerder, de eerste officier en een navigator. Zij voeren enkel de opdrachten uit zoals toegestaan door de uitbater van het schip.

De marine beschikt momenteel niet over het personeel om de uitbating van de Belgica te kunnen overnemen, noch tijdens de vaarperiodes, noch tijdens de onderhoudsperiodes aan wal.

De samenwerking tussen Defensie en de POD voor de uitbating van de vorige Belgica werd geregeld in een protocolakkoord waarbij Defensie instond voor de coördinatie van de uitbating en van het onderhoud.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, ik onthoud dat de situatie redelijk ingewikkeld is en dat er geen oplossing is. De vivaldiregering heeft deze ingewikkelde situatie zelf gecreëerd door voor die private uitbating te kiezen. Dat was fout. Zoals u hebt aangegeven, was er voor de vorige Belgica een protocol met Defensie. De Belgica I kon uitvaren, de Belgica II ligt nu stil. Er is geen enkele visie en we weten niet wanneer de Belgica II zijn opdrachten opnieuw kan vervullen. Dit jaar zijn er al 13 wetenschappelijke missies afgelast door personeelsgebrek, door gebrek aan visie en door slechte regeringsbeslissingen. De volgende missie moet starten op 19 november. Er is 90 % kans dat die ook niet doorgaat. Wanneer zal het stoppen? U hebt gezegd dat de vaarprogramma’s misschien niet in gevaar komen, maar wat is de oplossing? Ik stel voor om het protocolakkoord voor de Belgica I te verlengen en toe te passen op de Belgica II, zodat het schip kan uitvaren.

Het verhogen van het aantal uren studentenarbeid

Gesteld door

N-VA Axel Ronse

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De tijdelijke verhoging van studentenarbeid van 475 naar 600 uur (2023-2024) loopt eind 2024 af, maar de evaluatie over de impact op sociale zekerheid en arbeidsmarkt is nog niet afgerond, aldus minister Vandenbroucke, die de beslissing bij een toekomstige regering met volmacht legt. Axel Ronse vreest een terugval naar 475 uur in 2025 door regeringsvormingsvertraging en diende alvast een wetsvoorstel in om 600 uur structureel te behouden, maar wil de evaluatie afwachten voor verdere stappen. De kernkwestie draait om de balans tussen flexibiliteit voor studenten en sociale zekerheidsgevolgen.

Axel Ronse:

Aangename kennismaking, mijnheer de minister. Ik heb voor u een vraag over de studentenarbeid. De federale regering in lopende zaken heeft in 2022 bepaald dat studenten 600 uur onder het statuut van jobstudent kunnen werken. Aangezien dat een maatregel voor twee jaar was, loopt die regeling binnenkort af. Men zou vooraleer die maatregel afloopt een evaluatie maken om na te gaan of die al dan niet verlengd kan worden.

Mijn vraag is vrij eenvoudig. Is die evaluatie al klaar en kunt u er iets meer over zeggen?

Frank Vandenbroucke:

Aangename kennismaking, mijnheer Ronse. U weet dat studenten sinds 2017 tot 475 uur per jaar kunnen werken zonder onderworpen te zijn aan de sociale zekerheid voor werknemers. De studenten en hun werkgevers betalen dus niet de normale sociale bijdrage, maar een beperkte solidariteitsbijdrage.

Voor de jaren 2023 en 2024 heeft de regering dat aantal uren verhoogd naar 600 uur per jaar. Dat was uitdrukkelijk een tijdelijke oefening. Indien studenten meer willen werken dan 600 uur, kunnen ze dat, maar dan zijn ze de normale sociale bijdragen verschuldigd. Zoals voorzien was in het koninklijk besluit van 19 december 2022, moet deze maatregel eerst grondig worden geëvalueerd. Mijn collega Dermagne en ik hebben onze administraties belast met de evaluatie van de effecten op de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt van de verhoging van het aantal uren.

Ik moet u teleurstellen, want uw vraag komt in zekere zin net iets te vroeg. De evaluatie wordt op dit moment afgerond en ik hoop dat we die relatief snel in handen zullen krijgen. Het is natuurlijk aan de volgende regering, met volheid van bevoegdheden, om op basis van die evaluatie te beslissen of de regeling verlengd of aangepast wordt, met het oog op het goed inkaderen van studentenarbeid in ons sociaal bestel.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, het enige punt is dat de maatregel eind dit jaar vervalt, waardoor we vanaf 2025 terugvallen op 475 uur. Het is nog niet geheel duidelijk, en vandaag misschien zelfs nog onduidelijker dan vorige week, of er tegen januari 2025 een nieuwe regering met volheid van bevoegdheid zal zijn. Ik zal zelf niet wachten op de evaluatie en alvast een wetsvoorstel indienen om die 600 uur voor de komende jaren mogelijk te maken. Uiteraard hoop ik dat de evaluatie de komende weken het Parlement binnenkomt, zodat die samen met het wetsvoorstel behandeld kan worden. Het lijkt me nuttig om de inhoud ervan te kennen vooraleer we iets doen.

De medewerking van de datingapps bij strafonderzoeken

Gesteld door

PS Khalil Aouasti

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende toename van afpersing en geweld via datingapps zoals Grindr, waar daders misbruik maken van anonymiteit en slachtoffers vaak geen klacht indienen uit angst voor outing of wantrouwen tegenover politie. België heeft sterke wetgeving (art. 46bis/88bis Strafvordering) die platforms verplicht mee te werken, maar vertragingen ontstaan door internationale rechtshulp, vooral bij niet-EU-platforms (bv. Grindr in China); een EU-kader (2026) moet dit versnellen. Preventie ligt bij het *Centrum voor Cybersecurity* (sensibilisering) en de platforms zelf (detectie fake profielen, steun aan slachtoffers), maar Aouasti pleit voor strengere EU-maatregelen, zoals verbod op niet-meewerkende apps om daders buiten anonymiteit te dwingen. Van Tigchelt benadrukt Belgische/Europese voorlopersrol, maar erkent uitdagingen bij handhaving buiten de EU.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, je sais que ce débat a déjà eu lieu sous d'autres formes mais l'on constate une augmentation alarmante de "guet-apens" organisés par des individus malintentionnés utilisant des applications de rencontres homosexuelles telles que Grindr.

Le modus operandi est simple, un rendez-vous est donné à un utilisateur dans un point donné, souvent un parc, via un faux profil. Sur le lieu de rencontre, l'utilisateur de l'application se fait agresser, extorquer, etc. Les auteurs de tels faits crapuleux se drapent derrière l'anonymat garanti par ces plateformes et singulièrement sur Grindr, et cela au détriment de la victime, souvent vulnérable.

En effet, très peu d'entre elles déposent plainte soit parce qu'elles craignent qu'une telle procédure ne révèle leur orientation sexuelle, soit parce qu'elles ne souhaitent pas se dévoiler, ou par méfiance à l'égard de la police.

Les plateformes de rencontre ont un rôle très important à jouer tant dans la prévention de ces crimes que dans leur répression.

Monsieur le ministre, quelles sont les mesures de prévention qui sont imposées à des plateformes de rencontre comme Grindr afin d'éviter la survenance de telles attaques? Quelles sont celles qui pourraient être imposées?

La collaboration de Grindr et des autres applications de rencontre dans les enquêtes pénales est nécessaire afin de faire avancer les dossiers pénaux. Quel est le degré de collaboration de ces plateformes avec les parquets et les procureurs du roi ainsi qu'avec les juges d'instruction dans le cadre des informations et des instructions?

À défaut de collaboration optimale, estimez-vous que des avancées législatives doivent être entreprises pour contraindre ces plateformes à lever l'anonymat de ces faux profils?

Paul Van Tigchelt:

La problématique des applications de rencontre utilisées pour voler des personnes qui ne se doutent de rien est un phénomène qui a malheureusement coûté la vie à une victime ces derniers mois. Ce phénomène doit nous préoccuper et me préoccupe tout particulièrement.

Je demande donc à tous les utilisateurs de toujours signaler toute infraction, harcèlement, violence homophobe, extorsion, viol, etc. rencontrée sur Grindr, Tinder et autres.

Nous disposons de services de police et de magistrats professionnels et la diversité est intégrée dans ces organisations. La méfiance, la peur ou la honte ne devraient pas constituer un obstacle.

Pour répondre à votre deuxième question, la Belgique dispose d'une législation performante et ambitieuse en matière de coopération avec les plateformes internet. Certes, les résultats ne sont pas toujours ceux qui ont été escomptés, mais la législation existe bien. Les articles 46 bis et 88 bis du Code d'instruction criminelle imposent une obligation de coopérer à toutes les applications accessibles depuis le territoire belge, indépendamment du lieu d'établissement de l'application en question. À ce jour, aucun cas de refus n'a été enregistré de la part de sites de rencontre. Les fournisseurs de ces applications ont en effet tout intérêt à veiller à ce que les utilisateurs puissent s'en servir en toute sécurité. Cependant, si certaines applications acceptent de coopérer directement avec les autorités belges, d'autres imposent de recourir à l'entraide juridique avec le pays où elles sont établies. Cela retarde considérablement – et c'est un euphémisme – les enquêtes. La Belgique a travaillé activement à l'élaboration d'une approche européenne. Ce travail a débouché en 2023 sur l'adoption d'un cadre législatif européen ayant pour objectif de permettre la coopération directe entre les autorités judiciaires et les fournisseurs de services sur internet. Ce nouveau cadre unifié concernant l'accès aux preuves électroniques entrera en vigueur le 17 août 2026.

Quant à votre première question, les mesures préventives relèvent plutôt de la compétence du Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB). Nous savons qu'il travaille de manière proactive en menant des campagnes de sensibilisation à destination des victimes potentielles. Je note que le règlement européen sur les services numériques contient des mesures intéressantes pour lutter contre les contenus homophobes et haineux. Bien entendu, il est évident que ces plateformes peuvent faire beaucoup: informer et avertir avec exactitude les utilisateurs, détecter et bloquer les profils douteux, soutenir les utilisateurs victimes, etc. Beaucoup de choses sont donc possibles. Voilà un autre exemple de la nécessité d'une approche européenne pour s'engager dans un dialogue avec les plateformes. Vous conviendrez que notre pays joue un rôle pionnier en la matière.

Khalil Aouasti:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Nous avons effectivement une législation qui est bonne et un cadre européen qui est intéressant. Malheureusement, on sait aussi que parfois, ces plateformes se situent dans un cadre qui est juste extra-européen que ce soit au Royaume-Uni, aux É tats-Unis ou, comme dans le cas de Grindr, en Chine. Et dans ces matières-l à , on se retrouve avec des coopérations judiciaires tr è s compliquées si ces opérateurs ou ces plateformes ne souhaitent pas collaborer. Au regard des développement inquiétants qui se font jour, je pense qu'il faut pouvoir évaluer notre législation dans un cadre européen et voir quelles sont les possibilités d'interdiction de territoire européen de certaines plateformes qui ne jouent pas le jeu dans le cas où il n'y aurait pas à tout le moins de coopération, et cela d'initiative ou sur réquisition. Je pense qu'il faut pouvoir le dire puisque la fuite extra-européenne rend parfois compliquée la poursuite des auteurs qui se cachent derri è re cet anonymat.

De toekomst van studentenarbeid
De verhoging van het aantal uren studentenarbeid
Toekomst studentenarbeid en -uren

Gesteld aan

Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)

op 24 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de toekomst van studentenarbeid vanaf 2025, waar de huidige tijdelijke verhoging van 600 uren (vs. 475 uren) dreigt terug te vallen naar de oude regeling. Van Quickenborne en Ronse pleiten voor behoud of uitbreiding van de 600 uren, wijzend op het succes voor studenten, werkgevers en vaardigheidsontwikkeling, terwijl minister Dermagne benadrukt dat de evaluatie nog loopt en waarschuwt voor risico’s voor studiesucces en jongerenwerkloosheid. Concrete actie wordt gevraagd via wetsvoorstellen, met kritiek op het ontbreken van urgentie bij de regering.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de voorzitter, collega’s, mijnheer de vice-eersteminister, studentenarbeid is populair in ons land. Sinds kort bedraagt het aantal studentenjobs meer dan een miljoen in ons land. Dat is een goede zaak. Studenten kunnen immers een cent bijverdienen, namelijk 3.000 euro gemiddeld per studentenjob. Een dergelijke job is ook belangrijk omdat studenten op die manier skills aanleren. Mijn eerste studentenjob was het vullen van cementzakken en het inpakken van matrassen. Ik weet niet wat uw eerste studentenjob was.

Studentenarbeid is ook belangrijk voor de werkgevers. Vandaag doen 72.000 zelfstandigen en ondernemers een beroep op studentenarbeid. Zij kunnen bijvoorbeeld op onregelmatige uren meer mensen inzetten, ook bijvoorbeeld bij een zondagopening, dankzij studentenarbeid.

Mijnheer de minister, dat is niet toevallig. Het succes van de studentenarbeid is er omdat de voorbije 25 jaar de studentenarbeid systematisch is versoepeld en hervormd en bepaalde zaken mogelijk zijn gemaakt. Toen ik begon in de politiek mochten studenten maximaal twintig dagen werken tijdens de zomer. Dat aantal is verhoogd en is inmiddels 600 uur geworden. Studenten kunnen gemakkelijk via de applicatie Student@Work checken hoeveel uur zij nog kunnen werken.

Er is vandaag echter ook veel onzekerheid. Iedereen stelt zich immers de vraag wat de situatie zal worden vanaf 2025. Zal de student sneller aan zijn maximumaantal uren geraken? Kan hij of zij zijn of haar studentenjob nog uitvoeren? Wordt desgevallend de kinderbijslag bedreigd?

Mijn vraag is dus heel eenvoudig.

Mijnheer de minister, wat is de situatie voor de studentenarbeid vanaf 1 januari 2025? Bent u bereid een eventueel initiatief ter zake te steunen?

Axel Ronse:

Mijnheer de voorzitter, collega's, ik heb boules de Berlin verkocht op het strand in De Haan – niet in Middelkerke, mijnheer Dedecker. Ik heb ijsjes verkocht op het strand. Ik heb in de McDonalds gewerkt. Ik heb in de Volvofabriek gewerkt.

Ik heb toen nooit begrepen waarom ik als student niet meer mocht werken, hoewel ik dat wou. Het is immers op die plaatsen dat ik mijn sociale vaardigheden heb geleerd. (Gelach) Ik weet niet waar ik ze heb afgeleerd, maar hier zal ik ze ongetwijfeld opnieuw opbouwen.

Collega’s, dit is zo belangrijk. Geen enkele student begrijpt waarom het aantal uren studentenarbeid beperkt is. Minister Dermagne, een van de weinige vivaldimaatregelen die ik fantastisch vond was de verhoging van het aantal uren studentenarbeid van 475 uur naar 600 uur.

Collega Van Quickenborne, ik begrijp niet dat de regering destijds heeft beslist om die beslissing voor slechts twee jaar te laten gelden. Vanaf 1 januari 2025 zal de oude regeling weer van kracht zijn.

Mijnheer de minister, u hebt gezegd dat u zou evalueren of de verhoging van het aantal uren studentenarbeid niet marktverstorend zou werken en een invloed zou hebben op de examenresultaten. Ik vraag u niet om nieuw beleid te voeren, behoede ons daarvoor. We vragen alleen of die evaluatie klaar is en of het klopt dat die verhoging naar 600 uur absoluut niet markt- of examenverstorend heeft gewerkt.

Voorzitter:

Dank u, collega Ronse. Ik weet niet of het door u geoogste applaus instemmend was, maar u hebt het meer dan verdiend.

Pierre-Yves Dermagne:

Mijnheer Van Quickenborne, mijnheer Ronse, dank voor uw vragen. Het was misschien wel de eerste KV Kortrijkploeg in de Kamer.

Het aantal uren dat studenten kunnen werken aan verminderde sociale bijdragen bedraagt 475 uur per jaar sinds 2017. Boven deze drempel kunnen zij natuurlijk nog steeds werken, maar dan zijn er normale bijdragen verschuldigd. Voor 2023 en 2024 heeft de vivaldiregering, mijnheer Van Quickenborne, beslist om het quotum tijdelijk te verhogen tot 600 uur per jaar. Die beslissing maakte deel uit van een groter geheel met andere dossiers en ze werd samen met de sociale partners genomen. Het komt de volgende regering met volheid van bevoegdheid toe om te beslissingen over een eventuele aanpassing van het aantal voordelige studentenuren. Om een cijfer te geven: in 2023 presteerde een student gemiddeld 216 uren. Men kan zich dus de vraag stellen of een verhoging wel nodig is, maar de vraag staat open.

Belangrijk daarbij is dat de maatregel eerst grondig wordt geëvalueerd, zoals ook voorzien in het koninklijk besluit, samen met de sociale partners. De minister van Sociale Zaken, Frank Vandenbroucke, en ik hebben onze verschillende administraties belast met de evaluatie van zowel de sociale als de werkgerelateerde aspecten. Die evaluatie wordt momenteel afgerond.

Tot slot, wil ik enkele overwegingen meegeven. Ten eerste, het is misschien gewoon een bedenking, maar studenten zijn in de eerste plaats studenten en geen reguliere werknemers. Zij moeten ook nog voldoende tijd hebben om zich aan hun studie te wijden. Ten tweede, een te genereus quotum kan ook negatieve gevolgen hebben voor de werkgelegenheidskansen van jonge werklozen die vaak laaggeschoold zijn en zelfs van jonge afgestudeerden voor wie het belangrijk is om te beginnen werken.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, eerst en vooral, kijk naar de evolutie van de arbeidsmarkt. Het aantal vaste jobs groeit in ons land, het aantal flexijobs groeit in ons land en het aantal studentenjobs groeit in ons land. Wij moeten de groei ondersteunen, wij moeten hervormingen ondersteunen, wij moeten de mensen vrij laten als zij willen werken. Laat de mensen die willen werken, werken en kijk naar de mensen die niet willen werken. Dat moeten wij doen.

Er moet iets gebeuren. Collega Ronse, ik reik u de hand – wij doen dat vaak samen – om samen met andere partijen in het Parlement, zeker de hervormingspartijen, de 600 uur ook volgend jaar te garanderen. Dat mag voor mij zelfs onbeperkt zijn. Ik heb daarover een wetsvoorstel ingediend dat vorige week in overweging is genomen. Ik heb aan de voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken gevraagd om dat met spoed te behandelen.

Voor de rest, collega's van de arizonacoalitie, maak voort. Wij zijn 137 dagen bezig. Uw coalitie is aangewezen om te starten. Ook hier dreigen studenten het slachtoffer van te worden, dus maak voort met die regering. Intussen kunnen wij mijn wetsvoorstel behandelen.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, ik vind uw antwoord compleet waanzinnig. U zegt dat, als men studenten 600 uur per jaar laat werken en zelf de vrije keuze laat om dat te doen, dat de examenresultaten en het welzijn in gevaar brengt. 600 uur werken, komaan! Laat ons minstens verwachten dat de studenten die keuze zelf kunnen maken, en laat ons die pampervisie op mensen en die negatieve visie over werk compleet achterwege laten. Ik zie vooral dat er nog geen evaluatie is. Per student wordt er gemiddeld 216 uur gewerkt. Het behouden of minstens het optrekken van die 600 uur wordt hier door niemand als een probleem gezien. Nochtans tikt de klok, het is bijna januari 2025. Mijn wetsvoorstel ligt klaar. Ik reken erop dat het kamerbreed wordt goedgekeurd. Op de studenten!

De problemen met het onderzoeksschip Belgica
Het onderzoeksschip Belgica
Onderzoeksschip Belgica problemen

Gesteld aan

Thomas Dermine

op 24 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het onderzoeksschip Belgica 2 (54 miljoen euro, cruciaal voor marien onderzoek, visquota en internationale verplichtingen) ligt al maanden stil na een eenzijdige contractbreuk door Franse uitbater Genavir (6 juni 2024), dat ook een klacht indiende tegen de Belgische Staat en weigert onderhoud te plegen, terwijl juridische procedures lopen. De regering in lopende zaken zoekt haastig een oplossing (o.a. via Defensie), maar concrete stappen ontbreken, wat leidt tot grote schade: verlies aan wetenschappelijke data (waterkwaliteit, biodiversiteit, windenergie), lagere EU-visquota (inkomensverlies vissers), internationaal gezichtsverlies en dagelijkse belastingverspilling—terwijl het exploitatiemodel en financiering al jaren falen, blijkt uit kritische rapporten. Oppositie (Soete, Gijbels) eist dringend heropstart en wijst op structurele nalatigheid, gebrek aan verantwoordelijkheid en de nood aan een volwaardige regering om de impasse te doorbreken, maar krijgt geen geruststellend antwoord. Kernprobleem: politiek en juridisch vastgelopen dossier met zware economische, wetenschappelijke en reputatieschade, terwijl noodoplossingen (bijv. tijdelijke uitwijk) nog onduidelijk zijn.

Jeroen Soete:

Mijnheer de minister, wat is er aan de hand met de Belgica? Het is een vraag die veel vissers in Oostende zich vandaag stellen. Wij hebben gigantisch veel geïnvesteerd in een hightech onderzoeksschip, de Belgica. Het is een paradepaardje voor het wetenschappelijk onderzoek op zee. Vandaag ligt dat schip echter stil, al maanden. Het is een dead ship . Ik hoor en lees dat het moeilijk is. Er is een conflict met de uitbater. Eerlijk gezegd, daar heeft niemand een boodschap aan. Er moet een oplossing komen.

De Noordzee en de blauwe economie zijn nu heel belangrijk, belangrijker dan ooit en net nu ligt een belangrijke schakel stil. Voor het meten van de waterkwaliteit, de biodiversiteit en de samenwerking met de windenergiesector steunen alle actoren in de blauwe economie op het onderzoek dat verricht werd door de Belgica. De onderzoeksinstellingen maken zich dan ook grote zorgen.

De vissers maken zich echter ook grote zorgen. De Belgica doet metingen van het visbestand en die metingen vormen de basis voor de visquota. Als er geen metingen gebeuren, vaardigt Europa lagere visquota uit. Dat betekent minder visvangst, minder inkomen voor onze vissers. De nood om snel te schakelen en de Belgica opnieuw op zee te krijgen is heel groot, niet alleen voor onze Vlaamse vissers maar ook voor alle onderzoeksinstellingen, vaak met wereldfaam, die baanbrekend onderzoek verrichten.

Wat zult u, de regering of uw collega doen om ervoor te zorgen dat de Belgica zo snel mogelijk opnieuw uitvaart?

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ons nieuw onderzoeksschip Belgica 2 werd in 2022 met heel veel bombarie boven het doopvont gehouden. Het zou letterlijk ons nieuw vlaggenschip voor marien wetenschappelijk onderzoek worden. Het schip zou ons beter in staat stellen om de verplichte metingen uit te voeren en onze internationale verplichtingen na te komen.

Het was en is een enorm goed uitgerust schip dat 54 miljoen heeft gekost. Het bevat een enorm groot laboratorium met de laatste nieuwe technologische snufjes. Het is dus op-en-top in orde. Hoe is het zo kunnen misgaan? Nog geen twee jaar later ligt dat schip voor anker en vaart het niet meer uit.

Ondertussen zijn nog allerlei andere problemen opgedoken, onder andere met betrekking tot onwettige contracten. Ik heb staatssecretaris Dermine daar reeds eerder over ondervraagd. Blijkbaar zijn die problemen nog niet echt opgelost. De toestand is integendeel nog verergerd. De Franse uitbater Genavir blijkt ondertussen de stekker uit de samenwerking te hebben getrokken. Bovendien heeft hij een klacht ingediend tegen de Belgische Staat.

Het stilliggen van het schip is een enorm probleem in het licht van ons wetenschappelijk onderzoek en van onze internationale verplichtingen. Daarnaast heeft het uiteraard ook een enorme impact op onze begroting. Er wordt belastinggeld verspild.

Waarom is dat uitvaarverbod uitgevaardigd? Waarom heeft de uitbater het contract stopgezet? Klopt het dat er een klacht loopt tegen de Belgische Staat? Wat zijn de gevolgen van het stilleggen van het schip? Hoeveel kost ons dat per dag? Wat zijn de gevolgen voor het wetenschappelijk onderzoek en onze internationale verplichtingen? Is er in uitwijkmogelijkheden voorzien?

Pierre-Yves Dermagne:

Mevrouw Gijbels, mijnheer Soete, Bedankt voor uw vragen.

Ik lees het antwoord voor dat staatssecretaris Thomas Dermine mij heeft bezorgd.

De private exploitant Genavir die instaat voor de bemanning heeft op 6 juni 2024 het contract eenzijdig opgezegd. Sindsdien ligt het schip in de marinebasis van Zeebrugge. De Belgica is inderdaad van cruciaal belang voor het marien onderzoek, maar ook om de naleving van de nationale en internationale verplichtingen van ons land te garanderen. Deze beide belangrijke missies komen vandaag in het gedrang. Iedereen is zich ten volle bewust van de grote impact hiervan.

Parallel aan de juridische procedure die Genavir heeft aangespannen, werd door de regering in lopende zaken op verschillende manieren verder gewerkt om de Belgica zo snel als mogelijk opnieuw maritiem onderzoek te kunnen laten doen. Er wordt gesproken met meerdere partijen, waaronder Defensie, maar het is nog te vroeg om uitsluitsel te geven over welke oplossing er zal worden gevonden.

Op de lopende juridische procedures kan ik hier niet verder ingaan. Wel wil ik vermelden dat om schade aan en achteruitgang van het vaartuig te beperken BELSPO Genavir via een gerechtelijke procedure wil dwingen om minimaal periodiek onderhoud aan de Belgica uit te voeren.

Jeroen Soete:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. U zult ongetwijfeld begrijpen dat onze bezorgdheid door uw antwoord niet weggenomen is. U kunt misschien een briefje meenemen naar Bergen, geloof ik.

Wij zitten in een impasse, dat klopt. Wij hebben een regering in lopende zaken. Dat is exact wat mij zorgen baart. Laten wij alstublieft een regering van varende zaken maken die ervoor zorgt dat de Belgica opnieuw vaart, alstublieft.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, uw antwoord is inderdaad niet erg geruststellend. Het ergste van alles is dat deze kwestie al zo lang aansleept. Het exploitatiemodel heeft nooit op punt gestaan, de financiering klopte gewoon niet. Ik heb begin dit jaar de rapporten van de Inspectie van Financiën opgevolgd. Die liegen er niet om. Deze kwestie is met te veel nonchalance behandeld. Er is een enorme verspilling van belastinggeld op dit moment. Elke dag dat het schip stilligt verliezen wij geld, mijnheer de minister. Dan spreek ik nog niet over het onderzoek dat niet kan plaatsvinden en over het gezichtsverlies dat wij lijden tegenover andere landen. Ik hoop echt dat er in uitwijkmogelijkheden is voorzien. Anders neem ik het u ten zeerste kwalijk.

De mogelijke fraude met POME-houdende biobrandstoffen
Het onderzoek naar mogelijke palmoliefraude in Europa
Onderzoek naar fraude met biobrandstoffen en palmolie in Europa

Gesteld aan

Tinne Van der Straeten

op 22 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De fraude met POME-biobrandstoffen (palmolie-afval) staat centraal: België zag de consumptie in twee jaar 560x stijgen (van 139 m³ naar 77.684 m³ in 2023), wat fysiek onmogelijk is en wijst op wijdverspreide fraude, mogelijk om verboden palmolie-brandstoffen via POME te smokkelen. Minister Van der Straeten bevestigt dat Europese regelgeving POME toelaat als 'geavanceerde' brandstof (zonder beperkingen), maar technische controles onmogelijk zijn na verwerking, waardoor enkel Europese inspecties ter plaatse (bij productie/ophaling) en uitsluiting van POME uit de richtlijn (zoals Duitsland voorstelt) oplossingen bieden. België kan dubbeltelling voor POME weigeren via technische dossiers (3-jaarlijkse goedkeuring), maar kan de totale consumptie niet zelf beperken; Nederland overweegt een gelijksoortig systeem. Wollants benadrukt nodige opvolging in de commissie, met aandacht voor klimaatrapportage en het scheiden van legitiem en frauduleus gebruik.

Bert Wollants:

Mevrouw de minister, u hebt ondertussen verklaard dat u zich aansluit bij de vraag om een diepgaand onderzoek naar de fraude met biobrandstoffen. De hoeveelheden palm oil mill effluent (POME) die worden geclaimd te zijn ingevoerd, lijken de wereldwijde productiecapaciteit te overschrijden en de afgelopen tijd is er sprake van een gigantische toename. Mogelijk worden biobrandstoffen op basis van palmolie, die ondertussen verboden zijn om rechtstreeks te gebruiken, ingevoerd onder de noemer POME. Graag kreeg ik meer details over die mogelijke fraude.

Ten eerste, kunt u details geven over de problematieken die aanleiding gaven tot het ingenomen standpunt?

Ten tweede, zijn er gegevens beschikbaar over het gebruik van biobrandstoffen op basis van POME in België?

Ten derde, indien dat het geval is, zijn er stappen die u intra-Belgisch kunt nemen om eventueel frauduleus aangemelde biobrandstoffen op basis van die grondstof te onderscheppen? Is het technisch mogelijk om op basis van de samenstelling te achterhalen of de biobrandstoffen die worden aangeboden, frauduleus zijn?

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer Wollants, eens te meer is gebleken dat de sector van de biobrandstoffen een zeer fraudegevoelige sector is. Ondertussen geldt een uitfasering van en een verbod op het gebruik van biobrandstoffen gebaseerd op palm en soja, ook in België.

Wij hebben in ons land het gebruik van de eerste generatie verder afgebouwd. Herinner u dat we daarover bij de omzetting van RED II, de tweede hernieuwbare-energierichtlijn, een debat voerden en we voor de dierlijke vetten in categorie 3 een beperking oplegden, omdat we toen al voorzagen dat dat potentieel ook zou kunnen worden verbruikt.

Uw vraag gaat over de POME of palm oil mill effluent , een afvalstof van de raffinage van ruwe palmolie, waarvan de consumptie wordt gestimuleerd door de Europese regelgeving. Het is dus opgenomen in de lijst van de toegelaten geavanceerde biobrandstoffen. Dat betekent dat er in de Europese richtlijnen geen beperkingen zijn opgenomen.

Wat zien we echter? Ik heb cijfers voor u van België. De consumptie van POME-gebaseerde biobrandstoffen in België bedroeg in 2021 139 m 3 . In 2022 was dat 5.411 m 3 en in 2023 77.684 m 3 . De consumptie is dus op twee jaar tijd 560 maal vergroot. Die gerapporteerde hoeveelheden, die we zien in België en andere lidstaten – dat was ook de aanleiding voor Ierland om het punt te agenderen –, corresponderen niet met wat fysiek mogelijk is. Ter zake kan er dus onvermijdelijk alleen maar sprake zijn van fraude.

Fraude met grondstoffen kan enkel worden vastgesteld op de plaats waar de grondstoffen worden opgehaald en verwerkt. Na ophaling en zeker na behandeling kunnen de grondstoffen niet meer worden onderscheiden. Dat betekent dat een oplossing op Europees niveau moet worden gevonden.

Een mogelijkheid is dat wordt vastgelegd dat collectie- en productiesites, indien zij hun product op de Europese markt willen brengen, toegang moeten verlenen aan Europese inspecteurs die de vrijwillige certificatieorganen vergezellen. Dat garandeert meteen ook het level playing field voor de Europese producenten.

Naar analogie van de gebruikte braadolie kan de totale hoeveelheid POME die kan meetellen ten opzichte van de doelstellingen, worden beperkt. Dat is misschien nog het gemakkelijkste, namelijk dat het uit de annex wordt gehaald en dat de beperking van toepassing is.

Duitsland stelde voor om POME gewoon te schrappen uit de lijst van geavanceerde grondstoffen. Lidstaten zouden op eigen initiatief al beperkingen kunnen opleggen aan de consumptie van die grondstof.

Vandaag kunnen we binnen ons huidige wetgevend kader de totale consumptie niet beperken. Wel kunnen we het volume beperken dat in aanmerking komt voor de dubbeltelling. Om in België te kunnen genieten van de dubbeltelling, moeten bedrijven daartoe een aanvraag indienen via een technisch dossier, dat drie jaar geldig is. De technische dossiers moeten worden goedgekeurd door de minister. De minister kan elke dubbeltelling voor POME weigeren zodra een realistisch volume is overschreden. Op die manier kan dus een aanmoediging voor het gebruik van POME worden weggenomen.

Dat wil dus zeggen dat de technische dossiers wel degelijk een toegevoegde waarde hebben voor de integriteit van het systeem. Nederland overweegt ondertussen om een gelijkaardig systeem in te voeren. Het dossier vereist dus zeker opvolging.

Bert Wollants:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. We moeten inderdaad heel goed bekijken op welke manier dat nu verder verloopt. Ongetwijfeld is er een weliswaar miniem deel wel rechtmatig en gaat een en ander duidelijk mis bij de rest. We moeten bijvoorbeeld nagaan wat in de rapportage van de klimaatcijfers van elk land wel en niet wordt meegeteld. We zullen de kwestie in onze commissie blijven opvolgen.

Het advies van de EC over staatssteun voor de verlenging van de levensduur van twee kerncentrales
Het Europese onderzoek naar de Belgische overheidssteun voor de verlenging van Doel 4 en Tihange 3
Het onderzoek van de Europese Commissie naar de staatssteun bij de ENGIE-deal
Europese staatssteunonderzoeken naar kerncentraleverlengingen in België

Gesteld aan

Tinne Van der Straeten

op 17 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Europese Commissie voert een diepgaand onderzoek naar de staatssteun voor de verlenging van kerncentrales Doel 4 en Tihange 3, met name naar marktverstoring, de noodzaak van joint venture BE-NUC en de 15 miljard euro compensatie voor nucleair afval. Minister Van der Straeten benadrukt dat de procedure normaal is, vergelijkbaar met eerdere dossiers (bv. offshore-wind), en streeft naar goedkeuring eind 2024/begin 2025 om de heropstart in 2025 te garanderen, mits stabiliteit in de afspraken en nauwe samenwerking met ENGIE en de Commissie. Kritische punten (marktconcurrentie, proportionele steun) worden onderhandeld, terwijl veiligheidsinvesteringen niet-onderhandelbaar zijn. Het tijdschema is krap, maar de minister toont vertrouwen in een succesvolle afronding, met politieke en technische opvolging om vertragingen te voorkomen.

Jean-Luc Crucke:

Madame la ministre, le 22 juillet, la Commission européenne a remis un premier avis sur les aides d' É tat relatives à la prolongation de l'exploitation des centrales nucléaires Doel 4 et Tihange 3. En même temps, comme le prévoit le processus, elle a décidé d'ouvrir cette enquête approfondie qui permet à tout tiers intéressé d'exprimer ses observations.

Nous reconnaissons que l'avis émis par la Commission est largement favorable, ce dont nous nous réjouissons. Ce n'est pas sur cet avis favorable que je vais vous questionner mais sur les quelques nuages qui malgré tout persistent, comme dans tout dossier, et sur les doutes que la Commission peut avoir à l'égard de trois éléments plus précis.

Il s'agit de la compatibilité de l'aide avec les r è gles du marché intérieur, de la nécessité ou non de créer une coentreprise BE-NUC et de l'indemnisation d'un montant de 15 milliards d'euros pour le transfert des risques liés aux déchets nucléaires. Par rapport à ces trois éléments, dont l'importance ne doit ni être minorée ni exagérée au point de masquer les autres, j'aimerais recueillir votre réaction et votre sentiment sur la manière dont vous considérez que ces trois points peuvent être abordés.

Comme je l'ai fait dans ma question précédente, je pense qu'il est important à ce stade de préciser chronologiquement les étapes à venir, non seulement eu égard à la Commission mais également au processus décisionnel belge.

Kurt Ravyts:

Mevrouw de minister, die andere grote werf inzake de bevoorradingszekerheid is het akkoord over de verlenging van de levensduur van twee kernreactoren. Als onderdeel van dat akkoord zijn er zeer veel maatregelen genomen.

De Europese Commissie bekijkt al die maatregelen als één geheel. Hoewel de Belgische maatregel gerechtvaardigd lijkt, aldus de Commissie, twijfelt de Commissie in dit stadium over de verenigbaarheid met de Europese staatssteunregels. Het is een normale stap in de procedure om een diepgaand onderzoek te voeren naar de noodzaak van de aanvullende steunmechanismen, de geschiktheid van het CFD-ontwerp en de combinatie van financiële en structurele regelingen, aangezien de begunstigden onrechtmatig zouden kunnen worden ontlast van een te groot marktaandeel en van operationele risico's. Vandaar het onderzoek naar de evenredigheid van de combinatie van die financiële en structurele regelingen en het forfaitbedrag van 15 miljard euro. Dat is in de commissie voor Energie al vaker aan bod gekomen.

Mevrouw de minister, kunt u een stand van zaken geven betreffende de uitwisseling van vragen, opmerkingen en antwoorden met de Europese Commissie in dit dossier, waarbij de Commissie evalueert of de inhoudelijke bepalingen van het akkoord noodzakelijk, gepast en proportioneel zijn?

Bert Wollants:

Mevrouw de minister, beide collega's hebben de situatie al geschetst omtrent het diepgaande onderzoek naar de ENGIE-deal dat de Europese Commissie momenteel voert.

Mevrouw de minister, kunt u toelichten welke stappen sinds de start van dat onderzoek zijn gezet in dat dossier? Hoe schat u het verdere verloop van die procedure in?

Voorzitter:

Vraagt iemand van de andere fracties het woord?

Marie Meunier:

Mon groupe rejoint les questions posées par nos collègues. Où en est la procédure, madame la ministre? Pouvez-vous faire le point sur l'état d'avancement du dossier? Quelles informations pouvez-vous nous communiquer? Quelles sont les demandes de la Commission européenne? Enfin, avez-vous un agenda à nous communiquer?

Tinne Van der Straeten:

Allereerst, de Commissie heeft op 22 juli 2024 beslist om een diepgaand onderzoek te voeren. Dat kwam niet onverwacht. Het betreft niet de start van de procedure, maar wel de officiële lancering van een procedure. Onze interacties met de Commissie waren echter al geruime tijd aan de gang. Zelfs tijdens de onderhandelingen is er op verschillende momenten informeel met de Europese Commissie gesproken.

Eigenlijk zijn we in dit dossier niet anders te werk gegaan dan in de andere zeven staatssteundossiers waarvoor een in-depth procedure is doorlopen. Zo is het CRM goedgekeurd na die in-depth procedure. Daarnet hadden we het ook al over de procedure voor de Prinses Elisabethzone. Daarnaast was er ook de staatssteunprocedure voor de omschakeling van het financieringsmechanisme voor het afromen van de overwinsten voor wind op zee. Er zijn twee keer aanpassingen geweest van het CRM, waaronder het CRM met inclusie van 2 GW nucleair, die door de Commissie zijn goedgekeurd. Deze namiddag zal door de Commissie een persbericht worden verspreid over de goedkeuring van de T-2-veiling met de payback obligation voor het demand-side management . Daarnaast was er ook het non-dossier van de offshorebijdrage, waarin de Commissie met een infringement dreigde. We hebben daar de accijnshervorming aan gekoppeld, waardoor we buiten het bestek van de staatssteun vielen.

Ik geef deze inleiding om aan te geven dat het niet ons eerste dossier is. Ondertussen hebben we een goede relatie en goede werkmethodes met case handlers opgebouwd. Ik heb vertrouwen in de afloop van het dossier, vooral ook wat de gehanteerde timing betreft. Net als in de offshore, waarvoor de staatssteun toegekend moet zijn op 31 december 2025, zal in dit dossier het eindpunt van de timing niet bewegen. De kerncentrale van Tihange 3 zal elektriciteit leveren vanaf september 2025 en de kerncentrale van Doel 4 vanaf november 2025. Om dat mogelijk te maken, is de goedkeuring van de Europese Commissie inzake staatsteun nodig. De goedkeuring door de Commissie betekent meteen dat de transactie kan worden afgesloten, wat een aantal andere zaken in gang zal zetten, namelijk de oprichting van de joint venture en het storten van 11 miljard euro voor de waste cap .

Net als het offshoredossier is dit een dossier waarin heel wat zaken parallel lopen. Zo zal bijvoorbeeld over het investeringsprogramma van de exploitanten al parallel beslist worden. Wij verwachten dat dit begin volgend jaar zal gebeuren. Op zich is dat niet afhankelijk van het afsluiten van de transactie, maar de tijdslijnen zullen wel samenkomen. Er is namelijk een indirecte link, want 60 dagen nadat het FANC het actieplan goedkeurt, zal de exploitant het financieringsmodel moeten voorstellen. In dat financieringsmodel zal de voorlopige strike price voorgesteld worden.

U ziet, het is een puzzel met vele stukjes die allemaal parallel gelegd worden om de grote puzzel te kunnen maken. Het stukje van de staatssteun is daarbij absoluut essentieel.

La Commission a donc décidé d'ouvrir une enquête approfondie, comme c'est la coutume dans quasiment tous les dossiers nucléaires. Bref, ce n'est pas neuf. Et j'estime sain que la Commission agisse ainsi. Sinon, certains É tats membres pourraient s'étonner que la Commission ne pose pas de questions. Au moyen de cette étape qu'est l'enquête approfondie, celle-ci souhaite qu'une décision aussi robuste que possible soit prise.

Le processus avance à grands pas. Bien entendu, il s'agit d'une étape importante en vue d'une décision finale. Dans le dossier de presse, vous avez pu lire quels étaient les principaux éléments de la Commission européenne.

Het is eigenlijk vergelijkbaar met de Prinses Elisabethzone. Door deze aanpak wordt de markt niet onnodig verstoord. Negatieve of lage prijzen zorgen in dit geval voor een modulering van de kerncentrales. Bij offshore is het eerder curtailment , bij kerncentrales spreken we van modulering, wat technische beperkingen heeft.

Verder zijn er ook vragen over de economische aspecten, met name of er niet te veel garanties worden voorzien. Op het vlak van de veiligheidsinvesteringen verschilt dit dossier van dat over de Prinses Elisabethzone. De veiligheidsautoriteiten moeten de investeringsplannen goedkeuren. De driver daarvoor is nucleaire veiligheid, waarvoor zeer weinig onderhandelingsmarge bestaat.

Ce processus est donc en cours.

Na het persbericht van de Europese Commissie en de opening van de Europese Commissie in juli 2024 heeft de Belgische Staat de kans gehad om een aantal elementen extra te motiveren. Wij hebben bijvoorbeeld gemotiveerd dat de marktsignalen niet worden verstoord en dat wij integendeel een aantal punten hebben opgenomen die naar maximumbeschikbaarheid, maar ook naar flexibiliteit duwen.

In-depth investigation betekent ook dat de markt wordt geconsulteerd en dat de marktpartijen hun opmerkingen kunnen geven, waarop wij opnieuw onze reactie kunnen geven. Daarna starten uiteraard de verdere onderhandelingen met de Europese Commissie, met een nadere evaluatie.

Het betreft een dossier dat wij uiteraard hand in hand met de verschillende stakeholders beheren. ENGIE is natuurlijk ook zelf bij het dossier betrokken. Het is voor ons belangrijk dat ENGIE uit de eerste hand hoort wat de eventuele opmerkingen van de Europese Commissie zijn.

U weet ook dat Ursula von der Leyen vandaag haar nieuwe Europese Commissie voorstelt en dat het mijn collega Teresa Ribera is die wellicht bevoegd zal worden voor Mededinging. Ik ken haar goed. Wij waren collega’s, maar ook buren, in de Europese Raad. Het is mijn vaste voornemen om, zodra de Europese Commissie benoemd is, met Teresa Ribera een gesprek te hebben over het dossier.

De case handlers en de verschillende diensten werken uiteraard heel nauw samen. Het dossier wordt alsmaar verder gebracht. Het is echter ook altijd zo dat er politiek toezicht is of dat politieke autoriteiten voldoende op de hoogte moeten zijn.

Collega’s, het betreft een ambitieus tijdschema. Er is binnen dat schema geen dag te verliezen. Het zal ook zeker heel intensief werken zijn, wat in de andere dossiers niet anders is geweest. Ik ben dus absoluut confident . Ik heb vertrouwen dat wij het dossier kunnen afronden binnen de timing die ik hier altijd heb aangegeven, namelijk eind 2024 of begin 2025, dus aan het begin van de winter. Op die manier kunnen de implementatie en de operationalisering op een goede manier verlopen, met het oog op een tijdige heropstart van Doel 4 en Tihange 3.

Collega’s, er is nog één element dat ik graag wil meegeven aan het Parlement. Net als in alle andere staatssteundossiers – dit is dus niet nieuw voor dit dossier – vraagt de Europese Commissie stabiliteit in het voorliggende dossier. Het grootste deel van mijn bezoeken aan de commissaris had dan ook als doel toelichting te geven en vooral gerust te stellen dat dit de definitieve versie was. Mijn taak is nu af te werken wat eerste minister De Croo en ikzelf hebben onderhandeld.

Ik wil benadrukken, voor zover dat nodig is, dat ik 100 % trouw ben aan elke komma, elke letter en elk detail van dit contract van 1.000 pagina’s. U kunt op mij rekenen om toelichting te verschaffen in het Parlement indien nodig. De regering heeft alle elementen van die deal ook al toegelicht bij de onderhandelende partijen. Ik neem daar mijn verantwoordelijkheid voor. Sinds mijn eerste dag als minister heb ik daaraan gewerkt en ik zal dat blijven doen zolang ik op deze stoel zit. Ik kan echter geen verantwoordelijkheid nemen voor elementen buiten deze deal.

De deadlines van september 2025 en november 2025 staan vast. Het is zeer complex. We kunnen deze elementen tot een goed einde brengen, maar de stabiliteit van de gemaakte afspraken zal van cruciaal belang zijn om de finish te halen.

Jean-Luc Crucke:

Madame la ministre, je vous remercie pour cette réponse. Je crois que vous avez raison de dire qu'il y a des éléments de comparaison entre le dossier offshore, et d'autres d'ailleurs, et celui de la prolongation de ces deux centrales nucléaires.

Dans ces dossiers, on constate que deux éléments capitaux s'entrecroisent. Il s'agit du timing et du capital, de l'argent qui est sur la table – et il n'est pas ici question de montants légers.

Par contre, on ne peut pas s'étonner de ce que la Commission ait un œil versé sur les éventuelles perturbations des marchés. Je ne dis d'ailleurs pas ce que c'est le cas. C'est le rôle de la Commission qui est garante de l'esprit de concurrence également et je pense qu'elle remplit son rôle. Toutefois, les réponses peuvent être données aussi.

Madame la ministre, j'entends à la fois toute votre confiance et une forme de prudence aussi par rapport aux questions soulevées. Vous n'apportez pas ici directement les réponses. Je peux l'entendre. Cela doit effectivement se faire en bonne intelligence mais, malgré tout, il faut continuer à y travailler. Au vu des premiers éléments que j'ai évoqués et du travail qu'il reste à faire, on voit bien que, si la montagne est en train d'être escaladée, on n'est pas encore arrivé au sommet et les différents pics qu'il reste à surmonter ne sont pas minces. Madame la ministre, j'espère que le travail qui a été engagé par vous pourra se terminer avec le succès que vous espérez.

Kurt Ravyts:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw uitgebreide antwoord.

U hebt natuurlijk zelf de voorzet gegeven. Ik heb op het einde van de vorige legislatuur gezegd dat u een aantal zaken in gang hebt gezet waarmee uw opvolger rekening zal moeten houden en die hij zal moeten afwerken. Ik zie het niet anders gebeuren. Er lekt heel weinig uit van de federale onderhandelingen over energie. Er zijn wat nucleaire ambities en zaken die zijn bijgeschaafd. U kunt uw loyauteit alleen bewijzen op wat door deze regering werd overeengekomen in het voorjaar. Ik ben heel benieuwd naar de eventuele bijsturingen van een nieuwe regering in dit dossier en het andere.

Bert Wollants:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Dit proces zal nog enige tijd lopen. We moeten kijken waar de klemtonen gelegd zullen worden. Ik ben het met u eens dat het niet zo bijzonder is dat er een diepgaand onderzoek komt. Ik kan u ook volgen wanneer u zegt dat het goed is voor het dossier en dat het er is om te kunnen zorgen voor wat meer stabiliteit achteraf. Het gaat dus de juiste richting uit. We zullen moeten opvolgen waar de Commissie haar klemtonen in dit dossier zal leggen, of dat aanpassingen vereist of niet en hoe het verder zal worden behandeld.

Sowieso zullen wij dit dossier van nabij opvolgen in deze commissie. Dat is tegelijkertijd de verklaring voor mijn laattijdigheid, want de commissie voor Binnenlandse Zaken heeft zonet de aanzet gegeven voor de oprichting van de subcommissie Nucleaire Veiligheid en ik verwacht dat wij het dossier ook daar verder zullen kunnen opvolgen op het vlak van nucleaire veiligheid.

Voorzitter:

Zijn er nog leden die het woord wensen? ( Nee)

Tinne Van der Straeten:

Volgens mij is er geen link tussen de nucleaire veiligheid en het staatssteundossier.

Het persbericht van de Europese Commissie geeft wel aan welke elementen aandacht moeten krijgen. Uit dossiers van de afgelopen tijd blijkt dat een aantal zaken uitgelegd moet worden en een aantal zaken soms ook anders geformuleerd kan worden. Soms, zoals in het CRM-dossier, bestaat de oplossing uit evaluaties naderhand.

Mijnheer de voorzitter, ik stel voor dat we dit samen met het Parlement goed blijven opvolgen. Ik kan niet vooruitlopen op de zaken, ik heb vandaag geen indicatie. Ik blijf natuurlijk altijd optimistisch en ik wil ook altijd tot resultaten komen. Ik heb het boek The Tragic Mind van Robert Kaplan gelezen, die stelt dat beleid gevoerd moet worden met anxious forsights . Dat houdt in dat men optimistisch moet blijven, maar zich wel moet inbeelden wat er zou kunnen gebeuren. In dit geval, indien een wetswijziging noodzakelijk is, dan denk ik wel dat de commissie voor Energie dient samen te komen. Daarvoor heb ik nu echter geen indicaties. In de huidige fase van het dossier is dat niet aan de orde en hoef ik dus niet aan de bel te trekken. Wanneer dat wel het geval is, stel ik voor dat de commissie snel bijeengeroepen wordt om te bekijken hoe we dat aanpakken.

Voorzitter:

Dat staat genoteerd, mevrouw de minister.