topic

Over politie

138

plenaire vragen

0

voorstellen

meeste contributies

Het gebrekkige functioneren van JustCase
JustCase
Het falende JustCase-systeem en de geseinde criminelen
Het gebrekkige functioneren van JustCase
De impact van het falende JustCase-systeem op de politiewerking
De problemen met JustCase
De tekortkomingen en impact van het JustCase-systeem

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie), Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren unaniem het 40 miljoen euro kostende JustCase-systeem, dat sinds november 2025 kritieke fouten vertoont: verdwenen dossiers, niet-doorgegeven contactverboden aan slachtoffers, en miscommunicatie met politie over geseinde criminelen. Magistratuur (o.a. College van procureurs-generaal) en rechtbankvoorzitters waarschuwen voor "reële risico's op ongelukken" (bv. foutieve vrijlating door onvolledige dossiers) en noemen het systeem "gevaarlijk voor rechtszekerheid en publieke veiligheid", ondanks minister Annelies Verlindens verzekering dat "dagelijks duizenden dossiers wel verwerkt worden" en kinderziektes "ernstig maar beheersbaar" zijn. Verlinden erkent structurele tekortkomingen (o.a. datamigratie, notificaties) en kondigt noodmaatregelen aan: parallelle communicatiekanalen voor kritieke info, crisismanagers, dagelijkse updates en multidisciplinaire werkgroepen, maar ontkent extra kosten (EU-financiering dekt stabilisatie). Kritici (Dillen, Ribaudo, Van Vaerenbergh) eisen transparantie, concrete timing en garanties, wijzen op eerdere waarschuwingen van justitieactoren (genegeerd voor lancering) en vergelijken JustCase met mislukte digitaliseringsprojecten (bv. I-Police). Dillen: "Het systeem werkt niet – de vraag is niet of er iets misgaat, maar wanneer."

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, op 12 november 2025 deed u een bijzonder triomfalistische aankondiging over JustCase. U zei: "Zo verbeteren we niet alleen de kwaliteit van de dagelijkse werking, maar ook de veiligheid van de juridische procedures." Niet dus. Criminelen staan geseind, maar de politie weet het niet. Stalkers krijgen een contactverbod, maar het slachtoffer wordt niet geïnformeerd. Dossiers en pv’s verdwijnen. Het is blijkbaar dagelijkse kost.

Dat JustCase een puinhoop is, wordt ook bevestigd door de magistratuur. De voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel stelt: "De vrees dat er ongelukken gaan gebeuren is reëel. Dat iemand per vergissing vrijgelaten wordt omdat het dossier niet volledig is of omdat een termijn of procedure niet is nageleefd, de vraag is niet of het gaat gebeuren, de vraag is wanneer."

Ook het College van procureurs-generaal is kritisch: “Het systeem onder de huidige vorm houdt grote risico’s in waarvoor we vooraf gewaarschuwd hebben en veroorzaakt bovendien grote moeilijkheden bij de opvolging van in vrijheid gestelde veroordeelden. Magistraten en medewerkers op het terrein die ermee moeten werken, stellen alles in het werk om hun taak correct te blijven uitvoeren, vaak met extra inspanningen en een verhoogde werklast."

Mevrouw de minister, gezien de talrijke, door verschillende actoren binnen Justitie geuite, vernietigende kritiek, kan het niet anders dan dat u al geruime tijd op de hoogte bent van het niet naar behoren functioneren van het 40 miljoen euro kostende project JustCase.

Ik heb daarover een aantal vragen. Eén, u stelde dat u de signalen ernstig zou nemen, maar wat hebt u in concreto reeds ondernomen om tegemoet te komen aan de talrijke kritieken die door de actoren binnen Justitie worden geformuleerd over het bijzonder gebrekkig functioneren van JustCase?

Twee, welke stappen zult u met hoogdringendheid en vanaf nu ondernemen om ervoor te zorgen dat zich geen drama’s voordoen door het niet functioneren van dat computersysteem?

Drie, de problemen zijn talrijk en naar alle waarschijnlijkheid niet oplosbaar op korte termijn. Zijn er alternatieve systemen of werkmethoden die de actoren binnen Justitie in de tussentijd moeten toepassen in afwachting van het herstel van het computersysteem? Zo niet, hoe kunt u garanderen dat zich geen ongevallen zullen voordoen?

Vier, binnen welke termijn kan een oplossing worden gevonden? Hoe hoog schat u de kosten en werd dat al gebudgetteerd?

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, plusieurs témoignages font état de difficultés importantes dans l’utilisation du système JustCase, mis en service en novembre dernier dans le cadre de la numérisation de la Justice.

De nombreux agents doivent recourir à des procédures parallèles pour sécuriser leur travail, témoignant d’un manque de confiance dans la fiabilité du système. Ces difficultés soulèvent des risques non négligeables pour la sécurité juridique et la protection des personnes, certains acteurs craignant des erreurs dans le suivi ou la libération de personnes.

Ces constats interviennent alors que JustCase représente un investissement public d’environ 40 millions d’euros.

Dans ce contexte, Madame la ministre, je souhaite vous poser les questions suivantes:

Quels sont, à ce jour, les dysfonctionnements formellement identifiés par vos services et signalés par les utilisateurs?

Quelles mesures correctrices concrètes ont été mises en œuvre ou sont en cours pour garantir la fiabilité et la sécurité du système?

Disposez-vous d’un calendrier précis pour la stabilisation complète de JustCase et la suppression progressive des procédures parallèles utilisées par précaution?

Tant que ces canaux parallèles restent nécessaires, quelles garanties assurent la conservation, la traçabilité et l’intégration ultérieure de toutes les pièces et décisions, afin de garantir des dossiers complets?

Quels enseignements tirez-vous de ces difficultés, au regard des travaux antérieurs de la Cour des comptes, pour éviter que des problèmes similaires se reproduisent?

Par ailleurs, le déploiement de JustCase soulevait des inquiétudes au sein de la magistrature, notamment en matière de souveraineté numérique, dépendance technologique et protection des données, en raison du rôle central joué par Microsoft. Vous indiquiez alors que « le risque zéro n’existe pas, mais qu’il est identifié et surveillé ». Comment ce risque est-il concrètement monitoré aujourd’hui?

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik verwijs naar mijn ingediende vraag.

Uit recente mediaberichtgeving blijkt dat het digitale dossierbeheersysteem JustCase, waarvoor intussen een investering van om en bij de 40 miljoen euro werd voorzien, ernstige structurele tekortkomingen vertoont. Essentiële gerechtelijke informatie zoals voorwaarden bij vrijlating, contact- en straatverboden en vonnissen blijkt niet systematisch beschikbaar of verdwijnt zelfs volledig uit het systeem.

Nochtans werd JustCase door de minister zelf voorgesteld als een instrument dat de kwaliteit van de justitiële werking moest verbeteren en vooral de veiligheid van procedures en van burgers moest versterken. Vandaag getuigen magistraten, griffiers, gevangenisdirecteurs en justitieassistenten echter dat zij noodgedwongen werken met parallelle informele communicatiekanalen, wat niet alleen inefficiënt is maar ook fundamentele vragen oproept over verantwoordelijkheid en rechtszekerheid.

In dat verband heb ik volgende vragen:

Hoe beoordeelt u vandaag de betrouwbaarheid van JustCase voor het beheer van kritieke gerechtelijke informatie, in het bijzonder wanneer die informatie rechtstreeks verband houdt met publieke veiligheid en slachtofferbescherming?

Acht u het aanvaardbaar dat de correcte opvolging van voorwaarden, verbodsbepalingen en signaleringen momenteel in belangrijke mate afhankelijk is van manuele controles en individuele waakzaamheid van medewerkers op het terrein? Zo neen, welke structurele ingrepen zijn noodzakelijk?

Kan u aangeven of er reeds concrete gevallen zijn vastgesteld waarbij JustCase-fouten hebben geleid tot een foutieve beslissing inzake vrijlating, toezicht of voorwaarden, en hoe deze gevallen zijn opgevolgd?

Welke kwaliteitscontroles, risicoanalyses of audits werden uitgevoerd sinds de ingebruikname van JustCase, en welke conclusies heeft de minister daaruit getrokken?

Hoe verantwoordt de minister de reeds gemaakte en geplande uitgaven voor JustCase in het licht van de huidige werking, en wordt overwogen om verdere investeringen afhankelijk te maken van aantoonbare verbeteringen in betrouwbaarheid en veiligheid?

Welke concrete timing en garanties kan de minister geven dat JustCase op korte termijn effectief functioneert als een betrouwbaar en veilig kernsysteem, zonder dat medewerkers verplicht blijven te werken met parallelle noodoplossingen?

Pierre Jadoul:

Le système informatique "JustCase", lancé en novembre dernier dans le cadre de la numérisation de la Justice, rencontre déjà de nombreux problèmes si l’on en croit les acteurs de terrain.

Ce nouvel outil avait pour ambition de moderniser la gestion des dossiers judiciaires, de permettre de traiter les documents plus rapidement, et de rendre les procédures juridiques plus efficaces et plus fluides.

Cependant, plusieurs sources, dont notamment le Collège des procureurs généraux, pointent des ratés : criminels signalés sans que la police soit informée, dossiers et procès-verbaux qui disparaissent, victimes non prévenues concernant leur dossier…

Madame la ministre

- Vous avez annoncé dans la presse prendre le problème au sérieux et suivre de près la situation. Pouvez-vous aujourd’hui nous éclairer sur la situation précise liée à JustCase? Quels problèmes sont rencontrés par les utilisateurs? Á quoi sont dus ces problèmes?

- Que faites-vous, avec le SPF Justice, pour améliorer la situation et éviter ces ratés? Quelles mesures concrètes envisagez-vous de prendre?

- Pouvez-vous par ailleurs dresser un état des priorités et des échéances dans le cadre de la numérisation de la Justice?

Annelies Verlinden:

Collega’s, uiteraard nemen we de signalen over JustCase zeer ernstig. De veiligheid van de burgers en de correcte werking van ons gerechtssysteem staan altijd voorop.

Laat me eerst enkele cruciale nuances aanbrengen bij de berichtgeving. JustCase is inderdaad sinds november operationeel, omdat werd aangegeven dat het noodzakelijk was om over te gaan tot de lancering van de tool. Het systeem wordt dagelijks gebruikt door meer dan 5.000 medewerkers in strafuitvoeringsrechtbanken, parketten, justitiehuizen en gevangenissen. Het systeem vervangt tientallen verouderde applicaties die technisch end of life waren en niet langer voldeden aan moderne eisen. Het is een belangrijke stap in de digitalisering van Justitie, waaraan ook de komende maanden nog hard verder moet worden gewerkt, zoals eerder aangekondigd.

De lancering kent inderdaad te veel kinderziektes en dat ondanks het feit dat de eindgebruikers van bij de aanvang betrokken werden en hun vertegenwoordigers de lancering van JustCase hebben goedgekeurd en ook ondanks mijn vragen of na herhaald uitstel alles onder controle was, conform de vooropgestelde doelstellingen.

De technische moeilijkheden werden bij de aanvang van het project in 2022 klaarblijkelijk onderschat, met name de datamigratie en het notificatiesysteem, alsook de complexiteit van de overgang van papier en oude systemen naar een moderne, datagedreven werking.

Het systeem werkt en duizenden dossiers worden dagelijks verwerkt, maar de technische kinderziektes zijn ernstiger dan verwacht. De nieuwe datagedreven aanpak maakt ook fouten en inconsistenties zichtbaar die vroeger mogelijk verborgen bleven. Dat is frustrerend tijdens de overgang, maar op termijn essentieel voor de betrouwbaarheid en de rechtszekerheid van de systemen.

Dan kom ik tot de specifieke vraag rond de seiningen en de politie. JustCase heeft geen link met de Algemene Nationale Gegevensbank van de politie. Seiningen verlopen via I+Belgium, net zoals voor de komst van JustCase.

We werken concreet aan de volgende oplossingen.

Ten eerste, we volgen de dagelijkse vergaderingen met betrekking tot de veiligheidskritieke problemen op.

Ten tweede worden parallelle communicatiekanalen voor kritieke informatie, zoals mandateringen en slachtofferinformatie, voorzien tot het systeem volledig stabiel is.

Ten derde is er intensieve onsitehulp en zijn er dagelijks technische updates.

Ten vierde zijn er multidisciplinaire werkgroepen rond datakwaliteit, gebruiksvriendelijkheid en businessanalyse.

Ten slotte is intussen ook een crisismanager op het project gezet om de verschillende problemen en de communicatie nog beter te stroomlijnen en te prioriteren, in samenspraak met de voorzitters van de colleges en de FOD Justitie, die allemaal nauw betrokken zijn.

La semaine dernière, j'ai à nouveau convoqué le SPF Justice, le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public pour une réunion d'urgence afin de convenir de mesures concrètes, de clarifier les responsabilités et de formaliser les solutions alternatives internes en matière de sécurité.

Monsieur Ribaudo, concernant la question sur les risques Microsoft, je renvoie à ma réponse antérieure à ce sujet.

En ce qui concerne le calendrier et les coûts, nous travaillons dans le cadre d'un prix contractuel fixé pour le résultat, une obligation de résultat financée par des fonds européens FRR. Il n'y a pas de coût supplémentaire, la stabilisation se fait par phase et nous prévoyons d'autres améliorations significatives dans les semaines à venir.

Tot slot wil ik zeker de magistraten, griffiers, justitieassistenten, gevangenispersoneel en onze centrale diensten bedanken voor hun harde werk en inzet om fouten te voorkomen en het systeem verder te verbeteren. Hun inzet is cruciaal en wordt gewaardeerd. De digitalisering van Justitie is geen luxe, maar een noodzaak. Terugkeren naar oude systemen is geen optie. Die zijn technisch op het einde van hun levensduur gekomen en de data zijn gemigreerd. Er zijn bepaalde keuzes gemaakt in het verleden met instemming van de rechterlijke orde. We moeten nu doorgaan, maar met volledige aandacht voor de veiligheid en voor de mensen die ermee werken.

Monsieur Jadoul, en ce qui concerne votre dernière question, je vous renvoie à ma réponse à la question écrite n° 613 de Mme Van Vaerenbergh

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. We weten allemaal dat dit systeem het verouderde systeem vervangt en dat er kinderziektes zijn. Ik wil een zeker begrip opbrengen voor het feit dat er kleine kinderziektes zijn, maar het gaat hier over zeer ernstige problemen, zoals blijkt uit de waarschuwingen van onder meer het College van procureurs-generaal en de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank in Brussel. Het is bijzonder verontrustend dat men zegt dat de vrees voor ongelukken reëel is. De vraag is niet of het zal gebeuren, maar wanneer. We mogen daarop toch niet wachten.

Ik dring er dan ook op aan, mevrouw de minister, dat met hoogdringendheid de nodige inspanningen worden geleverd om het systeem volledig foutvrij te maken. U zegt dat het systeem werkt, maar het systeem werkt niet, mevrouw de minister. De risico’s zijn veel te groot. Ik hoop dan ook dat er nooit iets zal mislopen als gevolg van de slechte werking van dat digitale systeem.

Julien Ribaudo:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse.

On ne remet pas en cause l’idée de moderniser les infrastructures numériques de la justice, mais, comme on le lit dans la presse, la question n’est pas de savoir s’il y aura des accidents, mais quand. On parle de criminels signalés sans que la police soit informée ou d’interdictions de contact non communiquées aux victimes. C’est la réalité de terrain avec JustCase.

Nous comprenons qu'un projet d’une telle ampleur puisse connaître des ratés à son lancement mais, en l’occurrence, les conséquences dépassent la technique. Ce sont les travailleurs de la justice qui doivent compenser. Ce sont les justiciables qui risquent de subir des erreurs, et c’est l’État de droit qui est fragilisé.

Vous indiquez dans la presse qu’il faudra mieux impliquer les acteurs sur le terrain – vous le soulignez encore aujourd’hui dans votre réponse –, mais c’est effectivement le strict minimum. Nous avons pu lire dans la presse que les acteurs avaient déjà formulé des remarques avant même le lancement de JustCase, qu’elles n’avaient pas été prises en considération et que rien n’avait changé.

JustCase n’est malheureusement pas un accident isolé. D’autres projets de numérisation ont déjà échoué, avec des dizaines, voire des centaines de millions d’euros qui ont été dépensés et des citoyens qui ont dû payer la facture. Il y a un an jour pour jour, nous faisions l’audition, en cette même commission, sur le rapport de la Cour des comptes sur les grands projets de numérisation de la justice. Alors oui, l’outil peut être encore amélioré, mais aujourd’hui nous craignons vraiment qu’il ne soit pas correctement pris en main et qu’il ne réponde jamais aux besoins du terrain, comme on le voit dans d’autres dossiers tels que I-Police ou JustSign.

Madame la ministre, ce gouvernement ne peut pas continuer à dire qu’il n’y a pas d’argent et que tout le monde doit faire diète et se serrer la ceinture, et en même temps jeter des millions d’euros par la fenêtre pour des projets qui sont mal pilotés. Nous demandons une transparence totale, un suivi rigoureux et des garanties pour que la justice ait enfin des outils fiables. Nous reviendrons sur ce dossier.

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. De digitalisering van Justitie verloopt inderdaad moeilijk. Dat blijkt opnieuw uit de problemen die bij dit project opduiken.

De technische kinderziekten waren groter dan aanvankelijk voorzien. Ik hoop in ieder geval dat dit snel en op een structurele manier kan worden opgelost, want het gaat om een bijzonder belangrijk project. Het houdt ook veel gevaren in. Ik hoop dat het parallelle systeem dat intussen is ontwikkeld om een extra controle uit te voeren, goed functioneert en dat er geen ongelukken zullen gebeuren. We volgen het verder op.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je suis assez satisfait que vous ayez pris certaines initiatives et je vous en remercie. L'ampleur de la difficulté me semble avoir été prise en considération. Il est toujours facile de dire "il n'y a qu'à", comme certains qui se sont exprimés en ce sens. Nous savons que les gros projets informatiques sont difficiles à piloter. Au sein de la justice, ce n'est pas le premier à présenter des difficultés. Cela dit, je n'avais personnellement pas été entièrement convaincu par le rapport qui nous avait été présenté par la Cour des comptes voici un an. C'est toutefois un point d'attention majeur. Il est clair que l'évolution vers la numérisation de la justice doit se poursuivre efficacement. Espérons que les ratés dans la mise en œuvre seront les moins nombreux et préjudiciables possible. En tout cas, dans votre réponse, j'ai entendu que les difficultés apparues étaient prises en charge et je vous en remercie.

De veiligheid in onze stations
De politieaanwezigheid in het station Luik-Guillemins
Veiligheid en politieaanwezigheid in stations

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 22 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Maaike De Vreese bekritiseert dat Securail-agenten en spoorwegpolitie (met bezettingsgraden onder 50% in Vlaanderen) onvoldoende beschermd zijn tegen escalerend geweld—inclusief wapenaanvallen—en eist concrete uitvoering van regeerakkoordmaatregelen, zoals een duidelijke taakverdeling tussen veiligheidsdiensten. Sophie Thémont beschuldigt de regering van bewuste onderfinanciering (o.a. sluiting opvangstructuren, Plan Grand Froid) die sociale nood in stations (bv. Luik-Guillemins) verergert, en noemt de veiligheidsinvesteringen (camera’s, politie-inzet) onvoldoende en neerwaarts gericht op personeelsrechten. Namens minister Quintin belooft Eléonore Simonet versterkt veiligheidscontinuüm (realtime cameratoegang voor lokale politie, 20 extra agenten in Brussel-Zuid, bodycams, betere juridische samenwerking) en gerichte acties (bv. drugscriminaliteit via TECOV-platform), maar De Vreese en Thémont ontkennen de effectiviteit: de eerste wijst op structurele onderbezetting en gebrek aan mandaat voor Securail, de tweede noemt het beleid "volkomen losgekoppeld van de realiteit" en eist budtaire herstelmaatregelen.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, ik sta hier vandaag om de stem te vertolken van alle mensen die in onze treinen en stations instaan voor de veiligheid van de treinreizigers. De veiligheidsagenten van Securail trekken niet voor de eerste keer aan de alarmbel. Deze dienst werd opgericht aan het begin van deze eeuw, maar is in 2025 niet meer aangepast aan de dagelijkse realiteit. De veiligheidsagenten worden immers steeds vaker geconfronteerd met verbale en fysieke agressie. Ze worden zelfs aangevallen met wapens en messen.

Kort na mijn verkiezing als Kamerlid benaderde een veiligheidsagent mij en hij vertrouwde me toe dat hij zich helemaal niet meer veilig voelde. Hij doet zijn job met hart en ziel, maar hij vraagt zich af of hij zijn job nog verder wil doen en of het nog verantwoord is ten opzichte van zijn gezin, aangezien hij vreest dat het vroeg of laat uit de hand zal lopen.

Ook de spoorwegpolitie slaakt een noodkreet, want zij zijn volledig onderbemand, zeker in Vlaanderen. De bezettingsgraad in Brussel bedraagt 110 %, in Wallonië 70 % à 80 % en in Vlaanderen nog geen 50 %. Zowel Securail als de spoorwegpolitie slaken een noodkreet. Minister, het regeerakkoord bevat heel wat maatregelen met betrekking tot deze problematiek. U bent daarmee bezig, maar op basis van wat ik hoor, kan ik alleen maar vaststellen dat dit nog niet doorwerkt op het terrein.

Op welke manier zult u ervoor zorgen dat de maatregelen die deze federale regering voorziet ook voelbaar zijn op het terrein?

Sophie Thémont:

Madame la ministre, nos gares sont un miroir de la société et sont des lieux publics en première ligne face à la politique d’exclusion et antisociale de votre gouvernement. Les coupes dans les services publics tels que la SNCB font mal. Les voyageurs et le personnel des chemins de fer sont inquiets parce que, depuis plusieurs mois, le sentiment d’insécurité en gare de Liège-Guillemins est bien présent, notamment à cause d’une situation psychosociale complexe, avec des personnes en grande détresse sociale et psychologique. Cette situation demande une réponse globale sur le plan sécuritaire et policier, mais pas seulement. Il faut aussi venir en aide à ces personnes.

La situation à Liège n’est qu’un exemple parmi tant d’autres. La fermeture par votre gouvernement de structures d’accueil et la suppression des financements fédéraux au Plan grand froid aggravent encore le problème et laissent une nouvelle fois les bourgmestres, la police locale et le secteur associatif assumer les devoirs du fédéral.

Malgré des interventions ponctuelles, le constat est celui-là. Malgré vos promesses et vos investissements dans des caméras, le gouvernement n’investit pas assez dans la police des chemins de fer (SPC) et préfère s’attaquer au statut du personnel ferroviaire et à ses conditions de travail. La situation chez Securail est catastrophique.

Dans ce contexte lourd, madame la ministre, quelles sont vos réponses quant à la situation en gare de Liège, mais aussi plus globalement en province de Liège, où je suis bourgmestre, et sur l’ensemble du territoire?

Des mesures particulières ont-elles été envisagées ou mises en œuvre par la SPC en collaboration avec Securail afin de renforcer la présence policière ou d’améliorer la coordination avec les autorités locales et les autres acteurs concernés, en ce compris dans une prise en charge psychosociale des personnes? Quelles pistes complémentaires sont-elles envisagées pour assurer un cadre sécurisant et apaisé?

Eléonore Simonet:

Mevrouw De Vreese, madame Thémont, ik wil u eerst namens minister Quintin bedanken voor uw vragen. Hij heeft mij verzocht u zijn antwoord te bezorgen.

Veiligheid op en rond onze stations is een absolute prioriteit. Agressie en geweld tegen reizigers, treinpersoneel, Securail-agenten en andere veiligheidsmedewerkers zijn totaal onaanvaardbaar. Dat tolereren we niet en daar zullen we consequent en kordaat tegen optreden. Onze stations zijn cruciale toegangspoorten tot ons land. Met de regering stellen we één duidelijke prioriteit, iedereen moet zich veilig voelen op het perron, in de trein en in de volledige stationsomgeving. Securail staat in voor de veiligheid van reizigers, personeel en klanten via preventieve patrouilles en zowel statische als mobiele bewaking in stations, treinen en NMBS-gebouwen. Met meer dan 30.000 interventies per jaar is hun rol essentieel.

Daarom wil minister Quintin inzetten op een echt veiligheidscontinuüm tussen de spoorwegpolitie, Securail en de lokale politiediensten. In dat kader werden in 2025 de camerabeelden van de NMBS in realtime toegankelijker gemaakt voor de lokale politiezones. Teneinde de veiligheid van treinreizigers, veiligheidspersoneel en politie in en rond het station Brussel-Zuid te garanderen, worden bijkomend 20 agenten ingezet. In 2026 blijft minister Quintin werken aan een sterke coördinatie van het integrale veiligheidsbeleid voor vervoer- en spoorweginfrastructuur en dat in nauwe samenwerking met de minister van Mobiliteit. Wij werken aan juridische instrumenten om de operationele samenwerking tussen politie en Securail beter te structureren. Om Securail-agenten beter te beschermen tegen agressie en geweld versterken we de uitrusting van de veiligheidsdiensten. Wij willen het gebruik van bodycams veralgemenen voor veiligheidsmedewerkers en treinbegeleiders vooral op kwetsbare lijnen. Met die maatregelen versterken wij de aanwezigheid, verhogen wij de zichtbaarheid en kunnen wij sneller en gerichter ingrijpen.

Madame Thémont, la police des chemins de fer est régulièrement engagée en soutien de Securail, tandis que la police fédérale participe à des opérations coordonnées et visibles dans les zones sensibles, notamment autour de la gare de Liège ‑ Guillemins, afin de lutter contre la criminalit é et le sentiment d ’ ins é curit é . Ces actions compl è tent efficacement le travail de Securail, en particulier lorsque des comp é tences de police administrative ou judiciaire sont requises.

Par ailleurs, la police fédérale mène une lutte ciblée contre les réseaux de trafic de stupéfiants à Liège, y compris dans le périmètre de la gare, notamment via la plateforme TECOV qui facilite l’échange d’informations et la coordination d’actions conjointes sous la direction de la direction de coordination et d'appui (DCA) de Liège.

Enfin, depuis 2025, les opérations "Full Integrated Police Action" (FIPA) Grandes Villes, lancées par le ministre Quintin, renforcent cette approche en ciblant la criminalité violente liée aux stupéfiants ainsi que les phénomènes générateurs d’insécurité.

Naturellement, si vous avez des questions statistiques plus précises, le ministre vous renvoie vers des questions écrites, auxquelles il réservera bien sûr la meilleure attention.

Maaike De Vreese:

Eén ploeg is er in Brugge, die de veiligheid van de stations moet bewaken in heel West-Vlaanderen. Die ploeg wordt dan nog eens opgeroepen naar de andere kant van Vlaanderen, om daar incidenten op te lossen. En dan zijn er de mensen van Securail, veiligheidsagenten die hun werk doen, maar men kan niet verwachten dat veiligheidsagenten, die in de eerste lijn staan, zonder mandaat en zonder middelen, dezelfde job doen als de politie. Daarom is het zo belangrijk de spoorwegpolitie te versterken en ook zeer duidelijk in een taakverdeling te voorzien

De rondzendbrief moet gewijzigd worden, mevrouw de minister, om in een zeer duidelijke taakverdeling te voorzien tussen de lokale politie, de spoorwegpolitie en Securail. Ik meen echt dat we dat die mensen verschuldigd zijn, die dag in, dag uit hun leven op het spel zetten om onze veiligheid te bewaken.

Sophie Thémont:

Madame la ministre, je ne vais pas vous dire merci parce que je ne pense pas avoir reçu de réponses à mes différentes interrogations. Vous dites que, pour vous, la sécurité est une priorité absolue, que des moyens sont mis en place et qu'en plus, ils sont efficaces. Franchement, je crois que vous êtes complètement déconnectée de la réalité. Je vous invite d'ailleurs, avec le ministre Quintin, à venir voir la gare des Guillemins. Vous coupez systématiquement dans les différents budgets, dans les budgets sociaux, dans les services publics, notamment avec les fermetures de guichets. Vous avez un bilan catastrophique. Vous savez également que la police des chemins de fer manque de moyens. Ce sont encore une fois les autorités locales et les zones de police qui doivent pallier le manque d’accomplissement des missions du fédéral, sans en avoir les effectifs et encore moins les budgets. Cette situation devient insoutenable.

De betrekkingen met de VS, het standpunt van de premier en de bijeenkomst van de Europese Raad
De trans-Atlantische relaties en het Mercosur-handelsakkoord
Het Forum in Davos en het rapport van Oxfam over de concentratie van rijkdom in de wereld
Het Forum in Davos en de Groenlandkwestie
De industriecrisis en de Antwerpse haven
De trans-Atlantische relaties
Het Forum in Davos en de Groenlandkwestie
De trans-Atlantische relaties
De stand van zaken met betrekking tot de trans-Atlantische relaties
Groenland en de trans-Atlantische relaties
Het Forum in Davos en het standpunt van Trump over Groenland
De geopolitieke situatie rond Groenland
Internationale betrekkingen, handel en geopolitieke ontwikkelingen

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 22 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Europa’s reactie op de agressieve Amerikaanse houding onder Trump, met name de dreiging rond Groenland, handelsoorlogen en de ondermijning van Europese soevereiniteit. Kritiek komt van links (PTB, Ecolo-Groen) en rechts (N-VA, MR): Dermagne (PS) noemt de regering hypocriet door harde woorden in Davos niet om te zetten in daden (bv. annuleren F-35-aankoop), Hedebouw (PTB) bekritiseert het "twee maten, twee gewichten"-beleid (Groenland vs. Congo/Palestina), terwijl De Smet (Les Engagés) en Bouchez (MR) juist strategische Europese autonomie eisen via defensie-investeringen en handelsakkoorden (bv. Mercosur). De premier (Bart De Wever) benadrukt dat Europa’s waardigheid "niet te koop" is, maar stelt concrete stappen (bv. Europese kapitaalmarkt, defensie-samenwerking) voorop, zonder de F-35-deal of NAVO-band te breken. Sceptici (bv. Mertens, Almaci) wijzen op gebrek aan mandaat voor deals zoals die met Rutte-Trump en eisen onmiddellijke symbolische actie (F-35-schrapping).

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le premier ministre, monsieur le vice-premier ministre: "Reculez, nous irons jusqu'au bout!", "Nous frôlons le point de rupture!", "Un contre tous, tous contre un!". Monsieur le premier ministre, ces mots ne sont pas les miens, de même qu'ils n'ont pas été générés par l'intelligence artificielle. Ces mots, ce sont les vôtres. Ces dernières heures, ils témoignent d'un changement de ton manifeste à l'égard du président américain Donald Trump et de son administration. Vous semblez, monsieur le premier ministre, avoir soudainement trouvé les mots que nous attendions ici depuis des semaines. En tout cas, nous étions nombreux à attendre une expression telle que celle-là. Ce sont des mots forts, presque courageux s'ils avaient été prononcés plus tôt, comme si, enfin, la menace de Trump et de son administration vous sautaient aux yeux après des décennies d'atlantisme béat. Ces mots, nous ne les avions jamais entendus de la part de votre gouvernement au sein de ce Parlement. Pourtant, cela fait longtemps que les lignes rouges ont été franchies par Trump et son administration: Venezuela, Ukraine, Groenland, et j'en passe.

Cependant, monsieur le premier ministre, ces mots vont-ils résonner jusque dans ces murs ou bien vous êtes-vous laissé griser par l'air des Alpes suisses? Surtout, monsieur le premier ministre, vont-ils enfin se traduire en actes gouvernementaux? Vont-ils être partagés par l'ensemble de l'Arizona? Prenons votre parti: le ministre de la Défense, atlantiste béat et meilleur ambassadeur de l'industrie de la défense américaine, va-t-il enfin accepter de remettre en cause l'achat de nouveaux F-35? Quid de votre groupe au Parlement européen, qui a voté contre la suspension de l'accord commercial extorqué par les É tats-Unis à la faiblesse des dirigeants européens? En quelques mots, allez-vous passer de la parole aux actes? Quelle sera la position de votre gouvernement?

Alexia Bertrand:

Mijnheer de eerste minister, in Davos was er deze week veel volk, veel contacten, veel speeches, goede, minder goede en slechte. Denk aan die spreker die met drie uur vertraging is aangekomen, maar nog net op tijd om 72 minuten over zichzelf te spreken en Groenland met IJsland te verwarren. Er was ook een spreker die zeer sterk sprak over de nieuwe internationale orde en over interne hervormingen. Het had u kunnen zijn, mijnheer de premier, maar ik heb het nu over Mark Carney, de Canadese premier, die intussen thuis de meerwaardebelasting heeft afgeschaft en de taksen heeft verlaagd om investeringen aan te trekken.

Dan was er uw speech. Sterk, ik meen het. " We have to wake up ,” zei u terecht. " If you back down now, you lose your dignity ." Wie zich als een vod laat behandelen, zal ook als een vod behandeld worden. U hebt gelijk. “ We need new alliances ." Net daarom, mijnheer de premier, is Mercosur zo belangrijk. En ja, " maybe Europe at different speeds ". Ik wil er één zin aan toevoegen: " The proof of the pudding is in the eating ."

Mijnheer de premier, internationaal klinkt u sterk en duidelijk, maar thuis lijkt het soms moeilijker om iedereen mee te krijgen. Dat hebben we gisteren nog gezien. Drie van uw coalitiepartners hebben in het Europees Parlement Mercosur doorgestuurd naar het Europees Hof. Het resultaat is twee jaar vertraging. Ze hebben export, jobs en nieuwe partners geblokkeerd. Uw Duitse collega, bondskanselier Merz, heeft deze ochtend zeer klare taal gesproken. Het is genoeg geweest. Duitsland past Mercosur voorlopig toe.

Mijn vraag is heel eenvoudig, mijnheer de premier. Zal België doen zoals Duitsland? Zult u Mercosur voorlopig toepassen, ja of nee?

Sarah Schlitz:

Monsieur le premier ministre, j’espère que votre déplacement à Davos s’est bien passé et que vous avez pu profiter du voyage en avion pour examiner en profondeur le rapport d’Oxfam sur les inégalités. Les conclusions sont vertigineuses et, chaque année, elles dépassent l’entendement. Que découvre-t-on cette année? Une accumulation de richesses jamais vue auparavant. Entre 2020 et 2025, la richesse des milliardaires a doublé alors que la moitié de l’humanité vit aujourd’hui dans la pauvreté.

Le rapport contient également des éléments concernant la Belgique, qui devraient vous intéresser. On y découvre notamment l’apparition de six nouveaux milliardaires dans notre pays. Nous comptons aujourd’hui dix-sept milliardaires qui possèdent à eux seuls une richesse équivalente à celle de l’ensemble des Wallons réunis.

Ces grandes fortunes ne se contentent pas d’accumuler des produits de luxe ou de s’adonner à des loisirs dispendieux qui détruisent la planète. Aujourd’hui, elles ne se cachent même plus d’essayer de déstabiliser des régimes et des États qui ne les intéressent pas ou qui les dérangent.

S’agit-il de tous les milliardaires? Non, "not all milliardaires", il est vrai. Cette année, une surprise est venue de Davos. Je ne parle pas des lunettes du président Macron, mais bien de la tribune de 400 milliardaires et millionnaires qui appellent les chefs d’État réunis à Davos à faire davantage contribuer leurs semblables et à instaurer un système de taxation plus juste.

Monsieur le premier ministre, allez-vous, comme vous l’avez fait dans d’autres dossiers, tenir tête à ces milliardaires, prendre la tête d’un front pour aller jusqu’au bout, comme vous l’avez déclaré, afin que chacun contribue à l’effort que vous demandez à l’ensemble des Belges, ou allez-vous céder au lobby des multinationales américaines et les exonérer de l’impôt minimum?

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre de Belgique, enfin, l'élite européenne, les partis traditionnels belges sont en train de lever le voile de naïveté profonde qu'il y avait par rapport à l'impérialisme américain depuis des années.

Depuis des années, le PTB dit que l'impérialisme américain est le principal danger au niveau de la planète sur le plan des guerres et de l’économie. De nombreuses polémiques sont intervenues: "Non, au PTB, vous êtes naïfs, vous êtes campés, etc." Regardez ce qui se passe! Regardez ce qui se passe devant nos yeux! L'impérialisme américain est effectivement un danger.

Et je vais vous dire pourquoi nous avons une bonne boussole pour analyser la géopolitique? Pour deux raisons.

D'une part, en tant que parti marxiste, nous analysons clairement les contradictions économiques. D'ailleurs, hier, vous avez cité Gramsci; vous avez même cité Lénine. C'est la bonne direction, monsieur le premier ministre! Ce sont les bonnes clés d'analyse. Nous analysons qu'aujourd'hui, une puissance impérialiste, menacée dans son déclin économique, va essayer de compenser son retard économique sur la Chine et d'autres pays par la puissance militaire. Voilà le danger de l'impérialisme américain aujourd'hui.

D'autre part, le PTB a raison parce qu'il met les lunettes des pays du Sud. Vous avez raison d'appeler aujourd'hui à la défense de la souveraineté nationale du Groenland. Vous avez raison! Mais, si nous appelons l'Europe à défendre la souveraineté nationale du Groenland, pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple congolais? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple cubain? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple vénézuélien? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour les peuples africains, d'Amérique latine et d'Asie? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple iranien? Pourquoi, collègues, ne le faisons-nous pas pour le peuple palestinien? Pourquoi ce deux poids deux mesures? Telle est la question qui nous est posée!

Au PTB, nous écoutons évidemment tous ces pays du Sud qui vivent déjà sous la dictature et le joug de l'impérialisme américain depuis des dizaines d'années et qui en ont marre de cet ordre mondial. J'espère, collègues, que l'Europe va se réveiller! (…)

Voorzitter:

Dat brengt ons naadloos bij collega Mertens.

Peter Mertens:

Mijnheer de premier, ik heb maar één vraag: met welk mandaat heeft Mark Rutte onderhandeld over Groenland?

De NAVO is uiteraard geen vastgoedbedrijf dat hier en daar stukken land kan verkopen. Het komt uiteindelijk de mensen in Groenland zelf toe om te beslissen over de toekomst van Groenland. De NAVO heeft geen enkele bevoegdheid, hoe dan ook, om maar iets te onderhandelen over Groenland.

Ik lees dat er gezegd wordt dat Rutte en Trump niet hebben gesproken over kwesties inzake soevereiniteit. Nochtans, alles wat naar buiten komt, zegt het tegendeel.

Ten eerste, de VS zouden militaire basissen krijgen als autonoom grondgebied van de Verenigde Staten, naar het model van de Britse basissen op Cyprus. Vanaf die basissen vertrekken trouwens dagelijks vliegtuigen naar Gaza. Amerikaans grondgebied!

Ten tweede, de VS zouden ook inspraakrecht krijgen bij alle investeringen in Groenland, en zelfs een vetorecht om bepaalde investeringen tegen te gaan.

Ten derde, het zou ook om mineralen gaan. Trump zei zelf na de deal dat hij er niet veel over wilde zeggen, maar het ging in ieder geval over veiligheid en over mineralen, en hij noemde het "een fantastische deal voor ons". Trump geeft dus zelf toe dat het ook over de toegang tot mineralen gaat.

Kortom, militaire basissen, investeringsveto’s en toegang tot mineralen. Trump hoeft maar een klein beetje te blaffen, een beetje te dreigen met economische tarieven en sancties tegen de Europese Unie, en de Europese Unie gaat plat op de buik.

U hebt gisteren terecht gesproken over de waardigheid van de Europese Unie, maar waar in die deal, waarover Mark Rutte onderhandelde met Donald Trump, zit de waardigheid van de Europese Unie?

Daarom heb ik maar één vraag: met welk mandaat is Mark Rutte daar eigenlijk gaan onderhandelen met Trump? Was dat een mandaat van de Europese Unie? Zo ja, waar staat dat mandaat op papier? Waar zijn de grenzen van dat mandaat? (…)

Oskar Seuntjens:

Mijnheer de voorzitter, collega’s, moeten wij nu opgelucht zijn? Moeten wij opgelucht zijn, nu Trump verklaart dat hij geen geweld wil gebruiken tegen Groenland? Moeten wij opgelucht zijn, nu Trump verklaart dat hij geen extra tarieven meer wil toepassen? Moeten wij opgelucht zijn, nu Trump verklaart dat België geen doelwit is? Het antwoord is natuurlijk neen.

Er was ooit een minister van Buitenlandse Zaken die opmerkte dat diplomatie met Trump hetzelfde is als de film 50 First Dates . Dat is het verhaal van een man die verliefd wordt op een vrouw met kortetermijngeheugenverlies. Elke dag opnieuw moet hij zijn best doen om haar te overtuigen dat hij de juiste is. Met Trump is dat net hetzelfde. Wij weten nooit waar wij de volgende dag staan.

Dat zorgt ervoor dat de Verenigde Staten geen betrouwbare bondgenoot zijn en dat Trump een gevaar is voor onze economie en voor onze koopkracht. Dat gevaar is na gisteren niet verdwenen. De onzekerheid waarin hij ons meesleept, heeft immers gevolgen voor onze economie door minder investeringen, minder consumptie en hogere tarieven. Dat mogen en kunnen Europa en België niet aanvaarden. Onze welvaart mag niet afhangen van het humeur van Donald Trump.

Net daarom is het heel belangrijk dat Europa met één stem spreekt, dat wij samenwerken en dat wij werken aan onze veiligheid, onze economie en onze democratie. Daarom is die top vanavond zo belangrijk.

Mijnheer de premier, mijnheer de minister, er werd gisteren gesproken met Trump. Wat nog belangrijker is, is de hiernavolgende vraag. Wat zal er vanavond worden aangegeven op de Europese top?

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, je vous dis très sincèrement bravo. Enfin, une prise de parole claire et forte de rupture avec Donald Trump et l’intimidation insupportable qu’il impose aux Européens! Franchement, il était temps. Entre votre ministre des Affaires étrangères et son chèvrechoutisme plus ou moins engagé, entre votre ministre de la Défense qui fait le groupie sur les réseaux sociaux avec des drapeaux américains, et votre président du MR, qui a des étoiles dans les yeux lorsqu’il lit le plan de sécurité nationale de M. Trump, qu’il aurait pu écrire lui-même, je vous le rappelle, il était grand temps que l’Arizona se dote d’un cap clair. Ce cap clair, c’est qu’en 1949, nous avons décidé de rejoindre une alliance de pays libres et non un pacte de Varsovie dominé par une superpuissance. Ce cap, je vous invite vraiment à le tenir.

Il ne faut pas être naïf une minute sur la soi-disant volte-face de M. Trump sur le Groenland, hier. C’est le problème quand on est dans une relation toxique avec un pervers narcissique: dès qu’il arrête de frapper, dès qu’il arrête de menacer, on croit qu’il faut être soulagé. Non, pas du tout. Le rapport de force ne fait que commencer. J’ai une question importante à ce sujet.

Vous êtes le chef d’un gouvernement, vous êtes le chef de la diplomatie d’un État membre de l’OTAN. Le secrétaire général de l’OTAN nous annonce un accord-cadre. Avez-vous été consulté? Avez-vous donné un mandat? Par hasard, savez-vous ce qu’il y a dans cet accord-cadre? Sinon, cela pose problème.

J’ai également une demande. Je crois que nous serons tous d’accord sur ce point. Le fond du problème est l’indépendance de l’Europe, son indépendance en matière de défense, d’industrie et d’énergie. Ma demande est toujours la même depuis un an, depuis l’arrivée de votre gouvernement. Renoncez au contrat visant à acheter 11 F-35 supplémentaires. Vous devez le faire, il n’y a pas d’autre solution. Même un vassal heureux ne peut pas payer un milliard d’euros pour entretenir sa cage. Vous devez renoncer à cette commande.

Els Van Hoof:

Mijnheer de premier, velen van ons hebben gisteren naar de toespraak van president Trump in Davos geluisterd. Wij hebben allen gevoeld hoe de vrieskou in Groenland of Davos in het niets verdwijnt bij Trumps kille dreigementen. De oude wereldorde is dood en begraven. Nostalgie is geen strategie meer, of we dat nu willen of niet. De Canadese premier verwoordde dat ook zeer duidelijk in zijn schitterende toespraak. Voor cd&v zijn er drie lessen te trekken.

Ten eerste zijn de VS geen betrouwbare bondgenoot meer. Europa mag zich niet langer overleveren aan de grillen van een pestkop of monster. Internationaal recht en soevereiniteit moeten primeren op het recht van de sterkste.

Ten tweede moet Europa zijn tanden laten zien. Door de Europese eensgezindheid van de lidstaten, maar ook door het feit dat heel wat tegenmaatregelen werden geopperd, hebben de VS eindelijk begrepen dat Europa belangrijk is voor hun economie.

Ten derde staat Europa misschien alleen, maar totaal niet geïsoleerd. We moeten werken aan onze Europese defensiesamenwerking. We moeten minder afhankelijk worden van onbetrouwbare partners. Tegelijkertijd moeten we ook allianties uitbouwen met andere democratieën, zoals Canada, Australië en Japan. Er zijn veel mogelijkheden en daar moeten we gebruik van maken om te evolueren naar een nieuwe wereldorde.

Ik heb vandaag nog een belangrijke vraag over de Europese top. Het blijft belangrijk dat we Europese tegenmaatregelen voorbereiden, want een voorbereide Europese Unie is er twee waard. Die maatregelen kunnen dan worden ingezet wanneer dat noodzakelijk is.

Georges-Louis Bouchez:

Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre des Affaires étrangères, nous pouvons réellement constater que lorsque l’émotion gouverne, c’est la bêtise qui règne. Nous avons vu le débat public passer d’une naïveté en puissance à une agressivité sans puissance.

Aujourd’hui, l’heure n’est certainement pas à la lâcheté, mais elle n’est pas davantage à la bravade. Nous devons apporter une réponse intelligente face à la situation mondiale. Cette réponse intelligente passe uniquement par la souveraineté européenne.

Certains vous ont parlé de mettre les lunettes du Sud. Pour ma part, je vais simplement mettre les lunettes de l’Europe, de l’Occident, des démocraties libérales. Si aujourd’hui nous achetons des F ‑ 35, c ’ est parce qu ’ il n ’ existe aucun avion europ é en aussi performant. Nous devons le construire.

Si aujourd’hui nous achetons autant à la Chine, c’est parce que des logiques "bobo" nous ont conduits à détruire notre industrie. Si aujourd’hui nous devons commercer avec des pays arabes ou avec la Russie, c’est parce que nous avons fait croire aux gens que des moulins à vent allaient nous garantir notre sécurité énergétique.

Aujourd’hui, il ne sert à rien de parler de Trump car ce n’est pas lui qui a porté atteinte à la souveraineté européenne. Ce sont les choix d’une série de partis politiques de cette Assemblée, au cours des 30 dernières années, qui nous ont affaiblis.

Nous devons retrouver de la force. Nous devons retrouver de la puissance. Pour cela, nous devons également savoir où se situent nos intérêts. Et oui, monsieur Hedebouw, nos intérêts sont au sein de l’OTAN. En 2029, M. Trump ne sera plus là mais vos amis chinois et russes continueront à constituer des menaces durables pour l’Union européenne, pour les démocraties libérales et pour l’Occident. Nous devons donc nous mettre clairement en marche!

Benoît Lutgen:

Monsieur le premier ministre, j'entends que vous dites "Résiste et mords!" C'est ce que vous avez fait, et je vous en félicite, avec le ministre des Affaires étrangères à vos côtés.

Cela ne date pas d'hier, puisque depuis plusieurs mois, vous avez fait preuve de fermeté et vous avez mis en avant la puissance du droit international. La crédibilité, la force internationale de notre pays s'est renforcée, que ce soit lorsqu'il a fallu résister dans le dossier des avoirs russes gelés ou lors des prises de position concernant Gaza.

Cette fermeté, vous l'avez à nouveau exprimée dès l'annonce des premières menaces douanières et du chantage de Donald Trump concernant sa volonté d'annexer le Groenland.

Nous ne pouvons, mesdames, messieurs, accepter que la loi du plus fort l'emporte sur le droit des plus faibles. Les alliances ne peuvent se limiter à un tas de transactions. Nos libérateurs d'hier, alliés de l'Europe depuis des décennies, seraient-ils devenus nos adversaires? Pire, en voulant annexer un territoire européen – eh oui, on touche à la souveraineté européenne, monsieur Bouchez – veulent-ils devenir nos ennemis? Voilà la question que nous devons nous poser.

Le recul de Donald Trump face à la riposte de l'Europe ne peut que nous réjouir. Croire qu'il en restera là serait faire preuve de grande naïveté. Résister et mordre, comme vous l'avez dit, nous pouvons le faire, mais de façon structurée. Nous devons préparer, au travers d'actions fortes, comme cela a été dit par ma collègue, dans le cadre de transactions structurées entre les États-Unis et l'Europe, toute une série d'éléments pour pouvoir riposter le cas échéant.

Monsieur le premier ministre, est-il vrai que le Danemark a accepté de céder quelques petites parties du territoire de l'Alaska aux USA, comme l'a rapporté le New York Times ? Quel était le mandat donné à M. Rutte?

La Maison-Blanche, par ailleurs, annonçait que la Belgique avait rejoint le Conseil de la paix. Pouvez-vous nous confirmer que c'est simplement une fake news de plus? Je vous remercie.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de eerste minister, de oude wereldorde is dood. Zelfs na de bocht van Trump gisteren in Davos is die oude wereldorde dood. Het is lelijk zaken doen met hem en zijn vazallen. Al lijkt de militaire dreiging voor Groenland vandaag verdwenen, wie weet wat zijn driftbui van morgen zal brengen.

De naïviteit van veel westerse leiders, inclusief in deze regering, is nu hopelijk echt weg. Hopelijk heeft Theo begrepen dat hij niet zo aan het handje van daddy moet lopen en hebben sommige regeringsleiders begrepen dat plezierreisjes naar Qatar misschien toch niet het beste idee zijn.

Onze bondgenoten bevinden zich elders. In Canada, dat een heldere tussenweg heeft getoond, en bij de Amerikaanse burgers die zich vandaag verzetten tegen ICE, tegen de dreigementen, tegen Powell en tegen de kortzichtige economische en buitenlandse politiek van Trump. Nog nooit vond een president in de VS zo weinig steun bij de eigen bevolking. De Californische gouverneur heeft nagels met koppen geslagen toen hij de westerse leiders pathetisch noemde.

Naar aanleiding van de handelsheffingen vroeg ik u op 3 april 2025 in het halfrond om de antidwangmaatregelen op de Europese tafel te leggen. U hebt dat weggewuifd.

De vraag is nu hoe ons land en hoe u zich vanavond zult opstellen, verder in de feiten. Zult u maximaal tegengewicht bieden, met zo weinig mogelijk nadelen voor onze bevolking en onze bedrijven?. Wanneer zult u de internationale orde ondubbelzinnig verdedigen, of het nu gaat om Netanyahu die in ons land landt, om het veroordelen van de inval in Venezuela of om de Vredesraad?

We hebben meer hefbomen dan we denken en er is er een die we op korte termijn kunnen inzetten, met name die extra F-35's. Annuleer die aankoop. Die aankoop is waanzin. De annulering daarvan is een quick win die Trump en de zijnen raakt waar het pijn doet. Dat is een taal die hij begrijpt. Na een jaar van vergoelijken en sussen (…)

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de premier, mijnheer de minister, deze week bracht een geopolitieke rollercoaster. Op maandag wilde hij een land binnenvallen. Op dinsdag wilde hij het kopen. Op woensdag wilde hij het terugpakken, omdat het ooit van hen was. Woensdagavond sprak u met de Amerikaanse president en hopla er is hoop, er is een oplossing in de maak. Chapeau, niemand doet het u na.

Alle gekheid op een stokje. De bezorgdheid van de Groenlanders en de Denen moet bijzonder groot geweest zijn. De bezorgdheid van ons allen was ook zeer groot. U hebt terecht een rode lijn getrokken, want een volk is niet te koop. De Denen zijn niet te koop, de Groenlanders niet en Europa al zeker niet.

Europa mag op het internationale toneel absoluut meer smoel krijgen. Daarover zijn we het helemaal eens. We moeten het internationale recht en de internationale verdragen respecteren en er vooral voor pleiten dat die gerespecteerd worden en blijven.

Maar, even belangrijk is de NAVO-alliantie, die ons al decennialang stabiliteit in de regio biedt. Ook daar moeten we een loyale partner zijn. Ook daar moeten we samen opkomen voor de rechten, de soevereiniteit en de territorialiteit van de volkeren en van onze Europese regio. Dat moeten we overal doen en met alle middelen die we hebben.

Mijnheer de premier, mijnheer de vicepremier, wat is onze rol? Hoe ziet u de optimale rol voor ons land in die allianties, binnen Europa en binnen de NAVO, om nu samen met de Denen en de Amerikanen het traject naar nieuwe stabiliteit uit te stippelen?

Bart De Wever:

Même en quinze minutes, on peut dire beaucoup, monsieur le président! Je dispose de la moitié du temps que Trump m'a accordé, chers collègues. Je pense que cela sera suffisant pour vous.

Merci pour vos questions. Je vais y répondre conjointement avec le ministre des Affaires étrangères, car certaines d'entre elles relèvent spécifiquement de ses compétences.

Ces derniers jours en Suisse, j'ai eu de nombreux contacts avec plusieurs dirigeants d'entreprise de premier plan, issus de grandes sociétés internationales, ainsi qu'avec des responsables politiques du monde entier. Cela ne vous surprendra pas: une certaine tension flottait dans l'air en Suisse. La menace renouvelée d'une guerre commerciale et la crainte d'une rupture au sein de l'Alliance atlantique suscitaient une grande inquiétude.

Het is volstrekt onaanvaardbaar dat het staatshoofd van een bondgenoot de soevereiniteit van een andere bondgenoot bedreigt. Denemarken en het Groenlandse volk hebben het onvervreemdbare recht op hun territoriale soevereiniteit. Zij en alleen zij hebben daarover finaal een mandaat te geven.

De boodschap die ik in Davos heb gegeven, was dan ook duidelijk. De Verenigde Staten zijn veruit de allersterksten in de NAVO, maar onze waardigheid is niet te koop. Wij zijn geen slaven.

De Arctische veiligheid belangt ons allemaal aan, maar de voorgestelde oplossing zal binnen de NAVO worden beoordeeld en binnen de NAVO worden uitgevoerd.

Heureusement, hier et aujourd'hui, il est apparu clairement que, pour l’instant, tant la menace militaire que les restrictions commerciales envisagées ont finalement été écartées. Cela constitue un point positif. Personne n’a à gagner d’une nouvelle guerre commerciale, ni l’Europe, ni les États-Unis. Les droits de douane conduisent toujours au même résultat: la destruction de la prospérité pour toutes les parties concernées. Nous avons donc pour l’instant échappé à une véritable catastrophe. Il est impératif de tirer des leçons de ce qu’il s’est produit.

Dans un monde idéal, les liens entre l’Europe et les États-Unis resteront étroits à l’avenir et nous continuerons, ensemble, dans un esprit de bonne entente, à bâtir la prospérité et la paix pour nos peuples liés par l’histoire. C’est en tout cas ce que je veux. Mais nous ne vivons pas dans le monde tel que nous le souhaitons, nous vivons dans le monde tel qu’il est réellement. La leçon est que nous, les Européens, devons être prêts à affronter des épisodes de tempête. Nous devons réapprendre à nous débrouiller seuls. Redresser la tête. Nous devons avoir une réponse prête lorsque nous sommes soumis à des pressions de la part de grandes puissances, d’où qu’elles viennent.

Canada’s eerste minister en intussen goede vriend Mark Carney gaf daarover inderdaad een zeer treffende toespraak. Het viel mij op dat hij daarin verwees naar de Melische dialoog van Thucydides, net zoals ik dat in New York deed: de sterken doen wat ze kunnen, de zwakken ondergaan wat ze moeten. Dat is niet de wereld die wij willen. De lidstaten van Europa zijn vandaag op zichzelf echter niet opgewassen tegen de druk van grootmachten die wel in die richting willen gaan. We staan echter niet alleen. Daarover wil ik het vanavond in de Europese Raad hebben. Niet over Trump, maar daarover. Over het feit dat we samen een te duchten handelsblok zijn en dat we die troef moeten durven uitspelen.

We hebben een eengemaakte markt, maar het is hoog tijd om die eengemaakte markt nu eindelijk af te werken. Het is tijd voor een eengemaakte kapitaalmarkt, zodat grotere volumes aan investeringen kunnen worden gegenereerd en bedrijven op ons continent kunnen blijven groeien, in plaats van noodgedwongen te verhuizen naar de andere kant van de Atlantische Oceaan. We weten dat de Europese Unie op dat vlak traag en complex is. Daarom moet functionele integratie mogelijk zijn. Landen met dezelfde strategische economische belangen moeten sneller en dieper kunnen integreren.

Het is hoog tijd dat we militair opnieuw ferm op eigen benen gaan staan, leunend op een efficiënte en Europese defensie-industrie. Dat zal echter niet van vandaag op morgen gebeuren. Daar moeten we realistisch in zijn. We moeten er wel zo snel mogelijk naartoe evolueren.

Het is tijd om werk te maken van een gediversifieerde waaier aan strategische partnerschappen, gebaseerd op wederzijds respect en gestuurd op maximale vrijhandel. Dat kan inderdaad met middle powers zoals Canada, het Verenigd Koninkrijk en Australië. Wat mij betreft zeer graag ook met Zuid-Amerika en met India, zoals commissievoorzitter von der Leyen dat in Davos aankondigde. Europa heeft het potentieel om een baken van stabiliteit, respect en welvaart te zijn. Onze honorering van gemaakte afspraken en onze voorspelbaarheid zouden van ons de meest aantrekkelijke partner ter wereld moeten maken. Onze buren willen graag lid worden van de Europese Unie. Dan moeten we echter wel dringend ons huiswerk maken, niet louter voor acute problemen op korte termijn, crisis na crisis na crisis. We moeten structureel werken. Innovatie, productiviteit en competitiviteit moeten centraal staan in alles wat we doen. Daarom maken we met onze regering in ons land alvast werk van lagere brutoloonkosten, een verlaging van de energiekosten voor de industrie, een stevig pakket aan maatregelen voor administratieve vereenvoudiging en structureel overleg met bedrijven en stakeholders onder de vlag van MAKE 2030. We proberen ook Europa in diezelfde richting te duwen.

In die geest ben ik volgende week maandag in Hamburg voor de North Sea Summit. Op 11 februari vindt daarom ook voor de derde keer de European Industry Summit plaats in de Antwerpse handelsbeurs. Op 12 februari komt op mijn vraag een informele Europese Raad in Alden Biesen bij elkaar met slechts één agendapunt: de Europese competitiviteit. Wij moeten dit momentum grijpen om welvaartcreatie opnieuw centraal te stellen en om weerbaar te worden. Dat is de hoofdboodschap die ik heb meegenomen uit al mijn contacten in Davos en dat is ook de boodschap die ik straks zal meegeven aan mijn Europese collega's.

De nood aan Europese daadkracht was de voorbije decennia nooit zo groot als vandaag. Het is nu aan ons om op het appel te zijn. Ik dank u.

Maxime Prévot:

Beste Kamerleden, de top van Davos bleek niet zonder verrassingen. De premier heeft het al gezegd, terwijl we oorspronkelijk dachten dat de oorlog in Oekraïne de gesprekken zou domineren, waren het uiteindelijk de verbale escalatie en de dreigementen van president Trump over Groenland die de aandacht trokken.

We waren aangekomen met een gevoel van urgentie. We vertrekken met de indruk dat er mogelijk een akkoord in de maak is en dat de druk, althans tijdelijk, afneemt, zowel op militair als op handelsvlak. Het is nog te vroeg om in detail te reageren op een akkoord waarvan de contouren nog niet bekend zijn. De Denen en de Groenlanders zullen het als eersten moeten bestuderen, gevolgd door alle NAVO-bondgenoten en de lidstaten van de EU.

Mais une chose est déjà certaine, cette séquence nous enseigne beaucoup.

Première leçon face à la brutalité – parfois – et à l’imprévisibilité – souvent – du président américain, notre ligne doit être immuable: garder la tête froide et resserrer les rangs. Sur la forme de nos messages, contrairement à ce que certains ont envie de croire ou de fantasmer, répondre sur le même ton ne mène nulle part. Monter dans l’invective, frôler l’insulte, c’est alimenter l’escalade. Les Européens doivent rester unis, cohérents et fermes. Être ferme ne signifie pas devoir crier fort. Nous devons opposer l’ordre au chaos de manière inlassable.

Deuxième leçon: garder son sang-froid ne signifie ni faiblesse ni concession. Sur le fond, les messages doivent être très clairs. Ils le sont, et ils ont été répétés à Davos et bien avant, y compris dans cette enceinte et dans la presse internationale, par mes soins. Le Groenland n’est ni à prendre, ni à vendre. C’est une ligne rouge et cela a été répété. Notre solidarité est totale à l’égard du Danemark, comme le sera aussi notre prise de responsabilité en matière d’accroissement de la sécurité de la région arctique. Le ministre de la défense s’y emploie.

De boodschap inzake Groenland moeten de Europeanen met één stem uitdragen: als u volhardt, zullen wij reageren; als u een handelsoorlog wilt, zullen wij u op gelijke voet behandelen.

Het bijeenroepen van een vergadering van de Europese Raad vanavond heeft reeds een duidelijk signaal gegeven van onze gedeelde bezorgdheden en van het urgentiegevoel dat ons drijft.

Die boodschap lijkt president Trump te hebben begrepen, aangezien hij gisteren aankondigde af te zien van zijn dreiging met tariefverhogingen voor bepaalde bondgenoten.

Ik herhaal nogmaals dat wij eensgezindheid en vastberadenheid moeten tonen.

Troisième leçon: ne nous laissons pas bercer par l'apparente accalmie. La pression retombe aujourd'hui, sans qu'il soit exclu que ce soit pour mieux revenir demain sur le Groenland, sur l'Ukraine ou sur un autre sujet. L'imprévisibilité va demeurer. Les tensions et menaces entre alliés ont atteint un tel sommet qu'il en restera des traces durables dans notre façon de penser et d'agir.

Plus fondamentalement, cette parenthèse de calme ne résout en rien nos propres vulnérabilités. Dans le fond, l'enjeu n'est pas de réagir à chaque soubresaut en provenance de Washington, de Moscou ou d'ailleurs, même si nous y sommes bien contraints, mais de regarder en face nos propres responsabilités et, comme l'a souligné le premier ministre, de préparer davantage notre palette d'outils de réaction pour ne pas entreprendre, quelque peu groggys, un processus quand nous nous situons au pic des tensions.

Je vous le disais ici la semaine dernière, chers collègues: l'Union européenne est forte quand elle est unie, et seulement quand elle est unie. Sans cette unité, elle ne pourra pas être un acteur géopolitique majeur. C'est aussi l'un des principaux défis pour l'Union européenne, un défi qui risque de devenir existentiel si nous ne prenons pas davantage la mesure de la nécessité de notre cohésion et que nous succombions aux tentations de relations plus bilatérales et hors du droit. La superpuissance américaine ne peut pas avoir comme pendant la superdépendance européenne.

Onze absolute prioriteit moet het versterken van de Unie zijn, niet de vluchtige verontwaardiging.

De premier en ikzelf zijn ervan overtuigd dat we moeten investeren in onze strategische autonomie, in de sleutelsectoren die onze veiligheid en onze welvaart bepalen. We moeten investeren in onze afschrikkingscapaciteiten. We moeten investeren in onze veerkracht. Alleen zo zullen we ophouden kwetsbaar te zijn voor de onvoorspelbaarheid van de wereld en voor de chantage, die sommigen niet schuwen.

De schijnbare ontspanning van de voorbije uren mag onze vastberadenheid op dat vlak geenszins ondermijnen. We kunnen het ons niet langer permitteren om die boodschap te negeren.

Quant à votre question connexe, madame Schlitz, sans en diminuer l'importance, le rapport d'Oxfam, publié voici quelques jours, rappelle l'importance de rester attentif aux difficultés vécues par une partie de la population.

Qu'un fossé se creuse dans la plupart des pays du monde entre les plus riches et les moins riches, c'est une réalité. Que des disparités subsistent aussi en Belgique, c'est aussi une réalité. Nous devons y accorder une réelle attention et ce gouvernement continue à œuvrer pour que ces inégalités ne se creusent pas davantage.

Quant à la question de la participation prétendue de la Belgique au Board of Peace, monsieur Lutgen, tel qu'erronément annoncé par la Maison-Blanche, nous confondant peut-être avec le Belarus, je confirme officiellement que les modalités de gouvernance et de statut ainsi que la tentation de substitution à l'ordre international multilatéral régi par les Nations Unies s'éloignent effectivement de nos standards et ne nous permettraient pas de souscrire à l'initiative en l'état actuel des choses, encore moins en ayant convié à ce Board of Peace des personnalités comme M. Poutine.

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le premier ministre, ce que je craignais est malheureusement arrivé. Après vos propos virils, engagés, presque courageux, tenus il y a quelques heures à Davos, nous entendons ici les manifestations d’un double discours, d’une divergence de vues, de la part de ceux qui pensent que l’incident est clos et que, s’il ne l’est pas immédiatement après le départ de M. Trump de la présidence en 2029 – du moins s’il daigne quitter la Maison ‑ Blanche –, il y aura, selon eux, un retour au business as usual .

Je n’y crois pas. Nous sommes ici face à un changement majeur de doctrine internationale des États ‑ Unis, à un changement majeur dans la relation entre les É tats ‑ Unis et le reste du monde, et singuli è rement vis ‑ à ‑ vis des pays de l ’ Union europ é enne.

À ceux qui pensent que ce n’est qu’un mauvais moment à passer, à ceux qui pensent qu’il fera à nouveau beau demain, je dis que c’est de la candeur, une candeur qui confine à la connerie. Ce serait vraiment de la connerie de s’inscrire dans cette voie ‑ l à .

À ceux qui disent aussi que la faiblesse des Européens est due à la lubie de quelques "écolos bobos", à certains penseurs divers et variés, à des rêveurs, je rappelle qu'elle est avant due aux chantres de l'ultralibéralisme, à ceux qui affirmaient qu’il fallait aller produire à bas coût, dans des conditions inacceptables, pour vendre ici au même prix et engranger des marges importantes.

Il faut joindre les actes à la parole, et notamment soutenir l’industrie européenne, soutenir la réindustrialisation, et donc faire un (…)

Alexia Bertrand:

Mijnheer de premier, Davos is belangrijk en ik denk dat sommige partijen dat voor de eerste keer beseffen. Internationale woorden zijn ook belangrijk, maar wat uiteindelijk telt, is wat we híer doen. U hebt een unieke kans om uw woorden in daden om te zetten. U hebt gezegd: " We need new alliances. That is what Mercosur is all about ." Dat betekent nieuwe partnerschappen. Dat is heel belangrijk voor onze bedrijven. Dat is geen detail, het gaat over exports en jobs, maar uw coalitiepartners saboteren en blokkeren dat.

U hebt leiderschap nodig om hen te overtuigen en u krijgt daarvoor vanavond een unieke kans op de Europese Top. Volg Duitsland. Ik hoop dat u deze avond aan uw Europese partners zult aankondigen dat wij, net zoals Duitsland, Mercosur voorlopig zullen toepassen. Dat is de boodschap.

Inzake de eengemaakte kapitaalmarkt hebt u helemaal gelijk wanneer u zegt dat wij die echt nodig hebben, maar volg dan Mark Carney. Stop met de belastingen, stop met al die taksen. Mark Carney heeft de meerwaardebelasting net afgeschaft, maar wat doet deze regering? U verdubbelt de effectentaks voor de beleggers, u voert een bankentaks in, u verhoogt de roerende voorheffing met 20 % en u voert een meerwaardetaks in. Stop met al die taksen en stimuleer investeringen.

Sarah Schlitz:

Merci pour vos réponses.

Ce rapport n’est en effet pas anodin. Ce débat est tentaculaire, mais ce rapport, qui est publié chaque année à dessein juste avant le sommet de Davos, est essentiel en termes de lecture de l’état du monde et des rapports de force, mais également des dangers en termes de déstabilisation de nos démocraties et de l’État de droit. Aujourd'hui, on ne peut pas continuer à laisser ces grandes fortunes tenter de déstabiliser nos démocraties et ici en particulier les démocraties européennes. Ils ne se cachent même plus, ils le disent: ils vont continuer à essayer d’influencer les élections démocratiques en Europe, à travers le rachat de médias et de réseaux sociaux. Eh bien, oui, il est temps de les arrêter.

La semaine dernière, nous avons eu des auditions au sujet de votre taxation des plus-values. Les experts ont émis des critiques très fortes sur cette taxation, qui passerait à côté de ses objectifs. Prenez les choses en main, intégrez les recommandations des experts et faites en sorte que cette taxation touche réellement sa cible. Ne restons plus l’exception européenne qui refuse d’aller chercher cet argent là où il est. Faites en sorte de renforcer cette taxe en adoptant par exemple l’amendement que nous avons déposé, qui permettrait d’aller chercher 1,5 milliard chaque année pour le budget de l’État.

Raoul Hedebouw:

Messieurs les ministres, merci pour vos réponses.

Y a-t-il effectivement eu une étude approfondie de ce document de sécurité stratégique américain? Avez-vous lu ce document que M. Boucher aurait pu écrire lui-même?

Que dit-il? D’une part, il y est confirmé, noir sur blanc, le rétablissement de la doctrine Monroe, c’est-à-dire un projet néocolonial pour l’ensemble du continent latino-américain. D’autre part, il y est écrit, noir sur blanc, que l’objectif est la destruction de l’Union européenne.

Pourtant, ici, certains ministres continuent de dire que tout ira bien, que cela va passer, qu’il était simplement moins fâché aujourd’hui. Voyez-vous l’enjeu stratégique qui se joue actuellement? L’impérialisme américain l’affirme explicitement. Son objectif est la destruction de l’ordre existant, et nous continuons à regarder comme si de rien n’était.

Ce que Trump et l’impérialisme américain font aujourd’hui avec le Groenland, ils le font depuis des décennies avec les pays du Sud. Sept cents bases militaires à travers le monde, des interventions militaires répétées, le dollar comme monnaie dominante qui conditionne les économies mondiales, une banque centrale américaine dotée d’un pouvoir antidémocratique considérable. C’est cet ordre mondial qui est en train de s’effondrer sous nos yeux.

La question, monsieur le premier ministre, est donc de savoir quelle Union européenne nous voulons construire. Une autonomie européenne n’a de sens que si elle ne consiste pas à suivre aveuglément les États-Unis dans leurs interventions et dans cet ordre mondial néo-impérialiste. Cette voie n’est pas tenable.

Il faut au contraire tendre la main aux pays du Sud et construire une véritable Union européenne en symbiose avec les peuples du monde, mais pas (…).

Peter Mertens:

Oké, over Groenland zijn er twee lezingen. De ene lezing zegt dat we content zijn omdat de Verenigde Staten van geweld hebben afgezien. Dat zou komen omdat de Europese Unie wakker is geworden en heel sterk is. Dat is een lezing die ik absoluut niet begrijp en ook niet zie.

De andere lezing is dat het niet aan Ursula von der Leyen ligt dat er geen geweld is gebruikt. Het ligt ook niet aan koning Filip en dat gesprek van een kwartier dat er geen geweld zal worden gebruikt. Het ligt zelfs niet aan de Europese Raad. Het ligt aan de deal die Mark Rutte heeft gesloten met Trump.

Men zegt hier dat Groenland niet wordt uitverkocht. Die deal verkoopt Groenland echter onder onze ogen uit aan de Verenigde Staten. Het gaat over grondgebied dat aan Trump wordt gegeven. Het gaat over mineralen die aan Trump worden gegeven. Het gaat over controle die aan Trump wordt gegeven. Zelfs investeringsveto’s worden in die deal toegekend.

Mijn vraag was eenvoudig, maar u hebt er niet op geantwoord. Welk mandaat heeft Mark Rutte gekregen van de Europese Unie? Mark Rutte is nergens verkozen. Integendeel, hij is gebuisd in Nederland. Hij heeft Nederland achtergelaten in een chaos. Vervolgens heeft hij een job gekregen bij de NAVO. Nergens is hij verkozen. Welk mandaat heeft hij van de Europese Unie gekregen om stukken Groenland te verpatsen? Hij heeft geen mandaat gekregen. Voor onze ogen verkopen we stukken Europa uit. We spreken hier grote taal, maar terzelfder tijd zijn we Europa aan het uitverkopen aan de Verenigde Staten.

Oskar Seuntjens:

Premier, u zei dat onze waardigheid niet te koop is. Ik meen dat het goed is dat u dat zegt. In een wereld die op zijn kop lijkt te staan, snakken mensen naar een duidelijk signaal, naar een Europa dat een vuist maakt en niet achteruit deinst. Een vuist maakt tegen mensen die het niet echt menen met democratie, die het niet echt menen met mensenrechten.

Daar moeten we vooral niet hypocriet over zijn. Vandaag staan wij 1.000 % achter de Groenlanders. En tegelijkertijd verzetten we ons ook tegen andere autocraten. Tegen Poetin, die Oekraïne is binnengevallen, zoals u terecht zei, mijnheer de minister. Dat mogen we niet vergeten. Tegen Netanyahu die de Palestijnen onderdrukt. Tegen de Chinezen, die de Oeigoeren in opvoedingskampen steken.

Consequent moeten we, keer op keer, onze normen en waarden uitdragen. Consequent. Dat is onze sterkte. Dat is hoe we het verschil kunnen maken.

François De Smet:

Messieurs les ministres, merci pour vos réponses.

Premier, vous parlez encore d’un monde idéal, avec une pointe de regret que je comprends. Moi aussi, je suis une forme d’atlantiste frustré. Mais le premier Trump aussi, nous pensions que ce serait une parenthèse. Vous l’avez vous-même dit à Davos: le retournement des États-Unis ne date pas des présidences Trump. Il est structurel. Il est stratégique.

Dans ce monde rempli d’imprévisible – monsieur le ministre, j’ai beaucoup aimé que vous ameniez cette notion, parce qu’elle est très vraie – il y a une seule certitude: c’est que nous sommes dans un monde d’empires en résurgence, et que nous sommes trop faibles pour l’instant.

Nous, politiques, faisons en général de bons programmes. Nous nous disons que tout est prévisible et, en fait, nous passons une grande partie de notre temps à combattre la force de l’imprévisible.

La seule manière de combattre ici l’imprévisible, c’est de devenir plus forts – en effet, premier, vous avez raison –, de multiplier des partenariats avec d’autres pays: avec le Canada, avec l’Australie, avec l’Inde, etc.

Cela laisse aussi penser que, entre nous, le nationalisme comme force politique en Europe n’a pas beaucoup d’avenir, paraît daté. Il n’est pas exclu, premier, que d’ici 2029, vous soyez devenu complètement fédéraliste. C’est tout le mal que je vous souhaite.

Els Van Hoof:

Ik ben blij met uw sterke antwoorden want een voorbereide Europese Unie is er twee waard.

Het is een goede zaak dat werd afgezien van een handelsoorlog of militair geweld. Niettemin is waakzaamheid geboden want er zijn diepe wonden geslagen in de trans-Atlantische relaties. Dat moeten wij onder ogen durven zien. Ze helen niet in één nacht.

Ik ben blij dat zowel de premier als de minister zich hebben aangesloten bij de punten die voor cd&v belangrijk zijn. Europa moet zijn tanden laten zien voor het behoud van zijn waarden. Wij moeten steunen op betrouwbare bondgenoten, onze strategische autonomie uitwerken en allianties aangaan met nieuwe democratieën.

Als wij de voorbije week één zaak duidelijk hebben kunnen merken, dan is het wel dat, als wij een internationale wereldorde willen die niet gebaseerd is op dreigementen maar op internationaal recht, wij daar zelf aan moeten werken. Wij mogen ons niet uit elkaar laten spelen want dat is de strategie waarop Poetin speelt, waarop Xi speelt en waaraan Trump op zijn manier ook meewerkt. Wij moeten vooruitgaan met eensgezindheid, vastberadenheid en daadkracht.

Dat begint vanavond op de Europese top. Ik hoop dan ook dat op die top Europese tegenmaatregelen worden voorbereid die kunnen worden ingezet wanneer nodig.

Georges-Louis Bouchez:

Henry Kissinger, dans les années 1970, disait déjà: "Les États-Unis n’ont ni alliés, ni ennemis, juste des intérêts." Certains viennent de découvrir aujourd'hui comment fonctionnait la politique internationale. En fait, aujourd'hui, c'est un peu plus rapide. C'est certainement beaucoup plus brutal. Cela a certainement des conséquences beaucoup plus fortes, mais il n'y a rien de neuf. Il faut arrêter de regarder le monde tel qu'on voudrait qu'il soit. On doit le regarder tel qu'il est. D'ailleurs, le premier ministre parle d'élargir nos alliés. C'est la raison pour laquelle nous devons signer des accords de libre-échange. C'est la raison pour laquelle nous devrions d'ailleurs signer un accord de libre-échange avec l'Afrique, parce qu'il y a là un enjeu essentiel pour les générations futures.

Mais je voudrais aussi prendre l'opposition à témoin. Vous effectuez presque aujourd'hui des danses de la pluie en espérant l'autonomie et la force de l'Europe. Mais pourquoi ne soutenez-vous pas alors nos réinvestissements dans la défense? C'est un passage obligé pour l'autonomie européenne. Pourquoi nous avez-vous bloqués quand nous avons voulu prolonger le nucléaire sous le précédent gouvernement? C'était essentiel pour l'autonomie énergétique. Allez-vous nous suivre si nous voulons supprimer des réglementations afin de permettre à l'industrie de s'installer? Allez-vous nous suivre pour baisser les impôts pour relancer la compétitivité? Allez-vous nous suivre dans des choix politiques courageux qui permettront enfin d'atteindre ce que nous aurions dû atteindre depuis longtemps: la souveraineté européenne?

Benoît Lutgen:

Monsieur le premier ministre, monsieur le vice-premier ministre, je vous remercie.

Je suis heureux d'apprendre que la Maison-Blanche a confondu la Biélorussie avec la Belgique et je suis désolé d'avoir confondu l'Alaska et le Groenland dans mon intervention.

Je ne sais pas lequel de vous deux résiste et mord le plus. Toujours est-il que personne ne pourra contester ici que la voix de la Belgique est plus forte sur le plan européen et international qu'elle ne l'était voici un, deux ou trois ans, ou même plus loin dans le temps. Pour ma part, c'est une bonne surprise.

Au travers des deux interventions, oui, il est possible d'exprimer fermement et sans s'agiter les intérêts économiques de la Belgique et de l'Union européenne, en rappelant que le droit international constitue une boussole absolue – comme vous l'avez démontré dans de nombreux dossiers et à l'occasion de plusieurs enjeux.

De même, vous rappelez que notre autonomie stratégique est essentielle et qu'il convient d'y travailler à l'échelle européenne. Vous avez, du reste, engagé le gouvernement sur cette voie: autonomie de la défense, autonomie énergétique, autonomie au plan de la santé et de l'alimentation. À ce dernier titre, la production agricole européenne doit être soutenue pour que nous ne soyons pas dépendants demain. Nous sommes déjà suffisamment dépendants pour ne pas le devenir encore davantage.

C'est sur cette voie de la fermeté, en suivant la stratégie qu'applique votre gouvernement, que la Belgique, aujourd'hui plus forte, se renforcera encore et que l'Union européenne, dans son unité, fera résonner la voix de celles et ceux qui se tiennent du côté du droit international.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de premier, u zegt dat onze waardigheid niet te koop is. Hoe geloofwaardig is dat als u 1,5 miljard euro uitgeeft aan elf extra F-35’s? Met mooie woorden en retoriek gaan we het niet halen. Alleen uw daden tellen. Annuleer die aankoop van die extra F-35’s. Put your money where your mouth is . Dat is ook wat Trump doet. Hij onderneemt actie. Er zit methode in zijn waanzin. Die waanzin is te lezen in zijn nationale veiligheidsstrategie, waarin hij zegt dat hij het verzet tegen Europa zal leiden. Die waanzin wordt gedreven door het eigenbelang van een klein clubje superrijken dat de democratie wil vervangen door dwang en daar nog lof voor eist ook. Hij is daar zelf een voorbeeld van, of het nu gaat om olie, mineralen, vaarroutes, schimmige crypto- of techplatformen, ook in Europa. In die waanzin moeten we met een koel hoofd alternatieven uitwerken en vastberaden neen durven zeggen. Het enige instrument dat u vandaag op korte termijn zo concreet kunt inzetten, gebruikt u niet. Als u ongebonden, autonoom en met rechte rug uw waardigheid wilt behouden, dan doet u ook po dat vlak wat mogelijk is. Het is ongelooflijk dat u zelfs op dat vlak vandaag niet thuis geeft.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de eerste minister, mijnheer de minister, zelfs in dergelijke crisissen schuwt men de grote en ook heel vaak loze woorden niet. Ik heb de woorden respect, loyauteit en waardigheid vaak gehoord, maar dat zijn geen losse zinnetjes of vage begrippen. Het is een engagement, een attitude.

Een sterk Europa heeft inderdaad respect voor internationaal recht en soevereiniteit. Een sterk Europa heeft loyauteit voor nieuwe en oude allianties en voor elkaar. Een sterk Europa heeft een smoel en zal aan de onderhandelingstafel aanwezig zijn wanneer het gaat om vrede voor Oekraïne. Een sterk Europa geeft ons de identiteit die we nodig hebben om er te staan in de wereld, om aan handel te doen en om onze volgende generaties te beschermen.

Dat is wat sterk leiderschap met zich meebrengt en daar kan ik absoluut op u tweeën en op de arizonaregering rekenen, waarvoor dank.

Voorzitter:

Dank u, mevrouw Depoorter, en alle sprekers en de twee ministers. Mijnheer Hedebouw , de heer Bouchez heeft uw naam genoemd, maar niet op een wijze die aanleiding geeft tot een persoonlijk feit.

De Amerikaanse aanval op Venezuela
De dreigende taal van de VS richting Groenland
De eerbiediging van de soevereiniteit van Groenland
De houding van België over de Amerikaanse inval in Venezuela
De situatie in Venezuela en de veiligheid van de Belgische onderdanen
De situatie in Venezuela en de verschillende machtsclaims
De arrestatie van president Maduro
De Europese positie m.b.t. Groenland
De stavaza na de diplomatieke gesprekken in de VS en het onderhoud met Secretary of State Rubio
De ontvoering van de Venezolaanse president door de Verenigde Staten
De diplomatieke gevolgen en de Europese coördinatie in het licht van de trans-Atlantische spanningen
De politieke situatie omtrent Groenland
De spanningen in Venezuela
Groenland en de Amerikaanse uitspraken
Groenland
Venezuela
De dreigende taal van Trump richting Groenland
De agressie van de VS tegen Venezuela
Het onderhoud met minister Marco Rubio
De onduidelijke positie van België ten opzichte van de VS-inval in Venezuela
De Amerikaanse dreigementen over Groenland
Internationale spanningen rond Venezuela en Groenland: diplomatie, soevereiniteit en machtsconflicten

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de schendingen van het internationaal recht door de VS (annexatieplannen voor Groenland en de ontvoering van Maduro in Venezuela) en Europa’s zwakke, versnipperde reactie. België/minister Prévot veroordeelt de VS-acties in principe (VN-Handvest als "boussole"), maar weigert een expliciete veroordeling en benadrukt diplomatieke "dialoog" met Washington, ondanks kritiek op Trumps "recht van de sterkste"-benadering. Kritiekpunten: Europa’s gebrek aan strategische autonomie (militair, energiek, technologisch) en eendracht (blokkades door Hongarije, verdeeldheid over sancties) ondermijnen zijn geloofwaardigheid. Prévot pleit voor een sterker Europa met eigen defensie- en industriële capaciteit, maar relativeert dit door de economische afhankelijkheid van de VS (115.000 Belgische jobs, €65 mjd handel). Oppositie (o.a. Lambrecht, Boukili, Almaci) bekritiseert scherp: - Selectieve toepassing internationaal recht: VS-acties (Groenland, Venezuela) worden getolereerd, terwijl gelijksoortige daden door Rusland/China wel worden veroordeeld ("twee maten"). - Europa’s zwakte: Gebrek aan snelle, uniforme sancties (vs. VS/Rusland) en afhankelijkheid van de VS maken het tot een "papieren tijger". - Trumps motieven: Ontvoering Maduro draait om olie (Trump noemde "pétrole" 20x), Groenland om strategische grondstoffen—geen "democratische bevrijding". - Veroordeling ontbreekt: Prévot herhaalt VN-regels maar vermijdt woorden als "condamnation" (Mutyebele: "U zegt ‘gangster’ over Maduro, maar zwijgt over Trumps kidnapping"). Concrete spanningen: - Groenland: Denemarken versterkt militaire aanwezigheid; VS dreigt met geweld maar ontkent "annexatieplannen" (Prévot: "Neem Trump serieus, niet letterlijk"). - Venezuela: EU zoekt dialoog met de facto regime (Rodríguez) en oppositie (González), maar blokkeert op erkenning legitieme leiding. Humanitaire crisis (7,9 mln noodhulp) en olie-exploitatie door VS blijven onopgelost. - NAVO-crisis: Sommigen (De Smet) waarschuwen: "VS-overname Groenland = einde NAVO"—Prévot ontwijkt dit scenario. Oplossingsrichtingen (maar weinig concrete stappen): - Europese "autonomie": Versneld investeren in defensie (vs. VS-afhankelijkheid), energietransitie, en technologische soevereiniteit (AI, 4% EU-aandeel). - "Coalitie van willigen": Voorstanders (Di Nunzio) pleiten voor snelheidsverschillen in EU-beleid om blokkades (Hongarije) te omzeilen. - Economische druk: VS als handelspartner (€65 mjd) beperkt EU-ruimte, maar sancties tegen VS worden niet overwogen. Kern: Europa faalt in krachtig optreden door interne verdeeldheid en VS-afhankelijkheid, terwijl Prévot diplomatie boven conflict stelt—wat critici zien als appeasement. Normatieve tweespalt: VS-handelen is onwettig, maar pragmatisme wint het van principes.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, de recente acties en verklaringen van de Verenigde Staten werpen een schaduw over de internationale regels.

Enerzijds is er de situatie rond Groenland, dat door het Witte Huis formeel als een nationale veiligheidsprioriteit wordt beschouwd. De Amerikaanse regering stelt dat Groenland eigenlijk een deel van de Verenigde Staten moet worden. Een ambitie die kracht wordt bijgezet door te dreigen met – indien nodig – het gebruik van geweld. Hoewel de Deense premier benadrukt dat Groenland aan de Groenlanders behoort, blijft de druk vanuit Washington zeer groot.

Anderzijds zijn we getuige geweest van een escalatie in Venezuela, waar de Verenigde Staten een illegale aanval hebben uitgevoerd en president Maduro en zijn vrouw hebben ontvoerd. Laat ons wel wezen, een dictator minder, waar ook ter wereld, is goed nieuws, maar internationale regels moeten wel worden gerespecteerd. Ook hier was er een schending van het internationaal recht.

Deze acties dreigen een zeer gevaarlijk precedent te scheppen voor andere grootmachten, die dan kunnen denken dat zij op dezelfde manier kunnen handelen, zoals China en Rusland in Oekraïne.

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

Ten eerste, bent u van mening dat Europa over een degelijke strategie beschikt om weerstand te bieden aan de Amerikaanse druk op Groenland en aan schendingen van het internationaal recht in Latijns-Amerika?

Ten tweede, wat doet België concreet om bij te dragen aan de ontwikkeling van een Europese strategie, en echt rode lijnen te trekken en ons te distantiëren van dergelijke eenzijdige acties?

Ten derde, hoe schat u de huidige reacties van uw Europese collega’s in? Zijn die naar uw mening krachtig genoeg om de Europese autonomie te waarborgen?

Ten vierde, wat is het standpunt van België over het voorstel van generaal Brieger om een symbolische Europese militaire aanwezigheid in Groenland te gaan vestigen?

Ten vijfde, hoe kijkt u aan tegen de rechtsgang die Maduro en zijn vrouw in de Verenigde Staten te wachten staat? Denkt u dat het proces eerlijk zal verlopen?

Ten zesde, wat zijn de concrete contouren van ons buitenlands beleid tegen straffeloosheid en hoe past u dat toe op de huidige Amerikaanse acties?

Ten zevende, wat zal Europa doen om de vreedzame oppositie in Venezuela te steunen en een terugkeer naar vrije en eerlijke verkiezingen mogelijk te maken?

De voorzitster : De heer De Smet is niet aanwezig. De heer Lacroix evenmin. Het woord is aan de heer Di Nunzio. U hebt vier minuten.

Sandro Di Nunzio:

Dank u wel, voorzitster. Ook mijn beste wensen voor u, mijnheer de minister, en voor alle collega’s hier, nu we elkaar voor het eerst zien.

Nicolas Maduro heeft de verkiezingen verloren in 2004 en is sindsdien toch aan de macht gebleven als dictator. Het lijdt geen enkele twijfel dat hij zich moet verantwoorden voor zijn misdaden. Ik denk dat we het daar allemaal over eens zijn.

Vrede en gerechtigheid binnen Venezuela en voor de Venezolanen kan je echter niet afdwingen met militaire macht. De Amerikaanse militaire coup, die dat effectief heeft beoogd, ondergraaft het internationaal recht en de wereldorde. Door de acties die zijn ondernomen, heeft men daar een ernstige schok aan gegeven.

Laat mij zeer duidelijk zijn. Ondanks de euforie die hier en daar leeft binnen het Venezolaanse volk, betekent mijn kritiek niet dat ik zou vinden dat dat volk geen recht heeft op democratie, maar het heeft ook het recht om geen buitenlandse inmenging te ondergaan en om niet onderworpen te zijn aan machtspolitiek.

Nog verontrustender was nadien de aankondiging van president Trump dat Amerikaanse oliebedrijven Venezuela zullen exploiteren, terwijl het olie-embargo gewoon blijft gelden. Even verontrustend zijn de druk en dreigementen jegens Colombia en andere landen. Trump spreekt zich ook uit over Mexico. Het zijn woorden en daden van een Amerikaanse president waar we bijna niet meer van opkijken. Het feit dat dit ons niet meer verrast, moet ons zeer ongerust maken, want we zijn in een wereld verzeild waarin geen sprake meer is van een multilaterale orde, maar van het recht van de sterkste. Ik pleit ervoor dat verandering in Venezuela van binnenuit moet komen, niet door extern ingrijpen.

Ik zie dat mijn tijd verder loopt, dus ga ik meteen over naar Groenland. Ik heb de subvraag ook overgemaakt. In verband met Groenland hebt u in de plenaire zitting van 8 januari gezegd dat u de veiligheidsbekommernissen van de Verenigde Staten kunt begrijpen en dat achter sommige uitspraken legitieme bezorgdheden schuilgaan. Tegelijk hebt u terecht gesteld dat het onaanvaardbaar is om de territorialiteit van een bevriend land en een NAVO-bondgenoot in vraag te stellen. Groenland is NAVO-gebied en de Verenigde Staten hebben akkoorden met Denemarken die hen nu al toelaten om militaire bases te gebruiken en er militairen te stationeren. Het zijn echter de Verenigde Staten zelf die in het verleden hebben beslist om hun militaire aanwezigheid daar af te bouwen.

Als de VS het recht hebben om daar militair aanwezig te zijn en men die aanwezigheid destijds zelf heeft afgebouwd, waarom stelt u dan dat u de bekommernissen van de Amerikanen begrijpt en legitiem vindt? Binnen de bestaande akkoorden, vooral binnen het NAVO-bondgenootschap, kunnen de VS immers afspreken wat noodzakelijk is om in de eigen veiligheid te voorzien, als men dat als een probleem beschouwt. Waarom vindt u die bekommernissen legitiem, terwijl men binnen het huidige bondgenootschap eigenlijk al over voldoende middelen beschikt om daarmee aan de slag te gaan?

Ellen Samyn:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, de situatie in Venezuela is de voorbije weken sterk geëvolueerd en roept belangrijke vragen op inzake politieke legitimiteit, veiligheid, internationale rechtsorde en consulaire bescherming. Na een Amerikaanse militaire operatie werd president Maduro uit het land weggehaald. De Verenigde Staten geven aan tijdelijk bestuurlijke verantwoordelijkheid op te nemen in afwachting van een zogenaamd correcte en veilige machtsoverdracht.

Tegelijk heeft het Venezolaanse Hooggerechtshof Delcy Rodriguez presidentiële bevoegdheden toegekend, terwijl de oppositie stelt dat Edmundo Gonzalez de rechtmatige winnaar is van de presidentsverkiezingen van 2024 en diens onmiddellijke aanstelling vraagt. Daarnaast verklaart het Venezolaanse regime dat honderden politieke gevangenen zouden zijn vrijgelaten, terwijl mensenrechtenorganisaties aangeven dat het aantal bevestigde vrijlatingen voorlopig aanzienlijk lager ligt en dat alle transparantie ontbreekt.

In dezelfde context gaf Venezuela te kennen opnieuw werk te willen maken van een dialoog met de Europese Unie.

Mijnheer de minister, hoe schat België vandaag de situatie in Venezuela concreet in? Is er overleg geweest met uw Europese collega-ministers en bestaat er al een gezamenlijke Europese lijn, zeker nu Caracas opnieuw toenadering zoekt tot de Europese Unie?

U had sinds de Amerikaanse operatie contacten met de Verenigde Staten. Welke garanties werden er gegeven over de aard, de duur en de grenzen van het Amerikaanse optreden?

Dan heb ik een aantal vragen over de Belgen ter plaatse. Hoeveel Belgische onderdanen bevinden zich volgens de recentste cijfers nog in Venezuela? Hoe wordt hun veiligheid vandaag gegarandeerd? Bestaat er een concreet evacuatieplan, eventueel samen met andere EU-landen? Is dat plan al voorbereid of geactiveerd?

Dan kom ik bij de consulaire bijstand. Aangezien België zijn ambassadewerking vanuit Bogota organiseert, wordt er actief samengewerkt met andere EU-ambassades voor gezamenlijke consulaire hulp?

Dan heb ik ook een aantal vragen over de machtsvraag. Hoe positioneert dit land zich tegenover de verschillende machtsaanspraken? Wordt Gonzalez door België beschouwd als de legitieme winnaar van de verkiezingen van 2024? Zal België Rodriguez erkennen als het momenteel de facto gezag en zo ja, op basis van welke criteria? Met wie hebben onze diplomatieke en consulaire diensten vandaag concreet contact? Is dat met de structuren van Rodriguez, met de oppositie of met de tijdelijke Amerikaanse administratie?

Dan heb ik vragen met betrekking tot sancties. Overweegt België gerichte sancties tegen personen die een democratische overgang blokkeren of mensenrechten blijven schenden?

Ten slotte, hoe kijkt u in het algemeen aan tegen een overgangsbestuur, in afwachting van nieuwe verkiezingen? Onder welke voorwaarden acht u zo’n scenario aanvaardbaar binnen het internationaal recht en het zelfbeschikkingsrecht van het Venezolaanse volk?

Bijkomend, heeft België zicht op de impact op Belgische bedrijven en contracten in Venezuela, bijvoorbeeld in energie, logistiek of dienstverlening? Worden die bedrijven actief begeleid?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, Groenland, NAVO-bondgenoot, deel van een lidstaat van de Europese Unie, een autonoom gebied binnen het koninkrijk Denemarken, met een kleine bevolking en een strategische ligging, wordt nu toch wel heel sterk onder vuur genomen, spreekwoordelijk dan. Het zijn vrij bange tijden voor de bevolking daar, want ze staan zowaar te koop. Het is bijzonder dat een bondgenoot een deel van een land en een bevolking zegt te willen kopen.

Er zijn scherpe discussies over soevereiniteit, over de arctische gebieden, over de samenwerking tussen Europa en de Noord-Amerikaanse partners en over hoe wij daarmee moeten omgaan.

Mijnheer de minister, ik had graag van u vernomen hoe u deze ontwikkelingen beoordeelt. Hoe ziet u dit in het kader van de soevereiniteit van de Groenlanders en van onze trans-Atlantische samenwerking?

Dit is een pijnlijke situatie, waarbij wij het ook over de veiligheid van de Europese Unie moeten hebben. Ik hoorde vanochtend nog een uitspraak van de Amerikaanse president over annexatie: "Het kan in onze visie niet anders dat er een annexatie plaatsvindt". Dat zijn toch uitspraken waarover wij moeten nadenken en waarop wij een antwoord moeten geven. Dat is ook wat Europa zegt.

Ik heb gisteren Teresa Ribeira gehoord, die een heel duidelijk signaal van de Europese Unie vraagt. Ik had graag van u vernomen hoe u daar tegenaan kijkt. Hoe zult u hiermee omgaan? Hoeveel onderdanen van ons land zijn er trouwens in Groenland aanwezig? Zijn daar Belgen aanwezig of niet? Staat u achter de uitspraak dat, wanneer een NAVO-lidstaat wordt aangevallen, wij allemaal mee in het bad moeten gaan?

Een tweede deel van het actualiteitsdebat gaat over Venezuela.

Het feit dat president Maduro in gevangenschap is gebracht en dat er hoop is voor de vele Venezolanen die het land hebben verlaten omwille van dit toch wel zeer bijzondere regime, is niet evenredig met het feit dat het internationaal recht hier echt wel geschonden is.

Mijnheer de minister, hoe interpreteert u het internationaalrechtelijke kader in dezen? Hoe gaat u daarmee om? Hebt u al contact met de Belgische ambassadeur opgenomen, die op dit moment in Bogota is? Worden er bijkomende consulaire of veiligheidsmaatregelen genomen voor de mensen van ons land die in Venezuela aanwezig zijn?

De stabiliteit van de hele regio is uiteraard heel belangrijk. Colombia is een buurland. Er zijn gesprekken geweest tussen de Amerikaanse president en president Petro, maar hoe schat u de politieke situatie en de veiligheidssituatie in Venezuela in?

Belangrijk ook, hoe is de relatie vandaag met de verkozen oppositieleiders, met de heer Gonzalez, met mevrouw Maria Corina Machado? Zijn er contacten vanuit ons land met de oppositie, zoals die ook in het Witte Huis zullen plaatsvinden, zoals we lezen in de pers? Zult u ter zake stappen ondernemen?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, la nouvelle année s'est ouverte par une intervention impérialiste qu'on a cru, à tort, ne plus être de notre temps. C'est celle de l'Amérique qui a enlevé sans base légale, sans mandat, le président d'un État souverain, à savoir le Venezuela. Ce monsieur a été enlevé avec sa femme.

Cette opération s'est faite sur la base d'accusations d'un réseau de narcotrafic géré par le président Maduro, à contre-courant de l'avis de tous les spécialistes. Outre la nature franchement grossière de telles accusations, l'illégalité d'un acte assimilable à une déclaration de guerre ne peut être accueillie avec une telle passivité. Croire que cette opération s'est faite dans l'optique de soulager la population du Venezuela – qui est victime de la politique autoritaire et violente de son président – serait faire preuve d'un optimisme naïf. Le président Trump n'a pas tenté de cacher ses réelles motivations car, pendant la conférence de presse, il a prononcé au moins vingt fois le mot "pétrole". Il veut contrôler les larges ressources pétrolières de cet État.

Monsieur le ministre, la Colombie a déjà été menacée de subir le même sort. Le Groenland aussi, et les autres grandes puissances n'en demandaient pas tant. Si la loi du plus fort est de retour, les plus faibles n'ont qu'à bien se tenir. Tel est le message qu'on nous fait passer.

Condamnez-vous les É tats-Unis et leur président pour l'enlèvement illégal et sans mandat du président Maduro? Qu'avez-vous dit à vos interlocuteurs américains sur le sujet?

Comment justifiez-vous votre politique basée sur le droit international quand une violation de ce même droit est accueillie – non pas par votre silence – mais par une absence de condamnation ferme et claire, selon moi, des États-Unis? Pensez-vous que cette action et la faiblesse de nos réactions pourront mener à de pareilles opérations de la part d'autres États ou des États-Unis eux-mêmes, comme au Groenland, en Colombie, à Taïwan ou ailleurs?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, lors du débat en plénière la semaine dernière, vous avez rappelé que la Belgique fonde sa sécurité et sa prospérité sur le respect d'un ordre international fondé sur des règles et que ce principe n'est pas optionnel. Vous avez souligné que, quelles que soient les appréciations portées sur certains régimes, les méthodes employées ne peuvent être cautionnées lorsqu'elles violent le droit international, la souveraineté des États ou l'intégrité territoriale.

Vous avez également souligné que la relation transatlantique reste stratégique, mais qu'elle doit s'inscrire dans un dialogue exigeant, respectueux du multilatéralisme, de la souveraineté des États et de l'intégrité territoriale. Ces dernières semaines, l'actualité internationale a toutefois mis en lumière une multiplication de prises de position et d'initiatives unilatérales de la part des États-Unis, tant en matière de sécurité que de politique étrangère, suscitant bien entendu des interrogations croissantes quant à la solidité et la prévisibilité du cadre transatlantique. Dans ce contexte, la nécessité d'une parole européenne plus cohérente et d'une capacité d'action autonome apparaît de plus en plus pressante.

Dans le prolongement de ce débat, j'aimerais vous poser les questions suivantes. Tout d'abord, la Belgique entend-elle prendre des initiatives concrètes afin d'inscrire explicitement la question du respect de la souveraineté et de l'intégrité territoriale à l'agenda des instances européennes face à ces remises en cause actuelles de l'ordre juridique international? Ensuite, quels instruments diplomatiques et politiques concrets la Belgique et l'Union européenne pourraient-elles privilégier pour renforcer un dialogue transatlantique à la fois franc et exigeant, en particulier en cas de nouvelles initiatives unilatérales susceptibles de fragiliser encore le cadre multilatéral et le droit international?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, vanuit Washington blijven er weinig geruststellende signalen over Groenland komen. Tijdens de plenaire vergadering zei u duidelijk dat de territoriale integriteit en soevereiniteit van Groenland en Denemarken moeten worden gerespecteerd. Dat stond ook in het statement van 6 januari van verschillende Europese leiders. Afgelopen weekend zei president Trump echter opnieuw dat de VS Groenland in hun bezit moeten krijgen, desnoods op een moeilijke manier.

Dat vraagt een gecoördineerd antwoord van de Europese Unie. Sommige analisten pleiten er alvast voor om een Europees sanctiepakket voor te bereiden. In de NAVO pleiten verschillende lidstaten dan weer voor een gezamenlijke missie op Groenland, zodat de strategische positie kan worden gewaarborgd zonder escalatie tussen de NAVO-bondgenoten. Onze minister van Defensie sloot zich daarbij aan en secretaris-generaal Rutte verklaarde dat stappen zich opdringen. De vraag is wat er zal gebeuren.

De premier van Groenland gaf gisteren aan dat het Denemarken verkiest boven de VS en Denemarken heeft ondertussen aangekondigd militaire troepen naar Groenland te zullen sturen. In het Witte Huis vindt er vandaag een ontmoeting plaats tussen de ministers van Buitenland van Denemarken, Groenland en de VS en ook vicepresident Vance zou zich daarbij aansluiten.

Op welke manier is ons land betrokken bij de gesprekken over een gezamenlijk Europees antwoord? In welke richting gaan de Amerikaanse dreigementen ten opzichte van Groenland? Welke maatregelen liggen er concreet op tafel?

Wat Venezuela betreft, voorlopig is er geen sprake van een regimewissel. Met uitzondering van Maduro en zijn echtgenote zitten alle oudgedienden nog in het zadel. De nieuwe autoriteiten lieten intussen wel al enkele politieke gevangenen vrij, naar eigen zeggen als teken van vrede. Verschillende leden van de oppositie roepen op tot nieuwe verkiezingen en president Trump lijkt vooral te focussen op het controleren van de Venezolaanse olie. Wij hadden ook niets anders verwacht.

Een grote groep EU-lidstaten verklaarde in een statement van 4 januari in contact te staan met de VS om een dialoog tussen alle partijen te faciliteren, met het oog op een onderhandelde, democratische, inclusieve en vreedzame oplossing voor de crisis. Die dialoog zou worden geleid door de Venezolanen, wat heel belangrijk is. De Venezolaanse autoriteiten hebben intussen aangekondigd klaar te zijn voor een nieuwe agenda met de Europese Unie en om te evolueren naar een fase van productieve betrekkingen.

Vandaag vraagt de humanitaire situatie in Venezuela om bijkomende aandacht. Volgens OCHA, waarover ik het daarnet al had, hebben op dit moment 7,9 miljoen Venezolanen dringend nood aan bijstand. Welk standpunt neemt ons land concreet in met betrekking tot de toekomst van Venezuela? U zei in de plenaire vergadering duidelijk dat het internationaal recht voorop staat, wat heel belangrijk is.

Hoe beoordeelt ons land de legitimiteit van de nieuwe machthebbers in Venezuela? Kunt u een update geven over de contacten tussen de Europese Unie en Venezuela en tussen de Europese Unie en de VS over Venezuela? Is de EU vandaag op enige wijze betrokken? Hoe zullen wij de humanitaire noden lenigen?

Nabil Boukili:

S'agissant du Venezuela, nous avons vu que les É tats-Unis ont agi comme des bandits. En l'occurrence, l'impérialisme américain ne se cache plus, et même s'assume. Nous avons assisté à l'enlèvement du président d'un É tat souverain en plein jour, en violation de tout principe du droit international. Les É tats-Unis ne se cachent pas. M. Trump est honnête en disant que cette agression contre le Venezuela n'est pas motivée par la lutte contre le narcotrafic – les rapports des Nations Unies minimisent, du reste, la participation de ce pays à cette activité –, puisqu'il indique clairement qu'il vise le pétrole et qu'il cherche à défendre les intérêts stratégiques américains. Toutefois, il le fait en violant le droit international. La Charte des Nations Unies interdit la menace ou l'emploi de la force contre l'intégrité territoriale d'un É tat membre. Point! Il n'y a pas de "mais" qui justifierait cette violation du droit international, même par les grandes puissances.

Jusqu'à présent, votre réponse a manqué de logique, monsieur le ministre, puisque vous dites que le principe du droit international est "notre boussole comme Belgique", mais vous n'avez pas condamné l'initiative américaine. Dès lors, condamnez-vous l'agression américaine contre le Venezuela? Celle-ci ne tombe pas du ciel. Elle s'inscrit dans une stratégie américaine que le président Trump a clairement exprimée dans son plan de sécurité national. De plus, ce dernier a menacé d'attaquer d'autres É tats: la Colombie, le Mexique, Cuba, ainsi que le Groenland. Peut-être apprendrons-nous dans les semaines à venir que la reine du Danemark est également une "trafiquante", une "criminelle" ou qu'elle est "responsable de telle ou telle violation" afin que soit justifiée une invasion ou une agression contre le Groenland.

Nous savons très bien que ces actions servent l'intérêt d'un impérialisme américain de plus en plus agressif parce qu'il se retrouve dans une situation internationale telle que les É tats-Unis sont en perte de vitesse, puisque leur hégémonie recule à l'échelle mondiale, notamment face à des concurrents du Sud global et à ceux du BRICS. Ils ne parviennent plus à maintenir la domination qu'ils imposaient auparavant par la menace ou par la négociation dans des coulisses obscures et recourent désormais à la force pour se maintenir comme puissance dominante.

Au vu de cette stratégie, où se situe l'Union européenne? Que fait-elle? Que fait la Belgique? Allons-nous rester spectateurs de ces violations commises par l'impérialisme américain? Ou bien allons-nous agir conformément aux valeurs que nous sommes censés défendre? Le problème de la Belgique et de l'Union européenne est qu'elles ne sont plus crédibles sur la scène internationale. Comment pouvons-nous prétendre que nous défendons les valeurs, le droit international, le respect des souverainetés étatiques alors que nous n'adoptons aucune position claire de condamnation de la politique agressive américaine?

Monsieur le ministre, je réitère donc mes questions.

Condamnez-vous l'agression contre le Venezuela ainsi que l'enlèvement de son président, chef d'un É tat souverain?

Condamnez-vous les menaces américaines contre le Groenland et d'autres É tats, notamment Cuba et la Colombie? Allez-vous agir conformément aux valeurs que vous êtes censé défendre comme ministre belge des Affaires étrangères?

François De Smet:

Des déclarations récentes émanant de responsables politiques américains, faisant suite à l’offensive à l’égard du Venezuela, évoquent de manière insistante la possibilité d’un contrôle accru, voire d’une mainmise des États-Unis sur le Groenland, territoire autonome relevant du Royaume du Danemark.

Le Groenland constitue non seulement une partie intégrante du Royaume danois, État membre de l’Union européenne, mais également un territoire situé au cœur de l’aire euro-atlantique, dont la sécurité relève des équilibres stratégiques existants, notamment dans le cadre de l’OTAN.

Dans ce contexte, voici mes questions :

Le Gouvernement belge a-t-il pris connaissance officielle de ces déclarations américaines et quelle en est son analyse politique, diplomatique et stratégique ?

La Belgique a-t-elle échangé avec les autorités danoises, bilatéralement ou dans un cadre multilatéral (Union européenne, OTAN), afin d’évaluer les implications de telles déclarations pour la souveraineté danoise et la sécurité européenne ?

Le Gouvernement considère-t-il qu’une tentative de prise de contrôle unilatérale du Groenland par un État allié constituerait une situation susceptible de justifier des consultations au titre de l’article 4 du Traité de l’Atlantique Nord, qui prévoit une concertation lorsque l’intégrité territoriale, l’indépendance politique ou la sécurité d’un allié est menacée ?

Quelle serait, dans un tel scénario, la position que la Belgique défendrait au sein du Conseil de l’Atlantique Nord et des instances européennes compétentes ?

Plus largement, le Gouvernement estime-t-il nécessaire de renforcer une position européenne commune face à des déclarations ou initiatives susceptibles de remettre en cause la souveraineté territoriale d’États membres de l’Union européenne, y compris lorsqu’elles émanent d’alliés stratégiques ?

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, recent verklaarde Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio dat president Trump Groenland niet wil aanvallen, maar kopen. Die uitspraak heeft internationaal voor onrust gezorgd, aangezien Groenland een autonoom deel is van het koninkrijk Denemarken en dus ook Europees grondgebied is. Tegelijk had u recent een ontmoeting met minister Rubio die door u werd omschreven als een belangrijk moment in de Belgisch-Amerikaanse relaties.

Niet alleen in dat dossier, maar ook in de kwesties migratie, islam, multiculturalisme en nationale identiteit staat minister Rubio bekend om zijn uitgesproken standpunten, die scherp afwijken van uw visie daarover. We stellen vast dat hij expliciet de nationale veiligheidsstrategie van president Trump onderschrijft, radicaal islamisme als een imminente dreiging voor het Westen ziet en massamigratie zelfs disruptief noemt voor onze gedeelde waarden en normen. Ik vond het bijgevolg bijzonder dat u met hem samen bent gekomen. We hebben vandaag dan ook een aantal vragen over die ontmoeting.

Hoe beoordeelt u vanuit Belgisch en Europees standpunt de uitspraken van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken over het kopen van Groenland? Welke implicaties ziet u voor het respect voor territoriale soevereiniteit, iets wat het Vlaams Belang zeer belangrijk vindt?

Hebt u tijdens het onderhoud ook uw visie op migratie, het samenlevingsmodel en culturele cohesie duidelijk kenbaar gemaakt aan minister Rubio? Hoe verhoudt die visie zich tot zijn standpunten?

Hebt u naast het gesprek met minister Rubio ook al contact gehad met de Amerikaanse ambassadeur hier in België, de heer Bill White? Zo ja, wat waren de relevante conclusies van dat gesprek?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, daarnet zijn er beste wensen geuit, maar uw eerste twee weken van januari zijn door president Trump in ieder geval niet heel erg warm ingezet.

Het jaar kondigt zich op geopolitiek vlak in ieder geval niet stabieler aan dan 2025. Het is eerder een verderzetting van het principe van het recht van de sterkste, tegenwoordig ook aangevuld met een concept als my own morality , zoals de president van de Verenigde Staten zei, de man die is veroordeeld voor verschillende feiten in eigen land. Dat is niet echt geruststellend. Ik moet zeggen, ik ben ook steeds minder en minder gerustgesteld door het feit dat vanuit heel wat internationale westerse landen de reacties op deze president, die zijn eigen moraliteit vooruit schuift, toch op zijn minst dubieus of verschillend zijn.

Vorige week hebben we effectief het debat gevoerd in de plenaire vergadering. Ik ben het met u eens dat het chavisme een verschrikkelijk systeem was, waarbij Venezolanen werden vermoord, buitenspel gezet en verkiezingsuitslagen werden genegeerd. Maar zelfs het chavisme staat niet boven het internationaal recht. Dat betekent niet dat u zomaar als land een ander land kunt binnenvallen, bombardementen kunt uitvoeren op onschuldige burgers en een staatshoofd kunt ontvoeren, zelfs al zit het daar illegitiem. Er zit er bijvoorbeeld ook eentje in Noord-Korea waar ik me zorgen over maak. Er zit er eentje in Israël waar dan blijkbaar wel koffie mee kan worden gedronken in het Witte Huis. Er zitten er op heel veel plaatsen in deze wereld. De vraag is natuurlijk waar het begint en waar het eindigt. Dit hellend vlak is bijzonder problematisch.

We hebben gezien waar het naartoe leidt toen het over Groenland begon te gaan. Dan rijst de vraag hoe wij ons opstellen tegenover deze schending van het internationaal recht. Ik heb u vorige week in de plenaire vergadering gehoord. U was zeer voorzichtig over het feit dat het recht in dit geval niet gerespecteerd is, maar er kwam geen veroordeling.

Daarom stel ik de vraag: zal deze federale regering wat er gebeurd is in Venezuela uitdrukkelijk veroordelen als flagrante schending van dat internationaal recht? Als we niet aan een zeel trekken en zeggen dat het internationaal recht het ijkpunt is op basis waarvan we met elkaar omgaan, dan wordt dat hellend vlak alleen maar groter, bijvoorbeeld vanuit China richting Taiwan of vanuit Rusland richting de Baltische Staten.

Mijn vraag is hoe u die streep zult trekken. Zult u daar duidelijk in zijn? Zult u maatregelen nemen, samen met de Europese Unie? Zo zijn er al de uitspraken van president Macron over Groenland. Zullen er maatregelen worden genomen om in eerste instantie te garanderen dat de Venezolanen worden geholpen op humanitair vlak, en zullen ze het recht hebben om zelf te kunnen beschikken over hun oliereserves en te bepalen hoe die worden uitgebaat?

Hoe gaat u om met de nieuwe realiteit rond Groenland, waarvan u zegt dat het misschien soms abrupt overkomt, maar waarachter legitieme bekommernissen zitten? Is dit dan de manier waarop we met legitieme bekommernissen zullen omgaan?

Hoe staat u tegenover die verschillende Europese pistes die momenteel op tafel liggen? Wat zijn de afspraken die gemaakt zijn, ook met de minister van Defensie, over de diplomatieke contacten met de ambassadeurs? Heeft minister Francken die voor zijn rekening genomen omdat u toen in het buitenland was? Was dat eenmalig? Is dat de bedoeling op langere termijn? Hebt u bijvoorbeeld ook contact buiten de Europese Unie gehad om te zien wat de steun is voor de Groenlandse zaak?

Wat is onze definitieve positionering daar eigenlijk, zeker als ik zie wat Spanje doet, wat Frankrijk doet, wat men vanuit verschillende hoeken in Europa doet. Wat is uw positie ten gronde?

Al die ontwikkelingen van een president die het recht van de sterkste en zijn eigen morele uitgangspunten als basis neemt in plaats van het internationaal recht, wat betekent dat voor onze verhouding met de VS, bijvoorbeeld op het vlak van Belgische legeraankopen?

De voorzitster : Bedankt, mevrouw Almaci.

Dat was de laatste ingediende vraag. Wensen er nog andere collega’s tussen te komen in het kader van dit actuadebat? (Nee)

Dan is het woord aan de minister.

Maxime Prévot:

Bedankt, mevrouw de voorzitster.

Allereerst maak ik graag mijn beste wensen over aan iedereen. Gelukkig Nieuwjaar!

Certains collègues ont réitéré leurs questions. J’imagine qu’ils ne seront donc pas surpris que je puisse à certains égards réitérer aussi mes réponses.

Comme je l’expliquais la semaine dernière en séance plénière, nous vivons une période de pressions sans précédent sur l’ordre international, un ordre international fondé sur des règles. Cela nous rappelle une réalité simple, mais brutale: notre conviction, en tant qu’Européens, que le monde doit fonctionner selon des règles applicables à tous, est loin d’être unanimement partagée.

Het toeval van mijn bezoek aan Washington, onmiddellijk na de Amerikaanse interventie in Venezuela en de verklaringen van president Trump over Groenland, heeft deze realiteit op zeer concrete wijze geïllustreerd.

J’ai eu l’occasion de rencontrer le secrétaire d'État Marco Rubio, le secrétaire d'État adjoint Christopher Landau, le secrétaire au Commerce Howard Lutnick, le représentant spécial pour le Commerce Jamieson Greer, le sous-secrétaire à la Défense chargé de la stratégie Elbridge Colby, ainsi que le conseiller adjoint à la Sécurité nationale Andy Baker.

Avec chacun d’eux, j’ai privilégié le dialogue direct; comme d’ailleurs avec d’autres illustres personnalités de think tanks qui sont très actives sur les relatons transatlantiques.

Les échanges francs que nous avons eus sont infiniment plus utiles, plus éclairants et plus responsables que des joutes par tweets interposés. Le dialogue diplomatique, même empreint de convivialité, n’exclut certainement ni la fermeté, ni la clarté. Il les rend au contraire plus efficaces.

De conclusie is helder, wij delen grotendeels dezelfde bekommernissen en staan voor dezelfde mondiale uitdagingen, zoals de strijd tegen drugshandel, klimaatverandering, migratiestromen, het beheersen van wereldwijde conflicten, terrorisme of radicalisering en het belang van buitenlandse betrekkingen. We hanteren soms wel radicaal verschillende perspectieven bij het formuleren van de antwoorden daarop.

Wat Venezuela betreft, heb ik duidelijk gezegd dat niemand het vertrek van Nicolas Maduro zal betreuren. Hij genoot geen enkele legitimiteit bij België of bij de andere lidstaten van de Europese Unie. Het beleid van zijn regering heeft geleid tot de vlucht van 8 miljoen Venezolanen en het regime heeft zich schuldig gemaakt en blijft zich schuldig maken aan acties die de democratie en de rechtsstaat ondermijnen.

Or comme j’ai déjà pu le préciser, et cela à plusieurs reprises, dire cela ne signifie en rien cautionner les moyens utilisés pour déloger ce dictateur.

Pour un pays comme le nôtre, un pays, au vu de sa taille, dont la sécurité et la prospérité reposent sur l’existence même d’un système de règles protégeant les plus petits des tentations prédatrices des plus grands, le respect de ce système de droit international n’est pas un luxe; c’est une condition d’existence.

Het Handvest van de Verenigde Naties is overal van toepassing. België hanteert geen twee maten en twee gewichten. Leden van de VN-Veiligheidsraad hebben in dat opzicht een bijzondere verantwoordelijkheid.

J’ai fait passer ce message sans la moindre ambiguïté auprès de mes interlocuteurs américains. Il n’y a donc eu ni silence, ni encore moins de complaisance de la part de la Belgique, ni même de l’Europe, qui s’est exprimée par le biais d’une déclaration à 26 – seule la Hongrie manquait – et qui continue de suivre, avec une attention toute particulière, la situation.

Chacun a évidemment son rôle. Des députés peuvent vouloir que nous criions tout le temps, partout, que nous criions peut ‑ ê tre plus fort que les autres, qualifiant de faiblesse ce qui ne fragiliserait pas les tympans de nos interlocuteurs. Mon r ô le est diff é rent. La diplomatie, c’est le contraire de l’excès ou de la caricature.

Je rappelle en outre que la sécurité de nos compatriotes au Venezuela demeure une priorité absolue. Nous dénombrons 212 Belges inscrits au Venezuela, faisant partie de centaines de milliers de citoyens européens présents dans le pays.

À ce stade, aucun Belge, ni résident ni voyageur, n’a sollicité de l’assistance. Nos partenaires européens ne signalent pas de difficultés avec leurs propres ressortissants.

Het huidige reisadvies raadt alle reizen naar Venezuela ten stelligste af. De situatie is ernstig, maar niet chaotisch. We spreken vandaag van een geopolitieke crisis, eerder dan van een consulaire.

De nouvelles opérations américaines ou des tensions internes au Venezuela ne pouvant être exclues à court et moyen terme, nous continuons de suivre la situation de près, notamment via notre ambassade à Bogota, ainsi que par nos services compétents à Bruxelles et au travers de l’Union européenne. Cela sera indubitablement discuté lors de la prochaine réunion du Conseil européen des ministres des Affaires étrangères. Cependant, à ce stade, aucune intervention spécifique sur place ne semble envisagée par les partenaires européens.

Je souligne, enfin, qu’à la suite de l’arrestation de Nicolas Maduro par les autorités américaines, les juridictions vénézuéliennes ont invoqué une situation "d'absence forcée", conduisant la vice ‑ pr é sidente, Mme Delcy Rodr i guez, à assumer l ’ exercice du pouvoir à titre int é rimaire. La Belgique prend acte de cette r é alit é de fait.

La priorité demeure l’ouverture d’un processus vénézuélien crédible et inclusif, permettant rapidement des élections libres, transparentes et placées sous observation internationale.

België en de EU blijven volledig solidair met het Venezolaanse volk in zijn democratische aspiraties en de uitoefening van zijn mensenrechten. Het respecteren van de wil van het Venezolaanse volk blijft de enige weg naar het herstel van de democratie.

Mevrouw Depoorter, persoonlijk heb ik tot nu toe geen specifiek contact gehad met de oppositie.

Over Groenland ben ik ook tegenover mijn Amerikaanse gesprekspartners duidelijk geweest. We begrijpen de veiligheidsbezorgdheden van de Verenigde Staten met betrekking tot de Arctische regio, onder meer de nabijheid van Rusland en de aanzienlijke activiteit van onderzeeërs in het gebied.

Het is echter onaanvaardbaar, on-aan-vaard-baar, de territoriale integriteit van bevriende bondgenoten ter discussie te stellen, terwijl de NAVO en de bestaande veiligheidsakkoorden met Denemarken reeds het passende kader bieden voor een nauwe en doeltreffende samenwerking. De bestaande overeenkomsten stellen het Amerikaanse leger bovendien al in staat om aanwezig te zijn, en die overeenkomsten zijn nog altijd van kracht. Vandaag de dag is er nog maar één actieve Amerikaanse militaire basis ter plaatse. Die teksten kunnen dus de basis vormen voor een nieuwe discussie tussen de Verenigde Staten, Groenland en Denemarken.

Laat mij dit zonder enige ambiguïteit herhalen: Groenland is geen onderhandelbaar territorium, noch een invloedsfeer die opnieuw kan worden verdeeld. Het valt onder een duidelijk juridisch kader, gebaseerd op de soevereiniteit van het Koninkrijk Denemarken en op het recht van het Groenlandse volk op zelfbeschikking.

Que la motivation soit sécuritaire ou économique, peu importe: aucun de ces deux motifs ne peut justifier la moindre atteinte au moindre kilomètre carré de l’intégrité et de la souveraineté des Groenlandais et des Danois.

Des contacts que j’ai pu avoir, il apparaît que la perspective d’une prise du territoire par une quelconque opération armée ne soit pas envisagée, chacun mesurant la déflagration que cela pourrait générer au niveau des relations internationales et singulièrement au sein de l’OTAN. Un interlocuteur que j’ai rencontré à Washington m’a indiqué qu’il était toujours utile de prendre au sérieux ce que le président américain évoque, sans pour autant devoir le prendre au pied de la lettre.

La Belgique s’est donc exprimée de manière ferme, comme l’ont d’ailleurs fait les autorités danoises, l’ensemble des collègues européens ainsi que nos alliés dans le cadre de l’OTAN. J’ai d’ailleurs veillé à maintenir, en parallèle de mes rencontres à Washington, un contact permanent avec mon homologue danois et avec la haute représentante de l’Union européenne – Mme Kaja Kallas –, tandis que mes équipes ont également tenu informée Mme l’ambassadrice du Danemark, ici auprès de la Belgique. Ce dialogue quotidien, très étroit, a été particulièrement apprécié, ayant eu le bénéfice d’être le premier ministre européen des Affaires étrangères reçu en audience à Washington au moment même où ces discussions étaient particulièrement aiguës.

Il ne vous aura pas échappé, chers collègues, qu’une rencontre est prévue aujourd’hui même entre le Danemark, le Groenland et les États ‑ Unis. Nous suivrons évidemment de près les discussions, et surtout leurs conclusions. Nous resterons solidaires de nos amis danois et veillerons à ce que les Européens continuent à s’exprimer de manière ferme, tant au niveau de l’Union européenne qu’au niveau de l’OTAN.

Toch zou het naïef zijn om de evidentie te ontkennen.

Les États-Unis possèdent les moyens d'imposer leur vision du monde, tandis que trop souvent les Européens s'émeuvent depuis le balcon et peinent à décider.

Il s'agit d'ailleurs d'un problème majeur. Je m'en suis encore récemment ouvert auprès d'autorités européennes. Cette incapacité est la nôtre et elle a connu une illustration flagrante l'an dernier à travers le dossier de Gaza, à savoir l'incapacité européenne de prendre des décisions fortes, et surtout des décisions rapides.

Cette difficulté à décider, et plus encore à décider de manière unie sur la scène internationale, contribue – j'ai peine à devoir le reconnaître mais c'est la réalité – à affaiblir la portée de la voix de l'Union européenne. C'est aussi un élément qui peut parfois nous décrédibiliser aux yeux des États-Unis, lassés de nous entendre donner des leçons.

Dit ondermijnt ook onze geloofwaardigheid bij tal van internationale partners, die onze zorgen delen, maar tegenover wie de EU moeite heeft om zich als een geloofwaardig alternatief te profileren.

Ne soyons toutefois pas trop sévères avec l'Europe. Pour de nombreux pays dans le monde, elle reste, nous restons, le partenaire le plus fiable, offrant de la prévisibilité et de la sécurité. Ce constat, que je pense lucide, doit néanmoins nous inciter à retrousser nos manches et à investir plus que jamais dans une Europe forte, résiliente, souveraine et autonome. Une Europe capable d'assumer sa propre sécurité et de défendre ses intérêts. L'ordre international fondé sur des règles n'est pas acquis. Il doit être expliqué, rappelé et défendu avec constance et fermeté, y compris à l'égard de nos partenaires les plus proches.

Il est urgent de nous donner collectivement les moyens d'y parvenir en développant notre autonomie stratégique, ou devrais-je dire nos autonomies stratégiques.

Il s'agit de notre autonomie militaire, trop longtemps sous-traitée aux États-Unis, même si nous devons balayer devant notre porte. Rappelons-nous que, ces dernières décennies, nous avions tendance à considérer qu'il était mal que les pouvoirs publics investissent dans le secteur de la défense, que ce n'était pas une priorité et que les banques devaient même, en vertu de leurs obligations morales, ne pas prêter à certaines industries de la défense. Nous sommes bien loin du monde d'aujourd'hui.

Au-delà de notre autonomie militaire, l'Europe doit également développer son autonomie technologique. Les États-Unis et la Chine donnent aujourd'hui le tempo au niveau mondial et européen. Si l'on prend l'exemple du développement de l'intelligence artificielle, la part de l'Europe s'élève à 4 %.

Notre autonomie énergétique doit aussi être renforcée, elle qui a été trop longtemps concédée à la Russie ou au Moyen-Orient.

Nous devons consolider l'OTAN et, en son sein, un pilier européen fort est indispensable.

Tegelijkertijd ben ik ervan overtuigd dat onze relatie met de Verenigde Staten strategisch is en zal blijven. We moeten in dit partnerschap blijven investeren. Dat doen we via open en kritische uitwisselingen, waarbij we onze standpunten met vastberadenheid verdedigen.

Une économie ouverte comme la nôtre, dont 85 % du PIB dépend des échanges internationaux, ne peut se permettre le luxe du repli, ni de tourner le dos à celui qui représente notre quatrième partenaire commercial et le premier investisseur hors Union européenne dans notre pays, source de plus de 115 000 emplois en Belgique et de 65 milliards d'euros d'échanges commerciaux par an.

Notre monde est devenu plus transactionnel, c'est un fait. À nous de concilier davantage diplomatie économique et diplomatie politique, sans travestir notre ADN et la défense inoxydable d'un ordre mondial basé sur des règles et le respect du droit, principal bouclier pour défendre la sécurité et la prospérité de notre population.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, u hebt vorige week tijdens de plenaire vergadering al enige duiding gegeven over Venezuela. Europeanen volgen de regels, maar de VS vegen de voeten daaraan. U veroordeelt dat, maar nog niet luid genoeg. We moeten nog een tandje bijsteken en mogen Trumps demarches niet langer tolereren. We nemen veel van zijn uitspraken en intenties niet au sérieux, maar hij doet wel wat hij zegt. Als hij overmorgen Groenland binnenvalt, zullen we ook zeggen dat we niet hadden verwacht dat hij dat ook werkelijk zou doen.

U verwoordt mooi dat Europa veel sterker moet staan en eenduidiger moet spreken, maar dat discours hanteren we al maanden. Het is tijd voor actie, mijnheer Prévot. Europa mag zich niet langer laten gijzelen door één land, door één lidstaat. Laten we een koe een koe noemen, we moeten onderzoeken of Hongarije eruit gezet kan worden. Het blokkeert ons immers volledig, terwijl wij staan voor een sterke internationale handel en internationale verbanden, altijd met respect voor internationale regels.

Mijnheer de minister, uit uw antwoord concludeer ik dat u in Europa nog veel harder en duidelijker op tafel zult moeten kloppen, dan dat u tot op heden hebt gedaan, en dat u verder het debat moet aangaan. Eén lidstaat mag de rest van Europa niet verhinderen om veel strenger op te treden tegen mensen als Trump, die wel veel, maar niet alles te zeggen hebben. Europa vormt een zeer sterk economisch blok, dat veel meer in de weegschaal kan leggen. Ook op het vlak van defensie en veiligheid moeten we een grote tand bijsteken. Men is daarmee bezig, maar het kan allemaal nog veel sneller. Dan kan Europa de VS zeggen dat Groenland wel degelijk beveiligd is.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses certes exhaustives.

Je reste toutefois, comme en plénière, un peu sur ma faim, car cela ne répond pas à une question: que ferons-nous si, malgré vos informations et vos intuitions, les États-Unis prennent d'une manière ou d'une autre possession du Groenland? Vous avez dit que d'après vos contacts, une opération armée n'est pas envisageable. Vous vous risquez même à nous dire qu'il ne faut pas toujours prendre Donald Trump au pied de la lettre.

Il me semble que depuis quelques années, cette administration américaine nous montre qu'il faut prendre le président Trump au pied de la lettre. Il n'y a pas, chez cet homme, de surmoi, de filtre. C'est tout le problème: ce qui rend unique cette administration américaine, ce n'est pas son impérialisme. Car, entre nous, que les grandes puissances, en ce compris les États-Unis, aient des visées impérialistes, faisant tomber des régimes en Amérique du Sud ou ailleurs, c'est presque commun. Par contre, ce qui est nouveau, c'est la franchise, c'est d'admettre ouvertement de se moquer de l'excuse démocratique, d'enlever le président vénézuélien pour des raisons économiques et des visées pétrolières. Ce qui s'est passé au Venezuela, c'est du racket, et la menace sur le Groenland est une tentative de racket, l'un servant à l'autre. C'est comme dans une cour de récréation: regardez ce que je viens de faire et prenez-moi au sérieux lorsque que je dis ce que j'entends faire pour la suite.

C'est pour cette raison que, même si j'apprécie en grande partie votre ton, je pense que nous pourrions aller plus loin et plus fort. Nous devrions dire, comme la première ministre du Danemark: si les États-Unis décident de s'emparer du Groenland, ce sera la fin de l'Alliance. Même si je suis moi-même atlantiste, je ne vois pas comment de facto , si une telle chose arrivait, l'Alliance ne s'effondrerait pas. Il faut donc maintenir la pression. Même si vous êtes très content d'avoir été le premier ministre des Affaires étrangères à avoir été reçu par l'administration américaine, dire que notre relation avec les Américains ne changera pas quoiqu'il arrive, ce n'est à mon sens pas un bon signal. Je suis désolé, si M. Trump continue à nous traiter de la sorte, il faudra hélas que notre relation avec les États-Unis change.

Sandro Di Nunzio:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoorden.

Op zich was het wel te verwachten dat u op een slappe koord danst en moet opletten met wat u zegt, zeker ten aanzien van de Amerikaanse president. Ik heb u gehoord wanneer u sprak over de Venezolanen en over Groenland, waarvan u zei dat het onaanvaardbaar is. U hebt het een aantal keren herhaald.

Als ik de analyse maak over de VS en over de Amerikaanse president, ben ik het met u eens. We moeten blijven investeren in de Verenigde Staten als een partner, als een bondgenoot. De grote uitdaging is inderdaad dat die president en die administratie een houding aannemen die voor ons land en voor Europa zeer moeilijk is om te beheren, want eigenlijk is het een houding die we eerder toemeten aan landen zoals Rusland en China: de wereld opdelen in invloedssferen en daarnaar handelen.

De reden waarom ik optimistischer ben over de VS dan over Rusland en China, is dat de VS vooralsnog een democratisch land zijn, met democratische verkiezingen, waar mensen nog de vrijheid van meningsuiting hebben, hoewel dat soms ook onder druk staat, als je ziet hoe Trump tekeergaat tegen bepaalde opposanten.

Dus er is nog hoop, ook als we de beelden zien passeren van Jerome Powell. Ik moet zeggen, het is toch te gek voor woorden om dat te moeten zien, dat iemand zich daartegen moet verweren, gewoon omdat wellicht de interesten niet worden verlaagd. Dus er is hoop en ik begrijp dat wij de VS op een bepaalde manier, en zeker deze president, ook wel omzichtig moeten behandelen.

Maar wat we wel moeten doen is als land – en zeker binnen Europa, u hebt het gezegd – ervoor zorgen dat wij als Europa sterker en eendrachtiger optreden. Wat mijn fractie betreft kunnen we daarin bij wijze van spreken niet ver genoeg gaan. We moeten Europa verder integreren, meer met één stem spreken, desnoods in twee snelheden opereren met de landen die daar wel toe bereid zijn. Maar het moment is hier voor Europa om daarin verder te hervormen en sneller te gaan dan ooit tevoren.

Ik hoor het u graag zeggen – afsluitend, want ik ben over de tijd aan het gaan – dat Europa nog altijd een zeer zware economische macht is in de wereld en dat we die macht moeten gebruiken. Dat is de belangrijkste leverage die we vandaag hebben. In die zin vind ik het jammer – we zullen het er straks over hebben – dat wij als land er niet in slagen om Mercosur te steunen. Maar we hebben nog die economische leverage. Dus, alstublieft, laat ons die gebruiken in dialoog. De VS zijn een partnerland en nog steeds een bondgenoot, maar laat uw stem duidelijker horen in Europa en in de wereld.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoorden.

Ik wil nog een aantal elementen kort duiden en enkele aandachtspunten meegeven.

Ten eerste is het duidelijk dat de situatie in Venezuela al jaren catastrofaal is. Los van recente gebeurtenissen mogen we niet vergeten dat het land onder het bewind van Nicolas Maduro is afgegleden in een diepe humanitaire, economische en democratische crisis, met miljoenen vluchtelingen tot gevolg en ernstige mensenrechtenschendingen die uitgebreid zijn gedocumenteerd door internationale organisaties.

Tegelijk lijkt het mij belangrijk om vast te houden aan een principieel uitgangspunt. Hoe problematisch een regime ook is, de toekomst van Venezuela moet in de eerste plaats door het Venezolaanse volk zelf worden bepaald. Internationale druk of inmenging kan hoogstens faciliterend zijn, maar mag geen substituut worden voor interne legitimiteit en volkssoevereiniteit. Dat is een evenwichtsoefening die we kritisch moeten blijven opvolgen.

Wat de internationale context betreft, stel ik vast dat de geopolitieke realiteit steeds complexer en multipolair wordt. Dat vraagt om nuchterheid en realisme in het buitenlands beleid. Europa beschikt vandaag over beperkte hefbomen in Latijns-Amerika, zoals u zelf ook aangaf, en zal dus keuzes moeten maken die gebaseerd zijn op belangen, stabiliteit en haalbaarheid, eerder dan op louter symboliek. Het is belangrijk dat België en de Europese Unie zich daarvan bewust zijn.

Tot slot wil ik benadrukken dat deze ontwikkelingen ook voor ons relevant blijven, onder meer op het vlak van migratiestromen, regionale stabiliteit, georganiseerde criminaliteit en internationale veiligheid. Het lijkt mij dan ook essentieel dat België de situatie in Venezuela verder nauwgezet blijft opvolgen, in overleg met Europese partners, met aandacht voor zowel mensenrechten als geopolitieke realiteit.

Kathleen Depoorter:

Bedankt, mijnheer de minister. Soevereiniteit en internationaal recht moeten altijd de leidraad zijn van ons buitenlands beleid. Ik denk dat u het daarmee eens bent.

Wat de situatie in Venezuela betreft, is Maduro weg, maar het chavismo blijft. Dat is dus wel een probleem. Een transitie naar democratie is waar het Venezolaanse volk om vraagt en waar het ook recht op heeft. Het is dan ook belangrijk dat we als Europa sterk, verenigd, waardig en autonoom onze stem gebruiken.

U gaf al aan dat het ontzettend belangrijk is dat we verenigd blijven. We moeten sterk zijn op militair vlak, op energetisch vlak, op economisch vlak, technologisch vlak en op het vlak van innovatie, waar we op zich al een sterke speler in zijn. Die positie moeten we ook behouden. Dat kunnen we alleen wanneer we ook de relatie met de Verenigde Staten goed houden, aangezien ze een belangrijke handelspartner zijn.

Het komt er dus op aan een evenwicht te vinden tussen onze diplomatieke waarden en onze verdragen, die we blijven verdedigen en waar we achter blijven staan, en het internationaal recht, waar we achter blijven staan, en tegelijk een modus vivendi te vinden met de Amerikaanse administratie.

De Nobelprijs, mijnheer de minister, is niet iets om weg te geven. De Nobelprijs voor de Vrede is ook niet iets om te delen, vind ik, en zeker niet iets om te claimen. María Corina Machado heeft de Nobelprijs gekregen van het Nobelprijscomité, omdat zij de stem van de Venezolanen heeft vertaald en verkondigd. Het is dan ook belangrijk dat we in de transitie, in het proces naar een democratische transitie, met de oppositie spreken en die oppositie ook een kans geven om zich te herpositioneren.

Wat Groenland betreft, mijnheer de minister, zou een aanval op Groenland volgens mij het einde betekenen van het NAVO-bondgenootschap. Daarvoor moeten we dus zeer alert zijn.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je suis à la fois satisfaite, mais en même temps pas vraiment, car vous n'avez pas répondu à ma question principale. Je ne vous demande pas de crier. Moi-même je ne crie jamais, car cela ne sert à rien. Ce que je vous demandais, c'était de dire que vous condamniez l'enlèvement de M. Maduro et de sa femme par M. Trump. Vous ne l'avez pas dit. Vous nous avez énoncé les règles du droit international, vous avez fait part de vos convictions, mais ce qui m'étonne, c'est que vous avez repris certains éléments de langage de l'administration américaine.

À la RTBF, vous avez qualifié M. Maduro de "gangster", en insinuant qu'il fait partie d'un gang. Si c'est le cas, enlevons alors tous les chefs d'État qui ne nous plaisent plus. Je demanderai alors à M. Trump d'enlever M. Kagame, M. Netanyahu, M. Poutine. Cela me ferait vraiment plaisir, ces personnes se comportant, elles aussi, comme des gangsters. Je remarque que nous invoquons la boussole du droit international à la demande.

La boîte de Pandore a aujourd'hui été ouverte par M. Trump, qui met à exécution ses désirs d'expansion et de domination, peu importe l'impact que cela aura sur le monde. Il a également été clair sur son dégoût à l'égard de l'Union européenne et sur le fait qu'il nous méprisait.

Monsieur le ministre, on ne peut pas continuer à croire éternellement que les États-Unis sont toujours les alliés d'autrefois. M. Trump a amorcé un changement qui pourrait être durable et il est temps d'en prendre conscience. Peut-être faut-il éviter de prendre des photos avec le secrétaire d'État américain le lendemain d'un enlèvement aussi scandaleux. Il serait temps de croire en notre propre force, en notre propre indépendance et en nos valeurs, et de tenir bon. Vous avez dit que l'Europe et nous-mêmes devons faire preuve de courage. Je vous invite à faire preuve de courage ici, comme vous le faites dans d'autres dossiers.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, merci pour cette réponse nuancée.

Que l'on parle du Groenland, du Venezuela ou d'ailleurs, vous confirmez une ligne qui me paraît essentielle aujourd'hui. Notre pays doit être lucide, fidèle à ses principes, mais également pleinement conscient des équilibres fragiles à préserver dans un monde marqué par le retour brutal des rapports de forces. Défendre le droit international, la souveraineté des États et le multilatéralisme est plus que jamais une nécessité et une responsabilité absolue.

Nous devons urgemment transformer nos valeurs en actions collectives, nous devons construire des positions communes, en particulier au niveau européen, lorsque le cadre international est bousculé et que les règles sont mises à mal. Notre pays a toujours tiré sa force de son rôle de facilitateur, capable de faire dialoguer des partenaires aux intérêts souvent divergents sans jamais renoncer à l'essentiel. Ce rôle est aujourd'hui plus nécessaire que jamais, mais j'insiste sur l'urgence pour l'Union européenne à réinventer, notamment, son autonomie industrielle, technologique, énergétique et de défense très rapidement tout en gardant – je vous rejoins – la tête froide face aux attitudes disruptives de Donald Trump – c'est un euphémisme. Alliés aux États-Unis, mais jamais aliénés.

Enfin, un dernier mot pour rappeler à ma collègue du Parti Socialiste que, en diplomatie, le fait d'immortaliser des rencontres se pratique depuis la nuit des temps, également avec tous les ministres socialistes.

Maxime Prévot:

Madame la présidente, je voudrais avoir la possibilité de reprendre la parole après les répliques.

Els Van Hoof:

Bedankt voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Om de wereld niet in chaos te storten en niet vervreemd te raken van onze bondgenoten – in het Frans klinkt dat als: ne pas être aliénés de nos alliés – zijn realpolitik en een zeker pragmatisme nodig. Toch moeten we ook trouw blijven aan onze principes.

U vermeldde duidelijk het VN-Handvest. We mogen geen twee maten en twee gewichten hanteren. Daarom moeten we ondubbelzinnig veroordelen wat er in Venezuela is gebeurd. Dat geldt ook voor Groenland. Dit kan niet, het is een aanfluiting van de soevereiniteit en van het VN-Handvest. Zulke daden moeten we ondubbelzinnig blijven veroordelen. Dat moet het antwoord zijn van België, maar ook van de Europese Unie.

Ten tweede, Europa is wél economisch sterk. We zijn een sterke partner op het vlak van democratie, rechtsstaat en mensenrechten. Maar zoals u terecht zegt, hebben we twee zwakheden. We zijn niet sterk genoeg in snelle en vereende uitspraken en ook onze strategische autonomie moet verder worden uitgebouwd. Het is belangrijk om die twee aspecten te versterken.

Dat neemt niet weg dat we niet chanteerbaar mogen worden voor de Verenigde Staten, die zich soms opstelt als een partner die het internationaal recht niet respecteert. Dat mogen we niet aanvaarden. Doen we dat wel, dan worden we chanteerbaar.

Voor de cd&v-fractie is het duidelijk, het internationaal recht vormt de basis en de Europese Unie moet werken aan haar zwaktes op economisch, militair en industrieel vlak, zonder chantabel te worden voor de Verenigde Staten.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je suis à la fois déçu et inquiet car votre réponse démontre la manipulation du droit international et son utilisation à géométrie variable. En l'occurrence, il y a une violation du droit international que vous êtes incapable de condamner du fait qu'il s'agit des États-Unis. S'il s'agissait d'autres puissances, d'autres forces, vous seriez le premier à le faire. Mais parce que ce sont les Américains, vous êtes incapable de le condamner. C'est grave; cela démontre la soumission de l'Europe, la Belgique y compris, à l'impérialisme américain. On est incapable d'agir en dehors de l'accord de l'Oncle Sam.

Ce n'est pas juste que vous ne condamnez pas, plus grave encore, vous allez plus loin en disant que nous partageons les mêmes inquiétudes et, parfois, les mêmes défis. Que partageons-nous avec l'impérialisme américain? La violation du droit international? Le soutien au génocide contre les Palestiniens, où ce sont les Américains qui arment le génocide? Le fait de s'accaparer le Groenland? M. Trump a dit clairement que, d'une manière ou d'une autre, il prendrait le Groenland. Est-ce là ce que nous partageons avec les Américains? Est-ce conforme à nos valeurs? Est-ce vers cela que l'Europe doit aller, monsieur le ministre?

Aujourd'hui, vous êtes dans une attitude de soumission à la politique étrangère américaine, alors que les États-Unis représentent actuellement la plus grande menace pour la paix dans le monde. Ils menacent l'ensemble des pays dans le monde, leur paix et leur souveraineté.

Et, si nous voulons sortir de cette situation, au lieu de nous coucher devant les Américains, nous devons nous tourner vers le reste du monde, avoir notre indépendance dans nos relations internationales et agir dans ce sens, dans le multilatéralisme, la coopération avec les autres peuples, le dialogue, la diplomatie plutôt que dans la politique du plus fort et dans la force de l'impérialisme américain. Ce n'est que de cette manière que nous pourrons nous en sortir, monsieur le ministre. Mais, aujourd'hui, avec votre position et la position des États européens, nous allons droit dans le mur.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, u stelt terecht dat Groenland niet te koop is en dat territoriale integriteit en volkssoevereiniteit moeten worden gerespecteerd. Dat is een duidelijk en correct standpunt. Het is de eerste keer dat u zo sterk volkssoevereiniteit hebt verdedigd. U wordt nog een echte nationalist. Misschien worden we het ooit nog eens met elkaar.

Mevrouw Lambrecht, u vraagt naar opties om de blokkeringen, bijvoorbeeld door Hongarije, tegen te houden. Hoe ondemocratisch is dat idee eigenlijk? Is de stem van de Hongaren plotseling minder waard? Het is net door zulke blokkeringen dat we het Eurocleardrama hebben vermeden. Dat mechanisme heeft volgens mij al meerdere keren zijn nut bewezen.

Meyrem Almaci:

It’s not easy being a diplomat these days . Ik benijd uw positie op dit moment niet, mijnheer de minister. Europa had perfect heel snel kunnen reageren. België had samen met de andere Europese landen de rug kunnen rechten en zeggen dat de gebeurtenissen in Venezuela volstrekt in strijd zijn met het internationaal recht. Het chavisme is niet weg, dus ze hadden die daad moeten veroordelen.

Tot op vandaag doet u dat echter niet. Uiteraard handelt Europa op die manier in versnipperde slagorde. Dat had diplomatiek het sterkste signaal kunnen zijn van een economisch machtsblok in de wereld, waar Trump een broertje aan dood heeft, omdat wij meer goederen uitvoeren naar de VS dan de VS naar ons. We hadden die kracht kunnen gebruiken, maar we hebben ons uit elkaar laten spelen.

Ik weet niet of u het opiniestuk van Hendrik Vos, professor aan de UGent, hebt gelezen. Hij schrijft dat er over president Nicolas Maduro veel te zeggen valt, weinig goeds, maar dat het onthutsend is dat Europese leiders nauwelijks durven op te merken dat het Amerikaanse optreden flagrant fout is. Ik ben het met hem eens.

De gevolgen daarvan zijn duidelijk. Het was een testcase voor Groenland. Nu kijkt Trump opnieuw hoever hij kan gaan. Elke keer onderschatten we hem en ook nu doet u dat. U verklaart dat het wellicht niet zo ver zal komen en dat u met mensen uit zijn administratie hebt gesproken. Die illusie mogen we in 2026 wel begraven.

We hebben dus nood aan een coherent Europa dat zijn gewicht gebruikt en consequent is in de verdediging van het internationaal recht. Naar dat Europa kijken ontzettend veel Amerikanen. Amper 17 % van de Amerikanen steunt de verklaringen van Trump over Groenland. Er is een massale afkeer van zijn economisch beleid. Kijk ook naar wat er gebeurt met Jerome Powell.

Europa heeft de Amerikaanse burgers aan zijn kant om een vuist te maken en consequent te zijn. Dat begint ook binnen deze regering, waar er blijkbaar veel diplomatie nodig is om het evidente te kunnen uitspreken, namelijk een veroordeling van de gebeurtenissen, het rechten van de rug en de VS duidelijk maken dat het genoeg geweest is en dat hun strategische gevechtjes om allerlei grondstoffen overal ter wereld de wereld niet veiliger maken, integendeel.

Maxime Prévot:

Je suis conscient qu'en reprenant la parole, je cours de le risque de lancer un nouveau tour, mais c'est le principe. Je pourrais me contenter de passer à la question suivante, mais je trouve que le débat que nous venons d'avoir est intéressant et illustratif des réflexions à mener, pour peu que nous l'élargissions un peu pour quitter les seules questions du Venezuela et du Groenland. Ce sont peut-être des propos que nous aurions pu partager dans quelques semaines, lorsque nous analyserons la note de politique générale. Mais à mon sens, l'esprit est mûr dans l'échange que nous venons d'avoir.

Vous me dites régulièrement d'ouvrir les yeux et de ne pas être naïf sur le fait que le monde a changé. Je peux vous assurer que, depuis un an que je suis à la tête du département des Affaires étrangères, je n'ai pas manqué d'occasions de mesurer que le monde avait changé, et mes diplomates en sont bien conscients. Mais si le monde a changé, je vous invite aussi parfois – et je dis ceci avec beaucoup d'humilité – à changer vous-même le regard au travers duquel vous lisez ce monde.

Bien sûr que l'attitude des États-Unis me préoccupe et m'inquiète, bien sûr qu'elle n'est pas acceptable dans une série de dossiers. J'ai dit que nous avions, comme tous les pays et grandes puissances du monde, des défis communs, que j'ai cités, notamment le trafic de drogue, le terrorisme, etc. Je ne tomberai pas dans les propos plus restrictifs auxquels m'a invité M. Boukili en mettant en exergue des dossiers sur lesquels nous avons des divergences avec les États-Unis, bien entendu. De même, Mme Mutyebele Ngoi, j'ai dit que nous restions alliés, j'ai n'ai pas dit que c'étaient les mêmes alliés. C'est là votre vocabulaire. Je suis conscient que les États-Unis restent des alliés mais qu'ils ont changé. C'est le sentiment qu'ont les Européens.

Les Américains, eux, ont le sentiment que c'est l'Europe qui a changé, considérant que celle-ci – de leur point de vue, je ne le défends pas – se montre trop permissive face aux questions migratoires, qu'elle ne résiste pas assez à l'influence de certains courants religieux, etc. De leur point de vue, c'est nous qui avons changé. Je pense que le monde a globalement changé. Et, si je suis préoccupé par ce qui se passe outre-Atlantique, je pense que nous devrions collectivement et peut-être bien davantage nous préoccuper de ce qui se passe en Europe. Car la superpuissance américaine n'a d'égale que l'affaiblissement européen.

En ja, we hebben nood aan een coherent Europa, mevrouw Almaci. Dat is 100 % waar.

Vous appelez souvent l'Europe à la barre, en disant: "Monsieur le ministre, il faut que l'Europe réagisse plus fortement. Il faut qu'elle mette le holà, qu'elle prenne des mesures, qu'elle annonce les rétorsions; et la Belgique doit être dans le même mouvement."

L'Europe est forte quand elle est unie. C'est d’ailleurs parce que les Américains l'ont bien compris qu'ils préfèrent régulièrement avoir des démarches bilatérales plutôt que des démarches avec les institutions européennes.

Ce qui me préoccupe aujourd'hui, moi, Européen convaincu depuis mon premier souffle, c'est de constater depuis un an que l'Europe se divise de plus en plus.

Vous dites, madame Almaci, que l'Europe aurait pu réagir vite, fortement, en condamnant ceci, en dénonçant cela. Il a fallu plus de 48 heures – j'ai le bénéfice d'être dans le groupe WhatsApp ou Signal de mes collègues – pour obtenir un statement à 26, et dont chacun des mots a dû être pesé ou soupesé, et où vous ne trouvez pas, d'ailleurs, le mot "condamnation".

Pourquoi est-ce que je dis cela? Parce qu'on peut tous – moi aussi – rêver de cette Europe forte qui réagit rapidement, promptement, fermement. Mais aujourd'hui, force est de constater, avec lucidité autant qu'avec regret, que cette Europe unie sur les dossiers internationaux peine à exister.

Ce n'est pas pour rien que nous sommes en train de plaider pour être associés à la table des négociations sur le dossier ukrainien, un peu en deuxième ligne. Ce n'est pas pour rien que vous m'avez, et de mon point de vue, souvent à raison, interpellé sur la réaction européenne par rapport à Gaza, qui faisait défaut, et que nous n'avons pas été en capacité d'avoir une voix européenne forte sur le sujet. Le plan de paix a dès lors davantage été rédigé à Washington qu'à Bruxelles.

L’Europe n'est pas unie sur le volet international, parce que les 27 pays n'ont pas le même point de vue. Certains sont plus proches de Moscou que d'autres. Certains ont une affiliation historique très forte avec Washington.

N'oublions pas, chers collègues, que certains pays européens sont indépendants depuis seulement l'après-chute du mur de Berlin, depuis 30 ou 35 ans. Ils doivent souvent cela à l'intervention des Américains, et leur reconstruction aussi à l'intervention de ceux-ci. Ils n'ont donc pas nécessairement la même posture que la nôtre, ce qui rend plus compliqué encore la capacité de fédérer les points de vue à 27.

Je tiens à le partager pour que cela serve de sursaut afin de travailler aussi au renforcement de l'Union européenne, et non uniquement à la dénonciation de ce qui se pratique ailleurs. En effet, c'est entre nos mains que réside notre capacité à peser et à être cette fameuse puissance économique – comme nous le sommes à 27 –, qui ne signifie cependant pas que nous soyons toujours une puissance diplomatique, parce que l'unanimité est souvent requise pour les questions de politique étrangère.

Je sais que nous allons encore connaître des moments dans l'actualité internationale qui nous heurteront. On entendra: "L'Europe doit faire ceci, mais ne le fait pas! Vous devez plaider ceci, mais vous ne le faites pas!" Si, si, je plaide fermement, vocalement, mais je plaide dans une assemblée qui, aujourd'hui, est moins unie qu'elle ne l'était antérieurement. C'est pourquoi je déplore, comme vous, l'incapacité pour l'Union européenne de peser sur la scène internationale autant qu'elle serait théoriquement apte à le faire. Ne voyez aucune résignation dans mon propos, mais bien une invitation à la lucidité afin que nous travaillions tous ensemble à la lecture du monde à la lumière de cette réalité.

Il est évident que les partenariats avec les autres pôles géopolitiques sont plus que jamais indispensables et essentiels. Au demeurant, quand une nation prend des initiatives contraires à nos intérêts, à nos valeurs et à notre ADN, j'entends souvent des députés plaider pour que nous envoyions des signaux clairs, que nous rompions nos relations internationales, que nous renvoyions des ambassadeurs, etc. Si chaque fois qu'un événement qui nous déplaît se produisait, nous devions renvoyer un ambassadeur, l'avantage est que nous n'aurions plus beaucoup de sujets à traiter en commission des Relations extérieures! Or la vocation même de la diplomatie est, surtout et avant tout, d'essayer de garantir le maintien d'un dialogue avec celles et ceux qui nous sont peut-être le moins proches. Il est certain que nous devons continuer à entretenir de bonnes relations avec celles et ceux qui sont plus alignés sur nos positions, mais ce n'est peut-être pas à leur égard que l'effort diplomatique doit être le plus intense. Je rappelle que, dans ces pays, nous avons aussi des entreprises et des compatriotes. L'absence de relations diplomatiques rendrait d'autant plus difficile la possibilité de leur apporter l'aide et l'assistance dont ils ont besoin. Je le dis parce que j'entends souvent: "Mais enfin! Pourquoi n'avez-vous pas renvoyé tel ambassadeur?"

Le monde est complexe. Notre travail collectif, à moi comme ministre et à vous comme membres vigilants de la politique étrangère de notre royaume, consiste à apporter une lecture plus fine des relations internationales, sans travestir notre ADN ni renoncer à nos valeurs, mais en étant conscients du contexte dans lequel ils doivent s'exprimer et se déployer au sein de cette Union européenne qui ne parvient pas toujours à le faire à la hauteur de ce que nous souhaiterions collectivement.

Ne me tenez pas rigueur d'avoir eu envie de partager cette réflexion avec vous.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir pris la balle au bond pour approfondir ce débat intéressant et je me réjouis déjà des futures discussions que nous aurons dans le cadre de la note de politique générale.

Vous avez abordé des points importants et je vous rejoins quand vous parlez de l'importance de la diplomatie. Ce n'est en effet que par la diplomatie que nous pouvons en grande partie trouver des solutions communes dans un monde multipolaire qui évolue et qui, vous l'avez dit, a évolué et a, d'une certaine manière, basculé.

Ces lunettes-là, mon groupe les a déjà mises depuis un moment. On a déjà averti sur certains événements internationaux actuels ainsi que sur l'agressivité de l'impérialisme américain qui est aujourd'hui en déclin économiquement. Celui-ci se fait dépasser par d'autres forces, notamment les forces du BRICS, mais veut maintenir sa domination coûte que coûte, quitte à violer toutes les règles internationales. Mais l'Europe, elle, n'a pas encore changé de lunettes. Elle continue à voir le monde avec ses vieilles lunettes et, pour cette raison, nous sommes en retard. Si, aujourd'hui, l'Europe n'est pas unie sur certaines questions, c'est notamment parce qu'elle n'a pas changé de lunettes. Elle reste dans cette logique du maintien de la domination de l'Occident sur le reste du monde, un reste du monde qui n'accepte plus cette logique-là voulant s'émanciper et avoir sa souveraineté et son mot à dire. Or, on ne s'est pas encore adapté à cette nouvelle situation et on ne l'accepte pas encore.

Quand vous dites que l'Europe est divisée, cela dépend des dossiers. L'Europe est unifiée. Quand il a fallu voter les 19 paquets de sanctions contre la Russie, toute l'Europe a voté. Quand il a fallu voter les sanctions contre l'Iran, toute l'Europe était unifiée. Mais, lorsqu'il s'agit de sanctionner Israël, un État génocidaire, dont le chef d'État a un mandat d'arrêt contre lui, là, l'Europe n'est pas unifiée. Pourquoi? Parce que l'Union européenne est le premier partenaire économique d'Israël et que ce sont des alliés.

Aujourd'hui, il faudrait que l'Europe se remette en question et change de lunettes car on continue à prendre des positions politiques en fonction de nos intérêts et au détriment des intérêts des autres.

Tant qu'on ne se met pas dans une logique de coexistence avec les autres, de sécurité collective et d'intérêts communs, on continuera à aller dans le mur. C'est cela qu'il faut changer. Je suis tout à fait d'accord avec vous, monsieur le ministre, et je me réjouis de nos débats futurs à ce sujet.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, al hetgeen u zegt, kunt u perfect toepassen op de Belgische regering en daarmee hebt u haarfijn de zwakte van de regering aangegeven, namelijk dat er geen coherente en consequente positie is. Nochtans, als er één zaak is waarover Europa verenigd zou moeten zijn, dan is het wel het respect voor het internationaal recht en als er een zaak is waarvan ik hoopte dat ook de Belgische regering verenigd zou zijn, dan was het wel het respect voor het internationaal recht. Zodra men naar gelang van het dossier van tonaliteit en houding wisselt, zullen landen elders in de wereld die minder democratisch zijn, die hypocrisie duiden en zich afvragen waarom er voor het ene land direct een veroordeling komt en voor het andere land niet. Dat is natuurlijk dodelijk voor het vertrouwen. Vandaar dus die vraag.

Ik heb ook gehoord wat een aantal collega's uit de zaal, vaak niet ver van mij, regeringsleiders en voorzitters zeggen over de Verenigde Staten met president Trump en over Venezuela en wat kan en mag. In het ene geval is het allemaal niet zo erg. In het andere geval roept men moord en brand. Kijken we maar even naar de daden van de regering na haar communicatie met betrekking tot sancties tegen Israël. Dat is nefast voor het vertrouwen.

Als 17 % van de bevolking van de Verenigde Staten min of meer kan volgen dat Groenland strategisch belangrijk is, dan wil dat zeggen dat een immens deel van de bevolking hoopt dat Europa een vuist maakt en consequent is en dat men ook naar België kijkt om het voortouw te nemen.

De agressiviteit en de brutaliteit van Trump zijn eigenlijk een immens teken van zwakte. Hij wil Groenland, omdat als hij zelf de grondstoffen niet kan ontginnen, een ander dat ook niet mag. Als hij zelf de wateren niet kan controleren, dan wil hij dat een ander dat ook niet kan. Waarom valt hij Venezuela aan? In wiens handen komt de 20 % aan olie? Waarom voert hij handelsheffingen voor Europa in en willen de techoligarchen deregulering? Dat is, omdat ze die markt nodig hebben, maar het tegelijkertijd heel moeilijk hebben met het feit dat die autonome beslissingen neemt.

Een wereld die op die manier het recht van de sterkste toelaat en niet langer gebaseerd is op afspraken en vertrouwen, is een gefragmenteerde, onveilige wereld. Net daarom is het belangrijk dat we consequent zijn in Europa, te beginnen in eigen land, en dat we daar een rode lijn trekken.

Sandro Di Nunzio:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw overwegingen en voor uw interessante analyse. Ik moet het zeggen dat ik het heel vaak eens ben met uw analyse. U hebt gezegd dat we een andere bril moeten opzetten om naar de wereld te kijken. U hebt al verschillende maanden ervaring in de commissie hier, ik iets minder. U klaagt aan dat bepaalde collega’s dat niet doen. Welnu, ik ben het volmondig met u eens dat we van de gelegenheid gebruik moeten maken, de nieuwe situatie moeten aangrijpen om de zaken anders aan te pakken. Never waste a good crisis . Ik durf te stellen dat we op het vlak van diplomatie en internationaal recht in a permanent state of crisis zijn en ook nog zullen zijn in de komende jaren. Laten we dus maar hopen dat in de drie jaar waarin Trump nog president is, de crisis niet zal escaleren in een totale ramp. Van de crisis moeten we gebruikmaken, met de Europese Unie. Wanneer u uw beleidsnota ter bespreking legt, hoop ik dat u met die nieuwe bril ook naar Europa zult kijken en dat vooraan in uw beleidsnota zal staan op welke manier ons land zal proberen Europa meer te unificeren, opdat het meer met één stem zou spreken en opdat we, in de mate dat er geen aanpassingen mogelijk zijn aan de basisverdragen, met een soort coalition of the willing in een hogere versnelling daadkrachtiger zullen kunnen samenwerken met andere Europese landen op tal van vlakken waar het nodig is in deze nieuwe wereld. Ook al heeft collega Almaci het gras voor mijn voeten weggemaaid, ik sta erop om nog het volgende op te merken. Vous avez dit que l'Europe est forte quand elle est unie. C'est la même chose pour la Belgique, "l'union fait la force". Nous en reparlerons à propos du Mercosur, qui est un bon exemple. Nous n'arrivons pas à nous mettre d'accord sur le fait que cet accord est bon pour la Belgique, qui est un pays qui exporte beaucoup. Als het niet werkt in België, zal het ook in Europa, met al die verschillende landen, zeer moeilijk worden. Vandaar inderdaad mijn pleidooi voor een betere samenwerking, desnoods met bepaalde landen aan een hogere snelheid.

De escalatie van protesten in Iran met dodelijk geweld
De groeiende straatprotesten in Iran
De protesten in Iran
De repressie van het binnenlandse politieke protest door het Iraanse regime
De aanhoudende protesten in Iran
De toestand in Iran
De situatie in Iran
Iran
De situatie in Iran
De ernstige mensenrechtenschendingen in Iran
De gewelddadige onderdrukking van de Iraanse bevolking
De aanhoudende protesten en repressie in Iran met mensenrechtenschendingen

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een emotioneel parlementair debat over de brutale onderdrukking van massaprotesten in Iran – met volgens mensenrechtenorganisaties duizenden doden, tienduizenden arrestaties en systematisch geweld tegen demonstranten – eisen parlementsleden dringende EU-sancties, diplomatieke druk en steun aan het Iraanse volk. Minister De Maegd (BZ) bevestigt dat België de repressie "ondubbelzinnig" veroordeelt, de Iraanse ambassadeur op het matje riep en pleit voor verdergaande EU-sancties (bestaande maatregelen raken 344 entiteiten/373 individuen), maar benadrukt dat diplomatieke kanalen open moeten blijven om gevangenen zoals Ahmadreza Djalali (Belgisch ereburger) te kunnen volgen. Kritische stemmen (o.a. Vlaams Belang, N-VA, Les Engagés) eisen hardere actie: uitzetting van Iraanse diplomaten, terreurlabel voor de Revolutionaire Garde (IRGC), en onmiddellijke, zwaardere sancties om het regime te "breken". Darya Safai (met familie in Iran) en Sam Van Rooy (PVV) bepleiten militaire steun (VS/Israël) en regime change, terwijl anderen (o.a. Groen, PTB) waarschuwen voor westerse inmenging (verwijzend naar mislukte interventies in Irak/Libië) en pleiten voor gerichte sancties zonder burgerlijden te verergeren. Kernpunt: België/EU moeten balans vinden tussen druk op het regime en bescherming van burgers, met urgentie nu executies en internetblackouts de crisis escaleren.

Ellen Samyn:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, collega’s, wat zich vandaag in Iran afspeelt, tart elke verbeelding. Volgens cijfers van mensenrechtenorganisaties zijn inmiddels meer dan 2.400 mensen gedood en werden ruim 18.000 Iraniërs opgepakt, louter omdat zij hun stem durfden te verheffen tegen het fundamentalistische beleid van de ayatollahs. Het werkelijke aantal slachtoffers kennen we niet, net omdat dit extremistische regime het internet heeft afgesloten en systematisch probeert de waarheid in de kiem te smoren.

Wat ons wel bereikt, is ronduit huiveringwekkend: beelden van lijkzakken op straat, ziekenhuizen die overspoeld worden met doden en zwaargewonden, artsen die getuigen van gerichte schoten op jonge, zeer jonge demonstranten, in het hoofd, het hart en de ogen. Dit zijn geen ordehandhavingsoperaties, dit is brute en pure repressie. Dat mag helaas niet verbazen. Het Iraanse islamitische theocratische regime heeft een bijzonder grimmig palmares wanneer het gaat over democratie en mensenrechten.

Mijnheer de minister, u had maandag een onderhoud met de Iraanse ambassadeur. Wat was de concrete inhoud van dat gesprek? Hebt u het massale geweld tegen burgers ondubbelzinnig veroordeeld en expliciet geëist dat deze repressie stopt?

Hoe beoordeelt België vandaag de morele en humanitaire ernst van wat zich in Iran afspeelt, zeker nu de vrees reëel is dat het uiteindelijke dodental in de duizenden kan lopen? Er circuleren zelfs cijfers die spreken over 10.000 dodelijke slachtoffers.

Er bestaat bovendien de vrees dat het regime manifestanten na schijnprocessen zal executeren, een gekende praktijk van dit terreurregime om een afschrikeffect te creëren onder betogers. Hebt u binnen de EU overleg gepleegd om de druk op het Iraanse regime verder op te voeren, onder meer via een uitbreiding van de sancties, ook ten aanzien van landen en entiteiten die dit regime blijven ondersteunen of er zaken mee doen?

Beschikt u over bijkomende informatie over politieke gevangenen, meer bepaald over de situatie van Ahmadreza Djalali en andere westerse en/of politieke gevangenen met een dubbele nationaliteit?

Ten slotte, wat kan en zal België concreet doen om het moedige Iraanse volk, dat ondanks angst, geweld en censuur blijft opstaan, niet in de steek te laten?

Sam Van Rooy:

Minister, ambtsgenoten, terwijl vrijheidslievende Iraanse demonstranten alweer, voor de zoveelste keer, massaal worden afgeslacht door het moorddadige terroristische islamitische regime, hebben mijn partner en ik al zes dagen geen contact meer met onze familie in Teheran, de hoofdstad.

Al in de zevende eeuw is Iran, meteen na de stichting van de islam, voor het eerst met geweld veroverd, onderworpen en geïslamiseerd door jihadistische legers van Arabische moslims. Iran is een prachtig Perzisch land en volk, met een imposante geschiedenis en beschaving en met een enorm potentieel.

Met dank aan het Westen werd het land echter opnieuw geïslamiseerd in 1979, tijdens de verschrikkelijke islamitische revolutie. Al meer dan 45 jaar wordt Iran bezet door de islam. Dat is pas een bezetting. Al meer dan 45 jaar wordt het Iraanse volk gegijzeld, onderdrukt en geterroriseerd door de islamitische wet en de jihad. Dat gebeurt in de praktijk door de moorddadige ayatollahs, mollahs en de IRG, de Iraanse Revolutionaire Garde, die al lang op de terreurlijst had moeten staan. Het jihadistische regime van Iran is een van de grootste sponsors van terrorisme ter wereld, ten koste van het Iraanse volk.

Voor wie het nog altijd niet begrepen heeft: het islamitische regime van Iran is de sjiitische versie van Islamitische Staat. Toch krijgt het voortdurend noodlijdende Iraanse volk maar een fractie van de aandacht en de verontwaardiging die er is voor de Palestijnse kwestie, die nota bene een van de oorzaken is van het lijden van het Iraanse volk.

Terwijl Iraniërs smeken om de hulp van Israël en de VS, zien zelfhatende westerlingen een groter kwaad in president Trump en premier Netanyahu dan in de ayatollahs en de IRG. Waar zitten al die overijverige beleidsmakers nu? Waar zijn al die acties, demonstraties, campusbezettingen, BV-poseurs en rode lijnen nu?

Minister, in enkele dagen tijd werden mogelijk al 12.000 Iraanse demonstranten afgeslacht en dat aantal loopt nog op. Ik wil van u dus woorden en daden, minister, die daar recht aan doen.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, sinds de oudejaarsperiode zijn de grootste protesten in Iran sinds 2022 bezig. Wat eigenlijk begon als een economisch protest tegen koopkrachtverlies en inflatie is inmiddels uitgegroeid tot een nationaal protest op heel grote schaal tegen het gevestigde theocratische regime van de ayatollahs. Handelaars, verkopers, universiteitsstudenten en families protesteren over heel het land en riskeren hierbij hun leven. Ze scanderen leuzen als "dood aan de dictator" en "kom op voor je rechten". Nogmaals, op gevaar van hun leven.

Het Iraanse regime probeert de protestanten tegen te houden en te intimideren op alle mogelijke manieren. Met geweld, want er zijn al heel wat doden gevallen. De cijfers die we vernemen schommelen rond de 800, maar ik hoor ook duizenden. We kunnen het niet inschatten, want men heeft ook het internet afgesloten er is veel intimidatie. We weten wel dat er doden vallen en dat het er zeer erg aan toegaat.

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen.

Ten eerste, hoe schat u de evolutie van deze bijzondere situatie in? Is dit een revolutie die eindelijk het criminele Iraanse regime zal doen vallen?

Ten tweede, de koopkrachtcrisis is onder andere het gevolg van de aanhoudende Europese en Amerikaanse sancties. Hoe beoordeelt u de effectiviteit van deze sancties? Wordt het juiste doel, namelijk het omverwerpen van het regime, daardoor bereikt?

Ten derde, terwijl de reactie van het Iraanse regime in de eerste dagen minder hard was, zijn er nu al honderden tot duizenden doden gevallen. Op welke manier kan de Europese druk toenemen om dat bloedvergieten te doen stoppen?

Ten vierde, vindt u de EU-strategie van dit moment de juiste?

Ten slotte, wat doen België en de EU om de democratische oppositie in Iran zo goed mogelijk te steunen en te helpen?

François De Smet:

Monsieur le ministre, depuis plusieurs semaines à présent, l'Iran connaît une vague importante de protestation populaire, que l'on peut désormais qualifier de révolte. Une révolte initialement déclenchée par une crise économique profonde – inflation élevée, effondrement du rial, hausse des prix – mais qui s’étendent désormais, comme par le passé, à des revendications politiques.

Selon les médias internationaux et les ONG, l'insurrection touche désormais toutes les provinces, toutes les classes sociales du pays et, surtout, est très durement réprimée. On compte désormais des milliers de morts, des milliers de blessés, des exécutions et de très nombreuses arrestations arbitraires ainsi que des violations persistantes des libertés fondamentales.

Alors, ce n'est pas le premier vent de révolte qui souffle dans ce grand pays de 92 millions d'habitants, mais ces révoltes s'intensifient à chaque fois. Et, comme beaucoup ici, nous espérons quelque part que cette fois sera la bonne. Nous espérons que, demain, cet Iran théocratique et dictatorial pourra céder la place à une démocratie laïque et libre, à un pays qui arrêtera de terroriser les femmes en les forçant à se voiler, qui cessera de persécuter les opposants et, plus accessoirement, qui cessera aussi d'intimider un certain nombre de pays, dont la Belgique, en prenant en otage des ressortissants.

Je pense que, comme l'Europe, nous avons un rôle à jouer. Des voix au sein de l'Union européenne ont appelé à la libération immédiate des personnes pacifiquement détenues.

Monsieur le ministre, quelle est la position du gouvernement belge face à cette répression? Renforcerons-nous au niveau européen et multilatéral notre soutien aux manifestants pacifiques, à la société civile iranienne et aux opposants démocratiques au régime? Plaiderons-nous pour le renforcement des sanctions contre ce régime? Enfin, soutenez-vous le placement des Gardiens de la révolution parmi les organisations terroristes?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, we hebben het vandaag over Iran en u weet dat ik al voor de zesde dag op rij geen nieuws heb van mijn familie. Het is enorm zwaar voor mij om daarover te spreken, maar ik zie het als mijn plicht.

Het lijkt alsof de kinderen in een vuilniszak werden gestopt en de ouders moeten de rits openmaken om hun kinderen te kunnen identificeren. Die kinderen werden zomaar op straat vermoord. Er werden tot nog toe een dertigtal kinderen van ongeveer 15 jaar vermoord met oorlogswapens. Ik zie in elk gezicht het gezicht van mijn eigen kind.

Ik heb geen nieuws van mijn familie en ik maak mij zorgen over hen, maar het gaat over veel meer dan dat. Het gaat over de hele geschiedenis. De mensen komen op straat en eisen hun vrijheid en hun land terug. Er zijn geen verkiezingen georganiseerd en de mensen worden vermoord. Telkens opnieuw komen ze op straat en telkens opnieuw worden ze koelbloedig neergeslagen en wij kijken soms de andere kant uit.

Ik heb het niet alleen over ons. Het is heel zwaar voor mij om te zien dat het alweer gebeurt zonder dat we iets kunnen doen voor hen. Twaalfduizend mensen zijn gewoon op straat vermoord en vandaag beginnen de executies.

Om welke reden worden mensen geëxecuteerd? Ik kan u foto's laten zien, de een na de andere. Ik weet niet meer wat we kunnen betekenen voor die mensen.

Ik ben hier niet om u te overtuigen. Ik ben dankbaar. Ik weet dat u mij en het Iraanse volk steunt, maar we moeten bekijken of we iets kunnen doen om dit te stoppen. Daarom ben ik blij dat Europa steeds meer zijn stem laat horen. Wij moeten dat blijven doen en ik ben blij dat de wereld toont dat de Iraniërs er niet alleen voor staan.

Ik ben ook blij dat president Trump zegt dat we moeten ingrijpen als dat zo verder gaat. Dat is ook een goede zaak. Dat is geen inmenging, maar wel het beschermen van die mensen. We moeten dat doen en ik hoop dat we veel meer kunnen doen. Ik ben blij en dankbaar dat Europa meer van zich laat horen.

Mijnheer de minister, hoe ziet u dat evolueren? Wat denkt u dat wij kunnen betekenen voor de Iraniërs? Ik vraag u zelfs niet waarover u het had met de Iraanse ambassadeur, want wij erkennen hem niet. De ambassadeur is geen vertegenwoordiger van het Iraanse volk en u weet dat. De Iraniërs hebben hun eigen vlag gehangen aan de ambassades. Wat zal die man zeggen? Dat de mensen schuldig zijn en dat ze hen daarvoor hebben vermoord. Het interesseert mij niet wat hij heeft gezegd.

Ik weet niet meer wat we moeten doen, behalve die mensen de deur wijzen en zeggen dat we daarover niet met elkaar kunnen praten. Wat kunnen we doen om die executies en dat moorddadige regime tegen te houden en het Iraanse volk te bevrijden?

De voorzitster : Mevrouw Safai, ik wil u mijn medeleven betuigen met uw familie.

Michel De Maegd:

Mevrouw de voorzitster, het is heel moeilijk om het woord te nemen na het betoog van collega Safai.

Ik wil u in naam van Les Engagés onze sympathie betuigen in deze pijnlijke omstandigheden.

Monsieur le ministre, l'Iran est traversé par une vague de protestations d'une ampleur exceptionnelle. On l'entend, ce mouvement, d'une crise économique profonde, s'est rapidement transformé en une contestation politique plus large, portée par une population qui réclame la dignité, la liberté et un avenir. La réponse des autorités iraniennes est d'une brutalité extrême et croissante. Les informations émanant d'organisations internationales et d'ONG font état d'un usage systématique de la force létale, d'arrestations massives, de restrictions sévères de l'accès à internet et d'atteintes répétées aux libertés fondamentales.

Le bilan humain est déjà effroyable et la situation évolue d'heure en heure. Plus de 2 500 personnes, selon les ONG, auraient été tuées depuis le début du mouvement, parmi lesquelles des manifestants, des civils et des enfants. Ces derniers jours, un nouveau seuil semble avoir été franchi. Les autorités iraniennes ont annoncé leur intention de procéder à des arrestations et des exécutions de manifestants. Une première exécution a été confirmée, celle d'Erfan Soltani, âgé de 26 ans, condamné à mort pour sa participation aux manifestations. Dans le même temps, la tension internationale s'accroît, puisque les États-Unis avertissent qu'ils réagiraient de manière très forte en cas de poursuite des exécutions. La situation devient donc dramatique sur le plan humain, mais aussi dangereuse sur le plan régional et international.

Monsieur le ministre, quelle est l'analyse actualisée de la Belgique quant à la situation sur place, notamment face à l'escalade de la répression? La Belgique entend-elle plaider activement au niveau européen pour une réponse ferme, coordonnée, crédible, visant à faire pression sur les autorités iraniennes, tout en veillant bien sûr à ne pas pénaliser davantage une population déjà lourdement éprouvée?

Une réflexion est-elle en cours au sein de l'Union pour adapter sa stratégie vis-à-vis de l'Iran? Des discussions sont-elles en cours concernant de nouvelles sanctions ciblées à l'encontre des responsables iraniens impliqués dans cette répression, les arrestations arbitraires et les exécutions annoncées?

Enfin, au regard de l'appel lancé par la Belgique et plusieurs États membres à leurs ressortissants de quitter l'Iran, quelles mesures concrètes sont-elles mises en place pour assurer leur sécurité et leur assistance, notamment en cas de détention arbitraire ou de fermeture des voies de sortie du pays?

Lydia Mutyebele Ngoi:

Madame la présidente, je voudrais tout d'abord adresser toute ma solidarité à ma collègue Darya Safai dans les moments difficiles qu'elle traverse. Je sais ce que c'est de ne pas avoir de nouvelles de sa famille habitant des zones de conflit compliquées.

Monsieur le ministre, après Massa Amini, après les morts de ce premier mouvement de libération mené par des femmes courageuses, voici que nous assistons encore à un nouveau mouvement de libération qui est réprimé violemment par le régime iranien. Les chiffres sont glaçants: selon certaines ONG de défense des droits humains, le nombre de morts s'élèverait à 2 000 personnes. Des femmes, des jeunes, des étudiants, abattus simplement parce qu'ils réclament leurs droits. Et pour étouffer la vérité, le régime iranien a imposé des coupures massives d'internet, plongeant des millions de personnes dans le silence numérique. Parmi ces victimes de la répression figure un nom qui nous concerne directement: le professeur Ahmadreza Djalali, citoyen d'honneur belge, détenu depuis près de dix ans, menacé d'exécution, déplacé récemment vers un lieu inconnu. Sa situation est dramatique et des alertes ont été données, il y a quelques semaines, pour éviter la mise en scène de son exécution après l'apparition de soi-disant aveux télévisés. Le premier ministre a souligné dans la presse que ces "courageux Iraniens" méritent "notre soutien total", tout en rappelant que "les faire taire par la violence est inacceptable".

Monsieur le ministre, quelle position notre pays défendra-t-il au sein de l'Union européenne et des Nations Unies pour exiger l'arrêt immédiat des massacres, la fin des coupures d'internet et la libération des prisonniers politiques?

Quelle position adoptez-vous vis-à-vis d'un mouvement d'ampleur qui tend à un changement de régime? Quelle analyse faites-vous des risques d'escalade avec une potentielle intervention américaine? Pensez-vous qu'un renversement de régime par l'extérieur pourra améliorer le sort des Iraniens?

Soutiendrez-vous des sanctions ciblées contre les responsables de cette répression sanglante? Si oui, lesquelles et, surtout, dans quel délai?

Comment mobilisez-vous nos services diplomatiques et consulaires pour aider les Belges, mais également les Iraniennes et Iraniens qui soutiennent nos services ou qui ont de la famille en Belgique?

Enfin, quelles démarches concrètes engagez-vous pour obtenir la libération du professeur Djalali, avant qu'il ne soit trop tard?

Els Van Hoof:

Ik sluit me aan in dit debat.

Het is moedig dat de Iraanse bevolking opkomt voor democratie. Het moet inderdaad hartverscheurend zijn niet te weten hoe je familie er vandaag aan toe is.

Het is duidelijk dat de Iraanse bevolking de theocratie, de repressie en het wanbestuur meer dan moe is. Het regime reageert echter met zware repressie. Volgens mensenrechtenorganisaties zouden er 2000 doden zijn, 18.000 mensen zouden zijn opgepakt; dat zijn hallucinante cijfers. Het is dan ook goed dat u heel sterk hebt gereageerd, ook na een ontmoeting met de Iraanse ambassadeur, door te zeggen dat alle geweld buiten proportie is, dat men de eisen van de bevolking inderdaad serieus moet nemen, en dat er Europese maatregelen moeten worden genomen, zoveel is duidelijk.

Ondertussen heeft ook Kaja Kallas aangekondigd dat er nieuwe sancties zouden kunnen komen ten aanzien van individuen die verantwoordelijk zijn voor het geweld. Ook president Trump zegt dat er hulp onderweg is, dat inderdaad Amerikaanse burgers worden opgeroepen om Iran te verlaten en dat er ook maatregelen zullen volgen als er mensen worden opgehangen. Dit is zeer ernstig.

De vraag is inderdaad wat de Europese reactie zal zijn. Hoe zullen die sancties er concreet uitzien? Heeft België al een aantal voorstellen gedaan? Hoe zullen wij er inderdaad voor zorgen dat we die democratische oppositie in Iran en het Iraanse middenveld en de mensen ondersteunen? Welke concrete maatregelen kunnen we daarvoor nemen?

Nabil Boukili:

Madame la présidente, je voudrais à mon tour exprimer toute ma solidarité et tout mon soutien au peuple iranien, et notamment à ma collègue ici présente, Daria Safai ainsi qu'à sa famille, victimes de la violence exprimée par le gouvernement iranien.

Monsieur le ministre, dans de nombreuses villes, des manifestants iraniens continuent à descendre dans la rue. Les manifestations ont d'abord commencé pour protester contre la hausse du coût de la vie. Le gouvernement iranien a ensuite coupé internet, ce qui fait craindre une répression vraiment très dure. Des images diffusées notamment par la télévision iranienne montrent de nombreux sacs mortuaires alignés. Ces images font froid dans le dos.

Mais en même temps, les mobilisations de ces dernières années, comme celles qui ont eu lieu en 2022 après la mort de la jeune Mahsa Amini, ont prouvé que les mobilisations sociales peuvent aboutir à des résultats et faire bouger les choses en Iran.

Les manifestants expriment une énorme frustration. Cette frustration a commencé fin décembre à cause de l'effondrement de la monnaie iranienne vis-à-vis du dollar, catastrophique pour le pouvoir d'achat, et des tentatives de réformes du gouvernement touchant à certains droits acquis.

Les critiques sur la gestion économique du gouvernement et de la corruption sont nombreuses. Cet effondrement a aussi un lien avec les sanctions qui sont prises contre l'Iran et qui ont été renforcées l'année dernière. Ces sanctions ont frappé de plein fouet l'économie iranienne, avec une inflation de plus de 40 %, une perte de pouvoir d'achat et des difficultés à trouver des médicaments. C'est le peuple iranien qui en paye le prix. Les attaques contre le peuple iranien à travers ces sanctions ont aggravé la situation.

Si, comme en 2017 et en 2019, les revendications étaient d'abord économiques, sur cette colère socio-économique s'est rapidement greffée une profonde frustration politique contre la répression. De nombreux Iraniens veulent avoir davantage leur mot à dire dans les affaires du pays. Les mouvements de protestation sont hétérogènes. Il y a d'abord des mouvements syndicaux, puis des mouvements de jeunesse et des citoyens de tous bords qui, courageusement, exigent un avenir plus viable.

Monsieur le ministre, j'aimerais savoir quelle est votre position par rapport à la situation en Iran. Que pensez-vous notamment des menaces d'intervention américaine?

Plusieurs associations et organisations internationales mettent également le doigt sur le rôle des sanctions dans les difficultés économiques que connaît actuellement le peuple iranien. Êtes-vous d'accord avec la demande de lever ces sanctions économiques en soutien au peuple iranien?

Meyrem Almaci:

Het zijn inderdaad bange dagen voor het Iraanse volk, mijnheer de minister, collega’s. Hun moed om tegen dit regime in opstand te komen, kan niet anders dan onze volledige steun verdienen. In die zin begrijp ik ook de angst die heel wat Belgen met familie in Iran ervaren, ook die van mevrouw Safai, van mensen die in onzekerheid leven.

In 2009, 2017, 2018, 2019, 2022, 2025 en begin 2026 kwam de burgerbevolking in opstand tegen een dictatoriaal regime. Ze roept om hervormingen. Het antwoord van het regime was telkens opnieuw hetzelfde: een dodelijk hard optreden, met de executies die nu plaatsvinden, het afsluiten van het internet enzovoort.

Het geschatte aantal doden loopt opnieuw in de duizenden en de opstand wordt met extreem veel geweld onderdrukt. Toch blijven de Iraanse burgers telkens opnieuw dezelfde boodschap uitdragen: er is nood aan een democratisch regime.

Onder meer de Verenigde Staten hebben zich intussen laten horen en vragen om via militair ingrijpen eventueel bij te dragen aan de val van dit dictatoriale regime en een regimewissel te orkestreren. Een korte blik op de geschiedenis doet ons echter de vraag stellen of dat de beste manier is om tot een transitie te komen.

Vandaag staan ook Europa en België voor de vraag op welke manier we het geweld kunnen stoppen, de mensenrechten van de Iraanse bevolking garanderen en een machtswissel op gang brengen op een vreedzame manier.

Mijn vraag is dus eenvoudig. Welke dringende acties kunnen wij als land, samen met Europa, nemen om een einde te maken aan die golf van geweld en repressie en aan dit dictatoriale regime? Hoe kunnen wij de diplomatieke druk opvoeren en hoe kunnen wij het Iraanse middenveld en de mensenrechtenverdedigers in het land beter ondersteunen, met inachtneming van de vele mensen die vandaag in de gevangenis zitten, onder wie de heer Djalali?

Sandro Di Nunzio:

Ook namens mijn fractie betuig ik alle sympathie en medeleven aan collega Safai vanwege de onzekerheid waarin zij verkeert over haar familieleden en kennissen.

Mijnheer de minister, wat zich vandaag in Iran afspeelt, is niets minder dan staatsgeweld. Het is hier al meerdere keren aangehaald: al weken protesteren Iraniërs tegen een autoritair theocratisch regime dat elke vorm van tegenspraak met brute repressie de kop indrukt. Volgens mensenrechtenorganisaties zijn daarbij inmiddels meer dan 650 betogers gedood. We horen ook hogere cijfers. Bovendien heeft het regime het internet volledig afgesloten. Mijnheer de minister, collega’s, dat is een doelbewuste daad van repressie, een poging om geweld te verbergen, informatie te blokkeren en burgers collectief het zwijgen op te leggen.

Intussen hebt u de ambassadeur van Iran op het matje geroepen. U verklaarde zelf dat het erop lijkt dat de Iraanse autoriteiten hoogstwaarschijnlijk buitensporig geweld gebruiken bij het neerslaan van de protesten. U gaf ook aan uw diensten te hebben gevraagd extra waakzaam te zijn en dat onze ambassade in Teheran de situatie nauwgezet opvolgt.

Ik heb enkele concrete vragen voor u, mijnheer de minister.

Ten eerste, wanneer u spreekt over buitensporig geweld, neem ik aan dat u erkent dat er sprake is van ernstige en systematische mensenrechtenschendingen door het Iraanse regime.

Ten tweede, welke concrete acties volgen uit die verhoogde waakzaamheid van uw diensten en van de ambassade in Teheran, behalve het intensiever monitoren van de situatie? Zult u binnen de Europese Unie ook actief en proactief pleiten voor bijkomende, verregaande en gerichte sancties tegen de verantwoordelijken van het Iraanse regime?

Tot slot, zal ons land zich ondubbelzinnig scharen achter initiatieven van de hoge vertegenwoordiger, Kaja Kallas, om nieuwe sancties op tafel te leggen? Indien dat het geval is – en dat hopen we natuurlijk – verneem ik graag welke rode lijnen ons land hierbij hanteert. Ik dank u.

Maxime Prévot:

Chers collègues, la situation tragique qui est actuellement vécue en Iran commande bien entendu que je commence à présenter mes éléments de réponse en témoignant d'abord de ma solidarité à l'égard du peuple iranien, et singulièrement de celles et ceux qui ont été victimes de la répression organisée par le régime d'État. Bien entendu, cette solidarité s'étend à toutes les familles qui sont encore dans l'incertitude et le doute, y compris notre collègue Mme Safai. Madame, bien entendu, nous pouvons imaginer les douloureux moments qui sont actuellement vécus et nous vous souhaitons évidemment le courage nécessaire pour affronter cette période.

Chers collègues, la position de notre gouvernement vis-à-vis de la République islamique d'Iran a toujours été très claire. Nous dénonçons les violations des droits humains, au rang desquels on trouve évidemment les droits des femmes, et nous soutenons l'appel à la démocratie du peuple iranien.

Mevrouw Samyn, de huidige situatie is meer dan zorgwekkend. Hoewel het gezien de aanhoudende internetblokkade sinds donderdag moeilijk is de circulerende informatie en cijfers te bevestigen, wordt duidelijk dat het regime sinds vrijdagavond is overgegaan tot een uiterst gewelddadige en zelfs dodelijke repressie van de protesten. De cijfers die circuleren spreken over duizenden doden. Vanuit meerdere ziekenhuizen komt het bericht dat zij overweldigd zijn door het aantal doden en gewonden dat werd binnengebracht.

J'ai demandé à mes services une vigilance totale. Notre ambassade à Téhéran en particulier est sur le qui-vive. La coupure d'internet depuis jeudi perturbe évidemment aussi son travail, mais elle demeure tout de même en contact permanent avec nos partenaires pour cerner au mieux ce qu'il se passe. Il y a actuellement environ 250 Belges en Iran, que nous tenons informés et à qui nous prodiguons des conseils. Monsieur De Maegd, je me suis exprimé clairement et publiquement il y a déjà 10 jours pour dire que les manifestations des Iraniens pour leurs droits étaient légitimes et surtout que l'usage illégal de la violence ne saurait en aucun cas être toléré.

Ce lundi, j'ai fait convoquer l'ambassadeur d'Iran en Belgique pour lui exprimer ma ferme condamnation de toutes les violences commises par le régime, des détentions arbitraires, des intimidations, de la coupure d'internet et de toutes ces mesures visant à réprimer un mouvement pacifique, appelant à la démocratie, exprimant l'aspiration légitime des Iraniennes et des Iraniens à une vie meilleure. J'ai publiquement exigé des autorités iraniennes qu'elles respectent leurs obligations internationales, qu'elles s'abstiennent strictement de tout usage disproportionné de la force et qu'elles entendent les revendications pacifiques des Iraniens. L'ayatollah Khamenei a lui-même reconnu la légitimité des frustrations économiques.

Mevrouw Van Hoof, mevrouw Mutyebele, er is coördinatie met mijn Europese collega’s teneinde onze inspanningen te bundelen. De EU heeft zich uitgesproken om het geweld te veroordelen en roept de Iraanse autoriteiten op om de rechten en legitieme eisen van vreedzame demonstranten te respecteren. De EU heeft reeds talrijke sancties opgelegd aan het Iraanse regime, die België heeft gesteund of mee gesponsord. Momenteel staan 344 entiteiten en 373 individuen onder sancties.

En 2022, suite aux violences ayant suivi la mort de Mahsa Amini, l'Union européenne avait pris contre l'Iran des sanctions supplémentaires sous le régime des droits humains.

Mevrouw Almaci, mijnheer Di Nunzio, mevrouw Safai, collega's, België is bereid om verdere Europese sancties te bespreken en te nemen. Mijn diensten zijn hiermee op EU-niveau bezig. Het is duidelijk dat er op de komende bijeenkomst van de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken, over enkele dagen, nieuwe voorstellen op tafel zullen liggen. De Europese reactie moet krachtig zijn, dat is duidelijk.

Mevrouw Safai, president Trump heeft de voorbije dagen gemengde signalen gestuurd. De Verenigde Staten steunen in elk geval, zoals België, de legitieme vragen van de Iraanse bevolking om meer rechten.

Comme dans le cas de l'Ukraine, de Gaza et du Venezuela, monsieur Boukili, la Belgique insiste pour que tous les États agissent dans le strict respect du droit international.

Mijnheer Van Rooy, we moeten consequent zijn. Ons buitenlands beleid is gebaseerd op respect voor het internationaal recht. Daarom steunt ons land al geruime tijd de fundamentele aspiratie van het Iraanse volk naar mensenrechten en democratie en dat zullen we blijven doen. Het is echter het Iraanse volk, niet België, dat moet kunnen kiezen wie zij willen of niet om hun eigen land te leiden. Zelfs binnen de oppositie lopen de meningen tot heden uiteen.

Madame Samyn, madame Mutyebele Ngoi, nos positions divergent de celles de l'actuel régime iranien sur de très nombreux sujets. Nous maintenons toutefois les canaux diplomatiques ouverts. C'est notamment grâce à cet engagement critique que nous avons pu prendre régulièrement des nouvelles du professeur Djalali, entre autres. Je vous en ai donné régulièrement dans cette commission. Couper tous les liens diplomatiques est souvent une rhétorique facile mais c'est oublier qu'on se prive alors aussitôt de tous les canaux de collecte d'informations, de suivi et d'assistance de nos compatriotes, mais aussi d'une voix de dialogue pour faire évoluer des positions, y compris et surtout quand nous les trouvons inadmissibles.

Monsieur De Smet, la stratégie belge et européenne a donc été de maintenir la porte ouverte au dialogue tout en réagissant fermement aux politiques décidées par le régime iranien quand c'était nécessaire, via des sanctions, notamment pour préserver les droits humains.

Deze sancties hebben ook een economische impact gehad, mevrouw Lambrecht, mijnheer Boukili. De moeilijke situatie waarover Iraniërs vandaag op straat klagen, is echter het gevolg van de politieke keuzes van het huidige regime. Het is tegen de keuzes van dit regime dat de Iraanse straat in opstand komt. België volgt de zich ontwikkelende situatie op de voet.

Nous resterons évidemment mobilisés pour garantir les droits des Iraniens.

Quant à l’accord de gouvernement, monsieur De Smet, il est on ne peut plus clair quant à la position de ce gouvernement s’agissant de l’inscription des Gardiens de la révolution sur la liste des groupes terroristes de l’Union européenne.

Ellen Samyn:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Vandaag kijken we naar een regime dat niet alleen protesten bloedig onderdrukt, verantwoordelijk is voor tienduizenden gewonden en duizenden doden, maar ook systematisch probeert de waarheid te doden door het internet af te sluiten en elke vorm van informatie te blokkeren. Dat alleen al zegt veel over de omvang van wat er werkelijk gebeurt.

Diplomatieke gesprekken zijn noodzakelijk, maar ze mogen geen ritueel zonder gevolg worden. Wanneer jonge mensen worden doodgeschoten omdat zij vrijheid eisen, volstaat bezorgdheid niet meer. Dan is duidelijke internationale druk nodig. Desnoods moet België het voorbeeld geven. U kent mijn standpunt en dat van mijn partij, het Vlaams Belang: het Iraanse diplomatiek personeel moet worden uitgewezen en de terreurambassade van Iran in België moet desnoods worden gesloten.

Ik hoop dat u woord houdt, mijnheer de minister, en dat België binnen Europa blijft aandringen op een aanpak die verder gaat dan woorden: het handhaven van sancties, het benoemen van verantwoordelijkheden en het doorprikken van elke vorm van normalisering van dit regime.

Het Iraanse volk toont vandaag een moed die wij ons amper kunnen voorstellen. Het minste wat wij kunnen doen, is ervoor zorgen dat hun stem niet verdwijnt in stilte en dat zij weten dat wij hen niet zullen vergeten.

Ik besluit, collega’s, met mijn steun te betuigen aan mijn goede collega’s Darya en Sam, in deze voor hen onwezenlijke omstandigheden.

Sam Van Rooy:

Minister, ambtsgenoten, de meeste Iraniërs willen helemaal geen islamitisch regime. Terwijl wij hier debatteren, riskeren talloze moedige Iraniërs weer maar eens hun leven door op straat te gaan tegen de islamisering van hun land en beschaving. "Dood aan dictator Khamenei" en "Javid Shah", dat weerklinkt door de straten. Veel Iraniërs scanderen de naam van Reza Pahlavi. Zij snakken naar hulp van buitenaf.

Deze Iraniërs strijden niet alleen tegen de moorddadige en terroristische ayatollahs en de IRGC, maar ook tegen Hamas en Hezbollah, kortom, tegen de islamitische jihad die ook ons bedreigt. Zij verdienen dus niet alleen verbale steun, maar ook broodnodige hulp, militaire actie die de Verenigde Staten en Israël hopelijk snel zullen geven. Operation Rising Lion en Midnight Hammer waren subliem en krachtig, maar helaas niet genoeg. Het islamitische regime, belichaamd door de ayatollahs en de IRGC, dient te worden geëlimineerd. Dat is de enige taal die zij begrijpen.

Dit gezegd zijnde, laten opeenvolgende Belgische regeringen zich al decennia misleiden en manipuleren door zulke moslimfundamentalisten. Ook van deze tandeloze, laffe regering – zo blijkt ook vandaag weer – zal het helaas niet komen. In plaats van man en paard – of moet ik zeggen man en baard – te noemen, blijft het bij de typische politiek correcte dogma’s, wars van de weerbarstige realiteit op het terrein.

In plaats van de Iraanse ambassade te sluiten en iedereen die verbonden is met dit vijandige jihadistische regime het land uit te gooien, blijft het bij wat praatjes die helemaal geen indruk maken op deze meedogenloze jihadisten. De geschiedenis zal hier hard over oordelen. Lang leve Iran, Payandeh Iran!

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, u gebruikt het woord 'tragisch'. Het is inderdaad heel tragisch, met duizenden doden. Het standpunt van de regering is de mensenrechten te verdedigen, maar het Iraanse regime is sinds vrijdag uiterst gewelddadig. Er moet een tandje worden bijgestoken. Ik hoor dat u de Iraanse ambassadeur hebt ontvangen. Dat moet ook, maar aan wiens kant staat hij? Helpt ons dat iets? Dat is niet duidelijk.

De EU heeft het geweld veroordeeld en roept Iran op om de democratische rechten van de mensen te respecteren. U somde de sancties op die al werden genomen, maar u zei ook dat u en België voor meer sancties op Europees vlak zijn. Dat is nodig, want dat is de enige manier om mee te helpen om het Iraanse regime op de knieën te krijgen.

U zegt dat de sancties die al werden genomen een economische impact hebben gehad. Dat kan wel zijn, maar er moet niet enkel een economische impact zijn, de sancties moeten het huidige regime doen vallen. Dat moet het uiteindelijke doel zijn en daarvoor krijgt u onze steun. U zegt dat u binnen enkele dagen zult samenzitten met de EU over zwaardere sancties. Ik wil u vragen om daar niet mee te wachten, om veel sneller een apart overleg te hebben met de EU en dringend over te gaan tot zwaardere sancties die het regime wel voelt en die het kunnen doen vallen.

Ik wil besluiten met mijn steun te betuigen aan onze goede collega, mevrouw Safai, maar ook aan het Iraanse volk voor de moed die zij tonen om met gevaar voor hun eigen leven en dat van hun families toch op straat te komen. Wij zijn met hen. Er moet dringend iets worden gedaan om hen te helpen.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Collega's, bedankt voor jullie steun. Echt waar, ik apprecieer dat enorm en dat betekent veel voor mij.

Ook ben ik blij dat ik hoor dat u gewoon de mensen van Iran steunt. Het is ook heel belangrijk dat wij vanaf nu stilaan de democratische wil van de Iraanse bevolking beginnen te respecteren, met name regime change . Zij vragen niet meer. Hervorming, zij vragen niet meer. Verbetering, zij vragen gewoon om zich van deze monsters te kunnen vrijmaken.

Wij moeten dat erkennen, maar hoe kunnen wij dat doen? U zegt dat wij in België niet over de toekomst van de mensen in Iran kunnen beslissen. Negentig procent van de mensen zeggen dat zij dit regime niet meer willen. Wij kunnen wel zeggen dat wij dit regime niet meer erkennen. Dat is iets dat wij wel kunnen doen. Legitimiteit aan deze monsters geven, is absoluut verboden. Zij hebben in vier dagen tijd 12.000 mensen vermoord. Zij mogen geen legitimiteit meer krijgen. Zo simpel is het. Wij kunnen beginnen met de eisen van de Iraanse bevolking te legitimeren en te erkennen. Zij willen regime change . Daarna kunnen zij zelf beslissen wat ze willen. Dat kunnen wij niet in hun plaats doen.

Het is belangrijk dat wij weten dat de sancties effectief zijn, maar misschien zijn ze toch niet zo effectief als zou moeten. Wij kunnen misschien niet veel meer doen, maar als op vier dagen tijd 12.000 mensen worden vermoord, verwacht ik dat u de diplomatieke relaties bevriest of op een lager niveau zet, in de plaats van weeral legitimiteit aan een monster te geven, dat ons gewoon met bloedige handen de handen komt schudden. Dat is pijnlijk.

De IRGC op de terreurlijst zetten is een duidelijke signaal. Ik heb dat altijd gevraagd. Hadden wij dat eerder gedaan, dan waren ze misschien niet opnieuw met zoveel zelfvertrouwen zo veel mensen beginnen te vermoorden.

Wij moeten veel doen, nu. Dit is niet alleen hun strijd. Ik ben zo blij dat de collega's mij steunen. We zijn bijna unaniem. Hun strijd is een strijd tegen het islamisme, voor een betere toekomst voor de regio. Ik heb het al lang gezegd, wij kunnen, de Iraniërs kunnen, een ander Midden-Oosten schetsen, dat vreedzaam is, dat een bondgenoot is. Daar zijn zij mee bezig. Alle steun en alle hulp voor hen is welkom. Bedankt dat jullie dat ook willen doen.

Michel De Maegd:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse.

Vous nous l'avez malheureusement confirmé, ces derniers jours, un seuil extrêmement grave a été franchi, avec des milliers de morts, des exécutions sommaires. Cela marque une escalade tout simplement insupportable de la répression. Il y a donc plus qu'urgence à tout faire pour essayer d'empêcher que cela se poursuive. Il est donc essentiel que la Belgique, avec ses partenaires européens, porte une voix forte, profondément humaine, comme vous le faites d'ailleurs ici, qui condamne bien sûr avec force ces mises à mort et la répression, qui soutienne concrètement la société civile iranienne et qui rappelle que la violence d'État ne pourra jamais éteindre une aspiration légitime à la liberté et à la dignité.

Nous devons, je pense, aussi agir de manière responsable pour éviter toute escalade régionale, dont les premières victimes seront de toute façon les populations civiles.

Vous l'avez évoqué avec précision, les sanctions sont bien entendu une clé. Leur réévaluation au niveau européen est probablement très urgente.

Merci, monsieur le ministre, de faire tout ce qui est en votre pouvoir pour également aider nos 250 ressortissants qui sont coincés sur place en ce moment.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Il y a trop de morts et les Iraniens aspirent à la liberté et à vivre dignement. Ce pays est tellement riche par son histoire, par sa culture et il ne pourra vivre indéfiniment sous la tyrannie du régime des mollahs. Mais le peuple iranien ne pourra pas atteindre ses objectifs si une guerre extérieure vient à lui, par exemple si les États-Unis mettent leurs menaces à exécution. Et si l'Iran et l'ensemble de la région souhaitent la paix et la prospérité, il est plus que temps de continuer à œuvrer à la coopération et à enterrer la hache de guerre, la haine et les menaces.

Les Iraniens doivent être les seuls maîtres de leur avenir et personne d'autre. Un changement de régime est évidemment souhaitable pour les Iraniens et les Iraniennes, mais nous devons nous mobiliser pour que cela ne se fasse pas au prix de leur vie ou de leur avenir.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

In onze commissie voor Buitenlandse Betrekkingen hebben we de voorbije jaren het vreselijke gezicht van die schurkenstaat op verschillende manieren gezien: negen jaar gevangenschap van Djalali, de ontvoering van Olivier Vandecasteele, het doden van Mahsa Amini, de aanslag van Assadi en nu opnieuw de dodelijke repressie van het regime tegen de legitieme vragen en demonstraties van de Iraanse bevolking.

We moeten inderdaad méér tonen dan solidariteit. Een reactie moet krachtig zijn, zowel vanuit België als vanuit de Europese Unie. Sancties helpen. Dat is ook de reden waarom de Iraanse bevolking op straat is gekomen. De Iraniërs worden economisch gewurgd en nu ook fysiek gewurgd. Sancties moeten op die manier wel werken. Ik denk dan ook dat we binnen de Europese Unie op de meest krachtige manier moeten oproepen om meer sancties toe te passen.

Daarnaast zijn er legitieme vragen over de manier waarop we de diplomatieke kanalen openhouden. Misschien is daar inderdaad enige vorm van moderatie mogelijk, zonder daarbij informatie of bijstand voor onze Belgische bevolking ter plaatse of voor de noodlijdende Iraanse bevolking te verliezen. Een krachtig signaal is nodig om zowel het regime te sanctioneren als de democratische krachten in Iran te ondersteunen.

Nabil Boukili:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Je réitère ici le soutien au peuple iranien dans sa lutte pour sa liberté, pour ses droits, face à une répression violente et acharnée du gouvernement iranien. Comme tous les peuples, le peuple iranien a droit à sa liberté, à sa souveraineté. C'est aussi pour garantir cette souveraineté qu'il faut protéger le peuple iranien de toute ingérence étrangère pour d'autres intérêts que ses droits.

Les menaces proférées par M. Trump concernant une possible intervention en Iran sont dangereuses, d'abord pour le peuple iranien, mais aussi pour la stabilité de la région. Nous avons assez d'expérience – l'Afghanistan, la Libye, l'Irak, etc. – pour ne pas répéter les mêmes erreurs. Aujourd'hui, nous devons au peuple iranien de nous positionner clairement sur ce risque d'ingérence et d'invasion, mais nous devons aussi lui apporter tout le soutien et toute l'aide nécessaires dans sa lutte contre un régime autoritaire, qui mène une répression sans précédent. Je réitère tout le soutien et notre solidarité avec le peuple iranien.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het Iraanse volk is al sinds 1953 de speelbal van allerlei geopolitieke spelletjes. In 1953 werd de toen democratisch verkozen regering omvergegooid door een coup van de CIA, die de sjah aan de macht heeft gebracht wegens de olievoorraden. Klinkt dat bekend?

Daarna kwam het regime van de sjah, die dictatoriaal heeft geregeerd tot 1979. Duizenden politieke gevangenen werden gemarteld en vermoord. Klinkt dat bekend?

Vervolgens was er de revolutie van 1979, die uiteindelijk het huidige theocratisch regime aan de macht heeft gebracht, dat vandaag hetzelfde doet. Nog altijd wordt diezelfde bevolking haar democratisch recht om zichzelf te besturen op de meest brutale en mensenrechten schendende manier onderdrukt. Steeds opnieuw is de bevolking de speelbal in de hele cyclus.

Het komt ons toe om te kijken hoe we die cyclus kunnen doorbreken. Dat gebeurt niet door heel forse avonturen en niet door zelf in te grijpen met zware woorden. In de regio hebben we immers al gezien dat dat niet altijd tot het succes heeft geleid dat we wilden. Dat kan wel door nu na te denken over hoe we het vacuüm dat dreigt te ontstaan, kunnen ombuigen naar een democratisch nieuw bestel en een ander regime, dat gebaseerd is op de wil van het volk dat in Iran zelf leeft.

Op korte termijn moeten we ervoor zorgen dat het geweld stopt en dat het middenveld, de mensenrechten en de mensenrechtenorganisaties worden geholpen, zodat het recht op protest op een democratische manier kan leiden tot een recht op een democratisch regime.

Sandro Di Nunzio:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het spreekt voor zich dat ik enorm veel bewondering heb voor alle mensen in Iran die op straat komen en opkomen voor hun rechten. Ze streven democratische rechten na, die we in ons land en in Europa als vanzelfsprekend beginnen te beschouwen, soms zelfs te vanzelfsprekend. Wanneer we soms het gevoel hebben dat we hier en daar wat opschuiven en onze rechten op bepaalde momenten te grabbel gooien, dan moeten we dergelijke strijdvaardige bewegingen in gedachten houden. Het is ongelooflijk belangrijk dat we ons bewust zijn van wat voor ons hier gewoon is, terwijl dat voor mensen in Iran totaal niet gewoon is, integendeel. In die zin is het uiteraard zeer goed dat u nieuwe en meer verregaande sancties wilt uitvaardigen. Ik heb begrepen dat de Foreign Affairs Council pas over twee weken samenkomt. Mijn vraag of oproep is om daar dringend werk van te maken. Ik hoop dat het geen twee weken hoeft te duren, want van president Trump horen we “ help is on the way ”, bij wijze van spreken, as he pleases , vanaf het moment dat hij eraan denkt. Wij moeten door een lastige Europese mallemolen gaan, maar ik hoop dat u daar vaart mee kunt maken en sneller kunt schakelen, want het regime kent maar één taal, en dat is de taal van de harde sancties. Ik hoop dat u met ons land het voortouw zult nemen, zodat we niet op de achtergrond blijven. De Europese Unie moet snel en eendrachtig handelen. L'union fait la force . De voorzitster : De heer De Smet wenst niet meer te reageren.

De administratieve rompslomp voor het politiepersoneel

Gesteld door

MR Victoria Vandeberg

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Victoria Vandeberg signale dat politieagenten gefrustreerd raken door een groeiende administratieve last en het gebrek aan zichtbaar gevolg van hun werk in de strafrechtelijke keten, wat hun motivatie en operationele inzet ondermijnt. Minister Annelies Verlinden wijst op structurele verbeteringen sinds 2015, zoals het Research Management (REM) en het digitale tool Itinera 2 (realtime dossierspoor tussen politie en justitie), die dubbel werk moeten verminderen en transparantie vergroten – met een aanstaande circulaire om dit verder te verankeren. Vandeberg betwijfelt of deze maatregelen voldoende zullen aansluiten bij de ervaren klachten van agenten, maar wacht de uitvoering af. Het hoofdpunt blijft de spanning tussen politie-ervaringen (overbelasting, zinloosheid) en justitiële stelselhervormingen (efficiëntie, digitalisering).

Victoria Vandeberg:

Madame la Ministre,

Lors de nos récents échanges avec plusieurs collèges communaux et zones de police, un constat revient de manière insistante et préoccupante : le sentiment croissant, parmi les policiers, de travailler sous une charge administrative toujours plus lourde… pour des résultats perçus comme trop faibles.

Beaucoup nous indiquent consacrer une part croissante de leur temps à des tâches administratives, au détriment du travail opérationnel. Beaucoup s’interrogent sur le suivi judiciaire réel de leurs dossiers et ont parfois l’impression que leur travail ne sert à rien. Cette impression que leurs efforts n’aboutissent pas ou ne sont pas pris en compte génère frustration, perte de sens et un découragement préoccupant, avec des conséquences directes sur la motivation des équipes et, plus largement, sur l’efficacité de la chaîne pénale.

Madame la Ministre, dès lors :

Comment votre département évalue-t-il aujourd’hui l’articulation entre police et justice, en particulier en ce qui concerne le traitement judiciaire des dossiers transmis par les services de police et la perception d’un manque de suivi

Quelles mesures envisagez-vous pour améliorer la visibilité et la transparence du suivi judiciaire des dossiers, afin que les policiers puissent percevoir l’impact concret de leur travail sur la chaîne pénale ?

Dans le cadre strict des compétences de la Justice, des simplifications procédurales ou adaptations organisationnelles sont-elles à l’étude pour alléger la charge administrative liée au volet judiciaire et permettre aux policiers de consacrer davantage de temps à leurs missions opérationnelles ?

Merci​

Annelies Verlinden:

Collègue Vandeberg, l'articulation entre la police et la justice, en particulier en ce qui concerne le traitement judiciaire des dossiers, me semble évoluer favorablement, et ce, depuis 2015 déjà. En effet, cette année s'est caractérisée par le lancement d'un management de la recherche (REM) auprès de la police fédérale judiciaire, et ensuite par la justice. Plus récemment, la police locale a rejoint la démarche.

Le 14 octobre 2024, une directive visant la rationalisation des processus de travail opérationnels et administratifs liés aux missions de la police judiciaire a aussi été adoptée. Ces dernières années, de nombreux investissements ont été effectués dans le cadre du développement du management de la recherche. Ce REM envisage justement la cohérence entre les investissements de la police, d'un côté, et les efforts et les besoins de la justice, de l'autre.

Au début de l'année passée, un outil, Itinera 2, a été approuvé et adopté par la justice à cette fin. Cet outil permet d'échanger en temps réel entre les services de la police et de la justice. Cet échange offre une vue exacte et transparente de l'état des dossiers au sein de la justice et des résultats de la poursuite. L'utilisation de cet outil et l'élargissement du management de la recherche font l'objet d'une circulaire du Collège des procureurs généraux, qui sera finalisée dans les semaines à venir. Le processus décrit a – et aura encore plus – l'effet d'optimiser le travail de recherche, d'éviter du travail double ou inutile et d'orienter les efforts en fonction des besoins et du traitement envisagé des dossiers.

Victoria Vandeberg:

Je vous remercie pour votre réponse et j'espère évidemment que cela pourra répondre aux besoins et aux questionnements des policiers, qui ont l'impression que leur travail opérationnel passe au second plan à cause de cette surcharge administrative au niveau de la justice. J'attendrai les résultats et la suite avec impatience.

Het digitaliseringsproject i-Police
Het project i-Police
De verbreking van een miljoenencontract voor een digitaliseringsproject bij de politie
Het i-Policedossier
De stopzetting van het i-Policeproject
De Focus-app
Het i-Policeproject
De stopzetting van i-Police
De i-Policepilootprojecten
Het opzeggen van het contract met Sopra Steria inzake i-Police
Stopzetting en gevolgen van het i-Police digitaliseringsproject bij de politie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het i-Police-debat draait om het mislukte digitaliseringsproject (299 miljoen budget, 75 miljoen verspild) dat minister Quintin stopzette na systeemfalen, slechte governance, onrealistische budgetten (bv. fictieve personeelskredieten) en contractuele misbruiken (automatische facturatie door Sopra Steria, nutteloze licenties voor 24 miljoen). Kritiek richt zich op voorgangers Jambon (cd&v) en Verlinden (geen actie ondanks waarschuwingen, o.a. Deloitte-audit 2023) en vermoedens van doofpotcultuur (agenten mochten geen PV’s opstellen, rapporten verdwenen). Quintin bevestigt juridische stappen om geld terug te vorderen, kiest voor kleinschalige, modulaire digitalisering (bv. Focus-app, ANPR-camera’s) en belooft transparantie (parlement krijgt toegang tot rapporten, mits juridische beperkingen), maar ontwijkt politieke schuldvragen. Oppositie eist hoorzittingen (Jambon/Verlinden), Rekenhof-audit en duidelijke alternatieven voor de achterstand in politiedigitalisering.

Voorzitter:

Uiteraard kunnen de andere commissieleden zich aansluiten bij dit actualiteitsdebat.

François De Smet:

Monsieur le ministre, quelle incroyable gabegie que ce projet i-Police, dont des détails supplémentaires viennent d'être divulgués aujourd'hui même dans la presse! Nous parlons donc d'un projet qui engloutit 75 millions d'euros de fonds publics sur les 299 millions prévus. Cette hémorragie est, vous en conviendrez, très difficile à faire admettre en ces temps où votre gouvernement demande de gros efforts à la population. L'enquête révèle que ce fiasco n'est pas seulement dû à une incapacité technique, mais bien à une faillite systémique de gouvernance et de contrôle.

Dressons-en le bilan: un financement fantaisiste; un budget prévisionnel qui reposait sur des hypothèses irréalistes – notamment une enveloppe de 80 millions d'euros provenant d'une prétendue sous-utilisation de crédits de personnel, qui s'est avérée inexistante –; des clauses contractuelles complètement déséquilibrées, puisque le contrat permettait à Sopra Steria de facturer automatiquement un quarante-huitième de 80 % du montant de chaque projet entrepris, quel que soit l'état d'avancement véritable des travaux; des achats inconsidérés (entre fin 2021 et l'été 2024, la police a dépensé 24 millions d'euros en licences technologiques, dont 6 millions pour un logiciel canadien jugé totalement inutile et inadapté, après coup); une perte de maîtrise technique (le rapport confidentiel du commissaire général É ric Snoeck indique que le prestataire ne maîtrisait même pas le fonctionnement de la Banque Nationale Générale, contraignant ainsi la police à reprendre elle-même ce projet crucial). Et puis, comme souvent au fédéral, on note une dépendance excessive aux consultants. L'enquête pointe en effet une dépendance malsaine envers des consultants externes, soulevant dès lors des soupçons de conflit d'intérêts.

Monsieur le ministre, s'agissant de la responsabilité financière, comment le gouvernement fédéral précédent a-t-il pu valider un plan de financement reposant sur 80 millions d'euros de crédits de personnel fantôme? Confirmez-vous l'existence de clauses contractuelles de facturation automatique? Pour le gaspillage des licences, quelle est la valeur résiduelle des 24 millions d'euros de licences achetées? Le commissaire général É ric Snoeck aurait alerté le gouvernement en septembre 2024 du caractère triplement confidentiel des rapports. S'agissant de conflits d'intérêts, quelles sont les conclusions définitives de l'analyse interne portant sur le rôle du chef de projet? Enfin, pour la récupération des fonds, au-delà du refus de payer les factures pendantes d'avril à juillet 2024, quelle est la somme exacte que vous pouvez, que nous pouvons espérer récupérer au moyen d'actions en justice pour inexécution ou faute grave du prestataire?

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, 75 millions d’euros partis en fumée, cinq années de chantier pour aucun outil opérationnel et un fiasco aux conséquences dramatiques. Si je reprends les propos de votre cabinet dans le journal Le Soir d'aujourd'hui vous parlez d’une "hémorragie à stopper". La question que nous sommes toutes et tous en droit de nous poser est la suivante: qui est responsable de ce fiasco? Qui en porte la responsabilité? Est ‑ ce M. Jambon   ? Est ‑ ce Mme Verlinden   ? Ces questions sont l é gitimes, et nous avons droit à des réponses.

Dans votre note de politique générale 2025, vous évoquez une évaluation, et non un abandon. Je rappelle que ce projet avait été lancé par Jan Jambon il y a maintenant presque dix ans. Fin décembre – cadeau de Noël oblige –, vous avez annoncé la fin de ce projet.

Dans cette interview, vous êtes d’ailleurs sans ambiguïté: vous justifiez cet abandon par de graves lacunes dans l’exécution du marché public et par des résultats largement en deçà de vos attentes, ou plutôt de celles du gouvernement. Nous sommes donc face à un constat d’échec, avec 75 millions d’euros perdus sur les 300 millions initialement prévus.

Monsieur le ministre, d'autres questions me taraudent: quel lien peut ‑ on é tablir entre ce projet et le projet Focus? Quel a é t é le r ô le de la zone de police d ’ Anvers dans ce projet Focus? Qui en a assur é la gestion? Qui en a tir é les b é n é fices? Pouvez ‑ vous faire le point sur la mani è re dont s ’ est d é roul é e cette é valuation et sur ce qui vous a pr é cis é ment conduit à abandonner ce projet, au ‑ del à de l ’ aspect budg é taire? À défaut de ce projet, quelles sont les autres solutions informatiques envisagées pour répondre aux besoins opérationnels de la police fédérale et de la police intégrée de manière générale?

Par ailleurs, monsieur le président, je vous annonce d’ores et déjà que, quelle que soit la réponse du ministre, mon groupe demandera que M. Jan Jambon et Mme Verlinden soient auditionnés devant cette commission afin que nous obtenions des réponses à nos questions.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, in de pers werd uitvoerig bericht over het feit dat België een miljoenencontract voor het belangrijke digitaliseringsproject bij de politie i-Police heeft verbroken. Het project moest bijdragen tot de modernisering van onze politiediensten, onder meer door efficiëntere gegevensverwerking, betere informatie-uitwisseling en een vermindering van administratieve lasten voor de politiemensen op het terrein. Helaas is daar heel weinig, om niet te zeggen niets, van in huis gekomen.

Dat een dergelijk strategisch en kostelijk IT-project voortijdig stopgezet wordt; roept natuurlijk heel veel vragen op. In een context waarin politiediensten net kampen met personeelstekorten en toenemende veiligheidsuitdagingen, op een moment dat van iedereen inspanningen gevraagd worden omdat de financiële toestand van ons land ons daartoe dwingt, is dat bijzonder problematisch. Ik heb daarom enkele vragen voor u, mijnheer de minister.

Kunt u toelichten waarom werd beslist om dit contract te verbreken en welke concrete tekortkomingen of problemen aan de basis lagen van die beslissing?

Op welk moment in het traject werd vastgesteld dat het project niet langer houdbaar was en welke waarschuwingen of evaluaties zijn hieraan voorafgegaan?

Wat is er fout gelopen? Hoe is het zo kunnen escaleren?

Hebt u ter zake contact gehad met de voormalige ministers van Binnenlandse Zaken? Waren de problemen toen ook al bekend? Zitten jullie op dezelfde lijn?

Wat zijn de totale financiële kosten die reeds werden gemaakt voor dit project, inclusief eventuele schadevergoedingen, verbrekingsvergoedingen of verloren investeringen?

Werden er binnen de federale administratie of bij de politiediensten verantwoordelijkheden vastgesteld inzake projectopvolging, governance of controle en zo ja, welke lessen worden hieruit getrokken?

Welke impact heeft het stopzetten van dit project op de werking van de federale en lokale politiediensten, op de lopende digitaliseringsinitiatieven en op de werkdruk van politiemensen op het terrein?

Tot slot, bestaat er een plan B of een alternatief traject om de noodzakelijke digitalisering alsnog te realiseren? Binnen welke termijn verwacht u concrete resultaten?

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik heb drie maanden geleden een schriftelijke vraag gesteld over i-Police. Na drie maanden wacht ik nog altijd op een antwoord. Ik heb die vraag gesteld omdat ik uiteraard geïnformeerd ben over wat daar is gebeurd. Er zijn duizenden uren aan consultancy gefactureerd zonder dat daar ook maar één prestatie tegenover stond. De grendels die in het contract stonden, zijn op vraag van de politie verwijderd. Die grendels moesten ervoor zorgen dat het contract bij niet-oplevering in een vroeg stadium al zou worden getemporiseerd.

Enerzijds lees ik dat het om een bedrag van 78 miljoen euro gaat. Anderzijds lees ik vanmiddag bij de heer Verschaede in W16 dat we misschien wel 200 miljoen euro kwijt zijn. U hebt eerder in de commissie beloofd dat het Parlement inzage zou krijgen zodra het rapport beschikbaar zou zijn.

Mijn eerste vraag is dus of we daadwerkelijk inzage krijgen. Voor mij is dat niet nodig, maar ik vraag het voor een vriend. Dit is het auditrapport van 11 februari 2024 die toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Verlinden kreeg van de commissaris-generaal. Hoe zullen wij dat rapport officieel ontvangen? Ik denk dat de collega’s daarin geïnteresseerd zijn.

Mijn tweede vraag is of het nu om 78 miljoen euro gaat, dan wel om 200 miljoen euro.

Ten derde, klopt het dat er agenten hebben gezegd dat zij een proces-verbaal zouden opmaken over wat er is gebeurd? Die agenten zouden, volgens onze informatie, een verbod hebben gekregen om een proces-verbaal op te maken over de zaken die verkeerd liepen bij i-Police. Verschillende getuigen bevestigen dat.

Mijn volgende vraag is wat de nieuwe aanpak is. Hoe zult u dat nu oplossen? U hebt gezegd dat u het project stillegt, maar hoe zult u het vervolgens oplossen?

Een andere vraag is hoe we het bedrag dat te veel werd betaald, zullen terugkrijgen. Wij zijn als belastingbetalers gewoon opgelicht. Als men wordt opgelicht, zeker wanneer de politie wordt opgelicht, moet men toch de ambitie hebben om dat geld te recupereren.

Mijn laatste vraag is dan ook wie hiervoor verantwoordelijk is. Bent u dat als minister? Of is dit volledig toe te schrijven aan mevrouw Verlinden, met opnieuw een dossier waarin zij haar werk niet heeft gedaan?

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, vous avez récemment décidé de résilier le marché public relatif au projet i-Police, ce vaste programme de numérisation intégrée de la police fédérale, lancé en 2017 et doté d’un budget de 299 millions d’euros. À ce jour, 75 millions d’euros ont déjà été déboursés, alors que les résultats attendus ne se sont pas matérialisés.

Selon les informations communiquées par votre cabinet et par la police fédérale, cette décision fait suite à une évaluation approfondie du marché public, prévue explicitement dans votre note de politique générale d’avril 2025 et menée dès votre entrée en fonction. Cette évaluation aurait mis en évidence de graves lacunes dans l’exécution du marché, des livraisons non conformes et l’incapacité du prestataire à mener à bien plusieurs sous-projets, dont certains avaient déjà été suspendus dès le mois de mai.

Je rappelle qu’un rapport de Deloitte, datant de 2023, avait déjà pointé des défaillances importantes dans la gouvernance, le pilotage et l’exécution du projet i-Police. Or, malgré ces signaux d’alerte clairs, aucune réaction structurelle ni décision corrective majeure ne semble avoir été prise à l’époque par votre prédécesseur, ce qui est vraiment regrettable.

Monsieur le ministre, pouvez-vous préciser les principales lacunes et les manquements constatés? Quelles démarches ont-elles été engagées afin de récupérer tout ou partie des 75 millions d’euros déjà déboursés? Quel montant estimez-vous pouvoir récupérer et selon quel calendrier? Quelle sera l’affectation du solde des crédits initialement prévus pour le programme i-Police et encore disponibles? Ces moyens seront-ils intégralement réalloués à la modernisation numérique de la police? Pouvez-vous détailler la nouvelle approche que vous entendez adopter en matière de numérisation? Quels sont les projets déjà opérationnels ou en cours, et quel est l’agenda précis pour leur déploiement et leur évaluation? Enfin, quelles garanties concrètes pouvez-vous apporter pour éviter que des alertes précoces, comme celles formulées en 2023, ne restent à l’avenir sans suite?

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, i-Police se voulait la pierre angulaire de la transformation numérique de la police. Finalement, c’est un véritable fiasco. Je pense que l’ensemble des éléments qui sont sortis encore aujourd’hui dans la presse permet de l’attester. L’objectif était d’améliorer l’efficacité du travail de la police, des enquêtes et des interventions. Le budget était estimé à l’époque à 300 millions d’euros.

Déjà en 2023, comme certains collègues l’ont évoqué, un premier rapport de Deloitte mettait en avant de graves difficultés, des retards importants, des dépassements budgétaires déjà attestés à l’époque, ainsi que des problèmes de gouvernance, relayés par la presse.

À la suite d’une évaluation commandée par vos services, vous avez décidé de mettre un terme à ce projet. Mes questions font suite aux questions écrites posées par ma collègue Mme Ramlot.

Quels sont les impacts réels de la résiliation du contrat conclu avec Sopra Steria, tant en matière de coûts que de logiciels ou prestations déjà réalisés? Vous avez évoqué la possibilité de récupérer une partie des 75 millions d’euros déjà dépensés, mais comment et selon quel calendrier? Il serait utile, à mon sens, que le Parlement puisse disposer officiellement du rapport d'évaluation pour pouvoir en prendre connaissance de manière complète.

Les questions sur le passé et sur les responsabilités dans ce dossier sont importantes, mais qu'en est-il, surtout, de l'avenir. Quelle est la suite? Le plus important est peut-être ce que l'on va faire pour assurer la transformation numérique de la police. Ce projet a fait perdre beaucoup de temps et d'efficacité à nos services de police. Il est donc temps de proposer une solution alternative.

J'ai également une autre question, portant sur l'application Focus, également mise en avant par M. Chahid. L’application Focus, développée initialement par la zone de police d’Anvers, est une application visiblement efficace puisqu'elle est aussi utilisée dans ma zone de police. Elle permet aux agents d’accéder rapidement et de manière sécurisée à des informations opérationnelles essentielles qui permettent d'accélérer les opérations sur le terrain. Il apparaît toutefois que cette application serait liée au périmètre de i-Police. La question des conséquences pour l'application Focus de la résiliation du contrat i-Police se pose donc.

Pouvez-vous préciser combien de zones de police ont aujourd'hui recours à l'application Focus? La résiliation du contrat i-Police aura-t-elle un impact sur l'application Focus? Pouvez-vous nous rassurer à cet égard? Pouvez-vous par ailleurs nous fournir les informations budgétaires sur les moyens mobilisés par l'État, tant en matière de développement qu'en matière de maintenance et d'exploitation, pour l'application Focus développée par la zone de police d'Anvers?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, digitale transformaties lopen bij de overheid zelden van een leien dakje. Wat we bij de federale politie en i-Police hebben gezien, tart echter alle verbeelding. De voorbije jaren werd heel veel geïnvesteerd in de informatiehuishouding van de politie, maar de verwachte resultaten bleven uit. i-Police is het schoolvoorbeeld van een mislukte digitalisering. Het geïnvesteerde geld is gewoon in rook opgegaan. Dat lijk valt niet meer te reanimeren. Dat is geen nieuw verhaal, het is het verhaal dat ik op 17 juni 2025 in de commissie heb gebracht. Ik heb u toen een tienpuntenplan voorgesteld. Dat onderdeel ging over digitalisering.

Mijnheer de minister, voor de kerstvakantie, op 17 december 2025, stelde ik u opnieuw een vraag over het project i-Police, omdat onze partij al zeer lang veel vragen stelt bij dat project en de vele miljoenen euro's – en elk miljoen is er een te veel – die aan dat project zijn verspild. Toen antwoordde u dat u nog even zou evalueren. De week nadien hebt u gecommuniceerd dat u het project had stopgezet. Het is jammer dat we toen van u niet hebben vernomen dat het project na twee evaluaties eigenlijk ten dode was opgeschreven en dat u het inderdaad moest stopzetten.

Ik heb onlangs, net zoals u, veel nieuwjaarsrecepties bijgewoond, waarop bleek dat veel ingewijden met dit soort van dossiers verveeld zitten, omdat ze de geloofwaardigheid van de politie opnieuw onderuithalen. Ze spraken de hoop uit dat eindelijk een volgende stap naar de toekomst kan worden gezet. De digitalisering van de politiediensten is immers cruciaal. Het is essentieel dat de mensen op het terrein kunnen rekenen op een performant systeem dat hun gemakkelijk alle informatie geeft die zij nodig hebben.

Ik heb zelf op het terrein gestaan. Ook bij ons, bij de Dienst Vreemdelingenzaken, was informatie op het terrein zeer moeilijk toegankelijk en enkel telefonisch verkrijgbaar. Dat is absoluut niet meer van deze tijd. Daarom is het belangrijk om op de juiste projecten in te zetten. In Antwerpen heeft men met het project Focus bewezen dat het wel degelijk kan. Het is dus niet onmogelijk, maar het moet op de juiste manier worden aangepakt, met de juiste partners.

Daarom heb ik heel wat vragen voor u ingediend. Het is belangrijk dat wij nu eindelijk correcte cijfers van u krijgen en dat u die nog eens bevestigt, want in de pers lezen we telkens verschillende bedragen.

Ik vraag u daarom ook om ons opnieuw een duidelijke tijdslijn te geven, zodat helder wordt wat wanneer is beslist en hoe u binnen uw bevoegdheid bent opgetreden.

U hebt aangegeven dat u dit project nu definitief stopzet. Hoe kijkt u naar de toekomst van dit soort digitaliseringsprojecten? Dat lijkt ons het belangrijkste punt. We moeten uiteraard ook naar het verleden kijken, onder meer met betrekking tot de dading of wat er eventueel nog volgt. Dat is eveneens een expliciete vraag van mijn kant.

Hoe zal het verdere verloop eruitzien? Daarnaast is het van belang hoe we dit voortaan op een correcte manier aanpakken voor de mensen op het terrein. Voor ons had het project sneller mogen worden stopgezet. Ik herhaal dat er twee evaluaties zijn geweest.

Ook tijdens de vorige legislatuur is hierover heel wat informatie opgevraagd. Ik maakte daar toen geen deel uit van het federale Parlement, maar ook vanuit onze fractie zijn destijds verschillende vragen gesteld.

Verder had ik u vragen gesteld over de verschillende lopende pilootprojecten. Ik zou graag ook daarop een antwoord krijgen, aangezien ik die punten expliciet in een tweede vraag heb aangekaart.

Tot slot verwijs ik, mijnheer de voorzitter, naar de twee ingediende vragen met het verzoek die aan het verslag van deze commissie toe te voegen.

Kan u meedelen op welke tijdstippen Sopra Steria in gebreke werd gesteld en het contract verbroken? Kan u ook meedelen op welke gronden die stappen werden ondernomen? Werd er een schadevergoeding geëist en dewelke? Hoe ziet u het verdere verloop?

Kan u opsommen waarvoor en wanneer er hoeveel werd uitbetaald aan de firma? Hoe werden die uitgaven geëvalueerd? Welke opdracht kreeg de externe programmamanager? Waarom liep dat niet goed af? Hoeveel werd er daarvoor betaald? Kan u verklaren hoe dit project nog tweeënhalf jaar werd voortgezet terwijl de resultaten uitbleven? Hoe verliep de begeleiding door de stuurgroep al die tijd? Waarom moest het project I-Police het afgelopen jaar nogmaals worden geëvalueerd?

Kan u de historiek van die pilootprojecten concreet toelichten? Vanaf wanneer werd duidelijk dat die geen concrete resultaten zouden opleveren? En waarom?

Kan u bevestigen dat de data van de ANG nooit werden gemigreerd? En dat die nog steeds op het oude mainframe draait? Waarvoor we jaarlijks 13 miljoen euro uitgeven? Komt er een nieuwe ANG tegen 2027? Wat is het plan op dat vlak?

Hoe zag de volledige implementatiekalender voor 2024 en de volgende jaren er uit? Net als de financiële kalender? Kan u toelichten wat er in 2024 en 2025 is gebeurd? Hoe verklaart u dat er nooit resultaten zijn geboekt?

Paul Van Tigchelt:

Monsieur le ministre, merci pour votre présence ici. Ik heb er alle vertrouwen in dat u zo volledig en transparant mogelijk zult antwoorden op deze belangrijke vragen. We zullen nu al moeten nadenken over een vervolg op deze vergadering, want uw antwoorden zullen ongetwijfeld nieuwe vragen oproepen en ook al die vragen zullen beantwoord moeten worden. Het afgevoerde digitaliseringsproject van de politie heeft zeer veel belastinggeld gekost en daarom moet duidelijkheid worden verschaft over wie in het verleden waarvoor verantwoordelijk was, ongeacht of dat de politie of de politiek betreft.

Sommige collega's stonden al stil bij het bedrag van 75,8 miljoen euro voor dat project, maar volgens sommige bronnen gaat het om veel meer en ik ben geneigd om eerder die bronnen te geloven, want ik vermoed dat de totaalprijs veel meer dan die 76 miljoen euro bedraagt.

Dat project betreft onze veiligheid. De politie klaagt over een personeelstekort, maar net door een performante digitalisering kan voor meer blauw op straat worden zorgen. Een politieagent besteedt tegenwoordig gemiddeld een derde van zijn of haar tijd achter een bureau, terwijl i-Police juist als doel had om politieambtenaren van achter hun bureau op straat te krijgen.

Naast onze veiligheid gaat over geld van de belastingbetaler. De mislukte digitaliseringsprojecten van Justitie uit het verleden, zoals Mammoet, Cheops en Phenix, verdwijnen bij wijze van spreken in het niet in vergelijking met de bedragen die aan i-Police zijn besteed.

Ik wens nogmaals te beklemtonen dat de problemen met i-Police nu niet plots uit de lucht komen vallen. Zowel de federale als de lokale politie hebben in de eerste plaats al vele alarmsignalen gegeven en kritiek geuit.

Voorzitter:

Mijnheer Van Tigchelt, wilt u afronden?

Paul Van Tigchelt:

Dit is te belangrijk.

De vraag is ook welke gevolgen werden gegeven aan de audit van Deloitte van april 2023, die ook niet zonder reden werd besteld. Het is ook veel te kort door de bocht om er een tegenstelling tussen de federale politie en de politiezone Antwerpen, de PZA, van te maken. Het is immers een feit dat het digitaliseringsproject van de PZA wel degelijk resultaten opleverde. We mogen dit dus niet herleiden tot een discussie tussen de federale politie en de politiezone Antwerpen.

Mijnheer de minister, tot slot wil ik u oprecht feliciteren met uw beslissing. Politiek bedrijven betekent soms met de neus in de wind gaan staan en dat doet u met deze beslissing.

Ik denk dat u een moedige keuze hebt gemaakt. U zult in ieder geval uitleggen hoe u daartoe bent gekomen.

Mijnheer de voorzitter, ik houd mijn vragen kort.

Mijnheer de minister, hoeveel heeft het project i-Police tot nu toe precies gekost?

Voorzitter:

Mijnheer Van Tigchelt, ik stel voor dat u bij een volgende gelegenheid een interpellatie indient, want dan hebt u meer spreektijd. Ik moet de spreektijd van elk lid respecteren. Als elk lid zijn spreektijd zomaar zou verdubbelen, dan kunnen we vandaag slechts één actualiteitsdebat houden. Ik verzoek u om u, zoals uw collega’s, te houden aan de reglementair vastgelegde spreektijden. Mag ik u vragen af te ronden?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, hoe hebt u bij uw aantreden het dossier ontvangen van uw voorganger? Wat is er gebeurd met de alarmsignalen? Wat zult u ondernemen om volledige duidelijkheid te krijgen in het dossier? Tot slot, wat moet de belastingbetaler volgens u denken van het dossier?

Mijnheer de voorzitter, mijn excuses, maar met mij hebt u niet te veel last in deze commissie. Het voorliggende dossier is echter te belangrijk.

Voorzitter:

In dat geval had u een interpellatie moeten indienen om meer spreektijd te krijgen.

Zijn er collega’s die willen aansluiten bij de vraagstelling?

Greet Daems:

Mijnheer de minister, we horen hier vaak dat er geen middelen beschikbaar zijn, maar in dit dossier stel ik vast dat er miljoenen euro’s door ramen en deuren zijn weggegooid. Het gaat om een monstercontract voor i-Police ter waarde van 299 miljoen euro, waarvan pas na vijf jaar blijkt dat het niets oplevert. Dat moet worden opgehelderd.

De burgers zijn bovendien tweemaal het slachtoffer van dat bijzonder pijnlijke fiasco. In de eerste plaats zijn zij degenen die uiteindelijk de rekening zullen betalen. Daarnaast had i-Police het politiewerk moeten vergemakkelijken om de samenleving en dus de burger beter te beschermen.

Ik hoor hier partijen die terecht verontwaardigd zijn over het feit dat geld niet correct is besteed. Sommigen liggen echter zelf mee aan de basis daarvan. Het was immers de heer Jambon die het project destijds lanceerde. Mevrouw Verlinden zette het project voort zonder zich erom te bekommeren of het wel werkte en zonder de nodige middelen te voorzien om het te laten functioneren. Dat roept heel wat vragen op.

Mijnheer de minister, kunt u ons inzage geven in de evaluatie die u hebt laten uitvoeren over i-Police? Hoe schat u de kans in om het uitgegeven geld terug te vorderen bij de Franse consultant? Hoe wilt u de verloren tijd op het vlak van digitalisering bij de politie inhalen?

Los van de antwoorden die u zo dadelijk zult geven, wil ik benadrukken dat het voor ons noodzakelijk is dat he Rekenhof een audit uitvoert en dat er hoorzittingen worden georganiseerd in de Kamer. Dit mag zich immers niet opnieuw voordoen. Er mogen geen miljoenen meer worden uitgegeven aan buitenlandse consultants. Digitalisering is noodzakelijk, maar dan wel in publieke handen, transparant en ten dienste van de mensen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, in dit actuadebat wens ik eveneens aan te sluiten bij de vraagstellers. Met uitzondering van cd&v denk ik dat elke fractie het woord heeft gevraagd.

Van het totale budget van 299 miljoen euro werd reeds 75,8 miljoen euro betaald aan de Franse IT-ontwikkelaar Sopra Steria, maar dus zonder resultaat.

Mijnheer de minister, welke concrete gevolgen heeft dat voor de huidige en de toekomstige operationele werking van de federale politie? Kunt u verduidelijken hoe we die uitgekeerde miljoenen euro's zullen terugvorderen? De belangrijkste vraag is misschien wel wie de politieke verantwoordelijkheid draagt voor dat falend projectbeheer.

U hebt intussen aangekondigd om meer in te zetten op kleinschalige, modulaire projecten en interne IT-diensten. Welke garanties kunt u geven dat die nieuwe aanpak wel resultaten zal opleveren? Hoe zult u het tijdspad, het budget en de verantwoordelijkheidsstructuur voor die nieuwe projecten vastleggen? Hoe kan het Parlement dat nieuw project transparant opvolgen?

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, permettez-moi tout d’abord de présenter mes meilleurs vœux à celles et ceux d'entre vous à qui je n’aurais pas encore eu l’occasion de le faire.

Comme vous le savez toutes et tous, l’objectif d’i-Police était de mettre en place une solution informatique via un programme global et une obligation de résultats. Ce projet – cela a été rappelé par certains d’entre vous – a été préparé en 2017 et signé en 2021.

La société à laquelle le contrat a été attribué avait pour rôle et responsabilité d’intégrer les différents éléments de cette solution, tant sur le plan du logiciel que sur le plan du projet, afin de former un ensemble fonctionnel. Il est constaté qu’après toutes ces années, aucune partie opérationnelle de la solution n’est disponible.

Ik kan mij maar moeilijk uitspreken over de disfuncties die in het programma werden vastgesteld voorafgaand aan mijn aantreden of verantwoordelijkheden die al dan niet hadden moeten worden opgenomen. Ik weet uiteraard dat er audits door Deloitte en door mijn voorganger werden georganiseerd. De audit door Deloitte werd overigens reeds toegelicht en besproken in de Kamer.

Aangespoord door de gemengde signalen die over het programma naar buiten kwamen, heb ik bij mijn aantreden onmiddellijk aan mijn kabinet gevraagd om dit dossier op te nemen en de in het regeerakkoord beschreven grondige evaluatie te laten uitvoeren. Evalueren betekent echter niet dat het programma helemaal stopgezet kan worden. Er werd gekozen om vier projecten te laten voortlopen, terwijl de kernelementen van het programma geëvalueerd werden.

De module FOCUS, de toepassing voor de lokale politie op het terrein, maakte geen deel uit van de overheidsopdracht, maar er was wel een integratie voorzien.

Pour répondre à votre question précise, monsieur Dubois, Focus est utilisé par toutes les zones de police et tous les services de la police fédérale.

Andere kernelementen zijn de datamigratie van de ANG, die in elk geval moet gebeuren; het ontwikkelen van een casemanagementsysteem voor de dienst Internationale Betrekkingen, waarvoor een Europese verplichting geldt, het ter beschikking stellen van een aantal softwarelicenties. Dat zijn de vier projecten. De overige krachtlijnen van het contract zijn in april bevroren, terwijl de evaluatie werd aangevat.

Le résultat est décevant – ce sera le British understatement de ce début d’année.

Les éléments essentiels de la solution promise par le fournisseur ne répondent pas aux fonctionnalités requises et nécessaires. De plus, l’entreprise n’a pas assumé son rôle de prestataire de services performant et orienté vers les résultats. Des mises en demeure formelles ont été envoyées en août et en octobre 2025. Les réponses du contractant n’ont pas convaincu que le programme puisse encore être poursuivi. En conséquence, il a été nécessaire de résoudre le marché public. J’ai décidé d’arrêter l’hémorragie.

Comme cela a été dit par à peu près tous les intervenants, l’argent public ne sort pas d’ailleurs que de la poche des contribuables, dont je fais partie – modestement, depuis mes 18 ans. La bonne gouvernance, ce ne sont pas seulement des paroles, ce sont aussi des actes. Je pense pouvoir prétentieusement dire que depuis 11 mois, des actes de bonne gouvernance, j’en pose.

Het gevolg van de verbreking van de overheidsopdracht is dat alle projecten in het kader van i-Police zijn stopgezet.

Eind 2025 bedroeg de totale facturatie 480,4 miljoen euro, waarvan 75,8 miljoen euro al vereffend is. Het verschil tussen de geplaatste bestellingen en het gefactureerde bedrag, dus de niet-gerealiseerde bestellingen, bedraagt 63,9 miljoen euro.

Je ne préjugerai pas de l'issue de la procédure de résolution. Compte tenu des montants en jeu, tant la police que l'entreprise ont sollicité des avis juridiques. Je m'abstiendrai donc de tout commentaire susceptible d'influencer défavorablement cette procédure, pour ce qui concerne l'État bien sûr. Celle-ci est en cours. Le prestataire de service a bien entendu le droit de formuler une réponse dans le cadre de cette résolution.

Cependant, je m'engage à vous communiquer tous les documents susceptibles d'être partagés dès que cela sera possible. Permettez-moi au préalable de solliciter un avis juridique à ce sujet.

L'évaluation récente est un document qui a servi de base à la décision interne. Elle n'a jamais été communiquée au prestataire de service et porte sur les éléments essentiels du projet, sans couvrir l'ensemble des dispositions contractuelles.

Dans tous les cas, une obligation de confidentialité s'applique aux marchés publics, à savoir l'article 24 de l'accord cadre. Cet article impose des restrictions quant à la manière dont les informations confidentielles relatives à la mise en œuvre du projet peuvent être communiquées. Ces documents pourront être transmis au Parlement via les procédures appropriées, garantissant à la fois le respect du caractère confidentiel des informations et l'exercice du contrôle parlementaire.

De dienstverlener heeft nog niet gereageerd.

De noden aan digitalisering en automatisering blijven bestaan. Mijn visie daarop is duidelijk: ontwikkeling door verschillende incubatoren in de organisatie, dicht bij de noden van het terrein, realistisch en modulair. De data moeten daarbij centraal beheerd worden, volgens de regels van de kunst. De eventuele budgettaire ruimte die daardoor ontstaat, kan volgens de Inspectie van Financiën desgevallend gebruikt worden voor andere projecten die de functionaliteiten dienen.

Je tiens à souligner que l'arrêt d'i-Police ne signifie en aucun cas la fin de la transformation numérique de la police. Au contraire, j'impose à la police fédérale d'adopter une nouvelle approche basée sur des projets à plus petite échelle et modulaires, mais qui répondent directement aux besoins de terrain et sont développés par des services disposant de l'expertise nécessaire.

Parmi les avancées déjà engrangées sur base de cette nouvelle méthode de travail que j'ai initiée, citons par exemple l'outil PoliceSearch, qui permet désormais d'accéder de manière centralisée à tous les procès-verbaux en Belgique. Jusqu'il y a moins de trois mois d'ici, ça n'était pas possible. Ça l'est maintenant.

Toutes les caméras ANPR du pays sont progressivement connectées à un système central – Focus – doté d'outils d'analyse avancée, ce qui augmentera considérablement l'efficacité des opérations sur le terrain. Cela permet par exemple de rechercher des véhicules volés ou suspects, d'être alerté immédiatement lorsqu'un véhicule recherché est repéré, ou encore de reconstituer l'itinéraire ou le comportement d'un véhicule impliqué dans une infraction ou une affaire de criminalité organisée.

Les zones de police ont obtenu l'accès aux caméras de la SNCB. En outre, un système similaire est en cours d’élaboration pour les caméras de la STIB. Cette logique de cocréation entre les unités spécialisées de la police fédérale, les zones de police locale et les services informatiques internes de la police se construira autour d'incubateurs dédiés. L'ambition est de travailler de manière progressive sur des bases saines avec des projets maîtrisés, une gouvernance renforcée et des résultats concrets, mesurables et vérifiables, au service direct de l'action policière.

Cette approche permet d'obtenir des résultats plus rapides, de mieux répondre aux besoins réels sur le terrain et de créer une plus grande valeur ajoutée directe pour la sécurité de nos concitoyens. Elle sera d'ailleurs consacrée juridiquement. Dans le cadre d'un autre projet de loi, un article spécifique a été introduit afin de donner une base légale à ce mode de développement conjoint entre la police fédérale et, notamment, les zones de police locale.

Il va de soi que, le cas échéant, cet amendement de la loi sur la police intégrée vous sera soumis le plus rapidement possible.

Nu kom ik tot de nog niet beantwoorde vragen van de commissieleden.

De historiek van de pilootprojecten, waarnaar is gevraagd, laat zich niet binnen dit tijdsbestek samenvatten. Ook het volledig implementatiekader voor 2024 en wat er dat jaar effectief is gebeurd, zijn onderwerpen die te ruim gaan voor deze vragensessie.

Ik kan over de migratie van de ANG melden dat enkel het ANG-verkeer, dus een fractie van het geheel, is gerealiseerd. De ANG draait nog steeds op een mainframe-infrastructuur. Het is de bedoeling om de uitfasering nog steeds te realiseren.

En ce qui concerne les mises en demeure dans le cadre de l’exécution du marché public, de nombreux échanges d’informations formels et informels ont eu lieu. Les mises en demeure formelles ont été envoyées en août et en octobre 2025. Celles-ci ont été rédigées conformément aux dispositions légales en vigueur. Le 20 décembre 2025, le contrat a été résolu.

Dans ce courrier, le remboursement d’une partie substantielle des factures déjà acquittées a été demandé, à l’exception notamment des paiements relatifs à des licences effectivement utilisées, ainsi que le paiement d’une indemnisation complémentaire pour les préjudices subis par la police du fait des manquements du fournisseur.

Wat de kosten betreft, aan het consortium werd 75,8 miljoen euro betaald. Voor diensten werd in totaal 43,4 miljoen euro betaald over de vijf jaren, namelijk 2,1 miljoen in 2021, 7,6 miljoen in 2022, 19,5 miljoen in 2023, 13 miljoen in 2024 en 1,1 miljoen in 2025. Voor de softwarelicenties werd aan het consortium een totaalbedrag van 31 miljoen euro betaald in de periode 2021-2025. Per jaar bedroegen de betalingen respectievelijk 17 miljoen in 2021, 8,9 miljoen in 2022, 1,9 miljoen in 2023, 2,4 miljoen in 2024 en 0,7 miljoen in 2025.

De opdracht van de externe programmamanager is gedetailleerd beschreven in de opdrachtdocumenten van het contract. Er was regelmatig overleg met de inter-programmamanager van i-Police. Dat maakt deel uit van een van de projecten, P1. Dat was een project tegen een vaste prijs.

Concernant la raison pour laquelle le programme s’est poursuivi pendant deux ans et demi après l’audit de 2023, il m’a été communiqué que, vu que le programme i ‑ Police é tait vaste et complexe, il é tait n é cessaire de le g é rer en partenariat. Au cours de la phase de mise en œuvre, les grands concepts devaient être précisés, développés plus en profondeur et adaptés par le consortium aux besoins spécifiques de la police belge.

À la fin de l’année 2023, lorsqu’il est apparu clairement que les deux projets pilotes n’enregistraient pas de progrès suffisants, le fournisseur a été fermement rappelé à ses engagements afin d’aboutir aux résultats attendus. Par ailleurs, une hiérarchisation claire d’un nombre restreint de projets prioritaires a été mise en place afin de permettre au fournisseur de se concentrer pleinement sur l’obtention de résultats concrets.

Le commissaire général a ensuite nommé un gestionnaire de crise et remplacé le responsable du programme i ‑ Police de l ’é poque. Le groupe de pilotage mis en place dans le cadre de l ’ ex é cution du march é public a é t é port é au niveau du Comité de Coordination de la Police Intégrée (CC GPI).

Afin d ’ accro î tre la faisabilit é du march é public i ‑ Police et d ’ en r é duire la complexit é , la police int é gr é e a pris diff é rentes mesures entre d é cembre 2023 et 2024. Comme déjà indiqué, la principale mesure a consisté à réduire la portée du programme i ‑ Police à quatre priorit é s, dans l ’ espoir d ’ y obtenir des r é sultats.

Lorsque j ’ ai pris mes fonctions de ministre de la S é curit é et de l'Int é rieur au d é but de l ’ ann é e 2025, le programme se trouvait encore à ce stade, sans qu ’ aucun signal clair ne se d é gage. C ’ est la raison pour laquelle, conform é ment à l ’ accord de gouvernement, j ’ ai d é cid é de proc é der à une é valuation approfondie afin d ’ en objectiver une fois pour toutes l ’ utilité. C’est pour cette raison que, toujours conformément à l’accord de gouvernement, j’ai mené cette évaluation, laquelle a abouti au résultat communiqué à la fin de l’année.

Nu kom ik tot de vragen over de audit van Deloitte. Binnen het commissariaat-generaal werd in uitvoering van die audit, naast de wijzigingen binnen het programma die ik zonet heb vermeld, een digital transformation office (DTO) opgericht. Daarbij zijn een aantal sleutelfuncties ingevuld, zoals die van chief intelligence officer en chief technology officer , om de strategische bakens inzake intelligence en IT uit te zetten.

De oprichting van het DTO was een noodzakelijke eerste stap om de digitale transformatie strategisch te verankeren binnen de federale politie. Zeer recent werd de oude ICT-dienst van de politie, de DRI, samengebracht met het DTO, precies om synergie te creëren en de aansturing te versterken. In dat kader werd uiteindelijk beslist om de functie van directeur DRI niet afzonderlijk in te vullen, aangezien die samenvoeging leidde tot de oprichting van een nieuwe geïntegreerde dienst.

Pour Focus, toutes les zones de police et les services de police fédéraux ont la possibilité d'utiliser les modules mis à disposition par FOCUS@GPI. Toutes les zones de police locale utilisent Focus, mais n'en utilisent pas spécialement toutes les fonctionnalités. L'appréciation est laissée aux chefs de corps.

Les unités fédérales opérationnelles utilisent également Focus, comme la direction administrative de la protection des personnes, la police de la route, les polices aéronautique et navale, etc. J’en profite pour ajouter que Focus fonctionne très bien avec ANPR et c'est une logique fonctionnelle. Vous avez la centralisation des images par ANPR et l'accès à ces images par Focus. Maintenant, avec la combinaison de ISLP – donc de PoliceSearch qui permet d'avoir accès à tous les procès-verbaux de toutes les zones en temps réel –, je peux vous dire que cela fait une véritable différence sur le terrain. Terrain sur lequel je suis assez régulièrement pour justement constater que ça marche bien et que ça apporte des vraies avancées. J’y reviendrai éventuellement dans ma conclusion.

De politiezone Antwerpen, de PZA, neemt de rol van productieorganisatie op zich, terwijl de DRI die van beheerorganisatie vervult. Concreet betekent dit dat de DRI instaat voor het beheer van het platform en onder meer de kosten draagt die verband houden met de infrastructuur, het onderhoud van het netwerk, de beveiliging, de integratie met externe bronnen en andere technische componenten die noodzakelijk zijn voor de werking ervan. De politiezone Antwerpen wordt voornamelijk vergoed voor de ontwikkeling van nieuwe toepassingen of de evolutie van bestaande toepassingen, alsook voor het onderhoud ervan. Het gaat om een concreet en structureel model van cocreatie waarbij de federale politie en de lokale politie gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen.

Mesdames et messieurs les députés, pour conclure ce premier débat d’actualité de l’année, dont je subodore par ailleurs qu’il ne sera pas le dernier que nous aurons sur le sujet, je souhaite vous assurer, pour autant que de besoin, de ma pleine et entière volonté de m’inscrire dans la lignée de l’accord de gouvernement. Celui-ci entend mener les réformes nécessaires pour notre pays et pour nos concitoyens, singulièrement en matière de sécurité, au moyen d’une utilisation responsable, mais surtout efficace dans la pratique, des deniers publics, qui ne sont jamais que l’impôt de nos concitoyens. Pour celles et ceux qui ont suivi, ils savent depuis quel âge, moi-même, je le paie. Il n’y a pas d’examen à la fin.

Notre police continuera bel et bien à faire le grand pas vers le 21 e siècle, celui du numérique. Cela ne se fera plus uniquement par des chantiers pharaoniques, dont les écueils possibles ont malheureusement été illustrés par i-Police, mais bien par des avancées portées par le terrain, pour le terrain et sur le terrain, avec pour objectif constant de renforcer l’efficacité opérationnelle de nos services de sécurité au bénéfice de tous nos concitoyens.

C’est à cela que je me suis engagé devant vous depuis un an et c’est ce qui continuera à m’animer dans la gestion de mes dossiers.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse assez complète qui est en fait la base qui nous permettra d'auditionner les ministres qui ont été politiquement responsables de la police fédérale ces deux dernières législatures.

Dans votre réponse, vous pointez clairement le fait que, politiquement, la police fédérale n'a pas été entendue parce qu'elle a alerté les responsables politiques. L'article du journal Le Soir d'aujourd'hui indique d'ailleurs à cet égard qu'à trois reprises, des courriers ont été envoyés pour dire "attention, on va dans le mur". Personne n'a voulu entendre.

Votre réponse, monsieur le ministre, est assez claire et limpide et je vous remercie de votre honnêteté et de la transparence dont vous faites preuve. Ce que nous attendons aujourd'hui du gouvernement, c'est une transparence dans le cadre de ce dossier. Qu'avons-nous fait avec ces 75 millions d'euros? Qui a-t-on payé? On ne le sait toujours pas. Il nous faut le détail de ces factures.

Vous évoquez le projet Focus, disant qu'il fonctionne super bien. Oui, mais qui a payé le projet Focus? Le fédéral! Pour qui? Pour la zone de police d'Anvers qui fait payer les autres zones de police pour des prestations supplémentaires. La vérité, c'est qu'aujourd'hui, la zone de police d'Anvers se sucre sur les autres zones de police du royaume. Telle est la réalité! Pourquoi? Qui le lui a demandé? Voilà les réponses qu'on attend de la part du gouvernement et des ministres précédents.

Quel est l'avenir de la police fédérale? Au mois de mars, on apprend que 30 voitures neuves de la police fédérale attendent sur un parking parce que le marché public n'a pas été fait comme il fallait. Au mois d'octobre, vous remettiez en question le marché sur les uniformes. Au mois de décembre, vous arrêtiez le projet de digitalisation. Quel est l'avenir de la police fédérale? Telle est la vraie question aujourd'hui, monsieur le ministre.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, dat er in deze tijden, waarin er van iedereen een inspanning wordt gevraagd omdat de financiële situatie van ons land ons daartoe dwingt, op zo'n manier gemorst wordt met overheidsgeld, is compleet onaanvaardbaar. Dat ondermijnt het vertrouwen in de politiek helemaal. Miljoenen aan belastinggeld zijn uitgegeven en het resultaat is niks.

Het i-Policecontract werd door uw voorgangers Jambon en Verlinden voorgesteld als een noodzakelijke modernisering van onze politiediensten. Ik vind het dan ook bijzonder jammer, maar ook veelzeggend dat de collega's van cd&v vandaag niet deelnemen aan het actualiteitsdebat. Dat is niet geheel verrassend, want wat blijkt vandaag? Het project faalt, het contract wordt stopgezet en dat heeft ons miljoenen gekost, geld dat had kunnen worden geïnvesteerd in de koopkracht van en de zorg voor de mensen.

Ik hoop dat hieruit lessen getrokken worden voor de toekomst, zodat onze politiemensen binnenkort ook echt volledig digitaal kunnen werken, met een deftig programma. Dat mag niet zomaar op de lange baan geschoven worden, dus wij rekenen erop dat u uw verantwoordelijkheid neemt en kijkt naar een oplossing, niet het minst voor onze politiemensen die elke dag keihard werken en onze ondersteuning daarin absoluut verdienen. Zet trouwens ook maar eens uw tanden in het bedrijf dat vrolijk heeft gefactureerd, maar nada heeft gepresteerd.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, elke dag opnieuw geven vele agenten het beste van zichzelf. Daarvoor hebben ze goed materieel nodig hebben, maar dat krijgen ze niet.

Het is goed dat u hebt ingegrepen. Ik ben daar heel blij mee, maar ik blijf op mijn honger. Ik wacht al drie weken op antwoorden, ook over dit dossier. U moest mij antwoorden tegen 30 december, maar die antwoorden zijn natuurlijk problematisch. Er zullen nog veel meer lijken uit de kast vallen als er eerlijk geantwoord wordt op die vragen.

Waarom is hier niemand van cd&v aanwezig? Dat is toch duidelijk. Dit is alweer een dossier dat mevrouw Verlinden met veel plezier in de doofpot wil stoppen en daar houden. Collega's, ik hoor hier vandaag de verontwaardiging en ik hoop dat als er hoorzittingen zouden worden georganiseerd, mevrouw Verlinden van de meerderheid zal mogen komen, dat wij haar echt vragen zullen kunnen stellen. Ik kan zwart op wit bewijzen dat zij op de hoogte was en niets gedaan heeft.

Ik heb sommige collega's horen zeggen dat de politie en de minister op de hoogte waren en dat de politietop niets heeft gedaan. Ze hebben wél iets gedaan. Ze hebben bijvoorbeeld agenten die processen-verbaal wilden opstellen over wat er verkeerd liep, verboden om dat te doen. Dat is toch niet niets? Men heeft agenten die bij het dossier betrokken waren, overgeplaatst naar andere eenheden, hen met ziekteverlof gestuurd, gewoon omdat men het potje gedekt wilde houden.

Dat is wat de topfiguren van de federale politie hebben gedaan.

Mijn vragen blijven dus overeind. Hoe gaan we degenen die gefoefeld hebben straffen? Hoe zullen we in gesprek gaan met de top van de federale politie, die dit opnieuw in de doofpot wilde stoppen, om ervoor te zorgen dat zoiets niet opnieuw gebeurt? Hoeveel van dat soort rapporten liggen er nog in de lade van de heer Snoeck? Het is hier schandaal na schandaal. Elke twee of drie maanden komen we naar hier met een nieuw schandaal bij de federale politie. Hoeveel schandaaltjes heeft de heer Snoeck nog in zijn kast liggen?

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, je me réjouis avant tout de votre volonté de ne pas abandonner l'objectif de modernisation numérique de la police – qui, comme vous l'avez souligné, est très important – mais de le repenser sur des bases de co-construction saine et ancrée dans la réalité de terrain, sans monopole tentaculaire. Je souhaite également vous remercier pour la clarté de votre réponse et la transparence avec laquelle vous avez abordé ce dossier. Il est important de rappeler que vous avez hérité d'un projet profondément défaillant, lancé en 2017, dont les problèmes de gouvernance, de pilotage et d'exécution avaient déjà été clairement identifiés en 2023. Malheureusement, les signaux d'alerte n'ont pas été suivis d'effet à l'époque, ce qui nous conduit à la situation actuelle.

Soulignons également le fait que vous n'avez pas éludé le problème. Au contraire, vous avez agi rapidement, conformément à l'engagement que vous aviez pris dans votre note de politique générale, en lançant, dès votre entrée en fonction, une évaluation approfondie de ce marché public. Il a fallu prendre le temps d'examiner les résultats et les conséquences juridiques. Vous l'avez fait en onze mois, alors que le dossier traîne depuis des années. On ne peut tout de même pas vous blâmer d'avoir procédé de la sorte. La décision de résilier ce contrat n'était pas une décision facile, mais elle était courageuse, responsable et nécessaire: continuer à injecter des fonds public dans un projet structurellement défaillant aurait été une faute. Vous avez fait le choix de la responsabilité, afin de garantir que l'argent public serve à une modernisation numérique réelle et effective de la police.

Xavier Dubois:

Merci, monsieur le ministre, pour l’ensemble de vos réponses. Je fais le point par rapport à mes différentes questions. Concernant les impacts, vous avez indiqué que tous les projets i-Police sont stoppés. Dans votre réponse, vous avez toutefois évoqué des paiements de licences. Existe-t-il des licences qui ont été payées et qui seront encore renouvelées, ou s’agit-il de licences du passé qui doivent être acquittées une fois pour toutes? La question se pose, car s’il existe des licences impliquant des engagements futurs pour des projets ou des programmes qui ne fonctionnent pas, il faut absolument mettre fin également à cet élément-là.

S’agissant de la procédure de résiliation, vous avez indiqué qu’elle est en cours et qu’il est difficile d’en dire davantage à ce stade, ce que je peux comprendre au vu des enjeux et des règles applicables aux marchés publics. Vous avez toutefois précisé que toute la lumière serait faite à l’avenir. Nous y serons attentifs et attendrons ces informations avec intérêt.

En ce qui concerne le rapport d’évaluation, vous vous êtes engagé à nous le communiquer. Je suppose que nous y aurons accès via une procédure particulière, comme c’est de plus en plus souvent le cas pour un nombre croissant de rapports que nous devons consulter. Il s’agit en tout cas d’un élément important pour pouvoir se forger une image correcte de la situation.

J’en viens à Focus. Vous avez indiqué que cet outil est utilisé par toutes les zones de police et qu’il n’est pas remis en question dans le cadre de la résiliation du projet i-Police. Cela peut être rassurant pour les zones de police. J’ai moi-même eu l’occasion de voir Focus fonctionner et cela semble très efficace sur le terrain.

En revanche, vous n’avez pas répondu à la question des montants investis par la police fédérale, montants qui auraient, a priori , été versés à la zone de police d’Anvers. Je me joins à ce titre aux questions de mon collègue Chahid, notamment sur le fonctionnement de ce système de collaboration avec la zone de police d’Anvers. D’une part, la police fédérale paie, et d’autre part, les zones de police paient également. Il est absolument nécessaire de faire toute la clarté sur cette collaboration pour le passé. J’entends qu’il existe des collaborations actuelles et à venir, mais il convient aussi de nous expliquer clairement comment cette collaboration avec la zone de police d’Anvers fonctionne.

Enfin, pour conclure, vous avez évoqué la poursuite de la transformation numérique avec une approche différente, plus modeste et plus modulaire. C’est une évolution positive. Il serait toutefois nécessaire de disposer également d’un calendrier précis et de budgets clairement définis, car des décisions doivent désormais être prises rapidement. Il faut remettre de l’ordre et le faire sans tarder.

J’espère en tout cas pouvoir compter sur vous pour atteindre cet objectif indispensable à l’efficacité de nos services. Je vous remercie.

Maaike De Vreese:

Collega’s verwezen hier naar de Zweedse regering en naar de heer Jan Jambon, die toen minister was van Binnenlandse Zaken. Collega’s, het doel is duidelijk, namelijk die verdere digitalisering. Daar is iedereen het over eens. Dat is wat Jan inderdaad heeft vastgezet. De volledige uitvoering is echter gestart in 2021, onder toenmalig minister van Binnenlandse Zaken mevrouw Verlinden.

Minister Quintin neemt nu de beslissing om dat stop te zetten. Dat had inderdaad toen al kunnen gebeuren. Er zijn evaluaties geweest. Wij zaten toen in de oppositie. Wij hebben ons daar ook heel grote vragen bij gesteld. Tijdens de onderhandelingen hebben wij stop gezegd, wij hebben gezegd dat die digitalisering moest worden bijgestuurd. Het volledige project rond i-Police heeft voor ons geen nut. Dat was ons onderhandelingsuitgangspunt. Dat is geen groot geheim.

Minister, u zet het eindelijk stop. U had het daarnet over miljoenen en miljoenen. Eindelijk, zal de burger zeggen. De politiemensen op het terrein kijken vooral uit naar wat er nu in de toekomst komt, waarmee ze aan de slag kunnen.

Voor ons is het prioritair, minister, dat u inderdaad die migratie van de ANG uitvoert, want die moet in 2027 zeker rond zijn. Nu betalen we nog 13 miljoen om die oude databaas draaiende te houden, maar dat is een lapmiddeltje waarbij we eigenlijk weer met het mes op de keel zitten om die migratie erdoor te krijgen. Ik wens u daar alvast veel succes mee.

Ik vind ook dat wij vanuit het Parlement duidelijk het signaal moeten geven, samen met de collega’s van Arizona, dat er in budgettaire krappe tijden op een zeer performante en transparante manier moet worden omgegaan met de beperkte middelen die er zijn. Over volgende projecten die u zult opstarten, zullen wij vragen wat u daarmee precies wilt bereiken en hoeveel middelen daar tegenover staan.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. U hebt niet weggekeken van de problemen. U hebt uw verantwoordelijkheid genomen. U bent nu behoedzaam in uw antwoorden, wat ik uiteraard snap. Er zijn nog juridische procedures in het vooruitzicht, in het licht van het opgezegde contract. Bovendien is het niet aan u om hier vandaag verantwoordelijkheden of verantwoordelijken te duiden. Wij moeten onze rol spelen, dat weet u. U apprecieert dat ook. Wij moeten dat scherp doen, omdat het gaat om veel geld van de belastingbetaler, dat uiteindelijk niks heeft opgeleverd. Wat mevrouw De Vreese heeft gezegd klopt, de principiële beslissing om het project i-Police te ontwikkelen is door de Zweedse regering genomen, door de minister van Binnenlandse Zaken in 2017. De uitrol daarvan is onder de vorige minister van Binnenlandse Zaken gebeurd. Mijnheer de minister, ik weet dat de persoon die i-Police op dat kabinet opvolgde van de DRI kwam. De DRI is de dienst bij de federale politie die voor het project i-Police verantwoordelijk was. Hij keerde er nadien ook terug als directeur ad interim. Die persoon op het kabinet was met andere woorden schatplichtig aan de federale politie. Hoe kan men dan kritische opvolging verwachten? Het lijkt erop – ik wik mijn woorden, mijnheer de voorzitter, zoals altijd – dat de vorige minister alle alarmsignalen, namelijk de audit van Deloitte, de interne nota van Eric Snoeck en de interne alarmsignalen van de federale politie, in de kast heeft gelegd, dezelfde kast waarin ook het dossier van Aalter is terechtgekomen, collega Vandemaele. Cd&v is hier afwezig. Dat is pijnlijk. Misschien zijn ze die dossiers in de kast aan het bekijken. Tot slot wil ik mij nog richten tot collega Chahid, wiens tussenkomst ik uiteraard apprecieer. De app FOCUS is ontwikkeld in tempore non suspecto door de PZA, op eigen kosten, en nadien aan de hele geïntegreerde politie ter beschikking gesteld. Daarvoor is een vergoeding gevraagd. Ik sluit af, mijnheer de voorzitter. Dat moet van u, want anders wordt u boos op mij. Het laatste woord is hierover echter nog niet gezegd. Neen, dit is het begin van de discussie. Ik ben blij dat u de stenen voor de toekomst legt. Dat is minstens zo belangrijk. Wij moeten er ook voor zorgen dat er antwoorden over het verleden worden gegeven. Er zijn hier vragen over hoorzittingen gesteld. Het lijkt mij een elementair begin dat we inderdaad hoorzittingen organiseren, mijnheer de voorzitter. Er is ook gesuggereerd om het Rekenhof met een audit te belasten. Ook dat lijkt mij niet meer dan logisch, in het licht van de gigantische hoeveelheid geld van de belastingbetaler die hieraan verspild is. U kunt op ons rekenen om dit verder mee uit te spitten, mijnheer de minister.

De rellen in Molenbeek
De huisarresten tijdens de Africa Cup
De nieuwe rellen na een wedstrijd in het kader van de Africa Cup
Het politieoptreden bij voetbalgerelateerde rellen in het kader van de Africa Cup
Voetbalrellen en politieoptreden tijdens sportevenementen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden Depoortere, Bergers en De Vreese bekritiseren het herhaaldelijke geweld door groepen jongeren van Marokkaanse afkomst na Afrika Cup-wedstrijden, met brandstichting, aanvallen op politie en straatvernielingen, en wijten dit aan straffeloosheid, gebrek aan repressie en falende burgemeesters (met name in Brussel/Molenbeek). Zij eisen strengere preventie (uitbreiding huisarrest, betere coördinatie), hardere strafvervolging (snellere gerechtelijke afhandeling, inzet less-lethal weapons) en politieke verantwoordelijkheid, met kritiek op minister Quintin die volgens hen te veel verwijst naar lokale bevoegdheden en onvoldoende ingrijpt. Minister Quintin benadrukt dat ordehandhaving bij burgemeesters ligt, maar bevestigt versterkte politie-inzet (o.a. gold commander-structuur) en onderzoeken naar daders (inclusief de man met een Kalasjnikov), hoewel arrestaties moeilijk zijn door mobiele groepen. Hij wijst strafrechtelijke vervolging door naar Justitie en preventie naar gemeenten, maar erkent dat huisarrest juridisch beperkt is. Oppositie blijft ontevreden: ze noemen het antwoord onvoldoende, dringen aan op nultolerantie, samenwerking met Justitie en consequenter optreden, met kritiek op "linkse burgemeesters" die maatregelen zouden blokkeren.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb u vorige week donderdag tijdens de plenaire vergadering een actuele vraag gesteld naar aanleiding van de rellen op oudejaarsavond. Toen heb ik in de marge al vermeld dat er ook rellen waren en nog zouden volgen naar aanleiding van de Afrika Cup, niet in het minst omwille van de wedstrijden die Marokko daarin afwerkt.

Een dag later – op vrijdag 9 januari 2026 – was het al zover. Voor de tweede keer deden zich ernstige ordeverstoringen voor na afloop van een voetbalwedstrijd van Marokko in het kader van de Afrika Cup. Op videobeelden die op sociale media circuleren, is duidelijk te zien hoe groepen jongeren van Marokkaanse origine straatmeubilair vernielen, verkeersborden en elektrische steps gebruiken om wegversperringen op te werpen en vuurwerk afschieten in de richting van de ordediensten. De oproerpolitie moest worden ingezet om de situatie opnieuw onder controle te krijgen.

Spijtig genoeg, mijnheer de minister – en ik heb dat vorige week ook al gezegd – gaat het hier niet om geïsoleerde incidenten. In deze rellen en bij deze relschoppers is een duidelijke systematiek merkbaar. Zolang het beleid niet durft te benoemen dat het telkens opnieuw om dezelfde relschoppers van allochtone afkomst gaat, blijft dit probleem bestaan.

Ik weet dat u vorige week in uw antwoord hebt gesteld dat nationaliteit en afkomst er niet toe doen. U kunt echter niet ontkennen dat het telkens dezelfde allochtone relschoppers zijn die de straten in Brussel en niet alleen in Brussel – daar hebben we het eerder al over gehad – keer op keer in vuur en vlam zetten. Dat mag in dit geval letterlijk worden genomen.

Ik zal mijn vragen dan ook blijven herhalen, mijnheer de minister. Niet alleen vraag ik wat de evaluatie achteraf is van al deze rellen en van het optreden tegenover de relschoppers, ik geef ook onmiddellijk toe dat u daarin geen exclusieve verantwoordelijkheid draagt. Het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid met de minister van Justitie.

Zij moet instaan voor een passende strafmaat en voor de effectieve bestraffing van de relschoppers.

Mijn eerste vraag, mijnheer de minister, betreft dan ook de evaluatie van deze twee ernstige vormen van rellen in Brussel, meer bepaald naar aanleiding van de Marokkaanse voetbalwedstrijden in het kader van de Afrika Cup. Hoeveel personen zijn geïdentificeerd en gearresteerd en hoeveel van hen worden effectief voor de rechter gebracht? Aangezien dit probleem niet uit de lucht komt vallen, stel ik mij de vraag of momenteel wel voldoende wordt geïnvesteerd in preventieve maatregelen om dergelijke rellen te voorkomen. Ik besef dat dit geen eenvoudige opdracht is, maar het kan niet de bedoeling zijn dat we na elke voetbalwedstrijd, na elk oudejaarsfeest of telkens wanneer de zon schijnt en recreatieparken opnieuw openen, opnieuw dezelfde vragen moeten stellen. Dat is vervelend voor u en evenzeer voor mij.

Het verdient de voorkeur dat dergelijke situaties vooraf worden aangepakt en vermeden. Dat vergt echter wel dat daar de nodige maatregelen tegenover worden gesteld, mijnheer de minister. Daarbij gaat het niet uitsluitend om preventieve maatregelen. U verwees vorige week vooral naar de rol van de burgemeesters, die over een uitgebreid arsenaal beschikken om dergelijke rellen te voorkomen, tot en met huisarresten. In Antwerpen hebben we evenwel vastgesteld dat die maatregel niet het beoogde effect heeft gehad. Integendeel, er waren evenveel, zo niet meer, relschoppers dan het jaar voordien. Dat roept de vraag op of dit wel het meest effectieve middel is.

Daarnaast blijf ik benadrukken dat repressie noodzakelijk is. We moeten niet alleen de problemen benoemen, maar ook de daders. De relschoppers moeten effectief worden gestraft, ieder binnen zijn of haar verantwoordelijkheid. Vooral onze politiediensten moeten de politieke en materiële rugdekking krijgen die nodig is om streng op te treden tegen dergelijke feiten.

Ik hoop dat u vandaag uw visie hierop nader wilt toelichten.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, in de eerste plaats mijn beste wensen voor het nieuwe jaar, ondanks het feit dat mijn vraag niet de plezierigste is om als eerste vraag in het nieuwe jaar aan u te stellen.

Voetbal zou, net als het nieuwe jaar, een feest moeten zijn. Sinds de start van de Africa Cup in Marokko is het echter in verschillende Brusselse wijken bijzonder onrustig en dan druk ik mij nog zeer voorzichtig uit. De beelden die op sociale media circuleren, tonen onder meer brandstichting, het afschieten van vuurpijlen, vandalisme aan straatmeubilair en aanvallen op politieagenten, die nochtans wel in grote aantallen aanwezig waren, wat alvast goed is. Verder circuleren er zelfs beelden van een persoon op een motorfiets die ostentatief een wapen draagt, dat blijkt een kalasjnikov te zijn. In de pers wordt bovendien gemeld dat uit voorzorg verschillende bussen van De Lijn een omleiding volgen tijdens matchen van de Africa Cup.

Die feiten leiden tot grote maatschappelijke verontwaardiging. En terecht, de burger is dat beu. Bij elk excuus veranderen onze straten in terreinen waar de relschoppers vrolijk onze Staat en alles waar onze samenleving voor staat afbreken.

De Africa Cup loopt nog tot zondag 18 januari. Marokko geldt nog steeds als kandidaat voor de eindoverwinning. Ik gun dat sportief aan die voetbalploeg, maar los van het eindresultaat leeft de vrees dat zowel bij verlies als bij winst opnieuw rellen zullen plaatsvinden. Onze fractie hoopt dat verdere incidenten zoveel mogelijk kunnen worden beperkt en dat er maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat dit niet meer gebeurt. In dat kader is het belangrijk om de preventieve maatregelen te versterken. Het lijkt aangewezen te onderzoeken of het bestaande kader rond het huisarrest kan worden verbreed.

Neemt u bijkomende preventieve maatregelen rond die risicomatchen, die deze matchen op de Africa Cup jammer genoeg zijn in ons land? Acht u het wenselijk het kader rond huisarrest te verruimen zodat dit makkelijker toepasbaar is? Lijkt het u wenselijk dit uit te breiden en het niet alleen bij de burgemeesters te laten, aangezien sommige burgemeesters, zoals bekend en dat lokt ook veel verontwaardiging uit, weigeren hun verantwoordelijkheid te nemen?

Werden in dit dossier reeds bestuurlijke maatregelen opgelegd en zo ja, welke? Is de persoon die met dat wapen paradeerde in Brussel geïdentificeerd en zijn daar maatregelen rond genomen?

Maaike De Vreese:

De situatie is al duidelijk geschetst. We hebben dit ook al tijdens de plenaire vergadering besproken. Morgen worden de twee wedstrijden van de halve finales van de Afrika Cup gespeeld, waaronder de match Marokko-Nigeria om 21.00 u., waarna u opnieuw paraat moet staan om te controleren of er in Brussel daarna rellen plaatsvinden. Het is toch ongelooflijk dat we paraat moeten staan naar aanleiding van een voetbalmatch. Helaas is voetbal een van de sporten waarbij regelmatig rellen ontstaan, vaak met aanzienlijk geweld tegenover onze politiediensten. Daarom moeten we streng optreden en ook daadwerkelijk straffen. De straffeloosheid moet dringend worden aangepakt.

Mijnheer de minister, zult u hierover ook overleggen met minister Verlinden? Uit de cijfers die mijn collega Kristien Van Vaerenbergh heeft opgevraagd, blijkt dat in veel gevallen jaren na de feiten nog geen straffen werden uitgesproken. Zolang die straffeloosheid blijft bestaan, heerst er een klimaat waarin daders geneigd zijn door te gaan. Ook de zogenaamde usual suspects, die onze politiediensten goed kennen, blijven op deze manier actief.

Hoe verloopt de federale coördinatie met de lokale diensten in aanloop naar zo’n risicovolle internationale voetbalwedstrijd? Volstaat die coördinatie of moet er een versnelling hoger geschakeld worden? Hoe evalueert u de effectiviteit van zowel preventieve maatregelen, zoals huisarrest, als repressieve maatregelen? Wij pleiten bijvoorbeeld ook voor hardere optredens tegen de daders door de politie gebruik te laten maken van less than lethal weapons .

Overweegt u de inzet van andere preventieve maatregelen? Welke richtlijnen werden aan de politiediensten meegegeven? Krijgen zij de opdracht om relschoppers te arresteren? Het begint immers met arresteren en identificeren, waarna ook straffen kunnen volgen, zeker gelet op het feit dat er steeds meer minderjarigen onder de relschoppers zijn. Hoe wordt de verantwoordelijkheid van de ouders aangepakt?

Welke aanvullende richtlijnen of ondersteuning zal aan de Brusselse zones en betrokken overheden worden gegeven naar aanleiding van die voetbalwedstrijden morgen om herhaling van ordeverstoring te voorkomen? Met andere woorden, staat de federale politie paraat?

Bernard Quintin:

Mijnheer Depoortere, wat betreft uw vraag die werd ingediend op 30 december, de politiediensten zijn uiteraard tussengekomen om de openbare orde te herstellen. Dat gebeurt steeds in functie van de situatie ter plaatse. De tussenkomsten waren erop gericht de incidenten te beëindigen, de brandweer toe te laten veilig in te grijpen en verdere escalatie te voorkomen.

Door de politiediensten werden onder meer de volgende feiten vastgesteld: het aansteken van branden met afval op de openbare weg, het afsteken van vuurwerk, onder meer in de richting van voertuigen en politiediensten, gevaarlijk rijgedrag in de onmiddellijke omgeving en agressief gedrag ten aanzien van de ordediensten. Er werden processen-verbaal opgesteld voor opzettelijke brandstichting bij nacht zonder gewonden en feiten waarbij een persoon te zien was met een oorlogswapen op beelden die via sociale media werden verspreid. Tot op heden werden er geen personen formeel geïdentificeerd in het kader van deze feiten, maar het onderzoek is nog volop aan de gang. Een persoon werd bestuurlijk aangehouden wegens verstoring van de openbare orde. Er werden nog geen gerechtelijke aanhoudingen verricht, maar zoals u weet, ben ik hiervoor niet bevoegd. Ik kreeg ten slotte van de diensten ook de feedback dat er wel degelijk een specifiek dispositief voorzien was. Gelet op de omvang van de overlast werden verder onmiddellijk versterking gevraagd, bovenop de voorziene personeelsinzet.

Wat betreft de meer algemene vragen, het komt mij als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken niet toe maatregelen te nemen ter handhaving van de openbare orde in Molenbeek of andere Brusselse gemeenten. Deze bevoegdheid berust exclusief bij de respectieve burgemeesters, die alle maatregelen kunnen nemen die noodzakelijk geacht worden voor de ordehandhaving. Enkel wanneer de verstoring van de openbare orde zich uitstrekt over het grondgebied van meerdere gemeenten of politiezones kan ik in subsidiaire orde de bevoegdheden van de burgemeester uitoefenen. Dit is hier niet het geval. Het uitbreiden van het bestaand wettelijk kader met betrekking tot huisarrest is volgens mij nog niet aan de orde, aangezien de burgemeester al over een verregaande bevoegdheid beschikt die hem toelaat huisarrest op te leggen, met dien verstande dat dat legitiem en proportioneel moet zijn. Huisarrest is een vrijheidsbeperkende maatregel die niet verder mag gaan dan nodig om de verstoring van de openbare orde te doen ophouden.

Ook de hogere overheid die op grond van artikel 11 van de wet op het politieambt de bevoegdheden van de burgemeester zou uitoefenen, beschikt over die mogelijkheden. Ik beschik momenteel niet over informatie of in dit kader bestuurlijke maatregelen werden opgelegd. Zoals ik heb gezegd, behoort dat tot de autonome beslissingsbevoegdheid van de burgemeester.

Voor de coördinatie op het terrein in het kader van de Africa Cup of Nations werd sinds het einde van de groepsfase een coördinatiestructuur van het type ' gold commander ' ingevoerd. De coördinatie wordt daarbij verzekerd door de politie van Brussel-Hoofdstad Elsene, die instaat voor de organisatie van de aanvragen tot versterking aan de federale politie en voor de terbeschikkingstelling ervan aan de silver commanders die op het terrein actief zijn binnen hun politiezone. Dit dispositief werd in ruime mate ingezet om de openbare orde te herstellen en te handhaven tijdens de laatste wedstrijden.

Preventie behoort, zoals u weet, tot de gemeentelijke bevoegdheden. In dat kader en met het oog op de komende halve finale tussen Marokko en Nigeria die op 14 januari gepland staat, zullen de gemeentelijke diensten het sociopreventieve dispositief ontplooien in overleg met de politiediensten van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek.

Met betrekking tot de incidenten die zich op 9 januari hebben voorgedaan, heeft de politiezone zowel ontradende als reactieve dispositieven ingezet met het oog op de handhaving en het herstel van de openbare orde. Die dispositieven werden aangepast en de capaciteiten werden versterkt, rekening houdend met de vastgestelde gebeurtenissen. De congestie van bepaalde verkeersassen heeft echter de verplaatsingen van de interventieteams belemmerd en kon de snelheid van bepaalde tussenkomsten beïnvloeden. Niettemin werden, rekening houdend met de evolutie van de situatie, de nodige personeelsmiddelen voor de handhaving en het herstel van de openbare orde gemobiliseerd en dienovereenkomstig ingezet.

Aangezien het gaat om kleine, zeer mobiele groepen die zich verplaatsen in een verkeersdrukke stedelijke omgeving, zijn arrestaties soms moeilijk uit te voeren. Voor de politiezone Brussel-West werden op 9 januari 2026 vijf bestuurlijke en twee gerechtelijke arrestaties verricht.

Mevrouw De Vreese, u bent misschien een wat grotere voetballiefhebber dan uw collega's, maar voor vragen over de vervolgingen die worden ingesteld tegen zij voor wie voetbal slechts een voorwendsel is om vernielingen aan te richten, verwijs ik u en uw collega's naar de minister van Justitie.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, het beperkte aantal arrestaties en gerechtelijke vervolgingen creëren in de ogen van de bevolking een perceptie van straffeloosheid. Als u dit niet snel rechtzet, zal die situatie alleen maar escaleren De daders voelen zich immers ongenaakbaar en dat zal als een boemerang in uw gezicht terugkeren, want de bevolking pikt dit niet langer.

Voorts verwijst u opnieuw naar het arsenaal van maatregelen dat burgemeesters moeten nemen. In dit opzicht hoop ik dat de eenmaking van de Brusselse politiezones er snel komt. Dat zal een grote stap voorwaarts zijn, maar het zal uiteraard niet alles oplossen. Als we merken dat zij in gebreke blijven, dan is het uw taak om in te grijpen om de openbare orde te herstellen en vooral om de straffeloosheid weg te nemen. Dat is inderdaad een gedeelde verantwoordelijkheid met minister Verlinden. Benoem het probleem en stel iedereen voor zijn en haar verantwoordelijkheid, ook de minister van Justitie. Laat de schade vergoeden, want dat is een belangrijk element in het verhaal.

Ik ben niet tegen huisarresten, maar ze moeten wel gecontroleerd worden. Is dat haalbaar? Hoeveel huisarresten moeten we opleggen en wie zal ze controleren? Er circuleert een goed idee om het kindergeld af te nemen van ouders die hun kinderen niet in het gareel houden bij dergelijke rellen, maar dat behoort tot een ander bevoegdheidsniveau.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik denk inderdaad dat de bevolking het meer dan beu is dat elk excuus schijnbaar goed genoeg is om rel te schoppen, dat er te weinig aan gedaan wordt en dat men dat niet onder controle krijgt. Wat dat betreft, wil ik hier toch een lans voor breken om de preventieve maatregelen uit te breiden. Daarnaast zijn er nog andere maatregelen nodig, maar daarover zal mijn collega het hebben.

Het probleem is dat sommige burgemeesters, voornamelijk in Brussel en die van Molenbeek is er een van, die bevoegd zijn om dergelijke maatregelen te nemen, pertinent weigeren dat te doen en dus enige verantwoordelijkheid te nemen, zodat de orde kan worden gehandhaafd. Het lijkt mij in dat geval toch niet verkeerd dat er extra maatregelen worden genomen door het hogere niveau.

Het lijkt me ook de moeite waard om voor beleidsniveaus die wel preventieve maatregelen willen nemen, zoals het huisarrest, het wettelijk kader uit te breiden en een en ander explicieter te regelen, zodat het eenvoudiger wordt om zo'n maatregel te nemen. Er zijn momenteel namelijk nog te veel drempels.

Overigens verwerp ik uw vaststelling dat de maatregel van het huisarrest geen effect in Antwerpen heeft gehad,. Dat zal daar zeker en vast wel effect hebben gesorteerd, maar 17 huisarresten zijn natuurlijk te weinig om alle relschoppers aan te pakken. Dat is het probleem. Er zouden meer huisarresten moeten zijn. Dat is de wens van de ploeg aldaar, maar er zijn juridische beperkingen. Twee jaar geleden hebben alle linkse partijen die tegen het huisarrest waren, een held gebruikt om naar de rechtbank te stappen tegen die huisarresten. Die held zit momenteel permanent in de gevangenis voor al wat hij nog heeft uitgespookt. Als die persoon toen geen huisarrest had gekregen, zou hij ongetwijfeld ook mee rel hebben geschopt. In die zin lijkt het mij dus nuttig om het kader uit te breiden.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, de lokale besturen hebben in deze een cruciale verantwoordelijkheid. Sommige burgemeesters hebben wel degelijk maatregelen genomen, maar andere burgemeesters, zeker die met een PS-signatuur in Brussel, hebben dat helemaal niet gedaan. Als u dat ziet aankomen, maar niet voldoende maatregelen neemt, dan is dat volgens mij schuldig verzuim. Het probleem is natuurlijk veel groter dan dat. Het is een groot en puur maatschappelijk probleem. In de wijken waar er telkenmale rellen uitbreken, moeten we kiezen voor nultolerantie, zodat we dat onder controle kunnen krijgen. Dat is inderdaad niet enkel een taak voor u als minister van Binnenlandse Zaken, maar ook een taak voor onder andere de minister van Justitie. U wijst ons door naar de minister van Justitie, maar ik had liever van u gehoord dat u samen met de minister van Justitie zou overleggen en dat grote probleem beter zou aanpakken. Waarom is bijvoorbeeld de nationale veiligheidsraad in aanloop naar oudejaarsavond niet een keer samengekomen om alle spelers rond de tafel te brengen, een vraag die ik ook al in plenaire vergadering heb gesteld? Telkenmale opnieuw zien we de situatie uit de hand lopen. U kunt de zaken verder in handen nemen. Ik ben voetbalsupporter en u ook. Wij, supporters, steunen alvast iedere maatregel die het voetbal bevordert. Als iemand de sport in een negatief daglicht stelt, vinden wij dat zeer jammer. Dus, voor ons part mag u de relschoppers zeer hard aanpakken.

Verdwenen wapens
Verdwenen politiewapens
Verdwenen wapens bij politie en instanties

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden Vandemaele, De Vreese en Depoortere bekritiseren het slechte wapenbeheer bij de federale politie, waar onder meer een FN SCAR-gevechtswapen, oefenwapens, munitie en radio’s verdwenen uit meerdere depots, soms al sinds maart 2023 zonder directe openbaarmaking. Vandemaele suggereert interne diefstal door agenten met "malafide bedoelingen", wijst op een cultuur van doofpotoperaties (vergelijkbaar met de jaren ’80) en bekritiseert dat minister Quintin geen volledige lijst van verdwenen wapens geeft, slechts verwijzend naar één incident en algemene procedures (zoals PV’s, inspecties en camerabewaking in één depot). De Vreese benadrukt het risico op misbruik door georganiseerde criminaliteit en vraagt om structurele oplossingen, terwijl Depoortere twijfelt aan de effectiviteit van bestaande registratiesystemen. Minister Quintin bevestigt onderzoeken, strengere toegangscontroles (badges, codes) en een actieplan naar aanleiding van een AIG-rapport, maar ontwijkt concrete cijfers over omvang en locaties van verdwijningen, wat Vandemaele als "onacceptabel geheimzinnig" bestempelt. De Vreese relativeert de "algemene beschuldigingen" aan het adres van de politie, maar eist transparantie over aanbevelingen; Depoortere pleit voor vertrouwen in leidinggevenden, mits versterkte interne controles.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, tijdens de kerstvakantie verscheen in de krant een bericht over de verdwijning van een elitewapen, met name een FN SCAR, samen met drie laders, negentig stuks munitie en een draagtas, bij de federale politie. Die verdwijning dateert blijkbaar al van begin vorig jaar, maar is pas recent publiek bekend geraakt. Zoals vaak gebeurt, heb ik daarover contact opgenomen met enkele politiemensen. Daaruit bleek dat er bij de federale politie nog andere wapens verdwenen zijn. Men kon mij daarover evenwel geen exhaustieve lijst bezorgen. Ik hoop dat u die straks wel kunt geven.

Wat mij in het bijzonder verontrust, is de verdwijning van tien oefenwapens. Het gaat om oefenwapens die in verschillende depots verdwenen zijn. Telkens zou daarvan een proces-verbaal zijn opgesteld. De vraag is dan uiteraard wat er met dergelijke wapens gebeurt wanneer ze verdwijnen. Men kan dat proberen te minimaliseren, bijvoorbeeld door te suggereren dat iemand zo’n wapen zou gebruiken om een verjaardagsfeestje op te luisteren met een spelletje politie en bandiet. Dat lijkt mij weinig geloofwaardig. Een oefenwapen geeft immers dezelfde terugslag als een gewoon wapen. Voor een elfjarig kind is dat geen speelgoed. De conclusie is dan ook dat enkel een politieagent in functie ermee kan trainen, of iemand met minder goede bedoelingen. Voor zover mij bekend, zijn er bij geen van de verdwijningen van die oefenwapens sporen van braak vastgesteld. Dat zou kunnen impliceren dat de wapens door agenten zelf zijn meegenomen.

In de krant las ik ook dat men bij de verdwijning van een echt oorlogswapen dacht dat het mogelijk ergens verkeerd was opgeborgen. Dat soort verklaringen komt bijzonder vreemd over. Dat brengt mij tot mijn vragen.

Welke oefenwapens, andere wapens en hoeveel munitie zijn de afgelopen maanden verdwenen? Welke stappen worden ondernomen om die wapens terug te vinden? Hoe is het mogelijk dat dit kan gebeuren? Bestaat er geen sluitend registratiesysteem waarbij wordt genoteerd wie een wapen uit de kast neemt en wanneer het opnieuw wordt teruggeplaatst? Dat lijkt mij nochtans logisch. Tot slot, welke maatregelen zult u nemen om de vermiste wapens op te sporen?

Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, het was inderdaad een bericht dat door heel veel mensen is gelezen, omdat het ook een bizar verhaal is. Het gaat immers om een zwaar wapen. Het wapen, een FN Scar, is samen met munitie en toebehoren plots verdwenen. Het is spoorloos, al sinds maart 2025. Maanden later wordt dat nieuws dan plots publiek. In dat geval behoort het tot de taak van het Parlement om u te vragen hoe de wapenkast wordt beheerd, hoe de opvolging gebeurt en of er interne controle is van de wapens binnen de politiediensten.

Het werd daarnet kleurrijk verteld, maar wij mogen inderdaad veronderstellen dat iemand zijn handtekening plaatst op een lijst wanneer hij of zij een dergelijk wapen in zijn of haar bezit krijgt en dat het daarna opnieuw achter slot en grendel verdwijnt. Tegelijk circuleren er ook berichten vanop het terrein dat het niet om een alleenstaand geval zou gaan en dat dergelijke zaken nog gebeuren. Klopt dat? Hoe zwaar moeten wij daaraan tillen?

Ik meen dat wij daaraan zwaar moeten tillen want het gaat over vuurwapens die zelfs tegen de eigen diensten kunnen worden gebruikt. Wij hadden het daarnet over rellen en relschoppers die vuurwerk en dergelijke gebruiken, maar de georganiseerde criminaliteit die echte vuurwapens gebruikt, kan absoluut niet de bedoeling zijn. Onze politie- en veiligheidsdiensten worden ook geconfronteerd met zware criminaliteit en gewapend geweld. De zaak is dus bijzonder zorgwekkend.

Is dat dus iets wat gebeurt? Wat is de voorbije jaren gebeurd? Welke vaststellingen zijn gedaan? Wat zijn de oorzaken? Gaat het om diefstal, verlies of administratieve fouten? Het kan immers ook zijn dat iets verkeerd wordt gemeld. Is er een digitaal registratiesysteem? Ik weet dat eigenlijk zelf niet.

Op welk niveau zijn verantwoordelijkheden vastgesteld? Welke procedures zijn er vandaag voorhanden om het ontbreken van een wapen of munitie tijdig te detecteren en ook aan te geven? Hoe verklaart u dat het verlies van wapens pas maanden later werd vastgesteld?

Zijn er zaken die u wilt aanpakken? Zijn er concrete organisatorische of technische maatregelen die door u of door de politiediensten zelf zullen worden getroffen om het probleem structureel aan te pakken?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, de situatie is reeds geschetst. We moeten ons vooral vragen stellen over het wapenbeheer binnen de federale politie. Hoe wordt daar eigenlijk mee omgegaan? Wordt dat zorgvuldig gedaan? Bestaat er een sluitend registratiesysteem? Blijkbaar bestaat dat niet, anders zouden we vandaag deze vragen niet moeten stellen.

Mijnheer de minister, hoever staat het met het onderzoek naar dat incident, dat in de pers is verschenen? Veel belangrijker nog is de vraag hoe we dat in de toekomst zullen voorkomen. Zal daarvan werk worden gemaakt? Zijn er bijkomende, sluitende richtlijnen nodig om het wapenbeheer binnen de federale politie correcter te laten verlopen, vooral om de garantie te kunnen bieden aan de bevolking dat onze politie zeer zorgvuldig omspringt met het geboden wapenarsenaal, dat tot hun beschikking staat? Ik hoop dat u daarop wat licht kunt werpen.

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, de omzendbrief GPI 62ter betreffende de bewapening van de geïntegreerde politie voorziet, ten eerste, in maatregelen voor de beveiliging van de opslag van de bewapening en, ten tweede, in een procedure voor de melding van elke diefstal, elk verlies en elke beschadiging van de bewapening. Elk incident wordt bovendien vastgelegd in de vereiste proces-verbalen en maakt automatisch het voorwerp uit van een administratief onderzoek.

Bij de vaststelling van de afwezigheid van het wapen waarnaar u verwijst, zijn onmiddellijk volgende maatregelen genomen. Er werd zonder uitstel een proces-verbaal opgesteld en een intern onderzoek gestart. De resultaten van het onderzoek werden gebundeld in een syntheserapport dat werd overgemaakt aan de bevoegde directeur-generaal van de federale politie en aan de Algemene Inspectie van de Federale Politie en van de Lokale Politie, de AIG. Daarnaast werd een fysieke controle uitgevoerd van alle wapenkoffers voor collectieve wapens in alle opslagplaatsen die door de betrokken eenheden worden gebruikt. De bestaande regels inzake registratie, inspectie en controle van de bewapening werden daarbij opnieuw expliciet en strikt onder de aandacht gebracht. Tegelijk werden dringende bijkomende veiligheidsmaatregelen genomen, onder meer met betrekking tot badging , toegangsprocedures, codes en de installatie van camerabewaking in de betrokken wapenkamer.

Tot slot heeft de betrokken directie een actieplan uitgewerkt om de aanbevelingen van de AIG strikt op te volgen en om de beveiliging en het beheer van alle wapenkamers verder te versterken.

De federale politie bevestigt mij dat zij, in overeenstemming met de geldende richtlijnen, alle noodzakelijke maatregelen neemt om elk verlies van politiebewapening te voorkomen en om bij incidenten onmiddellijk gepast en doeltreffend op te treden. Ook zal er intern verder gecontroleerd worden op een correct beheer van de wapens. Dat is het minste dat ik van mijn politiediensten kan vragen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, er zijn politieradio's, handvuurwapens, munitie en oefenwapens verdwenen bij onze federale politie. Dat gebeurde in verschillende depots, dus niet alleen hier in Brussel. Aangezien in verschillende kazernes wapens zijn verdwenen, heb ik u gevraagd om te bevestigen wat er verdwenen is, maar u geeft mij daarop gewoon geen antwoord. U blijft het hebben over dat ene incident, terwijl u evengoed als ik weet dat er meerdere incidenten zijn en dat daarover processen-verbaal zijn opgesteld. U wilt ons dus eigenlijk geen antwoord geven, of u krijgt geen antwoord van de federale politie. Beide zijn even problematisch, want ofwel weet u het niet, en dan is er een echt probleem, ofwel wil de federale politie het u niet zeggen, en dan is er ook een probleem.

Het kan toch niet dat we ons terug zoals begin de jaren '80 moeten voelen, toen er regelmatig wapens verdwenen uit depots van de toenmalige rijkswacht, thans de federale politie? Dat kan toch niet? Ik kan alleen maar vaststellen dat dit probleem in de doofpot wordt gestopt. Er wordt iets aan de pers gegeven, waarna de belangstelling hopelijk weer afneemt. Dat stramien hanteert de federale politie telkens opnieuw. Het gaat om een groot probleem, maar opnieuw krijgen de parlementsleden geen antwoord.

Wat ik wel weet, is dat het Correspo-onderzoek dat men zou voeren naar radicaliserende politieagenten, werd stilgelegd. Wie steelt die wapens uit de kazerne? Dat gebeurt toch door agenten met malafide ambities, dat zijn geen agenten die te goeder trouw werken. Ik heb al honderd keer gezegd dat 99 % van de agenten in ons land fantastische mensen zijn die geweldig werk leveren en elke dag instaan voor de veiligheid van onze inwoners, maar er is een deel dat zijn werk niet te goeder trouw doet. Laatstgenoemd deel zorgt ervoor dat het goede deel, het overgrote deel, een slechte naam krijgt. Laatstgenoemde agenten stelen wapens en opnieuw steekt de federale politie de kop in het zand. Ik stel hier als parlementslid vragen over iets dat toch bijzonder onrustwekkend is, namelijk dat handvuurwapens, oefenwapens, munitie en radio's verdwenen zijn bij onze federale politie, maar ik krijg daar gewoon geen antwoord op.

Met alle respect, maar dat acht ik bijzonder problematisch. In andere dossiers, zoals i-Police, kunt u verwijzen naar uw voorgangster; dat is uw goed recht en u kunt er in dat geval mee wegkomen. In deze situatie echter bent u verantwoordelijk. U moet ingrijpen bij de top van de federale politie, want dat soort zaken kan niet meer gebeuren.

Ik stel u dan ook opnieuw de vraag wat er precies verdwenen is. Dat moet u toch weten. Waarom wilt u ons geen antwoord geven op de vraag welke wapens en welke munitie verdwenen zijn bij de federale politie?

Hoe u zult voorkomen dat dat niet meer gebeurt? U antwoordt dat er één camera is geplaatst in een depot, maar ik weet dat uit meerdere depots oefenwapens en andere wapens verdwenen zijn. Niet uit één, niet uit twee, niet uit drie en niet uit vier, maar uit nog meer verschillende locaties van de federale politie. De plaatsing van één camera in het wapendepot te Brussel lost helemaal niets op.

Mijnheer de minister, geef ons de informatie waar wij recht op hebben. Wat is er verdwenen? Wat zult u daaraan doen? Het is onaanvaardbaar om het hoofd in het zand te steken, naast de kop van Snoeck en co, want dat is werkelijk problematisch.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik heb geluisterd naar wat u hebt toegelicht. Onmiddellijk is er een proces-verbaal opgesteld en een administratief onderzoek opgestart, met als resultaat een volledig syntheserapport. Ook de Algemene Inspectie is daarbij betrokken. Alle inspectiediensten die daarvoor in aanmerking komen, zijn ingeschakeld. Er zijn aanbevelingen geformuleerd en die aanbevelingen worden uitgevoerd. Ik ben benieuwd welke aanbevelingen dat precies zijn.

Ik merk op dat daarmee een procedure werd gevolgd die telkens wordt gevolgd wanneer zaken verdwijnen of worden gestolen. Daarnaast is een zeer duidelijke omzendbrief opnieuw onder de aandacht gebracht van onze politiediensten.

Collega Vandemaele, het volgende moet mij van het hart. U stelt telkens dat 99 % van de mensen binnen de politie bonafide handelt en dat het over dat ene procent gaat. Tegelijkertijd sleurt u wel telkens de volledige politie door het slijk. U creëert steeds weer een soort van schandaalsfeer. Van verschillende mensen die bij de politie werken, van alle rangen, heb ik gehoord dat zij erkennen dat er zaken fout lopen, maar dat die ook worden opgepikt. Wanneer zij moeten komen getuigen, zullen zij dat ook doen. Als zaken beter kunnen worden aangepakt, zal men dat opnemen, ook samen met de minister. Het is onze taak als parlementslid om daarover vragen te stellen. De teneur van uw betoog is alsof de volledige federale politie rot is en bewust wegkijkt wanneer wapens verloren gaan of worden gestolen, alsof er sprake is van een doofpotoperatie. Als dat werkelijk het geval zou zijn, dan kunnen we als land de boeken sluiten.

Matti Vandemaele:

De minister geeft geen antwoord!

Maaike De Vreese:

De minister heeft heel wat vragen beantwoord. Ik stel voor dat we voor meer inhoudelijke informatie schriftelijke vragen indienen, met name over de proportie.

Voorzitter:

Mijnheer Vandemaele, ik maan u aan tot rust.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik begrijp zowel het standpunt van de heer Vandemaele als dat van mevrouw De Vreese.

De heer Vandemaele heeft duidelijk gesteld dat 99 % van de politiemensen het werk op een zeer goede manier doet. Het gaat over de 1 % die dat blijkbaar niet doet. Ik begrijp echter ook het standpunt van mevrouw De Vreese, die stelt dat er een sfeer wordt gecreëerd alsof er niets anders meer gebeurt dan malafide zaken. Dat is natuurlijk niet waar.

Mijnheer de minister, om juiste conclusies te kunnen trekken, moeten we een volledig beeld krijgen van wat er fout loopt bij het wapenbeheer. Als u dat vandaag niet kunt geven in antwoord op een mondelinge vraag, dan zullen wij dat blijven opvolgen via schriftelijke vragen.

Het bestaan van omzendbrieven en richtlijnen betekent niet dat er plots geen malafide zaken meer kunnen gebeuren. Laten we ons daarvan zeer bewust zijn. Ik hoop vooral dat er voldoende interne controlemechanismen zijn om dergelijke fouten in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen.

Ik reken daarvoor op de leidinggevenden binnen de federale politie. Op dat punt geef ik mevrouw De Vreese volledig gelijk. Als wij geen vertrouwen meer kunnen hebben in de leidinggevenden van de federale politie, dan kunnen we inderdaad beter de boeken sluiten. We moeten een zekere mate van vertrouwen behouden in de federale politie, die moet instaan voor een juiste controle en registratie. Uiteraard moeten wij als parlementslid ook ons werk kunnen doen.

Voorzitter:

Les questions n° 56012114C et n° 56012124C de M. Hervé Cornillie sont reportées. La question n° 56012170C de M. Patrick Prévot est sans objet.

De toestand van de verkeerspost van de federale wegpolitie in Zelzate
De staat van het gebouw van de federale wegpolitie in Zelzate
De infrastructuur van de federale wegpolitie in Zelzate

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De verkeerspost Zelzate van de federale wegpolitie kampt met ernstige bouwkundige problemen (waterinsijpeling, verouderde infrastructuur) die volgens Ortwin Depoortere en Brent Meuleman de veiligheid, hygiëne en werkomstandigheden aantasten, ondanks meldingen sinds 2019 en beperkte herstellingen (o.a. dakdeel in 2022). Minister Quintin bevestigt dat structurele oplossingen pas na 2026 gepland zijn (inclusief mogelijke nieuwbouw met integratie van het vredegerecht), wat Depoortere bekritiseert als "onvoorstelbaar traag" en een gebrek aan respect voor politiediensten; hij eist snellere actie en voldoende middelen voor alle 121 politielocaties. Meuleman vraagt bovendien om concrete plannen voor laadpalen (voor niet-bestaande elektrische dienstvoertuigen) en de impact op personeel, maar krijgt geen direct antwoord op alle punten.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik ontving recent beelden die werden opgenomen in de verkeerspost Zelzate van de federale wegpolitie. Daarop is te zien hoe er water binnensijpelt in de gebouwen, met zichtbare schade aan plafonds en infrastructuur. Dat wijst op ernstige bouwkundige problemen en gebreken.

Niet enkel in die post rijzen er dergelijke problemen. Dat is nagenoeg in alle gebouwen van onze federale politiediensten het geval. Het gaat meestal om verouderde kazernes, die niet meer beantwoorden aan de noden van een moderne politiedienst en te kampen krijgen met de gevolgen van achterstallig onderhoud.

Mijnheer de minister, werd u op de hoogte gesteld van de problemen in de verkeerspost Zelzate? Welke meldingen of inspectieverslagen bestaan hierover? Zult u de nodige maatregelen nemen, onmiddellijk en structureel om de verkeerspost te renoveren of te herstellen? Kunt u mij een overzicht bezorgen?

Mijn stem begeeft het, dus ik zal het hierbij houden.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, ik zou bijna denken dat u er emotioneel van wordt als het over Zelzate gaat. Als burgervader van de parel van het noorden ben ik uiteraard blij dat er samen met mij nog collega's bezorgd zijn over de infrastructuur op ons grondgebied.

Mijnheer de minister, bepaalde weersomstandigheden leggen structurele gebreken aan gebouwen of delen ervan die in slechte staat verkeren, nog duidelijker bloot. Dat is na de voorbije winterprik ook het geval voor het gebouw van de federale wegpolitie in Zelzate.

Bent u op de hoogte van de problemen met het gebouw van de federale wegpolitie in Zelzate? Welke gebreken vertoont het gebouw en welk remediëringsplan staat daartegenover? Recent werden er zonnepanelen geplaatst. Voorziet men verdere structurele aanpassings- of verbouwingswerken aan dat gebouw? Ook een deel van het dak werd vernieuwd, maar er blijft een probleem van waterinsijpeling bestaan. Hoe groot is dat probleem? Welke remediëring staat daartegenover en op welke termijn? Welke impact heeft de toestand op de dagelijkse werking en op het personeel? Ooit waren er plannen voor een nieuwbouw op die locatie. Zijn die plannen definitief opgeborgen of is er nog hoop op een nieuwbouw?

Ik heb nog enkele bijkomende vragen. Er zou sprake zijn van de installatie van laadpalen voor elektrische voertuigen. Kunt u mij dat bevestigen? Hoeveel elektrische voertuigen heeft men op die post in gebruik? Ik verneem immers dat er geen zouden zijn. Zal die laadinfrastructuur ook kunnen gebruikt worden door het personeel voor het laden van eigen voertuigen?

Bernard Quintin:

Op 17 januari 2019 bracht de FOD WASO een inspectiebezoek aan de verkeerspost in Zelzate. Tijdens die inspectie werden meerdere tekortkomingen met betrekking tot de staat van de infrastructuur vastgesteld. Zo werd waterinfiltratie opgemerkt in het plafond van de kantine, de doucheruimte, de wapenopslagruimte en de hoofdingang. De vaststellingen wijzen op structurele problemen die de veiligheid, hygiëne en arbeidsomstandigheden van het personeel kunnen beïnvloeden. Naar aanleiding van de bevindingen werd een uitgebreid actieplan opgesteld en vervolgens ter kennisgeving aan de FOD WASO bezorgd.

Het gebouw waarin de wegpolitie van Zelzate is ondergebracht, werd gebouwd in 1974 en wordt sinds 2004 door de diensten van de wegpolitie gebruikt. Wanneer er een defect, storing of afwijking in de infrastructuur wordt vastgesteld, brengt de juridische verantwoordelijke van de verkeerspost systematisch de dienst Infrastructuur van de coördinatie- en steundirectie, de CSD, op de hoogte.

Er zijn verschillende technische herstellingen doorheen de jaren doorgevoerd, hetzij door de federale politie in eigen beheer of via een private instantie of vanuit de Regie der Gebouwen. In 2022 werd opnieuw een deel van het dak boven de garage hersteld. Hierdoor zijn de meeste waterlekken verholpen, maar momenteel is er nog steeds insijpelend water in de garage en het onthaal bij zeer hevig regenwater.

De diensten hebben contact opgenomen met de Regie der Gebouwen om de verontrustende toestand van de infrastructuur te melden. In 2022 werd besloten dat het project pas na 2026 zou worden gepland, binnen het kader van het meerjarige investeringsplan, met de integratie van de vrederechter op de betrokken locatie. Daarnaast werd besloten om over te gaan tot de aankoop van het aangrenzende terrein. Bovendien werd de regie belast met een onderzoek naar ontwikkelingsmodaliteiten en coördinatie van de functies van de federale politie en justitie.

De federale politie, verspreid over 121 locaties, heeft een gestructureerd en regelmatig geactualiseerd infrastructuurmasterplan opgesteld, dat een duidelijk overzicht biedt en de prioriteiten rangschikt. De Regie der Gebouwen en mijn kabinet zullen een strategisch overleg organiseren, in samenwerking met de federale politie.

Daarnaast kan ik u meegeven dat ik aan de toezichtsminister van de regie heb gevraagd om een nieuwe werkmethodiek voor de jaarlijkse projecten in te voeren, zodat overleg wordt verzekerd en de verzoeken van de federale politie volledig worden meegenomen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, uiteraard ligt de grootste verantwoordelijkheid bij de Regie der Gebouwen en bij de toezichtsminister, zoals u zo mooi zei. Het is wel onvoorstelbaar dat er in 2019 vaststellingen werden gedaan, alle problemen, die we vandaag nog kennen, in het inspectieverslag werden geregistreerd en doorgegeven, zowel intern als extern, en dat men moest wachten tot 2022, vooraleer zeer voorzichtig het dak werd hersteld, wellicht om de grootste noden te lenigen. Nu zijn we weer drie jaar later en u antwoordt mij dat na 2026 misschien en na overleg met de toezichtsminister in het masterplan dat eraan komt, iets structureels en ten gronde zal gebeuren. Dat kan er bij mij niet in. Een overheid die respect heeft voor haar politiediensten, moet er ook voor zorgen dat die politiediensten op een goede manier worden gehuisvest.

Ik hoop dat er veel sneller op de bal zal worden gespeeld en dat men niet blijft talmen met die grootste noden. U spreekt van 121 sites in totaal. Dat is enorm veel. Ik hoop dat daarvoor de nodige middelen zullen worden uitgetrokken en vooral dat de problemen op korte termijn worden opgelost. Onze politiediensten verdienen dat.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, voor een goed begrip, u zei dat het vredegerecht zal verhuizen naar de gebouwen van de federale wegpolitie. Is dat gepland voor dit jaar? Dat was mij niet helemaal duidelijk. Na 2026?

Bernard Quintin:

Na 2026. (…)

Brent Meuleman:

Op een aantal vragen heb ik nog geen antwoord gekregen. Die zou ik graag nog schriftelijk ontvangen.

De aanhoudende vreemdelingenrellen
Het geweld tegen de politie en de hulpdiensten tijdens de oudejaarsnacht
Geweld en rellen tegen overheidsdiensten tijdens onrustige periodes

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Ortwin Depoortere en Maaike De Vreese bekritiseren de recidiverende rellen op oudejaarsavond (brandstichting, geweld tegen hulpdiensten) door jonge allochtone relschoppers (inclusief kinderen van 10-12) en wijzen op structurele straffeloosheid ondanks "nultolerantie"-retoriek. Depoortere bewerkt dat de multiculturele samenleving mislukt is en pleit voor hardere repressie (opsluiting, schadevergoeding), terwijl De Vreese betere coördinatie (politiefusie Brussel, less lethal weapons voor agenten) en snellere strafvervolging eist. Minister Quintin veroordeelt het geweld, benadrukt verbeterde coördinatie (meer arrestaties in 2023) en preventieve maatregelen (huisarrest, cameranetwerk), maar erkent het zorgenwekkende aandeel minderjarigen en roept op tot strengere justitiële afhandeling—zonder expliciet in te gaan op de culturele of systeemkritiek van de oppositie.

Ortwin Depoortere:

Ik heb even nagekeken, mijnheer de minister, hoeveel keer ik hier nu al gestaan heb om rellen op oudejaarsavond aan te klagen. Sinds ik hier verkozen ben in 2019, heb ik al meer dan tien keer een escalatie van geweld in onze grootsteden moeten aanklagen.

De feiten van dit jaar zijn al even erg. Ik som ze even op. In Brussel werd er massaal brand gesticht, werden de politie en hulpdiensten brutaal aangevallen, raakten meerdere agenten gewond en werd een ambulancier in elkaar geslagen. In totaal ging het om maar liefst 684 politie-interventies.

In Antwerpen waren er, zoals gewoonlijk, vuurpijlen en molotovcocktails, maar zelfs bommen die zo zwaar waren dat DOVO moest tussenkomen. Onder de daders zaten 10- en 11-jarigen. De jammerlijke resultaten waren 101 arrestaties. Van die 101 gearresteerden, moeten er echter welgeteld 3 voor de rechter verschijnen.

Het blijft echter niet alleen bij Brussel en Antwerpen. Er waren immers gelijkaardige taferelen in Gent, in Harelbeke, een dorp in West-Vlaanderen, in Erpe-Mere en in steeds meer kleinere gemeenten en steden, mijnheer Ronse. Dat gebeurt niet alleen met Nieuwjaar, maar ook wanneer de Afrika Cup wordt gespeeld. Als Marokko een voetbalwedstrijd wint, zijn er namelijk rellen, maar als Marokko verliest, zijn er ook rellen.

Ik zie maar twee rode lijnen in het hele discours. Ten eerste zijn we het ondertussen allemaal eens over het daderprofiel. Het gaat in hoofdzaak om jonge, allochtone relschoppers. Ten tweede blijven de antwoorden die ik steeds opnieuw krijg van de opeenvolgende regeringen en ministers dezelfde: nultolerantie. Dat blijft echter bij woorden, want we zien het niet in daden. Er wordt gesproken over overlegmomenten en knuffelmomenten. Ik hoop, mijnheer de minister, dat u dit jaar uit een ander vaatje zult tappen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik stond hier inderdaad ook voor de vakantie om te vragen welke voorbereidingen u zou treffen. Collega's, ik hoop dat ik hier over vijf jaar niet opnieuw sta met hetzelfde riedeltje. Ik hoop dat niet alleen, ik weet het ook. Ik weet dat er deze keer wel heel veel voorbereidingen zijn getroffen. Wij zijn er echter absoluut nog niet.

Wij hebben immers opnieuw de hallucinante beelden gezien. Dat zijn beelden waaraan wij nooit gewend mogen raken. Het zijn taferelen die wij ook moeten durven benoemen. Ze worden ook steeds meer benoemd door heel veel rolmodellen. Een deel allochtone jongeren zet telkens opnieuw de boel op stelten. Ze hebben nul respect voor onze samenleving, voor onze waarden en normen. Ze hebben nul respect voor onze ordediensten, voor onze politie en voor onze brandweer. Voor die groep moeten wij dus ook nultolerantie hanteren. Op dit moment is dat de enige taal die die jongeren nog begrijpen.

Mijnheer de minister, ik maak mij grote zorgen want wij zien de leeftijd ook telkens dalen. Het gaat niet alleen om jongeren. Het gaat ook om kinderen van 11 en 12 jaar. Dat zien wij ook in andere criminaliteitsvormen, bijvoorbeeld bij de drugscriminaliteit. Wij vragen ons dan ook af waar die ouders zijn en waar zij staan met hun ouderlijke verantwoordelijkheid.

De Gold Commander is een goede stap die de zaak in handen heeft genomen in Brussel. Nog veel beter zou natuurlijk de fusie van de politiezones in Brussel zijn. U weet net als ik dat de Gold Commander zelf heeft aangegeven dat hij op een positieve manier wil meewerken aan de fusie, als ze er komt. Dat moet ook het punt voor u zijn de komende maanden om daarvan eindelijk echt werk te maken. Dat zou een echte doorbraak zijn.

Ik had nog veel meer op mijn papier staan, maar ik wil u enkel nog het volgende vragen. Hoe zult u de rellen voorbereiden? Welke lessen hebt u geleerd?

Voorzitter:

De tijdsklok is onverbiddelijk.

Mijnheer de minister, u hebt vier minuten spreektijd.

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, tijdens de voorbije weken zijn onze politiediensten inderdaad meerdere keren moeten tussenkomen om incidenten en opstootjes te beëindigen. Dat was het geval naar aanleiding van de jaarwisseling, maar ook in de context van sportevenementen in het buitenland. Laat mij duidelijk zijn, ik veroordeel die rellen en dat geweld ondubbelzinnig. Voor die relschoppers mogen we geen enkel excuus zoeken en zeker niet in de uitslag van een voetbalwedstrijd, mijnheer Depoortere.

De geïdentificeerde daders moeten door Justitie met de grootste strengheid worden bestraft, zeker wanneer het gaat om geweld tegen orde- en hulpdiensten, die helaas opnieuw het doelwit waren. Alle beschikbare elementen zullen worden overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten, met het oog op de identificatie van de verantwoordelijken en de vergoeding van de slachtoffers. Het door mij versterkte cameranetwerk zal daarbij helpen. Ik pleit er bovendien voor dat die relschoppers bij toekomstige feestelijke evenementen onder huisarrest worden geplaatst. Wie de regels van de openbare ruimte niet respecteert, heeft daar geen plaats. Burgemeesters kunnen dat doen en moeten dat ook doen.

Op 31 januari was ik aanwezig in het commandocentrum van de politie, maar ook op het terrein, samen met de veiligheids- en hulpdiensten. Op basis van wat mij ter plaatse werd meegedeeld en op basis van de incidentencijfers blijkt dat de situatie in Brussel duidelijk beter onder controle was dan in de voorgaande jaren, omdat we, mevrouw De Vreese, lessen hebben getrokken uit het verleden. Er waren meer mensen op het terrein, een betere coördinatie en snellere interventies. Zoals steeds is de politie opgetreden wanneer dat noodzakelijk was. Er werden 63 personen administratief aangehouden. Daarnaast werden, volgens het parket, 72 personen gerechtelijk gearresteerd. Van hen werden 60 personen ter beschikking gesteld van het parket, onder wie 31 meerderjarigen en 29 minderjarigen. In Antwerpen werden 92 personen administratief aangehouden, onder wie 56 minderjarigen. Daarnaast werden 9 personen gerechtelijk gearresteerd.

Het hoge aandeel minderjarigen onder de relschoppers is bijzonder zorgwekkend en roept ernstige vragen op over hoe zulke jonge mensen tot extreem gewelddadig gedrag kunnen komen. We zijn allemaal jong geweest, sommigen onder ons misschien iets langer dan anderen. Ik kijk niet naar u, mijnheer Depoortere. Zulke daden zouden nooit in ons zijn opgekomen, althans dat hoop ik. Het gaat hier om zware feiten: brandstichting en geweld tegen politie, brandweer en ambulanciers. De incidenten waren niet beperkt tot Brussel en Antwerpen, maar deden zich ook voor in Gent en andere steden en gemeenten. In aanloop naar de jaarwisseling heb ik de lokale overheden opnieuw gewezen op het ruime instrumentarium waarover zij beschikken, waaronder vuurwerkverboden, huisarrest en andere preventieve maatregelen. Iedereen moet daarbij zijn verantwoordelijkheid nemen.

Midden december hebben mijn diensten samen met de betrokken partners overleg gepleegd om een gecoördineerde aanpak tijdens de jaarwisseling te verzekeren. Mijn diensten evalueren het afgelopen oudejaar om ons in de toekomst nog beter voor te bereiden. Ik wil alle betrokken diensten, zowel federale als lokale, danken voor hun inzet en professionele samenwerking. Tot slot wil ik duidelijk zijn: geweld en rellen zijn onaanvaardbaar, ongeacht wie de daders zijn. Hun afkomst of nationaliteit is hier niet van tel. Wat telt, is dat relschoppers consequent en kordaat worden aangepakt. Daarvoor reken ik op Justitie.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik trek andere conclusies. Ten eerste, de multiculturele samenleving is compleet mislukt. Het jarenlange linkse gepamper heeft ervoor gezorgd dat vierde- en vijfdegeneratieallochtonen zich openlijk tegen onze maatschappij met haar normen en waarden afzetten en steeds gewelddadiger worden.

Ten tweede, het dreigt ook het failliet van onze rechtsstaat te worden. De straffeloosheid is totaal. Wie wetten niet afdwingt, heeft geen gezag meer.

Mijnheer de minister, ik wil dat u heldere en duidelijke taal spreekt. Preventie heeft gefaald. Het is tijd voor repressie. Sluit die herrieschoppers op. Laat ze betalen voor de schade. Wie zich gedraagt als een vijand van onze samenleving, moet ook zo worden aangepakt.

Maaike De Vreese:

Minister, daders moeten gevat, geïdentificeerd, maar ook gestraft worden. Dat gebeurt op dit moment onvoldoende. Er is inderdaad niet alleen een gevoel van straffeloosheid, maar het straffen laat ook veel te lang op zich wachten. Collega Van Vaerenbergh heeft de cijfers opgevraagd. Die wijzen er echt wel op dat we daar met een probleem zitten waarop een antwoord moet komen. Voorts moet onze politie zich ook kunnen verdedigen. We zien dat die mensen door daders met vuurwerk worden aangevallen. We zien ook dat ze zich nog altijd niet op een gedegen manier kunnen verdedigen. Defensie heeft less lethal weapons aangekocht. U weet dat ik al een jaar vraag om ervoor te zorgen dat ook de politie zich op een gedegen manier kan verdedigen, mijnheer de minister. Hier zijn drie partijen bij betrokken: Binnenlandse Zaken, Justitie en in de toekomst misschien ook Defensie. Zet die alstublieft samen. Ik hoor op het terrein dat zij vragende partij zijn om de Nationale Veiligheidsraad meer te laten samenkomen. Dat is mijn vraag voor u. Overweegt u dat? Ik zou dat wel doen.

De dreigende taal van de Trump-administratie tegen Groenland
De dreigende taal van de VS richting Groenland
Groenland en de inachtneming van het internationale recht
De uitspraken van president Trump over Groenland
De ambities van de Verenigde Staten ten aanzien van Groenland
De uitspraken van president Trump over Groenland
Groenland, Venezuela en het internationale recht en de impact op de Belgische defensiepolitiek
Onze militaire afhankelijkheid van de VS in het licht v.d. illegale inval in Venezuela door Trump
De inval in Venezuela, de dreigende taal richting Groenland en de impact op de NAVO
Amerikaanse geopolitieke ambities, dreigende taal en internationale rechtskwesties rond Groenland en Venezuela

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een actualiteitsdebat in het Belgische parlement bekritiseren oppositie en regeringsleden unaniem de Amerikaanse dreiging met annexatie van Groenland (Deens autonoom gebied, NAVO-lid), na de controversiële militaire operatie in Venezuela door de Trump-administratie. Sprekers als Lasseaux, De Smet en Lacroix (oppositie) noemen Trumps uitspraken een "imperialistische schending van internationaal recht" en een directe bedreiging voor de NAVO-eenheid, terwijl ze België en de EU oproepen tot sterke diplomatieke en economische sancties en het activeren van NAVO-artikel 4 (consultatie bij bedreiging). Denemarken en Groenland verwerpen de Amerikaanse claims eenduidig, maar België ondertekende – in tegenstelling tot Frankrijk, Duitsland en het VK – initieel geen gezamenlijke verklaring ter ondersteuning, wat kritiek uitlokt. Minister Francken (Defensie, N-VA) bevestigt dat de internationale rechtsregels "overschreden" zijn (Venezuela/Groenland) maar benadrukt Belgiës afhankelijkheid van de VS voor veiligheid, vooral door jarenlange onderinvestering in defensie. Hij pleit voor diplomatieke dialoog en waarschuwt dat Europa te zwak is om zonder Amerikaanse steun te opereren, ondanks de noodzaak aan "strategische autonomie". Critici (o.a. Van Hecke, Schlitz) werpen hem hypocrisie voor: zij wijzen op zijn eerdere bagatellisering van het internationaal recht ("voer voor juristen") en de F-35-aankoop – die Denemarken niet beschermde tegen Amerikaanse druk. Francken repliceert dat retweets geen instemming zijn en dat Europese eenheid en defensie-investeringen prioriteit moeten zijn, maar ontkent niet de crisis binnen de NAVO. Kernpunt: België balanst tussen loyaliteit aan de VS en verdediging van het internationaal recht, terwijl de groeiende VS-EU-spanningen (energie, grondstoffen, Groenland) de NAVO-samenhang bedreigen – met Rusland en China als winnaars van deze verdeeldheid.

Voorzitter:

Ik wil ten persoonlijken titel alle collega's, de minister en alle medewerkers voor en achter de schermen het allerbeste wensen voor 2026.

We gaan meteen stevig van start met een actualiteitsdebat, waarin een aantal onderwerpen en vragen gegroepeerd zijn omdat ze ietwat over hetzelfde gaan, ook al is er heel veel te zeggen over elk thema afzonderlijk, zijnde Groenland, Venezuela en het internationaal recht .

Stéphane Lasseaux:

Chers collègues, meilleurs vœux à chacune et chacun. En ce début d'année, n'oublions certainement pas les bons principes, afin que tout le monde puisse se sentir encore mieux dans cette belle année, du moins nous l'espérons.

Monsieur le ministre, après la réussite de l'opération militaire au Venezuela, l'administration du président Donald Trump semble croire que tout est possible et que ses désirs vont se réaliser, quelle que soit la position du reste de la communauté internationale. Ainsi, le président Trump et certains membres de l'administration américaine ont rappelé leurs intentions de prendre le contrôle du Groenland, en invoquant des raisons de sécurité nationale et la soi-disant incapacité du Danemark à assurer la protection de ce territoire. Or il s'agit d'un territoire du royaume du Danemark, membre de l’OTAN.

La souveraineté du Danemark est une question qui sera réglée par les Danois avec les Groenlandais, comme l’a rappelé le premier ministre danois. Le premier ministre démocratiquement élu du Groenland a également exprimé son rejet de cette volonté d’annexion, reflétant la position de sa population.

Ces menaces doivent être prises au sérieux. Lors de la conférence de presse du samedi 3 janvier, le secrétaire d’État Marco Rubio a souligné que les paroles du président actuel des États-Unis n’étaient pas des propos en l’air. Des analystes internationaux, que nous ne pouvons soupçonner d’anti-américanisme, comme Bruno Tertrais ou Ian Bremmer, ont également souligné le sérieux de la situation. Les dernières déclarations du président ne sont pas rassurantes, puisque des opérations militaires sont même envisagées, alors que le Danemark privilégie clairement une voie beaucoup plus diplomatique. Les dirigeants des États scandinaves ont exprimé leur pleine solidarité avec le Danemark. La Belgique n’a pas encore réagi à ce jour.

Monsieur le ministre, avez-vous déjà eu l’occasion d’aborder ces menaces de l’administration Trump lors de réunions ou de contacts avec vos homologues européens, en particulier danois? Dans vos échanges avec des représentants des États-Unis, avez-vous pu faire part du caractère inacceptable de ces menaces? Comptez-vous le faire à l’avenir? Ne serait-il pas nécessaire de commencer à planifier sérieusement les réponses diplomatiques, économiques et éventuellement militaires en cas d’action américaine contre la souveraineté du Danemark et donc du Groenland?

François De Smet:

Monsieur le président, chers collègues, meilleurs vœux à vous. Monsieur le ministre, meilleurs vœux à vous également, dans le cadre de vos compétences en cette année nouvelle qui commence très fort au regard de l'actualité internationale. On peut penser ce qu'on veut du président Maduro, que personne ici, ou presque, ne défendra, mais son enlèvement constitue un événement historique qui accélère la reconfiguration de l'ordre mondial.

Bien entendu, le non-respect du droit international par les États-Unis , par les Occidentaux, par les grandes puissances en général n'est pas neuf. En revanche, la nouveauté est apportée par la démarche d'intimidation extrêmement forte, ainsi que par le message envoyé à tout le monde, y compris à nous, les alliés, consistant à dire: "Soyez désormais nos vassaux, même si vous êtes nos alliés européens. Vous voyez que nous n'avons aucun scrupule ni aucun état d'âme dans nos actions." C'est la raison pour laquelle – et je voudrais également parler du Groenland – il faut prendre extrêmement au sérieux les déclarations de plus en plus musclées souhaitant une mainmise des États-Unis sur le Groenland, territoire autonome relevant du royaume du Danemark. Je sais qu'il n'est pas compris comme tel dans l'Union européenne, puisque c'est un territoire autonome, mais, tout de même, il appartient au Danemark et est couvert par la protection de l'OTAN. Je relève en passant que, s'il y a bien un pays européen pro-américain et atlantiste, c'est le Danemark, lequel a même acheté des F-35. Or nous constatons que cela ne lui a pas servi du tout à rester dans les bonnes grâces de l'administration Trump. Par conséquent, acheter américain en vue de forger un lien atlantique – je le dis au passage – n'est pas nécessairement utile ni susceptible d'être récompensé.

Nous devons donc nous montrer plus fermes. Pour l'instant, je suis assez contrit par la relative faiblesse des soutiens européens, et belge en particulier, dans cette question du Groenland et du Danemark.

Monsieur le ministre, avez-vous déjà échangé à ce sujet avec les autorités danoises, bilatéralement ou au sein de l'OTAN? Considérez-vous que ce qui est en train de se passer ne nécessiterait pas la saisine de l'article 4 de l'OTAN? Tout le monde parle de l'article 5, mais l'article 4 permet simplement une concertation lorsque l'intégrité nationale ou l'indépendance politique d'un membre est remise en cause. Dans une telle situation, quelle position notre pays défendra-t-il au Conseil de l'Atlantique Nord et au sein des instances européennes compétentes?

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, je vous présente également mes meilleurs vœux de bonne santé et vous souhaite surtout beaucoup de courage et de courage politique. Il en faudra face à une situation qui, de jour en jour, devient de plus en plus sombre et prend des accents sans cesse plus impérialistes et fascisants de la part du régime de Donald Trump, de son gouvernement, de ses affidés, de celles et ceux qui considèrent que les territoires, à partir du moment où ils recèlent des minerais rares, des denrées importantes et des ressources pétrolières, méritent l'invasion, le kidnapping d'un président certes peu agréable – c'est le moins qu'on puisse dire – et peu légitime. La fin ne justifie cependant pas les moyens.

Nous sommes en train de vivre une rupture totale entre le monde d'aujourd'hui, du multilatéralisme et de la paix et un retour avec le monde d'avant la Société des Nations, à la Première Guerre mondiale. Ce qui est encore plus sidérant mais ne me surprend pas, car il suffisait de lire la note stratégique de Donald Trump pour ne pas être étonné, c'est qu'aujourd'hui, très clairement, le président Trump mais également d'autres que lui menacent directement et de manière très concrète le Groenland, à savoir un allié, le Danemark, en disant qu'il va être temps que cela se produise. Et, dans quelques jours, pour ne pas dire quelques heures, Donald Trump annoncera une décision en la matière.

C'est véritablement une menace que les fondateurs de l'OTAN n'avaient même jamais imaginée, qu'un membre de l'OTAN puisse être potentiellement un ennemi. Qu'arriverait-il si effectivement des soldats européens et des soldats danois notamment présents sur le territoire du Groenland se faisaient attaquer par des soldats américains? Bien que l'imagination n'ait pas de limites, il ne s'agit pas ici d'imagination mais de points très concrets.

La première ministre danoise a été obligée de demander aux États-Unis de cesser leurs menaces contre un allié historique. Le premier ministre groenlandais a, lui aussi, fermement regretté ces menaces, appelant à mettre fin aux pressions et aux fantasmes d'annexion.

Monsieur le ministre, au sein de l'Union européenne et de l'OTAN, la Belgique a-t-elle dénoncé, de manière ferme, la volonté expansionniste de Donald Trump au détriment du Groenland et des frontières européennes? Quelles initiatives sont-elles prises par notre pays pour rappeler la primauté du droit international, quel que soit le pays et quelles que soient les circonstances, assurer la sécurité de notre continent et condamner toute tentative d'acquisition ou d'ingérence étrangère dans ce territoire?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, de Amerikaanse president Donald Trump liet bij zijn aantreden weten dat de VS bijzondere interesse heeft in Groenland, dat deel uitmaakt van Denemarken. De redenen die hiervoor worden aangehaald zijn onder andere dat de ligging aan de Noordpool interessanter wordt, aangezien de ijsmassa aan het afnemen is en dus meer levensvatbaar is voor commercieel en militair zeeverkeer. Daarnaast wordt ook aangehaald dat het grondgebied van Groenland nog niet commercieel werd geëxploiteerd voor grondstoffen en dat dit, gelet op de geopolitieke situatie, een cruciale factor zou zijn voor de strategische autonomie van de VS.

Afgelopen week verklaarde de Amerikaanse president dat er op heel korte termijn over Groenland zou worden gesproken. Zowel de Deense als de Groenlandse regering lieten al verstaan dat van een annexatie van het gebied door de VS geen sprake kan zijn en dat dit de facto het einde van de NAVO betekent.

Mijn vragen voor de minister zijn de volgende. Hoe reageert u op de uitspraken van de Amerikaanse president? Welke motivering zit er volgens u bij het herhaaldelijk aandringen van de VS om controle over Groenland te krijgen?

Er wordt van uitgegaan dat het gebied Groenland, dat tot Denemarken behoort, dus ook wordt gedekt onder het NAVO-verdrag. Aangezien de VS lid is van de NAVO, is het geboden om bij een incursie op te treden. Hoe verschilt deze garantie van deze die de VS nu wil beogen?

Er zijn al verschillende Amerikaanse basissen op Groenland. Die werden opgericht tijdens de Koude Oorlog, maar zouden kunnen worden uitgebreid. Hoe past dit in het voornemen van de VS om de controle over het gebied te behouden?

Via verschillende media vernemen wij dat de militaire activiteiten van de Volksrepubliek China en de Russische Federatie nabij Groenland zijn verhoogd. Hebt u daar meer informatie over? Dank u.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, collega's, mijn beste wensen voor het nieuwe jaar. Ik denk dat het opnieuw een geopolitiek gevoelig en woelig jaar zal worden. Wij zullen in deze commissie wel degelijk ons werk hebben.

Het eerste actuadebat is een beetje een potpourri geworden. Heel wat onderwerpen zijn aan elkaar gekoppeld, terwijl over elk onderwerp apart wel een en ander te vertellen is. De premier zei gisteren in Terzake dat we moesten stoppen met prevelen over het internationaal recht. Ik ga dat niet doen. Ik vind het internationaal recht een hoeksteen van onze samenleving, van onze westerse democratie. We zijn een stichtend lid van Europa. We zijn van het eerste uur bij de Verenigde Naties. Ook in zeer woelige geopolitieke tijden moet men spelregels hebben. Die spelregels worden zeer driest met de voeten getreden, niet het minst door een van onze bondgenoten.

Ik schrik er niet van dat de president van de Verenigde Staten die spelregels niet respecteert. Er valt heel wat te zeggen over zijn aanpak in Venezuela. Ik denk dat niemand, of toch bijna niemand, een traan zal laten over het vertrek van Maduro, maar de manier waarop is een schending van het internationaal recht. Dat mag gezegd worden, dat moet gezegd worden, zeker door Europa, zeker door ons. Als wij het al niet meer doen, dan zullen er binnenkort geen spelregels meer zijn.

Waarover ik het vooral wil hebben, is Groenland. Dat de president van de Verenigde Staten zijn goesting doet in Venezuela is één zaak, maar dat hij over Groenland, lid van de NAVO, deel van Denemarken, zeer gratuit zegt dat hij dat graag wil innemen of overkopen van Denemarken of troepen wil plaatsen, is schrijnend. Dat doet men niet met partnerlanden. Dat doet men niet met bondgenoten.

Ik heb gisteren een sterke en goede verklaring van een aantal landen gelezen: Frankrijk, Duitsland, Italië, Polen, het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Denemarken. Wij moeten onze voet zetten. In het internationaal recht is territoriale integriteit en soevereiniteit één van de hoekstenen. Dat moet worden gerespecteerd. Dat was een sterk statement. België stond daar niet bij.

Mijnheer de minister, hoe kijkt u naar dat statement? Hoe kijkt u naar de uitspraken van president Trump over Groenland? Zijn wij niet gevraagd om mee te ondertekenen? Wat is de reden dat ons land of onze Belgische regering dat niet mee heeft ondertekend?

Stefaan Van Hecke:

Collega’s, mijnheer de minister, ik wens u allen het allerbeste voor het nieuwe jaar en vooral een vredevol 2026, mijnheer de minister.

Er is al heel wat gezegd. Wat opvalt, is dat er binnen de regering verschillende reacties zijn gekomen naar aanleiding van wat er in Venezuela is gebeurd. Als er echter één duidelijke lijn was, dan is het dat u, mijnheer de minister, maar ook uw fractieleider, de heer Ronse, en ook de heer Bouchez in wezen allemaal dezelfde positie innamen: het internationaal recht lijkt eigenlijk niet van tel te zijn.

Dat de heer Ronse als fractieleider enthousiast is, is geen verrassing. Hij is altijd enthousiast over alles wat de regering doet en over alles wat de Verenigde Staten doen. Dat verbaast dus niet. Het loutere feit dat het om een communistische dictator gaat – die we even hard verfoeien als iedereen hier – is blijkbaar voldoende om het internationaal recht even opzij te schuiven.

Mijnheer de minister, ook in uw communicatie, onder meer via uw tweets, probeert u dat goed te praten. Of het om een inbreuk op het internationaal recht gaat, zou volgens u voer zijn voor juristen. Voer voor juristen, voer voor debat. Nochtans zijn alle nationale en internationale experten eenduidig: wat er is gebeurd, is een manifeste inbreuk op het internationaal recht. Dat is geen voer voor juristen, alle juristen zijn het daarover eens.

Wat zult u dan zeggen als president Trump hetzelfde doet in Colombia? Voer voor juristen, voer voor debat? Wat zult u zeggen als president Trump hetzelfde doet en Groenland binnenvalt? Voer voor juristen, voer voor debat? Wat zult u zeggen als China Taiwan binnenvalt? Voer voor juristen, voer voor debat? Dat is een heel gevaarlijke lijn die u als minister volgt, een slippery slope . Van een minister en van een regering mogen we nochtans een ondubbelzinnige reactie verwachten, met respect voor het internationaal recht. Ik heb dan ook een aantal zeer concrete vragen, waarvan er al vele zijn gesteld.

Hoe zal België dit binnen de NAVO aankaarten? Hoe zal ons land zich verhouden tot de aanspraken op Groenland? Er is inderdaad een verklaring van een aantal staatshoofden die België niet heeft ondertekend, maar die nadien wel via een tweet werd bevestigd. Kunt u wat meer duidelijkheid geven over het Belgische standpunt? Ik kijk uit naar uw antwoord. Dank u wel.

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, monsieur le ministre, chers collègues, je vous présente également mes meilleurs vœux pour l'année 2026.

Monsieur le ministre, le 4 janvier, le président Trump a menacé le Groenland et le Danemark, déclarant que les é tats-Unis avaient besoin du Groenland pour leur sécurité nationale. Ces propos interviennent après l'attaque illégale menée par les É tats-Unis contre le Venezuela qui a mené à l'enlèvement du président Maduro et de son épouse.

Le Groenland est l'un des trois pays constitutifs du Royaume du Danemark. La première ministre danoise, Mme Frederiksen, a déclaré que ces menaces doivent être prises au sérieux et qu'une attaque américaine contre le territoire d'un allié de l'OTAN signifierait la fin de l'Alliance. Elle compte sur le soutien des alliés européens pour garantir l'intégrité territoriale du Danemark et du Groenland. Le premier ministre groenlandais a également rejeté fermement ces menaces, rappelant qu'il appartient aux Groenlandais de décider de leur avenir.

Hier, une déclaration commune de la France, de l'Allemagne, de l'Italie, de la Pologne, de l'Espagne, du Royaume-Uni et du Danemark a été publiée, explicitant le positionnement de ces pays et appelant les É tats-Unis à respecter la souveraineté de ce territoire. La Belgique ne s'y est pas jointe jusqu'à présent.

L'attaque américaine contre le Venezuela démontre que l'administration Trump ne respecte plus le droit international. Soyons clairs, nous refusons toute complaisance envers le régime autoritaire, corrompu et antiécologique de Maduro, mais cela ne signifie en rien qu'un autre État le destitue par la violence. Le recours à la force armée est interdit, hors mandat du Conseil de sécurité des Nations Unies ou légitime défense. L'absence de condamnation du gouvernement belge est, à ce titre, consternante.

Monsieur le ministre, ne soyons pas naïfs, l'attaque au Venezuela, ce n'est pas la libération de son peuple. Il ne s'agit pas du respect de l'État de droit ou de la mise en place d'États démocratiques à travers le monde. On sait qu'ici se joue une course à l'accaparement des matières premières et des énergies fossiles. Le président Trump l'a lui-même déclaré en disant que cette attaque était motivée par un meilleur accès au pétrole vénézuélien pour les compagnies américaines. C'est clair, limpide comme de l'eau de roche. Précisons que le Groenland abrite également d'importants gisements de terres rares, de cuivre et de lithium.

Monsieur le ministre, le gouvernement condamne-t-il l'invasion récente du Venezuela et les menaces des États-Unis envers le Groenland et le Danemark?

Considérez-vous que l'intervention militaire américaine constitue une violation de l'article 2, § 4 de la charte des Nations Unies? Si oui, quelles conséquences juridiques et politiques en tirez-vous dans les relations bilatérales Belgique-États-Unis? Dans la négative, sur quelle base juridique précise cette intervention est-elle selon vous justifiée?

La Belgique est-elle prête à respecter ses obligations de défense collective si le Groenland faisait l'objet d'une agression militaire, y compris de la part d'un allié?

Le Danemark a-t-il déjà pris contact avec la Belgique en vue d'une éventuelle activation de l'article 5 de l'OTAN ou de l'article 42, § 7 du traité sur l'Union européenne?

Le gouvernement pourrait-il soutenir l'établissement d'une présence militaire européenne permanente au Groenland en accord avec le Danemark comme mesure de dissuasion et de prévention? Dans la négative, comment justifiez-vous ce refus face à une menace crédible sur un territoire européen stratégique?

Enfin, à la lumière de cette intervention américaine unilatérale, votre gouvernement maintient-il toujours que l'achat des F-35 garantit l'autonomie stratégique et la sécurité de la Belgique? Une réévaluation de cette dépendance militaire vis-à-vis des é tats-Unis est-elle envisagée?

Axel Weydts:

Beste collega’s en mijnheer de minister, mijn beste wensen voor 2026.

Na alle gebeurtenissen in de voorbije dagen lijkt het alsof we al enkele maanden ver zijn in 2026, terwijl het nieuwe jaar nog maar zeven dagen oud is. Het lijkt alsof de geopolitiek opnieuw op losse schroeven staat en dat de wereldorde weer een zware deuk heeft gekregen. De uitspraken van president Trump over Groenland, die ik voor alle duidelijkheid niet goedkeur, zijn niet echt een verrassing. Wie goed heeft opgelet bij de briefing van de CHOD, de chef Defensie, tijdens de hoorzitting enkele weken geleden, zal zich het gedeelte over het Arctisch gebied in zijn geopolitieke analyse wellicht nog herinneren. Het Noordpoolgebied wordt door de klimaatverandering weldra een zeer interessante regio voor de wereldhandel. De verdediging van die mogelijk nieuwe handelsroutes is daarbij dan ook belangrijk. De uitspraken van president Trump moeten dus gekaderd worden in de toenemende interesse van China, Rusland en de Verenigde Staten in het Arctisch gebied. De claim van de Verenigde Staten op Groenland is onterecht en moet ons zorgen baren.

Gisteren werd het akkoord van de coalition of the willing gesloten om een reassurance force te installeren in Oekraïne zodra daar een wapenstilstand wordt bereikt en vrede komt. Een belangrijk en cruciaal element daarbij zijn de veiligheidsgaranties van de Verenigde Staten en de zogenaamde backstop. Hoe kunnen wij, Europeanen, nog vertrouwen hebben in de president van de Verenigde Staten, die aanspraak maakt op de soevereiniteit van Groenland, dus op de soevereiniteit van het koninkrijk Denemarken? Hoe kunnen wij nog vertrouwen hebben in die backstop voor een reassurance force in Oekraïne, wanneer die NAVO-partner dreigt om eventueel zelfs manu militari een andere NAVO-partner te annexeren? Dat zijn zaken die de Vooruitfractie bijzonder verontrusten.

Mijnheer de minister, hoe leest u de verklaringen van president Trump met betrekking tot de annexatie of poging tot inlijving van Groenland? Hoe kunnen wij, met een dergelijke president aan het roer in de Verenigde Staten, nog vertrouwen op die NAVO-partner om die zo belangrijke veiligheidsgaranties voor Oekraïne daadwerkelijk op het terrein waar te maken?

Voorzitter:

De collega's Van den Heuvel en Van Rooy wensen aan te sluiten in dit actualiteitsdebat.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de voorzitter, het jaar is inderdaad nog maar pas begonnen en we wandelen al van de ene geopolitieke spanning naar de andere, van Venezuela naar Groenland. Het zijn allemaal uitingen van het zogenaamd imperiale denken, van het denken in invloedsferen, dat is heel duidelijk.

Laten wij nu even focussen op Groenland, want de dreigementen zijn onaanvaardbaar. In het begin, ongeveer een jaar geleden, dachten we misschien dat het wel zou koelen zonder blazen, maar de feiten van de laatste dagen tonen iets anders aan. Er worden adviseurs aangeduid. Er wordt een team samengesteld. Er wordt een speciale vertegenwoordiger aangeduid. Wat aanvankelijk plagerijen leken, wordt nu omgevormd tot effectieve dreigementen. Het is dus bittere ernst.

Het is heel bedreigend voor de geloofwaardigheid en de hechtheid van het NAVO-bondgenootschap wanneer de daddy van dat bondgenootschap een lidstaat afdreigt en een groot deel wil inpikken. Er zijn daarvoor redenen, namelijk het arctische belang, maar die zijn onvoldoende. Als een bondgenootschap hecht, geloofwaardig en sterk is ten aanzien van de buitenwereld, dan doet men dat niet. Dat ondermijnt echt de geloofwaardigheid van het bondgenootschap.

Mijnheer de minister, ik ben dan ook van mening dat ons land een straffe veroordeling moet uitspreken. Wij hebben gisteren gereageerd, vermits een straffe veroordeling door de Belgische regering aanvankelijk uitbleef, terwijl andere Europese landen dat wel deden. De premier heeft dat ‘s avond rechtgezet, maar wij zouden toch graag zien dat België op dat vlak mee in de spits van het peloton rijdt en zich niet pas achteraf aansluit.

Ten tweede is er de band met Oekraïne. De Verenigde Staten uiten een zeker voluntarisme, maar de vraag is wat daarmee samenhangt en hoe geloofwaardig dat nog is. We hebben de Verenigde Staten nodig. Wordt er een ruil in het vooruitzicht gesteld? Hoe geloofwaardig is dat alles?

Ten derde, in lijn met wat de voorbije weken en maanden in deze commissie al door verschillende leden is benadrukt, wil ik een oproep doen om nu echt werk te maken van een sterke Europese pijler. In een context van imperiaal denken is het absoluut nodig dat we evolueren naar een sterk Europees antwoord en dat we daarover duidelijke afspraken maken. Dat betekent ook dat, zeker bij de dominante Europese landen, eng nationalistische reflexen achterwege moeten blijven. Als middelgroot land binnen Europa kan België, zoals de voorbije decennia al is gebleken, misschien mee de lead nemen om een straf Europees antwoord te formuleren.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de voorzitter, ik wil, ten eerste, ook van mijn kant iedereen hier aanwezig het beste wensen, misschien niet zozeer op politiek vlak, maar zeker op persoonlijk vlak.

Met chirurgische precisie en via een bijzonder knappe en zeer complexe militaire operatie heeft de Verenigde Staten gelukkig de criminele linkse tiran Maduro gearresteerd. Het gevolg daarvan is dat het moegetergde Venezolaanse volk of wat daarvan nog is overgebleven, uitbundig juicht.

Het kan niet genoeg worden herhaald. Maduro was niet de president van Venezuela, maar een maffiose linkse dictator die Venezuela heeft leeggeroofd en omgevormd tot een terreurbasis voor de jihadisten van Hezbollah en Iran. Via migratie, criminaliteit en jihadistische terreur voerde Maduro oorlog tegen de Verenigde Staten, tegen het Westen en ook tegen ons.

Maduro en zijn entourage bezetten Venezuela. Zij kunnen de begrippen soevereiniteit en internationaal recht, die hier opnieuw lustig worden rondgestrooid, niet eens spellen. Meer nog, zij zijn de grootste vijanden ervan. Maduro is een zoveelste dominosteentje dat valt. Dat hoop ik althans. Misschien vieren wij mede daardoor binnenkort de val van het nog criminelere en terroristische islamitische regime van Iran. In dat geval zal het trotse Perzische volk uitbundig juichen. Met andere woorden, hold your horses .

Wees dus kritisch zoals wij. Toon echter ook eens enthousiasme en dankbaarheid voor een leider als Trump, die met al zijn gebreken de westerse beschaving verdedigt. Mijnheer Francken, misschien durft u dat wel te doen. Trump doet dat, in tegenstelling tot de vele softe en laffe leiders in West-Europa, die het continent elke dag verder laten islamiseren en onze beschaving vernietigen.

Theo Francken:

Goedemorgen collega’s. Mijn beste wensen voor een goed jaar.

We hebben het vorige jaar op mijn kabinet kunnen afsluiten met een drink, oppositie en meerderheid samen. Ik meen dat dit een leuk moment was, een goed moment ook om kennis te maken met mijn directeurs, om wat met elkaar te praten en om het jaar te overschouwen.

Het nieuwe jaar is er aangekomen met een storm. Dat had ik niet echt verwacht. Ik ben een paar dagen in de Ardennen geweest, voor wat gezinsrust, zoals velen onder jullie. Dat mag wel eens, meen ik. Toen ik terugkwam, stond alles op zijn kop. Dat is een voorbode van wat nog zal komen, want zoals een aantal collega’s al zei, is er wel nog wat op komst, meen ik.

Je présente mes meilleurs vœux à tous les députés, aux collaborateurs, aux collaborateurs de la Chambre et aux journalistes. J'espère que nous pourrons travailler correctement ensemble, comme nous l'avons fait l'année passée.

Het is een heel interessant debat. Ik zie ook heel wat nieuwe gezichten. Er is geen vergadering van de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen omdat onze minister momenteel in het buitenland verblijft, namelijk in de Verenigde Staten. Hij heeft daar de afgelopen dagen heel wat afspraken gehad. Hij zal morgen terug zijn voor de plenaire vergadering. Er zal dan ook zeker een debat plaatsvinden over de internationale situatie tijdens die plenaire vergadering met de minister van Buitenlandse Zaken en met de eerste minister, die gisteren de vergadering in Parijs heeft bijgewoond.

Ik ben echter geen minister van Buitenlandse Zaken. Ik begrijp dat een aantal collega’s toch een vraag wilde indienen om bepaalde zaken te kunnen vragen. Dat begrijp ik ook. Ik ben namelijk iemand die de eerste macht, het Parlement, zeer hoog acht. In die zin ben ik zeker ter beschikking, maar ik ben geen minister van Buitenlandse Zaken. De officiële positie en dergelijke worden uiteraard wel door de minister van Buitenlandse Zaken geformuleerd. Ik heb wel een aantal zaken gehoord waarop ik wel wil antwoorden.

De recente uitspraken van de Amerikaanse president over Groenland nopen tot ernst en precisie in dit debat, omdat ze raken aan de fundamenten van onze veiligheidsarchitectuur en aan de trans-Atlantische relatie.

Laat mij vooraf zeer duidelijk zijn over mijn rol. Het bepalen en communiceren van het Belgisch buitenlands beleid behoort tot de prerogatieven van de minister van Buitenlandse Zaken en van de eerste minister. Als minister van Defensie beperk ik mij tot het uitvoeren van het defensiebeleid van deze regering. Voor de officiële positie van de federale regering in deze kwestie moet u hen dus bevragen. Zij zijn morgen, als ik mij niet vergis, ter beschikking van de Kamer voor vragen. Dat zal ongetwijfeld een zeer interessant debat worden. Daar twijfel ik niet aan.

Chers collègues, le Groenland n'est pas un détail sur la carte du monde. Il est stratégiquement situé le long des principales routes maritimes internationales qui vont devenir encore plus importantes à l'avenir. Ce territoire joue non seulement un rôle clé dans l'accès à l'Arctique mais possède aussi des matières premières importantes, ce qui explique pourquoi les grandes puissances, comme les États-Unis, la Chine et la Russie, suivent cette région avec un intérêt croissant.

Het strategische belang van Groenland is manifest. De politieke en bondgenootschappelijke consequenties van bepaalde uitspraken situeren zich echter op een ander niveau.

Samen met u stel ik vast dat we na 30 jaar van onderinvestering in hard power , gecombineerd met een te eenzijdige focus op soft power , wakker worden in een wereld die opnieuw openlijk wordt bepaald door macht en militaire capaciteiten, een wereld waarin onze visie op en geloof in de internationale rechtsorde niet door iedereen wordt gedeeld. We dreigen daarmee af te glijden naar een wereld die Thucydides in de Melische dialoog schetste en waarnaar de eerste minister verwees in zijn speech voor de Verenigde Naties in september: "De sterken doen wat ze willen, de zwakken ondergaan wat ze moeten". Wie vandaag met onvoldoende hard power aan de onderhandelingstafel verschijnt, blijft met lege handen achter.

Cette constatation n'est pas agréable à entendre, mais c'est la réalité. Elle résulte de 30 ans de sous-investissement structurel dans la Défense. Aujourd'hui, nous dépendons fortement des États-Unis pour la dissuasion et pour la lutte contre la Russie en Ukraine, tout comme nous dépendons également largement de la présence militaire américaine et de ses capacités pour notre propre sécurité.

Er moet mij toch iets van het hart. Als er iets op mijn lever ligt, dan moet dat eraf. Ik begrijp dat een aantal leden voor een eerste keer of een van de eerste keren aanwezig zijn in de commissie voor Defensie. Alle respect daarvoor, iedereen is hier altijd welkom. Wat mij stoort, is steeds weer kritiek op bepaalde zaken. Men praat over het internationaal recht als het hoogste principe, wat het ook is, zonder daaraan echter de consequentie te koppelen dat men ook hard power nodig heeft. Speak softly and carry a big stick . Vaak zijn dat dan dezelfde partijen die ervoor gezorgd hebben dat wij ons defensieapparaat, dat bij uitstek de veruitwendiging van die hard power is, tientallen jaren hebben verwaarloosd en kapot bespaard, tot op de grond. Dat is toch een beetje hypocriet.

Ik ben nog geen jaar minister van Defensie, en ik moet elke week kritiek horen op president Trump. We don't like the guy, he's not a good guy . Ik moet kritiek horen op de Amerikanen, horen dat we geen F-35's mogen kopen, en nog meer van dat, maar als het over de coalition of the willing gaat, dan klinkt de vraag dat we toch geen troepen zullen sturen zonder een Amerikaanse backstop? We zorgen er toch wel voor dat onze troepen veilig zijn? We gaan er toch wel voor zorgen dat we nog met de Amerikanen in zee kunnen, want we hebben hen nodig.

Waarom hebben we hen nodig? Omdat we zelf te zwak zijn. Waarom zijn we te zwak? Omdat men in elk begrotingsdebat Defensie kapot bespaard heeft. Er moet nog 500 miljoen gevonden worden. Waar zullen we dat halen? Bij Defensie. De Landmacht, dat hebben we niet meer nodig. Hebben we al die machten eigenlijk nog wel nodig? Misschien moeten we de Marine wel afstoten, en luchtverdediging kopen is ook al een idioot idee. Dat zijn allemaal woorden van eerste ministers en van regeringspartijen die mij steeds opnieuw de les spellen en zeggen dat president Trump toch een evil guy is, dat we geen F-35's moeten kopen, dat de Amerikanen niet meer te vertrouwen zijn. Ik kreeg zelfs al parlementaire vragen ingediend of we al troepen naar Groenland hadden gestuurd.

Een beetje intellectuele eerlijkheid en consequentie zouden niet misstaan. In welke positie hebben we onszelf gemanoeuvreerd? In welke positie heeft het zwak Europees leiderschap, het Belgisch leiderschap van de laatste decennia, ons geplaatst? In een positie waarin we bij een overgang naar hard power inderdaad daddy tegen de baas in Washington moeten zeggen. Help us out, daddy . Dat is pijnlijk. Dat is niet leuk, toch?

Wat kunnen we daaraan doen? Waar zijn onze inlichtingcapaciteiten? Waar zijn onze capaciteiten op het vlak van refueling ? Waar zijn onze capaciteiten om op lange termijn kinetisch te gaan? Onze munitiestocks zijn om te huilen. Hoe komt dat? Er was geen geld om munitie te kopen.

Daarom vraag ik, alsjeblieft, een beetje consequentie. We zijn niet mee met moderne oorlogsvoering. Waarom niet? We mochten geen drones kopen. Drones, bewapenen, neen, dat mochten we zeker niet doen. Dat was onethisch. Welnu, kijk waar we nu staan! Kijk vooral eens in de spiegel, in de plaats van mij hier te bevragen vanuit de commissie voor Buitenlandse Zaken. Hoe komt het dat wij amper nog hard power hebben? Dat is overigens niet alleen in België het geval. Veel Europese landen staan nu echt met de broek op de enkels. Als men dan in Amerika een baas krijgt die men niet leuk vindt, dan wordt het wel extreem pijnlijk, heel extreem pijnlijk. Alsjeblieft mensen, alsjeblieft.

Voor onze eigen veiligheid zijn wij in belangrijke mate afhankelijk van Amerikaanse militaire aanwezigheid en capaciteiten. De komende jaren investeren wij volop om onze strategische autonomie te vergroten, maar dat is een werk van lange adem. Wij kunnen niet op enkele jaren rechttrekken wat decennialang werd verwaarloosd. We moeten ons daarvan bewust zijn, vooraleer we allerlei verklaringen afleggen die onze eigen veiligheidspositie alleen maar verzwakt. Denk toch ook eens aan uw eigen Europees veiligheidsbelang, zou ik zeggen. Het is heel leuk om iedereen elke dag te schofferen, maar denk misschien ook eens aan de consequenties daarvan.

Tegelijk is het belangrijk om vast te stellen dat de Verenigde Staten ook vandaag hun engagement ten aanzien van Oekraïense en Europese veiligheid blijven bevestigen. Zo hebben de Amerikanen gisteren in Parijs, tijdens de vergadering van de coalition of the willing voor Oekraïne, aangegeven dat ze bereid zijn veiligheidsgaranties te geven na een staakt-het-vuren of na een vredesakkoord, hopelijk zo snel mogelijk. Daarbij werd expliciet benadrukt dat de Verenigde Staten betrokken blijven bij het streven naar vrede, in nauwe samenwerking met hun Europese partners en NAVO-bondgenoten. Zoals daar werd gesteld: "We doen er alles aan om te blijven samenwerken met onze Europese collega’s en we willen er alles aan doen om vrede te bereiken. Er is veel vooruitgang geboekt. We hebben ook territoriale kwesties besproken en dat zullen we blijven doen."

Net daarom, collega’s, blijft het bestendigen van de trans-Atlantische band essentieel, in het bijzonder in het kader van de versterking van onze eigen defensiecapaciteiten, de agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne en de nucleaire afschrikking. In dat verband is het ook relevant te wijzen op het feit dat de Verenigde Staten in hun National Defense Authorization Act voor 2026 uitdrukkelijk het behoud bevestigen van een stabiele force posture in Europa – heel belangrijk –, met minstens 76.000 Amerikaanse militairen, en van een Amerikaanse generaal in de rol van Saceur.

Dat is ook iets wat collega Weydts heeft gezegd in het debat over de Amerikaanse veiligheidsstrategie net voor de vakantie. Dat was een heel interessant debat toen die vrijdagnamiddag.

Europa moet daarom kalm blijven, maar wel heel duidelijk maken – en dat heb ik hier ook gehoord van heel veel collega’s – dat territoriale integriteit en bondgenootschappelijke loyaliteit geen onderhandelbare concepten zijn. Daarin kan ik heel duidelijk zijn: dat is non-negotiable .

Tegelijk moeten we versneld werken aan een sterker Europa binnen de NAVO, zodat onze veiligheid minder afhankelijk wordt van politieke schommelingen elders.

Ces dernières heures, j’ai été en contact avec l’ambassadeur américain auprès de notre pays et l’ambassadeur américain auprès de l’OTAN, et je leur ai expliqué nos préoccupations.

Gisteren heb ik dus contact opgenomen met de Amerikaanse ambassadeur in België, de heer Bill White, die gisteren trouwens te gast was in De Afspraak . Misschien hebt u dat gezien, zo niet kunt u het herbekijken. Deze ochtend heb ik ook contact gehad met de Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO, Matthew Whitaker. Ik ben een Atlantisch denker. In het regeerakkoord staat ook heel duidelijk dat de NAVO voor ons de hoeksteen is en blijft van onze collectieve verdediging. Daarom is het belangrijk dat we met elkaar praten en bepaalde zaken durven aan te kaarten.

Ik begrijp de bezorgdheden die u hier uit met betrekking tot Groenland en de integriteit van NAVO-bondgenoot Denemarken.

Ce pays est l'un des plus loyaux envers les États-Unis et l’atlantisme.

Denemarken had na Amerika het hoogste aantal dode militairen in Afghanistan. Het koopt de F-35 en zoveel andere Amerikaanse wapensystemen. Het is dus bijzonder pijnlijk dat net zij nu vol in het vizier van de Verenigde Staten komen.

Ik snap bepaalde strategische overwegingen maar ik meen dat het goed zou zijn dat er in de komende uren en dagen vergaderd wordt over de belangrijkste elementen in dit debat door de belangrijkste protagonisten. Dan hebben we het over Groenland, Denemarken en de Verenigde Staten. Ik meen dat dit moet worden uitgepraat op een volwassen manier. Niemand heeft baat bij een food fight binnen de NAVO. De enigen die daarbij winnen, zijn onze vijanden. Laten we daar heel duidelijk over zijn.

Onze premier heeft dat gisteren in Parijs ook heel duidelijk gezegd. Niemand heeft baat bij dat we elkaar de duvel aandoen, elkaar afjakkeren, elkaar uitschelden of dat we tegen elkaar opbieden. Dat lijkt me bijzonder onverstandig. Dat heb ik heel duidelijk gemaakt. Het is belangrijk dat hier een oplossing gevonden wordt, dat we rustig blijven en de zaken uitpraten, zoals bondgenoten dat doen, zoals we dat al meer dan 70 jaar doen. We hebben al eerder crisissen gehad. Dit is uiteraard zo’n crisis, maar dit zullen we ook wel uitpraten.

Het is natuurlijk allemaal niet gemakkelijk. Iedereen heeft zijn belangen, zijn strategische visie, zijn bezorgdheden en zijn eigen kiezers. Dat begrijp ik allemaal, maar de mondiale situatie is bijzonder ernstig. Het is dus best dat we eendrachtig blijven. Daar ben ik echt van overtuigd. Dit is nog maar het begin van het jaar. Er zal nog veel gebeuren dit jaar.

Die boodschap is goed overgekomen. Ik ben ervan overtuigd dat er in de komende dagen heel wat initiatieven zullen komen, voor of achter de schermen, om hier uit te geraken. Dat is mijn hoop en ik meen dat het zal lukken.

Tot slot, er is op dit moment geen enkele vraag gekomen, niet via de NAVO, niet via de Europese Unie en niet bilateraal van Denemarken, om Belgische troepen naar Groenland te sturen.

Dat is gevraagd. Ik geef daar dus een antwoord op. Als minister van Defensie kan ik bevestigen dat er geen vraag is om troepen naar Groenland te sturen. Op dit moment hebben we nog geen vraag gekregen, niet van de EU, niet van Denemarken en niet van de NAVO. Ik geef maar antwoord op de vragen die ik krijg.

Collega’s, er is nog een laatste punt dat ik wil aanhalen. Er werd gesteld dat ik niet zou willen zeggen dat de internationale rechtsregels zijn geschonden. Ik word daarbij slecht geparafraseerd, wat ik betreur. Ik begrijp dat dit in een politiek discours soms dankbaar wordt gebruikt, maar men moet wel de volledige context lezen, dus ook de paragraaf erboven.

Ik weet, mijnheer Van Hecke, dat u er doorgaans naar streeft intellectueel correct en eerlijk te zijn. Dat duurt immers het altijd het langst. We weten dat allebei, want we zitten hier beiden al een hele tijd. Ik heb mijn tekst herlezen en wil het duidelijk stellen. Vanuit internationaalrechtelijk oogpunt zijn de regels overschreden, daarover bestaat voor mij geen twijfel. Ik heb wel gezegd dat bepaalde zaken voer zijn voor juristen. U weet hoe dat gaat met zulke discussies. Die belanden in de Veiligheidsraad van de VN, waarin de ene A zegt en de andere B, met vaak eindeloze discussies tot gevolg.

Wanneer men stelt dat er geen enkele jurist ter wereld bestaat die die internationaalrechtelijke interpretatie betwist, dan is dat niet correct. De juristen van het Amerikaanse Department of State betwisten die interpretatie. U kunt daar heel hard mee lachen, maar er zijn juristen van een groot en machtig land, die alle mogelijke argumenten afwegen om die zaak inhoudelijk te betwisten. Uw bewering dat niemand dat betwist, klopt dus niet. In de Verenigde Naties wordt namelijk vrijwel alles betwist. Er zijn zelfs juristen die ontkennen dat de Russische invasie van Oekraïne een schending vormt van de internationale rechtsregels. Dat zijn de juristen van het Kremlin. Ik wil daarmee aangeven dat dit een eeuwige discussie is.

Wanneer u mij dus vraagt of ik van oordeel ben dat de internationale rechtsregels zijn overschreden, dan antwoord ik zonder aarzeling bevestigend. Daarover ben ik niet dubbelzinnig. Ik heb ook goed begrepen wat onze premier daarover heeft gezegd. Zijn boodschap was volgens mij dat we vooral naar onszelf moeten kijken en dat Europa eindelijk lessen moet trekken uit de verschuiving naar hard power . We zijn daar laat mee. In de politiek mag men nooit zeggen dat het te laat is, omdat dat hopeloosheid en moedeloosheid uitstraalt, terwijl mensen behoefte hebben aan hoop. Men kan dus niet stellen dat het te laat is, maar ik moet wel erkennen dat we laat zijn, zelfs zeer laat, ook wat de heropbouw van onze defensie betreft.

Als ik zie welke prijzen vandaag moeten worden betaald voor wapensystemen, dan is dat bijzonder pijnlijk. Als we tien jaar geleden waren begonnen, hadden we veel goedkoper kunnen aankopen. Vandaag wil iedereen kopen en dat drijft de prijzen op door de marktomstandigheden van vraag en aanbod. Dat is spijtig. In de commissie voor Legeraankopen en -verkopen moet ik nu dossiers over legeraankopen voorleggen waarvan men terecht zegt dat ze bijzonder duur zijn. Hadden we die aankopen tien jaar geleden gedaan, dan had ons dat slechts de helft gekost. Dat hebben we echter niet gedaan.

Mijnheer Van Hecke en collega's, wij moeten focussen en ik denk dat dat ook de boodschap is die verschillende regeringsleden hebben proberen te geven. Er is Venezuela, maar dat is een zaak voor Buitenlandse Zaken, niet voor Defensie. Er is geen vraag om troepen naar Venezuela te sturen. Ik heb daar als minister van Defensie eigenlijk helemaal niets over te zeggen. U vraagt naar persoonlijke mening daarover wegens mijn post. Ik heb mijn mening daar gezegd, laat dat helder zijn, maar richt u voor het overige tot de heer Prévot. Ik hoop dat hij morgen op het vliegtuig goed kan uitslapen, want het zal hevig worden. Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses et vos éclaircissements. Je partage votre analyse. Vous avez raison, il y a une crise au sein de l'OTAN. Il ne faut pas le nier. Mais je confirme aussi que pour moi, et je l'ai mentionné dernièrement, nous avons été depuis bien trop longtemps les passagers clandestins de notre défense.

Toutefois, faut-il le signaler? Je vous redemande, monsieur le ministre, de rencontrer vos homologues européens afin de pouvoir se coordonner.

Faut-il également le rappeler? Il est nécessaire, certainement, d’informer les États-Unis qu'il y aura des conséquences aux actions qu'ils sont en train de mener. Ces conséquences seront certainement diplomatiques, économiques voire autres.

Mais aussi, chers collègues, si nous agissons dans ce sens en opposition aux États-Unis, il y aura aussi des risques de conséquences négatives pour la Belgique – conséquences diplomatiques, conséquences économiques et budgétaires, des conséquences sécuritaires, des conséquences sociales et peut-être des conséquences militaires.

Nous devrons l'assumer auprès de notre population. Nous sommes prêts à le faire. C'est une interrogation. Je réinsiste, sommes-nous réellement prêts à le faire?

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

L'intégrité territoriale des membres n'est pas négociable. Vous le dites très bien, mais nous ne devons pas sous-estimer ce qui se passe. Nous allons parler aux Américains. D'accord. Cependant, quelle est notre marge de manœuvre pour discuter avec des gens qui tiennent des propos si radicaux? Si ce qui intéressait les Américains, c'étaient des garanties de défense, honnêtement, ils les ont déjà: une de leurs bases est installée au Groenland, avec lequel ils ont conclu des accords de défense, tout comme avec le Danemark au sein de l'OTAN. Donc, ne nous trompons pas. Nous n'avons pas affaire uniquement à des gens qui veulent davantage de sécurité, mais affaire à une perspective impérialiste d'envie de gains territoriaux. Ils pensent que, comme ils sont très forts, il suffira de le répéter haut et fort pour que cela ait lieu. Raison pour laquelle nous devons, non pas envoyer des troupes au Groenland, mais hausser le ton de la même manière. Nous devons être pleinement solidaires de nos alliés danois et rappeler, comme vous l'avez fait, que l'intégrité territoriale des membres doit être préservée et que cet épisode vaut une question de crise au sein de l'OTAN.

Pour le reste, même si nous ne sommes pas d'accord à propos des F-35, votre diagnostic est exact. En effet, nous payons des années de désinvestissement. Nous, Européens, prônons des valeurs fortes – celles du droit international –, que nous devons conserver. Il n'y a quasiment que nous, pour l'instant, qui les déclarons fortement parce que nous nous trouvons au milieu d'empires en résurgence: la Chine, les É tats-Unis, la Russie. Toutefois, il nous manque la force. Nous sommes un empire doté de valeurs, un empire de consommateurs, mais un empire dénué de force. C'est pourquoi nous avons raison d'investir au maximum dans notre défense, comme nous le faisons. Nous pourrions nous passer de dépendances technologiques pour le F-35, mais je reconnais honnêtement que, pour le reste, vous faites chaque fois votre possible pour investir européen. Vous achetez des munitions et des chars. Par ailleurs, il faut développer une industrie et une technologie de défense européenne. De même, accessoirement, il importe de nous rendre indépendants sur d'autres plans qui ne vous concernent pas directement, à savoir la politique énergétique et industrielle. C'est la seule manière de nous en sortir demain.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Un élément m'a rassuré, vous avez été clair sur la souveraineté du Groenland. Le Groenland appartient aux Groenlandais, appartient au Danemark, et donc aux Danois de manière plus large. C'est incontesté et incontestable. Nous avons d'ailleurs introduit une proposition de résolution visant au respect du principe de souveraineté du Groenland en commission des Relations extérieures. Nous espérons que ce dossier sera à l'ordre du jour de cette commission la semaine prochaine.

Je suis beaucoup moins d'accord avec vous quand vous prétendez que nous sommes moins forts aujourd'hui et que, dès lors, nous devrions presque nous soumettre aux diktats du président Trump, de son administration et de son gouvernement. Nous ne sommes pas moins forts. L'Union européenne, si elle se rassemble autour d'une volonté commune, dispose d'un arsenal militaire comparable et supérieur à celui de la Russie. C'est sur le plan de la puissance nucléaire que nous avons du retard. Sans la France et sans le Royaume-Uni, effectivement, nous sommes en difficulté.

Au sujet du retard de la Belgique, convenez avec moi, avec l'honnêteté intellectuelle qui est la vôtre, que votre prédécesseur N-VA, M. Vandeput, n'a pas fait du bien à l'armée et à la Défense. Les économies de 1,7 milliard ont été opérées sous le ministre Vandeput. En 2015 et en 2016, dans les tableaux budgétaires que je suis allé rechercher, il n'y avait aucun crédit d'engagement pour l'achat de munitions. J'eusse espéré que ce soit vous qui eûtes été ministre à l'époque. Certainement, nous aurions agi différemment.

Enfin, il faut véritablement ouvrir les yeux face à Donald Trump, mais aussi face au vice-président Vance, à Rubio et à toute sa clique. En effet, c'est une clique d'impérialistes, de souverainistes, qui n'ont qu'une volonté – et c'est écrit dans la stratégie nationale américaine –, celle d'affaiblir l'Union européenne et saper la démocratie européenne.

Je terminerai en vous disant à quel point cette Amérique-là n'est plus notre alliée. Elle n'est plus notre alliée pour défendre la démocratie, les valeurs européennes et les valeurs de droits humains. Selon les informations de Der Spiegel , qui n'est quand même pas un tabloïd mais un journal très sérieux allemand, il y a une influence et des menaces du gouvernement américain aujourd'hui sur les juges en France qui vont revoir en appel le jugement de Mme Le Pen. Car l'objectif de Donald Trump et de son gouvernement est effectivement de soutenir financièrement, mais également par des ingérences politiques anormales, des régimes ou des dirigeants d'extrême droite dans l'Union européenne pour mettre à bas l'idéal européen et les valeurs fondamentales qui ont construit le projet européen; mais qui le maintiendront coûte que coûte, quoi qu'en pense Trump et quoi qu'il puisse faire à son égard.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik onthoud een aantal elementen uit uw lang en goed antwoord.

Ten eerste, het is goed dat op het hoogste niveau wordt gepraat. Het is heel belangrijk dat de kwestie wordt uitgepraat en niet leidt tot een openlijk conflict binnen de NAVO. Dat kunnen wij immers missen als kiespijn. Immers, indien de kwestie zou uitmonden in een daadwerkelijk conflict binnen de NAVO, dan zal slechts één persoon de champagne ontkurken op het nieuwe jaar, namelijk Poetin in het Kremlin.

Dat is ook het probleem. Poetin is de vijand. Daarover bestaat geen twijfel. Indien Poetin uiteindelijk de enige zou zijn die garen spint uit een verdeelde NAVO, dan ben ik niet overtuigd of hij door Trump wel als een grote vijand zal worden beschouwd. Wat wij de voorbije maanden onder de regering-Trump hebben gezien, wijst immers op grote toenaderingen tot Poetin. Er liggen bovendien plannen op tafel die grotendeels tegemoetkomen aan de wensen van Poetin. Ik ben er dan ook niet gerust in dat de regering van de Verenigde Staten Poetin en Rusland daadwerkelijk als de grote bedreiging beschouwt. Die nuance lijkt mij belangrijk om te maken.

U hebt vandaag bijna letterlijk de Belgische leuze ‘Eendracht maakt macht’ gehuldigd, wat ik niet van u had verwacht. Die leuze geldt niet alleen voor ons land, maar evenzeer voor de NAVO. Het is dan ook van groot belang dat de NAVO met één stem blijft spreken.

Collega’s, waarom is die backstop zo belangrijk en zo cruciaal? Waarom ben ik zo ongerust over het mogelijk afnemende vertrouwen in de regering-Trump? Die backstop is essentieel omdat Europa vandaag op eigen kracht nog niet sterk genoeg staat. Dat is de realiteit. Men kan het tegendeel proberen te beweren, maar op het vlak van strategische enablers staan wij nergens. Dat geldt vooral voor de intelcapaciteit. De inlichtingen die wij vandaag van de Verenigde Staten ontvangen en waarop wij vandaag een beroep doen om onze operaties veilig te kunnen leiden, zijn cruciaal. Die capaciteit hebben wij op Europees niveau niet.

Het is dan ook heel terecht dat wij opnieuw bouwen aan onze eigen defensie, niet alleen in België maar in heel Europa. Wij moeten bouwen aan een Europese defensiepijler binnen de NAVO, zodat wij op eigen benen kunnen staan en voldoende sterk worden. Ik volg u ook volledig wanneer u stelt dat wij zodoende een stok achter de deur hebben, aangezien wij er met praten alleen niet zullen komen in de huidige tijden en in een wereld waarin autocraten aan de macht zijn.

Het is dan ook goed dat de huidige regering met Vooruit eindelijk opnieuw investeert in onze defensie en werk maakt van de hard power die wij helaas nodig zullen hebben.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord, ook voor de nodige nuances die u aanbrengt. Uiteindelijk moeten we beseffen dat we moeten blijven werken binnen ons bondgenootschap en dat Amerika onze grootste bondgenoot is. Met elkaar ruzie maken of elkaar schofferen, helpt ons geen meter verder.

Het is belangrijk om de discussie met elkaar te voeren, zeker met het oog op de komende NAVO-top. Dat is een belangrijk onderwerp dat op de agenda moet staan. Collega’s die denken dat we nu veel te zeggen zouden hebben, vergissen zich echter, aangezien we jarenlang te weinig hebben geïnvesteerd in onze defensie. Deze regering doet daar eindelijk iets aan. We investeren nu verder en we zullen dat de komende jaren nog veel meer moeten doen.

Collega’s, we leven niet in een leegte. We moeten beseffen dat we zonder Amerika nog zwakker zullen staan. Als iemand die in Iran geboren en opgegroeid is, zag ik dat al jaren geleden aankomen. In de commissie voor Landsverdediging moesten we met de N-VA echter blijven vechten, zelfs om onze drones te bewapenen. De vorige regering en de minister die we toen hadden, hebben beslist om onze drones niet te bewapenen. Dat zijn de feiten en dat zijn de resultaten van de beslissingen in de vorige regering, dus u kunt nu niet vragen waarom we hier niet klaar voor zijn.

Mijnheer de minister, ik wens u heel veel succes voor de komende jaren. Dank u wel.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Ik wil een aantal zaken zeggen.

Ten eerste, u zegt dat u voor een aantal vragen bij de minister van Buitenlandse Zaken moet zijn en u vindt het wat vreemd dat hier collega’s van de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen of van andere commissies aanwezig zijn. U kunt daar echter niet verbaasd over zijn, aangezien u elke dag of elke week op Twitter, Facebook en Instagram uw mening geeft over buitenlandse aangelegenheden. Dan is het niet zo bijzonder dat hier vragen worden gesteld over thema’s van Buitenlandse Zaken.

U hebt een aantal antwoorden gegeven over uw eigen uitspraken. Dank daarvoor. U was gedetailleerd over uw standpunten. Het is echter niet zo bijzonder dat hier collega’s van de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen aanwezig zijn als u daarover wekelijks beschouwingen geeft. Dat is uw goed recht en dat mag. Ik vind dat ook leuk om te lezen. Als u elke week beschouwingen geeft over Buitenlandse Zaken, is het niet verbazingwekkend dat daar hier vragen over komen.

Ten tweede – misschien het punt dat mij het meest stoort, mijnheer de minister – u fulmineert over het verleden. Het was allemaal te traag en te laat en de vorige regeringen hebben ons in de miserie gebracht. Van de laatste tien jaar, de periode van 2015 tot 2025, zaten we echter ongeveer vijf à zes jaar met een minister van Defensie van de N-VA. Ook uw partij maakte toen deel uit van de regering.

Ik vind ook dat we moeten opschalen, dat we sterker moeten investeren en dat we een sterkere defensie nodig hebben. Zoals veel Europese landen maken we de laatste twee jaar inderdaad een inhaalbeweging. Er zijn heel wat linkse partijen in de oppositie. Ik behoor daar niet toe, voor alle duidelijkheid. Ik ben geen lid van een linkse partij, maar er zijn ook heel wat linkse regeringsleiders in andere Europese landen die diezelfde inhaalbeweging maken. Alles zomaar afschuiven op het verleden, op de linkse oppositie of op linkse partijen en hen als naïef wegzetten, is dus niet correct, mijnheer de minister. Dat is niet correct. De laatste tien jaar zat uw partij vijf jaar op de stoel van de minister van Defensie.

Ten derde, ik ben het met u eens dat we zowel hard power als soft power nodig hebben. We hebben hard power nodig, maar ook soft power . Ik ben heel blij dat u zegt dat territoriale integriteit non-negotiable is. Het is zeer goed dat u het belang daarvan hier onderschrijft. Als reactie op de eerste minister stel ik dat palaveren over territoriale soevereiniteit en internationaal recht wél belangrijk is. Wij moeten daarover spreken, want als wij dat al niet meer doen, wie dan wel? Het is een totale chaos op het wereldtoneel. Daarom zijn er spelregels nodig.

Het internationaal recht zijn de spelregels in een periode van chaos. We moeten dat blijven zeggen en dat is minstens even belangrijk als hard power . Soft power is minstens even belangrijk als hard power . U hebt mijn steun voor het versterken van onze defensie, maar we mogen soft power , diplomatie en het naleven van internationale rechtsregels absoluut niet vergeten.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, u was duidelijk over twee zaken. Ten eerste apprecieer ik dat u met betrekking tot Groenland initiatief hebt genomen en een duidelijke lijn trekt. Ten tweede stel ik het op prijs dat u hebt gezegd dat u vindt dat de internationale rechtsregels zijn geschonden in Venezuela, hoewel u bij aanvang verklaarde geen uitspraken over het internationale aspect te zullen doen en dat overlaat aan minister Prévot en premier De Wever. Nochtans tweet u steeds over allerlei internationaalrechtelijke aspecten en geopolitieke situaties.

Ik verwacht van een minister ook duidelijke uitspraken daarover. U gaat zelfs verder dan de eerste minister. De eerste minister zei in Terzake gisteren dat men zich vragen kan stellen bij de werkwijze. U was duidelijker en scherper dan de eerste minister, waarvoor mijn felicitaties. Uw uitspraak was echter een ingeving van het moment, waarbij het buikgevoel de voorbereide tekst terzijde liet. Collega’s, respect voor het internationaal recht is geen keuze à la carte. Ik verafschuw de stelling dat internationale rechtsregels naargelang de situatie meer of minder belangrijk zijn. Een regering, een minister of een land moet erkennen dat internationale regels leidend zijn in politiek en reacties en moet consequent zijn in de toepassing daarvan.

Dat is hetgeen ik verwacht van de regering, want anders geeft u verkeerde signalen. Als u soft bent en begrip toont voor een actie van - laten we zeggen - een verlicht despoot in het Witte Huis en als u die kerel groen licht geeft, dan interpreteert hij dat als dat hij verder kan gaan. Waarom zou hij dan niet hetzelfde doen in Groenland, in Colombia en in Mexico? Er moet een duidelijke lijn worden getrokken en in uw antwoord doet u dat ook.

Ik wil nog even terugkomen op de tweet. Ik heb uw tweet nog eens goed gelezen en die is voor interpretatie vatbaar. U hebt echter ook nog iets anders gedaan, u hebt ook een bepaalde tweet geretweet. In die tweet stond: “Venezolaanse oppositieleider en recente winnares van de Nobelprijs is het oneens met alle hysterische roepers met hun internationaal recht.” Dat hebt u geretweet. Als ik iets retweet, is dat meestal iets waar ik achter sta. Deze retweet kan worden geïnterpreteerd alsof u het internationaal recht ook maar hysterisch gedoe vindt. U hebt dat daarnet rechtgezet, maar misschien moet u dan ook uw retweet verwijderen of voortaan twee keer nadenken voor u iets retweet. Dat zou een stuk duidelijker zijn.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

En complément de la réplique de mon collègue Van Hecke, je soulignerai que vous avez en effet été clair sur certains aspects. Par contre, je suis étonnée par les propos de certains collègues qui continuent de marteler à quel point les États ‑ Unis sont et restent notre meilleur alli é .   Aujourd ’ hui, continuer à penser que le salut de la Belgique et de l ’ Europe passe par cette Alliance est de l’aveuglement complet au regard de ce qui est en train de se passer. La situation actuelle est tr è s claire: nous constatons un non ‑ respect du droit international et de la territorialit é du Groenland, et donc de l ’ Union europ é enne.   Nous devons agir en conséquence.

L’enjeu en matière d’autonomie, en particulier d’autonomie énergétique, est évidemment énorme. Et c’est précisément l’un des enjeux des prochaines années: parvenir à être davantage résilients et autonomes, tant au niveau européen qu'au niveau belge, en la matière.

Plus spécifiquement, même si nous ne serons jamais d’accord sur la question des F ‑ 35, il est é vident qu ’ il ne s ’ agit pas d ’ une bonne option d ’ en racheter pour 1,6 milliard d ’ euros d ’ argent public – l ’ argent des citoyens belges – pour un r é sultat tel que celui qui se produit aujourd ’ hui et qui se reproduira sans doute à l ’ avenir. Comme vous le disiez, le Danemark a achet é des F ‑ 35; nous voyons bien la situation dans laquelle il se trouve et la fa ç on dont le pr é sident Trump le traite.

Monsieur le ministre, si vous voulez flatter l’ego de Trump, offrez ‑ lui un Manneken-Pis plaqu é or, mais ne lui offrez pas, sur un plateau d ’ argent, 1,6 milliard d ’ euros d ’ argent public pour des avions qui ne garantissent en rien notre s é curit é ni notre autonomie! Ce dont nous avons besoin, c ’ est d ’ une d é fense europ é enne et d ’ une coordination au niveau des achats; aujourd’hui, entre les différents pays européens, c’est la zizanie concernant les différentes sortes de chars, de tanks et d’avions. Par ailleurs, il faut ê tre ferme. En effet, dans un monde où prévaut la loi du plus fort, c’est en faisant preuve de fermeté et en traçant des lignes rouges très claires que nous parviendrons à nous faire respecter, et non en nous mettant à plat ventre.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb veel zaken gehoord waarmee ik volledig akkoord ga, onder meer over de loyaliteit en de geloofwaardigheid van het bondgenootschap, die niet onder druk mogen komen. Groenland is non-negotiable . Het lijkt mij heel belangrijk dat we binnen Europa evolueren van soft power naar hard power. Ik denk dat er volledige eensgezindheid bestaat over het uitbouwen van een sterke Europese pijler. Hoe we dat zullen doen, is wel een bijzonder belangrijke vraag. U maakt graag een analyse van het verleden. Ik denk dat we een collectieve verantwoordelijkheid dragen. We hebben allemaal deel van de regering uitgemaakt. Als men de cijfers bekijkt, ik doe dat voor de eerste en de enige keer, dan ziet men dat de regering die het minst aan Defensie heeft besteed in bbp-cijfers de Zweedse coalitie was. Laten we dus stoppen met die analyse van het verleden te blijven maken. Het is een collectieve verantwoordelijkheid, die misschien voor de ene wat meer doorweegt dan voor de andere, maar we moeten vooral vooruitkijken.

De vraag is hoe we Europa sterker kunnen maken. Investeringen zijn daarbij absoluut noodzakelijk, daarin hebt u voor honderd procent gelijk. We hebben echter al vaker besproken dat investeringen efficiënt moeten gebeuren, zodat we dat narratief ook bij onze bevolking warm kunnen houden. Dat betekent dat we meer moeten samenwerken en onder de dominantie van de grotere Europese landen moeten uitkomen. We moeten evolueren naar harmonisering van normen, maar daar kunnen we op een ander moment op ingaan. Ik ben het volledig eens om met de nodige investeringen te evolueren naar hard power binnen Europa.

Een tweede punt betreft Oekraïne. U zei tevreden te zijn met de garanties die gisteravond zijn uitgesproken. Daar blijf ik mij toch wat ongemakkelijk bij voelen. Wat zijn die garanties waard met al die spanningen in het bondgenootschap? Ik denk dat we daar absoluut waakzaam moeten blijven. De vraag blijft openstaan of er op een bepaald moment een ruil zal plaatsvinden.

Een derde punt dat ik nog wil aanhalen, betreft Amerika. De Trumpadministratie is misschien minder NAVO-loyaal, maar we hebben ook gezien dat er in het Congres, zowel bij de Democraten als bij de Republikeinen, een grote flank bestaat met een andere mening over Europa en over het belang van het Atlantisch bondgenootschap dan die enge Trumpadministratie. Ik vraag mij af in welke mate we met die flank sterkere contacten kunnen onderhouden om die mee te versterken. Dat hangt voor een stuk uiteraard samen met onze geloofwaardigheid om meer te investeren in Defensie. Meer investeringen bieden hen extra argumenten om af te stappen van dat eng imperiaal denken van de Trumpadministratie.

Niet iedereen in Amerika zit op dezelfde golflengte. Europa dient daarin een rol te spelen en te tonen dat het zijn verantwoordelijkheid wil opnemen.

Sam Van Rooy:

Minister Francken, bedankt. U bent één van de weinige ministers in deze regering naar wie ik met interesse kan luisteren. Daarom ben ik hier ook aanwezig.

Dit gezegd zijnde, iedereen, behalve extreem links, is blij met de val van de criminele linkse tiran, Maduro, maar niet met de manier waarop. Hoe het dan wel had moeten gebeuren, weet men natuurlijk niet. Dat kan men natuurlijk niet zeggen.

Er moet me in dit debat toch nog iets van het hart. Al het gejammer dat we ook hier weer horen over internationaal recht, laat vooral zien hoe losgezongen van de realiteit veel politici geraakt zijn. Ik zou het echt ook graag anders zien, geloof me, dames en heren, maar het internationaal recht was eigenlijk niet meer dan een comfortabele illusie die enkele decennia heeft kunnen standhouden. Het heeft nooit werkelijk bestaan. Nu is de wereld inderdaad teruggevallen in haar natuurlijke toestand van machtspolitiek van grootmachten.

Wetten – dat zou u toch allemaal moeten weten – bestaan alleen bij de gratie van de onderwerping aan een hogere autoriteit die de wetten met geweld kan afdwingen. Zo’n hogere mondiale autoriteit bestaat niet. Zelfs als men de VN als dusdanig wil beschouwen, beschikt die organisatie helemaal niet over de macht om internationaal recht af te dwingen, behalve misschien tegenover kleine, zwakke landen. Toen de VS Irak binnenvielen, keek de VN machteloos toe. Toen Rusland Oekraïne binnenviel, deed de VN niets. Als China morgen Taiwan binnenvalt, zal de VN niets doen. Dat weten we. Als men een wet niet kan handhaven, beste politici, is ze de facto geen wet. Dan bestaat ze niet.

Het is dus in ons belang dat we zo sterk mogelijk zijn en dat onze tegenstanders zo zwak mogelijk zijn. President Trump is in dat opzicht een realist en een pragmaticus. Hij doorziet de fictie waaraan andere zogenaamde leiders in Europa zich blijven vastklampen. Een goede leider bevordert de nationale belangen van zijn land. Als meer Westerse leiders dat zouden doen zoals Trump het doet, zou onze beschaving in Europa er vandaag veel beter voorstaan.

Voorzitter:

Ik begrijp dat de minister ook nog iets wil inbrengen.

Theo Francken:

Collega's, sta me toe om nog heel kort te reageren. Op zich is het interessant dat we met elkaar spreken, en het is waar, ik spreek mij uit over veel dingen en dat heb ik altijd gedaan, het is soms ook sterker dan mezelf. Ik probeer dat op een genuanceerde manier te doen, en daarom is dit ook zo’n interessante commissie, waar op den duur iedereen naartoe komt. Dat is heel fijn. Welkom. U hoeft zich vooral niet onwelkom voelen omdat u hier maar één keer komt. Trouwens, ik hoop dat Staf Aerts zo snel mogelijk beter is en een beter jaar tegemoetgaat, en dat we hem ook veel kunnen zien. Wat hij meemaakt is natuurlijk niet fijn. Tinne heeft hier vaak gezeten; u helpt elkaar en de solidariteit is heel groot binnen uw fractie. Ik hoop echt dat hij zo snel mogelijk terug is. Laat dat ook heel duidelijk zijn: ik hoop dat Staf zo snel mogelijk geneest zodat we opnieuw met hem kunnen discussiëren en van gedachten wisselen.

Een paar dingen. Retweets are not endorsements . Bij deze is dat dan ook officieel genotuleerd. Sommigen zetten dat erbij, doe dat nu eenmaal niet, ik ga het er niet bij zetten, maar bij deze is het gezegd in de officiële zitting.

Het meest interessante dat ik toch wel gehoord heb, is wat Koen Van den Heuvel heeft gezegd over het belang van voldoende contacten met die parlementsleden. Dat vind ik ook. Daarvoor heb je onder andere het NAVO-Parlement. Ik weet dat niet iedereen daar lid van kan zijn en dat dat beperkt is, maar er zijn ook andere mogelijkheden. Er is de IPU. Er zijn andere mogelijkheden om in nauw contact te komen met Amerikaanse parlementsleden van het Congres en de Senaat. Vooral het Congres is belangrijk, maar ook de Senaat. Die zijn wat minder bereikbaar omdat ze heel drukbezet zijn, maar het Congres heeft veel leden.

Die vriendschapsbanden smeden en met elkaar praten is belangrijk, ik kan het maar voldoende herhalen. Elkaar afsnauwen, daar hebben we niets aan. Er zijn opnieuw heel wat forse uitspraken gedaan, en dat is goed voor de achterban; ik snap die filmpjes, die draaien dan goed. Maar wat hebben we daaraan als Westen? Wat levert ons dat op? Ik denk dat het ons verderaf brengt van ons doel. Ik denk dat dat ons in de problemen kan brengen.

Als men mij dan vraagt naar die veiligheidsgaranties en welke garanties dat zijn … Wel, hoe meer u in de hand bijt die u voor een stuk voedt, hoe meer waarschijnlijk het is dat men zal zeggen: zoek het zelf maar uit in Europa, trek uw plan. Dat is voor een stuk ook een selffulfilling prophecy .

Blijf dus met elkaar praten. Het NAVO-Parlement is een heel belangrijk instrument, maar ook de IPU en de Verenigde Staten. Maak een reis met de commissie. Vraag een ontmoeting met de commissie voor Defensie van het Congres. Nodig hen uit; ze zijn zo vaak in Brussel. Met het NAVO-Parlement zijn ze in februari een week hier, nodig hen dus uit. Het is in de krokusvakantie. Ik weet dat iedereen dan graag gaat skiën, maar de wereld staat in brand. Nodig hen uit en praat met hen. Leer elkaar kennen. Wissel kaartjes uit. Heb contact. U kunt ook eens bellen naar Washington; ik doe dat al jaren: eens bellen en vragen wat er juist aan de hand is, omdat ik bepaalde dingen in de krant lees.

Dat is dus een eigen keuze. U kunt zeggen dat u dat principieel niet doet, dat is geen probleem, maar er zijn wel voldoende mensen in de commissie die dat wel degelijk zouden willen.

Ik blijf ervan overtuigd dat men op een rationele manier kan overtuigen. U hebt al kunnen vaststellen dat de president weliswaar machtig is in de Verenigde Staten, maar niet oppermachtig. Het Congres heeft al een aantal keren de koers bepaald. Bij ons zegt men soms dat de parlementsleden enkel maar op een stemknopje moeten drukken en maar moeten luisteren. Dat is in het Belgisch Parlement ook niet waar, ik ga niet akkoord met die stelling. Voor de Verenigde Staten geldt dat dat absoluut niet het geval is. Dit is dus een oproep. Meer kan ik op dat vlak niet zeggen.

We kunnen eindeloze discussies voeren over de F-35's, de vier jaar ministerschap van de heer Vandeput en de investeringen. Ik zal dat een volgende keer met veel plezier doen, maar als we dat nu zouden doen, zouden er veel replieken komen en zitten we hier nog een uur, terwijl er ook nog vragen moeten worden beantwoord. Dan zou ik binnen twee maanden de vraag krijgen waarom er een achterstand van 90 vragen is en waarom ik nooit kom. We bewaren die discussie dus voor een volgende keer. Ik ben het niet eens met wat hier werd gezegd, maar dat weet u wel.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, ik dank u voor deze toevoeging.

Het advies van de Raad van State over de fusie van de politiezones

Gesteld door

DéFI François De Smet

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 18 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet kritiseert de geplande fusie van de zes Brusselse politiezones als een onnodige, chaotische ("brol") en ondergefundeerde hervorming die democratische controle uitholt (o.a. door afschaffing van de politieraad) en de complexiteit vergroot zonder extra middelen (83 miljoen tekort/jaar), terwijl de beloofde herziening van de norme KUL (financieringsmechanisme) uitblijft. Minister Bernard Quintin verdedigt de fusie als noodzakelijk voor efficiëntere veiligheid, wijzend op grensoverschrijdende criminaliteit (bv. drugshandel, schietpartijen) en belooft de hervorming tegen 2027 door te voeren, ondanks kritiek op het ontwerp – waar het Conseil d’État weliswaar aanpassingen maar geen principiële bezwaren tegen had. De Smet kaatst terug dat één grote zone geen garantie is voor betere veiligheid (cf. Antwerpen) en dringt aan bij coalitiepartner Les Engagés om de koppeling tussen de KUL-norm en de fusie niet los te laten, anders verliest de operatie elk nut. De kern van het conflict draait om centralisatie vs. lokale autonomie en het ontbreken van concrete middelen bij een ingrijpende structuurwijziging.

François De Smet:

Monsieur le ministre, c’est bientôt Noël et vous avez reçu en cadeau l’avis provisoire du Conseil d’État sur votre réforme de fusion des zones de police. Cet avis confirme ce que Brulocalis, les bourgmestres et moi-même pensons depuis le début de cette réforme dogmatique et inutile. Comme nous sommes deux Bruxellois, employons le mot qui convient: il s’agit plus que jamais d’un brol.

Brol d’abord sur la mécanique décisionnelle, jugée illisible. Même le Conseil d’État a du mal à comprendre ce que vous essayez de faire. Nous ne comprenons plus rien entre la durée variable de la présidence du collège de police, le nombre de réunions annuelles, l’articulation des rôles entre le chef de corps et le bureau du collège.

Brol encore sur le manque flagrant de contrôle démocratique – c'est plus sérieux. La suppression du conseil de police va concentrer trop de compétences au niveau du collège de police, notamment en ce qui concerne la discussion du budget de la zone. En réduisant le rôle du conseil communal à une simple prise d’acte, vous réduisez l’ensemble du contrôle et du débat démocratique.

Enfin, brol intégral sur les moyens, qui ne seront pas au rendez-vous, jugés largement insuffisants. C’était déjà le cas dans l’avis de Brulocalis, qui a estimé que le sous-financement structurel des six zones s’élève à 83 millions d’euros par an. Pendant ce temps-là, nous n’avons plus de nouvelles de la réforme de la norme KUL, qui était pourtant conditionnée, notamment par Les Engagés et par les pouvoirs locaux, à l’adoption de votre réforme.

Bref, tout le monde est en train de se rendre compte de ce que nous répétons depuis le début: cette réforme – qui je le rappelle, n’était demandée par aucun acteur de terrain – est pensée davantage pour satisfaire une obsession institutionnelle – la fusion à tout prix – que pour répondre aux besoins des acteurs de terrain.

Monsieur le ministre, n’est-il pas temps d’arrêter les frais avec cette fusion, qui ressemble de plus en plus à la mise sur pied d’une gigantesque usine à gaz administrative? Notre sécurité n’a pas besoin de davantage de complexité et d’embûches. Augmentez les moyens, augmentez le nombre de policiers et arrêtez, s’il vous plaît, la machine à créer du brol.

Bernard Quintin:

Monsieur De Smet, la fusion des zones de police bruxelloises est essentielle pour notre capitale. L'actualité sécuritaire nous en prouve chaque jour la nécessité. Il suffit de lire dans la presse de ce matin encore les déclarations des agents de la Brigade anti-agression de Bruxelles. Je cite: "Les dealers n'ont pas de frontières, les incidents de tirs non plus". Cela les oblige à sortir de leur zone pour intervenir. Je pourrais également mentionner le cri du cœur du bourgmestre de Saint-Gilles, qui appelle de ses vœux à plus de solidarité. Il est donc vital de disposer d'une force d'intervention unique à l'échelle de la capitale, libérée des frontières factices qui limitent actuellement trop souvent l'action des forces de l'ordre. Et je ne perds donc pas une minute, vous m'en excuserez. Je ne savais pas qu'il fallait s'excuser d'être efficace.

Le travail entre cabinets a repris à la suite de l'avis reçu de la part du Conseil d'État. Cet avis portait sur le texte adopté en première lecture et dont le texte, rediscuté actuellement entre partenaires, intègre les remarques, comme c'est la tradition. Ce n'est pas à un représentant chevronné comme vous que je vais l'apprendre. Ce sont des remarques qui, contrairement à ce que j'ai pu lire dans certains médias, ne remettent pas en cause – et c'est crucial – les principes structurants du texte, en premier lieu le principe même de la fusion. Mais comme le dit si bien l'expression: "Qui veut noyer son chien l'accuse de la rage". Si je reprends votre propre expression, je pense que le brol, c'est la situation actuelle qui montre ses limites pour la sécurité de toutes les Bruxelloises et tous les Bruxellois, dont je suis par ailleurs.

Monsieur De Smet, je réaffirme ma volonté d'aboutir à la fusion des six zones de police bruxelloises durant l'année 2027 avec un seul objectif: renforcer la sécurité des habitants de Bruxelles et de tous ceux qui y travaillent ou la visitent.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je ne pensais pas que vous alliez invoquer la situation sécuritaire de Bruxelles alors que la presse nous apprend en effet que la première année de l'Arizona a été la pire année pour Bruxelles avec 96 fusillades. Franchement, si une zone unique était le remède à cela, la zone unique d'Anvers serait la plus tranquille du pays. Ce n'est pas le cas. Je me tourne vers Les Engagés, parce que la renégociation de la norme KUL était liée à la fusion des zones de police. En effet, la presse vous prête l'intention d'avancer très vite et de faire avancer le dossier en kern. Chers Engagés, je sais que vous êtes toujours encore un peu prisonniers dans cette coalition, mais vous pouvez cligner des yeux éventuellement. Allez-vous continuer à lier la révision de la norme KUL à l'aboutissement de cette fusion demain? Nous verrons et j'espère que vous tiendrez parole sinon cette fusion n'aura vraiment aucun sens.

De politie-interventies in Matonge

Gesteld door

Ecolo Rajae Maouane

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 18 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Rajae Maouane kaart aan dat herhaalde, gewelddadige politie-invallen in Matonge (met massale inzet, vernielingen en angstzaaierij) disproportioneel zijn en mogelijk een bewuste strategie vormen om het cultureel rijke, maar onder immodruk staande quartier te ontvolken via stigmatisering—een klassiek gentrificatiepatroon. Minister Quintin benadrukt dat de acties (o.l.v. het parket) gericht zijn op fraude en illegaal werk, wijst racisme af maar verdedigt de hardhandige aanpak als noodzakelijk, zonder de verhouding middel-doel te rechtvaardigen. Maouane blijft vragen of politieke wil achter de repressie zit en waarschuwt voor verdere verjaging, terwijl Quintin juridische noodzaak vooropstelt maar geen structureel antwoord geeft op de gentrificatievrees. De kloof blijft: veiligheidsretoriek vs. ervaren systematische uitholling van een volkse buurt.

Rajae Maouane:

"Ils sont venus en masse. Il y a eu une cascade de police, ils ont cassé nos portes, saccagé nos salons, arrêté des gens. Moi je suis en ordre, j'ai mes papiers, mais mon salon a été cassé." Monsieur le ministre, voici le témoignage parmi tant d'autres d'une commerçante à Matonge.

Depuis le mois de novembre, le quartier de Matonge subit des descentes de police répétées, manifestement violentes et disproportionnées. La galerie de Matonge est le cœur d'un quartier historique né dans les années 1950, un quartier vivant, populaire, riche de ses cultures, un quartier emblématique de Bruxelles et de sa diversité – pour celles et ceux qui ne connaissent pas Bruxelles. Mais depuis de longs mois, le paysage de Matonge n'est plus le même et ses habitants et ses commerces subissent les conséquences d'une politique de contrôle intensive.

En novembre, une première descente a mobilisé plus de 200 agents – 200 agents! –, accompagnés de la brigade canine, une démonstration de force, pour au final seulement 25 constats. Depuis, les contrôles se multiplient, parfois au quotidien, des commerces sont saccagés, des travailleurs et des travailleuses sont brutalisés, des clients sont effrayés. En fin de compte, ce sont les habitants qui vivent dans la peur, la peur de travailler, la peur d'ouvrir leurs commerces, la peur d'être là, tout simplement.

Monsieur le ministre, ces méthodes ne semblent pas proportionnées, elles ne créent pas de sécurité; au contraire, elles produisent de l'instabilité, de l'angoisse et de la défiance. Je me pose une question: derrière cette "surprésence" policière, y a-t-il une volonté d'effacer Matonge, un quartier situé entre les zones européennes et le quartier Louise, soumis à une forte pression immobilière? On connaît cette mécanique de gentrification: on stigmatise, on multiplie les contrôles, on vide et puis on revalorise.

Monsieur le ministre, comment les discussions en amont de ces interventions entre la zone de police, le parquet et la police fédérale se sont-elles déroulées? Un dialogue a-t-il été instauré avec les commerçants et les habitants? Enfin, pouvez-vous me garantir qu'il n'y a aucune volonté politique d'appauvrir, de vider ou de faire disparaître la richesse culturelle du quartier de Matonge?

Bernard Quintin:

Madame Maouane, sur la base des informations qui m'ont été transmises par la zone de police PolBru, l'action intégrée qui a eu lieu le 20 novembre dernier a été ordonnée par M. le procureur du Roi. Elle fut menée conjointement par l'auditorat du travail et le parquet de Bruxelles en collaboration avec des inspecteurs de l'ONSS, de l'ONEM, de l'Inspection régionale de l'emploi, des SPF Finances, É conomie et Santé publique. L'Office des É trangers a également été mobilisé dans le cadre des contrôles portant sur les titres de séjour.

Un bilan provisoire, dressé après l'opération fait état de: 14 procès-verbaux pour infractions DIMONA (travail non déclaré), 6 pour des irrégularités liées au travail à temps plein, ainsi que 5 pour emploi de personnes sans titre de séjour. Sur place, plusieurs commerces ont en effet été placés sous scellés, dont 7 sur ordre du substitut de l'auditeur du travail, présent durant l'opération. Alors, moi, je suis historien et ministre; pas mathématicien. Donc, je ne fais pas de calculs entre l'engagement des forces et le nombre de procès-verbaux ou de personnes arrêtées. L'objectif est de mener des opérations.

Cela dit, madame Maouane, j'entends que vous dénoncez un biais raciste dans l'intervention de la police. Sachez que, si au cours d'une intervention policière, des actes de racisme étaient avérés, ils devraient être sanctionnés avec la plus grande sévérité. Vous savez que vous me trouverez toujours du côté de la probité et de la loi. Mais pas d'excuses! Les actions FIPA et BELFI contre le blanchiment d'argent ainsi que tout autre type d'opération destinée à renforcer la sécurité, le cas échéant, sur ordre du procureur du Roi, continueront à être menées là où elles le doivent, c'est-à-dire là où les informations et les renseignements de l'ensemble des services concernés signalent qu'elles sont le plus utiles, indépendamment de toute autre considération.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse, ainsi que pour votre engagement de lutter avec force contre le racisme systémique et institutionnel au sein de la police. Je l'ai bien entendu et ne manquerai pas de revenir. Merci, en tout cas, de lutter contre ce phénomène. Nous y serons attentifs. Pour ma part, je tenais à souligner un climat de peur et de répression dans un quartier qui est très aimé des Bruxelloises et des Bruxellois. Certains commerçants et commerçantes ont peur aujourd'hui. Il est donc normal que des contrôles soient effectués et que des procès-verbaux soient dressés. Mais ma question est de savoir si, derrière cette démonstration de force, ne se dissimule pas une volonté de stigmatiser un quartier et de faire partir une population pour en installer une autre. Ce n'est pas uniquement à l'échelle fédérale, vous en conviendrez. La majorité locale a aussi son mot à dire. Des questions doivent donc se poser. Pour moi, la question est: quelle est la prochaine étape? Va-t-on encore accepter que des quartiers continuent à se gentrifier?

De stand van zaken met betrekking tot het CORESPO-onderzoek
De niet-publieke CORESPO-deelrapporten en de methodologische bezorgdheden
Het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport inzake corruptie
Corruptie bij de politiediensten en het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport over corruptie bij de federale gerechtelijke politie
Het uitgelekte CORESPO-rapport over corruptie bij de federale gerechtelijke politie
Het interne rapport van de federale politie over inmenging en corruptie
Meldingen in de doofpot en schendingen van de integriteit bij de gerechtelijke politie
Een intern rapport over corruptie en inmenging
Het CORESPO-onderzoek naar corruptie en integriteitsschendingen bij politie en gerechtelijke diensten

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het omstreden CORESPO-rapport over corruptie binnen de federale politie, waarbij kritiek wordt geuit op de initiële afwijzing ervan door de politietop en minister Quintin (methodologische tekortkomingen, niet-representatief). Onder druk van medialekken en parlementsleden keert Quintin zijn positie: hij belooft nu inzage in het rapport, een onafhankelijk onderzoek naar systemische corruptierisico’s (naast een audit van de methodologie) en bescherming voor klokkenluiders. Kernpunten: Parlementsleden (o.a. Vandemaele, Ecolo-Groen) beschuldigen de politietop van doofpotcultuur en eisen transparantie, terwijl anderen (o.a. N-VA, MR) de integriteit van de meeste agenten benadrukken maar wel structurele verbeteringen vragen, zoals verplichte loopbaanscreenings en betere opvolging van meldingen. Quintin ontkent verdoezelpogingen maar erkent dat elke corruptie onaanvaardbaar is—zijn focus ligt op een wetenschappelijk onderbouwd onderzoek om het vertrouwen in de politie te herstellen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, het was me wat bij de federale politie, de afgelopen dagen. Eerst was er de ambitie om dat rapport achter te houden. De federale politie en uzelf hadden niet veel zin om dat met ons te delen. Toen afgelopen weekend duidelijk werd dat het deksel toch van de beerput ging, veranderden jullie van tactiek. U zei onlangs in de commissie dat het rapport niet representatief en van een bedenkelijke kwaliteit is. Ook de personeelsleden van de federale politie kregen afgelopen maandag een mailbericht in die zin: “Er is een gebrek aan solide wetenschappelijkheid en methodologische grondslagen.” De titel van dat bericht sprak boekdelen: “Ons dagelijks werk voortzetten.” Dat was de ambitie bij de federale politie: niet omzien en voortwerken.

Vandaag lees en hoor ik in de media dat u voor de derde keer een bocht neemt. Derde keer, goede keer, denk ik dan. U zegt dat er een onafhankelijk onderzoek komt naar systemische problemen inzake corruptie bij de federale politie. Het is goed dat er zo’n rapport komt. We moeten inderdaad bekijken of de systemen voldoende robuust zijn om zowel een goede detectie als een goede interne afhandeling te garanderen. Als ik de vele tientallen mails bekijk die ik de afgelopen dagen ontvangen heb van federale politiemensen, dan denk ik dat die systemen zeker voor verbetering vatbaar zijn.

U zegt dat er een groter onderzoek moet komen. Wij hebben gisteren een schrijven gericht aan de voorzitter van de Kamer om het Comité P een onderzoek te laten uitvoeren naar het probleem van corruptie bij de politie. Het Comité P kent de materie ook goed, dus dat leek ons een goed idee.

In ieder geval vind ik het belangrijk om nogmaals te zeggen dat de meeste agenten te goeder trouw en helemaal niet corrupt zijn. Door de manier waarop de leiding van de federale politie met dat rapport omgaat, komen ook al de integere agenten in een slecht daglicht te staan. De top van de federale politie lijkt echter niet geneigd om iets te doen. De kwestie is belangrijk voor ons als burgers, voor de politieagenten zelf en voor de politie als organisatie.

Tot slot blijf ik nog met een brandende vraag zitten. Wie is de politicus die vermeld wordt in dat rapport? Weet u over wie het gaat? Het betreft immers zware aantijgingen tegenover een politicus en om die reden is het van het allergrootste belang dat wij weten over wie het gaat. Welke gevolgen hebben de betrokken agenten ondervonden? Als agenten gestraft zijn omdat ze dat geweigerd hebben, hebben we het recht om dat te weten.

U zit op het goede spoor, maar we moeten de omerta bij de federale politie op dat punt kunnen doorbreken.

Voorzitter:

Collega’s, ik zal strenger moeten toezien op het respecteren van de spreektijd, want anders zullen we heel weinig vragen kunnen behandelen vandaag. Iedereen krijgt twee minuten spreektijd in de eerste ronde.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, eerst en vooral wil ik benadrukken dat er bij de federale politie, bij welke dienst dan ook, bijzonder veel mensen dag en nacht werken om in onze veiligheid te voorzien. We zijn die mensen daarvoor enorm dankbaar.

We worden nu voor de tweede keer geconfronteerd met artikels in de pers, waarop wij ons als parlementsleden moeten baseren. We hebben geen inzage in het CORESPO-rapport, dat verslag uitbrengt over een bevraging naar corruptie.

Wanneer we vaststellen dat 1.244 personen aan die bevraging hebben deelgenomen, blijkt daaruit wel degelijk een vorm van vertrouwen, namelijk het vertrouwen om die enquête in te vullen. Dat is een element dat positief moet worden benaderd. Hier staat immers het imago van onze federale politie op het spel. Dat imago acht ik van groot belang. Ik weet dat u die mening deelt. Dat veronderstelt uiteraard onberispelijk gedrag. Politieambtenaren hebben immers een voorbeeldfunctie, moeten integer handelen en moeten een volledig anticorruptieplan hebben klaarliggen.

Het traject is destijds door de commissaris-generaal zelf opgestart. We zijn dan ook bijzonder benieuwd naar de bevindingen, naar de maatregelen die in dat rapport worden voorgesteld en naar de manier waarop men daarmee intern aan de slag gaat.

Het is belangrijk dat aanbevelingen en maatregelen niet alleen worden uitgesproken, maar ook daadwerkelijk worden opgevolgd. Daarnaast vind ik het essentieel dat personeelsleden die wantoestanden signaleren of wijzen op mogelijke corruptie, daarvoor terechtkunnen bij meldpunten en dat die meldingen ook effectief worden opgevolgd. De terugkoppeling over die opvolging kan wellicht worden verbeterd, aangezien blijkt dat er binnen de politie een zekere onvrede leeft.

We betreuren dan ook dat we tot op heden geen inzage hebben gekregen in dat rapport, al vernemen we dat die inzage alsnog zal worden verleend. Het is voor ons eveneens belangrijk om een zicht te krijgen op de andere rapporten. Er zou ook een rapport volgen over een traject inzake extremisme. Zal dat rapport nog worden bezorgd? Hoe staat het met de andere rapporten die in het vooruitzicht zijn gesteld?

U sprak in de media ook over een externe audit. U weet dat we daarvoor al geruime tijd vragende partij zijn. Wie zal die audit uitvoeren en wanneer wordt die opgestart? Wanneer mogen we de resultaten verwachten?

Welke maatregelen zullen worden genomen om corruptie daadwerkelijk aan te pakken? Dat lijkt mij namelijk de kern van de zaak.

Ik begrijp niet goed waarom de methodologie nu in vraag wordt gesteld. Ik zal u uitleggen waarom. Normaal gezien legt men in het begin van een traject de methodologie vast. Vooraleer men aan de slag gaat, controleert men of die methodologie op punt staat. Er zijn immers heel wat mensen en middelen mee gemoeid om een dergeljk verslag te schrijven. Dat is ook de bedoeling. Daarom moet men de methodologie op voorhand in vraag stellen, zodat men tot een betrouwbaar resultaat komt.

Ik zie dat er heel wat respondenten zijn. Volgens wat ik verneem uit de pers, staat er ook heel wat informatie in dat rapport staat. We kunnen dat rapport inhoudelijk niet zomaar volledig naast ons neerleggen. Ik ben benieuwd naar hoe die methodologie eruitziet. Ik wil ook transparantie in dat dossier.

Ik begrijp ook niet goed waarom het rapport, als het er al sinds juni is, niet door de commissaris-generaal werd toegelicht.

Mijnheer de minister, daarom vragen wij inzage in dat rapport. Wij willen ook de commissaris-generaal zelf over dat rapport kunnen ondervragen, om te zien welk gevolg intern aan dat verslag wordt gegeven en hoe de commissaris-generaal met de extra aanbevelingen die er nog komen zal omgaan, om de corruptie binnen de politiediensten tegen te gaan, zonder al een voorafname over de interne bedrijfscultuur te doen.

Zo veel mensen hebben dat ingevuld. Dat bewijst dat zij toch een bepaald vertrouwen hadden om dat in te vullen. Ik vind dat we de federale politie niet volledig in een slecht daglicht mogen stellen, want dat doet de mensen die dagelijks goed werk leveren onrecht aan.

Voorzitter:

Mevrouw De Vreese, ook u hebt de spreektijd wat overschreden.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, la presse a récemment relayé l'existence d'un rapport interne, provisoire, du service intégrité de la police fédérale, qui est fondé sur un sondage réalisé auprès d'environ 1 170 collaborateurs de la police judiciaire fédérale. Ce document, dont la méthodologie est aujourd'hui contestée, fait état de préoccupations qui sont exprimées par une partie des répondants concernant des tentatives d'influence, des pressions illicites et des comportements contraires à l'éthique, tant internes qu'externes à l'institution policière. Il est vrai que ceci a de quoi inquiéter.

Je souhaite ici relever vos premières réactions à ce sujet, qui ne laissent aucun doute sur le fait que la valeur intégrité est au cœur de vos préoccupations – elle est au cœur des miennes également – et sur votre volonté de transparence en la matière, et plus spécifiquement au regard du rapport CORESPO. Cette démarche CORESPO a été entamée en 2023, alors que Mme Verlinden était ministre de l'Intérieur. Vous héritez ici d'un rapport qui ne pouvait être validé en l'état en raison de faiblesses méthodologiques majeures, notamment en termes de représentativité, de rigueur scientifique et de confusion entre perceptions et faits établis.

Je tiens encore à ajouter que l'enquête menée se rapporte au passé et ne fait pas état d'une photographie de la situation à l'instant T. Il importe également de le dire. Dans ce contexte, je souhaiterais obtenir de votre part plusieurs éclaircissements.

Pouvez-vous rappeler quelles sont les préoccupations méthodologiques spécifiques, et préciser l'état exact d'avancement de la révision méthodologique du rapport?

Quel est le calendrier envisagé pour que nous puissions disposer des résultats? En effet, avant de procéder à des auditions sur le sujet, notre commission doit disposer de ces éléments. L'un ou l'autre collègue de Groen semble s'être procuré le projet de rapport d'une manière que je qualifierais d'irrégulière. Les autres membres de la commission n'en disposent pas.

On peut se poser la question de l'intégrité à la fois de ceux qui ont fourni le rapport et de ceux qui l'ont exploité. Quel est leur but? Affaiblir la confiance des citoyens envers les forces de l'ordre? Nourrir des thèses complotistes ? Il me semble difficile de les croire préoccupés et animés par la valeur intégrité au vu de la méthode utilisée.

En attendant ces résultats, quelles mesures de suivi des risques de corruption ou d'ingérence sont actuellement appliquées au sein de la police judiciaire fédérale, au-delà des dispositifs déjà existants?

Franky Demon:

(…) of ongeoorloofde inmenging in lopende dossiers. De incidenten nemen uiteenlopende vormen aan, zoals het doorspelen van informatie aan criminelen, rechters die vragen om boetes van hun kinderen te laten verdwijnen, en volgens wat ik hoor zelfs een politicus die wenst tussen te komen in een onderzoek.

Dat baart ons allen zorgen, te meer omdat uit het onderzoek eveneens blijkt dat de interne opvolging van meldingen over dat soort incidenten in het algemeen bijzonder tekortschiet.

De federale politie reageerde zeer snel, vind ik, door te stellen dat het rapport methodologisch zou tekortschieten, dat de resultaten niet representatief zijn en dat de getuigenissen moeilijk te verifiëren zijn. Ik was wat geschrokken dat u in uw eerste communicatie in die redenering meeging. Naar ik verneem, neemt u nu toch een bocht en zegt u dat de methodologie misschien niet 100 % correct was, maar dat een onafhankelijk onderzoek zal worden opgestart.

Mijnheer de minister, wat zal er veranderen aan de onderzoekstechnieken? Indien dezelfde resultaten naar boven komen, moeten we ze na dat onderzoek dan wél geloven en zult u dan wel sneller handelen?

Laat mij helder zijn: wij staan op de barricaden voor het respect voor politiemensen en voor het werk dat ze dagelijks doen, want ze vechten voor hun leven. Net omdat dat respect zo groot is, vind ik dat de rotte appels uit het korps moeten worden gehaald.

Ik heb heel wat vragen ingediend, maar gelet op mijn spreektijd zal ik die niet mondeling toelichten. Mijn hoofdvraag luidt of u bij een nieuw onderzoek strikt zult toezien op de onafhankelijkheid ervan, zodat we absoluut zeker zijn dat we wezenlijke stappen vooruit kunnen zetten.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, dit komt niet uit de lucht vallen. Enkele weken geleden hebben we in onze commissie voor Binnenlandse Zaken al hoorzittingen gehouden met de commissaris-generaal over de integriteit bij de federale politie. Ik had gehoopt dat wij tegen vandaag al inzage zouden hebben gehad in het rapport. De reden dat we dit vandaag opnieuw bespreken, is net omdat wij dat rapport niet hebben ontvangen, met uitzondering van één kamerlid, dat blijkbaar goede contacten onderhoudt met iemand van de federale politie. Ik wens in de eerste plaats inzage in dat rapport, want alle vragen die hier gesteld worden over de methodologie en de ernst van de situatie, vereisen eerst inzage in het rapport, voordat we verder kunnen discussiëren over wat nog nodig is.

Ten tweede, ik weiger mee te doen aan een soort van heksenjacht tegen onze politie. In mijn ogen voert de overgrote meerderheid van onze politieleden, zowel lokaal als federaal, het werk zeer integer uit, soms onder zeer moeilijke omstandigheden. Dat wil niet zeggen dat de rotte appel niet moet worden verwijderd, want dat is net het punt: één rotte appel kan de hele fruitmand bederven en daarvoor moeten inderdaad maatregelen worden genomen.

Er bestaan zeer veel controleorganen, zoals het Comité P, waarnaar de heer Vandemaele naar verwees, de algemene inspectie en er zijn ook interne controles. Om die reden willen we de commissaris-generaal horen in deze commissie. Wij willen vernemen wat zijn bevindingen zijn en welke maatregelen hij tegenover die corruptieschandalen wenst te nemen.

Mijnheer de minister, ik ben zeer blij dat u inmiddels ons voorstel van enkele weken geleden hebt overgenomen om de federale politie extern te laten doorlichten. Een interne doorlichting kan gewoonweg niet slagen – dat stond in de sterren geschreven – omdat men dan rechter en partij tegelijk is. Een externe doorlichting kan veel verhelpen en zorgt voor een zekere objectiviteit. Ik hoop dat u dat vandaag met zoveel woorden kunt herhalen.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je ne vais pas revenir sur tout ce qui a déjà été dit par mes collègues, mais ce qui est certain, c'est que ce rapport, en tout cas les extraits ou les éléments qui sont sortis dans la presse, met en avant des éléments préoccupants. Ces éléments ternissent l'image de la police, et c'est un dommage qui est difficilement réversible. En effet, c'est très compliqué à expliquer à la population, malgré toutes les mesures que l'on peut mettre en place. C'est aussi compliqué de revenir en arrière, et l'image de la police sera ternie par ce rapport.

Il est important de s'interroger sur sa méthodologie. Beaucoup de questions ont été posées depuis ce week-end à ce sujet. Vous aussi l'avez mise en avant. Est-ce qu'on parle de faits, de sentiments, de perceptions? Cela pose beaucoup de questions. Certains ont évoqué des faits ou des perceptions qui se seraient déroulés pendant toute leur carrière, donc par le passé. Cela pose une réelle question sur l'interprétation des résultats et sur l'utilisation que l'on peut en faire par la suite.

Hier, nous avons discuté de la possibilité d'organiser des auditions au sujet de ce rapport. J'ai demandé à pouvoir disposer de ce rapport. Il sera nécessaire de définir les modalités concrètes pour pouvoir en disposer, et qu'on puisse se faire une image concrète de ce qu'il dit, de ce qu'il raconte. Je souhaitais également vous entendre et, aujourd'hui, vous êtes devant nous pour répondre à nos premières questions.

Quel est l'état de ce rapport? Est-il validé, doit-il encore l'être? Y a-t-il encore une étape en la matière?

Quelle suite y sera donnée? Vous avez évoqué ce matin le lancement d'un audit externe. Qui va réaliser cet audit, dans quel timing sera-t-il réalisé, quels seront les moyens qui seront consacrés pour pouvoir le réaliser dans les temps?

Enfin, qu'en est-il du projet de loi de screening régulier tout au long de la carrière des policiers? Actuellement, ce screening n'existe qu'en début de carrière, et je pense que c'est important de pouvoir assurer ce suivi tout au long de la carrière des policiers.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, je vous ai lu dans la presse ce matin et, comme vous, nous pensons que les citoyens et les citoyennes doivent pouvoir compter sur une police intègre en tout temps et en tout lieu. Comme vous, nous croyons qu’il faut tendre vers un risque zéro en matière de corruption. Je prends donc acte positivement de votre volonté, annoncée ce matin dans la presse, de lancer une enquête indépendante, approfondie, scientifique et à court terme.

Cependant, là où nous divergeons, c’est lorsque vous affirmez: "Je n’accepterai jamais que l’image de la police soit ternie". En réalité, cette phrase pourrait laisser entendre que ceux qui ont tiré la sonnette d’alarme chercheraient à nuire à la police, que ce rapport viserait à ternir son image, alors que c’est tout l’inverse. Les agents intègres demandent que la lumière soit faite, et il s’agit ici de la grande majorité des policiers.

Nous ne pouvons ignorer que le rapport CORESPO a été complété jusqu’au bout par plus de 1 200 agents, soit 27 % des effectifs à l’époque, ce qui est loin d’être marginal. Ce que nous avons lu dans la presse ce week-end n’a rien d’une fiction: il est question d’informations sensibles transmises à des criminels, de pressions politiques ou judiciaires pour stopper une enquête, de rencontres douteuses avec d’anciens détenus ainsi que de lanceurs d’alerte rétrogradés, intimidés ou même poussés vers la sortie. Tout cela constituerait des dysfonctionnements graves.

La question centrale n’est donc pas l’image de la police, mais bien la lutte contre la corruption, la protection des agents qui dénoncent des pratiques illégitimes et la lutte contre le crime organisé, y compris lorsqu’il infiltre nos institutions. Si nous n’agissons pas, qui protégera ceux qui nous protègent? Et comment garantir – comme vous l’avez mentionné dans la presse – que les citoyens et les citoyennes peuvent compter sur la police en tout temps et en tout lieu?

Dès lors, monsieur le ministre, pouvez-vous nous fournir le rapport ou demander à ce qu’il soit communiqué? Que comptez-vous faire concrètement des recommandations déjà formulées dans le rapport CORESPO? Entendez-vous faire la lumière sur tous les cas qui y sont cités? Enfin, vous avez évoqué une enquête à court terme. Quels en seraient le calendrier, les étapes et les garanties d’indépendance?

François De Smet:

Monsieur le ministre, je tiens tout d’abord à souligner l’importance de l’existence d’un service intégrité au sein de la police et à saluer la production d’un tel rapport. Cela démontre qu’il existe un véritable contrôle interne et une prise de conscience face aux phénomènes de corruption. À titre de comparaison, au Parlement fédéral, il m’est difficile d’obtenir ne serait-ce qu’une modification du Règlement visant à instaurer la transparence sur les voyages des parlementaires. Dans ce contexte, tout "thermomètre" est précieux!

Le problème, c'est que les humbles mortels que nous sommes n'ont pas accès à ce rapport. Par conséquent, tout ce que nous savons émane de la presse et ce qu'elle nous en dit, c'est qu'il s'agit d'un sondage concernant 1 776 collaborateurs de la police judiciaire. Vous avez évoqué un souci de méthode et d'échantillonnage. Personnellement, je trouve que 1 800 personnes représentent un échantillon non négligeable. Même si l’on peut discuter de la méthodologie employée, il n’en demeure pas moins que nous connaissons la puissance financière et la capacité de corruption des adversaires auxquels nous faisons face, en particulier le narcotrafic

C’est pourquoi j’estime qu’il faut prendre très au sérieux le contenu de ce rapport, tant en matière d’éthique que de perméabilité aux influences extérieures. Lorsqu'on y lit effectivement que près d'un tiers des policiers interrogés déclarent avoir déjà décelé des éléments de corruption au sein de leur organisation, que 36 % des sondés ont déclaré avoir reçu des demandes inappropriées, que 30 % ont constaté une ingérence illicite, etc., cela ne peut être considéré comme anecdotique.

Que les choses soient claires! Je n'ai aucun doute sur l'intégrité de l'écrasante majorité de nos agents. Mais justement, et notamment pour ces pommes qui ne sont pas pourries, il faut d'urgence clarifier le statut de ce rapport, et surtout, la véracité des allégations qu'il contient. Nous avons tous entendu votre annonce d'une enquête indépendante. Très bien! Mais quelle place entendez-vous donner au Comité P dans ce processus, dont c’est a priori la mission première, même si son intervention ne sera pas suffisante?

Monsieur le ministre, compte tenu du fait que ce document soulève des questions fondamentales sur l'intégrité et la démocratie, seriez-vous d'accord de le transmettre le plus rapidement possible aux membres de la Chambre? Quelles suites judiciaires précises ont-elles été données à ce jour? Le rapport d'audit sur la méthodologie a-t-il aussi pour objectif de vérifier si des cas de corruption ou d'illégalité ont été transmis aux autorités judiciaires? É tant donné que la police fédérale a indiqué que 10 dossiers disciplinaires ont été ouverts depuis 2020, dont quatre ont conduit à des sanctions, les 10 dossiers concernent-ils spécifiquement les cas soulevés dans le cadre de l'enquête CORESPO sur la corruption?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, tant vous que moi le disons souvent: pour que la police soit respectée, elle doit être respectable. Les révélations de ce rapport interne CORESPO, élaboré avec la participation d'un nombre significatif d'agents fédéraux, confirme qu'il y a des problèmes très graves au sein de la police fédérale. On parle de trafic d'influence, de transmission de dossiers à des proches, de pressions politiques sur des enquêtes. Ces constats très inquiétants mettent en danger l'intégrité de nos services et les fondements de notre État de droit. Il y a même un témoignage anonyme qui évoque l'ingérence d'une personnalité politique liée à un club de football local, qui chercherait à faire stopper une enquête. Même si nous avons tous très envie de savoir qui c'est, nous n'allons pas jouer aux devinettes avec vous, monsieur le ministre.

Pire encore, de nombreux policiers dénoncent le manque de suivi des signalements et la stigmatisation des lanceurs d'alerte. Il s'agit d'une atteinte directe à l'indépendance de la police, qui est un pilier fondamental de l'État de droit. Si ces faits sont avérés, monsieur le ministre, ce ne sont pas seulement des dysfonctionnements internes, mais un déni du principe de justice.

Face à ces éléments, mon collègue M. Vandemaele a demandé au nom de notre groupe l'organisation d'auditions parlementaires pour pouvoir vous entendre, mais aussi entendre les hauts responsables de la police fédérale. Vous avez contesté la méthodologie du rapport et avez refusé de le transmettre au Parlement, tout en indiquant que vous en aviez tiré des enseignements. Je m'interroge sur un tel refus, surtout quand on voit que ces allégations sont très graves et que nous sommes face à un enjeu de taille pour la démocratie. Il nous faut agir avec la plus grande transparence.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous expliquer précisément les raisons de votre refus quant à la transmission de ce rapport, alors que vous affirmez en avoir tiré des enseignements opérationnels et que la gravité des faits justifie le contrôle démocratique parlementaire? Pourquoi vous opposez-vous à la tenue d'auditions parlementaires demandées par mon collègue?

Pouvez-vous nous garantir qu'aucune pression politique n'a été exercée sur la police judiciaire dans les faits évoqués? Dans le cas contraire, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour en identifier les auteurs et les sanctionner?

Seriez-vous prêt à soutenir un audit externe indépendant, voire la mise en place d'une commission d'enquête parlementaire pour faire toute la lumière sur ces pratiques?

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, comme la plupart d'entre nous et des citoyens qui suivent l'actualité, j'ai évidemment été interpellé par ce que j'ai lu dans la presse. La corruption dans les services de police est quelque chose de totalement inacceptable, à plus forte raison dans les services qui touchent à la sécurité des citoyens. À l'instar d'autres intervenants, je n'ai toujours pas pu consulter ce rapport, mais un collègue en détient un exemplaire. Par conséquent, je présume que cela ne posera pas de problèmes que nous le recevions tous. À partir du moment où un collègue possède ce document et que des extraits sont publiés dans la presse, a priori, en prendre connaissance ne devrait plus poser de difficultés.

Les faits relatés sont catastrophiques pour la police. Tout comme mon collègue De Smet, j'estime rassurant qu'un service Intégrité existe au sein de nos services de police. La question à se poser est pourquoi un parfum de scandale se diffuse-t-il dans la presse, alors qu'un rapport a été préparé et que l'enquête en question est une initiative prise par les services. Rien ne dit, jusqu'à preuve du contraire, qu'on voulait dissimuler ce rapport. On nous dit simplement qu'il n'était pas encore achevé. Dès lors, j'aimerais savoir s'il y a eu une volonté quelconque de dissimuler des choses ou si, tout simplement, le rapport n'était pas encore prêt à être diffusé. La publication de ces informations témoigne-t-elle d'une volonté de nuire à la police? Des éléments en interne ne cherchent-ils pas à nuire à la structure policière fédérale? C'est une question que je me pose.

Ce matin, une journaliste m'a appelé au sujet de la présente réunion. Une de ses questions m'a interloqué: "Monsieur le député, avez-vous encore confiance en notre police, étant donné que nous avons recueilli trois témoignages négatifs?" Non, mais vous imaginez! Vous pouvez donc concevoir l'effet produit par cet article.

Finalement, face à tout soupçon de corruption, nous disposons d’un instrument institutionnel: le Comité P, placé directement sous l’autorité du Parlement. Il me paraît donc souhaitable de le saisir afin de vérifier s’il existe déjà des enquêtes en cours concernant le contenu de ce rapport, et d’évaluer si le Comité P doit se voir confier une mission supplémentaire.

Par ailleurs, vous êtes le premier policier du Royaume. Maintenant, la balle est dans votre camp. Il vous appartient de redresser l'image de la police et de faire toute la clarté sur cette affaire.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik wil om te beginnen mijn steun uitspreken voor de politiemensen. Ik zie dagelijks op het terrein welke bergen werk zij verzetten, met welke inzet ze aan de slag gaan en met hoeveel sérieux en integriteit ze elke dag hun taken uitvoeren. Daarom wil ik mijn expliciete steun en waardering uitspreken voor al die plichtsbewuste agenten die dagelijks instaan voor ieders veiligheid. Zij zijn de norm, zij zijn de standaard, dat wil ik uitdrukkelijk benadrukken.

De uitzonderingen bestaan helaas ook, en die realiteit maakt mij bijzonder verontwaardigd en zelfs kwaad. Er is hier al meermaals verwezen naar het CORESPO-rapport. Uit die bevraging bij 1.200 leden blijkt dat bijna een op de drie respondenten tijdens zijn loopbaan getuige is geweest van onrechtmatige inmenging in dossiers. De aard van die getuigenissen is bijzonder ernstig. Het gaat verder dan louter externe druk.

Wat mij nog het meest zorgen baart, is de geschetste cultuur van straffeloosheid en stilzwijgen. Er zouden leidinggevenden zijn die de instructie geven om een oogje dicht te knijpen, terwijl meldingen van integere agenten vaak zonder gevolg blijven. Dat creëert de perceptie dat integriteitsschendingen worden getolereerd, wat me bijzonder verontwaardigt.

Daarbovenop komen nog de signalen van beïnvloeding en inmenging. Die signalen moeten we zeer ernstig nemen, mijnheer de minister. Hoewel de federale politie kritiek uit op de methodologie, stellen experts dat de omvang en aard van de meldingen onmiskenbaar wijzen op een structureel probleem.

Hebt u het rapport gelezen en bent u het eens met de analyse van de experts? Zult u het rapport overhandigen aan de leden van deze commissie of ervoor zorgen dat we inzage krijgen in dat rapport? Hoe verklaart u dat een derde van de agenten die intern misbruik melden, ontevreden zijn over de opvolging daarvan? Wat wilt u daaraan doen?

Ik wil ook mijn laatste vraag stellen, omdat die bijzonder belangrijk is. Het vertrouwen is kwetsbaar, mijnheer de minister. Eerdere hoorzittingen hebben dat hier al aangetoond. Acht u de organisatie zelfredzaam genoeg om het tij te keren? Welke visie hebt u daarop?

Bernard Quintin:

Je remercie l'ensemble des participants à ce débat d'actualité pour leurs nombreuses questions, qui démontrent à quel point la corruption est un fléau qu'il faut endiguer, y compris et singulièrement au sein de la police et de la police fédérale. Elle n'y a pas sa place, et sous mon empire, elle ne l'aura jamais.

Corruptie is een plaag die moet worden ingedamd, ook bij de federale politie. Laat ik duidelijk zijn: er is hoegenaamd geen plaats voor corruptie bij de politie.

Comme l'a déjà fait le commissaire général lors des auditions qui se sont tenues ici en juin et en septembre, il convient d'emblée d'apporter à nouveau certaines précisions quant à ce dossier CORESPO.

Tout d'abord, que signifie ce terme et que vise-t-il? CORESPO signifie Corporate Responsability of Police et vise, dans le cadre de la politique d'intégrité élargie de la police en général, à déterminer des indicateurs de risque et non des constats au sens juridique ou disciplinaire.

Ce processus a été intégré en interne de la police en 2022 sous le mandat de ma prédécesseure, la ministre de l'Intérieur de l'époque, et dont, je le rappelle, le fonctionnement de la police judiciaire fédérale dépend aussi, dans sa fonction actuelle de ministre de la Justice.

Un rapport CORESPO vise à cartographier les zones de risques éthiques potentiels et non à réaliser un audit de comportement ou une évaluation du bien-être au sens classique ni une déclaration ou plainte individuelle.

Pour cette dernière, il existe d'autres canaux et procédures spécifiques. J'y reviendrai tout à l'heure. Il existe plusieurs enquêtes CORESPO, au sujet desquelles de nombreuses questions parlementaires, tant écrites qu'orales, m'ont été adressées. Il s'agit de CORESPO Respect DGJ, CORESPO Corruption DGJ et plus récemment, CORESPO Respect DGA.

Il importe de rappeler le contexte global de lancement de ces enquêtes qui était les suites de l'affaire Sky ECC. La police n'a pas attendu. Elle s'est emparée directement de problématiques qui pouvaient survenir sur les lieux de pouvoir de notre société pour réaliser un diagnostic complet sur les risques existant au sein de sa propre organisation, ce qui pourrait inspirer d'autres secteurs. Cela me permet de remettre les choses dans le bon ordre, dossier par dossier.

Je m'excuse déjà auprès du président, car je dépasserai probablement les cinq minutes qui me sont allouées!

En ce qui concerne CORESPO Respect DGJ, le questionnaire a été adressé au personnel de la police judiciaire en mars 2023. Il portait sur des expériences concrètes ou perçues concernant des remarques des migrants, des conflits, des discriminations, des comportements inappropriés, de la charge de travail, etc.

Het eindrapport met betrekking tot respect van DGJ werd op 9 april 2025 aan de vakorganisaties voorgesteld. Op basis van dat rapport werd bij DGJ een concreet actieplan uitgewerkt, dat op 18 juni 2025 aan de vakorganisaties werd voorgelegd en een positief advies kreeg van twee vakorganisaties. Het actieplan steunt op concrete acht pijlers: ontwikkeling van een cultuur van respect, nultolerantie voor ongepast gedrag, erkenning van medewerkers, rechtvaardigheid en onpartijdigheid, onboarding en integratie, conflictbeheer, competentie en opleidingstrajecten, ethisch leiderschap en preventie van stress.

De implementatie van het actieplan verloopt gefaseerd, met in het derde kwartaal van 2025 communicatie en sensibilisering. Tussen oktober 2025 en juni 2026 worden structurele acties geïmplementeerd. Vanaf 2026 volgt dan opvolging en bijsturing via trimestriële monitoring. Volgens die planning zullen eerste conclusies kunnen worden getrokken over de uitvoering van het plan. Ik verwacht uiteraard van de federale politie dat zij mij de resultaten zo snel mogelijk voorlegt, met de vereiste ernst en nauwkeurigheid.

Misschien moeten we daarin een teken zien. Een positieve kant van de zaak is wellicht dat we leven in een tijdperk waarin men niet langer terugdeinst om gedragingen die het welzijn op het werk aantasten, aan te klagen.

II a beaucoup été question, ces derniers jours dans l'actualité, de méthodologie et, surtout, de l'efficacité de cette dernière quant à la collecte de données. De toute évidence, cette méthodologie a fonctionné pour le rapport CORESPO Respect DGJ, ce qui en a permis l'exportation et l'exploitation avec le plan d'action que je viens de mentionner.

Force est de constater que, selon la police, il n'en a pas été de même avec CORESPO Corruption DGJ.

Ik herinner eraan dat ik op 19 november jongstleden aanwezig was in de commissievergadering om mondelinge vragen te beantwoorden. De heer Matti Vandemaele had mij laten weten dat hij niet zou kunnen blijven om zijn mondelinge vraag over CORESPO te stellen. Zoals gebruikelijk in een dergelijke situatie heb ik hem daarom schriftelijk het antwoord bezorgd dat ik hem mondeling zou hebben gegeven. Velen onder u hebben mij nadien de vraag gesteld of ik al dan niet over het rapport beschikte. Zoals ik straks opnieuw zal toelichten, heb ik niets te verbergen. De federale politie heeft mijn kabinet het niet-goedgekeurde ontwerprapport in het kader van de voorbereiding van een antwoord op dezelfde mondelinge vraag van volksvertegenwoordiger Vandemaele bezorgd.

Les mots ont un sens! Et c'est dans cette réponse, jusqu'ici non publiée sur aucun canal officiel de la Chambre, que j'ai précisé qu'à l'heure actuelle, et bien évidemment selon la police fédérale, les conclusions de ce rapport ne sont ni exportables ni exploitables. Je le répète donc, selon la police fédérale, à l'heure actuelle, les conclusions de ce rapport ne sont ni exportables ni exploitables.

Par conclusions "exportables", on entend qu'au moyen d'un questionnaire en ligne, des données brutes sont collectées et c'est l'interprétation de cette collecte qui permet de dégager des tendances et des résultats concrets. Par "exploitables", on entend la traduction de ces résultats au travers d'un plan d'action, dont acte à la suite du rapport CORESPO Respect DGJ. Mais il aurait fallu pour cela qu'il en fût autant pour le rapport CORESPO Corruption DGJ, à savoir une quantité suffisante de données exportables et exploitables, ce qui n'a, selon la police, pas été le cas.

En matière de chiffres, j'aimerais en clarifier certains. Selon les informations qui m'ont été transmises par la police fédérale, il ressort que sur environ 4 500 membres du personnel de la direction générale judiciaire, 3 670 ont été consultés et un peu plus de 1 200 ont répondu à l'enquête complète, soit un tiers.

Sur ce tiers du personnel de la DGJ qui a été consulté, environ 30 %, selon la police, ont constaté au cours de l'ensemble de leur carrière, des comportements à risque en matière de corruption. Je me permets d'insister sur "l'ensemble de la carrière"! Les cas évoqués ne concernaient donc pas uniquement l'expérience des agents de la DGJ, mais tout leur parcours professionnel au sein de la police fédérale ou locale, le cas échéant.

Mijnheer Vandemaele, u verklaarde op de VRT het volgende. Ik citeer: "Het gaat natuurlijk niet over het feit dat een op drie corrupt zou zijn. Het gaat erover dat een op drie zegt: ik heb het gezien." Dames en heren volksvertegenwoordigers, het klopt niet dat 30 % van ons volledige politiekorps corrupt zou zijn, zoals sommigen – ik spreek niet van leden hier – hebben laten uitschijnen.

Voorts merkt u het volgende op: "Ik denk wel dat de federale politie een existentiële crisis aan het doormaken is. Men probeert dat opnieuw in de doofpot te stoppen." Dat zijn onterechte en goedkope beschuldigingen. Ik pik ze niet. Laat dat duidelijk zijn.

Notre police, je vous le rappelle, compte 50 000 membres. L’immense majorité de ces agentes et agents accomplissent leur travail quotidien avec une probité totale et un sens du devoir admirable, comme vous l’avez toutes et tous d’ailleurs souligné dans vos interventions et vos questions.

Celles et ceux qui colportent des données inexactes viennent donc un peu plus cultiver le désamour entre ceux qui nous protègent et ceux qu’ils protègent, parfois au péril de leur vie.

Cela étant dit, c’est le manque de données suffisamment exploitables qui a conduit la police fédérale à ne pas valider définitivement l’enquête. C’est précisément pour cette raison qu’elle a déjà annoncé le lancement, dans les plus brefs délais, d’un audit sur la méthodologie qu'elle a utilisée, comme le commissaire général l’avait d’ailleurs annoncé ici en septembre. Les résultats de cet audit sont attendus début 2026.

In antwoord op uw vraag om het rapport ter beschikking te stellen, kan ik het volgende meedelen. Ik heb er geen probleem mee dat het rapport wordt gedeeld. Ik heb niets te verbergen. Mijnheer de voorzitter, ik stel dus voor dat u de praktische afspraken voor de terbeschikkingstelling van het rapport samen met de federale politie bekijkt.

Je souhaite cependant sortir de ce débat sur la méthodologie et les chiffres, car je veux ici être très clair, comme j’ai déjà eu l’occasion de l’être ce matin. Chaque cas de corruption au sein de la police fédérale est un cas de trop. Cette enquête CORESPO sur la corruption et les problèmes méthodologiques qu’elle a rencontrés ne signifient en rien que la lutte contre la corruption doit être abandonnée, bien au contraire.

Ik wil nogmaals beklemtonen dat er voor elk geval dat aanleiding kan geven tot tuchtprocedures, reeds specifieke interne procedures bij de politie bestaan. Ik kan u bovendien meedelen dat er, naast externe meldkanalen, zoals het comité P, in mei 2025 onder mijn mandaat ook een nieuw intern meldkanaal werd gelanceerd door de federale politie. Ik maak van de gelegenheid gebruik om eraan te herinneren dat elke politiepersoon en elke ambtenaar verplicht is feiten van corruptie te melden, zodra hij of zij daarvan kennis krijgt, overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van strafvordering.

Je peux vous confirmer, selon les informations dont je dispose de la police, qu'aucun cas n'a été à ce jour signalé via cette nouvelle procédure et que l'existence même de ce canal a été rappelée ce lundi dans une communication au personnel. Mais je tiens également à signaler que depuis 2019 dix dossiers disciplinaires ont concerné des cas liés à des faits de corruption. Quant aux éventuelles poursuites pénales, celles-ci relèvent, comme vous le savez, du pouvoir judiciaire et je n'ai pas à me prononcer là-dessus. Je vous invite à interroger la ministre compétente à ce propos.

Mesdames et messieurs les députés, comme vous pourrez le relire tant au sein de mon exposé d'orientation politique qu'au sein de ma note de politique générale, j'ai fait de l'intégrité de la police un élément central de mon action en insistant quotidiennement auprès de celle-ci. Chaque cas doit être traité avec un sérieux total et je m'y emploie depuis 11 mois, en me basant sur la situation dont j'ai hérité.

J'ai déjà exprimé à moult reprises ma volonté d'une police respectueuse, respectable et respectée. Cette ambition de lutter contre la corruption est partagée par la police fédérale et traduite de manière concrète dans le plan pluriannuel Intégrité ainsi que dans son plan stratégique et, comme cela a été rappelé, par le simple fait qu'il existe une cellule Intégrité au sein de la police fédérale. Ces plans servent de fil conducteur à l'ensemble de la police intégrée pour faire vivre les valeurs de respect, d'exemplarité et de professionnalisme dans toutes les fonctions. Ce travail est mené au quotidien au sein de la DGJ, tant par le biais des initiatives existantes que par celui de nouvelles initiatives à venir.

Onder mijn impuls zullen we ook werkzaamheden opstarten die tot doel hebben een permanente screening van de personeelsleden gedurende hun volledige loopbaan uit te voeren.

Hoe dan ook begrijp ik dat de in de pers gepubliceerde getuigenissen sommige leden van de assemblee, net als het brede publiek en uiteraard ook mijzelf, beroerden. Het onderzoek was een positief initiatief. Het doel ervan was en blijft lovenswaardig, maar de praktische uitvoering ervan schoot tekort op het vlak van de methodologie, waardoor het meer vragen dan antwoorden opriep.

Mesdames et messieurs les députés, je n'accepterai jamais que l'image de notre police soit ternie – non en cachant les faits, mais en faisant la lumière. C'est pourquoi, à côté de l'audit sur la méthodologie CORESPO que le commissaire général a entrepris, je lui ai donné instruction d'ouvrir une enquête indépendante, exhaustive et scientifique visant à déceler les risques systémiques en rapport avec la corruption que peut encourir la DGJ. Je voudrais insister sur ce point. L'objectif de cette enquête doit être de découvrir les problèmes systémiques. Dans cette commission, il a été question de résilience. C'est pourquoi je pense qu'il importe aussi d'en parler au sein de la police. Il ne s'agit pas ici de mener une enquête sur des cas particuliers de corruption. Cela appartient aux structures disciplinaires et, surtout, judiciaires. Chacun doit accomplir son travail. À ce titre, je rappelle que tout fonctionnaire, singulièrement un fonctionnaire de police, est tenu de respecter l'article 29 du Code pénal: s'il a connaissance de faits délictueux ou criminels, il est tenu par la loi, qu'il est censé faire respecter, de les dénoncer. Il s'agit donc, en l'occurrence, de disposer d'une étude qui protège la police contre les risques systémiques de corruption.

Comme vous l'avez dit, la corruption existe dans notre société. Ne faisons pas semblant de la découvrir à travers quelques articles de presse, s'il vous plaît. Nous avons des enquêteurs, en particulier à la DGJ, qui sont évidemment, encore plus que d'autres, de possibles victimes de cette corruption. Donc, il faut les protéger. C'est ce que je veux faire et c'est la raison pour laquelle je veux recourir à la bonne méthodologie. Je ne veux pas qu'on ternisse l'image de la police avec des à-peu-près, d'où qu'ils viennent. Je suis très clair sur ce point.

Cette enquête indépendante devra être menée dans les plus bref délais. Sur la base des résultats qu'elle produira, nous prendrons des mesures supplémentaires avec la ministre de la Justice, afin de tendre vers un risque zéro en matière de corruption. Après vous avoir entendus, je pense pouvoir dire que c'est une volonté que nous partageons tous ici.

J'ajouterai encore un petit mot au sujet du Comité P. Oui, il a évidemment un rôle à jouer. Toutefois, sans chercher à en diminuer les mérites, je ne suis pas certain qu'il ait la capacité, même physique, de mener cette enquête sur les risques systémiques. De toute façon, il ne m'appartient pas de le dire. En effet, vous le savez mieux que moi: c'est vous, le Parlement, qui pouvez l'activer.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, ik vermoed dat we iets meer spreektijd krijgen, aangezien de minister ook langer heeft gesproken.

Voorzitter:

Die discussie zullen we niet voeren. Ik bepaal wie aan het woord komt, maar de spreektijden zijn reglementair vastgelegd voor parlementsleden. Zij krijgen 2 minuten voor het stellen van hun vraag en 2 minuten voor hun repliek. Uiteraard kan ik het antwoord van de minister moeilijk beperken, want dan zou u kwaad zijn, omdat u geen antwoord krijgt. Mijnheer Vandemaele, u hebt 2 minuten.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik ben blij dat u toch een bochtje maakt. Ik blijf evenwel benieuwd wie het onafhankelijk onderzoek zal uitvoeren, want dat is me niet zo duidelijk.

Ik maak me oprecht zorgen over de top van de federale politie. Ik laat me vertellen dat iemand uit de beleidscel van de commissaris-generaal boven de dienst Integriteit is geplaatst om te controleren dat er niets meer naar buiten komt dat niet in orde is. Dat hoor ik zeggen.

Ik hoor ook dat het rapport in juni klaar was en intern eveneens in juni werd verspreid. Wie beweert dat het om een voorlopig rapport gaat, verkondigt dus onwaarheden. Het onderzoek zal dat evenwel duidelijk maken.

Voor mij is het bijzonder belangrijk dat de mensen die aan het rapport hebben meegewerkt, worden beschermd. Ook mensen die in het rapport aangeven dat ze zijn gestraft, omdat ze corruptie hebben gemeld, moeten echt worden beschermd. Er moeten op individueel niveau acties volgen om recht te zetten wat daar fout is gelopen. Ook wie heeft meegewerkt aan het rapport, moet worden beschermd, want ik heb de indruk dat de politietop niet in de juiste richting meegaat.

Dat we het rapport zelf zullen ontvangen, stemt me tevreden. Tot nu toe hebben we slechts een rapport ontvangen; we moeten de twee of drie rapporten die klaar zijn, krijgen, inclusief de bijlagen. Dat gaat immers telkens over 100 tot 150 pagina’s extra informatie, die zeer nuttig is om te lezen. Ik hoop dus dat u daarvoor eveneens uw steun kunt uitspreken.

Ik rond af. U probeert mij in de hoek te duwen van degenen die de politie zouden willen beschadigen. Dat pik ik niet en ik zal u uitleggen waarom. Ik word door zeer veel politieagenten aangesproken, allemaal integere mensen die zeggen dat de aanpak van corruptie voor hen uiterst belangrijk is en dat, als er in hun organisatie 1, 2 of 3 % politieagenten niet loyaal is aan de missie en wel corrupt is, dan schaadt die minderheid het imago van de hele politie. Ik kom dus op voor de agenten die hun werk naar behoren doen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, in eerste instantie ben ik blij dat wij inzage krijgen in het rapport. Ik verneem dat er ook veel bijlagen zijn. Het is logisch dat we ook die bijlagen kunnen inkijken, ook al weet ik niet welke informatie ze precies bevatten.

Comité P moet zijn rol kunnen spelen. In de begeleidingscommissie moeten we dat bespreken. Als mensen de moed bij elkaar rapen om corruptie waarbij eventueel leidinggevenden betrokken zijn, te melden, dan moeten ze dat kunnen doen via een goede procedure, onderbouwd met de nodige bescherming, zodat ze zich veilig voelen. Dat moeten we bekijken. Ik lees dat het rapport ook veel kwalitatieve informatie bevat.

Ik ga ermee akkoord dat men de methodologie toetst, maar tegelijk mag men het kind niet met het badwater weggooien. Het rapport bevat veel informatie. Moeten we het rapport dan helemaal overdoen? Mensen die gewoon zijn dat soort van onderzoeken te verrichten en dergelijke bevragingen uit te voeren, hebben er uren werk aan besteed. Het is dus belangrijk om het geleverde werk te bekijken en in zijn context te plaatsen. Wellicht bezorgt u ons daarover binnenkort meer informatie.

Agenten mogen geen schrik hebben om zaken te melden. Niet alleen opvolging en feedback zijn nodig, maar ook communicatie door bijvoorbeeld een commissaris-generaal die op de hoogte is van een rapport.

De informatie is onmiddellijk n de pers verschenen en de schade is moeilijk te herstellen, maar een externe audit moet een en ander in zijn context plaatsen. Mijnheer de minister, wij hebben geen tijdschema gekregen van de externe audit. Hopelijk kunt u ons daar snel uitsluitsel over geven.

Catherine Delcourt:

Merci pour vos clarifications, monsieur le ministre.

Votre mise au point était nécessaire. Les policiers exercent un métier exigeant. Il n'y a pas de doute qu'ils le fassent d'une manière intègre, honnête, irréprochable. Ils sont dignes de notre confiance à quelques exceptions près. Il faut, pour ces exceptions, traiter fermement le mal à la racine, systématiquement. La lutte contre la corruption à tous les niveaux au sein de la police doit être une priorité. Les signalements doivent être suivis de faits. Vous y travaillez sans relâche, il ne peut en être autrement.

J'ai bien compris que cette polémique est née de deux documents dont le collègue Ecolo-Groen Vandemaele fut le seul à disposer. La réponse que vous lui avez fournie en mains propres et le rapport obtenu par on ne sait quel canal parallèle sont pour moi une drôle de conception de la démocratie parlementaire et de la notion d'intégrité. La méthode pose question, surtout au vu du sujet traité ici. Je vous remercie d'accepter de mettre le dossier à notre disposition. Néanmoins, la méthodologie utilisée présente en effet des limites. Ce sont dès lors des conclusions issues d'un projet de rapport qui n'est pas exploitable en l'état, et qui ont été tirées à la hâte avant d'être rendues publiques. C'est inacceptable. L'image de la police ne peut pas être ternie de cette façon, sur la base de méthodes de travail que je qualifierais de douteuses. C'est pourquoi je salue votre initiative de lancer, à court terme, une enquête indépendante, approfondie et scientifique. Je vous soutiens, monsieur le ministre, je soutiens notre police et attends les résultats avec beaucoup d'intérêt.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, voor mij is het belangrijk dat het betreffende onderzoek vanuit het onafhankelijke CG van de federale politie gestart is. Wij, u en de ministerraad moeten dat stuk dan ook van op een afstand en volledig objectief bekijken.

Het betreft een initiatief van de federale politie en het is aan ons om dat met de nodige afstand correct te interpreteren. Ik voel mij dus niet degene die nu moet beschermen of degene die nu moet veroordelen. Het is aan ons, maar ook aan u en aan alle ministers, om het rapport dat er nu ligt, evenals een volgend rapport, van op afstand te bekijken. Het is uiteindelijk de top van de federale politie zelf, die het rapport besteld heeft Wij moeten daar als politici niet bang van zijn; wij moeten het durven te interpreteren.

Ik ben wel zeer tevreden met uw verklaring dat u nauwlettend zult waken over de verdere uitrol van de permanente veiligheidsscreening gedurende de loopbaan van politiemedewerkers. Dat moeten we scherp in de gaten houden. U krijgt daarvoor mijn complimenten en mijn volledige steun.

Ten slotte, al bijna een jaar geleden vroegen wij hoe ver het stond met de tuchtwet voor de politie. Dat aspect zit ook deels in het onderzoek vervat. Wanneer we straks onder andere de beleidsplannen bespreken, moeten we wel duidelijkheid hebben over de timing ter zake.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ten eerste hebt u zich persoonlijk tot mij en tot de commissie gericht met de vraag om het rapport op te vragen. Dat is gisteren gebeurd. Naar aanleiding van de regeling van de werkzaamheden en de organisatie van eventuele hoorzittingen in onze commissie heb ik gisteren al een brief gericht aan de commissaris-generaal om het rapport effectief ter beschikking te stellen van het Parlement en van de leden van de commissie.

Ten tweede klopt u zich nogal op de borst met het nieuwe orgaan dat u in juni bij de federale politie hebt opgericht, namelijk het interne meldkanaal. Ik wil u daarover toch even met de neus op de feiten drukken. Ik geef u even mee wat ACV Politie, de vakorganisatie waarnaar u zelf verwijst, daarover zegt.

Verwijzend naar het rapport zegt de organisatie: "Deze cijfers bewijzen niet dat de werkvloer verrot is, maar dat onze mensen alert zijn. Het echte probleem is dat hun meldingen te vaak sterven in een bureaulade, om negatieve publiciteit te vermijden. Zo gaven drie op de tien deelnemers aan dat ze ontevreden zijn over de opvolging van meldingen.”

Dat is hetgeen ik bedoelde met mijn stelling dat men bij een interne evaluatie soms op muren botst. Die muren moeten dringend worden afgebroken. Daarom ben ik zeer verheugd dat u ons voorstel van enkele maanden geleden hebt overgenomen en nu eindelijk een onafhankelijk onderzoek hebt bevolen.

U doet uw werk en het Parlement moet zijn werk doen. Ik ben er dan ook zeker van dat we de kwestie in onze commissie nader zullen bespreken, via hoorzittingen. Ik hoop ook op volledige transparantie van u en van de commissaris-generaal in het dossier. Het moet immers inderdaad de bedoeling zijn – dat is ongetwijfeld eenieders doel hier – om een integere en betrouwbare politie op de been te brengen. Ik dank u alvast daarvoor.

Xavier Dubois:

Merci d'avoir rappelé l'historique du dossier. Il est important de rappeler qu'il s'agit d'un rapport interne du service Intégrité, ce qui prouve la maturité de l'organisation. Je ne suis pas sûr que ce soit le cas de tous les services publics, qui peuvent aussi être concernés par des risques de corruption.

Vous avez rappelé que l'enquête vise à identifier des risques qui sont basés sur des perceptions, et non pas des faits. Vous avez précisé que cette enquête porte sur des perceptions tout le long de la carrière des agents qui ont répondu, ce qui permet de remettre en perspective les résultats mis en avant. La police affirme que les résultats ne sont pas directement exploitables.

Tout le monde est d'accord sur le fait qu'il faut agir. La police fédérale le fait, avec un audit interne sur la méthodologie. Vous le faites également, avec cet objectif d'enquête indépendante, scientifique, systémique, sur la problématique de la corruption. Nous avions demandé quels en seraient le moment, le timing, la méthodologie, et n'avons pas encore reçu de réponses à ce sujet. Il serait important de les avoir rapidement pour savoir à quel planning nous devrons faire face. Nous serons attentifs aux résultats de cette enquête.

Merci d'avoir confirmé que ce rapport sera transmis. Il est important que nous puissions l'avoir rapidement. La transparence est, à ce sujet, nécessaire et évidente.

Concernant le projet de loi sur le screening , j'entends qu'il est au programme. Je pense qu'il faut avancer rapidement à ce sujet. Nous avons déposé une proposition de loi en ce sens et ce serait une très bonne chose que vous vous en inspiriez. Il faut agir, et vite. Il faut lutter contre la corruption, c'est une évidence. Et il faut rétablir la confiance dans notre police.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, vous avez parlé de votre empire, et je ne vous savais pas empereur. Plus sérieusement, la corruption n'a pas sa place dans la police ni dans notre société et, je le répète, nous n'avons aucun doute sur l'intégrité de la majorité des membres de la police fédérale.

Je vous remercie d'avoir accepté de partager avec nous le rapport et les annexes. On parle beaucoup de méthodologie, un peu comme pour noyer le poisson, mais rappelons les faits: ce rapport a été réalisé par le service Intégrité au sein de la police fédérale et a été complété par 23 % du personnel, donc presque un tiers, ce qui n'est pas marginal. Vous n'avez pas communiqué de calendrier précis pour l'audit, de sorte que je plaide pour qu'il soit réalisé au plus vite, afin que cela ne ralentisse pas le travail sur le contenu même du rapport. En effet, ce rapport nous offre une occasion unique de faire la clarté sur d'éventuels cas de corruption, de lutter contre les dysfonctionnements internes et, surtout, de protéger les agents qui dénoncent des pratiques potentiellement illégitimes. Je répète que nous avons confiance dans l'intégrité de la grande majorité des policiers.

Enfin, vous n'avez pas apporté de réponses claires sur le calendrier de l'enquête, sur les problèmes systémiques et sur les garanties d'indépendance. Nous continuerons donc à vous interroger sur le sujet car la corruption, vous l'avez dit, n'a pas sa place dans nos institutions.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je note que nous recevrons le rapport et vous en remercie. Pour éviter tout flottement, je crois qu'il sera important de préciser les modalités, mais nous verrons cela avec la commission.

Deuxièmement, il subsiste un petit mystère. La police n'a pas validé le rapport parce que les données ne paraissaient ni exploitables ni exportables, vous avez d'ailleurs insisté sur ce point. Mais qu'a-t-il donc manqué pour rendre ce rapport exportable et exploitable? Pourquoi le travail n'a-t-il pas, au fond, été achevé? Nous nous retrouvons avec un rapport qui n'est pas abouti, et c'est sans doute ce côté inabouti qui a fait en sorte que ce rapport finisse par fuiter, parce que certaines personnes en interne ont dû considérer que cela n'allait pas. Dès lors, qu'aurait-il fallu en plus pour que ce rapport soit exploitable et exportable?

Enfin, vous avez répondu sur le comité P. Il ne lui appartient sans doute pas de mener des procédures systémiques, de sorte qu'il est logique que vous ayez confié cette mission au commissaire général. Par contre, le comité P peut mener des enquêtes individuelles. Dès lors, la moindre des choses serait qu'il reçoive le rapport, même avec toutes les réserves méthodologiques d'usage, afin de vérifier les faits qui y sont mentionnés. Certes, le comité P dépend de nous, le Parlement. Le plus simple serait que le commissaire général ou vous-même lui envoie le rapport directement. Sinon, nous voulons nous en charger une fois que vous nous l'aurez transmis. In fine, il faudrait qu'il puisse juger sur pièces si certaines allégations méritent d'être investiguées plus avant.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'aimerais saluer votre ouverture sur la nécessité de partager les données, les enquêtes et les rapports. Je me joins au questionnement que vient d’exprimer M. De Smet. Effectivement, que manque-t-il pour que ce rapport soit "exploitable"? De la même manière, l’audit devrait être réalisé le plus rapidement possible afin que nous disposions d’un maximum d’informations.

Pour nous, il est essentiel de protéger les lanceurs d’alerte. Nous avons eu trop d’exemples où ces derniers ont été sanctionnés par la suite. Vous serez d’accord pour dire que la lutte contre la corruption ne doit pas se limiter aux citoyens et citoyennes, mais concerner aussi celles et ceux qui sont censés nous protéger. Nous ne pouvons pas continuer à fermer les yeux sur des pratiques qui sapent la confiance que les citoyens placent dans leurs institutions, et en particulier dans la police, surtout au vu des dernières actualités en matière de bavures policières. La confiance envers la police s’effrite.

Il est de la responsabilité de l’État et de votre ministère de garantir que nos forces de l’ordre soient irréprochables. Comme je l’ai dit, pour que la police soit respectée, elle doit être respectable. Il est donc inconcevable qu’un agent de police national soit confronté à des conditions de travail aussi précaires, avec des salaires indignes, contraint parfois de cumuler avec des flexi-jobs pour boucler la fin du mois. Ces situations sont compliquées, ont un impact direct sur l’efficacité, la qualité et l’éthique professionnelle de nos agents de police.

Lorsque nous aurons une police bien formée, protégée contre la corruption et correctement rémunérée, alors peut-être pourra-t-elle retrouver la confiance des citoyens et des citoyennes et se montrer irréprochable dans l’exercice de sa mission. Nous continuerons, évidemment, à suivre le dossier avec la plus grand attention.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour tous ces éclaircissements. Je suis rassuré d’apprendre que nous allons pouvoir consulter et obtenir ce rapport. Il nous appartiendra de l’analyser en profondeur et, comme d’autres collègues l’ont souligné, de vérifier s’il contient des éléments qui méritent d’interpeller le comité P, par rapport à la gravité potentielle des faits qui y seraient dénoncés. C’est effectivement notre rôle, puisque le comité P dépend du Parlement. Vous avez également évoqué un audit relatif à la méthodologie. Il serait intéressant qu’il soit réalisé rapidement, s'il doit avoir lieu. Je me réjouis également d'apprendre votre volonté d'organiser un screening régulier. Cela fut décidé pour nos militaires sous la précédente législature par la ministre de la Défense, que je connais très bien. Toutefois, ce ne fut pas entrepris pour nos policiers, alors que des propositions avaient été soumises en ce sens. Vous reprenez cette même idée. Par conséquent, nous la soutiendrons. Enfin, dans le contexte actuel, il importe de réaffirmer notre totale confiance dans l'intégrité de nos policiers, lesquels accomplissent un métier particulièrement difficile.

De extra spoorwegpolitieagenten voor het station Brussel-Zuid
De extra spoorwegpolitieagenten voor het station Brussel-Zuid
Het evenwicht in de personeelsverdeling bij de spoorwegpolitie (SPC)
De personeelsverdeling bij de spoorwegpolitie
Het internationale statuut van het Zuidstation en de middelen voor de federale politie in Brussel
Veiligheid en personeelsbeheer bij internationale spoorwegstations in Brussel

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie), Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren de onevenwichtige inzet van de spoorwegpolitie (SPC), met name de tijdelijke versterking in Brussel-Zuid (20 agenten, herverdeeld, geen structurele oplossing) terwijl Vlaanderen kampen blijft met chronisch personeelstekort (bv. Limburg de facto gesloten, West-Vlaanderen met 1 ploeg voor heel de provincie). Frank Troosters (VB) en Maaike De Vreese (N-VA) eisen structurele versterking in alle zones, meer lokale posten en een terugdraai van eerdere afbouw, plus betere samenwerking met Securail; ze wijzen op inefficiëntie door overplaatsingen (bv. Limburg→Antwerpen) en motivatieverlies bij agenten. Minister Quintin (MR) benadrukt contextuele verschillen (bv. internationale drukte in Brussel vs. regionale stations) en kondigt beperkte oplossingen aan: herverdeling via mobiliteitscycli (resultaten pas in 2026), betere coördinatie met lokale politie/Securail (o.a. cameratoegang, gezamenlijke patrouilles), en een herziening van de taakverdeling (rondzendbrief 2002). Hij wijst een specifiek "internationaal station-statut" voor Brussel-Zuid af als "theoretisch" maar belooft gerichte inzet tegen grenscriminaliteit; nieuwe commissariaten staan niet op de agenda. Ridouane Chahid (PS) bekritiseert het gebrek aan structurele visie en beschuldigt de vorige regering van "afbraak" van de SPC, terwijl hij de minister steunt in zijn pleidooi voor meer budget maar de huidige "lapwerk"-aanpak onvoldoende noemt.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik heb u al enkele keren bevraagd over de spoorwegpolitie. Ik heb verschillende vragen, die ik zal samenvatten. Het gaat onder meer over de aangekondigde versterking. Er zouden twintig agenten van de spoorwegpolitie bij gekomen zijn in het station Brussel-Zuid. Mijn vraag daarbij is of het gaat om nieuwe agenten die recent werden aangeworven, dan wel om verschuivingen of overplaatsingen vanuit andere zones naar Brussel. Waar zijn die agenten precies ingezet in Brussel-Zuid? Zijn ze effectief actief op de werkvloer in het station, of gaat het om functies op directieniveau? Wat is de budgettaire impact daarvan? Welke verdere plannen hebt u wat de personeelscapaciteit van de spoorwegpolitie betreft?

Daarnaast stel ik mij vragen over de situatie in de andere zones, waar toch aanzienlijke verschillen bestaan. Hoe verklaart u die grote verschillen in de aanwezigheid van de spoorwegpolitie tussen de verschillende zones? Overweegt u eventueel om nieuwe spoorwegpolitieposten te openen in andere stations? Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Maaike De Vreese:

Minister, ik heb u ook al verschillende keren vragen gesteld over de spoorwegpolitie. U kondigde aan om, naar aanleiding van de ernstige drugsproblematiek, de spoorwegpolitie in Brussel te versterken. Wanneer we vervolgens kijken naar het personeelsbestand daar, stellen we vast dat dit zelfs de organieke kaders zal overstijgen. Ik meen dat men op een bezetting van 111 % zal uitkomen. Daartegenover zien we echter dat er in Vlaanderen enorme tekorten zijn wat het personeel van de spoorwegpolitie betreft.

In Gent werden we recent nog geconfronteerd met de gevolgen van de structurele problemen waarmee de spoorwegpolitie daar te maken krijgt. Wanneer zich incidenten voordoen, zijn de responstijd en de zichtbare aanwezigheid cruciaal. Het mag niet zo zijn dat er een veiligheidsapparaat met twee snelheden ontstaat, waarbij de pendelaar in Vlaanderen op minder bescherming kan rekenen dan die in Brussel of in Wallonië.

Wanneer we de cijfers bekijken, zien we dat ook de bezettingsgraad in Wallonië een stuk hoger ligt dan in Vlaanderen. Ik kan u zeggen, minister, dat ik daarover van verschillende mensen bijzonder schrijnende verhalen hoor. Het gaat om mensen die sterk gemotiveerd zijn om bij de spoorwegpolitie hun taken en bevoegdheden ten volle uit te oefenen, maar die met de handen in het haar zitten omdat ze met zo weinig mensen moeten opereren.

Bij de spoorwegpolitie in Brugge is er vaak maar één ploeg aanwezig, die eigenlijk moet instaan voor heel West-Vlaanderen. Er zijn nochtans wel degelijk manieren om die antenne volledig in te vullen. De extra inzet in Brussel is dus een feit, maar hoe verklaart u het grote verschil in bezettingsgraad tussen de Brusselse en Waalse eenheden enerzijds en de posten in Vlaanderen anderzijds? Is die scheeftrekking een bewuste beleidskeuze geweest? Zo ja, waarom wegen bepaalde veiligheidsrisico’s dan zwaarder door dan andere? Dit gaat uiteraard terug tot vóór uw beleid, want het dateert van vroeger.

U stelt dat de versterking in Brussel er onmiddellijk komt, maar welk concreet plan ligt daarvoor op tafel? Welk concreet perspectief kunt u op korte termijn bieden aan de korpschefs? Ook lokaal vraagt men immers een volledige invulling van de antenneposten en van het personeel van de spoorwegpolitie in Vlaanderen.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, le 23 septembre dernier, ma proposition de résolution visant à créer un véritable statut de gare internationale pour des gares telles que la gare de Bruxelles-Midi a été rejetée en commission. Cette proposition visait pourtant à combler un vide législatif évident. Notre arsenal prévoit un statut protecteur et des moyens adaptés pour les aéroports internationaux, mais rien de comparable pour nos gares, alors même qu'elles constituent des hubs de mobilité tout aussi exposés, dans le cas ici de la gare du Midi, d'une frontière internationale.

Ainsi, alors que l'aéroport de Bruxelles-National concentre – à juste titre – des moyens policiers renforcés, la gare du Midi, elle, en connaissait moins, jusqu'à il y a quelques jours. En effet, le 3 décembre dernier, vous avez annoncé l'affectation de 20 policiers supplémentaires au sein du commissariat de la gare du Midi, et je ne boude pas mon plaisir en vous disant que c'est une bonne première étape. Cela dit, j'aimerais savoir s'il s'agit effectivement d'un accroissement des effectifs globaux ou plutôt d'une réaffectation des postes existants.

Par ailleurs, la police fédérale a, par la voix de son porte-parole, clairement indiqué que la gare du Midi était une gare internationale, et que cette réalité était donc à l'origine de demandes particulières. Monsieur le ministre, envisagez-vous la création de ce statut juridique spécifique pour la gare du Midi?

Comptez-vous y augmenter durablement les effectifs afin de garantir un niveau de sécurité équivalent à celui de l'aéroport de Bruxelles-National?

Étudiez-vous l'ouverture d'un commissariat de la SPC dans d'autres gares, bruxelloises ou pas?

Enfin, quelles sont les mesures prévues pour lutter contre les réseaux criminels, les agressions, en d'autres termes la délinquance qui se propage dans les différentes gares du pays? Merci d'avance pour vos réponses.

Bernard Quintin:

De tijdelijke versterking met 20 politieagenten, waar ik eerder naar verwees, is niet structureel. Het betreft politieagenten die voor een beperkte periode worden toegewezen aan de spoorwegpolitie (SPC) in Brussel, bij de dienst Interventie.

De versterking wordt geïntegreerd in de bestaande dispositieven en heeft tot doel een grotere zichtbaarheid van de SPC op het Brusselse werkterrein mogelijk te maken. De maatregel heeft dus geen budgettaire impact, aangezien het louter gaat om een heroriëntering van de capaciteit. De spoorwegpolitie in Brussel telt momenteel 253 operationele leden.

De SPC besteedt overal op haar werkterrein dezelfde aandacht aan de bestrijding van onveiligheid, maar het is belangrijk te benadrukken dat de veiligheidsproblemen in Brussel, Antwerpen en Gent niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Verschillende factoren spelen daarbij een rol, zoals het aantal pendelaars en toeristen, de infrastructuur van de stations, de grenscontrole en de talrijke internationale verbindingen in Brussel, alsook de nabijheid van een metronetwerk en van gevoelige wijken.

De rekrutering van Nederlandstalig personeel blijft een cruciale succesfactor voor de gehele geïntegreerde politie. Bij de SPC wordt daarom een bijzondere inspanning geleverd in Antwerpen, waar zich het grootste capaciteitsgebrek situeert. Vanaf het tweede kwartaal van 2026 zullen nieuwe SPC-leden die momenteel in Leuven of Hasselt zijn tewerkgesteld in Antwerpen kunnen werken, zonder hun gebruikelijke werkplek op te geven.

Wat de personeelsbezetting van de SPC betreft, begin december is een nieuwe mobiliteitscyclus opgestart. Zoals gebruikelijk worden de beschikbare standplaatsen bij elke cyclus bekendgemaakt. Concreet tekent zich vandaag het volgende beeld af: de SPC Brussel en SPC Zuid zijn bijna volledig ingevuld. Bij de SPC Oost is de personeelsbezetting in orde, maar blijven er nog infrastructurele knelpunten die moeten worden opgelost. De SPC Noord en SPC West kampen daarentegen met een personeelstekort. We hopen dat tekort minstens gedeeltelijk op te vangen via deze mobiliteitscycli, naargelang de resultaten van de lopende vacatures. Een en ander zal duidelijker worden zodra de kandidaturen zijn ontvangen en de selecties begin 2026 zijn afgerond.

Ik voeg eraan toe dat de dringende politiehulp aan slachtoffers van misdrijven in het station niet uitsluitend afhankelijk is van de SPC-capaciteit, aangezien het mechanisme van wederzijdse operationele ondersteuning tussen de federale politie-eenheden en de lokale politiezones te allen tijde verzekerd is.

Ik heb u er al op gewezen dat de rondzendbrief van 2002 herzien wordt. Dat zal leiden tot een uniforme taakverdeling tussen de lokale politie, de spoorwegpolitie en Securail, en tot een efficiënter gebruik van de beschikbare capaciteit. Dat punt maakt deel uit van het Grootstedenplan, dat eveneens tot doel heeft de veiligheid van de burgers te verbeteren.

Bovendien moet in het kader van de toekomstige bevoegdheid van Binnenlandse Zaken voor de dienst Securail van de NMBS de samenwerking tussen politie en Securail op een zeer concrete wijze worden versterkt. Het betreft onder meer de organisatie van patrouilles, de dienstroosters en het gebruik van de gegevensbanken met meldingen, met inbegrip van de plaats en het tijdstip van feiten en overtredingen. Het doel is in de eerste plaats een nauwkeurig beeld te krijgen van de fenomenen die zich voordoen in de stations en op het spoorwegnet, zoals vastgesteld door zowel de politiediensten als de veiligheidsdienst van de NMBS.

Daarnaast moet ook de uitwisseling van al die informatie structureel worden gegarandeerd. Ik wens bovendien dat de lokale veiligheidsplannen voor stations, opgesteld door de NMBS, in nauwer overleg met de SPC tot stand komen.

Tot slot moet de geografische verdeling van de districten worden geanalyseerd, met het oog op een betere afstemming tussen de districten van de SPC en die van de veiligheidsdienst van de NMBS.

Enfin, pour répondre à votre question, monsieur Chahid, concernant l'octroi d'un statut de gare internationale à la gare de Bruxelles-Midi, je précise qu'un avis a effectivement été rendu sur la proposition de résolution visant à lui conférer un tel statut. Il me semble, et c'est également l'analyse des services de police, qu'un tel statut, essentiellement théorique, n'apporte pas en soi une réponse suffisante à la situation que nous connaissons.

Dans les faits, il est évident que la gare du Midi fait partie des grandes gares du pays et qu'elle occupe une place particulière compte tenu de l'importance des flux internationaux, tant via les lignes ferroviaires que par les arrivées de lignes de bus internationaux ainsi que par la présence d'un poste frontière Schengen. D'ailleurs, des missions spécifiques visant des phénomènes de criminalité internationale y sont régulièrement menées.

Il n'est à l'heure actuelle pas prévu d'ouvrir d'autres commissariats dans d'autres gares du pays. L'enjeu principal consiste dès lors à poursuivre le renforcement de la coordination entre les services de la police locale, de Securail et de la SPC sur l'ensemble du périmètre de la gare de Bruxelles-Midi et de ses abords immédiats.

À cet égard, une avancée importante a également été réalisée en ce qui concerne l'accès direct de la police locale aux images du réseau de caméras de la SNCB. Ce projet, évoqué depuis longtemps, vient d'être concrétisé. Il est essentiel tant pour la surveillance permanente que pour la protection du personnel, mais aussi pour la rapidité et l'efficacité des interventions. Il constitue en outre un outil utile dans le cadre des opérations planifiées menées conjointement par les services fédéraux et locaux.

Il convient évidemment de poursuivre le renforcement de la présence sur le terrain. Cela passe notamment par des décisions opérationnelles, comme celles annoncées en lien avec le Corps d'intervention (CIK), à savoir les 20 unités supplémentaires provenant du CIK.

Les services m'ont par ailleurs indiqué une baisse du nombre d'infractions, ce qui constitue un signal positif. Nous continuerons dès lors à renforcer la sécurité, tant pour les usagers que pour le personnel ferroviaire.

Pour conclure sur ce que je disais tout à l'heure et pour être allé plusieurs fois à la gare du Midi en 11 mois, celle-ci est en effet à la fois un point d'entrée et un accès de fixation suffisamment importants pour que l'on continue à y consacrer les moyens nécessaires.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord, dat wel eerlijk is. U geeft toe dat de versterking in Brussel-Zuid niet structureel is en maar voor een beperkte periode geldt. Dat is exact wat we in de vorige legislatuur ook gezien hebben onder uw voorgangster, mevrouw Verlinden, die toen ook 15 agenten had toegevoegd. Maar het ging natuurlijk gewoon om overplaatsingen en die mensen werden voor een groot gedeelte tewerkgesteld op directieniveau, niet op de werkvloer.

Dat zijn tijdelijke maatregelen. Het overplaatsen van agenten naar Brussel-Zuid omdat dat station in het nieuws komt, neemt niet weg dat er ook elders problemen zijn. We klagen al sinds de vorige legislatuur dat die andere zones ook met te weinig personeel kampen.

U verwijst nu naar agenten die opgeleid worden om vanuit Leuven en Limburg in Antwerpen te gaan versterken. Dat is vandaag al de praktijk. Er zijn bijna geen agenten meer in Limburg. De post van de spoorwegpolitie is daar de facto gesloten. Die was onderbemand en de weinige agenten die daar zijn, zitten in Antwerpen. Dan krijgt men dus verslagen van Securailagenten, die ik nu niet zal voorlezen, dat er gewoon geen politionele ondersteuning is, niet van de spoorwegpolitie en niet van de lokale politiezones, die andere prioritaire opdrachten hebben op dat moment. Dat is wat we dan doorkrijgen. Het werkt niet.

Wat wij van het Vlaams Belang vragen, al sinds de vorige legislatuur, is om de spoorwegpolitie effectief te versterken. Dat betekent meer agenten, overal, in alle zones. Draai ook de beslissing om de lokale politieposten van de spoorwegpolitie in de stations af te bouwen terug. Open die posten opnieuw en beman ze. Alleen op die manier zult u overal de veiligheid op uw spoorwegnet kunnen garanderen. Niet door in de marge te morrelen, wat mensen bijkomend rond te schuiven zoals op een schaakbord, heen en weer. Zo zullen we er niet komen. Zo zullen de mensen van Securail ook niet verder geholpen worden als ze nood hebben aan ondersteuning, die er voor de zoveelste keer niet is.

Maaike De Vreese:

Minister, nu al moeten de mensen van de spoorwegpolitie in Brugge bijstand geven als er iets gebeurt aan de andere kant van Vlaanderen. Daardoor gaat natuurlijk cruciale tijd verloren. De tijd waarin ze aan het reizen zijn, zijn ook verloren uren. Dat is dus geen efficiënte manier om die mensen in te zetten.

Wij zijn al heel lang vragende partij om in West-Vlaanderen de vacatures open te zetten met als standplaats Brugge. Men zal natuurlijk veel moeilijker mensen aantrekken die vanuit West-Vlaanderen Gent als standplaats krijgen, dan als men die mensen een standplaats dichter bij huis geeft, in Brugge. Dan zullen die vacatures veel gemakkelijker ingevuld worden.

Ik hoop dat u daar ook zeer pragmatisch naar kijkt, zodat er eindelijk verandering komt in de onmogelijke situatie waarin die mensen nu moeten werken.

De mensen haken natuurlijk ook af. Er moet ergens een mooi perspectief zijn van een spoorwegpolitie die functioneert. U staat voor die moeilijke en uitdagende taak, die ook in het regeerakkoord ingeschreven is. We weten de mensen van Securail heel vaak met de handen in de haar zitten omdat ze voor bepaalde zaken wel kunnen optreden maar voor andere niet. Dan is het lang wachten tot de politie ter plaatse kan zijn.

Er moet een duidelijke taakverdeling komen voor de lokale en de federale politie en hun samenwerking met Securail. Er is dus werk aan de winkel. Ik hoop toch dat we binnenkort verandering zien in de cijfers en dat de cijfers ook in Vlaanderen de juiste richting uitgaan, net zoals we dat gezien hebben in Brussel.

Ik hoop dat u een extra tandje zult bijsteken, want de mensen op het terrein vragen dat echt wel.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, une chose est sûre, vous êtes l'héritier de ce qui a été déstructuré ces dernières années. À un moment donné, il faut appeler un chat un chat. Oui, la police des chemins de fer a été déstructurée par certains qui défendaient une autre vision de ce que devait être la police fédérale dans ce pays. Bon, soit! C'est un constat. Vous essayez de coller des rustines à gauche et à droite. C'est un peu ce que je vous reproche, même si ce n'est peut-être pas de votre faute. En tout cas, les autres membres de la majorité ne vous accordent pas les moyens nécessaires pour qu'on puisse rétablir une véritable police des chemins de fer. Il est trop facile de dire qu'il faut des policiers des chemins de fer à Gand ou à Anvers. Or il ne faut pas les éparpiller à gauche et à droite. Ils ont besoin d'une structure reposant sur un véritable département et des moyens qui s'ensuivent, comme certains l'ont déjà écrit dans leur vision stratégique. Pour ma part, je ne peux que vous soutenir dans vos propos et votre positionnement. Il faut, et vous avez raison, une police fédérale forte et structurée. Mais, pour ce faire, vous avez besoin que ceux qui, aujourd'hui, vous attaquent engagent les moyens indispensables et vous accordent les budgets nécessaires afin que vous puissiez atteindre vos ambitions et vos objectifs en ce domaine.

Het gewelddadige politieoptreden in een bus in Luik

Gesteld door

Ecolo Rajae Maouane

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Rajae Maouane bekritiseert het buitensporig politiegeweld in Liège, waar een man met kinderwagen na een conflict met een buschauffeur brutaal werd neergeslagen, geslagen met een wapenstok en besproeid met peperspray, ondanks afwezigheid van directe dreiging; ze vraagt zich af of dit past in een patroon van escalerend geweld en systemisch gebrek aan respect voor burgers, vooral uit kwetsbare groepen. Minister Quintin bevestigt dat lokale agenten handelden op verzoek van de buschauffeur, benadrukt dat beelden slechts een fragment tonen en dat de proportionaliteit volgens artikel 37 (politiewet) moet worden beoordeeld in de volledige context; hij wijst op lopende administratieve en justitiële onderzoeken, de presomptie van onschuld voor agenten en bestaande controlemechanismen (Comité P, interne audits, community policing), maar geeft geen concrete nieuwe maatregelen. Maouane betwist de proportionaliteit ("een kinderwagen is geen wapen"), stelt dat vertrouwen in de politie alleen hersteld kan worden als zij zelf respectvol optreedt, en ontbreekt het volgens haar aan zichtbare stappen om digniteit, luisteren en de-escalatie structureel te verankeren, wat ze alarmistisch noemt gezien eerdere incidenten. Quintin verdedigt het systeem (training, klachtenafhandeling, dialoog met buurtcomités) maar ontwijkt een direct antwoord op hoe concreet geweld wordt teruggedrongen of hoe vertrouwen bij burgers herwonnen wordt.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, le 28 novembre dernier, vers 9 h 40, la police est intervenue de manière très violente et visiblement disproportionnée dans le contexte de l'arrestation d'une personne dans un bus à Liège.

Il semblerait que le ton serait monté entre la conductrice du bus et cet homme parce qu'il serait entré par une mauvaise porte avec une poussette d'enfant. La conductrice a fait appel à la police et l'homme a refusé de tendre ses mains, ou aurait refusé de tendre ses mains, visiblement pour se faire menotter. C'est là que la police l’a fait tomber à terre et l’a frappé violemment de coups de matraque et de spray au poivre.

Je ne sais pas si vous avez vu les images tournées, monsieur le ministre, mais elles sont vraiment très difficiles à voir. Finalement, l'homme a été descendu du bus manu militari . Il a été arrêté et a été privé de liberté pour la nuit pour des faits qualifiés de rébellion. Il fera l'objet prochainement d'une comparution devant le tribunal correctionnel de Liège.

Entretemps, cette affaire a été divulguée dans les médias. Le bourgmestre de Liège a demandé un rapport au chef de corps de la police de Liège, et en parallèle, une plainte a été déposée à Unia.

Cette scène est plus qu'interpellante. Elle s'inscrit dans un contexte de montée en violence des interventions policières. Nous avons déjà eu l'occasion d'en discuter quelquefois ici, monsieur le ministre. Je le redis: les images sont vraiment très impressionnantes à voir.

J’ai quelques questions très précises. Les avez-vous vues? Avez-vous pris connaissance de cette intervention musclée? S’agissait-il d'agents locaux? Quelles explications la police a-t-elle pu donner face à cette intervention? À votre niveau, quelque chose est-il mis en place pour que ces scènes d'une telle violence ne se reproduisent plus? Pourquoi la police peut-elle choisir d'utiliser des armes alors que l'intervention ne le requiert pas, et ce, de manière disproportionnée?

Qu'est-ce qui est mis en place pour que nos habitants, quelle que soit leur couleur de peau, leur origine, leur situation socioéconomique, soient traités avec dignité et bienveillance par la police, que leurs droits fondamentaux soient respectés et qu'un dialogue puisse s'installer? Merci pour vos réponses.

Bernard Quintin:

Merci, madame Maouane. Pour répondre à votre première question, j'ai en effet vu l'extrait, comme, je pense, beaucoup de personnes.

Il s'agissait de policiers de la zone de police locale de Liège. D'après les premières informations disponibles qui m'ont été transmises, les inspecteurs sont intervenus à la demande de la conductrice du bus, dans un contexte qualifié d'urgent.

Les images diffusées dans les médias et sur les réseaux sociaux ne montrent que des extraits partiels de l'intervention. Elles ne permettent pas à elles seules d'apprécier l'ensemble des circonstances factuelles dans lesquelles l'intervention s'est déroulée. L'évaluation du caractère nécessaire, proportionné et légal de l'usage de la force doit se faire dans sa globalité, au regard de l'article 37 de la loi sur la fonction de police, qui encadre strictement le recours à la contrainte.

À la suite des faits, le bourgmestre de Liège et le chef de corps ont initié une enquête administrative préalable, susceptible de déboucher, le cas échéant, sur une procédure disciplinaire. Parallèlement, une information judiciaire a été ouverte par le parquet du procureur du Roi de Liège.

Le dossier étant désormais entre les mains de l'autorité judiciaire, il ne m'appartient pas, en tant que ministre, et singulièrement en tant que ministre de l'Intérieur, de me prononcer sur le fond des faits ou sur les responsabilités individuelles. Dans ce contexte, il convient également de rappeler que les policiers concernés bénéficient, comme tout citoyen, de la présomption d'innocence, tant que les enquêtes en cours n'ont pas abouti.

La Belgique dispose d'un dispositif complet de contrôles démocratiques des services de police, comprenant notamment le Comité permanent P, l'Inspection générale, les mécanismes de contrôle interne, ainsi que le contrôle de l'autorité judiciaire. Au niveau local, la zone de police de Liège dispose en outre d'une direction de la maîtrise de l'organisation, chargée notamment des enquêtes internes. Toute plainte est systématiquement examinée et un système de détection et de gestion des risques est en place.

Les prescriptions relatives à l'entraînement à la maîtrise de la violence, la directive GPI 48, y sont strictement appliquées, notamment via un centre spécialisé qui organise des débriefings après toute intervention problématique. Lorsque des difficultés sont identifiées, des mesures sont prises, pouvant aller jusqu'au retrait temporaire des missions opérationnelles.

Enfin, la philosophie du community policing constitue un fondement essentiel du fonctionnement de la police. Il en est donc ainsi dans la zone de police de Liège. Le chef de corps et les officiers entretiennent un dialogue régulier avec les associations et les comités de quartier. Le respect de la dignité des personnes et des droits fondamentaux fait partie des valeurs centrales qui sont promues au sein des corps de police. Je vous remercie.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. En effet, on voit que les images ne sont pas complètes. Mais celles qu’on a vues, où on a vu la violence déployée, la violence avec laquelle la police est intervenue, me font me poser des questions sur la proportionnalité. Il s'agissait d'une personne avec une poussette. Vous conviendrez que ce n'est pas l'arme la plus dangereuse, une poussette. Elle se trompe de porte dans un bus, effectivement. Que la conductrice puisse appeler la police, c’est effectivement son bon droit si elle s'est sentie menacée ou pas respectée. Mais que la police intervienne avec une telle brutalité, moi, cela me pose vraiment question. Cela me pose question sur la montée en puissance des tensions entre les habitants, habitantes, les citoyens, citoyennes et la police. Nous en avons débattu tout à l’heure: pour que la police soit respectée, il faut qu’elle soit absolument respectable. Je ne vois pas ce qui est mis en place concrètement pour que les habitants de Liège ou d’ailleurs soient traités avec dignité, bienveillance et écoute par la police, et pour que leurs droits fondamentaux soient respectés. Nous avons toutes et tous le droit de prendre le bus sans nous faire matraquer et taper dessus par la police. J’ai l’impression que le dialogue n’est pas vraiment instauré, et cela m’inquiète pour la suite, parce qu’il y a d’autres événements tragiques. Nous y reviendrons.

Het dodelijke slachtoffer bij een politie-interventie in Namen
De dodelijke politie-interventie in Namen
Dodelijke politie-interventie in Namen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een politieinterventie in Namur werd Adama (34), een man met psychiatrische voorgeschiedenis en mogelijke psychotische episode, doodgeschoten door agenten nadat hij agressief zou zijn geweest—later bleek hij enkel een gsm bij zich te hebben. Farah Jacquet en Rajae Maouane bekritiseren het gebrek aan proportioneel optreden, slechte communicatie (valse beweringen over een mes), en structurele tekortkomingen: onvoldoende politiescholing in omgang met psychosepatiënten, afbouw van psychiatrische zorg (80% minder langverblijfbedden), en systemisch geweld/racisme binnen de politie, met name tegen geracialiseerden en kwetsbare groepen. Minister Bernard Quintin benadrukt lopende onderzoeken (Comité P, justitie) en bestaande initiatieven zoals gespecialiseerde crisisplannen (EMUT, EDS-training), maar erkent dat urgentesituaties soms dodelijk escaleren; Maouane noemt dit onaanvaardbaar en eist transparantie over de schietpartij (o.a. schoten in de rug) en fundamentele hervormingen. Jacquet wijst op falend beleid in geestelijke gezondheidszorg en pleit voor betere samenwerking tussen politie en zorgteams.

Farah Jacquet:

Monsieur le ministre, dimanche soir, un drame s'est produit dans la ville de Namur. Un homme de 34 ans, Adama, y a perdu la vie lors d'une intervention policière. La police aurait été appelée pour une bagarre avec un couteau et, à leur arrivée sur place, des agents auraient trouvé un homme au comportement agressif qui empêchait la circulation des voitures. Ils ont tenté de le maîtriser à l'aide de sprays au poivre, sans succès. Quatre policiers ont été blessés lors de l'intervention et sont actuellement en incapacité de travail. Finalement les agents ont fait usage de leur arme de service et ont tiré trois coups de feu. L'homme est décédé sur place. Je voudrais souligner que c'est un drame pour toutes les personnes concernées, pour les proches de la victime, mais aussi les policiers présents.

Les circonstances exactes des faits font l'objet d'une enquête par la justice et le Comité P. Selon les premières informations, l'homme était déjà connu pour des faits de violence et aurait également été interné au cours de l'année écoulée. Des témoignages indiquent qu'il semblait hors de lui, des signaux qui laissaient penser à un épisode psychotique. Nous savons que, par le passé, plusieurs interventions policières impliquant des personnes en état de psychose ont déjà eu une issue mortelle: Jonathan Jacob, Pieter Aerts, Peter Goeman.

À de nombreuses reprises, des experts ont souligné la nécessité d'accorder davantage d'attention dans la formation des policiers à la prise en charge des personnes en psychose, mais aussi dans la formation continue, dans une collaboration plus étroite entre la police et les services d'accompagnement, et dans la mise en place d'équipes de crise spécialisées.

Comment réagissez-vous à ces faits?

Envisagez-vous d’évaluer le cadre actuel des interventions policières face aux personnes en crise psychologique? Comment comptez-vous améliorer la formation des policiers pour intervenir dans des circonstances de détresse psychologique?

Rajae Maouane:

Monsieur Quintin, comme l'a dit ma collègue, dimanche soir, Adama, un homme de 34 ans, est mort après avoir été touché par des tirs policiers lors d'une intervention derrière la gare de Namur, peu après 22 h. Les faits se sont déroulés à la suite d'un signalement d'une altercation. Plusieurs équipes de police ont été mobilisées car la situation a été qualifiée de violente. La police en est venue à faire usage d'armes à feu car, apparemment, la personne aurait été en possession d'une arme suspecte. En réalité, il s'agissait de son téléphone portable.

Une instruction a été ouverte, et on évoque le cadre légal et la notion de dernier recours. J'anticipe quelque peu votre réponse mais, aujourd'hui, force est de constater qu'une personne est morte sous les coups de feu de la police, et cette affaire ne peut être traitée comme un simple fait divers. J'ai une pensée pour la famille et les proches d'Adama, car il est dramatique d'en arriver là. Une vie a été enlevée et nous ne pouvons pas nous résoudre à un simple examen technique de conformité.

Peut-on encore, aujourd'hui, tolérer des interventions policières qui se concluent par la mort d'une personne? Comment réagissez-vous face à cette affaire?

Quelles garanties apportez-vous pour que ce genre d'événement ne puisse pas se reproduire? Une enquête a-t-elle été ouverte? Dans l'affirmative, fera-t-elle l'objet d'un suivi à votre niveau? Même si ce drame a eu lieu à Namur, il éclabousse l'image de la police dans son ensemble.

Il a été dit qu'Adama avait des antécédents de troubles psychiatriques. Quels sont les dispositifs prévus pour permettre à la police d'intervenir de manière proportionnée face à des personnes qui ont un passé psychiatrique ou des problèmes psychosociaux?

Bernard Quintin:

Je regrette bien sûr profondément le décès de la personne concernée. Par respect pour les proches de cette personne, mais aussi pour l'enquête sur les faits qui se sont déroulés dans des conditions opérationnelles difficiles, je ne m'exprimerai pas davantage sur ce dossier qui, vous l'avez dit madame Maouane, n'est pas un fait divers, mais un drame. Un drame pour la personne décédée, pour ses proches, ainsi que pour les policiers impliqués dans ladite affaire.

Les enquêtes du Comité P et des autorités judiciaires existent. Le mécanisme de contrôle interne et externe en place offre le cadre de surveillance requis dans ce genre de situation. Le protocole d'intervention actuel du syndrome du délire agité – le delirium tremens – prévoit une intervention différée et des techniques de contrôle humain adaptées. Néanmoins, il y aura toujours une intervention d'urgence lorsqu'il existe un danger de mort pour la personne concernée et/ou les tiers, intervention à laquelle il doit être répondu en respectant le principe de subsidiarité, de proportionnalité, avec ou sans recours à la force létale, dans le cadre de la sécurité de chacun.

À plusieurs niveaux, la police accorde déjà une attention particulière à cette problématique. Le projet d'équipe mobile d'urgence (EMUT), à Bruxelles, en est un bon exemple. Une connaissance plus approfondie des caractéristiques, des psychoses et des troubles mentaux fait déjà partie de la formation de base et est abordée dans les formations obligatoires sur la gestion de la violence. Cela fait d'ailleurs partie de la troisième phase du plan d'action Excited Delirium Syndrome (EDS). Il s'agit donc d'un élément qui fait l'objet d'une attention particulière, à la fois dans la formation de base et dans la formation continue, et que nous devons continuer à mettre en œuvre pour s'assurer que les policières et les policiers aient la meilleure formation possible à la base, et ensuite pour pouvoir exercer au mieux leur fonction, dans des conditions qui me semblent devenir plus difficiles chaque jour.

Farah Jacquet:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Ce qui s’est passé dimanche soir est un drame pour toutes les personnes concernées. Chaque intervention policière qui se solde par un décès en est malheureusement une de trop. Si nous pouvons, d’une manière ou d’une autre, éviter ce type d’issue, ou en réduire au maximum les risques, alors oui, nous devons le faire.

Il existe des marges d’amélioration en matière de formation et d’accompagnement. Permettre aussi aux zones de police locales de collaborer plus étroitement avec des équipes multidisciplinaires me semble être une piste à explorer. Enfin, je considère qu’en matière d’accompagnement des personnes souffrant de problèmes psychologiques, des améliorations sont également nécessaires.

Je vous lis ici le témoignage d’un employé de la clinique Saintt-Martin à Dave, près de Namur justement. Il explique qu’il y a eu une réduction de 80 % des lits de longs et moyens séjours depuis une quinzaine d’années. Le personnel a été réaffecté au projet 107, qui consiste en des équipes de soins à domicile. Cela ne remplace pas la construction d’un véritable projet de vie pour les personnes atteintes de maladies mentales. Construire un projet demande du temps et est évidemment plus facile lorsque le patient est hospitalisé.

Aujourd’hui, les services de crise sont pleins en permanence. Au bout de six semaines, le patient doit donc sortir sans projet, ce qui est vraiment triste. Il n’est pas normal de laisser des personnes en souffrance de cette manière. Nous ne pouvons pas permettre que notre société fonctionne ainsi ni mettre nos policiers en première ligne face à ces situations.

Rajae Maouane:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse et pour vos mots à l’égard de la victime.

Beaucoup de choses me questionnent dans cette affaire, dans ce drame. La communication autour de celui-ci est plus que problématique. Selon le parquet, l’intervention faisait suite à une bagarre au couteau. Or, en voyant les images – du moins, celles qui sont accessibles –, nous ne voyons aucun couteau dans les mains du défunt. Certains médias ont également évoqué le fait qu’il aurait eu une arme contondante, mais il s’agissait en réalité d’un téléphone portable. D’autres médias rapportent qu’Adama aurait continué à recevoir des balles, y compris lorsqu’il était de dos et au sol. Si cela s’avère exact, c’est extrêmement grave.

J’aimerais que la lumière soit rapidement faite sur ces éléments, car cela nous permettra de déterminer si la proportionnalité a été respectée ou non. J’ai le sentiment que non, puisque nous en arrivons au meurtre d’une personne. Son passé psychiatrique a été vite évoqué, comme pour tenter d’expliquer ou de contextualiser sa mort, alors que le premier contexte devrait être purement factuel et fidèle aux images.

Je me pose la question suivante, que l'on touche du doigt ici sans vraiment l'évoquer: quand va-t-on réellement s'attaquer à la violence et au racisme institutionnels et systémiques dans notre société et au sein de la police notamment? Ces phénomènes sont documentés par des rapports de l'ONU qui nous ont épinglés. Du reste, je vous avais interrogé à ce sujet voici quelques semaines. Cela ne sort pas de ma tête. Je le redis: il faut que la police soit respectée, mais pour ce faire elle doit être respectable. Quand on porte l'uniforme d'un représentant de l' É tat, on se doit d'être exemplaire. On ne peut pas arriver à des situations dans lesquelles des personnes perdent la vie tragiquement. Quand on observe le profil des gens qui sont touchés, on s'aperçoit qu'ils sont issus de quartiers populaires, qu'ils sont racisés et que leur passé socio-économique est souvent défavorisé. Cela en dit beaucoup de notre police et de notre société. Pour nous, c'est inacceptable.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, daarmee zijn we op het einde van de werkzaamheden voor deze commissievergadering gekomen. U wilt nog een slotwoord? Het is u gegund.

Bernard Quintin:

J'ai la chance de terminer l'année, mes 11 premiers mois comme ministre de l'Intérieur, sur une question de Mme Maouane. Quel moment!

Ik wil toch van de gelegenheid gebruikmaken om af te sluiten met een korte bedanking voor u, mijnheer de voorzitter, de nog aanwezige leden en de diensten. Mijn excuses dat ik misschien te snel spreek, maar dat is om minder laat thuis te zijn. Ik doe het dus ook voor jullie.

Prenez-le comme un encouragement à pouvoir rentrer plus tôt! Merci beaucoup. Nous allons sans doute nous revoir en plénière, mais c'est l'occasion pour moi de remercier les membres de la commission pour le dialogue que nous entretenons. Nous ne sommes pas obligés d'être toujours d'accord, mais le dialogue, tel que je le ressens et tel que j'essaie de le pratiquer, reste toujours respectueux et le plus complet possible. Écouter l'opposition – et quand même de temps en temps la majorité – nourrit aussi mon travail de ministre. Je n'en dirai pas plus pour ne pas gâcher la fête de Noël!

Voorzitter:

Dank u wel voor die mooie worden, mijnheer de minister. Ik sluit mij daar volledig bij aan. Ik wens iedereen een prettige Kerst en eindejaar. We zien elkaar volgend jaar terug. La réunion publique de commission est levée à 18 h 07. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.07 uur .

De National Security Strategy van de Verenigde Staten
De National Security Strategy (NSS) van de VS
De invloed van de VS op de Europese politiek en de groei van de MAGA-beweging in Europa
De Amerikaanse inmenging in Europa
Amerikaanse veiligheidsstrategieën en politieke invloed in Europa

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: François De Smet en Katrijn van Riet bekritiseren de Amerikaanse National Security Strategy (NSS) onder Trump, die Europa als een "civilisatorisch falend" continent afschildert, extreemrechtse narratieven (migratie, klimaatbeleid) overneemt en openlijk steun belooft aan "patriottische" (extreemrechtse) partijen—wat ze als onaanvaardbare inmenging in Europese democratieën bestempelen. Minister Maxime Prévot deelt die verontwaardiging, noemt de strategie een "wekkersignaal" voor Europa’s strategische autonomie (defensie, energie, industrie) en waarschuwt dat de VS met bilaterale druk het multilateralisme ondermijnt, maar benadrukt dat samenwerking mogelijk blijft waar belangen overlappen; hij zal in Washington proberen de VS te overtuigen dat een verzwakte EU ook hun nadeel is. De Smet bevestigt de noodzaak van een Europese defensiepijler binnen de NAVO en industriële/hernieuwbare autonomie, terwijl Van Riet hoopt op een koerswijziging van Trump, maar de rechtsstatelijke principes als niet-onderhandelbaar stelt.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je sais que vous vous êtes exprimé sur le sujet en séance plénière, mais j'avais introduit cette question un peu antérieurement.

La publication récente par l’administration américaine de la nouvelle National Security Strategy (NSS) – version Trump II – doit provoquer une réaction ferme de notre gouvernement. Ce document consacre à l’Europe une attention inédite: elle est citée 49 fois, bien plus que la Chine, la Russie ou tout autre acteur mondial.

Mais cette attention n’a rien de bienveillant: le ton est hostile, dépréciatif et s’inscrit dans ce que l’expert en relations internationales Tanguy Struye (UCLouvain) qualifie explicitement de "guerre hybride" contre l’Union européenne. Cette expression convient déjà parfaitement pour qualifier notre relation avec la Russie, mais elle devient un diagnostic valable pour qualifier la dégradation des liens avec notre plus ancien allié. Nous ne pouvons rester silencieux face à ce qui constitue ni plus ni moins qu'une stratégie assumée d’ingérence et d’affaiblissement de notre continent.

Dans ce document, l’administration américaine décrit l’Europe comme un continent voué à un effacement civilisationnel; elle reprend, sans les nommer, des thématiques et narratifs issus de l’extrême droite européenne, en identifiant les migrations ou les politiques environnementales comme des menaces idéologiques. Le document affirme vouloir promouvoir la grandeur européenne via un soutien actif aux partis patriotes, euphémisme employé pour désigner les partis d’extrême droite européens. Voilà encore un point commun assumé avec M. Poutine!

Quelle analyse le gouvernement porte-t-il sur la reprise, dans un document stratégique américain officiel, de concepts corrosifs pour la cohésion européenne, traditionnellement utilisés par les mouvances extrémistes que l’Europe combat?

Que compte faire le gouvernement pour dénoncer et contrer ces ingérences politiques, totalement contraires aux principes de souveraineté démocratique que nous défendons? Une initiative coordonnée sera-t-elle portée au niveau européen?

Notre diplomatie compte-t-elle rappeler à Washington que soutenir des acteurs politiques cherchant à défaire l’Union européenne revient à fragiliser un allié stratégique clé, et qu’il s’agit d’une ligne rouge inacceptable pour nos démocraties?

Enfin, au vu des éléments déclaratifs recueillis lors de la dernière plénière, notamment de certains affirmant qu'ils auraient pu eux-mêmes écrire ce rapport, pouvez-vous nous assurer du consensus de l'ensemble du gouvernement sur le caractère dangereux dudit rapport?

Katrijn van Riet:

De Amerikaanse regering publiceerde haar veiligheidsstrategie. Hiermee bevestigt president Trump dat hij grote vraagtekens heeft bij het Europese project. Hij meent dat het oude continent verandert en een richting uitgaat die niet de zijne is.

Het document stelt onder andere dat Europa zijn huishouden op orde moet krijgen en dat er politieke organisaties zijn aan de rechterzijde van het politieke spectrum die ideologisch aansluiten bij Make America Great Again, die gesteund moeten worden door de VS.

In een interview voor Politico heeft de Amerikaanse president dezelfde analyse nogmaals toegelicht.

Op de achtergrond pleitte de techmiljardair Elon Musk recentelijk nog voor het opbreken van de Europese Unie. Dat gebeurde nadat zijn socialemediaplatform een aanzienlijke boete kreeg van de Europese Commissie en zijn publieke steun aan het AfD een averechtse effect had op de stemuitslag in Duitsland.

Ik heb de volgend vragen voor u, mijnheer de minister.

Welke conclusies trekt u uit analyse van het document? Welke zijn voor u de grootste verschilpunten met de vorige veiligheidsstrategieën? Welk elementen blijven volgens u dezelfde?

Hoe beoordeelt u het voornemen in de veiligheidsstrategie dat getracht zou worden “patriottische” en vaak uiterst rechtse partijen in Europa te steunen?

Kan dit volgens u beschouwd worden als een vorm van inmenging in de interne politieke keuze van Europese burgers?

Hoe schat u de banden in tussen de MAGA-beweging in de VS en organisaties in België? In welke mate acht u het mogelijk dat de veiligheidsstrategie geschreven werd met het oog op het tevredenstellen van de MAGA-achterban?

In welke zin ziet u het interview van de president in Politico ?

Merkt u op de socialemediakanalen die door de diensten onder uw bevoegdheid vallen meer anti–EU of EU-kritische reacties? Komen die daar voor? Door wie worden deze reacties geplaatst? Wordt hierop gereageerd?

Hoe ziet u de trans-Atlantische diplomatieke relaties na de oproep van president Trump en co wanneer zij kritiek hebben op de EU en oproepen deze te ontmantelen?

In de veiligheidsstrategie wordt de Russische Federatie niet genoemd als een vijandige entiteit. Welke conclusies trekt u hieruit?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Maxime Prévot:

Madame Van Riet, monsieur De Smet, lors de la séance plénière de la semaine dernière, j'ai effectivement déjà eu l'occasion de vous expliquer, dans un temps limité, ma lecture de la stratégie nationale de sécurité américaine. J'ai partagé avec vous mon indignation quant à l'analyse du continent européen qu'elle véhicule.

Het gemeenschappelijke erfgoed van westerse waarden, dat sinds de Tweede Wereldoorlog wordt gedeeld, valt uiteen, en het principe van niet-interventionisme dat aan het begin van de tekst wordt genoemd, is duidelijk niet van toepassing op Europa. De strategie sluit niet uit dat men zich mengt in de interne aangelegenheden van de EU, wat onaanvaardbaar is.

We moeten erop toezien dat onze verkiezingen vrij en integer blijven, dat de mensenrechten worden gerespecteerd, dat de democratische instellingen hun werk naar behoren kunnen uitvoeren en dat de principes van de rechtsstaat als leidraad dienen in onze samenleving. Dat moeten we blijven herhalen.

Mais je soulignais aussi que cette stratégie, plus qu'un choc, doit surtout être un électrochoc pour l'Europe et pour nous-mêmes car, finalement, il y a peu de surprises par rapport au discours de Munich du vice-président Vance, auquel j'ai pu assister. Il est évident, monsieur De Smet, que le soutien aux narratifs ou à des forces dites patriotiques est problématique.

L'Europe, en perte de vitesse, doit absolument se profiler comme un bloc indépendant d'un monde multipolaire. Il faut préserver l'unité, la cohésion européenne déjà malmenée, et pourtant essentielle pour la Belgique, face aux tentatives américaines de bilatéraliser les relations, dans son déni du multilatéralisme. Il faut renforcer notre autonomie stratégique en accélérant la mise en place d'un pilier européen au sein de l'OTAN, en défendant notre souveraineté économique, notre compétitivité et notre autonomie énergétique.

Vu ce qu'eux-mêmes font sous la bannière MAGA, comment ne pourraient-ils pas considérer normal que d'autres entités dans le monde, d'autres pays, cherchent aussi à défendre leurs propres intérêts? Nous devons préserver l'autonomie réglementaire de l'Union européenne. Nous devons maintenir le cap sur le soutien à l'Ukraine, évidemment. Et veiller enfin à protéger notre cohésion sociale et nos processus démocratiques contre toute tentative d'interférence ou d'ingérence, quelle qu'en soit l'origine.

Dat neemt niet weg dat wij gemeenschappelijke belangen behouden met de VS. Ze blijven een onmisbare partner, met wie moeten blijven zoeken naar samenwerkingsmogelijkheden wanneer dat mogelijk is, dit met respect voor onze fundamentele waarden. We moeten onze eigen belangen en waarden met assertiviteit, vastberadenheid en helderheid verdedigen. Tegelijkertijd moeten wij het tempo van de diversificatie van onze partnerschappen opvoeren.

Comme j'ai pu vous l'annoncer, je me rendrai à Washington début janvier et je compte bien poursuivre la discussion au plus haut niveau avec nos partenaires américains. Je compte en particulier travailler à leur faire comprendre qu'il n'est pas dans l'intérêt des États-Unis de perdre l'Union européenne comme partenaire principal, ni de la maltraiter, ni de la mépriser. Ce n'est pas ce qui est attendu d'un partenaire.

Enfin, s'agissant des propos qui ont été tenus par l'un des députés de la Chambre, ils n'engagent que lui et je n'ai pas à répondre des propos tenus par chacun des parlementaires. En tout état de cause, ils ne sont pas le reflet de la ligne gouvernementale.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik treed u bij wanneer u stelt dat wij over de principes van onze rechtsstaat moeten waken en daar te allen tijde op moeten toezien.

Voorts wens ik u veel succes wanneer u naar Washington reist. Ik hoop dat u de president ervan kunt overtuigen om zijn mening te herzien.

François De Smet:

Nous sommes en effet coincés entre deux impérialismes, et le fait que l'un d'eux soit de nature démocratique ne suffit pas à nous rassurer. Je vous rejoins sur le fait que ce doit être un moment d'électrochoc. Nous connaissons nos faiblesses européennes; elles sont identifiées par la guerre en Ukraine et l'éloignement des États-Unis. Nous devons absolument agir sur l'autonomie de la Défense, en créant, au sein de l'OTAN, un pilier européen qui puisse agir en cas de défaillance ou de retrait de l'allié américain, notamment pour que l'article 5 de la Charte puisse être défendu. Il y a aussi l'autonomie énergétique: l'Europe est très dépendante d'énergies fossiles extérieures russes, mais aussi américaines. Nous ne pouvons nous passer des Russes sans aller chercher de l'énergie ailleurs, notamment américaine. Il y a également l'autonomie industrielle: nous devons absolument redevenir un acteur industriel et technologique et non un simple consommateur, ce qui est malheureusement la ligne principale sur laquelle l'Union européenne s'est construite. Enfin, je me réjouis de votre point de vue sur les déclarations de ce député qui n'est pas n'importe lequel des 150 députés, et qui incarne la ligne d'un des partis importants de la coalition. Mais votre mise au point me paraît suffisamment claire jusqu'à présent.

De reactie v.d. Brusselse regering en de GGC op de verzoeken i.v.m. het naleven van de taalwetgeving
De taalwet die in Brussel een dode letter blijft
Het taaltoezicht op de Brusselse politie
Taalwetgeving en naleving in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Barbara Pas en Jeroen Bergers bekritiseren dat minister Bernard Quintin ondanks beloftes geen concrete stappen zette om de systematische niet-naleving van de taalwet in Brussel (onwettige benoemingen, ontbrekend taaltoezicht op politie) aan te pakken, ondanks herhaalde aanmaningen en een regering in lopende zaken die volgens Pas wettelijk verplicht blijft de wet te handhaven. Quintin erkent de problemen, wijt vertraging aan politieke patstellingen (443 dagen zonder Brusselse regering) en belooft overleg met de vicegouverneur en Taalcommissie, maar geeft geen duidelijke acties, reacties of resultaten—wat Pas als "algemene woorden zonder gevolg" afdoet. Over taalcontrole op politieaanwervingen (nu onbestaand) zwijgt Quintin volledig, waar Pas amendementen aankondigt om dit alsnog in zijn wetsontwerp politiefusie te verankeren. Bergers benadrukt dat dringend optreden nodig is, verwijzend naar schrijnende gevallen (bv. hulpverlening in ziekenhuizen) door taalkundige tekorten.

Barbara Pas:

Mijnheer de minister, het is bijna een half jaar geleden dat ik interpelleerde, wat ik elk jaar doe naar aanleiding van het rapport van de vicegouverneur over de niet-toepassing van de taalwet in Brussel door de plaatselijke besturen. Meer bepaald gaat het om de toezichthoudende instanties die hun werk niet doen, zowel de Brusselse regering als het verenigd college van de GGC, hoewel zij dat wettelijk zouden moeten doen.

U hebt toen in uw antwoord gesteld dat u onder meer de Brusselse regering zou aanspreken over het feit dat onrechtmatige en onregelmatige benoemingen en bevorderingen ongedaan moeten worden gemaakt. U hebt gezegd dat u erop zou aandringen bij de Brusselse regering om de taalwetgeving strikt na te leven.

We zijn bijna een half jaar later, dus ik sta hier vandaag met een opvolgvraag. Heeft dat aandringen van u effectief resultaten opgeleverd? Zeer concreet, wanneer en op welke wijze hebt u de Brusselse toezichthoudende instanties hierover aangesproken? Hebt u zowel de ministers van de Brusselse regering als de collegeleden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie hierover gevat? Wat hebt u hun verzocht? Is er een reactie op uw initiatieven gekomen? Zo ja, dan ben ik uiteraard benieuwd naar de reacties van beide instellingen. Ten slotte ben ik benieuwd naar de concrete resultaten, met name of er ondertussen onwettige benoemingen door die instanties wel zijn vernietigd.

Mijn tweede vraag, mijnheer de minister, betreft het taaltoezicht op de Brusselse politie.

Ik heb u daarover een schriftelijke vraag gesteld, maar de Belgische institutionele doolhof is blijkbaar zo ingewikkeld dat zelfs een minister of zijn kabinet zich al eens kan vergissen. In uw antwoord gaat u ervan uit dat de vicegouverneur, net zoals dat het geval is voor de plaatselijke besturen, toezicht houdt op de aanwervingen bij de Brusselse politie, dat hij de dossiers van die aanwervingen schorst en dat vervolgens, volgens dezelfde procedures als bij de plaatselijke besturen, de Brusselse regering die beslissingen kan vernietigen. Dat klopt echter niet. Lang geleden was dat wel zo, toen de politie nog op gemeentelijk niveau was georganiseerd, maar sinds we met zes politiezones werken is dat niet langer het geval. Volgens de taalwet in bestuurszaken kan de vicegouverneur enkel optreden voor verkeerde aanwervingen op gemeentelijk niveau, maar niet voor gewestelijke diensten, zoals de zes politiezones die we vandaag kennen.

In de praktijk betekent dit dat geen enkel dossier van aanwerving wordt doorgestuurd naar de vicegouverneur en dat hij dus geen controle uitoefent in verband met de taalwet in bestuurszaken, vandaar dat ik u de vraag nu mondeling stel, aangezien u er in uw antwoord op mijn schriftelijke vraag van uitgaat dat er een taalcontrole is, terwijl die er niet is. U vindt dat ook een goede taalcontrole en meent dat ze bestaat, adequaat is en voldoet.

Aangezien u dat een goed systeem vindt, is mijn vraag wat u verhindert om die taalcontroles bij de vicegouverneur te leggen, zoals dat gebeurt bij de plaatselijke besturen. Het is geen alleenzaligmakende oplossing, maar het zou alleszins een stap in de goede richting zijn. Is die controle door de vicegouverneur op de aanwervingen bij de Brusselse politie opgenomen in het wetsontwerp waar we al even op wachten? Zo niet, zult u het nog bijsturen in die richting, aangezien ik gelezen heb dat u dit een goed instrument vindt?

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, op 11 juni hebben we in de commissie inderdaad al vragen aan u gesteld in verband met het rapport van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Dat rapport stelde voor het zoveelste jaar op rij de schrijnende toestand van het Nederlands in Brussel aan de kaak.

Op mijn vragen antwoordde u dat u de situatie betreurt en dat de kritiek meer dan terecht is, aangezien er in België en dus ook in Brussel wetten bestaan zoals in elke rechtsstaat en dat deze dienen te worden nageleefd. De wetgeving inzake het gebruik van taal in bestuurszaken is zeer duidelijk wat betreft de benoemingen en de vereisten inzake taalcertificaten en taalkaders.

Verder zei u toen in de commissie dat u uw collega’s op zowel het Vlaamse, Waalse, Brusselse als federale niveau zou aanspreken over die situatie, dat u zou bekijken wat er gezamenlijk kan worden ondernomen en dat u de Brusselse regering specifiek zou aanschrijven om de problematiek onder de aandacht te brengen.

We zijn inmiddels ongeveer zes maanden verder en ik vroeg mij af welke stappen u hebt ondernomen, of er structureel iets gebeurt aan die problematische situatie, of u die brief hebt geschreven en wat daarop de reactie was. Meer algemeen vroeg ik mij af of u bijkomende updates kunt geven over uw aanpak om de taalsituatie in Brussel op te lossen.

Naar aanleiding van een vorig debat hier ontving ik een getuigenis van een jongeman die op de trein door een hond werd aangevallen en in Brussel-Centraal nergens geholpen kon worden. Hij belandde vervolgens in het ziekenhuis, waar hij opnieuw nergens terechtkon terwijl hij zwaar aan het bloeden was na de aanval. Dat zijn bijzonder schrijnende situaties die we moeten vermijden.

Bernard Quintin:

Mevrouw Pas, mijnheer Bergers, ik dank u voor uw vraag. Ik bevestig dat het mijn bedoeling is om bij alle administratieve overheden die bij deze wet betrokken zijn aan te dringen op een strikte naleving ervan, met name de instanties die toezien op de correcte toepassing ervan. U weet echter dat de Brusselse regering zich momenteel in lopende zaken bevindt. Het behoort tot nu toe niet tot mijn bevoegdheid om een Brusselse regering te vormen.

Het is niet eenvoudig om contact op te nemen en afspraken te maken met de verantwoordelijken van de betrokken diensten om samen mogelijke oplossingen te onderzoeken. Mijn kabinet organiseert vergaderingen met de vicegouverneur en met de Vaste Commissie voor Taaltoezicht om de situatie grondig te evalueren, onder meer op basis van de elementen die u aanreikt, en om de nodige maatregelen te treffen.

Ik weet dat het zes maanden geleden is, maar intussen zitten we ook 443 dagen zonder nieuwe regering in Brussel. Dat helpt niet. Verder weet u dat ik graag zou vermijden dat deze problemen blijven bestaan, maar dat we vooral meer Nederlandstalige collega’s moeten aantrekken om in de administraties en in de Brusselse politie te werken.

Barbara Pas:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. U zegt dat u zult aandringen, maar dat hebt u zes maanden geleden ook gezegd. Gelet op het feit dat ik geen antwoord kreeg op mijn concrete vragen – wanneer u hebt samengezeten, wat u hebt gevraagd en of u daar reactie op kreeg – stel ik vast dat u nu opnieuw in algemene termen spreekt. U hebt gezegd dat het moeilijk is om afspraken te maken met ministers die in lopende zaken zitten. Moeilijk is echter niet onmogelijk. Een regering in lopende zaken moet nog altijd de wet toepassen. Die taalwet in bestuurstaken is van openbare orde. Ook een regering in lopende zaken moet die dus naleven.

U zegt dat u een afspraak hebt met de vicegouverneur en met de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Dat is zeer goed, maar die hoeft u echt niet meer te overtuigen dat daar een probleem bestaat. Het probleem zit al jarenlang bij de Brusselse regering. Niet alleen in lopende zaken, maar ook gedurende de decennia daarvoor weigert die systematisch om de schorsingen van de vicegouverneur te vernietigen.

Op mijn tweede vraag, over de controle op de aanwervingen bij de politie, hebt u helemaal niet geantwoord. Die ontsnappen aan elke controle. De vicegouverneur krijgt die dossiers van aanwervingen niet eens doorgestuurd. U vindt dat een goed principe. Mijn vraag was of u dat zult implementeren wanneer u uw wetsontwerp over de fusie van de politiezones hier zult indienen. Soms is niet antwoorden en zwijgen ook veelzeggend. Wij zullen in elk geval al amendementen in die zin voorbereiden om u daaraan te herinneren.

Jeroen Bergers:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Op vele vlakken deel ik uw standpunt en uw mening over de fundamentele onverantwoordelijkheid van sommige Brusselse politici en partijen. Het klopt echter dat ook een regering in lopende zaken zich moet houden aan de taalwetgeving. Het is ook uw taak om die regering, ondanks haar statuut van lopende zaken, op het matje te roepen voor de veelheid aan wetsovertredingen die zij begaat.

In die zin was ik benieuwd naar de brieven die u zou sturen en die u zelf had aangekondigd. Ik wilde weten wat er precies in die brieven stond om de Brusselse regering op het matje te roepen. Ik zal mijn vragen dan schriftelijk indienen.

Voorzitter:

La question n° 56010059C de M. Ridouane Chahid est transformée en question écrite.

Politievoertuigen die in brand gestoken werden in Elsene

Gesteld door

VB Ortwin Depoortere

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ortwin Depoortere (CD&V) vraagt om verduidelijking over de brandstichting op drie politievoertuigen in Elsene (nov. 2025), vermoedelijk met extreemlinks/anarchistisch motief, en bekritiseert het "manifest gebrek aan respect voor gezag" en de onderbezetting in Brussel; hij dringt aan op hard optreden tegen gewelddadige groeperingen die hij als "plaag" bestempelt, en op versnelde fusie van de Brusselse politiezones. Minister Bernard Quintin (MR) bevestigt OCAD-betrokkenheid maar ontkent andere gelijkaardige dossiers dit jaar; beschermingsmaatregelen worden lokaal genomen op basis van dreigingsanalyses. Hij wacht het Raad van State-advies af voor de Brusselse politiefusie, die hij als prioriteit ziet. Depoortere herhaalt zijn kritiek op "extreemlinkse geweldscultuur", eist concrete regeringsteksten voor repressie en fusie, en wijst op brede maatschappelijke impact van dergelijke groepen.

Ortwin Depoortere:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

​ In de nacht van 9 op 10 november 2025 zijn drie politievoertuigen in brand gestoken in de onmiddellijke nabijheid van het commissariaat van Elsene. Een verdachte is kort na de feiten opgepakt, het parket opende een dossier voor opzettelijke brandstichting en vorderde het federaal labo en een branddeskundige.

Er kon snel een verdachte opgepakt worden, maar over de motieven bestaan nog heel wat vragen. Maar dit is lang niet de eerste keer dat men onze politie viseert in Brussel, met manifest gebrek aan respect voor gezag en onze agenten.

Onderzoekt men of er een politiek motief is (anarchistisch of extreemlinks milieu) en is OCAD betrokken voor een dreigingsinschatting?

In hoeveel gelijkaardige dossiers dit jaar werd een link gelegd met georganiseerde extreemlinkse netwerken?

Zijn er beschermingsmaatregelen genomen voor commissariaten en wagenparken in Brussel?

Gezien de gekende problematiek van onderbezetting en versnippering in Brussel: wanneer rondt u de fusie naar één hoofdstedelijke politiezone af? Wat is de vooruitgang hier?

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, het OCAD is betrokken bij dit incident dat gevolgd wordt in het kader van de Strategie T.E.R. Voor zover wij weten, is er, afgezien van dit incident, dit jaar geen ander dossier van dit type tegen de politie en haar installaties geweest. De maatregelen hangen echter niet af van het OCAD. Het is wel belangrijk op te merken dat bij deze punctuele evaluaties rekening wordt gehouden met eerdere incidenten. Op basis van deze evaluaties nemen de diensten, waaronder het NCCN en de politie, de maatregelen.

Wat de fusie van de politiezone in Brussel betreft, heb ik het voorontwerp aan de Raad van State voorgelegd. Ik zal dan ook de conclusies van dit advies afwachten alvorens mij verder over dit onderwerp uit te spreken. Ik zou het graag doen, want het is een van mijn favoriete onderwerpen, maar ik wacht het volgende advies af om een aangepaste tekst voor te stellen.

Ortwin Depoortere:

Dat laatste, mijnheer de minister, doet mij veel plezier. U weet dat u daarvoor in mij een bondgenoot zult vinden. Die fusie kan er namelijk niet snel genoeg komen.

Mijnheer de minister, ik wil zeker het lopende onderzoek niet doorkruisen, maar men vermoedt toch politieke motieven. Ook hier blijkt dat het geweld weer uit anarchistische, extreemlinkse hoek komt. Ik herhaal wat al in de plenaire vergadering is gesteld tijdens de actuele vragen. Die groeperingen, die zo gewelddadig en extremistisch te werk gaan, moet u viseren, mijnheer de minister, en adequaat aanpakken. Het is echt een plaag in onze samenleving. U ondervindt met uw partij ook de nodige last ervan. Het blijft echter niet beperkt tot uw partij alleen. Het is echt een groupuscule die onze samenleving kapot wil maken en voor geen enkel geweld terugdeinst.

Mijnheer de minister, ik hoop erop dat u de nodige initiatieven zult nemen vanuit de regering om dergelijke organisaties zeer hard aan te pakken. U hebt dat aangekondigd, maar ik wacht op de concrete teksten, net zoals op het ontwerp voor de Brusselse fusie.

Voorzitter:

La question n° 56010619C de M. Thiébaut est transformée en question écrite.

De opzettelijke aanrijding van politieambtenaren in Schaarbeek

Gesteld door

N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sophie De Wit vraagt kritisch hoe België omgaat met geweld tegen politie, na een incident in Schaarbeek waar een bestuurder met Frans geweldsverleden opzettelijk vier agenten probeerde aan te rijden, en beklemtoont gaten in informatie-uitwisseling (ECRIS) en strafrechtelijke uniformiteit tussen parketten. Minister Verlinden benadrukt dat geweld tegen politie altijd vervolgd moet worden en stelt dat buitenlandse veroordelingen weliswaar in strafdossiers worden opgenomen, maar erkent impliciet dat herhalingsrisico’s (bv. bij proeftermijnen) afhangen van rechterlijke beoordeling. De Wit bekritiseert dat het systeem onvoldoende voorkomt dat personen met buitenlands geweldsverleden en inreisverboden in België nieuwe misdrijven plegen, en dringt aan op leren uit dergelijke casussen voor strengere strafuitvoering. Verlinden verdedigt het huidige beleid maar biedt geen concrete oplossingen voor snellere opsporing of preventie.

Sophie De Wit:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

Geachte minister,

In Schaarbeek deed zich afgelopen weekend een ernstig incident voor waarbij politieambtenaren doelwit werden van doelbewust geweld. Volgens het parket van Brussel reed een bestuurder tijdens een controle met opzet in op vier agenten van de zone Brussel-Noord. De agenten konden op het nippertje ontwijken, maar zijn zwaar in shock en minstens vier dagen arbeidsongeschikt. Het politievoertuig liep zware schade op, wat de gewelddadige impact van de feiten illustreert.

De verdachte werd aangehouden en ter beschikking gesteld van de onderzoeksrechter, die door het parket werd gevorderd met het oog op een aanhoudingsbevel wegens poging tot doodslag. Uit berichtgeving blijkt dat hij pas sinds kort in België verblijft, maar in Frankrijk al veroordeeld werd voor gewelddaden en daar zelfs een inreisverbod kreeg.

Hoewel de procureur des Konings van Brussel Julien Moinil benadrukte dat geweld tegen politie systematisch vervolgd wordt, roept dit incident toch vragen op over het strafrechtelijke vervolgingsbeleid, de informatie-uitwisseling tussen lidstaten en de snelle opvolging van buitenlandse antecedenten.

Ik heb hieromtrent volgende vragen voor u.

1) Hoe verloopt vandaag de informatie-uitwisseling van justitiële antecedenten tussen België en andere lidstaten, in deze Frankrijk, en wordt binnen het European Criminal Records Information System (ECRIS) voldoende gewaarborgd dat buitenlandse veroordelingen wegens gewelddaden tijdig en volledig worden overgemaakt aan de Belgische autoriteiten?

2) Hoe wordt binnen de strafuitvoering en het toezicht op veroordeelden met buitenlandse antecedenten omgegaan met de ontvangen informatie over eerdere veroordelingen en op welke manier wordt erop toegezien dat dergelijke personen tijdens of na hun straf geen nieuwe gewelddaden plegen in België?

3) Welke criteria worden door de parketten in de praktijk gehanteerd om bij opzettelijke aanrijdingen op agenten het onderscheid te maken tussen de strafrechtelijke kwalificatie poging tot doodslag en de andere strafrechtelijke kwalificaties zoals opzettelijke slagen en verwondingen of vernielingen en wordt daarbij gestreefd naar meer uniformiteit tussen de parketten?

4) Wordt binnen het College van procureurs-generaal of de FOD Justitie systematisch geëvalueerd in welke mate het huidige vervolgings- en strafuitvoeringsbeleid volstaat om geweld tegen politieambtenaren doeltreffend te bestraffen en overweegt u naar aanleiding van dit en eerdere geweldsincidenten tegen politieambtenaren bijkomende maatregelen om de strafrechtelijke bescherming van gezagsdragers in de uitoefening van hun functie verder te versterken?

Annelies Verlinden:

Collega De Wit, uiteraard wil ik opnieuw benadrukken dat geweld tegen de politie ten strengste veroordeeld moet worden en dat ik de procureur van Brussel alleen kan steunen in zijn voornemen om elk voorval van geweld tegen politiemensen, hoe klein of hoe zwaar ook, te vervolgen.

Inzake uw vraag over buitenlandse veroordelingen geldt dat die informatie zich normaliter ook in het strafuitvoeringsdossier bevindt, evenals antecedenten over Belgische veroordelingen. De toekenning van een modaliteit en het toezicht daarop verlopen op dezelfde wijze als die voor veroordeelden met enkel Belgische antecedenten. Het hebben van Belgische of buitenlandse antecedenten is bovendien één van de elementen die de strafuitvoeringsrechter, of in voorkomend geval de strafuitvoeringsrechtbank, mee evalueert voor de beoordeling van de tegenaanwijzingen in de procedure tot toekenning van de modaliteit.

Ingeval tijdens de proeftermijn de betrokkene veroordeeld wordt bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wegens een wanbedrijf of een misdaad, of wegens een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking wordt genomen overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, is dit een herroepingsgrond waarvoor het OM de zaak aanhangig kan maken bij de strafuitvoeringsrechter, of in voorkomend geval bij de strafuitvoeringsrechtbank.

Sophie De Wit:

Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Het blijft natuurlijk altijd problematisch. Ik meen dat we echt moeten bekijken hoe we omgaan met iemand die in het buitenland al veroordeeld is wegens gewelddaden en zelfs een inreisverbod krijgt, maar hier toch nieuwe feiten kan plegen. Ik meen dat dit geen evidente oefening is, maar we moeten daar toch bekijken hoe we daarmee omgaan. Dit is natuurlijk één casus, maar uit sommige casussen kunnen we wel iets leren wat de strafuitvoering betreft.

Een grotere politieaanwezigheid op straat

Gesteld door

CD&V Franky Demon

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 20 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Cd&V dringt aan op versterkte veiligheid buiten grote steden, met meer wijkagenten, uitbreiding van de GAS-wet en gedwongen opnames voor overlastplegers, na incidenten zoals steekpartijen in kleinere gemeenten. Minister Quintin bevestigt dat zijn Plan Grote Steden (20 miljoen euro voor camera’s, controles en sluiting fraudezaken) gericht is op zeven grote steden maar erkent dat georganiseerde criminaliteit ook kleinere steden en grensregio’s treft, met beloftes voor mobielere inzet. Demon benadrukt dat het plan te beperkt blijft en eist een niet-communautaire aanpak die alle gemeenten omvat. De discussie loopt vast in procedurele onderbrekingen zonder concreet akkoord over uitbreiding.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, 'meer politie-inzet in Brussel' hoorden we deze morgen op de radio. Cd&v steunt die inzet volledig. Met het Plan Grote Steden hebt u een brede aanpak uitgewerkt in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Dat is een goede zaak, hoewel ik u eerder al heb gemeld dat veiligheidsproblemen niet stoppen aan de grenzen van Brussel, Gent of Antwerpen. De kleinere steden en gemeenten worden geconfronteerd met grotere veiligheidsuitdagingen. Zo zien we steekincidenten in Mol en Harelbeke, waar zelfs een minderjarige op weg naar school het slachtoffer werd van een steekincident. We horen steeds vaker verhalen over bendegeweld, onder andere van Afghanen, evenals over zware criminaliteit en drugsoverlast in onze gemeenten.

Cd&v, mijnheer de minister, heeft fors ingezet om lokale veiligheid tot een prioriteit te maken in het federaal regeerakkoord. Burgemeesters smeken immers om versterking in de strijd tegen overlast en criminaliteit. Cd&v vraagt dan ook een verdubbeling van het aantal wijkagenten. Maak werk van een aanklampende politie. Breid de GAS-wetgeving zo snel mogelijk uit en geef onze burgemeesters meer bestuurlijke slagkracht, bijvoorbeeld via de mogelijkheid tot gedwongen opname van overlastveroorzakers. Mijnheer de minister, laten we van het komende jaar samen het jaar van de lokale veiligheid maken. Cd&v zal daarvoor alvast concrete voorstellen neerleggen.

Ik heb slechts één vraag voor u. Hoe wilt u ook buiten de grote steden veiligheid opnieuw tot prioriteit maken?

Bernard Quintin:

Mijnheer Demon, veiligheid staat bovenaan de agenda van deze arizonaregering. De strijd tegen georganiseerde criminaliteit is voor mij een absolute prioriteit. Onze grote steden worden vandaag geconfronteerd met zware criminaliteit en drugstrafiek. Daarom heb ik begin september mijn Plan Grote Steden gelanceerd.

Ik licht graag kort de belangrijkste krachtlijnen daarvan toe. We voeren grootschalige en gerichte controleacties uit, samen met de federale en lokale politie. In Brussel, Antwerpen en andere steden werden de afgelopen weken al succesvolle operaties uitgevoerd. Dealers verslaat men echter niet met één actie. We moeten hen dag en nacht onder druk zetten. Hun verdienmodel mag geen minuut ongestoord blijven. Dat is precies de logica achter deze operaties.

We investeren 20 miljoen euro in camera's op strategische locaties. We pakken ook witwaspraktijken via dubieuze handelszaken aan en we verhogen de controle op sociale en fiscale fraude bij verdachte personen en vennootschappen. Daarnaast versnellen en vereenvoudigen we de administratieve procedure om dergelijke zaken zonder omwegen te sluiten.

Dit plan is in de eerste plaats gericht op de zeven grote steden van ons land, met name Brussel, Antwerpen, Charleroi, Mons, Liège, Namur en Gent, maar ik vergeet de andere steden, waaronder Brugge, niet. Georganiseerde criminaliteit stopt niet aan de stadsgrenzen. Ook grensregio's worden steeds vaker geconfronteerd met internationale bendes en lokale besturen vragen terecht meer federale steun. We zijn daar niet blind of doof voor. Burgemeesters hebben mij hun bezorgdheden al overgemaakt.

Bendes zijn creatief en verplaatsen zich vrij gemakkelijk, maar laat het duidelijk zijn: wij zullen even creatief en even mobiel zijn. Meer blauw op straat en blauw meer op straat.

Franky Demon:

Beste minister, dank u voor uw antwoord. Ik wil één punt duidelijk benadrukken. Wij steunen uw plan absoluut, maar, ik heb het ook in de commissie gezegd, Ik heb problemen als het gaat over de steden Brussel, Gent, Antwerpen, Charleroi, Luik, Bergen en Namen. Dit is mijn inziens onvoldoende en onvolledig voor zo'n mooi, inhoudelijk plan, want de veiligheidsproblematiek kent geen taalgrenzen. Dat hebt u zelf ook gezegd.

Ik heb in de commissie dan ook gevraagd om er alstublieft geen communautair dossier van te maken. Maak er ook een dossier van dat onze Vlaamse steden en gemeenten, onze lokale korpsen, kan helpen om die druk van diezelfde georganiseerde criminaliteit en diezelfde overlast aan te pakken.

Ik vraag maar één ding: breid die (…)

Voorzitter:

Monsieur Prévot, vous demandez la parole mais je ne pense pas que votre nom ait été cité.

Patrick Prévot:

(…)

Voorzitter:

Je suis désolé, mais c’est un peu exagéré de (…)

Patrick Prévot:

(…)

Voorzitter:

Je pense qu’il n’y a qu’un seul "président du MR", alors que "les socialistes" sont nombreux.

Drones boven civiele infrastructuur: politiële detectie, neutralisatie en crisisplanning
De bescherming van onze kritieke entiteiten tegen drones
De medewerking van de politie in de strijd tegen drones
De acties tegen drones
De dronedreiging
De cyberaanvallen
Drones boven luchthavens en kritieke infrastructuur: concrete dreiging en respons
De kolderbrigade en de drones
De strijd tegen drones
De veiligheid van de omwonenden van SHAPE
Het counterdroneteam van de federale politie en de inzet ervan
Drones boven kritieke infrastructuur en de aanpak van de regering
Het C-UAS-team van de federale politie
De nood aan een transversale aanpak inzake drones en binnenlandse veiligheid
De antidrone-eenheid van de federale politie
Drones boven luchthavens en kritieke infrastructuur
Het verzoek van de zone Flowal om over een federale helikopter te kunnen beschikken
Drones en veiligheidsmaatregelen voor kritieke infrastructuur en binnenlandse bescherming

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De dronedreiging boven kritieke infrastructuur (luchthavens, militaire sites, kerncentrales) domineert de discussie, met coördinatieproblemen tussen Defensie, Binnenlandse Zaken en Mobiliteit als kernpunt: gespecialiseerde politieteams (C-UAS) bleven onbenut, ondanks hun expertise, terwijl lokale zones met verouderd materieel (zoals verrekijkers uit 1944) werden ingezet. Minister Quintin benadrukt dat detectie (door skeyes/Defensie/exploitanten) en neutralisatie (beperkt door juridische en technische hordes, zoals jamming-risico’s bij luchthavens) nog onvoldoende zijn, maar belooft structurele maatregelen: een nationaal droneregister (voor snellere identificatie), duaal gebruik van Defensie-middelen voor civiele doelen, en betere afstemming via een drieministeriële commissie (Intérieur/Défense/Mobilité). Kritiek blijft hard: gebrek aan budget (5.000 politiemensen tekort), trage reacties (C-UAS-team pas na dagen ingezet), en dreigcultuur tegenover politiepersoneel dat interne tekortkomingen aankaart, ondanks de klokkenluiderswet. De Europese context (193 miljard bevroren Russische tegoeden bij Euroclear) wordt gezien als mogelijke aanleiding voor de hybride intimidatie, waarbij samenwerking met buurlanden (Duitsland, VS) cruciaal is, maar concrete oplossingen (zoals actieve neutralisatie via lasers/jammers) nog ontbreken.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, dank u om vandaag al op onze vragen te willen antwoorden. We weten dat er ook nog een gezamenlijke commissie met de commissies voor Landsverdediging en Mobiliteit aankomt.

In deze materie speelt een complex kluwen van bevoegdheden mee, maar daar heeft de gewone burger uiteraard geen boodschap aan. De vijand houdt daar ook geen rekening mee. Het is belangrijk dat die zaken zowel op politiek als juridisch vlak worden uitgeklaard. Vandaar mijn vragen, mijnheer de minister.

Defensie heeft intussen een federaal antidroneplan voor militaire domeinen uitgewerkt. Er kwam ook bijstand van bevriende landen. Zelf kwam u met plannen voor een nationaal droneregister om verdachte vluchten sneller te identificeren. Kunt u daarover meer informatie geven? Wat is de timing? Hoe ver staat het daarmee?

Onze politie beschikt natuurlijk zelf ook over middelen. De Antwerpse politie organiseert met externe partners counterdrone-oefeningen met een dronekanon. Dergelijke middelen zijn niet algemeen beschikbaar voor alle politiezones. Nochtans worden ook andere lokale zones met de droneproblematiek geconfronteerd. Er moet daar dus ook een antwoord komen.

Ook blijkt de federale politie al sinds 2021 over een gespecialiseerd team te beschikken, een capaciteit die expliciet is bedoeld om ongewenste of vijandige drones te detecteren, te identificeren en vervolgens ook te neutraliseren. Er werden ook aanzienlijke investeringen in technologie, opleiding en uitrusting gedaan. Dat team bleek echter niet gekend te zijn en werd ook niet onmiddellijk ingezet, tot grote verwondering van dat team zelf. Dat roept bij ons allen fundamentele vragen op. Als een gespecialiseerd team voor drone-interventie niet wordt ingezet op het moment dat een dreiging zich zo duidelijk en visueel manifesteert, zoals we de afgelopen weken hebben gezien, dan kan men toch zeer ernstige vragen stellen over de effectieve werking en de aansturing van dat team.

Een bijkomende complexiteit waarover ik het graag met u wil hebben, is dat men niet zomaar een drone uit de lucht kan schieten. Boven openbaar domein kan dat zelfs heel gevaarlijk zijn. Er werden ook juridische belemmeringen vastgesteld voor het neutraliseren van drones.

De vragen over het droneregister heb ik al gesteld. Kunt u ons meedelen hoeveel incidenten zich de voorbije 12 maanden hebben voorgedaan boven onze luchthavens en kritieke infrastructuur? Welke opvolging gaf de politie daaraan? Op welke manier was ze daarbij betrokken? Beschikt de federale politie over voldoende detectie- en neutralisatiecapaciteit voor onbekende drones?

Zijn er gevallen bekend waarbij het gebrek aan middelen leidde tot operationele problemen? Welke lokale politiezones beschikken over eigen antidronemiddelen? Hoe ondersteunt u de zones die niet over die capaciteit beschikken? Bent u bereid een raamcontract op te stellen voor een uniforme en betaalbare aankoop van detectie- en neutralisatiesystemen, of ziet u dat anders? Wij vinden immers dat dat goed zou zijn. Is er een uitgewerkt politioneel crisisplan voor het geval een grote zwerm drones boven een luchthaven of stedelijk gebied verschijnt? Hoe verloopt de coördinatie met externe partners, zoals de luchtverkeersleiding en Defensie?

Waarom werd het C-UAS-team niet geconsulteerd of geactiveerd? Bij Defensie bestaat er ook een C-UAS capaciteit. Wat is het verschil tussen beide? Wie is bevoegd voor wat? Hoe werken die samen? Zijn er wetgevende aanpassingen nodig voor die samenwerking? Hoe vaak werd dat team ingezet sinds zijn oprichting in 2021? Voor welke incidenten? Is dat team juridisch gemachtigd om een drone uit de lucht te halen?

Wat verandert u nu concreet aan de activatie- en coördinatieprocedure, zodat een dergelijke situatie zich niet opnieuw voordoet? Er is ondertussen ook steun gekomen vanuit Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten voor het afweren van drones. Is er in een samenwerking met de politiediensten voorzien?

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, nous sommes dans le pays du surréalisme, on le sait bien. Après plus d'un mois, à votre demande, le premier ministre a enfin réuni un Conseil national de sécurité face aux incursions répétées de drones au-dessus de nos entités critiques civiles et militaires.

Ce Conseil national de sécurité a notamment décidé d'interdire les drones illégaux. Oui, on s'en serait bien douté aussi. Si des moyens ont été débloqués en urgence pour les sites militaires, on a peu de nouvelles mesures qui ont été prises pour les sites civils comme les aéroports. Vous avez recyclé ces mesures de la Défense en parlant de moyens désormais duaux, alors que l'on parle pour la plupart d'investissements de détection qui sont donc fixes.

Pourtant, c'est bien le SPF Intérieur qui est responsable de la sécurité de nos entités critiques. Et aujourd'hui, ce sont les polices locales qui doivent littéralement courir après ces drones. Cela confirme le triste constat que j'ai maintes fois répété dans cette commission, à savoir que ce gouvernement n'investit pas dans nos forces de police. Il manque plus de 5 000 policiers fédéraux et 70 millions d'euros par an pour faire fonctionner la police.

Par ailleurs, nous avons appris par la presse que si la police fédérale dispose d'une équipe chargée de détecter et de neutraliser les drones hostiles, cette équipe n'aurait pas été sollicitée lorsque l'espace aérien au-dessus de Bruxelles-National a été fermé. C'est quand même assez étonnant. La police fédérale a cependant indiqué dans un communiqué de presse suivre de très près la problématique et prendre des initiatives dans le cadre de la stratégie "Détecter, Identifier, Neutraliser".

Monsieur le ministre, concrètement, pouvez-vous m'indiquer les moyens budgétaires, matériels et humains nouveaux qui ont été ou seront dédiés à la police fédérale dans ce cadre et suite au dernier Conseil national de sécurité? Qu'en est-il du soutien aux zones? Vous avez indiqué en séance plénière que des moyens militaires seraient désormais duaux, mais votre collègue Francken ne semble pas vraiment partager cette analyse.

Quels sont dès lors les moyens duaux pouvant être utilisés pour les entités civiles? La police fédérale reste-t-elle compétente pour la protection de nos entités critiques civiles face aux menaces hybrides? Enfin, pouvez-vous faire le point sur les moyens de l'équipe Counter Unmanned Aerial Systems (C-UAS) de la police fédérale, créée en 2021, ainsi que sur son déploiement?

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, comme notre collègue De Vreese l'a rappelé, nous aurons l'occasion d'avoir une commission conjointe avec les commissions de la Mobilité, de la Défense et de l'Intérieur. Ce sera l'occasion de débattre en profondeur de ce sujet et surtout de l'aspect coordination de la lutte contre ces drones.

En ce qui concerne les moyens de la police fédérale dans la lutte contre les drones, nous constatons que dans des pays voisins, notamment en Allemagne, une réforme importante est en cours avec des moyens colossaux développés par la police fédérale allemande – plusieurs centaines de millions d'euros. On constate également une évolution au niveau des compétences puisque la police fédérale allemande serait désormais en capacité d'intercepter et d'abattre les drones.

Ma question porte sur l'état des lieux en Belgique. Nous savons qu'il existe, au sein de la police fédérale, une direction de la sécurité publique disposant de moyens spécialisés qu'elle peut mettre à la disposition des polices intégrées, notamment pour la prévention et la résolution de situations violentes ou dangereuses, potentiellement en lien avec des drones.

Monsieur le ministre, estimez-vous que les capacités de cette unité sont à ce jour suffisantes? Dans la négative, quelles devraient être ces capacités pour pouvoir répondre à la menace grandissante? Existe-il un projet pour pouvoir faire évoluer les compétences de notre police fédérale pour l'élargir à la détection et à la neutralisation? Jusqu'où ira cette neutralisation et comment l'assurons-nous?

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik heb u gemist. De afgelopen dagen en weken vlogen overal te lande drones die we niet konden identificeren, noch stoppen. Het was uw collega Francken, die er, zoals altijd, als de kippen bij was om veelvuldig te communiceren, meestal nogal straf, stoer en weinig doordacht, helaas zoals steeds. Hij werd trouwens ook door de eigen diensten op de vingers getikt vanwege zijn manier van communiceren. U hebben we eigenlijk heel weinig gehoord, behalve misschien na de bijeenkomst van de nationale veiligheidsraad, toen u met het droneregister kwam. Ik heb al proberen te bedenken hoe dat register zou kunnen bijdragen, alsof criminelen of vijandige naties eerst netjes hun drones zullen registreren, alvorens ze ons luchtruim binnendringen. Ik zie er het nut niet van in. Misschien kunt u mij uitleggen wat het idee van het droneregister precies is.

Zoals ik zei, ik heb u gemist, te meer omdat minister Francken aangeeft dat 90% van de bevoegdheid in dat verband eigenlijk bij Binnenlandse Zaken ligt, bij de civiele veiligheidsdiensten. Dat brengt me bij wat enkele collega's ook al besproken hadden, namelijk het counterdroneteam van de federale politie. Hoe komt het dat we dat team vergeten waren? Hoe komt het dat niemand precies wist dat zo'n team bestond? Uw collega Francken reageerde nogal laconiek met de woorden dat het team maar had moeten bellen en melden dat het bestond en kon helpen, mijns inziens een nogal vernederende en beledigende reactie, maar goed.

Ondertussen heeft de dienst zelf in de media herinnerd aan zijn bestaan en erop gewezen dat de locatie van hun antennes online staat. Ik snap niet goed waarom dergelijke informatie wordt gedeeld. Er staat trouwens veel van die informatie ook op de website van de federale politie. Als klap op de vuurpijl hebben de medewerkers van die dienst allemaal een dreigmail van hun oversten ontvangen. Ik heb de mail zelf gelezen en wil hem u ook doorsturen, mocht u hem niet hebben gekregen. De bewoordingen zijn zeer fors. Er wordt gedreigd met ontslag en er zal klacht worden ingediend bij het parket. Dat is vreemd, aangezien alle informatie over de dienst gewoon online staat. Dat moet toch eens goed onder de loep worden genomen.

Hoe komt het dat men die dienst vergeten was? Wat was het probleem? Waarom werd de dienst niet sneller betrokken? Het duurde blijkbaar drie dagen, vooraleer die werd ingezet.

Bent u het eens met de communicatie aan de medewerkers? Bent u het ermee eens dat de oversten hun personeel afdreigen en dat zij, als zij met de pers spreken, moeten worden ontslagen?

Bent u het eens met de communicatie van uw collega Francken dat men niet veel heeft aan het antidroneteam van de federale politie, aangezien die niets kan wat Defensie niet kan? Met andere woorden, deelt u zijn negatief beeld van het antidroneteam? Zo ja, waarom behoudt u het nog? Zo neen, hoe kunt u het team maximaal inzetten?

Uw collega Francken deelt mede dat hij militairen rond de kazernes wil doen patrouilleren om onder andere drones te detecteren en ze neer te halen. Daar bestaat op dit moment echter geen kader voor. Militairen mogen op de openbare weg naast hun kazerne helemaal geen drones uit de lucht halen. Welke initiatieven bereidt u op dat vlak voor?

Ten slotte, wat worden uw vragen en suggesties op de Europese top van de ministers van Binnenlandse Zaken begin december 2025, waar de droneproblematiek op de agenda staat, vergadering waar u zelf naar verwezen hebt? Wat kan die Europese top bijdragen aan de oplossing voor het probleem waarmee wij vandaag worden geconfronteerd? Samengevat, ik hoop op meer Quintin en minder Francken. Dat zou goed zijn en zeker in het dossier van de drones.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik heb u niet gemist en dat is niet omdat ik u niet graag zie – ik hoop dat ik nog altijd uw favoriete schoonmoeder ben –, maar omdat u nu al voor de derde keer op vijf weken tijd in de commissie aanwezig bent. Het valt dus wel mee. Ik wil ook Theo Francken niet minder zien. Het is belangrijk dat de regering samenwerkt en dat iedereen binnen zijn of haar bevoegdheden de verantwoordelijkheid opneemt om de crisissituatie en de dreiging waarmee we geconfronteerd worden, op te lossen. Ik wil niet minder arizonaministers zien; ik wil meer arizonaministers zien.

Mijnheer de minister, op 8 oktober heb ik al voor het eerst vragen gesteld over de dreigingen waarmee we geconfronteerd worden, omdat we toen dezelfde fenomenen opmerkten bij luchthavens in andere lidstaten. Ik heb mijn uiteenzetting toen beëindigd met de vaststelling dat het wellicht niet de laatste keer zou zijn dat we daarover zouden spreken. De veelheid aan incidenten van de afgelopen weken spreekt voor zich. Het is belangrijk dat de situatie ernstig wordt genomen, niet alleen omdat de luchthaven van Zaventem de tweede grootste economische motor van ons land is, maar ook omdat andere luchthavens zoals die van Luid, en nog meer kritieke infrastructuur bedreigd worden.

U bevestigde op 8 oktober dat er in Zaventem detectiesystemen aanwezig zijn en dat er beperkte interventiemogelijkheden bestaan. U gaf ook aan dat de huidige aanpak onvoldoende is, dat er hard aan gewerkt moet worden en dat bijkomende coördinatie tussen de betrokken diensten nodig is. Op 26 september vond overleg plaats tussen die diensten. U zou verder contact opnemen met skeyes om uit te klaren wat mogelijk is en wat de regering kan doen. Wat is er sinds dat overleg gebeurd?

Wij pleiten ervoor dat al onze kritieke infrastructuur, waaronder de luchthavens van Zaventem en Luik en de havens van Antwerpen en Zeebrugge over middelen om vijandige drones te neutraliseren, gelet op onder andere het economisch belang ervan. Een stand van zaken wat dat betreft zou zeer welkom zijn. Overweegt u om actieve neutralisatiemiddelen te installeren, zoals jammers, radiofrequentiesystemen, lasers of kinetische systemen? Hoe staat het daarmee? Hoe verloopt de samenwerking met de Duitse, Amerikaanse en andere specialisten die ons zijn komen bijstaan?

We kunnen de cyberdreiging niet volledig los zien van de problematiek van de drones. De afgelopen periode waren er heel wat cyberaanvallen op instellingen in ons land. Een aantal daarvan werden toegeschreven aan het pro-Russische hackerscollectief NoName057. Volgens de berichtgeving werd onder meer een DDoS-aanval gelanceerd op verschillende websites van de ADIV.

De impact was uiterst beperkt volgens berichten, maar ik kan me inbeelden dat er wel meer aanvallen geweest zijn dan dewelke de pers haalde. Ik ben daar wel zeker van. Hoe dan ook bevestigen de aanvallen de noodzaak voor ons land om extra maatregelen tegen de groeiende uitdagingen op het vlak van cyberveiligheid te nemen, vooral ter bescherming van onze civiele infrastructuur en onze kritieke infrastructuur, die ons leven vorm geven en die noodzakelijk zijn voor ons leven.

Mijnheer de minister, hoeveel cyberaanvallen vonden er de afgelopen periode plaats? Kunnen die allemaal gelinkt worden aan pro-Russische hackerscollectieven of komen er ook uit andere hoeken aanvallen?

Kunt u bevestigen dat er, minstens bij de ADIV, geen datalekken werden vastgesteld?

Welke extra maatregelen plant u te nemen? Hoe wordt de samenwerking vandaag georganiseerd tussen de ADIV, het Centrum voor Cybersecurity België, de Veiligheid van de Staat en de andere betrokken actoren?

Zijn er extra investeringen gepland op het vlak van cyberdefensie, IA-gedreven detectie, personeelsversterkingen, of samenwerkingen met internationale partners?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, dat we binnenkort een gezamenlijke commissievergadering moeten organiseren met niet minder dan drie ministers die bevoegd zijn inzake de dronedreiging, toont aan dat we, ten eerste, in een zeer complex land leven, en ten tweede, misschien nog symptomatischer, dat er een gebrek is aan eenheid van commando. Niemand weet goed wie bevoegd is voor wat. Er zijn de openlijke claims van minister Francken in de eerste plaats, maar elke minister probeert zich een beetje te profileren als de sterkste en stoerste minister om de dronedreiging tegen te gaan.

Ik hoop alleszins, mijnheer de minister, dat de wetgeving ter zake wel gevolgd wordt. Als die wetgeving er nu niet is, hoop ik dat ze aangepast zal worden. Wat mij betreft, maar ik hoor graag uw antwoord, hoort dat aspect wel volledig tot uw bevoegdheid. U mag de paraplu niet opentrekken en verwijzen naar andere ministers; voor mij bent u de bevoegde minister om de kwestie aan te pakken.

Ik zal niet in herhaling vallen met vragen hoeveel en waar er drones werden gespot. Ik veronderstel dat er een dreigingsanalyse werd uitgevoerd. Graag vernam ik wat de conclusie van de dreigingsanalyse was, kortom hoe ernstig moeten we de dreiging nemen? De gedetecteerde drones vormen uiteraard een zeer ernstig feit, zeker als dat gepaard gaat met grote veiligheidsrisico's, onder andere op Zaventem. Sindsdien – touche du bois – horen wij echter weinig of niets meer over dergelijke fenomenen. We lezen wel in de media dat een aantal amateurs die met een drone bepaalde zaken uitvoerden die eigenlijk niet mogen, zijn aangehouden. Als ik de berichten mag geloven, was er zelfs sprake van een aantal journalisten. Zitten we op een hellend vlak of moeten we de zaak, integendeel, juist downsizen naar wat het was? Wat vooral belangrijk is, is hoe we het fenomeen voor de toekomst moeten inschatten.

Mijn volgende vraag betreft wie het initiatief zal nemen om de dronedreiging tegen te gaan. Zoals verschillende collega's al aanhaalden, beschikt de federale politie over een antidronecapaciteit. We zien echter dat die capaciteit niet wordt ingeschakeld, onderbemand is en met materiaal moet werken dat – ik druk me zeer eufemistisch uit – echt niet meer hedendaags is. Er werden mij door de dienst foto's bezorgd van verrekijkers gemaakt in 1944, mijnheer de minister. Verrekijkers uit 1944 om drones in de lucht te spotten, dat kan er bij mij echt niet in. Intussen haalt minister Francken bijna half Europa hierheen om drones te helpen bestrijden, terwijl we zelf een dienst hebben die absoluut niet uitgebouwd is.

Daarom wil ik u pertinent vragen, meneer de minister, wat u daartegenover zet. Zullen wij beginnen te investeren in antidrone-eenheden en hoe zult u dat doen? Hebt u daar budgetten voor gekregen van de federale regering?

Ik kan enkel maar vaststellen dat minister Francken maar met de vingers moet knippen in de federale regering om miljoenen binnen te rijven. Ik hoop dat u even hard op tafel kunt slaan bij de federale onderhandelingen om de nodige budgetten vrij te krijgen voor onze binnenlandse veiligheid. Daar hoort ook een antidrone-eenheid bij.

Ik zal niet verwijzen naar de dreigmail van een overste waar de heer Vandemaele het over had en waarin klokkenluiders eigenlijk de mond wordt gesnoerd. Dat kan absoluut niet door de beugel. Ik hoop dat dat ook absoluut wordt veroordeeld. Juist die klokkenluiders brengen wantoestanden aan het licht. Ik verwacht daarop dan ook een politiek antwoord van u. Alvast bedankt voor uw antwoorden.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, comme vous le savez, je viens de Soignies, et plus précisément de Casteau, qui est mon village natal. Quand on vit à Casteau, on a pris l'habitude d'avoir un voisin particulier, le quartier général de l'OTAN, c'est-à-dire le SHAPE, situé à cheval sur Casteau et Maisières. Le SHAPE est le centre névralgique des puissances alliées, et il en fait donc une zone sensible, d'autant plus dans le contexte que nous connaissons. Élément d'actualité: depuis le dépôt de ma question, le gouverneur du Hainaut a expliqué que huit drones avaient récemment survolé des sites sensibles, dont le SHAPE, mais pas seulement. On parle également de la base américaine de Chièvres, ainsi que de l'usine de munitions KNDS à Seneffe.

Par ma question, aujourd'hui, je tenais à rappeler que des femmes, des hommes et des enfants vivent aux alentours de ce site, qui n'est pas du tout isolé. Je dois parler désormais de plusieurs sites depuis le communiqué de presse du gouverneur. Casteau – j'y vis – ce sont 3 000 habitants. Maisières, juste à côté, est une commune de près de 4 000 habitants. Seneffe en compte 11 000. Plus généralement, il y a un questionnement légitime quant à la sécurité de ces sites sensibles. Monsieur le ministre, j'aurais donc plusieurs questions.

Tout d'abord, pouvez-vous me faire le point sur les mesures prises pour assurer la sécurité du SHAPE, mais également d'autres sites hennuyers que je viens de vous citer, et également de ces riverains, notamment via une information adéquate BE-Alert? Qu'en est-il de la concertation entre les nombreux acteurs impliqués, le SHAPE, le SPF Intérieur, la Chancellerie, le ministère de la Défense, la province du Hainaut, le centre de crise, etc.? Les riveraines et les riverains qui habitent aux alentours du SHAPE, mais également des autres sites dont j'ai parlé, comme la base militaire de Chièvres ou le dépôt de munitions de Seneffe, ont-ils des consignes à recevoir suite à l'affaire des survols de drones? Enfin, cette concertation me préoccupe. Elle doit être optimale. J'attends évidemment les réponses à mes questions.

Voorzitter:

M. Vander Elst n'est pas présent, Mme Maouane et Mme Ramlot non plus. La parole est à Mme Delcourt.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, je ne rappelle pas le contexte. Je pense qu'il est suffisamment clair. Ce qui me préoccupe évidemment, c'est la capacité de réponse.

La police fédérale dispose-t-elle de capacités suffisantes de détection et de neutralisation de ces drones? Avez-vous éventuellement identifié un manque de moyens? Si tel est le cas, comment la police peut-elle être équipée, formée, plus opérationnelle, plus efficace face à cette menace?

Et ce qui va évidemment avec cette question, c'est le nombre d'incidents répertoriés, ce qui permet d'évaluer si; à l'heure actuelle; la réponse peut être suffisante.

Et puis, il y a la manière de répondre. Vous avez parlé de moyens de neutralisation. S'agit-il de moyens de neutralisation actifs que vous pourriez utiliser dans les aéroports civils? Comment les envisagez-vous? Prendrez-vous des mesures complémentaires, concrètes pour mieux protéger les aéroports et les autres sites critiques contre cette menace que constitue le survol par des drones?

Vous avez par ailleurs annoncé un registre des drones. Contrairement à certains de mes collègues, je vois parfaitement son utilité. Dire que cela n'a pas d'utilité reviendrait à dire, par exemple, que la loi sur les armes n'a aucune utilité non plus. Ce serait donc peut-être ici l'occasion que vous nous expliquiez comment vous voyez ce registre et quelles fonctionnalités il devrait rencontrer.

J'en arrive enfin à une question très centrale pour moi aussi: où en est la coordination entre les différents départements, avec vos collègues ministres des autres secteurs concernés? Comment l'envisagez-vous, sachant évidemment que vous n'êtes pas le seul acteur compétent en matière de gestion de cette menace?

Voorzitter:

M. Lasseaux n'est pas là non plus.

Zijn er collega’s die zich wensen aan te sluiten bij de vragen? ( Nee )

Dan geef ik het woord aan de minister.

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, geachte commissieleden, ik ben heel blij om hier te zijn en sta altijd tot uw beschikking.

Comme l'a dit une célèbre ministre française de la Justice, j'espère que ce n'est pas en raison d'un sentiment contrarié que je vous ai manqué, monsieur Vandemaele. Je serais bien resté plus longtemps aujourd'hui, toute la soirée même, pour épuiser les questions, mais je pense qu'il est important que je puisse me rendre à la conférence du MR ce soir à Saint-Gilles, afin de démontrer que la liberté d'expression vaut pour tous, en ce compris pour les partis de centre-droite et de droite de cette majorité.

U hebt de voorbije weken veel terechte vragen gesteld over de drones. Sta mij toe om vooreerst ons politiepersoneel en onze soldaten te bedanken voor hun inzet en inspanningen. Het is immers gebleken dat hun werk geen evidente taak is. Ik zal daar zo dadelijk verder op ingaan.

Op geen enkel moment is er een directe en effectieve dreiging tegen de integriteit van personen of infrastructuur vastgesteld. De analyse van de veiligheidsdiensten is dan ook dat dat allicht nooit de bedoeling is geweest. Het betreft meer dan waarschijnlijk intimidatie vanwege een buitenlandse mogendheid, waarschijnlijk gelinkt aan een of verschillende elementen uit de geopolitieke actualiteit in relatie tot ons land.

Ik zal deze toelichting in drie delen doen. Ten eerste geef ik wat meer uitleg over de coördinatie van de inzet van onze veiligheidsdiensten. Daarna werp ik een blik op de toekomst, over de structurele maatregelen die we willen instellen voor het geval dat we opnieuw met een golf aan signaleringen zouden worden geconfronteerd. Ten slotte zal ik ingaan op de punctuele vragen die u hebt gesteld.

Wat betreft de voorbije weken, het Nationaal Crisiscentrum (NCCN) houdt op mijn vraag een overzicht bij van alle geloofwaardige drone sightings bij gevoelige sites, zoals militaire domeinen, luchthavens, kerncentrales of kritieke infrastructuur. Het krijgt daarvoor informatie aangeleverd door de politie, Defensie, Mobiliteit en skeyes en andere diensten uit de veiligheidsketen. Het NCCN coördineert dus de informatiedoorstroming en de beeldvorming.

Pour répondre directement à votre question, madame Delcourt, et aux autres, depuis le premier novembre, 213 notifications ont été faites au tableau mis en place par le Centre de crise national, et cette liste augmente naturellement tous les jours.

Telkens wordt opgegeven om wat voor site het gaat met vermelding van de gemeente waarin de waarneming plaatsvond, een omschrijving van de waarneming en de wijze waarop die werd vastgesteld. Er wordt eveneens gemonitord of een interventie gebeurde door de politie of door Defensie, of er een proces-verbaal werd opgesteld, of een drone werd onderschept of een drone-operator werd geïdentificeerd.

Het NCCN heeft ook de communicatie naar de gouverneurs en de sectorale overheden opgenomen en een zogenaamde infocel opgericht, waarin de woordvoerders van de verschillende administraties en kabinetten afspraken maken over de communicatie. De federale politie heeft de geldende richtlijnen voor waarnemingen en interventies geactualiseerd voor alle diensten binnen de geïntegreerde politie. Alle beschikbare informatie vloeit systematisch door via het reguliere overleg met Justitie en de inlichtingendiensten ten behoeve van opsporings- en inlichtingenonderzoek.

Onze diensten hebben op korte termijn een efficiënte structuur opgezet voor infodeling. Bij een incident kunnen we drie momenten onderscheiden: detectie, identificatie en neutralisatie.

S'agissant de la détection, c'est Skeyes qui en est responsable pour les aéroports; pour les sites militaires, c'est la Défense. La loi sur les infrastructures critiques, qui sera remplacée par la loi CER dont nous avons déjà parlé en commission, énonce que les exploitants d'infrastructures critiques doivent assurer leur protection et donc, par extension, les opérations de détection. Le Port d'Anvers et les centrales nucléaires, par exemple, le font. Je tiens donc à préciser clairement que la police ne peut pas assurer la détection de drones sur l'ensemble du territoire. La capacité policière actuelle est conçue pour des événements spécifiques tels que des manifestations ou des festivals. Deux zones de police ont investi dans leur propre capacité. J'y reviendrai.

De federale politie beschikt sinds 2022 over die capaciteit, die in de periode 2022-2025 in totaal 286 keer werd ingezet.

Het is een gespecialiseerd, operationeel steunmiddel dat op vraag van een dronecommander, de lokale en federale politie, kan worden ingezet op basis van een operationele analyse, een dreigingsanalyse en een impactanalyse op de omgeving en bij het beheer van evenementen waar de politie verantwoordelijk is voor de handhaving van de openbare veiligheid.

Voor de concrete output van de voorbije weken zal ik u niet langer in spanning laten. Men heeft de beperkingen kunnen vaststellen van het materiaal dat gezamenlijk door defensie, de politie en skeyes werd ingezet. Dat kan zijn omdat er potentieel een hoog aantal valspositieven tussen de waarnemingen zit. Immers, in het bijzonder rond Zaventem werden de politiehelikopters vaak voor drones aangezien en ook bij kortstondige sluiting van het luchtverkeer worden rondcirkelende vliegtuigen verkeerdelijk als drones gerapporteerd. Ook andere valspositieven vervuilen als het waar de data.

Daarnaast is het volgens de veiligheidsdiensten waarschijnlijk dat de drones die er daadwerkelijk waren buiten de gebruikelijke commerciële radiofrequentie opereerden, waardoor ze moeilijker of niet detecteerbaar zijn, behoudens visuele bevestiging.

Neutraliseren blijkt nog moeilijker. Twee opties dienen zich aan. Ten eerste, een technische interventie door het verstoren van het signaal van de drone. Ten tweede, een kinetische interventie met bijvoorbeeld een net, een shotgun of door het veroorzaken van een botsing.

Technisch interveniëren is op de luchthaven pas mogelijk wanneer het vliegverkeer tijdelijk stilligt. Er mag immers geen interferentie zijn met de vliegtuigen in de lucht of de systemen van de luchtverkeersleiding. Daarnaast is het onduidelijk of een technische interventie een effect zou hebben op drones die eventueel voorgeprogrammeerd zijn.

Op de luchthaven beslist de luchtvaarautoriteit over het vliegverkeer en over de eventuele mogelijkheid om technische interventiemiddelen in te zetten. De evenementen van de voorbije weken hebben niet tot een situatie geleid waarin een technische interventie een optie was.

Een kinetische interventie is dan weer gemakkelijker gezegd dan gedaan. In een dichtbebouwde omgeving, zoals een luchthaven of energiecentrale, kan men niet zomaar vuurwapens gebruiken om naar drones te schieten. De toestellen met netten hebben dan weer een te beperkt bereik. Beide mogelijkheden om te interveniëren lijden sterk onder de beperkte detectiemogelijkheden. Vooraleer men ter plaatse is, is er vaak niets meer te zien. Drones zijn daarnaast ook nog eens heel snel en wendbaar. De uiteindelijke beslissing om toch te interveniëren wordt door de politie genomen op basis van een risico-inschatting. Dat geldt niet voor de militaire domeinen, aangezien defensie daar beslist.

Wanneer de meldingen voldoende gedetailleerd zijn, stuurt de politie systematisch een ploeg ter plaatse om vaststellingen te doen. Soms kan die ploeg de waarneming bevestigen, maar een operator kon tot op heden nog niet worden onderschept.

Het voorgaande kadert meteen de kritiek op de C-UAS-capaciteit van de politie, die ongebruikt zou zijn gebleven. Skeyes beschikt over eigen detectiecapaciteit op de luchthavens. Die is gebaseerd op gelijkaardige technologie, maar is niet doeltreffend gebleken. Daarnaast was de technische interventiecapaciteit niet bruikbaar omdat er op dat moment geen beslissing was genomen over de inzet van jammingapparatuur.

Daarenboven wens ik erop te wijzen dat de situatie in ons land niet verschilt van die in de buurlanden. Ook Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Nederland en andere ons omringende landen hebben een gelijkaardige reactie getoond.

Pour être clair, je n'ai pas lu ou vu que dans un de nos pays partenaires, on avait pu faire mieux que chez nous. Que ce soit noté!

Ik heb van in het begin aangegeven dat we dit ernstig moeten nemen, maar dat we vooral kalm moeten blijven en vooruit moeten kijken naar wat beter kan.

Pour les semaines et mois à venir, je voudrais signaler qu'en effet, une commission tripartite, Intérieur, Défense et Mobilité, a été demandée. J'ai déjà donné quelques dates qui n'ont pas pu convenir à un de mes collègues. J'attends les prochaines dates, mais mijnheer Vandemaele, ik ben ter beschikking .

Dans le cadre de la compétence de coordination en matière de politique de sécurité, mon cabinet travaille depuis septembre à harmoniser les efforts et les lignes directrices des différents ministres et administrations concernés. L'objectif est de garder une vue d'ensemble de toutes les initiatives, d'identifier les lacunes et d'accroître l'efficacité. Ainsi, le collègue Francken, ministre de la Défense, a déjà annoncé que le National Airspace Security Center (NASC), pourrait à terme devenir un carrefour d'informations où convergeraient et seraient analysés différents flux de données relatifs au trafic aérien, y compris les drones. Vous pouvez vous adresser à lui pour toute question à ce sujet.

En ce qui concerne l'obligation d'enregistrement, lors du Conseil des ministres, le collègue Crucke a indiqué qu'il prenait ce dossier à cœur. Je tiens à souligner en effet que ce registre est important. Il n'existe pas à l'heure actuelle. Si on est d'accord que l'optique est Détection, Identification, Neutralisation, il faut savoir que, pour faire l'identification, il faut évidemment que les drones soient enregistrés.

En ce qui concerne l'extension de la capacité de détection, les composants mobiles des achats que la Défense effectuera devraient également pouvoir être utilisés pour des applications civiles. C'est ça le concept du dual use . Ce n'est pas une question de répartition des budgets, il s'agit de faire en sorte que le matériel qui est acheté par l'armée serve autant que possible aussi, je dirais, à la protection civile ou au caractère civil de la protection du pays.

Le ministre de la Mobilité présentera également un dossier visant à améliorer la capacité de détection pour les aéroports. Avec la ministre des Télécommunications, je prépare une proposition permettant à certains secteurs de disposer d'une base légale pour perturber les signaux de drones lorsque la situation l'exigerait. La police devra également moderniser sa capacité, mais celle-ci restera dans un premier temps, comme indiqué, ciblée.

Le citoyen pourra compter sur la police pour la détection en cas de menaces ponctuelles et prévisibles, mais nous ne pouvons pas lui confier la mission de surveiller l'ensemble de l'espace aérien 24 heures sur 24 et sept jours sur sept. La police doit avant tout jouer un rôle important dans l'interception des auteurs lorsque des infractions sont constatées.

Afin de créer un cadre plus clair pour les policiers, je travaille avec la Mobilité et la Justice à un cadre d'intervention et d'application pour toutes les situations pouvant survenir en temps de paix avec des drones.

Ik zal ten slotte op enkele concrete vragen antwoorden.

Mijnheer Vandemaele, ik zou in de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van de Europese Unie graag een punt maken van de capaciteit en de manier waarop de andere lidstaten optreden tegen het fenomeen. Collega Crucke presenteert binnenkort ook een non-paper op de Europese Raad over de mogelijkheden voor de registratie van drones.

Ik heb geen specifieke commentaar op uw vraag over de locatie van antennes van het C-UAS-team van de politie. Het betrof hier uiteraard geen communicatie van de politie, maar wel van een individu. Om duidelijk te zijn, ik ben noch bevoegd, noch opgevoed, noch geformeerd om persoonlijke frustraties te behandelen. Loyauteit is voor mij heel belangrijk.

Peut-être que la police n'est pas la grande muette, mais la loyauté, c’est important. J’en profite pour dire que, s’il peut y avoir des frustrations et des questions, les lignes hiérarchiques doivent être respectées. Si des choses doivent être améliorées, je doute vraiment que ce soit la bonne manière de le faire. C'est en effet parce qu'une personne a été frustrée que nous n'avons pas travaillé. Je veux donc briser les ailes à ce vilain canard selon lequel il n'aurait pas été fait appel à tout le monde.

La police, qu'elle soit locale ou fédérale, a fait son travail. Nous avons analysé, et la police en premier, la capacité que nous avions et celle qui était à mettre en œuvre. Il a été décidé par les autorités que les moyens dont disposent deux zones de police locales, entre autres, n'étaient pas les moyens adéquats pour le faire.

Je fais une petite parenthèse. J'espère que tout le monde est d'accord pour dire que brouiller des ondes de drones dans un aéroport n'est peut-être pas la meilleure des idées, considérant tous les autres appareils présents dans cet aéroport. Ce n'est pas parce qu'on n'appelle pas quelqu'un dans la ligne hiérarchique pour savoir ce qu'il en pense, que la ligne hiérarchique n'a pas fait son travail. Cela doit être très clair.

Laat dat heel duidelijk zijn, bij de federale politie, maar ook bij de lokale politie, is loyauteit voor mij heel belangrijk.

Over de samenwerking met de Duitse en andere militaire C-UAS-eenheden moet u collega Francken bevragen, mijnheer Bergers. Ook voor de vragen over de website van de ADIV en cyberdefensie kunt u bij hem terecht. Voor uw vragen over de rol van het CCB kunt u dan weer bij uw andere partijgenoot, de premier, terecht. Het CCB valt immers tot nog toe niet onder mijn administratie.

Monsieur Thiébaut, le Conseil national de sécurité ne prend pas de décision concernant les budgets. Ce type de décision relève du Conseil des ministres. Dans ce cadre, aucun dossier relatif aux moyens destinés aux zones de police n'a encore été élaboré.

Monsieur Prévot, il va de soi que BE-Alert pourrait être un outil permettant d'alerter les riverains de certains lieux. Cependant, comme je l'ai déjà mentionné, ces observations de drones n'ont présenté aucun danger concret ou immédiat pour la population. Nous ne souhaitons pas non plus susciter de craintes inutiles au sein de la population. Les personnes qui constatent un drone au-dessus ou à proximité d'un site sensible, tel qu'un domaine militaire ou une centrale électrique, peuvent appeler le numéro d'urgence 101.

Afin de renforcer la coordination au sein de la police intégrée, des directives internes ont été diffusées au niveau national, lesquelles définissent les principes et modalités généraux d'intervention policière dans le cas de drone sightings survenant à proximité ou au-dessus de sites sensibles.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden. Op dit soort van crisismomenten, – ook de pers uitvoerig heeft bericht over de drones – moet er vanuit de verschillende bevoegdheden worden gecommuniceerd over wat zich voordoet en de aanpak ervan. Tegenwoordig moet dat sneller dan ooit gebeuren.

Vroeger hadden ministers heel wat meer tijd om te reageren en bestonden er geen sociale media. Tegenwoordig gaat alles veel sneller en communiceren diensten snel. Dat soort informatie wordt natuurlijk ook graag in de pers gebracht, waar men zich afvraagt waarom met de dienst geen contact is opgenomen. Klokkenluiders mogen uiteraard niet de mond worden gesnoerd, dat is niet de bedoeling. Ik herhaal de woorden van mevrouw Depoorter. Wel moeten de betrokken medewerkers van de federale politie intern aangemoedigd worden om zich kenbaar te maken en hun meerwaarde aan te tonen wanneer zich bepaalde situaties voordoen. De wegen daarvoor moeten gekend zijn voor iedereen die bij de federale of lokale politie werkt.

Er bestaat momenteel geen samenwerking tussen de federale politie en defensiediensten uit andere landen, zoals Frankrijk en de Verenigde Staten. Andere samenwerkingen worden zorgvuldig onderzocht en uitgeklaard. Het is positief dat er al een cel is opgericht om de afstemming van de communicatie tussen diensten te verbeteren en de betrokkenen samen aan tafel te zetten, wat het vertrouwen tussen de verschillende diensten versterkt.

Onze situatie is vergelijkbaar met die van de buurlanden. Kennisdeling en onderling overleg zijn belangrijk. Ook moet voor de lokale zones in een draaiboek worden voorzien, zodat zij weten met wie contact op te nemen en wat te doen bij incidenten op hun grondgebied.

Mijnheer de minister, het zal waarschijnlijk niet de laatste keer zijn dat we over drones spreken. De gezamenlijke commissie komt eraan en dan kunnen wij daarover opnieuw van gedachten wisselen. Ik wens u veel succes met de verdere uitrol van de initiatieven.

In verband met de identificatie van drones, mijnheer Vandemaele, vraagt u zich af waarom een register van drones noodzakelijk is. Dat is om onmiddellijk bepaalde drones te kunnen uitsluiten van een bepaald gevaar, omdat we dan weten wie de bestuurder is. Als we een aantal drones detecteren, zal van een deel daarvan de bestuurder of koper bekend zijn, zodat daarvoor geen verder onderzoek nodig is. Eerst moeten we detecteren, daarna identificeren. Voor veel drones zal de identificatie daardoor veel vlotter verlopen. Dat is niet zo moeilijk te begrijpen.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour toutes ces réponses qui sont assez éclairantes. Je vous ferai simplement part de quelques petites réflexions.

D'abord, vous nous dites qu'on n'a pas mieux fait dans les pays voisins. Pourtant, j'ai le sentiment que les pays voisins n'ont pas été confrontés à une telle intensité d'incursion de drones sur des sites sensibles, militaires et civils. Vous me direz peut-être que, dans les autres pays, il n'y a pas un ministre qui a dit qu'il était capable de rayer Moscou de la carte du monde. Mais, à mon avis, il n'y a pas de cause à effet. C'est juste une coïncidence, assez troublante quand même.

Ensuite, il semblerait qu'on ait alloué 50 millions d'euros à la Défense pour la lutte contre les incursions de drones. Or, voici quelques minutes, le ministre de la Défense a rappelé, en commission de la Défense, que la responsabilité de la sécurisation des sites critiques civils relevait de la responsabilité du ministre de l'Intérieur. On ne peut pas rappeler cela sans vous donner des moyens spécifiques dans la lutte contre ces incursions. C'est mon avis. Peut-être estimez-vous que les moyens alloués à la Défense serviront à fournir du matériel qui pourra être utilisé par ailleurs par notre police. C'est très bien. Je pense toutefois, comme je l'ai dit dans ma question, que nous avons aussi une unité spécialisée.

J'ai eu l'occasion de visiter récemment les services fédéraux avec les collègues. On nous a montré les appareils, des espèces de canon, qui servent à neutraliser un drone à distance. Donc, le matériel existe et est disponible. À mon sens, il faut renforcer cette équipe fédérale et lui donner les moyens pour qu'elle puisse rapidement intervenir à tous les endroits où il le faut. Pour cela, je suis conscient qu'il faut vous donner les moyens pour le faire et surtout à notre police fédérale et pas uniquement à la Défense.

Xavier Dubois:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Vous avez dit que la police n'avait pas la capacité de recenser et de gérer tous les drones sur l'ensemble du territoire. D'accord mais, dans ce cas, qui possède cette capacité? Vous insistez sur le fait que les pays voisins n'ont pas fait autrement. Je ne vais pas juger les actes des pays voisins, mais je citerai malgré tout le cas de l'Allemagne, qui a réagi avec des moyens considérables et clarifié la capacité de la police fédérale dans la lutte contre les drones. Ce pays a donc apporté une réponse. En l'occurrence, des discussions se font au travers du Conseil national de sécurité que vous avez convoqué, ce qui est une bonne chose, bien entendu. Néanmoins, nous ne pouvons pas nous satisfaire de la situation actuelle: le risque doit être géré et les responsabilités doivent être clairement déterminées.

En ce qui concerne les infrastructures critiques, vous dites qu'il appartient aux gestionnaires des sites d'assurer cette lutte contre les drones, entre autres. Dès lors, comment s'assurer qu'ils le font réellement? Et s'ils ne le font pas, de quels moyens disposez-vous pour pouvoir faire en sorte qu'ils assurent effectivement cette gestion?

Je note un point positif dans votre réponse, à savoir que les moyens que la Défense va pouvoir débloquer seront utilisés ou pourront l'être par la police fédérale. Mais la question se pose de savoir comment et qui pourra utiliser ces moyens. S'agit-il de la DAS? Un protocole sera-t-il défini afin de préciser ces différents éléments? En tout état de cause, ce qui est sûr, c'est qu'il faut coordonner la gestion. Les premiers éléments à cet égard sont positifs, mais il faut surtout aller très vite. Nous ne pouvons pas nous satisfaire de réponses qui viendraient tardivement face à cette menace.

Nous resterons donc particulièrement attentifs aux décisions qui seront prises et aux éléments qui seront apportés lors de la réunion conjointe avec les différents ministres compétents. Merci en tout cas pour vos réponses et bonne chance pour la suite!

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, twee weken geleden had ik het voorrecht om te depanneren in de commissie voor Landsverdediging. Minister Francken vertelde daar toen voor 90 % hetzelfde als wat u vandaag zegt. Ik hoopt op iets meer vooruitgang in die twee weken, maar blijkbaar is dat niet het geval.

Uw droneregister komt erop neer dat er een soort nummerplaat voor drones komt. Als we zo'n drone zien en kunnen vangen, zouden we kunnen nagaan van wie hij is en bepalen of hij gevaarlijk is. Als hij niet gevaarlijk is, laten we hem dan weer gaan. Er wordt ook gesproken over bakje in de drone waarmee men op afstand kan zien welke drone het is. Met alle respect, maar dat lijkt mij sciencefiction. Dit zal geen bijdrage leveren aan het oplossen van ons probleem. Ik herhaal het, men zal niet zijn drone komen registreren voordat men iets doet.

U bedankt de politiemensen en militairen, maar daarna smijt u de politiemensen vrolijk onder de bus. U spreekt een paar mooie zinnen over loyaliteit. Ik heb ook geluisterd naar het verhaal van deze mensen. Zij presenteren hun inzet en hun oversten beslissen dan dat ze niet nuttig zijn. Tegelijkertijd moeten andere agenten werken met verrekijkers uit 1944. U zegt eigenlijk dat mensen uit een gespecialiseerd team met gespecialiseerde kennis en materieel minder kunnen bijdragen dan agenten met een verrekijker uit 1944. De hiërarchie die daartoe beslist, maakt zware fouten. U verdedigt die hiërarchie en legt het probleem bij de agenten die praten. Het is echter de hiërarchie die de inschatting maakt dat specialisten minder bruikbaar zijn dan iemand met een verrekijker uit 1944. Met alle respect, ik begrijp niet dat u aan de kant van de hiërarchie staat en leidinggevenden verdedigt die hun personeel op onbetamelijke wijze hebben bedreigd met ontslag, want dat is wat er gebeurd is.

Mijnheer de minister, ten slotte, ik had gehoopt dat u iets zou zeggen over militairen op straat. Uw collega Francken heeft daarover zopas gesproken in de commissie voor Landsverdediging. Hij meldde dat voor het einde van het jaar de codex voor defensie zal worden herwerkt, zodat militairen op straat actief kunnen zijn.

Uw collega Francken vindt trouwens ook dat als militairen vandaag al actief willen zijn op straat, dat moeten kunnen ter ondersteuning van de politie. Dat verklaarde hij een kwartier geleden.

Mijnheer de minister, ik ben nogal ontgoocheld over uw antwoorden.

Jeroen Bergers:

Mijnheer Vandemaele, wat dat laatste te maken heeft met de drones ontgaat mij, behalve als u zou voorstellen dat de militairen dan op die drones zouden beginnen te schieten.

Collega's van de PS, waarom worden wij geconfronteerd met die hybride dreigingen en onze buurlanden minder? Ligt dat aan een quote die door een slechte journalist van De Morgen volledig uit zijn context is getrokken, of ligt dat misschien aan de 193 miljard aan Russische tegoeden bij Euroclear waarover gedebatteerd wordt of die moeten worden geconfisqueerd en gebruikt voor de oorlog in Oekraïne? Collega's van de PS, ik denk dat die 193 miljard de reden zijn waarom er nu intimidatietechnieken tegen ons land worden gebruikt. Het is een blind vermoeden, maar als we een beetje serieus blijven denk ik dat dit er iets meer mee te maken heeft. Het toont ook aan dat het correct is dat we daar voorzichtig mee blijven.

Mijnheer de minister, 213 waarnemingen, zelfs als daar wellicht een aantal valspositieven tussen zitten, is toch niet niks. Dat toont de ernst van de situatie toch aan en brengt heel wat last met zich mee voor onze economie en kritieke infrastructuur. Ik vind het interessant dat u verwijst naar de wet kritieke infrastructuur of entiteiten die voorligt, omdat de huidige situatie net aantoont waarom zo'n getrapt systeem goed is en waarom een samenwerkingsakkoord met de regio's nodig is. Dat getrapt systeem waarover u het hebt en dat in het nieuwe wetsontwerp staat, stond ook al in de wet van 2011, zoals ik in de plenaire vergadering al heb gezegd.

In zo'n getrapt systeem ligt de verantwoordelijkheid eerst bij de uitbater, daarna bij de politie en dan, if all else fails , bij defensie. Om dat getrapt systeem vorm te geven en te zorgen voor een whole of government aanpak, moet iedereen die actie moet ondernemen mee aan tafel zitten.

Gelet op de budgettaire context van onze regering moeten de bevoegde actoren de eigen noodzakelijke budgettaire investeringen doen. Het lijkt mij dan ook belangrijk dat er ter uitvoering van dat wetsontwerp een samenwerkingsakkoord komt dat de regio's daarbij betrekt en ook voor de nodige investeringen zorgt.

De beperkingen in het materieel zijn vastgesteld, de beperkingen in de begroting, in de federale begroting, die stellen we elke dag vast. Daar moet positief mee omgegaan worden. Ik denk dat niemand betwist dat er meer nodig is dan de registratie van drones om deze crisis op te lossen en om ervoor te zorgen dat we daartegen gewapend zijn, maar het helpt wel degelijk.

Ik zal meegaan in uw karikaturen, collega Vandemaele. Als men een drone met een nummerplaat ziet en een drone zonder nummerplaat, dan weet men al sneller hoe men daarmee moet omgaan. Dan weet men ook wanneer die drone nog niet in de buurt van kritieke infrastructuur is, sneller waar de klepel hangt.

Er zal meer nodig zijn, maar het is zeker een stap in de goede richting.

Tot slot, mijnheer de minister, ik kan mij vergissen, maar ik dacht dat er een datum was afgesproken om het CCB van de eerste minister naar u over te dragen en dat die datum al is verstreken. Wanneer staat die overdracht gepland?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Een zaak is zeker, de aanpak van de dronedreiging was van een heel bedenkelijk niveau. Alles verliep heel chaotisch, er was geen of nauwelijks communicatie tussen de bevoegde ministers en de bevoegde diensten en er werd niet doortastend opgetreden. Het deed mij wat denken aan Dad's Army , een heel goede serie, maar zoiets kan niet in het echte leven.

Men is pas na de feiten eindelijk in actie geschoten. Ik blijf erbij dat er eenheid van commando moet komen en dat dit het beste onder uw bevoegdheid valt, maar er moet ook geïnvesteerd worden, er moeten middelen worden vrijgemaakt. Ik geef toe dat het uw voorgangster, mevrouw Verlinden - die ik trouwens vijf jaar lang vragen heb gesteld over de onderfinanciering van de federale politie - is die te weinig heeft geïnvesteerd in de antidrone-eenheid, die al sinds 2022 bestaat en die nog steeds met dezelfde capaciteit en ondermaats materieel moet werken. Het is aan u om daarin een kentering te brengen.

Ik wil nog iets zeggen over de klokkenluiders. Mijnheer de minister, het is u misschien ontgaan, maar in de vorige legislatuur werd hier een wet goedgekeurd ter bescherming van klokkenluiders. Dat heeft niets te maken met loyauteit, maar wel met politieagenten die hun job op een goede manier willen uitoefenen en die zich daarin beperkt voelen. De hiërarchische structuur moet gevrijwaard blijven, zeker bij defensie en bij de politiediensten, maar dat neemt niet weg dat bepaalde calamiteiten besproken moeten kunnen worden. Het allerlaatste wat ik zou willen, is dat die calamiteiten onder de mat zouden worden geschoven en dat klokkenluiders zich niet in alle vrijheid zouden kunnen uitspreken over wat ze weten zonder door oversten te worden afgedreigd.

Patrick Prévot:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses, d'autant plus que j'avais rajouté des éléments d'actualité en évoquant le communiqué de presse du gouverneur, qui parlait évidemment des sites survolés du SHAPE, mais également de la base militaire de Chièvres et du site de munitions à Seneffe.

Je ne vais pas rentrer dans le débat qui vise à savoir pourquoi nous sommes davantage survolés que certains pays. J'ai entendu évidemment les avis divergents, et je suis davantage du côté de la version de mon excellent collègue Éric Thiébaut. Je serais tenté de dire aux collègues de la N-VA que quand on aboie très fort, on s'assure en tous cas d'avoir le gabarit d'un rottweiler. Si on a davantage le gabarit d'un chihuahua, je pense qu'on doit faire preuve de modestie. On s'abstient en tous cas de mettre de l'huile sur le feu.

Dans votre réponse, monsieur le ministre, vous avez rappelé – et c'est très important – que la police n'est pas en charge de la sécurité des sites, et qu'il revient donc au gestionnaire de ces mêmes sites d'assurer leur protection.

Je sais qu'on n'est plus ici dans le cadre d'un débat, mais qu'en est-il alors pour le SHAPE et Chièvres, notamment, dont la gestion nous échappe? Comment peut-on s'assurer que les sites sont correctement protégés, puisqu'aux alentours vivent quand même aussi des citoyennes et des citoyens belges dont on doit assurer la sécurité?

Pour le reste, je suis d'accord avec vous. Il faut trouver, dans ce genre de situations comme dans d'autres, un équilibre entre paranoïa et vigilance. Je retiens que BE-Alert pourrait être utilisé. Vous parlez au conditionnel. Sans tomber dans la paranoïa, c'est évidemment un outil qui doit être correctement utilisé en temps nécessaire.

En tout cas, puisque gouverner c'est prévoir, il faut se préparer à tous les scénarios. J'espère en tout cas que vous en avez pleinement conscience, vous, vos services et également vos collègues.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Il ne vous appartient évidemment pas de vous attaquer aux causes, mais bien de répondre aux conséquences d'une telle menace hybride qui, à juste titre, inquiète la population, car elle met à mal le fonctionnement, même de manière temporaire, de certaines institutions et crée un trouble socio-économique, c'est évident.

Vous avez apporté une réponse avec beaucoup de réactivité, de calme – vous l'avez dit, c'est important face à ce genre de menace hybride qu'on doit appréhender alors qu'on la connaît peu – et vous l'avez fait avec bon sens. Je vous rejoins dans votre analyse: face à ce type de menace, la coordination s'avérera essentielle. Vous ne pouvez pas être le seul à bord par rapport à ce type d'événement.

Chacun doit endosser ses responsabilités et la coordination au cœur de la réponse doit être vraiment très fluide et documentée. Il est vrai que lorsque survient l'événement, un temps de recul est nécessaire. On doit appréhender, définir et circonscrire le phénomène pour apporter la meilleure réponse, et s'appuyer sur ça pour développer des moyens supplémentaires. Vous le faites, vous passez à l'action, et chaque petit élément complémentaire que vous amenez aidera à mieux réagir la fois prochaine. Donc, il ne faut minimiser aucune des mesures que vous prenez.

Je tiens vraiment à vous apporter tout mon soutien, à rappeler que vous devez continuer à travailler avec vos collègues, et que la mutualisation des moyens, c'est aussi une manière de réagir avec bon sens.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre. Je vous ai écouté attentivement, je vous remercie de vos réponses, on ne doute pas de votre engagement. Je ressors quand même avec le même sentiment que lorsqu'on entend le ministre de la Défense, c'est-à-dire qu'on a une vision assez juste de ce qui se passe. On a compris qu'on avait du retard à rattraper, et on sent l'engagement pour que les investissements contre les menaces hybrides soient faits.

Mais on se dit aussi qu'on n'est toujours pas capable aujourd'hui d'empêcher, si un pays étranger ou un acteur malveillant le souhaite, quelqu'un d'envoyer un drone sur nos aéroports civils et de les paralyser plusieurs heures, tous les soirs de la semaine si ça lui chante. Et la petite crainte que j'ai, qu'on commence parfois à ressentir, c'est qu'on retombe dans un mal bien belge consistant à se renvoyer la balle ou à être divisés face à la menace, divisés entre Défense ou Intérieur ou entre acteurs publics et privés. C'est une spécialité bien de chez nous. Alors peut-être avons-nous appris au fur et à mesure à aller au-delà.

Bien sûr, c'est de l'intimidation et il me paraît évident – je me rallie à la thèse de la N-VA sur cette question – que c'est clairement lié aux 190 milliards qui se trouvent sur notre sol. Mais ces drones survolent non seulement nos aéroports mais interrogent aussi notre capacité à garantir la sécurité du pays. Je crois que nos citoyens vont avoir besoin de réponses claires, immédiates et crédibles.

On a bien conscience que vous héritez d'une situation et d'investissements qui n'ont pas été faits. Mais nous comptons sur vous pour aider à rattraper le retard et sur le gouvernement pour qu'il y ait une unité de commandement contre ces drones.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, il se peut que je me sois mal fait comprendre. Je tiens à préciser que je ne parlais pas du tout de lanceurs d'alerte ni de la réaction par mail ou courrier de la hiérarchie. Je me suis concentré, et peut-être l'ai-je fait dans un mauvais français ou un mauvais néerlandais, sur le fait que l'unité a été consultée et que la hiérarchie a décidé, en fonction des moyens qui étaient disponibles et des nécessités sur le terrain, que ce n'était pas ce qu'il fallait mettre en œuvre. Et la loyauté est là-dedans.

S'il y a un ministre de l'Intérieur qui a visité la plupart des unités – je n'y suis pas encore parce qu'il y en a beaucoup, tant en police locale qu'en police fédérale –, c'est moi. Parfois il faut se tresser soi-même ses lauriers, à défaut de les faire tresser par les autres. Je comprends l'engagement, mais c'est une chaîne. Il y a une chaîne hiérarchique, c'est un ensemble. Or le rôle de la hiérarchie, et c'est le rôle que je joue comme ministre aussi, c'est d'avoir une vue d'ensemble de ce qui est faisable, d'écouter toutes les personnes qui sont impliquées et qui ont des choses à dire, et puis de décider, au niveau de la hiérarchie, de ce qu'il faut faire et de ce qu'il ne faut pas faire. Voici ce que j'ai voulu préciser manifestement pas de manière suffisamment précise. C'est pourquoi je me permets de le dire en français.

Les klokkenluiders et les lanceurs d'alerte sont nécessaires. Ils sont protégés par la loi et je suis évidemment extrêmement soucieux que cette loi soit strictement respectée.

Matti Vandemaele:

Ik heb het woord klokkenluiders net niet gebruikt. Het gaat erover dat deze mensen gespecialiseerd zijn opgeleid, dat ze beschikken over gespecialiseerd materieel en dat zij aangeven al drie dagen te zitten wachten tot ze worden ingezet. Tezelfdertijd worden niet-gespecialiseerde agenten ingezet, die daar niet voor getraind zijn en die verrekijkers uit 1944 moeten gebruiken. Ik begrijp ten volle dat zij dan zeggen dat de beslissing van de hiërarchische meerderen gewoon ingaat tegen de veiligheidsbelangen van het land. Ik vind die mensen uitermate loyaal aan de bevolking. Die oefening moet gemaakt worden. Ik hoop ook echt dat dit zo bekeken zal worden en dat die mensen niet ontslagen zullen worden. Ze worden nu immers bedreigd door een hiërarchie die verkeerde inschattingen maakt.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik voel mij ook wat aangesproken. Ik heb wel het woord klokkenluiders gebruikt, omdat ik specifiek naar de wetgeving daaromtrent wilde verwijzen. U hebt daar nu zelf ook naar verwezen in uw bijkomend antwoord. Het gaat niet enkel daarover, mijnheer de minister. Ik begrijp uiteraard dat de hiërarchische oversten moeten kunnen beslissen wanneer een eenheid wordt ingezet en wanneer niet. Tot daar ben ik het volledig met u eens. Er is wel een verschil wanneer men achteraf dreigmails krijgt van diezelfde hiërarchische oversten, die bijna kunnen worden geïnterpreteerd als: "Houd uw mond, anders kunnen er sancties volgen, tot en met ontslag." Dat is voor mij onaanvaardbaar. De wetgeving is hierover duidelijk: klokkenluiders moeten beschermd worden en mogen niet gesanctioneerd worden. Dat is het punt dat ik wil maken. Ik denk dat we niet van mening hoeven te verschillen over de hiërarchische structuur, die nu eenmaal eigen is aan defensie en aan de politie. Ik dank u voor de bijkomende verduidelijking.

De twijfel bij de regering over de nieuwe politie-uniformen
De uitrol van het nieuwe politie-uniform
De nieuwe politie-uniformen
Het nieuwe politie-uniform en de bijbehorende discussies

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de controversiële herziening van het nieuwe Belgische politie-uniform, waarvan de kleuren (geel-zwart-blauw) door Waalse kritiek als "te Vlaams" worden bestempeld, ondanks positieve testresultaten, wetenschappelijke onderbouwing (fluogeel verhoogt zichtbaarheid) en steun van agenten en de VCLP. Minister Quintin benadrukt dat het project juridisch onvolledig is (ontbrekend KB) en stelt een gefaseerde aanpak voor: eerst een wettelijke basis (KB in voorbereiding), dan uniformiteit en budgettaire haalbaarheid, met behoud van de geplande uitrol in 2026-2027, maar *zonder* duidelijke bevestiging over de kleurenkeuze. De communautaire spanning (Vlaamse vlag vs. herkenbaarheid) en taalwetgeving (correcte opschriften) worden neergelegd als secundair, terwijl de focus ligt op modernisering, veiligheid (kogelvrije vesten) en eenheid—al blijft onduidelijkheid bestaan over eventuele meerkosten door vertraging. Kritiek richt zich op het risico van politieke inmenging in een technisch dossier dat al 20 jaar op zich laat wachten.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, sinds 2021 loopt de vernieuwing van het nationale politie-uniform. Er lopen pilootprojecten in meerdere zones. Het nieuwe uniform wordt goed onthaald, ook door onze agenten op het terrein. Het huidige uniform dateert immers van 2001. Dat betekent dat we al 24 jaar met hetzelfde uniform werken en dat is uiteraard niet houdbaar. Men vraagt om een nieuw uniform dat opnieuw het nodige gezag uitstraalt en de uniformiteit kan bewaren. Ook de Vaste Commissie van de Lokale Politie (VCLP) beaamt en ondersteunt dat.

Mijnheer de minister, terwijl al die pilootprojecten en een aantal onderzoeken lopen, trekt u plots de kleuren van de nieuwe uniformen in twijfel. Vanuit Waalse hoek kwam de kritiek dat die te Vlaams zouden zijn. Er zou wat te veel geel en wat te veel zwart in zitten, waardoor het uniform volgens sommigen te sterk zou lijken op de Vlaamse vlag. Nochtans staat er duidelijk een Belgische vlag op het uniform. Ik zie dus niet meteen het probleem.

Waarom trekt u het werk dat uw collega-minister Verlinden in 2021 heeft opgestart nu in twijfel? Zijn daar bijkomende kosten aan verbonden? Hoe zal de procedure vanaf nu verlopen? Wordt alles opnieuw opgestart? Zijn daar budgettaire maatregelen of compensaties voor voorzien? Ik vraag me af waarom u die goedlopende pilootprojecten, waarover iedereen, van de VCLP tot de agenten op het terrein, het eens is, nu op de helling zet. Ik hoop van u te vernemen dat dit absoluut niets te maken heeft met een communautair geschil vanuit Wallonië, maar ik hoor het graag van u.

Maaike De Vreese:

Ik heb twee, ietwat belachelijke vragen voor u, mijnheer de minister. De eerste gaat over de kleur van het nieuwe politie-uniform. De tweede gaat over kakkerlakken in de Pacificatiestraat in Gent.

Er is veel commotie, ook in de pers, over de kleuren van het nieuwe politie-uniform. Hoewel het project al veel geld heeft gekost en er al duidelijke beslissingen zijn genomen, wordt het nieuwe uniform nu toch in vraag gesteld, omdat het geel en het zwart iets te veel aan de Vlaamse vlag doen denken. Al twintig jaar vraagt de politie om dat nieuwe uniform. Men vindt namelijk dat het oude uniform te weinig respect afdwingt en de herkenbaarheid niet accentueert. Uit onderzoek is bovendien gebleken dat het fluogeel, dat helemaal niet lijkt op het geel van de Vlaamse vlag, net een van de best zichtbare kleuren voor politie-uniformen is.

De testfases in meerdere politiezones zijn positief ervaren. Zo liet onder andere de politiezone in Waver zich zeer positief uit over het uniform. Niettegenstaande de positieve evaluaties wordt het uniform nu opnieuw in twijfel getrokken. Er gaan stemmen op om andere kleuren te kiezen. Onder meer het ACV stelt voor om het donkerblauw met gele accenten iets lichter te maken. Volgens de vakbonden zou u gevoelig zijn voor die kritiek, maar ik hoor graag uw eigen uitleg. Het zou schrijnend zijn om nu operationeel alles wat wetenschappelijk onderbouwd en positief getest is, terug te draaien en opnieuw vertragingen te veroorzaken.

Hoeveel geld wordt er verspild als men een dergelijk vergevorderd proces terugdraait? Hoe verloopt de testfase precies in de verschillende regio's? Hoeveel testzones zijn er? Wilt u het koninklijk besluit over het uniform aanpassen? Zult u de uitrol in 2026-2027 handhaven? Welke specifieke politiezones hebben bij uw diensten bezwaren geuit over de kleuren van het uniform? Uit welke zones kwamen die signalen? Gaat het ook over bezwaren betreffende de taalwetgeving, zoals het ontbreken van het opschrift in de juiste taal op de politie-uniformen? Dat kan ik enigszins begrijpen, want als er iemand voor mijn deur staat met het opschrift police in plaats van politie op het uniform, dan zou ik eraan twijfelen of dat werkelijk iemand van onze politiediensten is.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, comme le prévoit l'accord de gouvernement, il vous revient à la charge de mettre en œuvre la nouvelle identité visuelle de la police. Cela semble logique de plaider pour que l'uniforme soit le même sur l'ensemble du territoire et reflète une autorité incontestable.

Le moins que l'on puisse dire néanmoins, c'est que ce dossier est parti sur des bases incertaines. Le 31 mai 2024, en pleine période d'affaires courantes, à quelques jours des élections du 9 juin, ce chantier a été lancé par la ministre de l'Intérieur, votre prédécesseur, Mme Verlinden. Il est évident que sur le terrain, plusieurs zones de police s'interrogent quant à la mise en œuvre de ce chantier, tant sur le plan réglementaire que sur le plan budgétaire, beaucoup plus que sur les couleurs utilisées d'ailleurs.

Monsieur le ministre, depuis votre entrée en fonction, pouvez-vous nous décrire l'avancée de ce dossier? Selon quel phasage l'avez-vous mené? Une base légale destinée à clarifier les choses est-elle en préparation? Avez-vous un calendrier avec lequel vous prévoyez d'atterrir? Enfin, et c'est certainement ma question la plus importante, considérez-vous que ce projet constitue réellement une priorité à l'heure actuelle, compte tenu des autres besoins opérationnels et des moyens budgétaires disponibles?

Bernard Quintin:

Ik dank u voor uw vragen en uw belangstelling voor dit dossier. Allereerst wil ik heel duidelijk zijn. Onze politiediensten hebben een adequate en performante uitrusting nodig om hun werk in de beste omstandigheden te kunnen uitvoeren. Het regeerakkoord bepaalt het volgende: “Een nieuwe visuele identiteit voor de geïntegreerde politie wordt op het terrein ingevoerd op basis van een voortzetting van de inspanningen die in de vorige legislatuur werden geleverd en van de resultaten die reeds werden bereikt. Meer concreet gaat het over Battenburg en het nieuwe politie-uniform."

Mijn voorgangster heeft eind mei – inderdaad ongeveer een jaar voor de verkiezingen – besloten om een proefproject voor de vervanging van de politie-uniformen goed te keuren. Ik heb dit dossier in die staat geërfd. Bij de analyse ervan hebben mijn diensten vastgesteld dat er geen wettelijke basis bestaat, aangezien er geen koninklijk besluit was opgemaakt. Zonder dat KB kan er geen beslissing worden genomen en evenmin een budget worden vrijgemaakt om de nodige overheidsopdrachten daadwerkelijk te lanceren. Om het project op een concrete en gestructureerde manier voort te zetten, is het, zoals voor elk ander project van hetzelfde type, van essentieel belang om gefaseerd te werk te gaan.

Eerst moet er een passende rechtsgrond worden gecreëerd door middel van een koninklijk besluit dat de invoering van het nieuwe uniform mogelijk maakt en het verplicht stelt voor alle politiediensten in ons land, zowel federaal als lokaal.

Ce qui, permettez-moi la remarque, n'est pas le cas actuellement mais qui semble en effet crucial, comme vous l'avez dit, madame Delcourt, pour envoyer un message d'unité de notre police pour nos citoyens et face au crime. Je crois que nous serons d'accord de dire que le fait de savoir si c'est la police locale ou fédérale qui intervient n'intéresse absolument pas nos concitoyens. Ce qu'ils veulent, c'est une police qui fonctionne et assure leur sécurité.

Dat koninklijk besluit moet ook de specificaties en technische vereisten vastleggen waarop het verdere proces zal worden gebaseerd. Mijn diensten hebben mij eind september een ontwerp van koninklijk besluit bezorgd. Ik heb mijn opmerkingen meegedeeld. De definitieve versie wordt mij in de komende dagen bezorgd. Daarna kunnen we de administratieve procedure voor de definitieve goedkeuring voortzetten.

Cela permettra à tous les services de police du pays de lancer leur marché public en toute légalité, ce qui n'est pas le cas sans base légale. Il me semble que c'est le moins que l'on puisse attendre de la part de services ayant pour mission de faire respecter la loi.

Vervolgens wacht ik op de resultaten van de lopende test. Ik heb inmiddels vernomen dat de test werd uitgevoerd, maar alleen om de technische eigenschappen te evalueren van de stoffen die voor dat nieuw uniformproject zullen worden gebruikt, in het kader van de openbare aanbesteding die door de politiezone Antwerpen is uitgeschreven. De test heeft dus geen betrekking op de visuele identiteit als zodanig, noch op de beoogde kleuren. Ik kan mij dus alleen baseren op de verschillende adviezen die ik ontving, maar ook op de feedback die ik tijdens mijn verschillende terreinbezoek heb gekregen, feedback die voor mij heel belangrijk is.

Ik kan jullie bevestigen dat ik in contact sta met de diensten die verantwoordelijk zijn voor dat project om het normenboek af te ronden, dat als bijlage bij het ontwerp van koninklijk besluit zal worden gevoegd en dat ik, zoals net vermeld, binnenkort zal goedkeuren.

Tot slot werd een budgettaire analyse uitgevoerd om te beoordelen hoe het project financieel haalbaar kan worden gewaarborgd.

En effet, madame Delcourt, nos budgets ne sont pas infinis. Je serai très clair: il importe qu'un seul uniforme soit utilisé par la police. La situation actuelle n'est pas tenable. Au moins une dizaine d'uniformes différents sont utilisés aujourd'hui.

Die stapsgewijze aanpak is onontbeerlijk, zoals ik eerder heb aangegeven, evenals in antwoord op jullie eerdere vragen over hetzelfde onderwerp. Hij moet garanderen dat het project steunt op een solide juridische en budgettaire basis, zodat de invoering van het nieuw uniform op een coherente, transparante en financieel verantwoorde manier kan verlopen.

Ik ben ervan overtuigd dat het uniform van onze politie in het hele land herkenbaar moet zijn, van Aarlen tot De Panne. Ik wil nogmaals herhalen dat onze politie behoefte heeft aan degelijke en gemoderniseerde uitrusting. Het uniform is niet alleen hun werkkleding, maar ook het symbool van hun autoriteit. Het is een kwestie van respect voor de vrouwen en mannen die elke dag hun eigen veiligheid op het spel zetten om die van ons te beschermen.

C'est un élément que je compte aussi introduire dans le conclave que j'organise à la mi-décembre sur l'attractivité de la fonction de police; en effet, si je veux moi-même mettre en œuvre la formule que j'utilise de plus en plus régulièrement d'une "police respectueuse, respectable et respectée", respecter cette police, c'est déjà lui octroyer un uniforme.

Pour être très clair, l'intérêt d'un nouvel uniforme est surtout celui de le moderniser, comme cela a été mentionné dans une question. Ce sont des uniformes qui ont 25 à 30 ans! Les tissus ont évolué. En outre, le port obligatoire du gilet pare-balles engendre un certain nombre de nécessités. Ces critères doivent être pris en compte.

Voor de volledigheid bevestig ik dat ik terecht ben aangesproken op het taalprobleem dat zich heeft voorgedaan met het testuniform. Ik heb de nodige maatregelen genomen om die situatie te regulariseren, met strikte inachtneming van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken, die in een dergelijk geval van toepassing is. Die wet is heel belangrijk voor iedereen hier.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, u danst in uw antwoord een beetje rond de hete brij. Hoe het politie-uniform er daadwerkelijk zal uitzien, blijft onduidelijk. Uiteraard moeten we een kakofonie vermijden, al is die er nu, want sommige politiezones hebben zeven jaar geleden al nieuwe politie-uniformen aangeschaft.

Ik wil nog benadrukken dat de gele kleur niets te maken heeft met de Vlaamse vlag. Het heeft te maken met herkenbaarheid. Europa legt trouwens aan de lidstaten in een richtlijn op om geel te gebruiken in het uniform van veiligheidsdiensten. Dat is niet zonder reden, het draagt bij aan de herkenbaarheid en de veiligheid.

Uiteraard deel ik uw analyse dat dat op een solide wettelijke basis moet gebeuren en dat het over alle politiezones moet worden uitgerold. De heer Thiébaut fronst al bij de gedachte aan de kosten die op hem afkomen bij de vervanging van de politie-uniformen. Ik hoop dat daarmee rekening zal worden gehouden.

We moeten absoluut het respect voor en de aantrekkelijkheid van het beroep van politieagent terug naar voren schuiven. Als het politie-uniform daartoe kan bijdragen, zult u mijn steun daarbij krijgen. Maak er echter alstublieft geen communautair spel van. Nogmaals, de kleuren hebben niets te maken met de Vlaamse vlag. Het gaat uitsluitend om herkenbaarheid en veiligheid van de man en vrouw op straat.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, toen ik nog bij de Dienst Vreemdelingenzaken werkte, kwam ik in een bepaalde politiezone waar kogelvrije vesten boven het uniform gedragen moesten worden, wat door de betrokken politiemensen als belachelijk werd ervaren. Dat zorgt natuurlijk voor vermijdingsgedrag omdat men het kogelvrij vest niet wil dragen. Dat kan uiteraard totaal niet de bedoeling zijn. Een uniform dat respect afdwingt en aantrekkelijk is, is om die reden wel degelijk belangrijk. Ik denk dat voor ieder van ons geldt dat we op een positieve manier naar buiten willen treden.

Ik hoor u zelf niets meer zeggen over de kleur, wat enkel kan bevestigen dat daar geen verdere aandacht aan besteed hoeft te worden. Het gaat om een blauwe kleur met gele accenten. Geel blijkt uit wetenschappelijk onderzoek immers een van de meest zichtbare kleuren te zijn.

Ik ben blij dat u aan de taalwetgeving de nodige aandacht hebt besteed en dat u op dat vlak hebt geremedieerd. Ik denk dat dat ook bijdraagt aan de betrouwbaarheid van de politiediensten ten aanzien van de burger. Wij willen bij de Vlaamse inspecteurs en agenten inderdaad een Nederlandse titel zien, terwijl ik veronderstel dat de burger in Wallonië graag een Franse titel ziet.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Il importe de rappeler que ce dossier du nouvel uniforme de la police n'est pas tombé dans les meilleures conditions entre vos mains. Il a en effet été ouvert en toute fin de la législature précédente, sans cadre précis. On voit aujourd'hui les questions très légitimes que cela soulève sur le terrain, mais également au plan législatif. Donc, vous travaillez à un cadre légal sérieux, qui permette le port de ce nouvel uniforme. Il convient de noter ce fait important: dans "uniforme", il y a "uniformité". Ce n'est donc pas une question d'harmonisation des tenues, mais bien celle de l'uniforme de la police, avec toute l'autorité qu'il doit symboliser. Vous travaillez à un cadre légal à partir d'un cahier des charges, vous testez, enfin, vous faites tester – heureusement, car vous faites déjà beaucoup de choses! – la qualité du tissu de l'équipement. C'est aussi essentiel, car il s'agit d'un signe de respect pour ceux qui le porteront. Au vu de toutes les priorités qui doivent être atteintes, l'aspect budgétaire aura également toute son importance. Par conséquent, il ne faut pas mettre en œuvre ce projet sans se doter de moyens sérieux et respectueux de ceux qui doivent agir quotidiennement pour la sécurité de nos concitoyens. Encore merci!

Een strengere begeleiding van betogingen
De vraag van de ACOD om een parlementaire onderzoek naar mogelijk buitensporig politiegeweld
Begeleiding en onderzoek naar politieoptreden bij betogingen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister benadrukt strengere *voorbereidende* maatregelen voor betogingen, zoals betere risicoanalyses via inlichtingendiensten (Veiligheid van de Staat, OCAD) om extremistische dreigingen en verstoringen proactief in kaart te brengen, zonder het recht op protest aan te tasten—proportionaliteit en wettelijk kader blijven centraal. Kritische politiegetuigenissen (o.a. ACOD over geweldpleging door collega’s bij betogingen) worden doorgeschoven naar Comité P en tuchtprocedures, met een oproep om klokkenluidersregeling te gebruiken; de minister wijst publiek debat af tot na onderzoek. Vandemaele waarschuwt dat herhaalde interne politiecritiek over disproportioneel geweld (inclusief waterkanongebruik) het vertrouwen in veiligheidsdiensten ondermijnt, en dringt aan op interne correctie om escalatie te voorkomen. Meuleman bevestigt dat de focus ligt op preventie (informatie-uitwisseling), niet op aanpassingen in *terreinoptreden*.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, u hebt recent verklaard dat u de politie hebt gevraagd om strengere begeleidende maatregelen te overwegen bij toekomstige manifestaties, naar aanleiding van de schade die is aangericht bij de grote nationale actiedag in Brussel. Ook wilt u de politie beter laten anticiperen op eventuele risico’s.

Daarbij heb ik toch een aantal vragen.

Kunt u nader toelichten wat u verstaat onder strengere begeleidende maatregelen? Welke specifieke acties of protocollen denkt u dat de politie moet implementeren om de veiligheid tijdens toekomstige betogingen te waarborgen?

Ook vraag ik mij af hoe u garandeert dat die maatregelen geen afbreuk doen aan het recht op vrije meningsuiting en het recht om te betogen. Welke mechanismen zorgen ervoor dat de politie de grenzen van die rechten respecteert tijdens haar optreden?

Hoe denkt u dat de effectiviteit van die nieuwe maatregelen zal worden geëvalueerd? Welke criteria zullen gehanteerd worden om te bepalen of de strengere begeleiding daadwerkelijk de veiligheid verbetert?

Alvast bedankt voor uw antwoord.

Matti Vandemaele:

Mijn vraag is toch redelijk anders van insteek. Misschien is de samenvoeging niet geheel correct verlopen.

Ik wil het graag met u hebben over een artikel in De Standaard waarin de politievakbond ACOD zelf vraagt om een aantal politieacties nader te onderzoeken. Het gaat over drie interventies: de Flotilla-betoging op 2 oktober, de nationale staking van 14 oktober en de uitzetting van 50 mensen zonder papieren op 17 oktober.

De ACOD-leden geven aan dat er flagrante schendingen zijn van de interventieregels. Ik citeer: " Er waren agenten die mensen op het hoofd sloegen, tot bloedens toe, agenten die vrouwen en kinderen in de rug sloegen en agenten die vreedzame betogers behandelen als vijanden, niet als burgers". Dat zijn citaten van agenten zelf. Ze komen dus niet van burgers die slachtoffer zijn geworden, maar van agenten die spreken over het werk van hun eigen collega’s. De vakbond geeft aan dat sommige leden vinden dat de acties niet aanvaardbaar zijn en dat de agenten in kwestie publiekelijk niet durven te getuigen.

De suggestie van het ACOD was om een publiek moment in het Parlement te organiseren, waar die agenten hun verhaal wel zouden kunnen doen. Ik vroeg mij af hoe u tegenover die suggestie staat. Of vindt u dat dit het werk is van het Comité P, dat al een vijftigtal klachten over die specifieke interventies heeft ontvangen?

Ten tweede, welke maatregelen zult u nemen opdat agenten dergelijke getuigenissen niet meer hoeven af te leggen, en ze zich gewoon aan de regels houden en proportioneel handelen? Hoe komt het dat agenten dit doen? Eigenlijk begrijp ik na het actualiteitsdebat wel dat agenten niet meer publiekelijk kritisch durven te zijn over de orders die ze krijgen of over wat er tijdens hun interventies gebeurt.

Bernard Quintin:

In het kader van de evenementen waarnaar u verwijst, werden verschillende klachten bij het Comité P ingediend. Het Comité P zal, zoals altijd, elke klacht onderzoeken. Het Comité P hangt af van het Parlement.

Het lijkt voorbarig om de incidenten te becommentariëren zonder de conclusies van de lopende onderzoeken naar aanleiding van die klachten te kennen. Wanneer een klacht strafbare feiten bevat, zoals slagen en verwondingen, ga ik ervan uit dat die aan het bevoegde parket overgemaakt wordt. De conclusies van de voornoemde onderzoeken kunnen, desgevallend, ook ter kennis worden gebracht van de tuchtrechtelijke overheden van de betrokken politieleden, die eventueel begeleidende maatregelen, ordemaatregelen of tuchtmaatregelen kunnen nemen of laten nemen.

Ik ben ter zake overigens zelf niet noodzakelijk bevoegd. Het is een deontologische verplichting voor politiemensen om strafrechtelijke feiten te melden, en zelfs een wettelijke verplichting. Ik nodig de eventuele politionele getuigen en hun hiërarchieën dan ook uit om hun beroepsplichten in deze zaak na te blijven leven.

Indien bijzondere redenen dit proces bemoeilijken, kan men van de klokkenluidersregeling gebruikmaken. U hebt gehoord dat ik veel belang aan die regeling hecht.

De strengere begeleidende maatregelen, waar ik in mijn antwoord van 21 oktober naar verwees, hebben voornamelijk betrekking op de voorbereiding van manifestaties door de veiligheidsdiensten.

Ik wijs op het belang van de informatiepositie van de verschillende diensten. Het is aan de intelwerking van de lokale zones, maar zeker ook aan de dienst binnen de federale politie die groeperingen opvolgt en aan de Veiligheid van de Staat en het OCAD om waar mogelijk nuttige informatie aan te leveren met betrekking tot extremistische tendensen of aangekondigde verstoringen van de openbare orde in het kader van manifestaties. Dat moet toelaten voorafgaand aan een evenement een betere risicoanalyse te maken.

Op basis van de dreigingselementen moeten de politiediensten zich voorbereiden om specifieke doelwitten beter te beschermen of, wanneer de informatie over de dreiging algemener is, langs het traject van een manifestatie in de gepaste reserve- en interventiecapaciteit te voorzien.

De federale politie handelt binnen het bestaande wettelijke kader en het principe van het genegotieerde beheer van de publieke ruimte. De federale politie past dit, zodra beslist, loyaal toe via een risicoanalyse en informatiegestuurde inzet, inclusief OSINT binnen de wettelijke grenzen en de ondersteuning van de lokale politiezones.

De federale politie waarborgt daarbij steeds de proportionaliteit, subsidiariteit en noodwendigheid van haar optreden, zodat het recht op vrije meningsuiting en het recht om te betogen volledig gerespecteerd blijven, zoals vanavond in Sint-Gillis.

Brent Meuleman:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik begrijp uit uw antwoord dat u met de begeleidende maatregelen vooral doelt op het voorbereidende werk: dat men beter zal proberen in kaart te brengen of er signalen zijn rond bepaalde extremistische groeperingen, dat men de risico’s beter en grondiger in beeld wil brengen en dat u het eigenlijk niet hebt over het optreden op het moment zelf, op het terrein.

Vandaar dat ik die vraag gesteld had over welke protocollen gehanteerd zullen worden en hoe we daar op het terrein mee zullen omgaan. Ik begrijp uit uw antwoord dat het gaat over het vooraf beter in kaart brengen en op die manier anticiperen.

Ik dank u voor uw antwoord.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik hoor de laatste tijd geregeld getuigenissen van omstaanders, van betogers, maar nu dus ook van agenten zelf. Het gaat dan over deze drie cases, maar straks is er nog een vraag over de bedieners van het waterkanon, die eigenlijk hetzelfde aangeven, die zeggen dat hun acties niet langer proportioneel zijn. We krijgen veel dergelijke signalen. Er worden veel klachten ingediend bij het Comité P. De politie moet daarmee intern aan de slag. Wij moeten hier niet de rechtbank zijn voor dergelijke politieoptredens, zeker niet. Het is echter wel belangrijk dat onze veiligheidsdiensten hun werk goed kunnen uitvoeren en daarvoor het nodige respect krijgen van omstaanders en betogers. Wanneer dergelijke kritieken publiek worden, met opmerkingen als dat zij zelf de wet niet volgen en niet meer proportioneel aan de slag zijn, kan er, mocht deze tendens zich voortzetten, een probleem ontstaan. En dan zijn we verder af dan ooit. Ik hoop dan ook dat de politie deze oefening intern ten gronde doet, zodat we dergelijke uithalen in de media niet langer hoeven te lezen, omdat de situatie op het terrein verbetert.

Bijklussende agenten
De nevenactiviteiten bij de politie en de integriteitsrisico’s
Nevenactiviteiten door personeelsleden van onze politiediensten
Nevenactiviteiten en integriteitsrisico's bij politiepersoneel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de aanscherping van regels voor nevenactiviteiten van politieagenten, na kritiek van GRECO op ontoereikende Belgische controles en signalen van belangenconflicten, beschikbaarheidsproblemen en integriteitsrisico’s. Minister Quintin kondigt een herziene omzendbrief aan (finale bespreking eerste trimester 2026), met centrale registratie van bijjobs en strengere toetsing, maar geen uitbreiding van verboden beroepen—focus ligt op transparantie en evenwicht tussen individuele vrijheid en operationele integriteit. Kernpunten van spanning: Vandemaele hamert op misbruik door topkaders (kennisverkoop aan politie zelf) en eist gelijke regels voor alle rangen, terwijl De Vreese en Depoortere expertisevaloriserende nevenactiviteiten (bv. handboeken) verdedigen, mits primair plichtvervulling gegarandeerd blijft. Cijfergebrek en trage implementatie (pas 2026) blijven knelpunten.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, afgelopen zomer was er veel te doen over flexi-jobbende agenten. We hebben ook opmerkingen van GRECO ontvangen over bijklussende agenten. U hebt daarop aangegeven de regels te zullen aanscherpen.

Wanneer komen die aangescherpte regels? Met wie zult u daarover overleggen? Welke bijsturingen voorziet u? Hoe zorgen we ervoor dat die aanscherping niet alleen geldt voor de gewone agent in de straat?

Ik heb ook een schriftelijke vraag ingediend over de top van de politie die bijklust, bij uitgeverijen en politiescholen, soms ook binnen de werkuren. Als het gaat over bijklussende agenten, moeten we bijgevolg kijken naar politieambtenaren op alle niveaus, maar dat zult u wellicht in uw antwoord bevestigen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, u hebt aangekondigd dat u binnenkort een nota voorlegt die de bestaande regels rond nevenactiviteiten voor agenten aanscherpt. U reageert daarmee op de bezorgdheid over de stijging van het aantal bijklussende agenten. Uit uw eigen cijfers blijkt dat momenteel bijna 650 agenten van de federale politie een bijbaan hebben. Slechts een twaalftal aanvragen wordt jaarlijks geweigerd. Die situatie staat in schril contrast met het verleden, toen bijklussen nog de uitzondering was.

GRECO, het Europese anticorruptieorgaan, waarschuwde al in 2020 dat de Belgische regels ontoereikend zijn. Het rapport vermeldt zelfs een vechtpartij tussen politieagenten omdat de verlenging van de diensturen de uitvoering van een nevenactiviteit in de weg stond. Dat kan zeker niet de bedoeling zijn. Recente cijfers tonen dat ziekteverzuim en afwezigheden de operationele capaciteit van de politie onder druk zetten. Tegelijk is het aantal nevenactiviteiten bij agenten toegenomen, met signalen dat bijjobs kunnen botsen met werktijden en beschikbaarheid, zoals ook door GRECO werd gesignaleerd.

In afwachting van uw aangekondigde nota en met het oog op transparante criteria en effectieve controle, wil ik u vragen wanneer de aangekondigde nota zal verschijnen. Wat zal er concreet worden aangescherpt?

Hoeveel lokale politieagenten klussen bij? Zijn er verschillen tussen de zones? Zijn er gevallen bekend waarbij nevenactiviteiten hebben geleid tot operationele problemen, beschikbaarheidsproblemen of integriteitsschendingen? Welke maatregelen worden dan genomen?

Is er een verband vastgesteld tussen het uitoefenen van nevenactiviteiten en absenteïsme of vermoeidheidsproblemen?

Hoe verhoudt uw nota zich tot de GRECO-aanbevelingen over transparante criteria, effectieve controle en periodieke integriteitsscreenings?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik sluit mij volledig aan bij de vraag van mevrouw De Vreese, iets minder bij de vraag van de heer Vandemaele.

Mijnheer Vandemaele, u maakt er een amalgaam van en spreekt over politieagenten die vanuit hun expertise handboeken schrijven voor collega’s. Ik zie daar weinig graten in. Integendeel, ik vind dat een positieve zaak.

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat specifiek over het aantal politieagenten dat een bij- of nevenjob heeft. Blijkbaar is dat een toenemende trend. U hebt inderdaad laten uitschijnen dat de regels zouden worden verstrengd. Het lijkt daarom logisch om vanuit beleidsoogpunt na te gaan waarom politieagenten moeten bijklussen. Ook dat aspect heeft namelijk te maken met de aantrekkelijkheid van het beroep. Ik ben verheugd dat u daaraan in december aandacht zult besteden. Naar mijn mening is het een uitwas. Blijkbaar zijn er politieagenten die het nodig vinden om een bijjob of nevenjob uit te voeren.

Wat bent u concreet van plan inzake de verstrenging van de regels?

Hoeveel federale en lokale politieagenten hebben momenteel een of meerdere nevenactiviteiten?

Welke mechanismen bestaan er momenteel om belangenconflicten te beheren? Hoe beoordeelt u die procedure en hoe wordt de opvolging georganiseerd?

Hoe verklaart u de evolutie van het aantal agenten dat een nevenactiviteit uitoefent? Acht u het wenselijk dat politieagenten nevenactiviteiten uitvoeren of moeten uitvoeren?

Bernard Quintin:

Dames en heren volksvertegenwoordigers, ik wil vooraf benadrukken dat het debat over cumul- en nevenactiviteiten veel ruimer is dan alleen de politie. Het gaat om een kwestie van governance, integriteit en transparantie die in tal van sectoren speelt, ook binnen de openbare besturen en het verenigingsleven, en volkomen terecht in de discussie over publieke mandaten zelf.

Dat debat moet op een serene manier kunnen worden gevoerd, zonder stigmatisering en met aandacht voor twee noodzakelijke uitgangspunten. Ten eerste, we moeten de integriteit en de beschikbaarheid van de openbare dienst waarborgen. Ten tweede, we moeten iedereen de mogelijkheid bieden om een nevenactiviteit uit te oefenen wanneer die de opdracht of de geloofwaardigheid van de dienst niet schaadt. In die geest van evenwicht en proportionaliteit werd de herziening van de regels inzake nevenactiviteiten binnen de geïntegreerde politie opgestart.

De bij artikel 134 van de Wet op de Geïntegreerde Politie voorziene regeling voor de nevenactiviteiten van personeelsleden van de politiediensten werden in 2018 aangepast van een absolute verbod, tenzij toestemming, naar het principe van toestemming, tenzij verboden. Die wettelijke regeling werd nadien geëxpliciteerd in een ministeriële omzendbrief. Die omzendbrief is, mede in het licht van de aanbevelingen van GRECO, de Group of States against Corruption, aan herziening toe.

Daarvoor werd een paritaire technische werkgroep opgericht waarin een eerste ontwerp werd besproken voor de personeelsleden van het operationeel kader. Dat ontwerp is geagendeerd voor de finale bespreking in het eerste trimester van 2026. Nadien volgt een aangepaste omzendbrief voor de personeelsleden van het administratief en logistiek kader.

In het voorontwerp van omzendbrief wordt expliciet voorzien in een unieke registratie in de bestaande HR-systemen, waardoor statistieken die vandaag niet centraal beschikbaar zijn, in de toekomst wel kunnen worden gefaciliteerd. De huidige versnippering van informatie, onder meer door het ontbreken van één enkel registratiesysteem, laat vandaag geen nauwkeurige monitoring of risicoanalyse toe. Ik kan dus niet op de specifieke vragen over cijfers antwoorden.

Met de uniforme registratie creëren we voor het eerst een betrouwbaar databeeld, dat noodzakelijk is om trends te volgen, beleidskeuzes te onderbouwen en eventuele knelpunten tijdig te detecteren.

Er zijn geen officiële gegevens beschikbaar met betrekking tot nevenactiviteiten die geleid zou hebben tot operationele problemen, beschikbaarheidsproblemen of integriteitsschendingen. Een eventueel verband tussen het uitvoeren van nevenactiviteiten en absenteïsme of vermoeidheidsproblemen werd nog niet bestudeerd.

De nieuwe regeling voorziet in een strikte registratie en opvolging. De criteria voor het al dan niet weigeren van de aangevraagde nevenactiviteit worden geëxpliciteerd, waardoor beslissingen worden geobjectiveerd.

Het is niet de bedoeling om de lijst van beroepen die als onverenigbaar met de politiefunctie worden beschouwd uit te breiden. De algemene verbodsbepalingen, naast deze die reeds expliciet in de bijzondere wetgeving werden opgenomen, laten voldoende mogelijkheden om een juist evenwicht te vinden tussen de risico's voor de organisatie en het individueel recht op arbeid in de privésfeer.

Matti Vandemaele:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. U zegt te beginnen met het operationeel kader en daarna uit te breiden naar het logistiek en administratief personeel. Voor mij is het belangrijk dat het gaat over iedereen die in onze politieorganisatie actief is, in een lokaal korps, bij de federale politie, als CALog of als agent. Het kader moet duidelijk zijn voor iedereen. Als de regeling alleen beperkt wordt tot de agenten in de straat, zullen er vodden van komen.

U zegt dat u geen weet of geen info hebt over de operationele problemen. U gaat vaak op het terrein. Als u op het terrein komt, wordt u daar normaal gezien vrij snel over aangesproken. Ik kan mij niet inbeelden dat u niet op de hoogte zou zijn van bepaalde uitwassen die vandaag bestaan.

Mijnheer Depoortere, ik heb geen probleem met het feit dat de kennis die binnen de politie wordt opgebouwd, ingezet wordt bij de politie. Uiteraard niet, het zou te gek voor woorden zijn dat ik daar tegen ben. Het gaat er mij om dat een aantal topmensen bij onze politie de kennis die ze opdoen binnen hun uren, op kosten van de belastingbetaler, vermarkten aan externen – daar kan ik nog enigszins mee leven – maar ook aan de politie zelf. Dat laatste vind ik bijzonder lastig. Zeker in tijden van krapte moeten we ervoor zorgen dat ons belastinggeld niet op die manier wordt misbruikt. Ik zal de vinger op die wonde blijven leggen. Ik kijk dan ook hoopvol uit naar het antwoord dat de minister mij daarover binnenkort zal bezorgen.

Maaike De Vreese:

Wanneer men een boek schrijft, spendeert men daar heel veel uren vrije tijd aan. Ik moet zeggen, als men dan bekijkt wat men daarvan overhoudt – ik spreek trouwens uit ervaring – moet men concluderen dat men dat niet moet doen om het grote geld te verdienen. Ik vind het dan ook schandelijk om die mensen op die wijze aan de schandpaal te nagelen, collega Vandemaele.

Ik ben eerlijk gezegd blij dat er mensen zijn die net een extra inspanning leveren ten dienste van of ten gunste van de federale politie of van de politiediensten, die hun kennis op papier zetten en daar heel wat tijd in steken en verder onderzoek en research doen. Als zij na hun werkuren misschien nog een klein beetje aan die inspanning kunnen verdienen, dan mag dat toch wel?

Mijnheer de minister, ik denk dat er een mooi evenwicht moet worden gevonden. Mensen die bij de politie werken, moeten namelijk hun job op de eerste plaats stellen. Het mag inderdaad niet ten koste gaan van bepaalde diensten die zij moeten uitvoeren. Er mogen absoluut duidelijke regels worden opgemaakt. De integriteit en de beschikbaarheid mogen ook niet in het gedrang komen. Dat is eveneens zeer belangrijk.

Ik zie ook bij andere overheidsdiensten dat zij op dezelfde manier zulke denkoefeningen moeten maken. Dat hoeft geen negatieve oefening te zijn, maar wel een correcte oefening ten aanzien van collega’s die bijvoorbeeld niet flexi-jobben. Ik ben benieuwd naar de nota waarmee u binnenkort komt.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, eerst en vooral begrijp ik dat er een evenwicht moet worden gevonden en behouden tussen de integriteit van het ambt, die bijzonder belangrijk is voor de politie, en de nevenactiviteiten die moeten kunnen plaatsvinden. Dat evenwicht moet dus worden bewaard. Ik begrijp dat u wacht op de Europese werkgroep die daarover een nieuw rapport zal opstellen in 2026. Het verbaast me daarentegen ten zeerste dat men geen enkel gegeven heeft bijgehouden over de afgelopen jaren. Men weet zelfs niet of er een invloed is op de operationele capaciteiten, op burn-outs, op thuiswerk enzovoort. Dat is onvoorstelbaar in deze tijden, waarin bijna iedere burger door big brother in de gaten wordt gehouden. Dat blijkt bij de politie absoluut niet te bestaan. Ik ben verheugd en kijk alleszins uit naar de nieuwe registratie die men uniform wil maken. Ik hoop dat dat niet op de lange baan wordt geschoven. Ik distantieer me nogmaals van het discours van de heer Vandemaele. Links wijst graag met een belerend vingertje naar iedereen. Men moet de expertise van politieambtenaren gebruiken. Ik ben zeer blij dat dat ook gebeurt. Laat men dat maar blijven doen, net zoals een professor die tewerk is gesteld aan een universiteit zijn of haar expertise gebruikt en daar boeken over schrijft die soms veel meer in de markt worden gezet, mijnheer Vandemaele, dan sommige politieambtenaren, die daar veel werk in steken, maar er meestal niet te veel geld aan overhouden.

Israëlische leveranciers van software bij de politie

Gesteld door

Groen Matti Vandemaele

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volksvertegenwoordiger Matti Vandemaele dringt aan op transparantie over het gebruik van Israëlische software door de federale politie en politie Antwerpen, benadrukkend dat parlementair toezicht essentieel is om wettelijkheid te garanderen, maar aanvaardt vertrouwelijke inzage achter gesloten deuren. Minister Bernard Quintin bevestigt dat openbaarmaking operationele risico’s met zich meebrengt, maar belooft een beveiligde, vertrouwelijke oplossing (bv. besloten raadpleging) om toezicht en veiligheid te verzoenen. Beide partijen vinden elkaar in de noodzaak van gecontroleerde transparantie zonder publiekelijke blootstelling van gevoelige gegevens. De minister toont zich coöperatief om praktische afspraken te maken.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, uw collega mevrouw De Vreese heeft u enige tijd geleden vervangen en heeft toen het persoonlijk feit in de commissie geïntroduceerd. Ik gaf aan dat dat helemaal niet bestond, maar het secretariaat heeft toen aangegeven dat het wel bestond. Ik zal er uiteraard niet over doorzeuren, maar ik ben blij dat we terugkeren naar de oude gebruiken, mevrouw De Vreese. Ik denk dat het ook beter is dat we dat niet doen.

Over mijn vraag, mijnheer de minister. Ik heb reeds meerdere malen schriftelijke vragen gesteld over Israëlische software die werd of wordt gebruikt bij de federale politie en bij de politie Antwerpen. Ik begrijp dat u die informatie niet publiek wilt delen, ik heb daar alle begrip voor. Als federaal volksvertegenwoordiger is het echter mijn taak om controle uit te oefenen op de regering en op de uitvoering van uw bevoegdheden. Daarom zou ik die informatie graag ontvangen. Ik zoek naar een legale manier om te achterhalen welke software van Israëlische makelij onze veiligheidsdiensten gebruiken, specifiek in Antwerpen. Als u die info niet publiek wilt vrijgeven, kan dat voor mij achter gesloten deuren. Het kan bijvoorbeeld in een document dat wij mogen raadplegen, met iemand aanwezig om te controleren dat wij niets kopiëren. Dat is voor mij acceptabel. Het is belangrijk dat wij als volksvertegenwoordigers weten welke technologie wordt gebruikt door onze veiligheidsdiensten en of die in lijn is met de geldende wetgeving. Mijn vraag vloeit voort uit het feit dat ik daaraan twijfel. Ik hoor immers dat sommigen beweren dat er geen problemen zijn, maar enkel horen is voor mij onvoldoende. Ik wil dat op een correcte manier controleren, zodat bijsturing mogelijk is indien nodig.

Mijn vraag is dan ook heel eenvoudig, mijnheer de minister. Bent u bereid ons te helpen, zodat wij als parlementsleden die informatie, achter gesloten deuren of bij raadpleging, op een of andere manier kunnen verkrijgen om ons werk correct uit te voeren?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, ik begrijp uw bezorgdheid over transparantie en het democratisch toezicht op de technologieën die door onze politiediensten worden gebruikt. Die vragen zijn terecht en belangrijk in een democratische rechtsstaat. De politiediensten beroepen zich echter op operationele en tactische redenen om niet alle gedetailleerde informatie over de gebruikte technologieën en leveranciers publiekelijk bekend te maken. Het openbaar maken van dergelijke gegevens in het kader van parlementaire vragen, die publiek toegankelijk zijn en dat moeten blijven, kan gevoelige informatie blootstellen aan kwaadwillige actoren, waaronder criminele organisaties. Dat zou de doeltreffendheid van onderzoeken en de veiligheid van onze agenten in gevaar kunnen brengen.

Dat neemt niet weg dat ik uw standpunt over parlementaire controle deel. Ik ben daarom bereid te onderzoeken hoe die informatie op een vertrouwelijke manier beschikbaar kan worden gesteld, bijvoorbeeld via een besloten inzage of een beveiligde consultatie voor parlementsleden. Op die manier kan transparantie worden verzoend met de bescherming van operationele belangen.

Ik blijf beschikbaar om samen met u de praktische modaliteiten van die inzage te bespreken.

Matti Vandemaele:

U bent met dat antwoord nog een beetje meer mijn favoriete minister geworden.

De strijd tegen de drugshandel
Het Lemmensplein in Anderlecht, de drugsbendes en het straatgeweld
De bedreiging van magistraten en hun bescherming tegen het drugsmilieu
De war on drugs
De federale reserve en het drugsgeweld in Brussel
De war on drugs in de Antwerpse haven
De inzet van het leger in de strijd tegen het geweld
De strijd tegen de door drugshandel veroorzaakte onveiligheid
De crisis bij de versterkingsreserve van de federale politie in Brussel-Zuid
Drugsgerelateerd geweld en criminaliteit in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de escalerende dreiging van georganiseerde drugscriminaliteit en narcoterrorisme in België, met name in Brussel en Antwerpen, waar sprake is van corruptie, geweld en een dreigende "narco-staat". Parlementsleden kritiseren het gebrek aan middelen, coördinatie en concrete actie ondanks beloftes zoals het *Plan Grandes Villes*, een *taskforce* en een drugsfonds (nog in opbouw), terwijl magistraten en politieagenten bedreigd, onderbemand en gedemotiveerd zijn door onvoldoende operationele steun (bv. gebrek aan toegang tot FOCUS, slechte patrouille-afspraken). Minister Quintin benadrukt versterkte politie-inzet (gemengde patrouilles met defensie tegen eind 2025), technologische investeringen (cameranetwerk, ANPR, MonFin) en internationale samenwerking (MAOC, Panama), maar erkent dat structurele oplossingen (zoals conteneurscans in Antwerpen, waar 96% van de cocaïne binnenkomt) vertraging oplopen door budgettaire en logistieke knelpunten. Kritiek blijft op de traagheid, gebrek aan transparantie en de nood aan een integrale aanpak (preventie, repressie, gezondheidszorg) om het vertrouwen in de overheid te herstellen.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, à de très nombreuses reprises, je vous ai interrogés, vous et votre prédécesseuse, face à un mal qui ronge tout notre pays: le narcotrafic et ses conséquences sur notre État de droit et notre société. Je vous ai notamment interpellés sur les besoins de renforts urgents à la police judiciaire de Charleroi et, plus globalement, à la police fédérale, où l'on compte par milliers le manque d'enquêteurs.

"Nous sommes confrontés à une menace organisée qui sape nos institutions" a dernièrement écrit une juge d'instruction anversoise, dans une lettre publiée, anonymement, sur le site des cours et tribunaux de Belgique. Elle dénonce la montée en puissance des narcotrafiquants, en particulier à Anvers. La magistrate a, elle-même, déjà dû vivre quatre mois sous surveillance après avoir reçu des menaces de trafiquants de drogue. Pour cette juge d'instruction anversoise, les caractéristiques d'un narco-État sont désormais présentes chez nous: économie illégale, corruption et violence.

À l'heure où certains aimeraient pointer uniquement la capitale du doigt, l'État doit s'attaquer à cette évolution inquiétante de la criminalité organisée à l'échelle nationale, en renforçant réellement la police fédérale et la justice, mais aussi la santé publique. Le budget de l'Arizona ne le permet cependant pas. Pas encore, en tout cas.

Monsieur le ministre, avec votre collègue chargée de la Justice, comment réagissez-vous à cette lettre ouverte? Quelles actions concrètes comptez-vous prendre pour renforcer les appareils policiers et judiciaires dans notre pays? Que prévoyez-vous face aux risques liés à la corruption?

Le budget 2026 de l'Arizona patine. Qu'avez-vous demandé comme budget pour renforcer votre SPF dans ce cadre? Qu'en est-il d'un fonds "CrimOrg", proposé via une proposition de loi par mon groupe depuis des années?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, wij moeten niet enkel in Brussel, maar ook op andere plaatsen strijd tegen drugs voeren. Vandaar mijn drie vragen.

Ten eerste, drugsbendes zijn de baas op het Alphonse Lemmensplein in Anderlecht, een plein dat u wellicht niet onbekend is, met straatgeweld tot gevolg. Controles door bijvoorbeeld Parking.Brussels blijven achterwege wegens intimidatie en agressie. Er is sprake van structurele drugshandel, vernieling van infrastructuur en gerichte sabotage van de verlichting. Kortom, het is een place not to be . Daarom moeten wij daar iets tegenover durven te stellen. Het mag geen zone worden zonder wetten of regels. Dat wordt ook bevestigd door uw partijgenote en schepen in Anderlecht. Hebt u kennis kunnen nemen van de schrijnende onveiligheidsproblematiek?

Welke bijkomende maatregelen kunt u nemen om het Alphonse Lemmensplein en de rest van de gemeente te stabiliseren? Kan een hotspotplan worden opgelegd in samenwerking met andere diensten en overheden? Werden er reeds afspraken gemaakt met de politie en het parket met het oog op een lik-op-stukbeleid?

Er zou sprake zijn van een structurele onderbezetting bij interventie en recherche ter plaatse. Kan ter zake soelaas worden geboden door detacheringen of bijkomende budgetten? Hoelang duurt het nog – dit is een politieke vraag – vooraleer er een eengemaakte politiezone in Brussel komt? Ik weet dat u daarmee bezig bent, maar het is mij niet altijd duidelijk hoe snel we die eengemaakte zone mogen verwachten.

Ten tweede – deze vragen sluiten daarop aan –, magistraten worden alsmaar vaker door georganiseerde criminelen bedreigd; zij moeten onderduiken, krijgen politiebescherming en moeten soms vanuit safehouses hun werk doen. De Antwerpse magistratuur trok reeds in een open brief aan de alarmbel en vroeg om snel uitvoerbare maatregelen.

Het kan uiteraard niet de bedoeling zijn dat magistraten in angst hun werk moeten doen of daar zelfs niet toe komen. Kunt u een vast operationeel aanspreekpunt bij de FOD Binnenlandse Zaken of de federale politie voor bedreigingen van magistraten oprichten?

Hoe verloopt een en ander, indien een magistraat zich bedreigd voelt? Bij wie moet hij aankloppen? Kan hij daar op een adequate en snelle manier geholpen worden?

Het is wellicht ook nuttig om te weten of het een wijdverbreid fenomeen is. Met andere woorden, waren de voorbije jaren wel meer magistraten het slachtoffer dan wel of het een recent verschijnsel is? Mijn buikgevoel zegt dat de bedreigingen alleen maar toenemen, maar ik beschik niet over concrete cijfers.

Hoe wordt informatie bij het OCAD, de politie en het parket gedeeld om de georganiseerde drugscriminaliteit en het narcoterrorisme gezamenlijk aan te pakken?

Ik heb, ten slotte, nog een politiek geïnspireerde vraag. Hoe staat het nu met het plan om het leger in te zetten in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit? Minister Francken kondigde aan dat hij tegen april 2026 een wettelijke regeling zou uitwerken om militairen in de straten van Brussel en op andere hotspots in ons land in te zetten. Volgens de heer Vandemaele zou minister Francken naar eigen zeggen vandaag dat al voor het einde van het jaar in orde willen brengen. Hoe moeten we die inzet van militairen zien? Worden er gemengde patrouilles ingezet? Of blijft het bij afzonderlijke bevoegdheden waarbij de militairen statische bewakingsopdrachten krijgen, zodat er meer capaciteit vrijkomt voor politieagenten? Voor mij is dat allemaal niet meer duidelijk.

Als het politiek voor de parlementsleden al niet duidelijk is, hoe kan het dan duidelijk zijn op het terrein, voor onze politieagenten en onze burgers? Het is van het grootste belang dat wij als beleidsmakers, mijnheer de minister, duidelijkheid scheppen. Ik verwacht dan ook een helder antwoord daarop vandaag.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, depuis quelques mois, nous sommes plusieurs à vous interroger sur la question du trafic de drogue, ce cancer qui se propage dans nos quartiers, dans les grandes villes de Belgique. Depuis des mois, nous vous posons des questions quant aux moyens nécessaires à allouer aux services de police pour démanteler les réseaux. Si je vous interroge aujourd'hui, c'est parce que, jour après jour, les étapes sont franchies. On va encore un peu plus loin.

J'ai rédigé ma question lorsque j'ai vu – comme moi, vous l'avez vu –ce qui s'est passé à Anderlecht et lorsque j'ai vu, ce qui fait froid dans le dos, un enfant de 11 ans blessé par des tirs. Imaginons un seul instant que cet enfant ait été le nôtre! Je sais que, comme à moi, cette problématique vous tient à cœur, mais je sais aussi que, pour pouvoir résoudre le problème et trouver une solution, il faut des moyens. Il faut donner des capacités à nos services de police pour qu'ils puissent réagir.

Vous savez, comme moi, ce qui se passe aujourd'hui en Europe et en France car vous suivez l'actualité, et notamment à Marseille, où ces trafiquants et criminels sont maintenant arrivés à des méthodes d'intimidation où ils tuent les proches de militants qui combattent le trafic de drogue dans les quartiers. Vous avez suivi, comme moi, la mort de Mehdi, un innocent, dont le frère était un militant contre les trafiquants de drogue et qui cherchait une solution. Eh bien pour l'intimider, on a tué son frère.

Monsieur le ministre, en février dernier, j'avais interpellé le premier ministre avec deux questions: premièrement, qu'en est-il d'une task force pour réunir l'ensemble des forces vives de notre pays et trouver une solution pour éradiquer ce problème? Et deuxièmement, quand un Conseil des ministres européens se réunira-t-il sur la question pour s'exprimer d'une seule voix contre ces criminels et ne plus leur laisser de place dans nos quartiers?

Matti Vandemaele:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Op 12/11/2025 verscheen opnieuw een opmerkelijk artikel in de krant met getuigenissen van de agenten van de federale reserve die nu ingezet worden rond Brussel Zuid om mee te helpen met de bestrijding van de drugscriminaliteit. De kritieken die zij uiten zijn bijzonder stevig. Daarom volgende vragen:

Net zoals de kritiek die er is gekomen vanuit de agenten die het waterkanon bedienen nemen ook deze agenten hun toevlucht tot de pers. We horen dat deze agenten hun grieven altijd eerst herhaaldelijk intern hebben geuit maar niet gehoord worden. De vraag is dan ook: wat loopt er mank in de interne organisaties dat de betrokken agenten niet gehoord worden en geen andere uitweg zien dan verklaringen afleggen in de pers?

Klopt het dat er binnen de federale reserve zeer veel afwezigheid door ziekte is en dat er bij momenten tot 40 agenten in deze groep ziek zijn door afwezigheid? Wat is er gebeurd met deze vaststellingen?

De agenten geven aan dat ze de opdracht krijgen maar dat ze geen controles mogen/moeten uitvoeren, enkel patrouilleren. Ze worden uitgelachen door de dealers ter plekke, geven ze aan. Welke orders hebben deze agenten gekregen? Klopt het dat ze gevraagd werden om geen actie te nemen want dat men nu al niet meer kan volgen met PV's en verdere afhandeling?

De betrokken agenten geven ook aan dat de lokale politie sinds hun aanwezigheid verdwenen is en 'rustig zit te wachten op hun bureau tot er een incident is'. Klopt dat? Zijn er nu meer agenten of zijn de lokale agenten gewoon elders aan het werk?

De agenten verklaren dat ze zonder duidelijke briefing de straat worden opgestuurd en dat ze vanuit de zone Brussel Zuid ook geen toegang krijgen tot FOCUS, waar ze alle relevante informatie zouden kunnen vinden. Kloppen deze beweringen? En als de agenten geen toegang hebben tot FOCUS, waar halen ze de zelfde informatie dan wel?

De agenten van de Federale reserve stellen voor om met gemengde teams te werken. De agenten van de Federale reserve kunnen dan de lokale agenten beschermen tijdens hun interventies. Hoe kijkt u naar dat idee?

François De Smet:

Monsieur le ministre, en ce qui concerne le narcotrafic, je ne vous cache pas que je suis, comme certains de mes collègues, de plus en plus inquiet. En effet, pendant que les fusillades se succèdent, que notre procureur du Roi est menacé de mort, ou que la France a, en plus de son parquet national financier, décidé de se doter prochainement d'un parquet national anticriminalité organisée pour faire face à cette menace, j'ai parfois l'impression qu'une partie de nos politiques sous-estiment cette menace et tentent de cantonner cette question à des quartiers – tels que le Peterbos, Clemenceau, ou ailleurs – ou à des sujets comme la fusion des zones de police, et qu'ils ne perçoivent pas toujours la gravité de la menace.

J'avais envie de vous interroger sur un aspect précis, que je voulais vous soumettre déjà la semaine dernière, et auquel votre collègue Clarinval a répondu en séance plénière, à savoir cette déclaration du procureur général Frédéric Van Leeuw: "Lutter contre la criminalité organisée, c'est aussi toucher à la liberté d'entreprendre, parce qu'on va devoir faire plus de contrôles. Voyez le port d'Anvers, il n'y a que 0,5 % des conteneurs qui sont contrôlés, et on nous dit clairement que si on contrôle 15 % des conteneurs, Anvers va perdre des parts de marché. Si on veut vraiment lutter contre la criminalité organisée, il faudra aussi accepter de perdre des points de PIB".

J'avais pourtant espéré que le ministre Clarinval m'apporte une réponse liée à ses compétences en É conomie, mais il s'est contenté d'une réponse assez classique sur ce qui est déjà fait. Toutefois, je voudrais bien de votre part des engagements et des chiffres sur le scanning que nous pouvons attendre au port d'Anvers et le scanning réel aujourd'hui. Je voudrais dire et répéter que tant que la drogue passera dans les ports, nous aurons des tirs de kalachnikov à Bruxelles et ailleurs, avec, le cas échéant, des vies d'enfants qui seront menacées.

Quels sont les détails du Plan Grandes Villes? Où en est la task force ? Allez-vous vous concerter avec le ministre des Finances sur l'historique de scanning des conteneurs?

Enfin, ne pourrions-nous pas nous inspirer de la France, qui investit dans un nouveau parquet consacré à la lutte contre la grande criminalité? Je vous remercie.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je ne vais pas refaire l'inventaire des nombreux faits de violence qu'on a connus cet été, depuis plusieurs mois maintenant, à Bruxelles et ailleurs également. Les risques se multiplient, les incidents se multiplient encore. Mon collègue a évoqué un cas malheureux. Récemment, une école a été touchée par un impact de balle.

Monsieur le ministre, étant donné la situation, pourriez-vous faire un état des lieux de l'ensemble des mesures que vous avez déjà évoquées et annoncées à de nombreuses reprises lorsqu'on vous a interpellé, notamment en séance plénière également.

Et, de manière plus précise, mes questions portent sur la task force que vous avez décidé de mettre en place avec les compétences Justice, Finance, Santé et Intérieur, bien entendu. Quelle est la fréquence des réunions de cette task force ? Quels sont les objectifs, les moyens? Et surtout, quelles sont les actions concrètes qui en ressortent?

Quant au fonds drogue, des travaux budgétaires sont en cours. D'ici 35 jours au plus tard, nous aurons un budget pour notre pays et j'espère que, dans ce budget, il y aura les réponses à nos questions concernant le fonds drogue. Quelles seront les recettes qui y seront affectées? Comment seront-elles utilisées? Il est temps de pouvoir répondre à ces questions précises. Monsieur le ministre, que pouvez-vous nous dire actuellement des travaux budgétaires concernant ce fonds de manière spécifique?

Enfin, comme mes collègues l'ont évoqué, il faut clarifier la question des équipes mixtes avec l'armée. Cette idée se mettra-t-elle en œuvre? À partir de quand?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, la presse a récemment relayé les témoignages de policiers fédéraux de la FERES, réserve fédérale d'intervention, envoyés en renfort depuis plus d’un an dans la zone Bruxelles Midi. Ils décrivent une situation alarmante et révélatrice d’un grave dysfonctionnement. Ces policiers expliquent qu’ils patrouillent la nuit à Anderlecht, Saint-Gilles et Forest sans briefing, sans consignes opérationnelles, sans accès à l’application FOCUS, pourtant indispensable pour évaluer la dangerosité des situations, et pratiquement sans communication avec les équipes locales, qui n’interviendraient qu’en cas d’incident majeur.

Ils affirment que leur présence est devenue "de la figuration", que la zone locale leur demande de limiter les contrôles faute de capacité de suivi, et que les trafiquants le savent parfaitement.

Aussi, la FERES est trop souvent en sous-effectif pour des shifts de nuit, car un peloton entier serait en maladie. Ils expliquent ne pas comprendre pourquoi aucune patrouille mixte locale-fédérale n’est mise en place.

Enfin, la FERES formule deux propositions : Interdire l’usage des trottinettes dans certains quartiers et à certaines heures, car elles seraient utilisées par les trafiquants pour fuir, ce qui empêche toute poursuite sécurisée ; et investir dans des caméras de surveillance réellement performantes, alors que la dernière fusillade sur la place Bethléem, avec 28 coups de feu tirés, n’a fourni que des images floues.

Monsieur le ministre, au regard de l’ensemble de ces éléments rapportés par les policiers de terrain, comment justifiez-vous que des renforts fédéraux soient maintenus dans un dispositif qui semble dépourvu d’efficacité et de coordination? Avez-vous connaissance du refus de la zone Bruxelles Midi d’organiser des patrouilles mixtes avec la FERES? Quelles mesures comptez-vous prendre pour garantir que les policiers fédéraux disposent d’un cadre de travail coordonné avec les équipes locales? Comment expliquez-vous que la police fédérale ne dispose pas d’un accès à l’application FOCUS alors qu’elle est engagée dans des missions de terrain critiques? Envisagez-vous d’examiner les propositions formulées par la FERES? Le gouvernement pourrait-il envisager de conditionner les renforts fédéraux à une obligation pour la zone locale de mener une action cohérente et transparente, afin d’éviter que l’État fédéral ne serve de façade alors que le travail opérationnel ne suit pas? Le gouvernement a-t-il évalué l’impact de cette situation sur la sécurité des citoyens?

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos questions concernant la lutte contre le trafic de drogue et la criminalité organisée.

Ces questions récurrentes – comme il se doit – touchent au cœur des défis sécuritaires auxquels notre pays est confronté et méritent une réponse approfondie et détaillée, ce qui revient à dire que je serai un peu long dans ma réponse.

La lutte contre le phénomène complexe que constitue la criminalité organisée liée à la drogue nécessite une approche holistique globale et innovante, avec l'implication de tous les acteurs de la prévention, du répressif, de l'accompagnement et des soins. C'est dans cette optique globale que les moyens supplémentaires octroyés en 2024 et 2025 pour la lutte contre la drogue ont permis de financer non seulement des projets visant à améliorer l'approche répressive, mais également des projets portés par la santé publique tels que, notamment, la mise en place d'équipes de crise mobiles réunissant les acteurs policiers et le monde médical.

Mes collègues des départements de la Justice, de la Santé publique et des Finances et moi-même continuons à travailler ensemble dans ce cadre. Le Commissariat national drogue compte d'ailleurs parmi ses membres des représentants des départements de l'Intérieur, de la Justice et des Finances. Un représentant du département de la Santé publique les rejoindra également très bientôt.

Comme prévu dans l'accord de gouvernement et dans ma note de politique générale 2025, j'ai lancé le plan Grandes Villes, qui constitue l'évolution du plan Canal. Ce plan fédéral, renforcé, doit garantir une lutte active contre la criminalité organisée, plus particulièrement à Bruxelles et Anvers, les deux villes les plus affectées, mais aussi dans les autres grandes villes du pays dans lesquelles la situation tend à se dégrader.

En raison de l'augmentation des incidents liés à la drogue à Bruxelles et à Anvers, un groupe de pilotage avec une task force sur la criminalité organisée a été créé par le premier ministre début avril 2025, sur ma proposition et dans le cadre d'une approche globale.

L'exécution du plan Grandes Villes est en cours. Vous comprendrez qu'il est encore un peu tôt pour en tirer un bilan exhaustif. Néanmoins, de nombreuses opérations ont déjà été organisées avec l'objectif d'accroître la présence policière sur le terrain.

Le plan Grandes Villes s'appuie sur la méthode Clear, Hold, Build , qui comprend trois phases menées en parallèle. Clear : occuper le terrain et reprendre le contrôle des rues, des places et des parcs. Une présence forte et visible des services de sécurité est au cœur de cette approche. Hold : les services de police renforcés sont complétés par d'autres partenaires de sécurité tels que les gardiens de la paix et les travailleurs sociaux. L'objectif est de permettre à la vie sociale et économique normale de reprendre son cours. Build : la police reprend ses activités normales et des efforts sont déployés pour renforcer la résilience afin de prévenir de nouveaux actes de violence et phénomènes criminels.

Il s'agit d'une politique visant à normaliser la vie dans le quartier par l'aménagement de l'espace public, la rénovation urbaine, le soutien aux initiatives citoyennes, etc.

We kunnen slechts succes boeken via een integrale en geïntegreerde aanpak. In het plan ligt, zoals meermaals aangegeven, de nadruk op onder meer preventie, partnerschap en samenwerking, bestuurlijke handhaving, gerechtelijke aanpak, de aanwending van technologische middelen, zichtbaarheid en verschillende soorten politieacties. Kortom, het betreft een heel scala aan maatregelen. De zichtbaarste zijn uiteraard repetitieve politieacties, groot en kleinere, waarbij de federale en lokale politie samenwerken. Het Lemmensplein is een zogenaamde hotspot en is het onderwerp van de geïntegreerde en methodologische aanpak.

In verband met de aanpak van de hotspots kan ik bevestigen drie soorten repetitieve acties zijn uitgevoerd sinds september en dat die ook volgend jaar plaats zullen blijven vinden. Het betreft repetitieve full integrated police actions , FIPA. Die acties hebben een grote omvang en werken volgens het klassieke FIPA-concept, wat de inzet van de volledige lokale en federale politie betekent.

Daarnaast zijn er repetitieve kleinere acties, volgens het concept van very irritating police , zowel op het eigen terrein van de federale politie, de verbindingswegen, als in samenwerking met de lokale politie op hun actieterrein. Zo blijven we druk opvoeren op het criminele milieu.

Bovendien zijn er geïntegreerde controleacties en acties van de arrondissementele inspectiecellen gericht op het aanpakken van de illegale economie, fraude en het malafide gebruik van vennootschappen in de grote steden, acties van onder andere het type flex of BELFI, gelet op de scharnierrol van de federale politie in de strijd tegen criminele organisaties en ondermijnende criminaliteit.

Ces actions sur le terrain sont également soutenues par des investissements technologiques majeurs qui permettent une meilleure efficacité opérationnelle.

À Bruxelles, la connexion de plus de 500 caméras ANPR à la plateforme nationale sera assurée avant la fin de cette année. Depuis cet été, les quelque 10 000 caméras de la SNCB sont accessibles aux forces de l'ordre, locales comme fédérales, permettant d'intervenir dans les gares avec une meilleure connaissance de la situation.

D'ici la fin de cette année 2025, tous les systèmes de traitement de la police locale (Police Search) seront interconnectés, permettant un échange d'informations en temps réel, ce qui n'est pas encore possible aujourd'hui. L'outil MonFin, développé par la PJF du Limbourg, offrira à l'ensemble de la police intégrée une capacité centralisée et proactive de détection des entreprises potentiellement frauduleuses.

Conformément à l'accord de gouvernement, la PJF de Bruxelles a été significativement renforcée ces derniers mois. Concrètement, entre janvier et septembre 2025, les effectifs opérationnels ont été augmentés de 46 collaborateurs. Il subsiste un déficit de 46 équivalents temps plein pour atteindre la norme fixée à 762 collaborateurs, mais 56 engagements supplémentaires sont déjà réalisés ou programmés entre octobre 2025 et début 2026. Une trentaine de détachements temporaires d'enquêteurs expérimentés provenant d'autres unités déconcentrées de la police judiciaire fédérale ont également été mis en place. Il faut évidemment tenir compte du départ naturel de certains membres du personnel, mais la tendance générale est clairement positive.

Parallèlement, la capacité de la PJF d'Anvers est également en cours de renforcement. Je n'en oublie pas pour autant les autres PJF, que ce soit Charleroi ou les autres arrondissements. Toutes les polices judiciaires doivent trouver à être renforcées dans un métier qui est particulier au sein de la police.

Nous devons attaquer les organisations criminelles au niveau de leur centre de gravité, à savoir l'argent, et réinvestir une partie de l'argent criminel dans la lutte contre la narco-criminalité et plus généralement le fléau de la drogue. Ce principe est une évidence pour l'ensemble des partenaires et autorités concernées.

À cette fin, comme je vous l'avais déjà annoncé, nous allons mettre en place un fonds drogue. Un projet de cadre juridique à cette fin est déjà en cours d'élaboration par le Commissariat national drogue. Ce fonds constitue un pilier essentiel du renforcement de la lutte contre les organisations criminelles.

Afin d'assurer son efficacité, il faut tout d'abord renforcer les points critiques de la chaine, de la détection à la saisie et confiscation. Ce travail est mené par mes collègues ministres des Finances et de la Justice sous la coordination de la Commissaire nationale aux drogues.

S'agissant de la question relative à la réserve fédérale d'intervention (FERES), ses renforts nocturnes vers la zone de police Bruxelles-Midi ont été décidés au moment où des incidents par armes à feu se produisaient quasiment chaque jour sur le territoire de la zone. Ils répondent donc à un besoin sécuritaire objectif.

Premièrement, loin d'être laissée en roue libre, cette mission fait l'objet d'une évaluation mensuelle structurée, présidée par le directeur-coordinateur de la police fédérale, en présence de tous les services concernés. Les difficultés soulevées par les membres de la FERES y sont systématiquement examinées. Lorsque c'est possible, des solutions sont apportées avec un feed-back à destination desdites équipes. J'admets toutefois que certains problèmes n'ont pas encore trouvé de solution définitive; ce qui justifie de poursuivre ce travail d'ajustement.

Deuxièmement, concernant les patrouilles mixtes et le refus allégué de la zone, il n'existe aucune interdiction d'organiser des patrouilles mixtes entre la FERES et les équipes locales. Au contraire, les équipes mixtes sont expressément mentionnées comme une option opérationnelle possible, à condition qu'elles restent compatibles avec la mission de base de la FERES: notamment, la capacité d'être redéployée pour des interventions urgentes. La manière concrète de déployer les équipes FERES relève de la responsabilité de la zone de police bénéficiaire. Si des réticences locales existent quant à certains modes opératoires, elles doivent être discutées et arbitrées lors des réunions d'évaluation et des contacts entre le directeur-coordinateur et le chef de corps concerné.

S'agissant du cadre de travail coordonné avec les équipes locales, je puis vous communiquer les informations suivantes. Afin de garantir un cadre de travail coordonné, les équipes FERES reçoivent systématiquement un briefing par l'officier responsable sur place. Elles disposent à présent d'appareils Focus qui leur donnent accès à l'application de briefing de la zone. Les modalités de contrôle et de verbalisation sont définies par le bénéficiaire du soutien, conformément à la pratique, afin d'assurer notamment un équilibre entre le travail de contrôle accompli par la FERES et la charge de travail générée pour la zone. Pour l'accès aux applications Focus ou Incident, contrairement à ce qui a été suggéré, les équipes FERES disposent bien des terminaux Focus et ont accès, via ceux-ci, à l'application de briefing de la zone. En revanche, ce qui n'était pas encore le cas jusqu'à présent, c'est l'accès à l'application Incident de la zone par les équipes FERES. La zone de police Midi s'était abstenue de livrer cet accès, mais il a été convenu que ce point serait réglé à court terme.

Quant à la prise en compte des propositions émises par la FERES, celles-ci sont chaque fois discutées dans le cadre de la réunion mensuelle d'évaluation que j'ai déjà mentionnée. Certaines ont déjà conduit à des adaptations concrètes, d'autres restent soumises à la discussion.

Par ailleurs, la direction a décidé de participer activement au projet "absentéisme" de la police fédérale, s'inscrivant ainsi dans une démarche de prévention des risques psychosociaux et d'amélioration du bien-être des équipes, notamment pour une unité fortement sollicitée comme la FERES.

Le rôle de la police fédérale n'est pas d'assurer à la place des communes la détection précoce de la criminalité locale ni de compenser des lacunes structurelles dans l'organisation du travail d'information. Le rôle de la police fédérale est d'apporter un soutien ciblé et proportionné lorsque la situation l'exige, pas de se substituer aux missions de base des zones. La dimension internationale de la lutte contre le narcotrafic est essentielle à ce titre. Plusieurs initiatives concrètes ont été mises en œuvre.

Concernant le MAOC, Maritime Analysis and Operations Centre, l'agent de liaison de la police fédérale est entré en fonction en son sein le 1 er octobre 2025, ce qui implique bien entendu une période d'adaptation. Je peux vous dire, pour avoir été au Portugal pour une mission il y a quelques jours, que cette période d'adaptation aura été très courte. Il est déjà très bien intégré et le MAOC est une structure qui fonctionne assez bien. C'est vraiment très intéressant.

La mission du MAOC porte sur l'ensemble des navires, à l'exception des porte-conteneurs, et, à la différence de notre carrefour d'informations maritimes (MIC), il intègre également une surveillance des mouvements de l'aviation légère. L'objectif est de pouvoir détecter, entre l'Amérique du Sud, l'Afrique et l'Europe, les navires ou avions à risque et de transmettre l'information à nos partenaires en Belgique et, le cas échéant, à des pays tiers. Ces informations permettent notamment à des navires de marines partenaires d'intervenir en haute mer et de prévenir le déplacement des flux vers l'Afrique de l'Ouest. Cet investissement représente un bon exemple de renforcement de la coopération internationale qui est nécessaire face à ce fléau.

Comme annoncé précédemment, j'ai également ouvert des postes d'officier de liaison de la police fédérale aux Émirats arabes unis et au Panama, qui est un point de départ connu du trafic de drogue venant d'Amérique latine.

La question de la protection des magistrats menacés est une priorité absolue. En Belgique, un protocole établi existe pour assurer la protection des magistrats qui font l'objet de menaces dans l'exercice de leurs fonctions.

Ik zal niet te veel in details treden.

Lorsqu'une menace est signalée, elle est analysée par l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace (OCAM) et la police fédérale. Sur la base de cette évaluation, le Centre de crise national détermine les mesures de protection spécifiques adaptées à chaque situation.

De coördinatie in dat soort dossiers loopt goed. Samen met de minister van Justitie zal ik het kader over bedreigingen tegen ambtenaren, magistraten, journalisten of politici actualiseren en de mogelijke beschermingsmaatregelen aanscherpen.

Quant au recours à la Défense, la situation sécuritaire nécessite la prise de mesures supplémentaires en matière de surveillance et d'occupation du terrain. Comme prévu dans l'accord de gouvernement, le déploiement de la Défense se fait déjà par étapes pour la sécurisation des sites nucléaires et sera étendu à court terme aux sites sensibles tels que les ambassades.

En outre, le travail se poursuit à un rythme soutenu pour déployer les militaires en appui de la police à Bruxelles. Il s'agira dans un premier temps de patrouilles mixtes, qui permettront d'en doubler le nombre par un effet mathématique évident, tout en atteignant un autre objectif qui est celui du message politique clair. L'État est prêt à mettre en œuvre toute sa puissance contre le crime organisé et à assurer ainsi la sécurité de nos concitoyens. Mon objectif reste un premier déploiement avant la fin de l'année.

En pré-conclusion, la lutte contre la criminalité organisée et le narcotrafic demeure ma priorité absolue. Le plan stratégique de la police fédérale que j'ai récemment validé fait d'ailleurs de ces thèmes une priorité.

Le plan grandes villes que j'ai lancé représente une réponse globale, coordonnée et ambitieuse face à ce défi. Il s'appuie sur une approche multidisciplinaire impliquant tous les acteurs concernés. Je suis conscient que cette lutte nécessite de la persévérance, des moyens importants et une coordination sans faille. C'est précisément ce que nous mettons en œuvre au quotidien.

De taskforce is samengesteld uit drie ministers: de eerste minister, de minister van Justitie en ikzelf, als core . Andere ministers kunnen ook deelnemen.

Nous sommes occupés à peaufiner non seulement la méthode de travail, mais aussi tous les tableaux nécessaires pour avoir une bonne coordination entre les différents ministres du fédéral pour que toute la chaîne impliquée dans la lutte contre le crime organisé lié au trafic de drogue puisse trouver à se déployer convenablement et que chacun prenne ses responsabilités dans cette approche en chaîne.

J'ai coutume de dire que mon maillon est celui de l'ordre et de la tranquillité publique, tel que défini par la Constitution. Les maillons précédents sont ceux de l'organisation de la société: logement, emploi, santé publique, etc. Ensuite viennent les maillons de la justice qui doivent aussi trouver à être renforcés.

Concernant les conteneurs à Anvers, je serais le ministre de l'Intérieur le plus heureux si le seul point d'entrée de la drogue était cette ville. Je ne néglige pas ce point, car il est le point d'entrée principal, mais il me paraît limité de dire que c'est le seul. Il y a d'autres portes d'entrée, des aéroports, des routes. Nous sommes un pays qui a l'avantage d'être au cœur d'un continent, sans être au centre, un pays de passage.

On parle souvent du scanning des conteneurs. Je vous invite à poser la question au ministre des Finances, puisque le scanning dépend des douanes. Faut-il augmenter le scanning? Certainement. Je laisserai au procureur général la détermination du pourcentage, mais il faut toujours trouver, ici comme ailleurs, l'équilibre entre les différents intérêts. Vous pensez bien qu'en tant que ministre de la Sécurité de l'Intérieur, mon intérêt principal, c'est la sécurité et donc de faire en sorte qu'il n'y ait plus de drogue – dans un monde idéal – et certainement que le moins de drogues possible entrent via Anvers ou autres points d'entrée.

J'en profite pour dire, sur base d'expériences antérieures, que le scanning est une chose, mais qu'il est aussi très important de continuer à investir dans le screening, c'est-à-dire l'analyse, avant même que les conteneurs arrivent, afin de mieux cibler les contrôles.

Je terminerai par un feedback sur l'image que M. Chahid a utilisée, celle du cancer. C'est la bonne image. Pour combattre le cancer, surtout celui-là qui est déjà en phase de métastases, il faut s'attaquer bien sûr au cancer primaire mais aussi aux métastases. Il faut être prêt à utiliser toutes les méthodes thérapeutiques qui existent, comme on le fait dans la lutte contre le cancer, de la chirurgie à la chimiothérapie, à l'immunothérapie, etc. C'est pour cela que la task force est importante. Tout le monde doit être impliqué dans la lutte contre ce cancer.

Il faut vraiment que tout le monde se retrousse les manches, tant au fédéral que dans les entités fédérées, et tant les autorités publiques que le monde associatif. Croyez bien que je partage votre crainte qu'un jour une victime innocente soit touchée par ces fusillades, et je n'épargne pas une seconde de mon temps pour prendre toutes les mesures pour lutter de manière résolue dans ce qui est un combat difficile, que nous devons mener et dont nous devons accepter qu'il prenne encore du temps.

Éric Thiébaut:

Merci monsieur le ministre pour ces réponses très détaillées. Je me réjouis de l'annonce de la création d'un fonds drogue, que nous portions aussi depuis un certain temps. J'espère qu'il sera alimenté par les prises que l'on fait grâce aux résultats des enquêtes depuis des années, prises qui constituent des millions d'euros d'après ce que les magistrats nous avaient expliqué lors des auditions en commission Justice-Intérieur il y a quelques années.

Pour le reste, il est nécessaire d'avoir davantage de moyens pour faire face à cette crise et à ce risque de narco-État, dénoncé par une série de magistrats.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, dank voor uw omstandig antwoord. De strijd tegen drugs moet op alle fronten worden gevoerd. Ik zal uw antwoord nog eens nalezen.

Laat ik er wel enkele elementen uithalen, die mij zorgen baren. U stelt terecht dat de veiligheidsdiensten zichtbaarder moeten zijn in het straatbeeld en ik sta daar volledig achter. Tegelijkertijd verwijst u ook naar een cameranetwerk dat men over het hele land wil uitrollen. Daar ben ik dan weer een koele minnaar van. Ik pleit veel meer voor een doortastende, maar menselijke aanpak van onze veiligheidsdiensten en dat ontbreekt momenteel. Ik hoor u graag zeggen dat veiligheidsdiensten zichtbaar moeten zijn. Waarom worden die inspanningen niet volgehouden? Ik verwijs naar de razzia's van afgelopen zomer. Dergelijke acties moeten consistent worden uitgevoerd, anders is het slechts een doekje tegen het bloeden. De problematiek verschuift dan naar andere hotspots in onze hoofdstad. Het is nodig om wekelijks dergelijke razzia's te houden.

U sprak ook over de oprichting van een drugsfonds, waar ik volledig achter sta. Ook de nationale drugscommissaris vraagt daar al sinds de vorige legislatuur om en het duurt te lang, voor daar schot in de zaak komt. We hadden allang werk moeten maken van zo'n drugsfonds om het systeem van follow the money in de praktijk te brengen.

Op mijn vraag over de bedreiging van magistraten hebt u niet uitgebreid geantwoord. Dat hangt waarschijnlijk samen met de beveiligingstoestand en de opgelegde vertrouwelijkheid van politie- en beveiligingsdiensten daaromtrent. Uit uw antwoord leid ik wel af dat de beschermingsmaatregelen zullen worden aangescherpt, omdat het fenomeen aan kracht wint. Ik hoop vooral dat er geen slachtoffers vallen, vooraleer men hier de urgentie van inziet. Niet alleen magistraten verdienen bescherming, maar ook personen die andere openbare functies vervullen, zoals journalisten en advocaten.

Wat de inzet van het leger betreft, u maakt zich sterk dat het gaat om gemengde patrouilles. Heb ik dat correct begrepen, mijnheer de minister? Ik betwijfel, samen met heel wat politiemensen, of dat in de praktijk wel goed zal werken. Militairen genieten een andere opleiding dan onze politiemensen. Politiemensen staan in voor de openbare orde. Ik vind het wel een goede zaak, onze partij heeft dat ook altijd gesteund, dat militairen in het straatbeeld aanwezig zijn. Wij moeten inderdaad dat politiek signaal geven, om aan te geven dat het ons menens is. Naar aanleiding van de terrorismeaanslagen, jaren geleden, hebben we ook militairen door de straten laten patrouilleren. Dat had inderdaad een effect, want de criminaliteitscijfers zakten zienderogen. Ik hoop dat dat ook nu het effect zal zijn.

Om nu onmiddellijk dezelfde bevoegdheden van politieagenten ook aan militairen te geven, of omgekeerd, lijkt mij echter een moeilijke, praktische zaak, zeker om zo'n strategie op het terrein uit te rollen. Ik hoor nogal wat vragen rijzen over de coördinatie. Wie stuurt aan? Wie is leidinggevend? Is er een commandocentrum? Is het de lokale korpschef, die bepaalt hoe de gemengde patrouilles worden ingezet? Zo ja, waar worden die ingezet? Wat zijn de opdrachten van die gemengde patrouilles?

Terwijl we nog aan het wachten zijn op de eengemaakte politiezone in Brussel, zijn we precies al aan het lopen met de gemengde patrouilles. Ik heb daar misschien niet zoveel vertrouwen in als u. Ik hoor ook op het terrein, zeker in politiekringen, nog veel vragen daarrond. Ik hoop dat u daarin alleszins duidelijkheid kunt brengen.

Tot slot, ik hoor het u graag zeggen dat de taskforce duidelijk zijn, dat iedereen de mouwen moet opstropen en dat de strijd tegen drugs er eens is van iedereen. Dat is allemaal waar, mijnheer de minister, maar ik zie de taskforce in de praktijk niet. Ik zie geen concrete maatregelen. Het blijft wachten op resultaten. De drugsstrijd is terug van nooit weg geweest. Het wordt alleen maar erger in onze straten. Ik had gehoopt op een sense of urgency bij de taskforce. Ik had gehoopt dat de premier en u en andere ministers daar wel concretere maatregelen tegenover zouden zetten. Ik zie dat momenteel niet gebeuren. Ik hoop dat daarin alleszins verbetering komt.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Elles sont beaucoup plus précises et concrètes que ce que j'ai pu avoir jeudi dernier en séance plénière. Je vous en remercie.

Je tiens aussi à saluer les réponses en matière de renforts pour la police judiciaire fédérale, et ce qui va arriver. On sent bien que vous êtes bien impliqué dans votre fonction et que ce combat vous tient à cœur tout comme à nous.

Puisque j'ai enfin la réponse sur la task force – sur la mise en place de laquelle je n'avais pas encore reçu d'éléments nouveaux – j'ose espérer que l'ensemble du gouvernement est maintenant sur la même longueur d'onde que vous, et que vos collègues vous appuieront dans vos demandes budgétaires pour ce combat, qui doit être le nôtre.

Comme j'ai déjà pu le dire dans cette commission, je pense vraiment que dans le combat contre les trafiquants de drogues, contre le narcotrafic, il n'y a pas de majorité ni d'opposition. C'est un combat commun que nous devons mener, quel que soit le niveau de pouvoir ou la place qu'on occupe, pour défendre notre démocratie, défendre la place de l'État en Belgique; un État fort, face à ces voyous qui sont avant tout là pour tuer nos enfants, point à la ligne. Il ne faut pas chercher midi à 14 heures. Je pense vraiment qu'il faut y mettre les moyens.

Je vous remercie pour les réponses apportées. Nous continuerons évidemment à suivre avec un grand intérêt l'évolution de la mise en œuvre des différentes mesures qui seront prises. J’espère des moyens importants dans le budget 2026. Merci.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre. Nous ne doutons pas de vos engagements, et je vous sais sincère. Merci pour vos réponses sur le renforcement des effectifs sur le terrain. Je n'ai pas d'inquiétudes avec ce gouvernement sur l'aspect "rue". Je sens votre ambition.

Je reste inquiet sur la recherche de l'argent. Vous avez décrit ce qui a été fait. Nous allons voir. Je suivrai cela avec attention.

Tout de même, vous avez parfois un certain discours de relativisation sur le port d'Anvers. Vous m'avez repris en disant: "Attention, toute la cocaïne n'entre pas à Anvers." Je voudrais relever juste un chiffre: en 2023, la douane belge a saisi 121 tonnes de cocaïne dans l'ensemble du pays. Sur ces 121 tonnes, 116 ont été saisies au port d'Anvers. Ce n'est "que" 96 %. C’est quand même… Je ne fais pas de fixette sur Anvers par plaisir, mais il n'y a pas photo, entre cette voie d'entrée – malheureusement – et le reste.

Alors, oui, on saisit de la drogue ailleurs. Par exemple, en 2024, on a saisi 120 kilos de drogue à l'aéroport de Zaventem dans des colis postaux.

On saisit quelques kilos d'un côté, des tonnes de l'autre. Voilà pourquoi j'interrogerai également M. Jambon, jusqu'à ce qu'un membre du gouvernement veuille bien me répondre sur le scan actuel, le pourcentage, le résultat que vous voulez atteindre et avec quels moyens. Néanmoins, je crains quelque peu que ce renvoi de balles ne soit pas toujours à la hauteur du combat, pour lequel nous avons en effet besoin d'une union non seulement de la majorité et de l'opposition, mais surtout de tous les départements régaliens en même temps.

Je vous le répète, et ce n'est pas moi qui avais pointé le problème mais bien le procureur général, Frédéric Van Leeuw: tant que le taux de détection restera aussi faible dans cette principale voie d'entrée, nous n'arrêterons pas les tirs et les fusillades à Bruxelles. Là est le nœud du problème.

Xavier Dubois:

Merci, monsieur le ministre, pour cette réponse très détaillée. J'entends que beaucoup de choses bougent, et c'est une bonne chose, même s'il reste énormément de travail à réaliser. Pour répondre à l'interpellation du collègue De Smet concernant la nécessité de garantir une coordination et une implication de tous les membres, je citerai cet objectif de task force , et je pense qu'il est vraiment primordial que tous les départements concernés s'inscrivent dans cette dynamique. J'entends ici que la méthodologie a été définie et finalisée, de sorte qu'il faut à présent se mettre au travail et garantir cette vision, cette coordination sur l'ensemble des thématiques concernées.

Sur le fonds Drogues, je me réjouis qu'un cadre légal ait été préparé. Il me semble assez urgent de le rendre opérationnel le plus rapidement possible, d'abord en raison des besoins, mais aussi en raison des enjeux budgétaires actuels. Je pense que le moment est idéal pour proposer ce texte dès que possible, afin que nous sachions quelles sont les recettes affectées, comment seront utilisés ces moyens et comment ils seront répartis. Fixer des règles peut paraître simple, mais en l'occurrence, il s'agit de règles complexes, qui doivent faire en sorte que le département soit le mieux alimenté possible.

Concernant les patrouilles mixtes avec la Défense, j'entends votre objectif de disposer d'une première patrouille d'ici la fin de l'année, et je m'en réjouis. Cela dit, que pourra-t-elle faire? C'est une autre question. Quelles seront ses compétences? Il y aura bien entendu des effets en matière de visibilité des uniformes dans la rue, c'est une chose, mais au-delà de cela, que feront ces patrouilles?

Enfin, j'ai une suggestion à vous faire, pour éviter que la même question soit posée à de multiples reprises. Il serait peut-être intéressant de disposer d'une sorte de tableau de bord de l'ensemble des actions et projets qui figurent dans l'accord du gouvernement, et que ce tableau puisse nous être transmis régulièrement. Cela nous permettrait d'assurer un suivi régulier et concret de l'ensemble des actions.

Pour le reste, je vous remercie et je vous souhaite une excellente soirée à Saint-Gilles.

Rajae Maouane:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Comme vous l'avez dit, le rôle de la police fédérale n'est pas de se substituer aux communes, mais justement de répondre aux lacunes qui sont parfois structurelles, et d'apporter un renforcement là où c'est nécessaire.

Malheureusement, on voit souvent l'inverse aujourd'hui. On voit que l'on déploie des forces fédérales pour combler des manques sans cadre stratégique réellement réfléchi, sans stratégie commune, sans cohérence opérationnelle et sans que cela ne change réellement la situation sur le terrain. C'est ce que nous rapportent les acteurs de terrain, les habitants et habitantes, ainsi que les associations présentes sur le terrain. C'est une approche qui a un impact direct sur la sécurité des citoyens.

Je crains que l'on n'entretienne l'illusion d'une action tout en laissant les habitants continuer à en subir les conséquences. Ce que veulent les habitants et habitantes – et c'est légitime – c'est être en sécurité chez eux.

On voit aussi que des dysfonctionnements de cette nature minent la crédibilité de l'action publique. J'attends des forces de l'ordre qu'elles soient exemplaires mais il faut aussi que les autorités le soient. Il faut une action coordonnée et réfléchie, sous peine d'accumuler les frustrations tant chez les habitants que chez les policiers, ce dont rien de bon ne pourrait ressortir.

J'insiste vraiment sur le fait que, pour nous en tant qu'écologistes c'est précisément cela le plus important: garantir la sécurité des habitants et des citoyens et citoyennes et garantir aussi l'efficacité et la cohérence de l'action publique. C'est là une condition indispensable à nos yeux: restaurer la confiance entre les citoyens et les forces de l'ordre, agir dans le respect des droits et protéger la population à ce niveau-là.

Bernard Quintin:

Je vous remercie, parce qu'il s'agit d'un débat important. Je voudrais apporter quelques précisions. Je ne reviendrai pas sur Anvers – les chiffres sont là et l'on contrôle peut-être moins ailleurs. Je ne peux pas vous dire que, demain, l'aéroport de Liège concurrencera le port d'Anvers dans ce triste palmarès. Je ne me débine pas, je veux bien répondre pour la douane mais la douane n'est pas encore sous mon autorité. J'espère du reste qu'elle ne le sera pas parce que mes nuits sont déjà suffisamment courtes.

Permettez-moi un clin d'œil: j'avais noté "TF" au bout de mon papier, et j'ai repris sur la task force mais en fait je voulais parler du "tribunal financier". Je sais que c'était l'idée d'un de vos coreligionnaires, qui a de nombreuses idées qu'il n'a pas mises en œuvre quand il était à la manœuvre. Le tribunal financier français a été mis en œuvre parce qu'il n'avait pas, justement, toutes ces capacités d'enquête financière que nous avons déjà dans notre propre système.

C'est toujours une bonne chose de s'inspirer de ce qui se fait ailleurs. Je rappelle que j'ai été diplomate pendant 25 ans. Mais il faut aussi porter notre modèle quand il fonctionne bien. Nous devons renforcer ce que nous avons, plutôt que de venir chaque fois avec de nouvelles choses. Je suis bien d'accord avec vous, monsieur De Smet, quant au fait qu'il faut renforcer nos capacités. C'est l'intérêt du Commissariat national drogue, de Follow the value et de tout ce que nous mettons en œuvre.

Concernant les patrouilles mixtes – dommage que M. Dubois soit parti –, si l'on revenait sur l'économie budgétaire de 30 % sur les cabinets, je pourrais engager trois ou quatre personnes pour faire tous les tableaux qu'on me demande chaque jour, comme si j'avais besoin de tableaux pour accomplir mon travail.

Il y a beaucoup de choses à faire et, je suis d'accord avec vous, madame Maouane, c'est une question d'efficacité. Je n'habite pas à Anderlecht ou à Molenbeek, mais je n'habite pas loin et j'y vais souvent. Je n'ai qu'un seul intérêt, avec les collègues de mon cabinet et du gouvernement et la police tant locale que fédérale, c'est d'assurer la sécurité de nos concitoyens. Je pense que personne n'a de doute à ce sujet.

Il faut trouver les bonnes méthodes. Je suis de ceux qui pensent que, pour que ça marche, il faut qu'on prenne le temps de construire un système qui soit le plus structuré et le plus efficace possible. C'est la combinaison du temps très court, qui est celui de la sécurité, et du temps plutôt long d'une expérience que j'ai accumulée dans les relations internationales. J'essaie de combiner ces deux éléments, de répondre à des choses très concrètes aujourd'hui, mais, si on ne prend que des mesures de court terme, on finira par tourner en rond et on aura exactement l'effet contraire.

Quand on fait des choses qui ne fonctionnent pas et puis qu'on en essaie d'autres, si rien ne fonctionne, on ajoute finalement de la misère à la misère. C'est extrêmement dur.

Vous savez que vous pouvez compter sur moi, et je compte aussi tant sur la majorité que sur l'opposition pour que chacun joue son rôle et qu'on puisse vraiment y arriver. Je sais que ce n'est pas un message politiquement facile à porter, c'est un combat de longue durée, qui va demander des moyens. J'ai déjà reçu des moyens supplémentaires et je n'hésiterai pas à en redemander au fur et à mesure du développement des différents plans que j'ai mis sur la table, pour être certain qu'ils puissent avoir des résultats à tous les niveaux de la chaîne et dans tout le pays.

J'ai parlé du plan Grandes Villes, qui est évidemment important pour Bruxelles et Anvers, ainsi que pour les autres grandes villes. C'est aussi une manière de mettre en place un maillage pour le reste du pays. Nous ne pouvons pas négliger le fait que la Belgique est non seulement le réceptacle, à Anvers et ailleurs, de beaucoup de drogues, mais qu'elle est aussi devenue, par le biais des drogues de synthèse, singulièrement, un pays producteur et exportateur de drogue. Il convient donc d'en tenir compte. Je vous remercie de votre attention.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vais brièvement répondre à votre clin d'œil. Vous n'allez quand même pas reprocher à mon ancien collègue Michel Claise, puisque c'est à lui que vous faites allusion, de ne pas avoir créé tout seul, de ses blanches mains, lorsqu'il était juge d'instruction, un parquet national financier alors qu'à l'évidence, il incombait à l'exécutif ou au législateur de le faire. Si nous l'avons proposé avec lui, c'est par le fruit de son expérience. Encore une fois, il ne s'agit pas d'installer un nouveau bidule; mais de rassembler des compétences que l'on trouve dans les parquets Ecofin et dans d'autres instances et qui mériteraient simplement d'être réunis et de jouir d'une indépendance qui n'est pas toujours présente au sein des structures qui, pour l'instant, poursuivent le crime organisé. Voilà la simple précision que je tenais à apporter.

Het gebruik van AI door de federale gerechtelijke politie

Gesteld door

VB Alexander Van Hoecke

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt dat AI essentieel is in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit (o.a. drugshandel, cybercrime), met toepassingen zoals datanalyse, beeldherkenning en spraaktekstconversie, maar benadrukt strenge wettelijke kaders (GDPR, EVRM, toekomstige EU AI Act) en ethische principes (transparantie, menselijk toezicht). Palantir-software wordt niet gebruikt door de federale politie. Van Hoecke erkent de efficiëntiewinst van AI (bv. documentanalyse) maar waarschuwt voor privacyrisico’s, pleit voor blijvende opvolging.

Alexander Van Hoecke:

Ik verwijs naar mijn vraag zoals die schriftelijk ingediend werd.

De nieuwe topman van de Oost-Vlaamse federale gerechtelijke politie Patrick Willocx pleit in een recent interview voor de inzet van artificiële intelligentie (AI) in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit.

Hij stelt dat het gebruik van AI een belangrijke verdienste kan leveren wanneer bijvoorbeeld een grote hoeveelheid financiële gegevens geanalyseerd moeten worden. Tegelijkertijd waarschuwt hij voor de gevaren van AI. Zo ziet hij onder meer het gebruik van vervalste beelden als een bedreiging.

Verschillende politiezones zouden al een beroep doen op 'predictive police'-systemen die op basis van algoritmes proberen te voorspellen waar en wanneer misdrijven zich zullen voordoen.

In Nederland was er afgelopen zomer ophef over het gebruik van software van het Amerikaanse technologiebedrijf Palantir door de politie. Sommige critici zijn van mening dat de software ernstige risico's op het vlak van privacy met zich meebrengt.

Wat is de visie van de minister op het pleidooi om meer gebruik te maken van artificiële intelligentie in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit?

Op welke manier wordt AI vandaag al ingezet in het opsporen van (zware) criminaliteit?

Welk wettelijk kader bestaat er vandaag rond het gebruik van nieuwe AI-gestuurde technologieën door de federale gerechtelijke politie?

Wordt er ook in België gebruik gemaakt van Palantir-software door de federale gerechtelijke politie of andere instanties die onder de bevoegdheid van de minister vallen? Indien ja, door welke instanties en met welke specifieke doeleinden wordt deze software gebruikt? Hoe wordt er tegemoet gekomen aan bezorgdheden op het vlak van privacy?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, ik deel de mening dat artificiële intelligentie een belangrijke hefboom kan zijn in de strijd tegen georganiseerde en zware criminaliteit. In lijn met het regeerakkoord wordt ingezet op digitalisering en technologische innovatie binnen justitie en politie, met oog voor effectiviteit en ook rechtsstatelijke waarborgen.

AI kan het werk van de FGP aanzienlijk versterken, onder meer bij complexe dossiers, zoals internationale drugstrafiek en cybercriminaliteit. De FGP gebruikt vandaag al AI-ondersteunende tools bij de analyse van grote datasets, beeld- en wapenherkenning, vertalingen en binnenkort ook speech-to-text. Die technologieën versnellen de doorzoeking van digitaal bewijsmateriaal en helpen ook bij het detecteren van patronen binnen complexe dossiers. Daarnaast neemt de federale politie deel aan Europese initiatieven om de kennis en capaciteit te versterken.

Het gebruik van AI door politiediensten steunt op meerdere wettelijke basissen: de algemene verordening gegevensbescherming, de wet gegevensbescherming door politie en justitie, de wet op het politieambt, de wet op de geïntegreerde politie, die voorzien in proportionaliteit, doelbinding en toezicht, het EVRM en ook de Europese AI Act. Een ontwerp van wetswijziging tot actualisering van de wet op het politieambt is in voorbereiding om bijkomende, innovatieve analysetechnieken te waarborgen in België.

De federale politie beschouwt AI dan ook als een strategische prioriteit om een wendbare en efficiënte partner te zijn in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit. De visie van de politie steunt op de meerwaarde van het gebruik van AI dat de fundamentele principes bij het gebruik ervan respecteert. De visie wordt geconcretiseerd door de interne richtlijn rond het gebruik van AI op basis van een risicogebaseerde aanpak en een duidelijk proces van initiatieven binnen de federale politie.

De GPI heeft zich ook verbonden aan het federaal AI-charter voor verantwoord gebruik van AI door overheidsdiensten, gebaseerd op principes als transparantie, menselijke controle en beroepsrecht.

Tot slot kan ik in verband met de Palantir-software verwijzen naar mijn antwoord op de mondelinge vraag nr. 56009157C en eveneens meedelen dat de federale politie die software niet gebruikt.

Alexander Van Hoecke:

Dank u wel voor uw antwoord. Het is een moeilijk evenwicht, maar het is iets waar we sowieso niet onderuit kunnen. Bepaalde zaken zijn nu eenmaal zodanig veel efficiënter met AI dat het eigenlijk zinloos zou zijn om het te laten liggen. Ik denk bijvoorbeeld aan het doorzoeken van bepaalde documenten. We moeten er echter rekening mee houden dat het gebruik van AI ook heel wat risico's met zich kan meebrengen, bijvoorbeeld op het vlak van privacy, dus we blijven dit verder opvolgen.

Het leegstaande gebouw van de spoorwegpolitie

Gesteld door

VB Britt Huybrechts

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het leegstaande gebouw van de spoorwegpolitie in Gent (77% onbenut, al 5+ jaar) verkeert gedeeltelijk in slechte staat, maar beïnvloedt de politiewerking niet. De tijdelijke huisvesting (na mislukte terugkeer naar Gent-Sint-Pieters) blokkeert renovatie of verkoop, terwijl de Regie der Gebouwen enkel noodonderhoud pleegt en wacht op een definitieve verhuis—wat de leegstand en verval alleen verergert. Huybrechts kritiseert het ontbreken van een duurzaam plan en timing, waarschuwt voor stijgende renovatiekosten door uitstel, en eist structurele oplossingen voor aanslepende leegstandsdossiers. Matz bevestigt lopende gesprekken over verhuis, maar biedt geen concrete termijn of budget.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

In navolging van uw antwoord op schriftelijke vraag nr. 277 wens ik terug te komen op de situatie van het gebouw van de spoorwegpolitie aan de Pacificatielaan 35 te Gent, dat volgens de ontvangen informatie voor 77% leegstaat.

Concreet betekent dit dat slechts 1024,32 vierkante meter van de site in gebruik is terwijl de totale oppervlakte 3104 vierkante meter bedraagt. Deze leegstand zou al meer dan 5 jaar aanhouden en te wijten zijn aan de slechte staat waar de site zich in verkeert.

Daarom heb ik volgende vragen:

Kan u mij meer informatie geven over de huidige stand van zaken in verband met deze site? Welke delen verkeren in slechte staat? Wat houdt deze slechte staat in?

Hoe is deze situatie ontstaan en waarom is er tot heden nog geen oplossing gevonden voor deze leegstand?

Hoe beïnvloedt deze gedeeltelijke leegstand de werking van de spoorwegpolitie?

Is er een concreet plan om iets te doen aan deze aanslepende problematiek? Zo ja, tegen wanneer verwacht men een beslissing over eventuele werken of herbestemming?

Zijn er schattingen van de kostprijs en eventueel van de timing om het gebouw opnieuw volledig operationeel te maken?

Hoe staan de Regie en de minister tegenover het uitvoeren van renovatiewerken aan deze site?

Vanessa Matz:

Mevrouw Huybrechts, na het vertrek van de gerechtelijke politie kwam de site aan de Pacificatielaan in Gent volledig leeg te staan. De Regie der Gebouwen wilde de site verkopen. Op dat moment vroeg de federale politie om te bekijken of de spoorwegpolitie er tijdelijk kon worden ondergebracht, aangezien haar huisvesting in het station van Gent problematisch was.

Hoewel de huisvesting van de spoorwegpolitie normaal een verantwoordelijkheid is van de NMBS, is de Regie der Gebouwen hierop ingegaan aangezien het een federale dienst betreft. Er werd bijgevolg een overeenkomst gesloten tussen de NMBS en de Regie der Gebouwen voor een tijdelijke huisvesting, zonder de toekomstige verkoop van de site te hinderen. De bedoeling was dat de spoorwegpolitie na de renovatie van Gent-Sint-Pieters zou terugkeren naar het station, maar door plaatsgebrek is dat niet meer mogelijk. De leegstand betreft enkel de delen van de site die niet door de spoorwegpolitie worden gebruikt. Die ruimtes verkeren ook in slechte staat, maar hebben geen invloed op de werking van de politie.

Intussen zijn er gesprekken tussen de federale politie en de Regie der Gebouwen om de spoorwegpolitie eventueel op een andere locatie onder te brengen. Tot dan beperkt de Regie der Gebouwen zich tot het noodzakelijk onderhoud.

Bij een verhuis van de spoorwegpolitie zou de site opnieuw volledig leeg staan. Dan kan er een renovatie worden uitgevoerd in functie van een nieuwe bestemming of verkoop.

Britt Huybrechts:

Mevrouw de minister, dit is het zoveelste leegstanddossier waarvoor we geen duurzame oplossing vinden. Ik begrijp dat we de spoorwegpolitie in dat gebouw moesten plaatsen, want de situatie aan het station was echt erbarmelijk. Ik heb echter geen antwoord gekregen op mijn vraag naar hoelang het nog zou duren. Als de spoorwegpolitie er immers nog een paar jaar zit en we dan pas het gebouw kunnen renoveren, zal het enkel nog verder verkommeren, zal er nog meer schade zijn en zullen de renovatiekosten nog hoger uitvallen. Het is dus een soort vicieuze cirkel waarin u wel wilt renoveren, maar niet kunt omdat er nog diensten in zitten, en de leegstand daarmee enkel erger wordt. Er zijn zoveel dossiers die dezelfde problematiek kennen, dus ik denk dat u hieraan meer aandacht moet geven in uw beleid en moet zoeken naar duurzame oplossingen om sites als deze zo snel mogelijk te kunnen renoveren. Alleen dat zal voor betere en duurzamere oplossingen zorgen.

De diplomatieke bescherming van de Belgische staatsburgers aan boord van de vloot naar Gaza
Het naar de Palestijnse gebieden versluisde Belgische geld
De dringende invoering van een importverbod
De deadline in het Amerikaanse stappenplan en de reactie van Hamas
De repatriëring van de Global Sumud Flotilla
Het staakt-het-vurenplan in het Midden-Oosten
De afwikkeling van de repatriëring van de Thousand Madleens Flotilla
Het staakt-het-vuren in Gaza
De heropstanding van Hamas in Gaza
De EU-Raad van 23 oktober
De budgetten voor ontwikkelingssamenwerking en Belgische humanitaire hulp voor Gaza
De vernieling door Israël van door België gefinancierde infrastructuur op de Westbank
De schending van het staakt-het-vuren en de hervatting van de genocide in Gaza
Het staakt-het-vuren in Gaza
Het staakt-het-vuren in Gaza
De Belgische medeplichtigheid aan de Israëlische bezetting
De vernieling van humanitaire bouwwerken op de Westelijke Jordaanoever
Het politieke akkoord in Gaza
De hulpvloten voor Gaza en de werking van de consulaire diensten
Het staakt-het-vuren in Gaza
De gevangenhouding van Marwan Barghouti door Israël
Fase 2 van het staakt-het-vuren in Gaza
Het recordaantal kolonistenaanvallen in oktober
De genocide in Gaza
Gaza
De naleving van de akkoorden over het staakt-het-vuren in Gaza
Het vredesakkoord van Sharm el-Sheikh en de uitvoering ervan
Belgische betrokkenheid, Gaza-conflict en humanitaire crisis in het Midden-Oosten

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de fragiele wapenstilstand tussen Israël en Hamas en de Belgische/Europese rol in het conflict, met focus op vier kernthema’s: 1. Kritiek op het "Trump-plan" en de VN-resolutie: deze worden gezien als koloniaal, eenzijdig (pro-Israël) en negeren kernkwesties zoals bezetting van de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem, en de tweestatenoplossing, terwijl Hamas’ ontwapening en Israëlische terugtrekking onzeker blijven. 2. Belgische maatregelen onder vuur: ondanks beloftes (importverbod nederzettingsproducten, sancties, erkenning Palestina) ontbreekt concrete uitvoering—Belgische banken en bedrijven blijven betrokken bij Israëlische bezettingseconomie, en consulaire steun aan kolonisten werd pas recent stopgezet; het importverbod vertraagt door bureaucratie. 3. Humanitaire crisis en mensenrechtenschendingen: marteling van Palestijnse gevangenen (inclusief verkrachtingen), blokkade hulp Gaza (slechts 150/600 nodige vrachtwagens per dag), en kolonistengeweld in Cisjordanie (recordaantal aanvallen in oktober) blijven ongestraft, terwijl Israëlische schendingen van de wapenstilstand (240+ incidenten) worden gedoogd. 4. Toekomstperspectief somber: zonder politieke oplossing (tweestaten, Palestijnse zelfbeschikking) en effective druk op Israël (embargo’s, sancties) dreigt het conflict chronisch te blijven, met Hamas’ heropstanding in Gaza en versnippering Palestijns gebied als risico—terwijl de EU weifelt en België economische banden met Israël handhaaft.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, dans le cadre du débat d'actualité, j'ai souhaité aborder un sujet autre que celui initialement prévu, car l'actualité est dominée quotidiennement par un nouvel évènement. Le contexte dans cette partie du monde nous confronte à une actualité mouvante qui nous demande d'être flexibles. En Israël, l'actualité s'est concentrée récemment sur les conditions de la fuite dans les médias d'une vidéo figurant cinq soldats israéliens violant un détenu. Or les débats ont étrangement omis de dénoncer le fait lui-même, alors qu'il est symptomatique d'un phénomène dénoncé par les ONG ainsi que par les témoignages des détenus.

Plusieurs rapports témoignent en effet des conditions épouvantables dans lesquelles les Palestiniens vivent dans ces prisons: simulations de noyade, brûlures de cigarettes, privation d'eau et de nourriture, électrocutions, attaques de chiens, viols etc. La liste est bien trop longue. Les prisons israéliennes sont de plus en plus des zones de non-droit. L'usage de la torture et de traitements dégradants à l'encontre des Palestiniens y sont régulièrement décrits comme systématiques. Plus de 11 000 Palestiniens sont détenus et plus de la moitié d'entre eux sans aucune charge. Plus d'un millier d'enfants en font partie, sans aucun respect pour leurs droits, tandis que 500 femmes sont actuellement détenues, subissant quotidiennement tortures, humiliations, violences et viols, spécifiquement conçus pour humilier les femmes.

Une chose est sûre: le traitement inhumain des détenus palestiniens est symptomatique de la politique d'apartheid israélienne. Cette dernière s'applique à détruire la dignité palestinienne et est largement restée impunie. L'ONG israélienne B'Tselem parle d'une politique institutionnelle axée sur la maltraitance et la torture.

Quel dialogue entretenez-vous avec Israël sur ces rapports témoignant de traitements dégradants et inhumains infligés aux détenus palestiniens? La Belgique soutient-elle l'envoi d'observateurs internationaux pour examiner les conditions de détention dans les prisons? Pourriez-vous nous communiquer une évaluation du suivi des mesures prises par le kern ce 2 septembre notamment sur les sanctions et la reconnaissance conditionnelle de la Palestine, au vu de l'accord de paix de Trump et de la résolution du Conseil de sécurité?

Achraf El Yakhloufi:

Mijnheer de minister, ik start met mijn vraag over het importverbod. Verschillende Europese landen hebben de afgelopen maanden maatregelen genomen om de import van goederen uit Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns gebied te verbieden. Slovenië heeft al een importverbod opgelegd en Ierland werkt aan een wet om een ban te implementeren. As we speak, worden Israëlische nederzettingen agressief uitgebreid ten koste van het Palestijnse landbezit en van Palestijnse levens, met voortdurende mensenrechtenschendingen. Het Internationaal Hof van Justitie bevestigde op 19 juli 2024 dat die nederzettingen illegaal zijn en dat landen passende maatregelen moeten nemen om daar niet aan mee te werken.

Het kernkabinet heeft op 2 september na een woelige zomer beslist om het voorbeeld van Ierland en Slovenië te volgen. De ministers van Economie, Financiën en Buitenlandse Zaken werden gelast een koninklijk besluit op stellen met het oog op een nationale importban van goederen die worden geproduceerd, ontgonnen of verwerkt in de door Israël bezette gebieden, inclusief de nodige controle op de naleving.

Kunt u een stand van zaken van dat beoogd koninklijk besluit geven? Wanneer zal het worden uitgewerkt en wanneer zal het van kracht worden? Heeft België contact opgenomen met Ierland en Slovenië om ervaringen uit te wisselen over de implementatie van de maatregelen? Indien ja, welke inzichten kwamen daaruit voort? Acht de regering het niet dringend dat KB zo snel mogelijk uit te vaardigen, gelet op de ernst van de situatie in de bezette gebieden?

Ik kom tot mijn vraag over het staakt-het-vuren. Een maand geleden werd het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas van kracht, na uitwisseling van gevangenen en gijzelaars en het na het opnieuw toelaten van humanitaire hulp.

Er zijn nu gesprekken opgestart voor fase 2 van het Amerikaanse staakt-het-vurenplan, die voor duurzame vrede moeten zorgen.

Na de initiële blijdschap van de Palestijnen en Israëli blijven nu heel veel belangrijke vragen open, ondanks Trumps grote woorden, niet het minst over de vredesmacht en het Palestijns bestuur. Terwijl Israël zich volledig moet terugtrekken langs de yellow line , vinden er bombardementen plaats. Bovendien weigert Israël elke betrokkenheid van de Palestijnse Autoriteit. Het legt de vinger op de wonde: dit is een plan gemaakt door Amerikanen, met minimale participatie van de Palestijnen en bovendien is het eerder een ultimatum dan een onderhandeld vredesakkoord. Het zwijgt ook volledig over de steeds sneller groeiende en voortdurende illegale kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever door Israël.

Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Gelet op de grote obstakels, zoals de Israëlische afwijzing van de Palestijnse Autoriteit en de Israëlische bombardementen langs de ye llow line , deelt u de analyse dat de tweede fase, bij gebrek aan duidelijke mechanismen en druk op de partijen, een zeer hoge kans op mislukken heeft?

Er bestaat diepe twijfel over de haalbaarheid van de multinationale veiligheidsmacht. Welke informatie hebt u daarover ontvangen van onze partners? Wat is de Belgische analyse van de levensvatbaarheid van dat VS-plan? Werd België of de EU reeds benaderd om hierin een rol te spelen? Er wordt gewaarschuwd voor een de facto opdeling van Gaza, waarbij Israël 53 % van het gebied controleert en Hamas de rest. Hoe evalueert u dat risico op een permanente versnippering? Welke concrete druk zet België, bilateraal en binnen de EU, op de Israëlische regering om de uitbreiding van de kolonisatie op de Westelijke Jordaanoever, die ook tijdens het staakt-het-vuren doorgaat, onmiddellijk te stoppen, en de afspraken van het staakt-het-vurenakkoord na te leven?

Mijnheer de minister, ik heb ook nog een vraag over de kolonistenaanvallen in oktober. Hoe beoordeelt u die nieuwe escalatie, met name de aanval op de moskee en het recordaantal geregistreerde kolonistenaanvallen in oktober?

Welke dringende stappen onderneemt België, zowel bilateraal als binnen de EU, om druk uit te oefenen op Israël om het geweld en de straffeloosheid op de Westelijke Jordaanoever daadwerkelijk aan te pakken?

Hoe ziet u nog perspectief voor een politiek proces richting vrede, zolang de Westelijke Jordaanoever geteisterd wordt door steeds intensiever kolonistengeweld en een verdere versnippering door illegale nederzettingen, die een Palestijnse Staat fysiek onmogelijk maken?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar mijn schriftelijk ingediende vragen. Ik heb er heel veel ingediend. Ik hoor graag uw antwoorden, en ik ben ervan overtuigd dat u de huidige inzichten inzake het VN-plan dat is goed gekeurd, ook zult meegeven.

Voorzitter:

Dank u wel, dat is efficiënt.

Kathleen Depoorter:

Op 3 oktober verklaarde de Amerikaanse president Trump dat hij de terreurorganisatie Hamas tot zondag middernacht geeft om een antwoord te geven op het plan dat hij eerder die week lanceerde. Zoniet voorziet de Amerikaanse president in een aanzienlijke escalatie. In dit 20-puntenplan wordt voorzien in de ontwapening van de organisatie en dat deze geen rol meer kan spelen in het verdere proces. Er zou ook een regering van technocraten aangesteld worden die de heropbouw van Gaza moet overzien.

Alle gijzelaars moeten volgens het plan vrijgelaten worden. De gehele Gazastrook zou niet geannexeerd worden door Israël – net zoals de Westelijke Jordaanoever – maar wel militair geneutraliseerd worden.

Enkele kleinere Palestijnse gewapende groeperingen wezen het voorstel af. Hamas zegt dat het de clausules aangaande de ontwapening van de terreurgroep wil heronderhandelen en vraagt ook “internationale garanties” betreffende het statuut van Gaza. Ondertussen spraken meerdere landen hun steun uit voor het plan.

Mijn vragen voor de minister:

1. Welke conclusies trekt u uit de reactie van Hamas die Hamas uitstuurde nog voor de deadline van 3 oktober?

2. Welke conclusies trekt u uit de reactie van Hamas na de deadline van 3 oktober – als die er is?

3. Hoe ziet u de vervolgstappen?

In de nacht van 1 op 2 oktober werd de Global Sumud Flotilla dat bestond uit een groep van een kleine veertig schepen door de Israëlische marine aangehouden. Israëlische regering benadrukt dat alle van de ongeveer 200 arrestanten van de vloot in goede gezondheid verkeren en heeft naar eigen zeggen de uitzettingsprocedure opgestart.

U verklaarde dat de rechten van de aangehouden Belgen gevrijwaard moeten worden en dat er zo snel mogelijk werk wordt gemaakt van een repatriëring. Daarnaast verklaarde u dat u uw diensten mobiliseert om consulaire bijstand te verlenen. De Zweedse regering verklaarde bij een eerdere poging dat zij die willen afvaren naar het gebied ten volle de risico’s kennen en dus niet op consulaire bijstand moesten rekenen.

Daarnaast riep Thunberg in juli op om de Zweedse regering onder druk te zetten door de nooddiensten te bellen en te berichten. Dit leidde tot de overbelasting van de nooddiensten waardoor andere Zweedse burgers geen toegang konden krijgen tot urgente consulaire bijstand.

1. Hoeveel personen werden uiteindelijk naar België gerepatrieerd? Over hoeveel personen met de Belgische nationaliteit gaat het? Zijn er personen met een andere nationaliteit die ook naar België zijn teruggestuurd?

2. Hoeveel bedragen de totale kosten die werden gemaakt bij het repatriëren en de ondersteuning van Belgen die deel uitmaakten van de Global Sumud Flotilla?

3. Door wie worden deze kosten gedragen? Worden deze kosten nadien verhaald?

4. Speelt het feit dat deelnemers zich redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn van de risico’s mee in het verhalen van gemaakte kosten?

5. Speelt het feit dat voor het afreizen naar de betrokken conflictzone een negatief advies geldt mee in het verhalen van gemaakte kosten?

6. Spelen bovenstaande elementen mee bij terugbetalingen vanuit een verzekering?

7. Werd de werking van de consulaire diensten en/of de noodnummers door dit incident geïmpacteerd?

8. Hebt een indicatie wat er zal gebeuren met de noodhulp die de Global Sumud Flotilla mee had? Over hoeveel ton gaat het en over welke hulpmiddelen ging het?

Na twee jaar van conflict werd er recent een eerste akkoord bereikt tussen Israël en Hamas. Onder bemiddeling van de Verenigde Staten, Turkije, Egypte en Qatar werd een staakt-het-vurenplan overeengekomen dat voorziet in de vrijlating van de laatste gijzelaars, de terugtrekking van Israëlische troepen tot een afgesproken punt, en de vrijlating van Palestijnse gevangenen. Dit akkoord wekt voorzichtige hoop op een doorbraak in een lang aanslepend conflict. Tegelijk wijzen experts erop dat grote uitdagingen blijven bestaan: de ontwapening van Hamas, de humanitaire situatie in Gaza, en de vraag naar toekomstig bestuur en veiligheid in de regio.

Graag verneem ik het volgende van u

1. Welke recente informatie heeft de minister over de uitvoering van dit akkoord, in het bijzonder over de tijdslijn voor de vrijlatingen en de Israëlische terugtrekking?

2. Hoe zal België, binnen het Europese kader, bijdragen aan de humanitaire hulpverlening die nu mogelijk weer op gang kan komen in Gaza?

3. En hoe beoordeelt de minister de internationale samenwerking rond dit akkoord? Welke rol kan de Europese Unie opnemen om bij te dragen aan stabiliteit, naleving van afspraken en het vooruitzicht op een duurzame politieke oplossing?

Op 10 oktober verklaarde u dat 6 van 8 deelnemers aan de Thousand Madleens flotilla onderweg zouden zijn naar België. Op 7 oktober werd ook deze vloot door de Israëlische marine onderschept. Vijf dagen eerder de gebeurde dat ook met de Global Sumud Flotilla.

Net zoals dat het geval was bij de Global Sumud Flotilla dienden de rechten van de aangehouden Belgen gevrijwaard te worden. Nog andere twee Belgen zouden op een later tijdstip terugkeren maar ook hier zou ik willen ingaan op de kosten die gemaakt werden om de ondersteuning te verlenen.

Mijn vragen voor de minister:

1. Hoeveel personen die deel uitmaakten van de Thousand Madleens flotilla werden uiteindelijk naar België gerepatrieerd? Over hoeveel personen met de Belgische nationaliteit gaat het? Zijn er personen met een andere nationaliteit die ook naar België zijn teruggestuurd?

2. Hoeveel bedragen de totale kosten die werden gemaakt bij het repatriëren en de ondersteuning van Belgen die deel uitmaakten van de Thousand Madleens flotilla?

3. Door wie worden deze kosten gedragen? Worden deze kosten nadien verhaald?

4. Speelt het feit dat deelnemers zich redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn van de risico’s – alsook het gegeven dat de Global Sumud Flotilla werd aangehouden en redelijkerwijs ook dit het scenario was voor de Thousand Madleens flotilla - mee in het verhalen van gemaakte kosten?

5. Speelt het feit dat voor het afreizen naar de betrokken conflictzone een negatief advies geldt mee in het verhalen van gemaakte kosten?

6. Spelen bovenstaande elementen mee bij terugbetalingen vanuit een (persoonlijke) verzekering?

7. Werd de werking van de consulaire diensten en/of de noodnummers door dit incident geïmpacteerd?

8. Hebt u een indicatie wat er zal gebeuren met de noodhulp die de Thousand Madleens flotilla mee had? Over hoeveel ton gaat het en over welke hulpmiddelen ging het?

Na meer dan twee jaar is er in Gaza sprake van een staakt-het-vuren tussen de Israëlische regering, diens strijdkrachten en Hamas na het initiatief van de Amerikaanse president Trump. Dit geeft de kans om humanitaire hulp te sturen en medische zorgen te bieden aan wie dat nodig heeft. Ondertussen is er een werkgroep opgestart om de heropbouw van Gaza te faciliteren. Er werd internationaal veel druk gezet om dit staakt-het-vuren te bekomen en we stellen vast dat Hamas – dat eigenlijk geen rol meer kan spelen in de toekomst van Gaza – nu met bijzonder harde methodes de eigen bevolking terroriseert en andere politieke facties uitschakelt. In Gaza-stad werden deze week breed uitgesmeerd op socale media net na het staakt-het-vuren, acht mannen geëxecuteerd die werden beschuldigd van samenwerking met Israël. Ze kregen een blinddoek om, moesten knielen en werden van dichtbij neergeschoten, de omstaanders konden hun goedkeuring niet wegsteken.

Mijn vragen voor de minister:

1. Wat is uw inschatting van de huidige situatie in Gaza? Welke conclusies trekt u op basis van de berichten over executies door Hamas over de politieke ontwikkelingen aan Palestijnse zijde?

2. Kan u verklaren hoe het kan dat een bijna 7000-tellende macht van Hamas-strijders na de confrontatie met het IDF in staat is om dergelijke acties uit te voeren?

3. Wat berichten de hulporganisaties ter plaatse over de situatie? Welke inschatting maken zij van de “heropstanding" van Hamas?

4. Hoe beoordeelt u - gegeven dat u vasthoudt aan het feit dat Hamas geen politieke rol meer kan spelen – de aanduiding door deze organisatie van 5 nieuwe gouverneurs?

5. Als een ontwapening van Hamas volgens het 20-puntenplan niet mogelijk is, wat zal er volgens u dan gebeuren?

Volgens recente berichtgeving in POLITICO is het plan van de Europese Unie om sancties in te voeren tegen bepaalde Israëlische regeringsleden en om handelsrelaties te beperken, voorlopig on hold gezet. Een aantal lidstaten acht deze maatregelen niet langer noodzakelijk in het licht van de door president Donald Trump bemiddelde vredesovereenkomst tussen Israël en Hamas, die de eerste fase van een staakt-het-vuren moet inluiden. Maar ondertussen lijkt Hamas de controle over Gaza opnieuw te verwerven.

Mijn vragen voor de minister:

1. Hoe beoordeelt u het uitstel van de voorgestelde EU-sancties tegen Israëlische ministers en kolonisten?

2. Hoe positioneert u zich ten opzichte van de uitvoering van deze maatregelen?

3. Wat verwacht u van de komende Raad Buitenlandse Zaken op 20 oktober en de Europese Raad van 23 oktober, waar dit dossier opnieuw op de agenda staat? Wat is het standpunt van de Belgische Regering?

4. U gaf aan dat het gebrek aan actie “de geloofwaardigheid van de EU ernstig heeft ondermijnd" – kan u dit toelichten?

5. En hoe wordt onze humanitaire steun aan de Palestijnse bevolking afgestemd op de nieuwe geopolitieke context?

6. Er zijn sterke indicaties dat Hamas de controle over Gaza wil heroveren na het wegtrekken van het IDF: in hoeverre belemmert dit de vereiste ontwapening van Hamas?

Nabil Boukili:

Bonjour, monsieur le ministre. Pour la énième fois, nous vous interpellons sur la question de Gaza et le génocide en cours. Il est vrai qu'un cessez-le-feu est intervenu depuis le 10 octobre mais c'est surtout un trompe-l'œil. Car depuis son entrée en vigueur, Israël a violé ce cessez-le-feu plus de 240 fois. À l'heure actuelle, Israël continue d'assassiner les Gazaouis; continue son génocide; continue de bloquer l'acheminement de l'aide humanitaire et d'affamer les enfants; continue d'empêcher les Gazaouis de se soigner; continue, enfin, sa politique coloniale et génocidaire. Elle n'a toujours pas cessé.

La seule chose qui a changé depuis le plan colonial Trump, c'est l'intensité. Nous sommes passés à un génocide de moindre intensité mais il est toujours en cours. Cet É tat colonial génocidaire torture – on a vu les révélations faites en Israël sur le comportement des soldats citées par ma collègue tout à l'heure – et la réaction du gouvernement israélien est de s'attaquer davantage à ceux qui dénoncent ces comportements qu'aux perpétrateurs. Cela nous rappelle la dénonciation des crimes de guerre américains en Irak et en Afghanistan où on s'est davantage attaqué aux lanceurs d'alerte qu'aux criminels de guerre. Force est de constater que c'est un peu la coutume dans la politique occidentale, parce que ce qui se passe aujourd'hui à Gaza contre le peuple palestinien et en Cisjordanie où les Palestiniens sont quotidiennement harcelés en violation de toutes les dispositions internationales qui défendent les droits humains, se fait avec la complicité de l'Union européenne et de la Belgique.

Si tel n'était pas le cas, Israël ne pourrait pas se comporter de la sorte. S'il continue à le faire, c'est parce que la Belgique et l'Union européenne sont derrière le gouvernement israélien en dépit de toutes ses violations du droit international et des droits humains. Et c'est pour cela que, malgré la pluie, le froid et la diminution de la couverture médiatique ces derniers temps de la situation à Gaza et malgré le fait que l'on tente de faire accroire que la situation s'améliore avec ce cessez-le-feu, des milliers de personnes sont descendues dans la rue dimanche passé pour dénoncer cette complicité, ce soutien de l'Union européenne et de la Belgique à la politique coloniale et génocidaire israélienne.

Cela reste des faits, monsieur le ministre. Il convient de distinguer faits et déclarations. Vous avez déclaré que vous prendriez des sanctions à l'encontre de l' É tat d'Israël mais rien n'a été fait. Les produits issus des colonies viennent toujours en Belgique. Aucune loi pour les interdire n'a été promulguée. Dans les faits, rien n'a changé.

La Belgique reste le septième partenaire économique d'Israël au sein de l'Europe. On continue par exemple le contrat avec l'entreprise CAF, des institutions financières publiques et des entreprises contrôlées par l' É tat belge comme Belfius, KBC, BNP Paribas, TKH Security dans laquelle la Banque nationale de Belgique a investi trois millions d'euros. C'est une entreprise qui fournit des équipements pour espionner les civils palestiniens. eDreams ODIGEO est une entreprise qui propose des logements à la location dans les colonies israéliennes illégales. Nos banques publiques investissent dans de telles entreprises. Notre complicité est totale.

Donc, monsieur le ministre, à quand de vrais actes? Parce que depuis la déclaration faite et l'accord du gouvernement pour sanctionner Israël, nous n'avons rien vu. La complicité continue.

Et où en sommes-nous par rapport à l'embargo militaire? Qu'est-ce qui a changé, concrètement, sur le terrain? Ma question est claire: ces derniers temps, quels changements concrets sont intervenus sur le terrain? Nous demeurons le septième partenaire économique de l' É tat d'Israël en dépit des accusations de génocide.

La présidente : M. Aouasti n’est pas présent.

Mevrouw Yigit is ook niet aanwezig.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je suis contente de vous voir, ainsi que les collègues, sains et saufs, malgré vos péripéties de voyage. C'est une bonne nouvelle.

J'avais envie de vous interroger sur plusieurs éléments, mais je vais me concentrer sur le cessez-le-feu ou plutôt le supposé cessez-le-feu, ce faux cessez-le-feu qui est en cours actuellement à Gaza, puisqu'il a été conclu voici quelques semaines. Ce "cessez-le-feu" devait permettre d'avoir enfin un répit pour les populations civiles palestiniennes. Cela devait ouvrir la voie à la reconstruction, au retour de l'aide humanitaire, des vivres, de l'eau, de l'électricité et surtout à l'arrêt des bombardements et à la fin du blocus. Mais, à peine les otages libérés, à peine les familles endeuillées avaient-elles pu souffler, que les bombardements ont repris de manière très intense. Des frappes touchent des zones civiles. Des enfants meurent. L'aide humanitaire n'entre pas toujours. Et l’ONU nous alerte: nous assistons clairement à une rupture du cessez-le-feu, en violation directe du droit international humanitaire – une fois de plus de la part d'Israël.

Pendant des mois, il nous a été répété qu'une fois que les otages seraient libérés, la paix reviendrait. Les otages ont été libérés, heureusement. Et pourtant, le cessez-le-feu, lui, n'a pas été respecté et les bombardements continuent. À travers cet ersatz de cessez-le-feu, on voit l'hypocrisie du gouvernement israélien.

Monsieur le ministre, y a-t-il de votre part une condamnation ferme et claire de cette rupture du cessez-le-feu par Israël? Quand la Belgique appellera-t-elle clairement à un embargo sur les armes et à la suspension de tout accord de coopération avec un État génocidaire? Comptez-vous soutenir l’adoption d'autres sanctions ciblées contre les responsables de cette violation? On sait qu'un train de petites sanctions ont été prises par la Belgique mais, comme les collègues l'ont dit, ne sont pas encore réellement effectives. D'autres sanctions peuvent-elles être prises?

Ma seconde question porte sur la destruction par Israël des infrastructures humanitaires financées par l’Union européenne et par plusieurs États membres, dont la Belgique. C’est ce que révèle une enquête de la VRT.

Ces infrastructures, ce sont des écoles, des réseaux d’eau et d’électricité, des projets destinés à garantir un minimum de dignité à des familles palestiniennes vivant sous occupation. Dans vos déclarations à la VRT, vous disiez, monsieur le ministre, "qu'il est absurde que ces infrastructures soient détruites, mais il n’est pas absurde que nous continuions à les construire". Je partage cette conviction mais cela n'est pas suffisant. Il faut vraiment construire encore et encore ce qu’Israël continue à détruire en toute impunité. Ce n'est plus vraiment une politique mais un constat d’échec. C'est une stratégie de destruction massive et assumée.

Quelles mesures supplémentaires avez-vous évoquées avec le ministre israélien des Affaires étrangères? Y a-t-il des actions concrètes au-delà des lettres ou appels de la Belgique et de l'Union européenne?

Concernant les budgets de la Coopération et de l'aide humanitaire à Gaza, lors du dernier débat d'actualité consacré à cette question, vous aviez annoncé qu'une enveloppe de 12,5 millions d'euros d'aide humanitaire s'ajoutant aux 7 millions d'euros déjà promis – annonce importante soulignée et applaudie – se répartissait de la sorte: 4,5 millions pour l'Office de secours et de travaux des Nations Unies pour les réfugiés de Palestine dans le Proche-Orient (UNRWA), 2 millions pour la Croix-Rouge et 6 millions pour le Bureau de la coordination des affaires humanitaires (OCHA) sous forme de financements flexibles.

On observe une zone d'ombre sur un point essentiel. D'où proviennent ces fonds? La décision du kern et du Conseil des ministres est explicite: ces 12,5 millions doivent provenir des crédits courants, c'est-à-dire du budget déjà existant de votre département. Or, on sait que les marges financières sont extrêmement limitées. On comprend que chaque euro dégagé pour Gaza doit être pris ailleurs. Dès lors, sur quel postes budgétaires précisément prendrez-vous ces redéploiements afin de financer cette somme? Quel sera l'impact concret des réaffectations? Quelles initiatives ou quels programmes verront leur budget réduit et dans quelle proportion?

Els Van Hoof:

De situatie blijft fragiel. Sinds het ingaan van het staakt-het-vuren werden heel wat nieuwe aanvallen uitgevoerd en gebouwen vernield. In totaal werden zo'n 1.500 gebouwen die onder Israëlische controle bleven, vernield. Er zouden zelfs volledige buurten met de grond gelijk zijn gemaakt. Ook is er nog steeds een voedselcrisis. Er is nood aan meer dan 600 vrachtwagens per dag, maar er komen er slechts 150 binnen.

De toekomst van de Gazastrook is onduidelijk. De resolutie hierover werd vannacht aangenomen. We hadden graag uw reactie daarop gehoord, want we horen uiteenlopende reacties. De Board of Peace werd opgericht en er zou een internationale stabilisatiemacht komen. Dat is overigens geen formele VN-vredesmacht. De Palestijnse Autoriteit reageert voorzichtig positief en beschouwt dat als een eerste stap op de lange weg naar vrede. Hamas verwerpt de resolutie, omdat op die manier internationale voogdij over Gaza zou worden uitgeoefend. In welke richting reageren België en de Europese Unie? Dertien leden stemden voor, terwijl China en Rusland zich hebben onthouden. Ik zou graag weten welke reactie wij daar vandaag op geven.

Sinds 2015 hebben kolonisten minstens 127 van de 473 humanitaire bouwwerken vernield, om nog maar te zwijgen van de systematische vernielingen van humanitaire bouwwerken door de Israëlische autoriteiten. Ik heb daar destijds al vragen aan minister Reynders over gesteld. Hoe reageert België daarop? Worden er juridische procedures aangespannen? Wordt dat probleem op het niveau van de Europese Unie aangekaart of worden hier formele brieven over verstuurd?

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, nous parlons à nouveau de Gaza. Mais, pour une fois, nous avons un espoir. Un cessez-le-feu est entré en vigueur. L’aide humanitaire est revenue. Et cette nuit, une résolution du Conseil de sécurité a entériné le plan de paix des États-Unis. Ce sont des réels progrès, même si beaucoup de doutes persistent encore. J’y reviendrai.

Les questions que j’avais déposées portaient sur deux thèmes: d’abord, sur le fonctionnement de nos services consulaires dans le cadre de la participation des citoyens et citoyennes belges aux flottilles qui entendaient se rendre à Gaza. Ces initiatives citoyennes, bien que portées par des motivations humanitaires, peuvent exposer nos ressortissants à des risques importants, notamment d’interception ou de détention.

Dans ce contexte, pouvez-vous dès lors préciser comment nos services consulaires interviennent lorsqu’un citoyen belge participe à une flottille en direction de Gaza, notamment en cas d’arrestation, d’incident maritime ou de restriction de mouvement?

Quels contacts ont été établis avec les autorités israéliennes et avec nos partenaires européens durant la détention et l’expulsion des participants? Comment le SPF Affaires étrangères informe-t-il les Belges des risques liés à de telles initiatives et des limites de la protection consulaire dans une zone sous embargo et/ou en conflit?

Quelles leçons tirer de cette opération pour améliorer la réactivité, la transparence et la communication consulaires lors des futures crises impliquant des ressortissants belges?

Mes autres questions portent sur le cessez-le-feu du 9 octobre dernier et sa mise en œuvre. Grâce à lui, enfin, le retour mutuel des otages et prisonniers dans leurs familles; enfin, l'arrivée de l'aide humanitaire à Gaza. L'accord entre Israël et le Hamas permet un retour de l'espoir dans cette région ravagée. Cependant, la mise en œuvre de l'accord soulève certains doutes. On peut se demander si chacune des parties a la réelle volonté de mettre en œuvre les accords de bonne foi.

Du côté du Hamas, on peut se féliciter qu'il ait enfin libéré les otages encore vivants et qu'il ait rendu la plupart des corps de ceux qui étaient décédés. Néanmoins, on ne détecte aucune volonté d'abandonner la gouvernance de Gaza ou de désarmer. Le message du Hamas est: "J'ai survécu à la guerre, je continue à contrôler le territoire et je me prépare au prochain round de combats". Du côté d'Israël, on peut se féliciter du retrait partiel d'une partie du territoire et de l'arrêt des opérations majeures de combat. De même, l'aide humanitaire peut enfin entrer. Néanmoins, on ne détecte aucune volonté de la part d'Israël de passer à la deuxième phase des négociations, puisque des bombardements continuent à tuer régulièrement des civils palestiniens, y compris des enfants. Si le risque de famine a fortement diminué, l'aide humanitaire n'atteint pas encore les objectifs fixés de 600 camions par jour. Le message d'Israël est: "J'ai gagné la guerre, je continuerai pour longtemps à contrôler une partie du territoire et je me prépare au prochain round de combats".

Monsieur le ministre, le Conseil de sécurité des Nations Unies a adopté la nuit dernière une résolution endossant le plan américain. Elle est déjà rejetée en tout ou en partie, tant par Israël que par le Hamas. Comment faire la paix avec des protagonistes qui n'en veulent pas réellement? Croyez-vous qu'une force internationale de stabilisation pourra être déployée comme prévu? Où en est la formation de l'autorité de transition du territoire de Gaza?

Voorzitster: Kathleen Depoorter.

Présidente: Kathleen Depoorter.

Quelles mesures la Belgique compte-t-elle prendre pour renforcer ce cessez-le-feu? Comment affermir le Mémorandum pour garantir des progrès vers la deuxième phase du cessez-le-feu? Surtout, comment s'assurer que les populations palestiniennes aient un accès suffisant à l'aide humanitaire, particulièrement à l'approche de l'hiver? Bref, concrètement, quelles sont les actions de la Belgique pour renforcer le cessez-le-feu et le soutien aux populations?

De voorzitster : Mevrouw Huybrechts is niet aanwezig.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, depuis 2002 – donc il y a maintenant 23 ans – une grande figure de la cause palestinienne, Marwan Barghouti, est emprisonné par Israël pour résistance lors de la seconde Intifada.

Vingt-trois ans de prison, dans un silence presque assourdissant, pour une figure emblématique de la cause palestinienne qui demeure, aujourd’hui encore, une référence morale et politique pour l’ensemble des Palestiniens. On pourrait même dire: une figure fédératrice, ce qui est très important actuellement, lorsque l’on voit l’évolution rapide de la situation.

Alors que de nombreux prisonniers palestiniens ont été relâchés dans le cadre de l’accord obtenu au Proche-Orient, une campagne internationale s’est donc constituée en ce sens pour demander la libération de Marwan Barghouti. Mais les dernières informations dont nous disposons alertent sur son état de santé après que des soldats israéliens l’ont violemment agressé lors de son transfert à la prison de Megiddo. Et l’Union Interparlementaire, dont je fais partie, a ainsi constaté de nombreuses violations du droit international dans son cas, puisqu’il est effectivement membre du Conseil national législatif palestinien.

Monsieur le ministre, soutenir la libération de Marwan Barghouti, c’est défendre la reconstruction politique et démocratique de la Palestine, une condition sine qua non à la construction d’une paix juste et durable au Proche-Orient. Aussi, vos services possèdent-ils plus d’informations quant à l’état de santé de Marwan Barghouti? A défaut, le SPF Affaires étrangères est-il en mesure d’intervenir auprès des autorités israéliennes afin d’obtenir des précisions à ce sujet?

Par ailleurs, aujourd’hui, quelle est la position de la Belgique sur son emprisonnement et les traitements dégradants, contraires au droit international, dont il est la victime? Allons-nous œuvrer activement à sa libération et, le cas échéant, envisagez-vous de plaider auprès de vos homologues européens pour qu’une prise de position commune à l’échelle de l’Union européenne soit adoptée?

C’est d’autant plus urgent pour nous que, comme vous le savez, une loi a été votée par le parlement d’Israël pour punir de mort – je reprends le texte, le narratif de la loi – "quiconque cause intentionnellement ou par indifférence la mort d’un citoyen israélien pour des motifs de racisme ou d’hostilité envers une communauté, et dans le but de nuire à l’ é tat d’Israël et à la renaissance du peuple juif dans son pays, sera passible de la peine de mort". C’est donc automatiquement la peine de mort. Il se pourrait donc que Marwan Barghouti soit considéré comme étant un terroriste qui doit être condamné à la peine de mort. Raison de plus de s’alarmer.

Ma seconde question porte sur l'accord de paix de Charm el-Cheikh et ses suites; elle est quelque peu dépassée par la résolution du Conseil de sécurité des Nations Unies sur la Palestine et Gaza votée cette nuit. Cette résolution n'est sans doute pas parfaite et n'émane pas d'un président que j'affectionne particulièrement. Elle n'envisage malheureusement pas non plus le sort de la Cisjordanie et de Jérusalem. Mais, elle a le mérite d'exister et fait consensus au sein de l'ONU, ce qui est aujourd'hui assez remarquable.

Monsieur le ministre, quel rôle la Belgique entend-elle jouer pour veiller à la prise en compte de la voix palestinienne dans le processus de paix, et ainsi assurer que les droits fondamentaux du peuple palestinien seront pleinement garantis dans le cadre et à l'issue de cette résolution et de l'accord de paix intervenu auparavant?

Tout cela ne traite pas de la Cisjordanie et de Jérusalem, alors que la colonisation se poursuit. Quelle est la position de la Belgique à ce sujet? Comptez-vous maintenir l'interdiction d'importation de biens provenant des colonies israéliennes dans les territoires palestiniens?

De nombreuses communes belges travaillent d'ores et déjà à la création d'un réseau permettant de soutenir les communes palestiniennes sur les plans humanitaire, financier et culturel, afin de reconstruire ce qui peut être reconstruit à Gaza.

Dans la résolution du Conseil de sécurité de l'ONU, il est question de la reconnaissance de l'État palestinien. À travers cette résolution, votre gouvernement est-il prêt à donner un coup d'accélérateur à la reconnaissance, par la Belgique, de l'État de Palestine? Celle-ci était soumise à deux conditions. La première était le cessez-le-feu, qui est aujourd'hui obtenu. La seconde condition était la démilitarisation du Hamas, qui est en voie d'être mise en œuvre grâce à la résolution de l'ONU. Quelle est votre position et celle du gouvernement sur ce sujet?

De voorzitster : Wensen er nog collega’s zich aan te sluiten bij dit actuadebat?

Sandro Di Nunzio:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, sta me toe dat ik me even voorstel. Ik ben Sandro Di Nunzio en ik ben nieuw in de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen voor Open Vld. Het is mij een genoegen u hier voor het eerst te mogen ontmoeten.

Ik ben ook blij om meteen te kunnen deelnemen aan dit interessant actualiteitsdebat. Er zijn al veel vragen gesteld. De situatie ter plaatse verandert dagelijks. Daarover kan ik geen nieuwe vragen meer stellen. Wel wil ik enkele punten te berde brengen die wij zeer belangrijk vinden.

Gisteren werd de resolutie aangenomen die gebaseerd is op het 20-puntenplan van president Trump. Mijnheer de minister, vooral wens ik te vernemen wat het standpunt van de regering over die resolutie is. Ik weet dat wij niet in de Veiligheidsraad zetelen, maar zijn er voorafgaandelijk contacten geweest met landen die daar wel actief zijn? Hebben wij daaraan op de een of andere manier bijgedragen? Zijn wij het volledig eens met die resolutie, of zijn er bepaalde aspecten waarmee wij moeite hebben?

Mij werd verteld dat volgens dat plan Israël minstens een vijfde van Gaza voor onbepaalde tijd zou mogen blijven bezetten. Klopt die informatie, is dat effectief het geval? Zo ja, wat is onze positie daaromtrent? Valt die bepaling te rijmen met het advies van het Internationaal Gerechtshof van juli 2024, waarin duidelijk staat dat Israël verplicht is om de bezetting binnen twaalf maanden te beëindigen?

Gisteren liet Israël nog weten dat een Palestijnse staat niet zal worden aanvaard. Zowel premier Netanyahu als de extreemrechtse minister van Nationale Veiligheid hebben dat duidelijk gemaakt. Daarom sluit ik mij aan bij de vragen hoe het gesteld is met de erkenning van Palestina als staat door ons land. Kunt u aangeven of de gestelde voorwaarden al dan niet vervuld zijn? U weet dat mijn fractie van oordeel is dat men een staat wel of niet erkent op zich, en dat voorwaarden bij een dergelijke kwestie eigenlijk niet aan de orde zouden mogen zijn.

Tot slot heb ik een vraag over de stand van zaken betreffende het importverbod. Ik heb begrepen dat mevrouw Van Hoof daaromtrent een wetsvoorstel heeft ingediend en dat de regering dat naar zich heeft toegetrokken. Wat is de stand van zaken over het importverbod vanuit die gebieden?

De voorzitster : Het woord is aan de minister voor zijn antwoord.

Maxime Prévot:

Madame la présidente, mesdames et messieurs les députés, 29 questions avaient été déposées originellement. J'y ajoute celle qu'a posée spontanément M. Di Nunzio, auquel je souhaite la bienvenue dans cette Assemblée de manière générale et dans cette commission en particulier. Cette trentaine de questions reflètent, à juste titre, toute l'importance que, dans la diversité de nos formations politiques, nous réservons à cet enjeu. Cette attention est méritée, vu les considérations humaines, d'abord, de droit, ensuite, qui sont intimement liées à ce dossier. Je vais donc tenter d'y répondre, tout en sachant que certaines des questions originellement déposées n'ont pas été développées à l'instant. Malgré tout, quelques éléments de réponse figureront dans mon intervention. À l'inverse, d'autres aspects ont été partagés par les parlementaires. Ces considérations n'avaient pas été initialement envisagées, mais témoignent justement de l'intérêt d'un débat d'actualité riche, puisque nous pouvons, de la sorte, étendre le champ des considérations que nous allons partager ensemble.

Bien évidemment, si nous regardons dans le rétroviseur, nous pouvons – et nous l'avons fait – nous réjouir de l'accord sur le plan proposé par le président Trump, annoncé voici quelques semaines à Charm el-Cheikh, en É gypte. Nous nous en sommes surtout réjouis en raison de la perspective, tant attendue, de paix, en tout cas, plus immédiatement, de cessez-le-feu que cet accord a pu offrir. Pour autant, ceux et celles qui m'avaient interrogé en séance plénière se souviendront que j'avais exprimé des réserves, soulignant certains manquements dans cet accord de paix. Nous avions le devoir d'y croire et de concentrer notre énergie à nous assurer que ce plan soit mis en œuvre rapidement, dans l'intérêt de la fin des hostilités.

Zelfs als het plan tekortkomingen kent, wordt er niet gesproken over de West Bank, over Oost-Jeruzalem, over de rol van de Palestijnse Autoriteit of de tweestatenoplossing. Er is ook geen tijdslijn of kalender.

Dit zijn zaken die zeer belangrijk zijn, en waarvan we onze aandacht niet mogen laten afwijken.

Le fonctionnement du Board of Peace, envisagé par le président Trump, doit encore être précisé. L'Union européenne doit pouvoir y jouer un rôle, à défaut d'avoir pu faire œuvre de courage et de crédibilité avant que ce plan de cessez-le-feu ne soit obtenu sous l'égide du président Trump, avec le concours d'autres pays arabes. Il faut au moins que l'Union européenne tente de se racheter une crédibilité a posteriori . C'est une chose pour laquelle j'ai personnellement plaidé, encore pas plus tard qu'hier, au sein du Conseil de l'UE des Affaires générales, pour souligner que la situation sur le terrain nécessitait un engagement constant de l'Union européenne et faire en sorte que cette dernière puisse aussi être une accompagnatrice de solutions concrètes. Il n'est donc pas question d'uniquement payer pour la reconstruction de Gaza, sans pouvoir s'assurer d'une solution politique qui soit durable, y compris et avant tout pour les Palestiniens.

On sait qu'il n'y aura de solution durable que si les intérêts des deux parties sont pris en compte et s'il est porté attention pour y répondre, mais il y a, malgré tout, dans le plan esquissé, un manquement majeur concernant le rôle de l'autorité palestinienne elle-même. L'espoir reste de mise même si vous avez, et à raison, rappelé que nombre de coups de canif ont eu lieu ces dernières semaines dans le plan de cessez-le-feu intégral qui avait été esquissé.

L'exécution de la première phase du Comprehensive Plan to End the Gaza Conflict n'en est cependant qu'à ses prémices. Depuis le 10 octobre, on enregistre des incidents tous les jours, malgré le cessez-le-feu. On ne peut donc pas encore parler d'une situation stabilisée. Il est très clair, monsieur Boukili, madame Maouane, – vous l'avez évoqué, parmi d'autres –, que la situation sur place reste problématique. Le cessez-le-feu est une bonne chose, mais il ne doit pas nous aveugler jusqu'à nous faire perdre la lucidité sur la situation sur le terrain, qui, actuellement, n'est pas totalement satisfaisante.

Jusqu'à présent, le cessez-le-feu n'a pas offert ce qu'il était en devoir de procurer aux Palestiniens, à savoir du répit – tout comme pour les Israéliens. S'il n'y a guère eu de répit, il nous appartient aussi d'éviter le repli, et même le déni.

C'est la raison pour laquelle la Belgique – contrairement aux propos de monsieur Boukili selon lesquels "la Belgique est derrière le gouvernement israélien" – n'a jamais, au cours de ces derniers mois, cautionné en aucune façon la manière dont l'autorité gouvernementale israélienne se comporte dans le cadre de ce conflit. Nous continuons à dénoncer les manquements au cessez-le-feu et à déplorer toute violation de celui-ci et toute violence, d'où qu'elle vienne. Nous déplorons également que l'aide humanitaire ne soit toujours pas délivrée de manière massive et satisfaisante. En dépit des améliorations, que nous saluons, nous sommes bien loin de l'engagement formulé originellement.

Madame Maouane, vous me demandez si d'autres sanctions sont envisagées. Permettez-moi de vous rappeler qu'à la pire des périodes, l'Union européenne n'a pas été en capacité de faire un consensus minimum pour arrêter des sanctions à l'égard du gouvernement israélien. J'ai dès lors peine à croire que mes collègues auront une attitude plus volontariste après l'obtention de cet accord de cessez-le-feu à Charm el-Cheikh et le vote de la résolution auprès des Nations Unies. En effet, ceux qui étaient déjà réticents auparavant ne manqueront pas de trouver dans ces deux étapes prétexte à considérer qu'une nouvelle mesure serait de nature à perturber les équilibres et à créer du chaos plus que toute autre chose.

Soyons lucides en la matière. S'agissant de la Belgique, il nous appartient bien sûr de continuer à mettre en œuvre avec autant de célérité que possible les différentes décisions que nous avons pu prendre.

Grenzen en grensovergangen blijven gesloten. De beschietingen op burgers gaan door. De humanitaire hulp komt ook nog niet aan volgens de afgesproken doelstellingen.

Cette situation humanitaire reste catastrophique et les attaques incessantes d'Israël contre Gaza depuis deux ans ont conduit à une situation de chaos où différents groupes se disputent maintenant le contrôle du territoire. Israël est accusé de soutenir certains de ces groupes tandis que le Hamas a cherché à reprendre le contrôle dans certaines zones de Gaza, y compris en exécutant sommairement des dizaines de personnes.

Vous connaissez notre position. Elle est claire, elle est constante, elle est ferme: nous condamnons indistinctement toute violation du droit international par quelque partie que ce soit. C'est le cas aussi, madame Mutyebele, pour le cas que vous évoquiez de cette personne violée, torturée par des geôliers. Quelle que soit la maison de détention, toute pratique de torture, sous quelque forme que ce soit; est inadmissible et est évidemment condamnable et condamnée par la Belgique. Nous ne pouvons en aucune façon cautionner ces actes de violation non seulement du droit mais également de la dignité de chacun.

Une fois de plus, la situation sur le terrain montre que la force militaire – même excessive et même au bout de deux ans – ne résout pas le problème. Je le répète une fois de plus: il faut une solution diplomatique, il faut des négociations. Le Hamas doit disparaître et laisser la place à une autorité palestinienne forte.

Le Hamas a déclaré qu'il ne souhaitait pas participer à la gouvernance de Gaza, ce qui est une de nos exigences. Je précise, monsieur Lacroix, que c'est bien cela la deuxième condition. Ce n'est pas la démilitarisation du Hamas mais le fait que le Hamas ne participe en aucune manière à la gouvernance de la Palestine. C'est ce qu'ils ont annoncé mais ce n'est pas encore actuellement constatable de manière sûre et certaine. Le jour où ce sera le cas, dès lors que la condition de la remise des otages aura pu être complètement remplie, je ferai le nécessaire pour présenter l'arrêté royal de reconnaissance de l' É tat de Palestine auprès du Conseil des ministres.

La question de la démilitarisation fait partie des étapes ultérieures, comme préalable à la normalisation de nos relations diplomatiques – si on devait envisager d'y ouvrir une ambassade par exemple. Je ne vous tiens pas rigueur de la confusion entre les deux conditions parce que celle-ci a été régulièrement faite. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle je souhaitais les repréciser.

Il doit être clair aussi qu’il n’y a aucune place pour le Hamas dans le maintien de l’ordre à Gaza. La question du désarmement de ce groupe terroriste est donc essentielle.

Cette situation nous impose des efforts pour passer rapidement à l’exécution de la deuxième phase du plan du président Trump – comme M. Kompany l’évoquait. Le Hamas doit encore rendre les dépouilles de trois otages. Il s’agit évidemment de procéder à son désarmement, de garantir le retrait total de l’armée israélienne de Gaza, ainsi que de sécuriser les populations civiles, de leur fournir une aide humanitaire en quantité et en qualité – une aide humanitaire, je le rappelle, qui doit être dépolitisée et désarmée – et de démarrer alors les énormes travaux de reconstruction.

En ce qui concerne l’aide humanitaire belge, vous soulevez, madame Maouane, la question de la provenance des fonds que j’ai annoncé allouer pour les populations de Gaza de manière complémentaire, dans un contexte budgétaire, vous l’avez rappelé, qui est contraint. Conformément à la décision du Conseil des ministres, ces moyens seront dégagés au sein des crédits courants, qui sont en fait dédiés à l’aide humanitaire, et pour lesquels des réserves ont été constituées en début d’année pour pouvoir faire face à une série d’urgences qui peuvent survenir aux quatre coins du globe en cours d’exercice budgétaire. Il est évident que la situation palestinienne comptait parmi ces urgences. Ce ne sont donc pas des crédits en plus qui proviennent d’arbitrages qui vont imposer des crédits en moins ailleurs.

Je tiens également à rappeler mon insistance à ne pas couper dans l’aide humanitaire qui permet aujourd’hui de préserver les interventions essentielles en faveur des populations les plus vulnérables. Ma politique humanitaire repose sur une gestion dynamique et réactive des crédits. Nous ne figeons pas l’ensemble des allocations en début d’année. C’est donc là l’explication de la capacité de débloquer ce budget additionnel. Nous conservons des réserves qui nous permettent d’intervenir rapidement en cas d’urgence, comme cela a été le cas aussi il y a quelques temps, lorsque je me suis rendu sur place, en soutien aux réfugiés issus du Soudan.

Les déploiements nécessaires seront opérés principalement au sein des lignes budgétaires – donc consacrées aux contributions volontaires, aux organisations multilatérales et des fonds flexibles. Aucun de nos programmes essentiels ne sera abandonné.

Madame Maouane, mevrouw Van Hoof, les destructions par Israël en Cisjordanie et à Jérusalem-Est des infrastructures humanitaires qui sont financées par la Belgique – telles que des réseaux électriques, des écoles, des installations d'eau – ont été catégorisées comme des violations du droit international humanitaire. De plus, j'ai convoqué l'ambassadrice israélienne à plusieurs reprises et exigé des compensations pour les dégâts et des démarches épistolaires officielles ont été effectuées, mais l'honnêteté m'impose de dire que pour le moment, on ne peut pas dire que l'autorité israélienne y consacre une attention soutenue, ni d'ailleurs à celles d'autres pays partenaires qui sont confrontés aux mêmes destructions de leurs propres investissements.

Je ne peux qu'une nouvelle fois condamner fermement les démolitions en zone C, qui sont contraires au droit international humanitaire, et nous allons continuer à mordre le mollet pour obtenir réparation.

Het is echter moeilijk om een volledige lijst te publiceren, mevrouw Van Hoof, omdat de meeste gebouwen eigendom zijn van particuliere Palestijnen en doordat de ngo’s niet systematisch communiceren, om hun partners te beschermen.

We werken samen met het West Bank Protection Consortium. Dat kreeg 1,8 miljoen euro aan hulp van België sinds 2015. We werken ook samen met het UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs om gevallen te identificeren die verband houden met Belgische financiering.

In 2025 ging het in om ongeveer 5 % van de vernielingen om door donoren gefinancierde structuren.

Wat de juridische procedures betreft, eisen België en zijn Europese partners sinds 2017 systematisch compensatie via diplomatieke stappen en officiële brieven aan de Coordinator of Government Activities in the Territories. Tot op heden is geen enkele aanvraag gehonoreerd. We blijven de mogelijkheden binnen het kader van het internationaal recht onderzoeken.

En ce qui concerne la sécurité de Gaza, vous savez que notre gouvernement plaide pour la constitution d’une force d’interposition placée sous le mandat des Nations Unies. Comme vous l’avez indiqué, le Conseil de sécurité des Nations Unies s’est prononcé, notamment, à ce sujet hier soir. En résumé, il formalise le plan Trump conclu à Charm el ‑ Cheikh.

Nous souhaitons aussi savoir comment cette étape est évaluée, question que m'a posée notamment M. Di Nunzio. Nous continuons à regretter que certaines zones territoriales aient été laissées dans l’ombre et que l’implication de l’Autorité palestinienne ne soit toujours pas clairement définie, en tout cas, pas de manière satisfaisante.

Pour en revenir à la question de la force d’interposition, une fois le mandat de cette force clarifié, mes collègues en charge de la Défense et de l’Intérieur et moi-même examinerons, dans quelle mesure la Belgique pourrait y contribuer.

Entre-temps, un centre de coordination civile et militaire a été mis en place en Israël par les États-Unis fin octobre. Je peux vous annoncer qu'en ma qualité de ministre des Affaires étrangères j’ai déjà pris la décision d’y détacher, à très court terme, du personnel des Affaires étrangères sur le volet humanitaire. En ce qui concerne le volet militaire, j’attends évidemment les arbitrages qui seront réalisés par mon collègue de la Défense. En tout cas, sur le volet humanitaire, du personnel des Affaires étrangères sera détaché, notamment pour veiller au retour de la sécurité à Gaza et pour relancer de manière intensive l’aide humanitaire.

Ce centre de coordination a également la vocation de s’assurer du désarmement du Hamas, de son exclusion de la gouvernance à Gaza et de sa reprise progressive par une Autorité palestinienne qui est en cours de réforme. Cela ne sera évidemment pas facile, mais nous nous employons à créer les conditions pour que l’Autorité palestinienne puisse remplacer le Hamas à Gaza, as soon as possible .

La mission civile de l’Union européenne, EUPOL COPPS, que la Belgique a toujours soutenue, pourrait d'ailleurs former et même équiper plusieurs milliers de policiers palestiniens appelés à être déployés à Gaza. Nous en discutons actuellement au niveau européen ainsi qu’avec nos partenaires internationaux.

Par ailleurs, la Commission européenne continue d’accompagner l’Autorité palestinienne dans ses réformes, notamment en ce qui concerne l’organisation, à terme, d’élections.

De Palestijnse Autoriteit moet zo snel mogelijk effectief aanwezig zijn in Gaza. De EU en België moeten haar daarin ondersteunen, mede in het licht van de tweestatenoplossing. De legitimiteit van de Palestijnse Autoriteit zal komen uit hervormingen en uit verkiezingen, maar ook uit haar capaciteit om diensten te bieden aan de bevolking, zoals veiligheid, elektriciteit of gezondheid.

Aan de heer Van Rooy laat ik opmerken dat hervormingen met betrekking tot het martelarenfonds al deel uitmaken van de voorwaarden voor Europese financiering. DG MENA heeft technische teams ter beschikking gesteld van de Palestijnse Autoriteit. Wetgeving rond het martelarenfonds werd reeds in februari afgeschaft en vervangen door een nieuwe wet die een sociaalzekerheidsfonds opricht, gebaseerd op armoede-indicatoren. Er vond ook een audit plaats. Die concludeerde dat, hoewel de overgrote meerderheid van de betalingen onder het oude systeem was stopgezet toen het nieuwe systeem van kracht werd, een klein deel van de families van gevangenen erin slaagde recente toelagen te ontvangen via het oude betalingsmechanisme. Dat leidde tot ontslagen bij het Palestijnse ministerie van Financiën en tot corrigerende maatregelen. Ik zeg u nogmaals dat onze ontwikkelingshulp aan de Palestijnse bevolking zeer streng wordt gecontroleerd en op geen enkele manier wordt gebruikt om terroristen te belonen.

Wat de vraag van mevrouw Huybrechts betreft, een deel van de overeenkomst over het Trumpplan was de vrijlating van Palestijnse gevangenen. Meer dan 1 700 Palestijnse gevangenen werden tot nu toe vrijgelaten. Israël gaf de lichamen van ongeveer 250 overleden Palestijnse gevangenen terug; velen vertoonden tekenen van foltering en executie.

Daar waren inderdaad ook 154 Palestijnen bij die verbannen werden naar Egypte. Zij werden niet opgevangen in luxehotels, maar werden in hotels geplaatst onder Egyptische supervisie, waarbij zij hun hotel niet konden verlaten. Egypte benadrukt dat het slechts een tijdelijk verblijf zal toestaan. Mogelijk zullen enkelen onder hen in Egypte blijven, terwijl anderen verbannen zullen worden naar landen als Turkije, Qatar of Algerije. Als die personen naar de Schengenzone willen reizen, moeten zij een visum aanvragen, zodat de veiligheidsdiensten een screening kunnen uitvoeren.

Monsieur Lacroix, il n'est pas exclu que M. Marwan Barghouti soit libéré, car certains y seraient favorables, même si, à l'heure où l'on se parle, cela ne reste qu'une hypothèse. On peut du moins l'espérer, notamment pour des raisons humanitaires. Cet homme de 66 ans, détenu depuis 23 ans, a été déplacé de prison en prison et les rapports sur ses conditions de détention font état de mauvais traitements, de torture et d'autres formes de violence.

La Belgique plaide systématiquement pour le respect des droits des prisonniers, y compris ceux de M. Barghouti, et ce, tant directement auprès des autorités israéliennes que dans les fora multilatéraux. Les autorités israéliennes ne délivrent malheureusement que très peu d'informations, y compris quant à son état de santé, et limitent l'accès à M. Marwan Barghouti. Nous restons néanmoins très actifs et attentifs au sort de celui-ci, y compris dans nos contacts avec d'autres é tats. Sa libération serait aussi, me semble-t-il, un geste d'apaisement susceptible d'avoir un effet positif en Palestine et dans les relations entre la Palestine et Israël.

Pour pouvoir vous revenir avec plus d'informations, je solliciterai aussi de nos diplomates et, en particulier, de notre ambassadeur à Tel Aviv qu'ils contactent les autorités israéliennes pour obtenir des nouvelles sur son état de santé, ce qui sera une manière complémentaire de leur rappeler que nous restons attentifs à la situation et au sort de M. Barghouti, dont, de fait, nous souhaitons plaider la relaxe.

L'accord sur la première phase du plan de paix pour Gaza permet un optimisme prudent, mais beaucoup reste à faire. De plus, il ne règle pas la situation en Cisjordanie, où la colonisation et les violences se poursuivent à un rythme effréné, touchant autant les communautés musulmanes que chrétiennes de Palestine.

De druk op Israël moet dus aanhouden, net zoals ten aanzien van Hamas. Daarom worden de Belgische maatregelen, zoals beslist op de ministerraad in september, verder uitgerold. De consulaire diensten ten aanzien van Belgen die in de illegale nederzettingen in de West Bank wonen, is intussen gestopt.

Un accord nouvel accord interfédéral a été conclu le 8 octobre afin d'étendre notre embargo de manière totale sur l'exportation des armes, qui s'applique également à tout type de transit et aux objets à double usage. Cela a donc été fait, monsieur Boukili. Sur ce sujet, j'ai également préparé, avec mon collègue chargé de la Mobilité, le ministre Crucke, un arrêté royal, qui est actuellement soumis pour consultation aux régions.

Voorzitster: Els Van Hoof.

Présidente: Els Van Hoof.

Zoals ik recent al zei, is de importban van goederen uit de nederzettingen het meest complexe. Mevrouw Van Hoof, mijnheer El Yakhloufi, die maatregel moet doorgevoerd worden door de FOD Economie en de FOD Financiën.

De leur côté, mes services ont déjà pris contact avec d'autres pays européens intéressés, et ont fourni à leurs collègues du SPF Économie et du SPF Finances des éléments pour les aider à avancer au plus vite sur une interdiction d'importer les produits des colonies.

We merken wel dat veel importeurs zelf al minder uit Israël invoeren wanneer er geen duidelijkheid is over de oorsprong van de goederen. Dat toont dat het werk van landen zoals België omtrent een importverbod al een effect heeft.

Je me réjouis qu'aucune entreprise belge ne figure dans la base de données publiée fin septembre par le Haut-Commissariat des Nations Unies aux droits de l’homme (HCDH) sur les entreprises actives dans les colonies illégales israéliennes. Aucune entreprise belge.

Op het Europees niveau pleit ik er eveneens voor om de druk op Israël en Hamas aan te houden. Daarom moet het pakket zoals voorgesteld door Commissievoorzitter Von der Leyen volledig worden uitgevoerd, met inbegrip van verdere sancties tegen Hamas en tegen gewelddadige kolonisten.

Mevrouw Depoorter, mevrouw Mutyebele Ngoi en mijnheer Kompany, in totaal namen negen Belgen deel aan de Thousand Madleens Flotilla. Een Belgische vrouw reisde op 9 oktober terug naar België, gevolgd door zes andere Belgen die op vrijdag 10 oktober in België aankwamen. Op maandag 13 oktober keerden de twee overige landgenoten terug naar hun verblijfplaats.

De landgenoten werden bijgestaan door de betrokken consulaire posten. Het Consulair Wetboek voorziet enkel in het verlenen van consulaire bijstand aan Belgen. De FOD Buitenlandse Zaken beschikt om die reden niet over cijfers betreffende andere nationaliteiten.

Zoals beschreven in het Consulair Wetboek, wordt consulaire bijstand steeds verleend op basis van terugvorderbare voorschotten. In deze zaak was dat echter niet het geval, aangezien de kosten voor de terugkeer naar België gedragen werden door de families van de betrokken Belgen en door de organisatie waarvan ze deel uitmaken. Dezelfde redenering is van toepassing op de Global Summit Flotilla.

Voilà, chers collègues, en espérant avoir été le plus complet possible, les éléments qui permettent de faire un point d'actualité sur ce dossier. J'emploie ce mot même s'il est impropre, s'agissant d'une situation humaine et conflictuelle qui reste encore dramatique à l'heure d'aujourd'hui, nonobstant les efforts qui ont été réalisés par plusieurs diplomaties afin de permettre un cessez-le-feu aussi efficace et constant que possible.

La présidente : Chers collègues, la parole est à nouveau à vous pour deux minutes.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses qui sont complètes. Malheureusement, je ne partage pas nécessairement votre optimisme, que je comprends. Pour moi, il s'agit d'une paix qui est imposée au bénéfice d'Israël. On voit que Trump impose son idée de paix, avec des promesses où il promet l'enfer aux Palestiniens s'ils ne se plient pas à ses exigences. Il peut chanter sur tous les toits qu'il est un faiseur de paix, mais vous ne trouverez, ni à Gaza ni dans le reste de la Palestine d'ailleurs, la paix. Israël continuera ses exactions, le blocage de l'entrée libre de l'aide humanitaire, la menace et la reprise du génocide. En Cisjordanie ou à Jérusalem, la colonisation s'accélère et l'apartheid continue de semer sa haine et ses crimes dans le quotidien des Palestiniens. Le gouvernement de M. Netanyahu ne cache pas ses désirs d'extension et de colonisation qui se répandent jusqu'en Syrie et au Liban, où Israël continue son occupation illégale.

Quant à la résolution du Conseil de sécurité de cette nuit, c'est tout simplement un déni de droit. C'est une résolution qui est indigne de l'ONU, qui ignore même les décisions de la Cour internationale de Justice (CIJ) qui impose de mettre fin à l'occupation illégale. Cette résolution refuse d'adresser les racines du problème qui sont la colonisation, l'occupation et l'apartheid. En refusant d'accorder des droits et l'autodétermination au peuple palestinien, en accordant l'impunité face aux crimes, on ne résout rien. On se soumet simplement à la formule de Trump, mais on ne répare sûrement pas la paix. Nous continuerons donc à réclamer la paix.

Achraf El Yakhloufi:

Mijnheer de minister, dank u voor uw duidelijke antwoorden. Ik heb op een aantal vragen geen antwoord gekregen. Ik zal die straks opnieuw stellen.

Ik ben blij dat u mij volgt in het verhaal dat het Trumpplan helemaal niet duidelijk is. Het roept meer vragen op dan dat het oplossingen biedt.

Ik ben ook blij te horen dat u in de Europese Raad gisteren een positief pleidooi hebt gehouden. Mijn vraag is welke druk onze regering op Europa zal blijven leggen. U zegt zelf dat het heel onduidelijk is wat Europa zal doen. Zult u als minister, samen met de regering, druk zetten om ervoor te zorgen dat Europa het nodig zal doen en opdat wij een impact op de Veiligheidsraad hebben en een en ander mee kunnen sturen? Wat nu voorligt, is immers duidelijk een Amerikaans plan, gestoeld op Amerikaanse participatie. We zien hoe dat momenteel in de Verenigde Staten van toepassing is. Daarom hoop ik dat u daar de nodige druk zet.

Over de voorwaarden van onze regering in het compromis, zegt u dat Hamas duidelijk aangeeft dat het niet mee wil besturen. Wij vragen om een ontwapening, ik steun die vraag ook. Elke dag zien we echter, ondanks het staakt-het-vuren, dat Hamas en Palestina nog steeds worden aangevallen. Een ontwapening zou leiden tot een zelfmoord van die mensen. Voor alle duidelijkheid, ik wil dat er een ontwapening komt, maar ik vraag me af hoe dat gerealiseerd kan worden.

Ik ben blij dat u aan uw diensten hebt gevraagd om verder te gaan met het importverbod, samen met de FOD Financiën en de FOD Economie. Dat is een goede stap. Op mijn vraag of u contact hebt gehad met Ierland of Slovenië en hoe die landen dat toepassen, heb ik geen antwoord gekregen.

Gezien de ernst van de situatie zou de regering toch wat verder mogen gaan dan alleen aan de ministers van Financiën en Economie te vragen om het koninklijk besluit mee te bekijken. Het staakt-het-vuren is nog maar een maand van kracht, maar we zien dat het niet werkt.

U hebt ook geen antwoord gegeven op mijn vraag over het recordaantal kolonistenaanvallen op de moskee in oktober. Kunt u daarop ook nog een antwoord geven, mijnheer de minister?

Kathleen Depoorter:

Er gebeurt wat we gevreesd hadden, mijnheer de minister. De resolutie is goedgekeurd en er zijn zeer goede plannen. We maken enige vooruitgang, maar humanitair en menselijk blijft de situatie nog altijd ontzettend moeilijk.

Ik wil dan ook benadrukken dat stabiliteit echt noodzakelijk is: stabiliteit voor beide volkeren, stabiliteit voor de mensen aan beide zijden van de grens. Ook de ontwapening aan beide zijden van de grens is echt belangrijk. Er gebeuren nog altijd vreselijke dingen en het feit dat Hamas het compromis en de resolutie niet aanvaardt, blijft ons zorgen baren. Wat zal de toekomst brengen?

Het is zeer hoopgevend dat de Palestijnse Autoriteit volledig meegaat in het verhaal en zich volledig engageert om ervoor te zorgen dat er een democratisch zelfbeschikkingsrecht voor de Palestijnen kan komen. Zolang de wapens spreken, ook aan de kant van Hamas, maak ik mij echter grote zorgen.

Ik ben ook bezorgd over de international stabilisation force . Wie zal daarvan deel uitmaken? Zullen de Arabische staten deel uitmaken van die belangrijke troepenmacht, die ervoor moet zorgen dat mensen in Gaza veilig kunnen leven?

Hoe zullen we de humanitaire hulp kunnen versterken? Er is een duidelijk signaal gegeven dat de Wereldbank een belangrijke rol in de heropbouw van Gaza zal moeten opnemen, maar daarvoor is het eerst en vooral nodig dat er stabiliteit komt en dat de humanitaire toestand verbetert.

U hebt ook aangegeven dat de rol van Europa belangrijk blijft. Laten wij die stem zijn, de neutrale stem die duurzame vrede en stabiliteit in de toekomst, voor een tweestatenoplossing, betracht.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Beaucoup de choses ont été dites. En deux minutes, il me sera difficile de répliquer à tout. Je me limiterai à la question du plan Trump. Il faut arrêter de le qualifier de "plan de paix", car ce n'en est pas un; il s'agit d'un plan colonial. En effet, il permet à Israël de poursuivre sa politique de colonisation et de destruction du peuple palestinien. C'est ce que les Israéliens sont en train de faire à Gaza et en Cisjordanie. La politique israélienne, son plan de remplacer les Palestiniens et de voler leur territoire, se poursuit toujours dans le cadre de ce plan colonial. Donc, arrêtons de travestir la réalité et de le considérer comme un plan de paix. C'est une insulte à l'intelligence humaine!

Surtout, monsieur le ministre, vous affirmez que l'Union européenne doit jouer un rôle dans la direction du comité de gouvernance. C'est génial! Voilà bien une preuve de mentalité coloniale: ce sont les Occidentaux qui vont diriger Gaza à la place des Palestiniens. Où est alors le droit à l'autodétermination du peuple palestinien, qui consisterait à jouir de sa liberté sans que des forces occidentales viennent lui dicter comment il doit gouverner son pays? Ce peuple ne reçoit aucun respect de leur part. C'est vraiment insultant pour les Palestiniens.

Quand je dis que la Belgique se tient derrière le gouvernement israélien, je parle des faits, monsieur le ministre. Vous pouvez évoquer les déclarations, les condamnations et ainsi de suite. Il reste que notre pays est le septième partenaire économique d'Israël. Le 6 octobre, le ministre-président wallon Adrien Dolimont était interrogé sur la participation d'une entreprise wallonne dans la production des F-15 fournis à Israël en parlant, je le cite, d'une "véritable réussite: synergies positives entre les industries civiles et militaires, retombées industrielles locales". Où est donc l'embargo militaire puisque nos entreprises sont impliquées dans la fabrication d'armes qui tuent les Palestiniens? Oui, la Belgique se tient derrière quand nos banques publiques, dans lesquelles l' É tat détient des actions, investissent dans les colonies et que le ministère de la Mobilité investit dans un projet avec CAF, qui produit les trams qui se déplacent d'une colonie à une autre.

Oui, la Belgique, dans sa stratégie économique, soutient le gouvernement israélien par sa politique économique et son implication dans l'économie coloniale. Donc arrêtons de nous voiler la face, soyons honnêtes et soyons à la hauteur de l'histoire.

Aujourd'hui, notre complicité devient de plus en plus insupportable.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre pour vos réponses. Je ne partage pas totalement votre optimisme, même s'il est prudent, au sujet de l'avenir. Quand on voit la résolution qui a été votée cette nuit à l'ONU, je rejoins les collègues, on ne peut pas dire que c'est un plan de paix ni que c'est une bonne chose.

C'est un plan colonial qui consacre une tutelle coloniale sur Gaza. C'est une honte parce que ce plan continue à soutenir le génocide, l'apartheid et la colonisation. On ne parle pas des territoires occupés en Cisjordanie, on ne parle pas de Jérusalem, on ne parle pas de la fin du génocide. Et ce faisant, vous serez d'accord avec moi, ce plan rend l'avènement d'un É tat palestinien quasiment impossible. Ç a, c'est extrêmement grave et extrêmement décevant. Vous dites que l'Union européenne ne voudra pas sanctionner davantage Israël, même quand c'était au climax du génocide, l'Union européenne n'a pas fait plus d'efforts.

Mais la Belgique a du talent diplomatique. La Belgique, en tant qu' É tat membre qui compte en Europe, pourrait, d'une part, faire du lobbying à cet égard et d'autre part, être totalement irréprochable, tant au sujet des sanctions que d'un embargo – ce qui est loin d'être le cas.

La situation aujourd'hui à Gaza est catastrophique. Les bombardements continuent à Gaza – au Liban aussi, même si nous n'en avons pas parlé – et Israël continue à violer le droit international et le droit humanitaire avec une impunité totalement ahurissante. On voit que les colons sont extrêmement violents en Cisjordanie, ils deviennent de plus en plus violents. Ils bénéficient d'une espèce de totem d'impunité qui est absolument rageant. Personnellement, je suis très, très, très pessimiste pour la suite.

Malheureusement, les médias parlent de moins en moins de Gaza, comme si cet accord de cessez-le-feu avait endormi un peu les consciences. Or la situation est tout aussi dramatique aujourd'hui qu'hier et il faut poursuivre nos efforts, tant diplomatiques que médiatiques et de mobilisation sur le terrain.

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et surtout pour la franchise de vos réponses.

La résolution d'hier à l'ONU est un espoir. Nous n’en espérions pas tant, même si ce n'est pas l'idéal. Vu qu'elle a été adoptée, c'est le cadre pour les prochains mois.

On peut refuser d'y participer, mais alors pas d'influence. Alors la question est: soutenir la procédure, le processus sans perdre son âme. Et ça je crois, monsieur le ministre, que vous en êtes capable.

Aussi, vous avez dit vouloir une aide humanitaire en quantité et en qualité. Et ça, c'est très important. L'espoir d'une paix durable dans cette partie du monde ravagée quasi à jamais doit demeurer en nous. Et vous êtes notre représentant pour le défendre.

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, voorafgaand wil ik mij excuseren voor mijn laattijdigheid. Ik was belet wegens een vraag in een andere commissie aan minister Matz, uw partijgenoot.

Nu kom ik tot mijn vraag. De terroristen verblijven misschien niet in een luxehotel, maar zij zitten wel op hotel. Mogelijk kunnen ze nergens heen, maar waar zouden ze naartoe moeten als ze op hotel kunnen verblijven?

Het is ongezien dat terroristen, mensen die anderen hebben vermoord of willen vermoorden, worden vrijgelaten. Ik heb er alle begrip voor dat onschuldige Palestijnen en onschuldige Israëli’s worden vrijgelaten, maar dat terroristen worden vrijgelaten, blijft naar mijn oordeel een schande en een absurditeit.

U stelt dat wanneer die terroristen naar het Schengengebied zouden reizen, een visum moeten aanvragen en dat zij zullen worden gescreend. Dienaangaande zie ik twee problemen. Ten eerste, niets weerhoudt hen ervan om hier illegaal naartoe te komen. Ze beschikken over voldoende netwerken om onder te duiken. Ten tweede, gelooft u werkelijk dat een visumaanvraag hen zou tegenhouden? Het heeft de terrorist Trabelsi ook niet tegengehouden om naar België te komen. Dat is dus absoluut geen geruststelling, integendeel.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, merci pour toutes vos réponses. Elles montrent, même si nous ne sommes pas d'accord sur tout, qu'il y a un engagement plus que résolu de votre part. Mais, comme ma collègue Mutyebele l'a dit, la résolution de l'ONU et la force de stabilisation sont contraires à l'avis de la Cour internationale de Justice du 19 juillet 2024 ordonnant le retrait des forces israéliennes des territoires palestiniens illégaux occupés sur la base des frontières d'avant 1967. Cette résolution de l'ONU contredit une décision de la CIJ, ce qui ne peut être qu'une solution précaire, une forme de sparadrap le temps de...

Et c'est là que je vous rejoins sur une forme de méthode qu'il conviendrait d'appliquer en la circonstance. Il faut que la Belgique continue à être l'un des porte-voix pour que justice se fasse. C'est-à-dire que toutes celles et tous ceux qui ont été inculpés par la Cour pénale internationale (CPI) soient traités et déférés devant les tribunaux pour faire cesser l'occupation illégale et l'apartheid. Il convient de repartir de toutes les résolutions de l'ONU pour construire un État palestinien qui cohabitera avec l'État d'Israël. Il faut absolument éviter que le statu quo actuel et la mise en route de cette force de stabilisation et d'un régime spécial sur les territoires de Gaza ne prolongent une logique d'annexion et d'apartheid; il faut éviter que ce statu quo, à l'instar de ce que l'on a vécu en Libye ou en Irak, n'aboutisse à une situation qui soit encore pire après qu'avant.

Pour l'instant, en Palestine et à Gaza en particulier, la société civile gazaouie est complètement effondrée. Il faut donc la reconstruire et la renourrir démocratiquement. D'où mon insistance pour que Marwan Barghouti soit libéré. Je sais qu'Israël, évidemment, est contre. Je sais aussi que des Palestiniens eux-mêmes sont contre, parce que si ce personnage plus intègre que d'autres revient sur la scène nationale palestinienne, il sera certainement l'homme qui réunira les conditions d'une pacification et un interlocuteur valable. Certains n'y ont pas intérêt, surtout pas Israël, mais certains Palestiniens non plus.

Monsieur le ministre, je vous demanderai, ainsi qu'aux parlementaires de la majorité, d'être conformes et logiques avec vos engagements. Il nous faut un calendrier précis, en ce compris sur l'établissement des sanctions et cette loi qui interdit l'importation des produits des colonies; je crois qu'il est temps de le mettre à l'agenda de notre commission.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je voudrais d'abord dire mon soulagement et surtout mon espoir de voir que, même si c'est lent, imparfait et compliqué, le cadre multilatéral avance malgré tout. Il y a urgence puisque, comme vous l'avez rappelé, la situation sur le terrain est encore très instable et éminemment complexe. Néanmoins, le vote intervenu hier au Conseil de sécurité montre qu'après des mois de blocage, la communauté internationale parvient enfin à se mettre d'accord sur un horizon, une architecture de sortie de crise à Gaza, avec l'espoir, bien sûr encore éminemment fragile, d'un pas vers la sécurité sur place. Mais ce texte onusien ne sera crédible que s'il se traduit concrètement dans la vie quotidienne des familles palestiniennes et israéliennes: plus de bombardements, plus de roquettes, plus d'attaques, plus de peur, mais davantage de garanties, de protection et un respect strict du cessez-le-feu. La future force de stabilisation, les mécanismes de gouvernance transitoires et j'en passe, tout cela n'a de sens que si cela permet réellement aux enfants de Gaza de dormir sans craindre la prochaine frappe et de commencer à envisager autre chose que la survie au jour le jour. Dans ce contexte, l'angle humanitaire doit rester absolument central. Les résolutions précédentes sur Gaza rappelaient déjà l'urgence de l'accès sans entrave à l'aide, de la protection des travailleurs humanitaires et de la remise en état des infrastructures vitales. Le vote d'hier ne peut pas juste être un chapitre purement diplomatique de plus. Il doit apporter une solution politique et mener à des conséquences concrètes avec plus de convois, plus de carburants pour les hôpitaux, plus d'eau potable, plus de soutien psychologique et médical pour une population traumatisée, avec des garanties de sécurité, et aussi l'élimination du Hamas de toute gouvernance de la Palestine et sa démilitarisation. Des réformes importantes, des élections doivent remettre en selle l'Autorité palestinienne. Comme vous l'avez dit, l'Union européenne devra, bien plus que par le passé, jouer un rôle constant dans cette mise en œuvre et dans les précisions qui doivent encore intervenir, notamment sur le rôle de l'Autorité palestinienne, raison pour laquelle la pression des sanctions européennes contre le Hamas, contre les colons violents, doit être maintenue. Je vous remercie, monsieur le ministre, de maintenir ce message à la table du Conseil européen des Affaires générales. Nous serons à vos côtés chaque fois que la Belgique plaidera pour que la mise en œuvre de ce nouveau dispositif garde deux boussoles claires: la sécurité de toutes les populations et la priorité absolue donnée à l'humanitaire. Nous resterons vigilants pour que derrière les mécanismes et les textes, ce soit bien entendu des vies humaines que nous protégions.

Het gevaar voor een politieke crisis in Kameroen

Gesteld door

PS Lydia Mutyebele Ngoi

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de politieke crisis in Kameroen na de omstreden herverkiezing (op 92-jarige leeftijd) van president Paul Biya, met geweld, arrestaties van opposanten en twijfels over verkiezingstransparantie, wat de stabiliteit en ontwikkelingsprojecten bedreigt. België heeft beperkte directe investeringen (enkel indirect via BIO-Invest in een PME-actief in voedingsaroma’s), terwijl de EU via *Global Gateway* private investeringen stimuleert voor duurzame ontwikkeling, democratie en mensenrechten—maar de politieke onrust ondermijnt de effectiviteit. De Kameroense diaspora in België zwijgt uit angst voor represailles tegen familie thuis, terwijl de oppositie eist om verkiezingsfraude aan te kaarten. Kameroen blijft kritiek voor regionale stabiliteit in Centraal-Afrika, maar Biya’s harde aanpak en gebrek aan eenheid belemmeren vooruitgang—België kan slechts helpen als Kameroen zelf verandering wil.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, le président camerounais Paul Biya, au pouvoir depuis 1982 – j'avais quatre ans, vous connaissez ainsi mon âge – a été réélu à 92 ans. C'est magnifique, je ne sais pas comment il fait. Ce nouveau mandat marque une gouvernance de longue durée dans un contexte sociopolitique tendu.

Le risque de crise post-électorale en cas de réélection a été évoqué par les experts, et nous le constatons actuellement. L'arrestation d'opposants politiques, l'appel au mouvement national du candidat Issa Tchiroma Bakary contre l'investiture de Paul Biya déstabilise la situation de la région. Cette crise constitue un enjeu majeur pour la mise en œuvre des projets de développement au Cameroun.

La Belgique, en tant que partenaire de coopération internationale, finance et participe notamment via BIO-Invest à des projets d'investissement d'entreprises privées. L'Union européenne contribue également à ces initiatives dans le cadre du programme Global Gateway qui vise à encourager le secteur privé à investir afin de stimuler le développement des pays partenaires du Sud. Ces projets ont pour objectif de promouvoir les droits humains et de renforcer la participation de la société civile en soutenant la démocratie, la réforme de la justice, la gouvernance locale, l'engagement des jeunes et des réseaux associatifs.

Le Cameroun joue un grand rôle dans la clé de stabilité et du développement durable de l'Afrique centrale. La bonne gouvernance et le renforcement de la cohésion sociale apparaissent dès lors comme facteurs déterminants pour l'équilibre régional et la réussite des différents projets en cours qui, nous l'espérons, permettront au Cameroun de progresser vers l'atteinte des objectifs de développement durable (ODD).

Monsieur le ministre, quels résultats concrets les investissements belges et européens ont-ils générés au Cameroun? Quelle influence la situation politique et sociale au Cameroun exerce-t-elle sur la mise en œuvre et l'efficacité et la durabilité des projets de coopération en cours?

Maxime Prévot:

Madame Mutyebele, je voudrais commencer par vous rassurer: il n'entre nullement dans mes intentions de faire un quelconque commentaire sur votre âge, encore moins après les indices donnés qui me laissent à penser que nous sommes nés la même année.

Plus sérieusement, mes services continuent de suivre avec attention l'évolution de la situation politique au Cameroun depuis le scrutin présidentiel du 12 octobre dernier. Les résultats officiels annoncés le 27 octobre ont consacré la victoire de Paul Biya à plus de 53 %. Il a entretemps été investi président pour un huitième mandat successif.

Un des candidats de l'opposition, M. Issa Tchiroma Bakary, qui est arrivé deuxième avec une trentaine de pourcents, a vivement contesté les résultats. Des tensions ayant fait plusieurs morts ont éclaté dans diverses parties du pays. Le calme semble à présent être globalement revenu.

En ce qui concerne les investissements belges, il convient de rappeler que le Cameroun n'est pas un pays partenaire de la Coopération belge au Développement. En ce moment, BIO-Invest ne dispose que d'un seul investissement indirect au Cameroun. Concrètement, cela signifie que BIO apporte du capital à un fonds d'investissement qui accompagne des PME africaines opérant dans divers secteurs du pays. L'une des entreprises accompagnées par ce fonds est spécialisée dans le développement, le mélange et la commercialisation d'arômes alimentaires. Elle dispose de cinq sites de production en Afrique, dont un au Cameroun. Ce modèle d'investissement permet à BIO de diversifier ses risques tout en contribuant au renforcement d'un écosystème local d'investissement à impact, en ligne avec ses objectifs de développement durable.

Il est encore trop tôt pour évaluer l'impact de la situation politique actuelle sur les projets en cours, sur l'environnement économique et sur le climat des investissements. Il faudra évidemment rester vigilants à ce sujet dans les semaines et dans les mois qui viennent.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Il existe une importante diaspora camerounaise à Bruxelles et en Belgique. Je dis toujours qu'il s'agit d'une diaspora silencieuse, qui ne fait pas beaucoup de bruit. Vous ne les verrez pas dans les grandes marches et dans les manifestations réclamant le départ de Paul Biya, d'abord parce que la plupart sont devenus belges et sont parfaitement intégrés, la plupart travaillant dans le secteur médical.

La deuxième raison de ce silence, c'est que la plupart de ces personnes ont de la famille au pays. Quand on leur demande pourquoi elles ne manifestent pas leur étonnement et leur mécontentement par rapport à cette réélection, elles répondent qu'elles ont peur des conséquences de leur réaction à l'étranger sur leur famille restée au Cameroun.

Je pense donc qu'en tant que mandataires politiques, nous devons être véritablement le relais de ces préoccupations, sans bien sûr tomber dans le paternalisme et le colonialisme.

Quand on voit la manière ultra-violente dont M. Biya a répondu aux manifestations spontanées qui visaient à critiquer son élection, on peut s'interroger sur sa capacité à mener une politique unificatrice et orientée vers l'avenir.

L'opposition demande la clarté et la transparence sur les résultats des élections. J'espère qu'elle pourra recevoir des réponses convaincantes.

Le Cameroun, son peuple et ses ressources ont les moyens de mener une politique de développement incroyable et de développer une économie prospère au centre de l'Afrique. J'espère que la Belgique pourra les y aider si possible et si, bien sûr, le Cameroun le souhaite.

Voorzitter:

Les questions jointes n° 56008740C de M. Anthony Dufrane et n° 56009592C de Mme Rajae Maouane sont reportées.

De politieke situatie in Venezuela en de spanningen met de VS
De escalatie tussen de VS en Venezuela
De ?Amerikaanse militaire dreiging in Venezuela
De escalatie van de spanningen tussen de VS en Venezuela
De spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela
De Amerikaanse militaire dreiging tegen Venezuela
Amerikaans-Venezolaanse politieke en militaire spanningen

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België uit diepe bezorgdheid over de escalerende militaire spanningen tussen de VS en Venezuela—officieel gericht tegen drugshandel, maar met risico op regionale ontsporing—en benadrukt dat unilaterale VS-acties (zoals dodelijke aanvallen op boten) in strijd zijn met internationaal recht, zonder Belgische steun. De humanitaire crisis en migratie verslechteren door Venezolaanse repressie en militarisering, terwijl België via de EU en VN humanitaire hulp (€275 miljoen in 2023) en democratische druk (o.a. steun voor Nobelprijswinnaar Machado) blijft kanaliseren. Boukili eist een ondubbelzinnige veroordeling van de VS, die volgens hem onder valse voorwendsels (zoals in Irak) Venezolaanse olie wil controleren, terwijl Prévot herhaalt dat België de-escalatie en dialoog nastreeft, maar geen juridisch onwettige acties tolereert—een standpunt dat De Maegd onderschrijft, met focus op civiele bescherming en VN-mechanismen.

Voorzitter:

Mevrouw Depoorter is niet aanwezig.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, lors de notre dernier échange en commission, vous aviez décrit avec précision l'escalade entre les États-Unis et le Venezuela dans le cadre des opérations "antidrogue" en mer des Caraïbes. Depuis, la situation a encore franchi un nouveau cap.

Les États-Unis ont désormais déployé le porte-avions USS Gerald R. Ford dans la région, venant s'ajouter aux navires déjà présents.

Il s'agit, selon la presse internationale, du plus important déploiement militaire américain dans la zone depuis les années 1990.

Officiellement, il s'inscrit dans la lutte contre le narcotrafic, mais il s'accompagne d'au moins une vingtaine de frappes létales contre des embarcations suspectées, qui auraient fait plus de 70 morts depuis septembre.

En réaction, le gouvernement Maduro a annoncé une mobilisation massive des forces armées et de la Milicia Bolivariana, présentant la présence américaine comme une menace directe contre la souveraineté du pays. Des responsables onusiens ont récemment alerté le Conseil de sécurité sur le risque de dérapage régional et sur les conséquences possibles pour la stabilité des Caraïbes.

Dans ce contexte, je souhaiterais vous poser quelques questions.

1. Quelle est l'analyse belge des dernières évolutions de la situation sur place, et notamment du risque d'embrasement régional?

2. Le sujet a-t-il été abordé au niveau européen depuis nos dernières discussions, et si oui qu'en est-il ressorti?

3. Disposez-vous d'éléments récents sur l'impact de cette escalade sur la situation humanitaire et les flux migratoires dans la région?

4. Enfin, comment notre pays entend-il continuer à soutenir les mécanismes internationaux chargés de documenter et de sanctionner les violations des droits humains au Venezuela?

Je vous remercie.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, depuis août 2025, les États-Unis ont déployé dans les Caraïbes plusieurs navires de guerre stationnés à Porto Rico. Le 24 octobre, le plus grand porte-avions du monde est venu renforcer cette flotte. Tout ça s'apparente à un blocus militaire et sert de pression pour un éventuel scénario d'intervention sous couvert d'une guerre contre la drogue au Venezuela. Pourtant, selon des rapports de l'ONU et de l'agence antidrogue américaine, le Venezuela ne joue qu'un rôle marginal dans le trafic international de stupéfiants.

Ce qui se passe aujourd'hui n'a rien à voir avec la lutte contre le trafic de drogue. C'est une manœuvre politique cynique destinée à justifier une nouvelle agression. En réalité, les États-Unis comptent mettre la main sur les ressources de la région et empêcher toute alternative qui conteste la domination de Washington. Il est important de rappeler que le Venezuela a la plus grande réserve de pétrole au monde. Tout ceci n'est pas un hasard.

Monsieur le ministre, vous avez récemment déclaré que l'Amérique latine doit redevenir une priorité de la diplomatie belge et que l'Europe ne doit pas danser au rythme de Donald Trump. Mais dans ce contexte d'intervention éventuelle, vous êtes resté silencieux. Condamnez-vous sans équivoque l'usage de la force en dehors de tout cadre juridique au niveau du droit international par les États-Unis au Venezuela? Comptez-vous interpeller les autorités américaines quant à la légalité de ces opérations? Comptez-vous appeler à la désescalade, au respect du droit international ainsi qu'à la souveraineté des pays d'Amérique latine et des Caraïbes?

Maxime Prévot:

Je répondrai à MM. Boukili et De Maegd mais également aux collègues néerlandophones qui m'avaient à l'origine interrogés sur le sujet.

In Venezuela is de politieke en humanitaire situatie uiterst zorgwekkend. België is diep bezorgd over de aanhoudende repressie door de Venezolaanse autoriteiten, die het land in een van de ernstigste mensenrechtencrisissen van de afgelopen decennia hebben gestort. De recente afkondiging van de noodtoestand en de mobilisatie van 2,5 miljoen miliciens hebben geleid tot een verdere escalatie en militarisering, waardoor de toch al precaire humanitaire situatie nog meer onder druk komt te staan.

België was in juni 2023 gastland voor de internationale solidariteitsconferentie over de Venezolaanse migratiecrisis, die 275 miljoen euro opleverde voor humanitaire en ontwikkelingssteun in gastlanden. België draagt via multilaterale kanalen actief bij aan het verlichten van de noden van Venezolaanse migranten en vluchtelingen.

Hoewel er geen bilaterale projecten lopen, ondersteunt België wel regionale humanitaire hulp, onder meer via de Food and Agriculture Organization, om de voedselonzekerheid in Venezuela aan te pakken. België draagt ook bij aan het Central Emergency Response Fund van de Verenigde Naties, dat in 2025 reeds 11 miljoen euro heeft toegewezen aan Venezuela voor hulp aan kwetsbare bevolkingsgroepen.

Via de Europese Unie speelt België ook een actieve rol in het bevorderen van een democratische oplossing. In 2024 riep de Europese Raad op tot respect voor de democratische wil van het Venezolaanse volk en verklaarde dat enkel volledige en onafhankelijk verifieerbare verkiezingsresultaten zouden worden erkend.

Ik juich in die context de toekenning toe van de Nobelprijs voor de Vrede aan de Venezolaanse oppositieleidster María Corina Machado uit waardering en erkenning voor haar strijd voor democratie en vrede. De beslissing van het Nobelcomité zet de internationale oproepen voor een vreedzame overgang naar democratie extra kracht bij.

Wat de spanningen met de Verenigde Staten betreft, heb ik al meegedeeld dat die zorgwekkende escalatie nauwlettend opgevolgd wordt door mijn diensten.

La lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue forme une priorité essentielle pour notre gouvernement, et nous partageons les préoccupations américaines face à la problématique du narcotrafic. Pour autant, nos méthodes diffèrent. La Belgique et l'Union européenne sont engagées dans la lutte contre le trafic de drogue à travers une coopération durable entre les parties prenantes et dans le plein respect du droit international et des principes d'intégrité territoriale et de souveraineté, tels que consacrés dans la Charte des Nations Unies. Nous ne soutenons en aucune manière les actions unilatérales et les mesures extrajudiciaires. J'ai eu l'occasion de porter ce message de manière très claire lors de mon intervention au sommet EU-CELAC, le 9 novembre dernier, à Santa Marta, où il m'a finalement été permis d'arriver juste avant la clôture de la session.

België pleit voor de-escalatie en het behoud van vrede in de regio. Maritieme veiligheid is van cruciaal belang voor de regionale stabiliteit op het Amerikaanse continent. We moedigen de Verenigde Staten en Venezuela aan tot terughoudendheid en constructieve dialoog, met het oog op het de-escaleren van de spanningen.

Michel De Maegd:

Depuis notre dernier échange, l'escalade relative au Venezuela a pris une ampleur inédite. Le risque de dérapage dépasse largement le seul cadre du narcotrafic. Dans ce contexte, il me semble essentiel que la Belgique, avec le reste de l'Union européenne, reste vigilante en soutenant pleinement les initiatives de désescalade, en renforçant notre appui aux mécanismes internationaux de surveillance des droits humains et en maintenant notre attention sur les conséquences humanitaires et migratoires qui, selon plusieurs observateurs, s'aggravent. Notre message doit rester clair, je pense que vous partagerez ce point de vue, et la protection des populations civiles doit rester au centre de notre positionnement diplomatique.

Nabil Boukili:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je me réjouis que vous affirmiez que vous ne soutiendrez pas une intervention militaire et que vous ne soutiendrez pas l'esprit d'escalade entretenu aujourd'hui par les États-Unis. Dans ce cas, il faut être conséquent et condamner les manœuvres américaines, car il existe une volonté des États-Unis d'intervenir militairement pour s'accaparer les richesses pétrolières vénézuéliennes. Nous connaissons les États-Unis, ils n'en sont pas à leur coup d'essai. Ils sont responsables de plus de 120 interventions dans le monde, dont la majorité sont illégales. Souvenons-nous de l'Irak, où ils avaient trouvé le prétexte des armes de destruction massive. Un chiffon agité à l'Assemblée générale des Nations Unies par le secrétaire d'État américain, dont il s'est ensuite avéré qu'il s'agissait d'un mensonge. C'était un prétexte pour s'attaquer à l'Irak avec pour conséquence les destructions et les désastres que nous connaissons. Les manœuvres américaines menacent la stabilité mondiale et la paix dans le monde. Les États-Unis n'ont jamais été un facteur de paix, mais un facteur de déstabilisation et de danger pour le reste du monde. On le voit aujourd'hui, pas seulement avec le Venezuela, mais aussi avec la Colombie. Le président colombien s'est même exprimé sur le danger américain. Monsieur le ministre, il ne faut pas se cantonner à rappeler que la Belgique respecte le droit international. Il faut être conséquent et condamner fermement les manœuvres américaines. Une déclaration ne suffit pas; il faut des positions politiques claires si l'on souhaite être cohérent en matière de droit international. Je rappelle que les États-Unis n'ont pas jugé nécessaire d'intervenir en Israël ou de menacer militairement Israël qui est pourtant responsable d'un génocide. Non, ils ont armé Israël, ils ont financé le génocide. Nous faire croire que les objectifs américains ou les manœuvres américaines visent à défendre les droits humains ou les populations est donc une vaste supercherie qui n'est plus crédible aujourd'hui. Vous devez être conséquent en la matière, monsieur le ministre.

De gecoördineerde acties van de politie en de DVZ bij protesten aan de Beurs

Gesteld door

Groen Matti Vandemaele

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) grijpt in bij Palestijnse betogingen in Brussel door asielzoekers (ook met een lopende eerste aanvraag) op te sluiten in gesloten centra, vaak op basis van vermeende verstoring van de openbare orde, maar met twijfelachtige bewijslast (zoals louter deelname of luide leuzen). Politie en DVZ schuiven verantwoordelijkheid af: de politie stelt de ordeverstoring vast via een PV, terwijl de DVZ daarop baseert of ze al dan niet ingrijpt—wie het initiatief neemt blijft onduidelijk. Juridische kritiek wijst op gebrek aan concrete feiten in dossiers, terwijl de minister benadrukt dat individuele beoordeling en nationale veiligheid de opsluiting rechtvaardigen volgens artikel 74/6 van de Vreemdelingenwet. De systematische aanwezigheid van de DVZ bij Palestina-protesten roept vragen op over selectieve handhaving.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, de voorbije weken waren er bijna elke avond betogingen of demonstraties aan de Beurs in Brussel naar aanleiding van het onrecht in Gaza. Daarbij zijn verschillende Palestijnse actievoerders opgepakt en opgesloten in een gesloten centrum.

Dat roept bij mij een aantal vragen op. Die opsluitingen gebeuren omdat men stelt dat de openbare orde werd verstoord. Toch bevinden zich onder die personen mensen met een eerste asielaanvraag en een oranje kaart. Dat zijn dus geen Palestijnen die een bevel hebben gekregen om het grondgebied te verlaten.

Er circuleren intussen ook heel wat filmpjes van die arrestaties. Dat zijn natuurlijk partiële opnames van wat er is gebeurd, zonder het hele verhaal te vertellen. Er zijn echter aanwijzingen dat het moeilijk hard te maken valt dat die mensen effectief de openbare orde hebben verstoord, behalve dan door hun deelname aan een betoging of actie waarbij zij misschien wat geroepen hebben en meer decibels geproduceerd dan gemiddeld.

Is het standaard dat de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) deelneemt aan dergelijke protestmanifestaties? Gebeurt dat bij elke betoging of enkel bij ‘Gazabetogingen’? Wie maakt de inschatting dat er sprake is van een verstoring van de openbare orde? Is dat de DVZ of de politie? Welke graad van verstoring van de openbare orde rechtvaardigt dat mensen in een gesloten centrum worden opgesloten?

Is het bovendien de bedoeling dat de DVZ voortaan systematisch deelneemt aan gecoördineerde acties bij betogingen die te maken hebben met Palestina?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Vandemaele, het antwoord op uw eerste en vierde vraag – waarom de DVZ deelneemt aan die acties met de politie en of de DVZ van plan is om ook in de toekomst aan gecoördineerde acties deel te nemen – kunt u lezen in het activiteitenrapport van de DVZ. Dat gebeurt onder meer op vraag van de politie en de sociale inspectiediensten of op eigen initiatief. De DVZ neemt op het terrein deel aan acties wanneer verwacht wordt dat een groot aantal personen in onwettig verblijf geïntercepteerd zal worden.

Ten tweede, wie bepaalt, en op basis van welke criteria, dat er sprake is van een verstoring van de openbare orde? Het is de politie die op basis van de regelgeving vaststellingen doet van een verstoring van de openbare orde en daarvan een proces-verbaal opmaakt. In het administratieve verslag dat aan de Dienst Vreemdelingenzaken wordt gestuurd, wordt naar dat proces-verbaal verwezen.

Ten derde, in welke gevallen rechtvaardigt een verstoring van de openbare orde een opsluiting in een gesloten centrum bij iemand met een lopende eerste asielaanvraag? De wet voorziet in die mogelijkheid, meer bepaald in artikel 74/6, § 1, ten vierde van de vreemdelingenwet. Wanneer het op basis van een individuele beoordeling nodig blijkt en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de minister of zijn gemachtigde een verzoeker om internationale bescherming in een welbepaalde plaats in het Rijk vasthouden. Het vierde punt bepaalt de situaties waarin de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereist.

Wanneer de Dienst Vreemdelingenzaken een administratief verslag ontvangt, met vermelding van een proces-verbaal inzake de verstoring van de openbare orde door een verzoeker om internationale bescherming, kan er dus een vasthoudingsbeslissing worden genomen. Die beslissing zal, zoals elke vasthoudingsbeslissing, in feiten en rechten worden gemotiveerd.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik heb nog een aantal bijkomende vragen, maar ik zal die schriftelijk stellen, omdat we niet heen en weer mogen pingpongen. Ik ben echter benieuwd of de aanwezigheid van de Dienst Vreemdelingenzaken in deze specifieke cases op eigen initiatief gebeurde of op vraag van de politie. Ik vermoed het eerste. Ik heb dezelfde vraag aan minister Quintin gesteld en hij zei dat we bij u moesten zijn, omdat het uw bevoegdheid is. De politie zegt dus dat het de DVZ is en de DVZ zegt op zijn beurt dat het de politie is. Het is dus niet duidelijk wie het initiatief neemt om die vaststellingen te doen. Er blijft ook een zekere flou artistique bestaan over wat precies wordt beschouwd als verstoring van de openbare orde. U zegt dat een proces-verbaal waarin staat dat er sprake is van verstoring van de openbare orde volstaat. Dat is dus een inschatting die de aanwezige ambtenaren maken, waartegen de betrokken persoon echter geen verweer heeft. Volgens de advocaten en de organisaties die de betrokkenen bijstaan, zijn er in die dossiers geen elementen terug te vinden die wijzen op een verstoring van de openbare orde en toch worden die personen vastgehouden. Dat blijft een bijzondere vaststelling. Ik zal de rest van mijn vragen schriftelijk aan u bezorgen.

Het ecologische, economische en geopolitieke belang van koraalherstel

Gesteld door

N-VA Katrijn van Riet

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België zet bij COP30 in op klimaatinnovatie via publiek-private partnerschappen (bv. 3D-koraalriffen, CO₂-absorptie) en economische diplomatie, zonder extra regeldruk maar met nadruk op duurzame investeringen en kennisuitwisseling (o.a. via VLIZ, Mareco en Horizon Europe). Ecosystemen zoals Amazone en koraalriffen worden gepromoot als economische stabiliteitsfactoren, gekoppeld aan internationale solidariteit en concrete uitvoering van COP28-doelen (bv. stoppen ontbossing tegen 2030). België speelt een leidende rol in oceaan- en biodiversiteitsbeleid, onder meer als kandidaat-gastland voor het BBNJ-secretariaat en via de Ocean & Climate Change Dialogue. Innovatie en private financiering staan centraal, met steun voor Belgische instellingen via EU-subsidies en cofinancieringsplannen.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, uit het rapport Global Tipping Points blijkt dat meerdere natuurlijke systemen op onze planeet zich op een kritiek kantelpunt bevinden. Een van de meest bedreigde ecosystemen zijn de koraalriffen, die door de toenemende opwarming en verzuring van de oceanen dreigen te verdwijnen. De impact ervan laat zich niet alleen op ecologisch vlak voelen. Het gaat hier immers ook over voedselzekerheid, economische stabiliteit in kustgemeenschappen, mondiale vishandel en toerisme.

Belangrijk is dat die ecologische ontwikkelingen ons confronteren met een realiteit die ook economische en geopolitieke dimensies heeft. De wereldwijde ontwrichting van ecosystemen kan immers leiden tot migratiedruk, hogere voedselprijzen en verminderde leveringszekerheid van grondstoffen. In die zin is de bescherming van natuurlijke veerkracht geen pleidooi meer voor regulering, maar juist voor meer innovatie, efficiëntie en samenwerking tussen de private en de publieke sector. Zo is er in Monaco al het pilootproject rond de 3D-geprinte riffen van Boskalis om de mariene biodiversiteit te herstellen, of nog het RESCQ-project waarin koraalkwekerijen worden ingezet. De aankomende klimaattop COP30 in Belém biedt een unieke kans om de internationale samenwerking te versterken en om technologische oplossingen centraal te stellen.

Hoe wil België ter voorbereiding van de COP30 inzetten op de versterking van internationale samenwerking op het vlak van klimaatinnovatie zonder bijkomende regeldruk voor bedrijven? Wordt daarbij gedacht aan publiek-private partnerschappen of kennisuitwisseling met innovatieve landen of bedrijven?

Op welke manier zal België er tijdens de COP30 op aandringen dat ecosystemen zoals de Amazone en de koraalriffen niet enkel als natuurgebieden, maar ook als economische stabiliteitsfactoren worden erkend, met aandacht voor duurzame investeringen, handel en internationale solidariteit?

Ziet u mogelijkheden om Belgische kennisinstellingen en bedrijven, zoals Mareco en het VLIZ te betrekken bij internationale projecten die inzetten op het herstel of de bescherming van ecosystemen door middel van innovatie, zoals CO 2 -absorptie, duurzame aquacultuur of mariene technologie?

Jean-Luc Crucke:

Hoe wil België in de aanloop naar COP30 inzetten op de versterking van de internationale samenwerking op het vlak van klimaatinnovatie, zonder bijkomende regeldruk voor bedrijven? Wordt daarbij gedacht aan publiek-private partnerschappen of aan kennisuitwisseling met innovatieve ondernemingen? Het overschrijden van de planetaire grens heeft inderdaad niet enkel ecologische gevolgen, maar bedreigt ook in zeer ernstige mate onze economie. Ik ben blij dat u die analyse deelt. De bescherming van de natuurlijke veerkracht moet dan ook een prioriteit zijn. Innovatie, efficiëntie en samenwerking met de private sector vormen daarbij een belangrijk onderdeel.

Regelgeving moet echter eveneens deel uitmaken van de aanpak om te voorkomen dat innovatie ongewild nieuwe problemen veroorzaakt die de situatie kunnen verergeren. Het is daarom van groot belang dat bedrijven een voortrekkersrol opnemen. De regering hecht veel belang aan hun betrokkenheid bij de klimaattransitie. Innovatie en samenwerking, onder meer tussen de publieke en de private sector, zijn immers essentieel om de noodzakelijke vooruitgang te realiseren.

In het kader van COP30 moet België een brede betrokkenheid van de verschillende actoren waaronder wetenschappers, onderzoekers en bedrijven, nastreven om de uitwisseling en samenwerking op het vlak van klimaatinnovatie te bevorderen. Dat helpt netwerken te versterken en partnerschappen op alle niveaus te ontwikkelen.

Daarnaast herinner ik eraan dat in het kader van het regeerakkoord de economische diplomatie wordt versterkt, met bijzondere aandacht voor de transitie naar een duurzame, koolstofneutrale economie.

Ten slotte bestaan er in het mechanisme van het VN-klimaatverdrag verschillende netwerken en internationale organen die zich toeleggen op de ontwikkeling en overdracht van technologieën om ontwikkelingslanden gemakkelijker toegang te geven tot klimaattechnologieën en innovatieve oplossingen. Zo was het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek tot enkele jaren geleden lid van het Technology Executive Committee.

Hoe zal België tijdens COP30 aandringen op de erkenning van ecosystemen zoals de Amazone en de koraalriffen, niet alleen als natuurgebieden, maar ook als economische stabiliteitsfactoren, met bijzondere aandacht voor duurzame investeringen, handel en internationale solidariteit? Tijdens COP30 zal België de synergieën tussen klimaat, biodiversiteit en ecosysteembescherming onderstrepen door aan te dringen op de uitvoering van de tijdens COP28 afgesproken doelstellingen met betrekking tot onder andere ontbossing en bosdegradatie en aanmoediging van natuurgebaseerde adaptatieacties.

Als kandidaat-gastland voor het secretariaat van het Biodiversity Beyond National Jurisdiction Treaty en cofacilitator van de Ocean & Climate Change Dialogue wil België ook oceaangebaseerde klimaatactie integreren in beleidsinstrumenten voor zowel mitigatie als adaptatie, met het oog op het bereiken van de 1,5 °C-doelstelling en het versterken van de weerbaarheid van kwetsbare kustregio's. Gedurende de Ocean & Climate Change Dialogue worden ook private partners uitgenodigd om een bijdrage te leveren. België zal bijzondere aandacht besteden aan de concrete uitvoering van de tijdens COP28 aangenomen doelstellingen om ontbossing en bosdegradatie tegen 2030 te stoppen en vervolgens om te keren.

Het stimuleren van duurzame investeringen, ook door private actoren, is een van de redenen waarom België zal blijven aandringen op een vervolg van de Baku to Belém roadmap , waarmee tijdens COP29 werd gestart, evenals op het proces voor de operationalisering van artikel 2.1.c van de Overeenkomst van Parijs, met als doel alle financiële stromen in lijn te brengen met de doelstellingen van de overeenkomst.

Zie ik mogelijkheden om Belgische kennisinstellingen en bedrijven zoals Mareco en het VLIZ te betrekken bij internationale projecten die gericht zijn op het herstel of de bescherming van ecosystemen door middel van innovatie, zoals CO ₂ -absorptie, duurzame aquacultuur of mariene technologie? Zeker, dat kan bijvoorbeeld door de blijvende deelname van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid BELSPO via het budget Science for Policy en andere onderzoeksfinanciers zoals het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek en het Fonds de la Recherche Scientifique, in huidige of toekomstige projectoproepen van het Europese Sustainable Blue Economy Partnership.

Financieel engagement is eveneens belangrijk. In de context van het partnerschap moet een cofinancieringsplan van de lidstaten worden ingediend voor de komende oproep. Dat kan bijkomende activiteiten omvatten waarbij Belgische instellingen, zoals het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en het Vlaams Instituut voor de Zee rechtstreeks betrokken kunnen zijn. Daarnaast bestaan er competitieve projectoproepen in het kaderprogramma Horizon Europe.

Katrijn van Riet:

Dank u wel, minister, voor uw antwoord. Ik maak hieruit op dat u zich bewust bent van de noodzaak tot publiek-private samenwerking, dat de economische diplomatie de nodige aandacht moet vestigen op de ecologische transitie en dat op de COP28 overeengekomen maatregelen zeker moeten worden uitgevoerd. Ik zal dat samen met u verder opvolgen. Ik voeg nog even een persoonlijke noot toe. Tijdens het diepzeeduiken in Curaçao en Bonaire in de Nederlandse Antillen was ik er getuige van hoe koraalriffen opnieuw gestekt en geplant werden om zo uit te breiden. Dat bleek daar vrij succesvol. De voorzitster : Mevrouw Van der Straeten en de heer Cornillie zijn niet aanwezig om hun vragen nrs. 56009276C, respectievelijk 56009652C en 56009654C te stellen. Hun vragen worden omgezet in schriftelijke vragen of worden uitgesteld. Ik dank de leden en de minister voor hun aanwezigheid. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.50 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 50.

De goede samenwerking tussen het spoorpersoneel en de politie

Gesteld door

VB Frank Troosters

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Crucke bevestigt dat de samenwerking tussen Securail, politie (lokaal/federaal) en justitie structureel is verankerd via protocollen, realtime cameratoegang voor 124 zones en gecoördineerde risicoanalyses, met extra Securail-patrouilles op kwetsbare lijnen en tijdstippen. Nieuwe maatregelen omvatten bodycams voor personeel, sensibiliseringscampagnes en versterkte lokale samenwerking met steden/gemeenten voor complexe problemen zoals drugs en illegaliteit. Een juridisch kader in uitvoering (via het regeerakkoord) moet de operationele coördinatie tussen politie en Securail verder optimaliseren, met een nieuw bestuur voor strategische afstemming. De focus ligt op zichtbare preventie, technologische ondersteuning en integrale verantwoordelijkheidsverdeling.

Frank Troosters:

Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Dankzij de alertheid en het goede handelen van een treinbegeleidster, het knappe optreden van Securail-agenten en de goede samenwerking met de politie konden drie mannen die de bagage van een treinreiziger op een ochtendtrein richting Luxembourg hadden gestolen gevat worden in Gembloux. Dit collectieve optreden verdient alle lof en toont het belang van een goede onderlinge samenwerking tussen de betrokken instanties aan. Helaas is dit niet altijd het geval en dient er werk gemaakt te worden van een betere samenwerking tussen Securail en politiediensten.

Welke acties heeft de minister recent nog genomen om de samenwerking tussen de veiligheidsdienst van de NMBS (Securail) en de Spoorwegpolitie en lokale politiezones te verbeteren?

Welke maatregelen dienaangaande zal de minister nog nemen?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Troosters, het is essentieel dat reizigers zich veilig voelen in het station en op de trein. De NMBS neemt daarvoor voortdurend bijkomende initiatieven binnen haar bevoegdheden en werkt daarvoor samen met verschillende partners.

De veiligheidsaanpak steunt op drie pijlers: de zichtbare aanwezigheid van veiligheidspersoneel, technopreventieve middelen zoals camera's, en samenwerking met de federale en lokale politiediensten en Justitie. De samenwerking tussen de NMBS, Securail en de politiediensten is structureel verankerd. Er zijn afspraken over informatie-uitwisseling, gecoördineerde acties en regelmatige overlegmomenten. Dat overleg maakt het mogelijk om snel en efficiënt te reageren bij ernstige incidenten en versterkt de gezamenlijke aanpak van veiligheidsproblemen.

Sinds deze zomer hebben 124 lokale politiezones en 32 federale politie-entiteiten operationeel toegang tot de camerabeelden van de NMBS in en rond de stations. Die beelden zijn enkel in realtime beschikbaar in het kader van bestuurlijke of gerechtelijke opdrachten. Elke politiezone heeft daarvoor een protocolakkoord ondertekend.

De inzet van Securailagenten werd versterkt, waardoor onder meer de up-frontticketcontrole is uitgebreid en extra patrouilles kunnen plaatsvinden op risicovolle treinen en lijnen met bijzondere aandacht voor vroege en late ritten. Securail werkt zonegericht en kan zo flexibel inspelen op lokale noden en hotspots.

Op basis van meldingen aan het Security Operations Center voert de NMBS regelmatig risicoanalyses uit om kwetsbare stations en verbindingen te identificeren. Er wordt ook onderzocht hoe het gebruik van bodycams voor veiligheidspersoneel en treinbegeleiders mogelijk kan worden gemaakt. Daarnaast overlegt de NMBS met regionale openbare vervoersoperatoren om via gezamenlijke acties reizigers en personeel te sensibiliseren en hun veiligheidsgevoel te versterken. Belangrijke elementen zijn het 24/7-bereikbare noodnummer van Securail, de rol van de treinbegeleider als eerste aanspreekpunt, extra Securailpatrouilles en het gebruik van camera's aan boord en in stations.

Tot slot werkt de NMBS structureel samen met steden en gemeenten. Met veel steden zijn er concrete afspraken gemaakt over de veiligheid in de stationsomgeving, vaak in samenwerking met de lokale politie en sociale diensten. Het blijft cruciaal dat alle betrokken partijen verantwoordelijkheid opnemen, zeker bij complexe problematiek zoals drugs, mensen zonder wettig verblijf of conflicten in de stationsomgeving.

Ik zal eveneens blijven inzetten op een betere coördinatie van het integrale veiligheidsbeleid op het vlak van vervoer en infrastructuur van ons spoorwegnet.

Het regeerakkoord voorziet in een bundeling van de bevoegdheden inzake veiligheid. Concreet zullen we de juridische middelen opstellen die het mogelijk maken om de operationele samenwerking tussen de politie en Securail beter te structureren, aangezien beide entiteiten actief zijn op dat domein. In het kader van een medevoogdijschap met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken zal een bestuur worden ingevoerd dat voorziet in een versterkte synergie bij de uitwerking en uitvoering van de strategische en operationele planning van Securail in coördinatie met het geïntegreerd veiligheidsactieplan van de NMBS.

Frank Troosters:

Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Het structurele tekort bij de luchtvaartpolitie en de wachttijden aan de grenscontrole
De toekomst van Brussels Airport
Capaciteitsuitdagingen in luchtvaartveiligheid en luchthavenontwikkeling

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De structurele wachttijden van gemiddeld 3+ uur aan de grenscontrole op Brussels Airport (door personeelstekort van 23% bij de luchtvaartpolitie en fysieke capaciteitslimieten) ondermijnen de economische aantrekkelijkheid van de luchthaven, met waarschuwingen van multinationals, ambassades en luchtvaartpartners om Brussel te vermijden. Minister Quintin erkent het probleem en wijst op tijdelijke oplossingen (zomerplan met herverdeling personeel, 20% meer controleposten, Frontex-ondersteuning) en toekomstplannen (60 extra agenten tegen eind 2026, conclaaf over aantrekkelijkheid politiewerk), maar kritiek blijft dat dit onvoldoende en niet structureel is—met name door de dreigende vertragingen door het nieuwe EES-systeem en de onmogelijkheid om vluchtschema’s (hubfunctie) aan te passen. De kernkwestie blijft: te weinig grenscontroleurs, te trage oplossingen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, u kent het probleem en u onderschat het zeker niet, daar ben ik mij van bewust. Het probleem blijft echter bestaan en sleept al zeer lang aan. Ik herinner mij de vele antwoorden en beloftes van minister Verlinden in de vorige legislatuur als minister van Binnenlandse Zaken. Zij was toen al op de hoogte van het probleem en kwam eveneens aandraven met allerlei maatregelen.

Ik moet echter vaststellen, mijnheer de minister, dat in de eerste helft van dit jaar de wachttijden aan de grenscontrole gemiddeld opliepen tot 194 minuten; dat is meer dan drie uur. Het klopt dat u in juni een zomerplan hebt gelanceerd, maar ook in de zomermaanden bleven er pieken, wat gezien de drukte begrijpelijk is. Men moet echter voorbereid zijn op wat komt, en toch waren er nog altijd pieken tot twee uur. Dit moet, mijnheer de minister, kordaat worden aangepakt met een aantal structurele maatregelen op korte en middellange termijn. Daarover gaan ook mijn vragen.

Hoe zal men vooral de capaciteit van de luchtvaartpolitie opschalen? Op dit moment zijn er – als ik mij niet vergis – ongeveer 200 grenscontroleurs, terwijl dat er op papier eigenlijk 250 moeten zijn. Zult u daar iets concreets mee doen? Is er een invulplan om dit actuele tekort weg te werken? En is het mogelijk om een aantal niet-kerntaken van de luchtvaartpolitie over te dragen aan andere diensten om de grenscontrole te vrijwaren? Ik denk dat we ons ervan bewust moeten zijn dat grenscontroleurs een zeer belangrijke taak vervullen voor ons land, niet het minst omdat het een risicovolle opdracht is. Ik denk dat we daar alle aandacht naartoe moeten laten gaan.

Jeroen Bergers:

Beste minister Quintin, Brussels Airport Zaventem is niet alleen een interessante plek voor toeristen die via Brussel op reis willen vertrekken of die Brussel willen bezoeken, het is tevens een van de belangrijkste economische motoren van ons land. Brussels Airport Zaventem is bijgevolg ook een zeer belangrijke werkgever in ons land. Het is zelfs de grootste private werkgever van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Enkel de overheid stelt meer mensen te werk in onze hoofdstad.

Het lijkt de N-VA-fractie niet meer dan normaal dat we die economische activiteiten ondersteunen en zelfs uitbreiden. Wij merken echter verschillende signalen op dat de luchthaven steeds minder als een aantrekkelijke partner wordt gezien. De grensproblematiek, die zijn toppunt bereikte na de recente cyberaanval, is een probleem dat al lange tijd aansleept en vormt een centraal punt in de kritiek op de werking van onze luchthaven. Volgens onze informatie – ik vraag me af of die correct is, maar dat zal ik ongetwijfeld van u horen – is er bij de grenscontroles een tekort van ruim 110 personeelsleden. Verder kampt de luchtvaartpolitie op de luchthaven van Zaventem met een personeelstekort van maar liefst 23 %. U gaf zelf al aan dat het heel moeilijk is om agenten te werven die Nederlands spreken. In hetzelfde artikel maakte u gewag van een zomerplan van de federale politie dat de capaciteitstekorten in de komende piekperiode had moeten oplossen.

Enkele zorgwekkende signalen die ons hebben bereikt, wijzen erop dat de Port of Singapore Authority, die nauw samenwerkt met de Antwerpse haven, waarvoor onlangs ook een rechtstreekse verbinding werd geopend tussen Singapore en onze luchthaven, aan haar personeel de boodschap meegeeft: vlieg niet via Brussel, maar via Parijs of Schiphol, want in Brussel moet men te lang in de wachtrij staan. Verschillende westerse ambassades adviseren hun onderdanen en medewerkers om niet via Brussel te reizen. Meerdere multinationals met grote activiteiten en investeringsplannen in België hebben ons eveneens gecontacteerd om te wijzen op de lange wachttijden, die het minder aantrekkelijk maken om in ons land te investeren.

Tot slot krijgt BAC van bepaalde luchtvaartmaatschappijen geen nieuwe, bijkomende intercontinentale verbindingen zolang die problemen niet zijn opgelost. Ik denk dan in het bijzonder aan verbindingen met de westkust van Amerika. Dat is toch redelijk problematisch. Ik neem aan dat u dit als voormalig diplomaat zeker begrijpt.

Wanneer zowel de economische als de investeringsaantrekkelijkheid daalt, zal de luchthaven in de problemen komen en dat moeten we vermijden. Daarom is het belangrijk dat we het personeelstekort terugdringen, dat we kwalitatief personeel aanwerven en dat we deze problemen kunnen oplossen.

Hoe evalueert u deze problemen? Hebt u daar weet van? Welke maatregelen neemt u om deze problemen te verhelpen? Hoe staat het ondertussen met het rekruteringsbeleid? Wat is uw evaluatie van het zomerplan dat werd uitgetekend? Heeft dat voor extra personeel op de werkvloer gezorgd?

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, de versterkingsstrategie van de luchtvaartpolitie en bij uitbreiding de federale politie, zoals voorzien in het regeerakkoord, is concreet vertaald in het strategisch plan van de federale politie. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan het plan voor de selectie en opleiding van versterkingen. Concreet is het de ambitie om tegen eind 2026 ruim 60 bijkomende personeelsleden bij de LPA aan het werk te krijgen.

De aantrekkelijkheid van bepaalde functies is zonder twijfel een belangrijk aandachtspunt, waaraan ik bijzondere aandacht besteed. Deze kwestie zal worden besproken tijdens een conclaaf dat tegen het einde van dit jaar zal worden georganiseerd, met als doel om, in overleg met alle partners, de nodige en haalbare maatregelen te identificeren om de aantrekkelijkheid van de geïntegreerde politie als geheel te versterken. In het kader van het strategisch plan van de federale politie worden de personeelsaantallen van de luchtvaartpolitie versterkt. In dit verband wordt er bijzondere opvolging voorzien door zowel de federale politie als door mijzelf.

Tijdens de drukke zomerperiode op Brussels Airport, vooral op de zogenaamde oranje en rode dagen met veel aankomende en vertrekkende passagiers, nam de federale politie extra maatregelen om alles vlot te laten verlopen. Om voldoende personeel te voorzien, werden op piekdagen eerst medewerkers van andere diensten van de luchtvaartpolitie op Brussels Airport ingezet. Als dat niet volstond, werd bijkomende versterking gevraagd aan andere federale eenheden, zoals de scheepvaartpolitie, de spoorwegpolitie, de Directie openbare veiligheid en het interventiekorps Halle-Vilvoorde. Het aantal controleposities voor aankomende passagiers werd met 20 % verhoogd, goed voor duizenden werkuren om alle posities permanent te kunnen bemannen.

Naast extra personeel werden ook de passagiersstromen beter georganiseerd, met als doel een efficiënte doorstroming en een optimaal gebruik van de beschikbare infrastructuur, zoals de automatische grenscontrolepoorten aan de e-gates. De passagiersstromen en wachttijden werden live opgevolgd dankzij de samenwerking met Brussels Airport en de digitale tools die door de luchthaven ter beschikking werden gesteld. Tot slot werd, vóór de start van het zomerplan, geïnvesteerd in de opleiding van personeel van andere eenheden tot assistent-grenswachter, zodat die diensten tijdens de zomerperiode konden worden ingezet als versterking.

Het ontstaan van wachtrijen blijft echter mogelijk. De oorzaak daarvan is multifactorieel en verbonden aan de intrinsieke realiteit van een internationale luchthaven zoals Brussel Nationaal. Dat betekent niet dat er geen ruimte meer is voor verbetering, integendeel. Net als u wil ik dat wachtrijen vermeden worden. Daarom leg ik de laatste hand aan het structurele rekruteringsplan van de LPA. Ik moet wel herhalen dat we momenteel te maken hebben met een tekort van 23 % bij de LPA in Brussel Nationaal. Die situatie is gewoonweg onwerkbaar. Dat is geen nieuwe werkelijkheid, maar ik werk er concreet aan.

Het spreekt voor zich dat de toekomstige politiemensen perfect opgeleid moeten zijn, want zoals u in uw vraag aangeeft, is het absoluut noodzakelijk dat de controles streng en doeltreffend blijven. Alle passagiers die zich aanbieden aan de grenscontrole worden systematisch onderworpen aan de noodzakelijke controles, zoals opgelegd door de Schengengrenscode. Daarnaast werd op 12 oktober gestart met de gefaseerde ingebruikname van het Entry Exit System (EES). Dat geautomatiseerde Europese informatiesysteem registreert de gegevens van reizigers uit derde landen – ongeacht of ze een visum hebben of vrijgesteld zijn – telkens wanneer ze een buitengrens van de Europese Unie overschrijden. Het systeem zal bijdragen tot het voorkomen van illegale migratie en het verhogen van de veiligheid van Europese burgers.

Zoals eerder aangegeven, past de federale politie een operationeel versterkingsmechanisme toe waarmee het mogelijk is het nodige aantal grenscontroleurs in te zetten om de controleposten te bemannen, in overeenstemming met de operationele behoeften. Bovendien zal door de implementatie van de rechtsgrondslag die het mogelijk maakt van Frontex-agenten gebruik te maken ook een versterking van de LPA mogelijk worden.

Al sinds september is er een versterking van de escortmissie. We willen in de komende maanden een dergelijke Frontex-versterking implementeren die gericht is op grenscontrole. We blijven hierover ook overleggen met Brussels Airport Company.

Tot slot wil ik nog vermelden dat de inspanningen die sinds juni geleverd zijn, geleid hebben tot verbeteringen die door Brussels Airport Company erkend worden. We moeten echter blijven doorgaan, en dat doen we ook in samenwerking met de uitbater. Ik wil toch benadrukken dat iedereen zijn job moet doen. Ik denk dat ik met het zomerplan mijn job heb gedaan, net als de federale politie.

Voor degenen die vluchten hebben genomen, ik was zelf vaak aanwezig op vluchten vanuit Afrika tijdens mijn carrière. Er zijn veel vluchten die op hetzelfde moment aankomen vanuit Afrika en de Verenigde Staten van Amerika. Als er zeven, acht of negen vliegtuigen aankomen met telkens 200 à 300 mensen aan boord, dan zijn er ook op zo’n moment maar twaalf controleposten beschikbaar. Dat is een fysieke beperking. Daarom heb ik ook aan de BCA gevraagd om de aankomst van de vluchten enigszins te reguleren. Op een bepaald moment is het immers fysiek onmogelijk om duizenden mensen tegelijk te ontvangen met slechts twaalf posten en de bestaande IT-systemen. Dat is dus ook een praktische moeilijkheid.

Tot slot wil ik erop wijzen, mijnheer Bergers, dat de cyberaanval van eind september betrekking had op het inchecksysteem van de luchthaven en niet op het grenscontrolesysteem. Die aanval heeft overigens ook andere Europese luchthavens getroffen. Het ging om een provider van de luchthaven die zelfs niet in België is gevestigd.

Ortwin Depoortere:

Dank u voor uw omstandig antwoord, mijnheer de minister. U zult het ermee eens zijn dat de maatregelen die u hier opsomt – wat u hebt ondernomen in 2025 tijdens de piekmaanden, namelijk het aantal controleposten, de verschuivingen binnen de federale politie en opleidingen die in sneltempo werden georganiseerd om mensen toch te kunnen inschakelen – misschien wel noodzakelijk waren op dat moment, maar dat het absoluut geen structurele maatregelen zijn.

U bevestigt het zelf vandaag: er is een tekort van 23 % bij de LPA, en u stelt daartegenover dat er eind 2026 60 bijkomende agenten zullen zijn bij de LPA. Dat is te weinig, denk ik. U zult een tandje moeten bijsteken. Zestig bijkomende LPA-agenten en vervolgens een conclaaf om te bekijken hoe de aantrekkelijkheid van de federale politie kan worden verhoogd… Met alle respect, maar ook dat zal de situatie op het terrein niet onmiddellijk oplossen.

Daarom vraag ik u nogmaals, mijnheer de minister – u hebt samen met ons dezelfde analyse gemaakt en de ernst van het probleem ingeschat – om in sneltempo te werken aan structurele maatregelen.

U somde een aantal andere elementen op die te maken hebben met externe factoren, waarmee wij trouwens akkoord gaan. Het EES-systeem hebben we, denk ik, zelfs unaniem goedgekeurd in de plenaire vergadering. Ik weet niet of het echt unaniem was, mijnheer Bergers, maar onze partijen zijn het daar alleszins volmondig mee eens. Dat is ook een goede zaak om onze binnengrenzen beter te beschermen.

Ik heb u niet helemaal begrepen, mijnheer de minister, toen het ging over de versterking via Frontex. Bedoelt u dat er nog regelgeving nodig is vooraleer we die Frontex-agenten kunnen inschakelen of kunnen wij die nu al inschakelen in het systeem? U knikt bevestigend. Dat doet mij uiteraard plezier.

Wat de regeling betreft die BIAC moet invoeren voor de aankomende vluchten, ik denk dat iedereen het daar wel over eens is, maar technisch is dat een heel andere kluif. Ik denk ook niet dat dat onder de bevoegdheid van de commissie voor Binnenlandse Zaken valt. Ik hoop evenwel dat dit ook een deeltje van de oplossing kan zijn, maar ik hamer erop dat er structurele maatregelen genomen moeten worden.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het zal inderdaad nodig zijn om extra maatregelen te nemen als we die problemen echt willen oplossen. Uit de laatste gegevens bleek dat er acht medewerkers van Frontex actief zijn op de luchthaven. Is dat nog steeds het geval of is dat aantal al toegenomen? U knikt, dus dat is nog steeds het geval. Ik hoop dat het er een pak meer kunnen worden. Dat zal dan een van de maatregelen zijn, maar dat is nog steeds niet voldoende.

Het is heel belangrijk dat we daar snel stappen vooruit zetten omdat de implementatie van het EES-systeem dat u aanhoudt er vermoedelijk voor zal zorgen dat, zeker in het begin, de wachtrijen nog langer worden. Het is enorm belangrijk dat we die controles in heel Europa opvoeren, maar dat heeft een impact op de wachtrijen en daarom moet er ook voldoende capaciteit zijn om die toestroom aan mensen te verwerken.

U zegt dat BAC de vluchten moet herindelen, zodat er minder vluchten op hetzelfde moment toekomen. Ik kan begrijpen dat u dat zegt vanuit een reflex van gezond verstand, maar er zijn heel duidelijke redenen waarom dat zo wordt geregeld. Die vluchten, zeker vanuit Afrika, komen allemaal ’s ochtends op hetzelfde moment aan, omdat ze van de luchthaven van Zaventem naar de rest van Europa en zelfs naar andere continenten vertrekken. Dat is net de specialiteit van de luchthaven van Zaventem. In heel Europa is deze luchthaven er de beste in om die Afrikaanse vluchten hier binnen te halen en dan te zorgen voor de verdere verdeling.

Als die vluchten ’s ochtends niet op hetzelfde moment zouden kunnen binnenkomen, dan zou dat de economische troef van de luchthaven om ze door te spelen, om die interconnectieve hub te zijn, ondermijnen, wat volgens mij niet de bedoeling kan zijn. Het is dus echt belangrijk dat er capaciteit is om die controles naar behoren uit te voeren en ervoor te zorgen dat er geen ellenlange wachtrijen zijn.

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, dit is een interessant debat, maar het is geen kwestie van capaciteit van de luchtvaartpolitie. Deze zomer waren er immers meer dan genoeg mensen om alle posten in te vullen.

Zaventem is inderdaad een hub, zeker vanuit Afrika naar de rest van de wereld, en het is heel belangrijk dat het dat ook blijft, maar het is een puur praktisch probleem gedurende de zomervakantie. U weet dat minderjarige kinderen niet door het EES mogen. Dat betekent dat heel de familie de 12 posten moet passeren.

Iedereen moet meewerken en iedereen werkt ook effectief mee. Ik kan veel dingen doen, maar ik kan niet alles oplossen.

Dat moet ook duidelijk zijn. Er zijn 12 posten omdat er onvoldoende ruimte is om er meer te voorzien. Dat is een fysieke realiteit.

Ik ben niet degene die beslist voor de BAC, maar nogmaals: wij werken goed samen. We hebben een goed overleg. Ik ben een man van overleg, dus ik overleg daar veel. We doen ons best.

Wat het conclaaf betreft, als het mogelijk is om daar meer dan 60 mensen heen te sturen, dan ben ik een gelukkige minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de federale politie. Er is echter een probleem met de aantrekkelijkheid van het politiewerk en dat is niet nieuw. Misschien ben ik de minister die de meeste aandacht aan dat probleem besteedt. Het conclaaf zal tegen het einde van het jaar plaatsvinden. Daar zal niets gewoon vastgesteld worden, maar zullen concrete maatregelen worden uitgevoerd.

Ortwin Depoortere:

Bedankt, mijnheer de minister. Ik heb geen verdere opmerkingen.

Jeroen Bergers:

Ik ook niet.

De federale gerechtelijke politie van Charleroi

Gesteld door

PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De politiejudiciële federale (PJF) in Charleroi kampt met een tekort van 31 agenten (op 244) en zwakke capaciteit (met name bij drugsonderzoeken), wat de bestrijding van georganiseerde criminaliteit ondermijnt. Minister Quintin belooft een groeitraject tot 218 medewerkers (2026), prioritaire versterking voor Brussel, Antwerpen, DSU en LPA, en een herziening van starre personeelsplannen om flexibeler in te spelen op veiligheidsuitdagingen, maar concrete budgettaire toezeggingen ontbreken nog. Thiébaut kritiseert vertragende evaluaties (zoals onder vorige ministers) en dringt aan op snelle financiële actie en herstel van geschrapte premies/overuur om het aantrekkingsvermogen van de PJF te herstellen. Quintin benadrukt lopende onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden maar geeft geen directe oplossingen voor de structurele onderbezetting en attractiviteitsproblemen.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, la police judiciaire fédérale est un maillon central de la lutte contre la criminalité dans notre pays. Nous nous souvenons tous et toutes du cri d'alarme des plus hauts magistrats du pays, ainsi que du directeur général du pilier judiciaire de la police fédérale, devenu entre-temps, commissaire général. Il nous a présenté une vision stratégique importante, il y a quelques jours, en cette commission.

Force est de constater que si l'actualité pointe à raison régulièrement le besoin de renforts à la PJF de Bruxelles et d'Anvers, face à la criminalité liée essentiellement aux réseaux de drogue, la situation à Charleroi est également critique. Charleroi est la première ville de Wallonie. Il manque près de 40 enquêteurs sur un effectif prévu d'environ 200 personnes. Cela déforce toute la chaîne de sécurité dans la région de Charleroi. À titre d'exemple, la section stupéfiants de la PJF de Charleroi s'avérerait être l'une des sections les moins dotées de notre pays dans cette matière. Ce manque de moyens et de capacité compromet l'efficacité de la lutte contre le crime organisé et le démantèlement des réseaux dans cette région.

Monsieur le ministre, face à cette situation inquiétante, quels sont vos engagements en termes budgétaires et de ressources humaines pour combler le cadre de la PJF de Charleroi, voire le renforcer? Quel en serait l'agenda? Pouvez-vous également me faire le point des recrutements et effectifs dans les autres PJF du pays? Le ministre Jambon avait supprimé de nombreuses primes impactant durement les recrutements et l'attractivité de la PJF, alors que le travail y est particulièrement complexe et lourd. Les heures supplémentaires ont été suspendues, ce qui réduit également fortement la flexibilité opérationnelle. Qu'allez-vous faire pour améliorer cette situation en concertation notamment avec les syndicats policiers?

Bernard Quintin:

Je vous remercie pour votre question, monsieur Thiébaut.

En ce qui concerne les chiffres, fin septembre 2025, la police judiciaire fédérale de Charleroi comptait plus de 213 collaborateurs pour un cadre fixé à 244. Nous avons donc un déficit réel de 31 collaborateurs. Lors du dernier cycle de mobilité, le nombre d’emplois ouverts a été de six. Il s’agit concrètement de six postes, dont deux pour la lutte contre les drogues. Les autres concernent l’Ecofin, Terro et les violences au sein de la PJF.

Comme vous le savez, l’accord de gouvernement prévoit un renforcement structurel des PJF d’Anvers et de Bruxelles, de la Direction des Unités Spéciales (DSU), ainsi que de la Direction de la Police Aéronautique (LPA) de l’aéroport de Bruxelles-National. J’ai décidé d’y ajouter la question de la réserve fédérale, car après neuf mois, je me rends compte – et j’ai eu l’occasion de le dire dans d’autres réponses – que cette réserve fédérale, au sens large du terme, n’est plus suffisante pour assurer une mobilisation efficace, notamment face aux différents défis, y compris les défis nouveaux auxquels la police doit faire face. Cela signifie donc un renforcement prioritaire pour trois services de la police judiciaire fédérale. La DSU, comme vous le savez, dépend également de la PJF.

Une trajectoire de croissance a été élaborée à cet effet, jusqu’à fin 2026. Des objectifs ont aussi été fixés pour les autres services. Une trajectoire de croissance spécifique a été définie pour la PJF de Charleroi, avec pour objectif d’atteindre 218 collaborateurs, dont 182 opérationnels et 36 au cadre logistique.

L’accord de gouvernement prévoit également une évaluation de la charge de travail au sein de la police judiciaire fédérale. Celle-ci a été lancée, et les résultats sont attendus pour la mi-2026. Cela permettra de prendre les mesures nécessaires afin d’adapter au mieux les capacités disponibles aux besoins opérationnels.

Je tiens également à rappeler que la capacité de la police fédérale est encore gérée sur la base de tableaux organiques, datés et rigides, qui ne correspondent plus aux besoins actuels. L’objectif est de traduire les besoins de l’organisation – répartition des capacités, profils requis, etc. – dans un plan de personnel qui fixe les orientations pour les années à venir, mais qui puisse aussi être adapté rapidement en fonction de l’évolution des phénomènes de sécurité et des moyens disponibles. Cela nécessitera toutefois une adaptation du cadre réglementaire, avec toutes les concertations qui y sont liées. J’ai demandé à la police fédérale de se pencher sur cette question.

Enfin, je suis particulièrement attentif, comme vous le savez, à l’attractivité du métier de policier. Vous avez évoqué la question des primes. C’est évidemment un élément qui sera sur la table lors du conclave. Plus j’en parle, plus je mesure l’ampleur de la tâche, et plus il me paraît absolument essentiel de la mener à bien pour répondre aux exigences et aux attentes liées à ce beau métier.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je dirais simplement qu'avant vous, il y avait une ministre de l'Intérieur qui a aussi lancé beaucoup d'évaluations. Avant de prendre des décisions, on lançait constamment des évaluations et, une fois les évaluations terminées, il n'y avait jamais vraiment de conclusion ni d'action. J'espère, dès lor,s que vous ne vous engagez pas dans cette voie-là.

Bernard Quintin:

Je crois déjà vous avoir prouvé le contraire!

Éric Thiébaut:

J'espère que les évaluations ne dureront pas trop longtemps et, surtout, que vous parviendrez à convaincre vos partenaires de la nécessité de financer correctement la police fédérale, pas seulement pour Bruxelles ou Anvers mais aussi pour Charleroi qui est la plus grande ville de Wallonie.

De minister van Defensie, die vindt dat de politie moet kunnen schieten op betogers
De geweldbeheersing tijdens betogingen en de voorbereiding op toekomstige manifestaties
De betoging van 14 oktober
De minister van Defensie, die vindt dat de politie moet kunnen schieten op betogers
Geweldsbeleid, betogingen en politieoptreden in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het gebruik van het controversiële wapen FN 303 en de escalatie van politiegeweld tijdens betogingen, met name na de gewelddadige incidenten op 14 oktober. Minister Quintin benadrukt dat vreedzaam betogen een recht is, maar geweld onaanvaardbaar, en dat de FN 303 enkel mag worden ingezet in noodweer—nooit willekeurig tegen betogers—terwijl hij dialoog, preventie en gerichte sancties voorstaat. Kritiek komt van oppositieleden: Vandemaele vreest dat het wapen escalatie veroorzaakt en de veiligheid van *zowel* betogers als agenten ondermijnt, De Vreese eist strengere maatregelen tegen gewelddadige infiltranten (zoals black blocs) en een duidelijk kader voor "less lethal weapons", terwijl Maouane politiegeweld tegen families en kinderen aan de kaak stelt, inclusief illegale methodes (zoals *nasses*), en waarschuwt voor een afglijden naar een ultrasecuritaire staat onder invloed van Francken’s retoriek. De kernspanning: veiligheid vs. grondrechten, met een dringende oproep tot proportioneel optreden en betere afbakening van wapengebruik.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik bedank u dat u nog aanwezig bent gebleven om onze vragen te beantwoorden, zodat we die niet pas over enkele weken kunnen stellen.

Ik ben nogal geschrokken van de toon van uw collega-minister Francken, die vorige week onomwonden verklaarde de FN 303 te willen gebruiken om op betogers te schieten. Daar komt zijn uitspraak in essentie op neer.

Dat wapen heeft wereldwijd al tientallen doden veroorzaakt en talloze mensen blijvend verminkt. We hebben bovendien expliciet ervoor gekozenom dat wapen niet in te zetten voor het beheer van de openbare ruimte. Toch wil minister Francken het nu gebruiken, eigenlijk om het grondrecht op betogen aan te vallen en gewoon op betogers te schieten.

Gelukkig was Les Engagés er, want voor een verklaring in de pers is Les Engagés altijd present. Ik weet niet of de partij even actief is in de ministerraad. In elk geval verklaarde de heer Nuino dat het gebruik van dat soort wapens “zeer controversieel en uitzonderlijk gevaarlijk” is en denkt hij “dat we allemaal samen andere manieren moeten vinden om het geweld te bestrijden,” waarmee ik hem citeer.

Enerzijds verklaart Les Engagés dat men de FN 303 niet zal inzetten tegen betogers, maar anderzijds vindt minister Francken: laat ons maar knallen op betogers.

Mijnheer de minister, mijn vragen zijn heel eenvoudig. Wat is het regeringsstandpunt over het inzetten van de FN 303 voor de handhaving van de openbare orde? Vindt u het een goed idee om op betogers te schieten? Zodra men dat wapen mag gebruiken, betekent dat immers dat men daadwerkelijk op betogers zal schieten.

De vraag is dus of dat een goed idee is. De-escaleren we de situatie door dat wapen toe te laten voor het beheer van betogingen, of escaleren we juist? Brengen we de veiligheid van betogers die met rellen niets te maken hebben, mogelijk in gevaar? Brengen we de politieagenten die dat wapen gebruiken of aanwezig zijn tijdens zulke manifestaties mogelijk nog meer in gevaar?

Ik herhaal nogmaals dat ik er geen enkel probleem mee heb dat wordt opgetreden tegen de kleine groep betogers of mensen die betogingen misbruiken om hun erg radicale agenda door te drukken met geweld. Daar kunnen we niet in meegaan. U hebt volkomen gelijk dat we daartegen moeten optreden. We kunnen dat niet tolereren. Ik ben een democraat in hart en nieren. Geweld is nooit aanvaardbaar.

Als we dat standpunt huldigen, rijst de vraag natuurlijk hoe we ervoor zorgen dat we niet in overdrive gaan als we de agenten bewapenen met wapens die volgens mij meer schade zullen berokkenen dan ze goed zullen doen. Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Maaike De Vreese:

Minister, de nationale betoging op 14 oktober heeft duidelijk gemaakt dat verdere escalatie nauwelijks nog mogelijk is. De situatie was volledig geëscaleerd en de mensen van de Dienst Vreemdelingenzaken in het gebouw aldaar waren daarvan het grote slachtoffer. We spreken niet alleen over vandalisme – dat woord is hier eigenlijk een eufemisme – aangezien 44 ruiten werden vernield, de hoofdingang werd afgebroken en een brandend voorwerp in de inkomhal werd gegooid.

We hebben allemaal die beelden gezien, het was werkelijk een verschrikking. Niet alleen mensen van de Dienst Vreemdelingenzaken waren daar aanwezig, er vond op dat moment ook een opleiding plaats voor vrijwillige voogden. Hoe zullen we nog mensen kunnen aantrekken om dat werk te doen als dit de situatie is waarmee zij worden geconfronteerd?

De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt inderdaad de nodige psychologische begeleiding, maar ik vraag me af wat er op voorhand gebeurd is. Was het bijvoorbeeld op voorhand duidelijk dat de betoging of bepaalde extremistische groepen zich zouden richten op de Dienst Vreemdelingenzaken? Waren zij een doelwit? Ik krijg daar vragen over. Hoe zullen we voorkomen dat de Dienst Vreemdelingenzaken bij een volgende betoging opnieuw een doelwit wordt? Hoe zullen we ervoor zorgen dat die mensen in veilige omstandigheden kunnen werken?

Het parket heeft intussen meerdere onderzoeken geopend. Het staat vast dat een zeer specifieke groep bewust gebruikmaakte van de manifestatie om gewelddaden te plegen volgens een duidelijke modus operandi. Ze waren volledig in het zwart gekleed, onherkenbaar, en mengden zich anoniem in de manifestatie om criminele feiten te plegen. Dit zijn geen gewone betogers. Dit zijn mensen die misdrijven plegen onder het mom van een extreemlinkse signatuur. Er wordt zelfs een link gelegd met de CCC van vroeger. We weten allemaal welke vreselijke periode dat was in onze geschiedenis.

Minister, er komen waarschijnlijk nog betogingen aan in november. De vraag rijst dus hoe onze ordediensten zich zullen en kunnen voorbereiden om enerzijds – daar zijn we het met minister Francken over eens – het democratische recht op betogen te vrijwaren en anderzijds de veiligheid van burgers, ambtenaren en ordediensten te garanderen. Ik heb het ook over de veiligheid van de betogers zelf, collega Vandemaele.

Mijnheer de minister, welke evaluatie heeft uw departement gemaakt van de geweldbeheersing tijdens de betoging van 14 oktober? Welke maatregelen neemt u in aanloop naar toekomstige betogingen? Minister Francken heeft na de incidenten gepleit voor een ruimere inzet van less than lethal weapons , de FN 303 bijvoorbeeld, tegen relschoppers. Hoe staat u tegenover die oproep? Welke preventieve maatregelen worden genomen, in samenspraak met de organisatoren van betogingen, om infiltratie door gewelddadige groeperingen tegen te gaan?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, ce mardi 14 octobre, des milliers de citoyennes et citoyens se sont rassemblés à Bruxelles – une mobilisation syndicale, associative et citoyenne très, très large – pour dénoncer la politique brutale du gouvernement Arizona. Le chiffre de 140 000 personnes est avancé, même s'il fait débat. Ils étaient en tout cas des dizaines de milliers à défiler, parfois dans une ambiance familiale, avec des parents, des poussettes, des associations, des travailleurs et travailleuses qui, pour certains, n'étaient même pas affiliés à un syndicat.

Pourtant, cette manifestation a été marquée par des scènes d'une violence policière que l'on n'avait plus vues depuis très longtemps: des gaz lacrymogènes, des matraques, des grenades fumigènes. Des images, des vidéos et des témoignages accablants ont circulé, y compris de journalistes ou même d'élus présents sur place. Des gaz lacrymogènes ont été tirés à hauteur du Boulevard Pacheco et du Mont des Arts, touchant indistinctement des manifestants pacifiques, des bénévoles et même des enfants. Une mère de famille témoigne avoir été gazée alors qu’elle se trouvait à un stand avec son bébé dans un porte-bébé; une autre vidéo montre un enfant de 4 ans suffoquant dans un nuage de gaz. Après la dislocation de la manifestation, des agents de police, toujours sans matricule visible, s'en sont pris à des personnes dans la rue, parfois des touristes, au niveau de la gare Centrale, dans les Marolles ou encore à Saint-Gilles.

Monsieur le ministre, comment peut-on accepter aujourd'hui en Belgique que des enfants et familles, venus manifester pacifiquement, soient pris dans des gaz lacrymogènes? Quelles consignes ont été données aux agents avant et pendant cette opération? Et quelles instructions en matière de proportionnalité? Comment expliquez-vous que des manifestants aient été nassés, alors que la Belgique a précisément déjà été condamnée pour cette pratique?

Des enquêtes administratives ou judiciaires ont-elles été ouvertes à la suite des multiples témoignages et des images publiées par la presse? Enfin, comptez-vous réviser les protocoles d’intervention lors des manifestations pour garantir que, plus jamais, des familles et des enfants, des citoyennes et citoyens venus défendre leurs droits, ne soient exposés à ce type de violences?

Ma seconde question est relative aux propos de M. Francken. Au lendemain de cette manifestation marquée par des témoignages alarmants de violences policières, les déclarations publiques du ministre de la Défense, M. Francken choquent profondément. Celui-ci a affirmé que la police aurait dû, je cite, “utiliser le FN 303 contre ces voyous, comme le fait la police de Los Angeles, visant directement des manifestants qualifiés pour lui d'antifas d'extrême gauche”.

Pour rappel, le FN 303, est une arme à air comprimé dite à létalité réduite, fabriquée en Belgique, dont l'usage, y compris par les forces de police, est strictement encadré. Son emploi doit rester exceptionnel car elle peut provoquer des blessures graves et même des décès, comme l'ont documenté Amnesty International et d'autres organisations de défense des droits humains.

Monsieur le ministre, ces propos absolument scandaleux appellent des clarifications claires et urgentes. Comment réagissez-vous aux déclarations de votre collègue de la Défense qui semble légitimer un emploi renforcé de la force armée dans le cadre du maintien de l'ordre? Quelle est la position du gouvernement sur l'utilisation du FN 303? Des instructions claires ont-elles été transmises aux zones de police pour éviter toute dérive dans l'usage de ces armes dites non létales? Et enfin, partagez-vous l'inquiétude des nombreuses ONG et des parlementaires face à ce glissement rhétorique dangereux qui assimilent des manifestants à des ennemis intérieurs et banalisent l'idée de leur tirer dessus?

Bernard Quintin:

Madame Maouane, vous avez fait une petite incise sur les chiffres. D'aussi loin que je me souvienne, et comme je suis un petit peu plus âgé, il existe a toujours une discrépance entre les chiffres des organisateurs et de la police. C'est ainsi. Parfois, la discrépance est plus grande. Les accusations portées par des responsables syndicaux contre ma personne, selon lesquelles j'aurais donné des instructions de manipuler ces chiffres, sont évidemment tout à fait inacceptables. Les questions posées ici traduisent des visions très différentes quant à la gestion de l'ordre public. Certains plaident pour une approche plus ferme du maintien de l'ordre, tandis que d'autres insistent sur la nécessité de retenue et de proportionnalité. Comme vous le savez, je suis le ministre de la Sécurité de l'Intérieur. À ce titre, dans le cadre que me donnent la Constitution et les lois, je suis le garant de l'ordre et de la sécurité publique.

Manifester est un droit qui doit être et rester garanti. Je l'ai répété, je le répéterai et j'y veillerai. Mais aucune forme de violence, d'où qu'elle vienne, ne sera jamais tolérée dans notre pays. La Belgique a choisi un modèle de gestion négociée de l'espace public, le fameux GNEP, fondée sur la concertation, la proportionnalité et la désescalade.

Ce modèle, reconnu en Europe, reste la référence de nos services et les informations que j'ai pu recevoir de PolBru – puisque le gold commander était le chef de corps de PolBru – me confirment que les méthodes utilisées correspondent à cette gestion négociée de l'espace public dans un cadre légal et proportionné.

On constate partout, cependant, en Belgique comme à l'international, que, même dans les situations les plus tendues, il est essentiel de maintenir une ligne de dialogue et de sang-froid, ce qui ne signifie en aucun cas qu'il faille céder ni tolérer quelque forme de violence ou de provocation.

Les événements du 14 octobre 2025 ont révélé la présence de groupes radicaux, préparés et coordonnés, qui exploitent de manière croissante les manifestations pacifiques pour commettre des actes de violence ciblés contre des institutions et les symboles de l'État, in casu le bâtiment de l'Office des étrangers, entre autres.

Les services de police observent que ce phénomène s'intensifie également dans plusieurs pays voisins. Ces groupes utilisent les réseaux sociaux et les canaux numériques pour se coordonner, diffuser leurs messages et recruter. Ils cherchent à polariser la société et à détourner l'essence même des manifestations.

En coordination avec le Centre de crise national, la police adapte ses dispositifs et poursuit l'analyse des événements du 14 octobre afin d'en tirer toutes les leçons utiles.

Ik wil heel duidelijk zijn, schade aan het openbaar domein en aan privé-eigendommen of overheidsgebouwen is onaanvaardbaar. Wie tijdens een betoging schade veroorzaakt of geweld gebruikt, moet streng worden aangepakt.

Ik heb er alle vertrouwen in dat de politie de zaak grondig zal onderzoeken en dat Justitie kordaat zal optreden.

Voor de komende betogingen heb ik de politie gevraagd strengere begeleidende maatregelen te overwegen, met respect voor het recht op betoging. Het doel is het beter inschatten van de risico’s, de versterking van de coördinatie met de organisatoren en het beter afstemmen van de inzet van middelen op nieuwe vormen van mobilisatie en geweld.

Je souhaite également renforcer la capacité d’anticipation de la police en donnant un cadre légal à l’usage de l’ Open Source Intelligence (OSINT), qui consiste à collecter et analyser des informations issues de sources publiques et accessibles à tous afin d’identifier à temps des signaux de préparation de violences ou d’infiltrations.

L’objectif est de doter la police de moyens d’analyse moderne et proportionnée pour mieux prévenir les risques avant qu’ils ne dégénèrent.

Het wordt tijd om de 21e eeuw binnen te treden.

S'agissant des armes à létalité réduite, telles que le FN 303, j'aimerais rappeler à ceux ou à celles qui ne le sauraient pas que notre police dispose déjà de ce type de matériel. J'aimerais cependant ici être très clair: je ne permettrai jamais que l'on tire de manière indiscriminée sur des manifestants qui font usage de leur droit pacifiquement. La Belgique n'est pas le Far West! L'usage de ce type de matériel doit rester strictement limité à des cas de légitime défense, lorsque l'intégrité physique d'une personne est directement menacée. Dans ce cas-là, cet usage peut se justifier.

Dames en heren volksvertegenwoordigers, er bestaat geen technische of reglementaire mirakeloplossing voor het toenemende geweld in onze samenleving. Dialoog, anticiperen, kordaat optreden en sanctioneren zijn de pijlers van een verantwoord beheer van de openbare orde. Ik handel in die geest en we moeten allemaal ons steentje bijdragen om de veiligheid van onze burgers te garanderen met respect voor de rechtsstaat. Ik reken daarbij op mijn collega's in de regering en in het bijzonder op Justitie om ernstige feiten met de nodige strengheid en vastberadenheid aan te pakken.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord.

Het blijft jammer dat de legitieme boodschap van duizenden betogers ondergesneeuwd raakt door een paar extremistische, gewelddadige nitwits die de boel verzieken; daarover bestaat volgens mij geen enkele discussie. Dit maakt het een lastige oefening, omdat een grote groep op vreedzame wijze betoogt maar een klein deel van die betoging wordt gekaapt door extremistische heethoofden.

De vraag rijst dan of het toestaan van een FN 303 bij het handhaven van de openbare orde wel het gewenste effect zal sorteren. Momenteel beschikken enkele politiezones reeds over dat wapen, maar zij mogen het expliciet niet gebruiken voor het handhaven van de openbare orde. Volgens onze inschatting en ook die van behoorlijk wat experts zal dit eerder leiden tot escalatie dan tot de-escalatie. U hebt zelf aangegeven dat de ambitie om te de-escaleren altijd prioriteit moet hebben in de ordehandhaving. De vraag is dan in hoeverre het gebruik van dergelijke wapens hiermee te verzoenen valt. Ik ben van mening dat het toelaten van dit soort wapens de situatie voor betogers, zowel bonafide als malafide, en voor onze politiemensen gevaarlijker maakt.

Ik verzoek u daarom, wanneer hierover binnen de regering wordt gesproken, dit met de nodige zorg en ernst te doen, ver weg van de extreemrechts aandoende uitspraken van de losgeslagen cowboy Theo Franken, die wat stoerdoenerij wil verkopen ten koste van de betogers. Gelet op de lastige boodschap van de betogers, komt het goed uit dat enkele nitwits de boel verzieken. Daardoor kan men immers daarop focussen, in plaats van op de tienduizenden, zelfs honderdduizend geweldloze manifestanten die opkomen voor hun rechten.

Maaike De Vreese:

Ik denk, collega Vandemaele, dat we in de commissie voor Binnenlandse Zaken wel degelijk moeten bespreken op welke manier we omgaan met dit soort relschoppers, want het gaat niet over gewone betogers. We zijn het erover eens dat zij de boel verzieken.

De FN 303 kan inderdaad door de politiediensten worden gebruikt, maar er ontbreekt een goed doordacht kader. Het regelgevend kader kan beter, mijnheer de minister. Daarom hebben we ook een voorstel van resolutie opgesteld om dat te laten onderzoeken. Het geweld is immers al geëscaleerd en we moeten nagaan hoe we ons opstellen tegenover deze nieuwe soort geweld – niet alleen tijdens deze betoging, maar ook bijvoorbeeld in Kruisem, waar vuurwerk tegen de politie werd ingezet, en tijdens de oudejaarsnacht, waarover we het daarnet nog hadden. We moeten die discussie echt voeren, ook over de manier waarop we dit soort wapens gericht zullen inzetten.

Er wordt gezegd dat er tijdens de betoging geen onderscheid te maken was tussen de betogers en de mensen van extreemlinks die criminele feiten hebben gepleegd. Ik heb de beelden gezien: die mensen waren gegroepeerd en hebben met een black-bloctechniek de Dienst Vreemdelingenzaken aangevallen. Voor dat gebouw was geen enkele beveiliging voorzien door de politiediensten.

We mogen niet wachten tot onschuldige burgers – gewone mensen die hun werk verrichten, op een correcte manier op basis van democratisch vastgelegde rechtsregels – het slachtoffer worden. Het gaat over het veilig houden van onze democratische rechtsstaat. Die discussie moeten we voeren, inclusief de inzet van less than lethal weapons en op welke wijze we die zeer doelgericht kunnen inzetten – niet tegen gewone betogers bij een eventuele escalatie van geweld, maar tegen criminele groeperingen die er expliciet op uit zijn de rechtsstaat op een zeer gewelddadige wijze te ondermijnen. Daar moet de discussie over gaan. We zijn het ook aan de mensen van de Dienst Vreemdelingenzaken verschuldigd om die discussie te voeren.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je suis rassurée qu'on soit d'accord sur le fait que manifester est un droit. Pour le reste, je reste assez frustrée de vos réponses. Elle me laissent clairement sur ma faim. Vous n'avez pas répondu par exemple sur les instructions qui ont été données aux policiers. Mais je manquerai pas de réinterroger le bourgmestre Close à ce sujet.

Vous êtes le ministre de l'Intérieur et de la Sécurité, mais qui assure la sécurité des manifestants? Je vous parle de l'utilisation de techniques illégales pour lesquelles l'État, la police et le bourgmestre Close ont d'ailleurs été condamnés – la technique de la nasse notamment. Je vous parle d'agents de police qui interviennent sans matricule visible, ce qui est illégal.

On parle de provocateurs mais en quoi des familles ont-elles été provocatrices? Elles ont été gazées. Il y a des témoignages de parents qui se sont retrouvés avec des enfants en bas âge sous des gaz. Des vidéos – que je peux vous envoyer – montrent des touristes avec leurs valises, pas loin de la gare Centrale, aspergés et gazés. Tout ça n'est pas respectueux ni d'un État de droit ni de l'image de la Belgique et c'est désastreux pour la confiance que la population a envers sa police. Je vous remercie d'avoir rappelé que la Belgique n'est pas le Far West. Malheureusement, des membres de votre gouvernement, Theo Francken en tête, ont tendance à l'oublier.

J'ai lu il y a une dizaine de jours une interview de vous. La Libre Belgique vous demandait si vous ne vous ne contribuiez pas à mettre en place un État sécuritaire. J'ai peur que ce soit le cas malheureusement. J'espère qu'on va pas laisser des gens comme Theo Francken amener une doctrine ultrasécuritaire, ultradroitière dans votre gouvernement qui ne me rassure pas. Quand on voit les dérives commises par des représentants des forces de l'ordre ou certains excès langagiers des ministres, je suis extrêmement inquiète pour la suite.

Voorzitter:

De samengevoegde vragen nrs. 56009377C en 56009431C van respectievelijk de heer Franky Demon en mezelf worden uitgesteld. De heer Demon liet zich verontschuldigen voor zijn afwezigheid vandaag.

Het politietoezicht op gedetineerden die vervroegd vrijgelaten worden

Gesteld door

PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende werkdruk bij lokale politiezones door toegenomen controles op elektronische detentie en voorwaardelijke invrijheidstelling (van 325 naar 600 PV’s in La Louvière, landelijk van 10.000 naar 26.000) zonder compensatie vormt het kernprobleem, terwijl deze federale taak ten koste gaat van basispolitiewerk. Minister Verlinden erkent de structurele overbelasting en wijst op lopende herzieningen van de financieringsnorm (KUL) en taakverdeling, maar schuift de verantwoordelijkheid voor extra middelen door naar de bevoegde collega-ministers. Prévot dringt aan op concrete oplossingen, benadrukkend dat réinsertie en slachtofferbescherming alleen werken met voldoende capaciteit en transparantie over de afhandeling van overtredingen. De klemtoon ligt op de noodzaak van snelle, gecoördineerde federale actie om de politie niet langer te laten opdraaien voor onbetaalde taken.

Patrick Prévot:

Madame la ministre, une fois n'est pas coutume: permettez-moi de partir d'un exemple particulier afin de vous exposer un problème plus général. Je vais vous parler d'une zone de police que je connais bien, qui est celle de La Louvière.

D'ici la fin de l'année, selon les dernières projections, plus de 600 procès-verbaux pour non-respect des conditions applicables aux détenus bénéficiant d'une libération conditionnelle ou de la surveillance électronique seront dressés à La Louvière. Il y a trois ans, ce chiffre était de 325.

C'est une augmentation qui s'explique par un phénomène structurel: l'extension du recours à la libération conditionnelle et à la surveillance électronique dans notre pays, en tant que modes alternatifs d'exécution de la peine de prison ou en tant que peine autonome. Ces modalités présentent des avantages en matière de réinsertion, mais elles impliquent aussi des responsabilités accrues dans le chef des polices locales, pourtant déjà sous pression.

Je rappelle que ces conditions individualisées visent à limiter le risque de récidive, et ce dans le cadre de l'intérêt public mais également et surtout dans le cadre de l'intérêt des victimes. Le contrôle du respect de ces conditions est essentiel pour s'assurer de la protection des victimes et du bon déroulement du processus de réinsertion.

C'est l'État fédéral qui est responsable de la surveillance de ces détenus. Il est donc selon moi inacceptable qu'il transfère une nouvelle fois le poids de cette charge aux zones de police sans compensation.

Le chef de corps de La Louvière, Eddy Maillet, le dit d'ailleurs très clairement: pendant que les policiers rédigent ces 600 procès-verbaux, ils ne font pas de contrôle en rue de personnes, de véhicules. Ce sont des missions fédérales, assumées localement sans les moyens nécessaires.

Madame la ministre, comptez-vous demander au gouvernement d'accorder davantage de moyens humains et financiers aux polices locales, en particulier dans les zones où le recours à la surveillance électronique a explosé?

Comptez-vous mettre en place un mécanisme de suivi transparent des procès-verbaux dressés pour non-respect des conditions, afin que les agents sachent que leur travail est utile et suivi d’effets?

Annelies Verlinden:

Monsieur Prévot, dans une analyse récente des tâches essentielles, la Commission Permanente de la Police Locale a souligné l'augmentation des tâches liées au contrôle de l'exécution des peines. Ainsi, selon des données policières du 14 octobre, quelque 60 517 personnes doivent actuellement faire l'objet d'un suivi, avec dans certains cas une visite à domicile.

Il s'agit des différentes modalités de peine, des congés pénitentiaires, des conditions de probation, des autorisations de sortie, des décisions du tribunal d'exécution des peines, etc. Le nombre de procès-verbaux dressés pour non-respect des conditions est en constante augmentation, d'environ 10 000 en 2020 à 26 000 en 2024. Le suivi est actuellement effectué par l'application I+Belgium, qui sera prochainement remplacée par l'application JustSignal.

Je plaide en faveur d'une approche globale et structurelle dans laquelle une justice efficace et bien fonctionnelle, renforcée par une politique pénitentiaire digne et correcte, revêt une importance capitale. Il s'agit là d'une responsabilité partagée par les pouvoirs publics. Nos prisons sont confrontées à un problème de surpopulation. Pour traiter ce problème et aussi pour favoriser la réintégration des condamnés dans la société, on choisit toujours dans le cadre légal la peine la plus appropriée. Et je suis consciente que cela peut représenter une charge de travail supplémentaire pour la police locale. Il appartient alors au ministre compétent de prévoir les moyens supplémentaires nécessaires.

De plus, il se tient actuellement une réflexion sur la révision de la norme KUL, norme de financement des zones de police, qui pourrait éventuellement inclure ce type d'éléments dans les calculs. Parallèlement, une réflexion globale a été entamée sur les tâches clés des services de police.

Patrick Prévot:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. J'entends évidemment que vous partagez le constat qui est le mien, mais qui est aussi celui du chef de corps de La Louvière et, partant, celui de nombre de ses collègues. Vous entendez que cette charge s'alourdit pour la police locale. Et puis, de votre réponse, je retiens qu'il appartient au ministre compétent de mesurer les besoins nécessaires. Cela tombe bien, puisque c'est votre collègue avec lequel vous vous réunissez régulièrement. Si nous pouvons partager le constat que ces aménagements de peine sont souvent nécessaires en vue d'une réinsertion, il serait de bon ton de prévoir les moyens suffisants pour que nos polices locales puissent exécuter ces tâches supplémentaires. Dès lors, je vous renvoie la balle ainsi qu'à votre collègue. Il faut prévoir en effet les moyens nécessaires à l'accomplissement efficace de ce travail par nos polices locales.

De nieuwe politie-uniformen

Gesteld door

PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de gebrekkige uniformiteit en taalkundige discriminatie bij de nieuwe politie-identiteit: uniformen met enkel Nederlandstalige opschriften ("Politie") in de testfase en juridisch onduidelijke voertuigmarkeringen (Battenburg-patroon) door ontbrekende koninklijke besluiten. Minister Quintin belooft dringende aanpassing aan de taalkundige wetgeving, een update van de legale basis voor het flocage en centrale sturing door de federale politie om regionale verschillen tegen te gaan, maar benadrukt budgettaire beperkingen. Thiébaut kaart aan dat de eenheid en herkenbaarheid van de politie in het gedrang komt, met onopgeloste financieringsvragen en taalpolitieke spanningen als extra risico.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous interrogeais récemment sur la question de la nouvelle identité visuelle de la police qui passera par de nouveaux uniformes et un nouveau flocage des véhicules.

Comme je le disais, pour mon groupe, il est essentiel que la police soit dotée d'une seule et même identité visuelle afin qu'elle puisse être reconnue par tous, sur tout le territoire.

Vous m'indiquiez en réponse qu'il n'y a actuellement aucune obligation pour les zones de police de floquer en Battenburg et/ou d'adopter un nouvel uniforme mais qu'il existait un projet pilote auquel plusieurs zones de police participent.

Mes craintes quant à l'uniformité sont aujourd'hui confirmées par la presse : les zones de police locale du sud du pays ont reçu un courriel pour leur signifier que les uniformes commandés pour le test n'existaient qu'en version néerlandophone « Politie » !

Par ailleurs, nous apprenons également que l'arrêté royal réglementant le nouveau look avec damiers bleu et fluo, pour les véhicules de police, n'est toujours pas publié. Plusieurs zones de police l'ont pourtant déjà adopté tandis que d'autres s'interrogent sur leur légalité.

Une nouvelle fois, c'est la zone d'Anvers qui a eu le lead dans ce projet posant de nombreuses questions. Ce leadership se fait souvent au détriment de la police fédérale et, en particulier, des zones locales francophones lorsque l'on parle de l'accès à certaines technologies et marchés publics.

Monsieur le Ministre comment expliquez-vous qu'à l'heure actuelle cette phase test pour les uniformes soit uniquement en néerlandais? Quelles solutions allez-vous avancer pour que les zones francophones et bilingues ne soient pas impactées et exclues de celle-ci? Comptez-vous mener une réflexion pour que la police fédérale reprenne le lead dans toute une série de dossiers importants pour l'équipement de nos zones locales et éviter de telles situations? Concernant le nouveau flocage des véhicules de police, que répondez-vous concernant la légalité de celui-ci et quelles initiatives allez-vous prendre pour régulariser la situation ? Selon quel agenda?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Bernard Quintin:

Monsieur le député, comme je vous l’ai précisé dans ma précédente réponse, ce dossier consiste, dans l’état actuel, uniquement en un projet pilote mené par la police fédérale, et qui a été visiblement suivi de façon très empressée par certaines zones de police locale.

Concernant le test auquel vous faites référence, je vous confirme avoir été interpellé par rapport à la mention figurant en néerlandais sur ce projet d’uniforme destiné aux zones francophones et bilingues de notre pays. J’ai insisté vivement – c’est le British understatement du jour – auprès des services concernés sur le strict respect de la législation linguistique applicable en la matière, en demandant que ce test soit immédiatement adapté en conséquence. Je sais, monsieur Thiébaut, que ce souci du respect des lois linguistiques est partagé par de nombreux membres de cette commission et de ce Parlement, op beide kanten van de taalgrens .

Pour en revenir à vos autres questions, j’hérite d’une situation de fait, aux bases légales comme budgétaires pour le moins fragiles. Avant d’aller plus loin dans ce projet, je finaliserai d’abord la mise à jour de la base légale par la modification de l’arrêté royal concerné. Ensuite, sur cette base, je reverrai le cahier des normes et veillerai à ce que tout se déroule dorénavant dans ce cadre. Cela me paraît être le béaba de l’État de droit auquel nous tenons tous.

Vous comprendrez que je veillerai également à ce que cet exercice important aboutisse à un résultat acceptable aux quatre coins du Royaume et cadre dans des exercices budgétaires dont vous connaissez, comme nous tous ici, les défis.

Ces messages, je les ai transmis sans aucune équivoque possible, tant au niveau de la police fédérale que des zones de police locale.

Éric Thiébaut:

Je vous remercie monsieur le ministre.

Évidemment, le problème est que notre pays aura différents types d’uniformes et des policiers qui ne se ressemblent plus. C’est tout de même un peu embêtant, je dirais. Ce n’est certes pas dramatique, mais nous sommes tout de même normalement dans le même pays avec nos voisins du Nord.

Bernard Quintin:

Jusqu’à preuve du contraire.

Éric Thiébaut:

Vous l’avez bien souligné, si des uniformes étaient prévus pour le Nord du pays avec la mention "Police" inscrite dans le dos, certains collègues feraient certainement une apoplexie, vu les réactions que nous avons déjà connues avec la problématique des facilités. Je n’ai pas besoin de vous en convaincre. L'argent est bien évidemment un autre problème. Fatalement, si nous imposons un nouvel uniforme à l’échelle du pays, cela risque aussi d'avoir un coût important. Qui va payer? Voilà une question qui reste donc en suspens.

De kritiek van het COC op de ANG en de gegevensbewaring door de politiediensten
Het kritische jaarverslag van het COC
COC's kritiek op ANG, gegevensbewaring en jaarverslag

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De kwaliteit en wettelijkheid van politiedatabanken (met name de ANG) blijven problematisch: verouderde, irrelevante of onwettig bewaarde gegevens (o.a. door systematisch screenen van verhuizers) leiden tot weigeringen van attesten en schenden privacyregels, ondanks eerdere opschoning in 2022 en juridische veroordelingen van weerbarstige korpsen. Minister Quintin bevestigt hernieuwde opschoning (in samenwerking met Justitie), benadrukt het nodige toezicht door het COC (ondanks weerstand bij lokale korpsen) en verdedigt domiciliecontroles als wettelijk, maar erkent structurele tekortkomingen zoals ontbrekende koppeling met Justitie-databanken. Kernpunten: directe burgertoegang tot politiedata (na EU-Hof vonnis) en verplichte naleving van COC-correcties blijven onopgelost, terwijl preventieve systemen (voor automatische verwijdering) en ministeriële herinnering aan wetsplicht worden voorgesteld. Weerstand bij korpsen (o.a. via beroepen) en onderbezetting COC ondermijnen vertrouwen in politietoezicht.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, ook deze vraag dateert al van de zomer, maar ze is volgens mij nog steeds actueel.

Het jaarverslag van het COC stelt dat de kwaliteit van de databanken bij de politie vaak ondermaats is. Men kan stellen dat dit niet echt een probleem is, het is gewoon jammer voor de agenten die ermee moeten werken, maar soms worden attesten en dergelijke aan burgers geweigerd op basis van databanken die niet meer up-to-date zijn. Afhankelijk van het type mogen gegevens maximaal 1, 10 of 30 jaar worden opgeslagen en gegevens die niet nuttig of pertinent zijn, moeten worden gewist. Die verplichting wordt in de praktijk echter stevig genegeerd. In 2022 vond wel een opkuisactie van de databanken plaats, maar blijkbaar is het probleem toch niet opgelost.

Het COC verwijst naar een mentaliteitsprobleem, vooral bij de lokale politiezones. Hoe kan men die lokale korpsen overtuigen dat zij zich wat databanken betreft strikt aan de wet moeten houden? Sommige korpsen lijken te denken dat ze gegevens naar eigen inzicht mogen bijhouden. Dat is misschien tof om op café tegen elkaar over te vertellen, maar ze moeten zich gewoon aan de wet houden.

Het COC geeft aan dat de lokale politiezones bij controles zeggen dat de regels veel te streng zijn en dat dit niet gaat. Het voelt steeds meer weerstand tegen controles. Er zijn zelfs korpsen naar de rechtbank gestapt, maar zij hebben allemaal ongelijk gekregen. Hoe kan men die korpsen overtuigen dat ze mee moeten werken aan die controles?

Daarnaast blijkt ook dat er korpsen zijn die systematisch personen screenen die naar hun politiezone verhuizen. Dat doet denken aan praktijken zoals in Aalter en is uiteraard onwettig. Bent u daarvan op de hoogte? Wat wilt u daaraan doen?

Als die databank niet meer up-to-date is en volstaat met gegevens die er niet thuishoren, hoe kan men dat structureel oplossen en hoe kan men ervoor zorgen in de toekomst dat er niet opnieuw gegevens worden opgenomen die er niet thuishoren en dat, als ze verwijderd moeten worden, deze ook effectief verwijderd worden?

Greet Daems:

Mijnheer de minister, deze vraag dateert van deze zomer. Het Controleorgaan op de politionele informatie heeft toen zijn recentste jaarverslag gepubliceerd. Daarin staan enkele verontrustende zaken die de geloofwaardigheid van het toezicht op de politie ondermijnen.

De dienst kampt met een groeiende werkdruk, deels door onderbezetting, maar vooral door een stijgend aantal aanvragen van burgers. De burgers kunnen enkel via het COC toegang krijgen tot hun gegevens in de politiedatabanken om te checken of die juist of proportioneel zijn. Dit terwijl het Europees Hof van Justitie in 2023 duidelijk heeft gesteld dat dit systeem van onrechtstreekse toegang strijdig is met het EU-recht.

Het Controleorgaan merkt ook op dat de kwaliteit van de Algemene Nationale Gegevensbank problematisch is. Er duiken foutieve, verouderde of irrelevante registraties op. De politiediensten voeren corrigerende maatregelen vaak laattijdig of onvolledig uit.

Het COC stelt een groeiende weerstand vast bij bepaalde politiediensten tegen corrigerend toezicht. Sommige korpsen tekenen systematisch beroep aan tegen de beslissingen van het controleorgaan, zelfs bij een loutere waarschuwing. Bij sommige korpsen leeft een houding waarbij ze bewust de grenzen van de wet opzoeken, of de wet naast zich neerleggen, alsof de regels enkel voor burgers gelden; maar niet voor de politie.

Mijnheer de minister, ik heb twee vragen voor u.

Welke maatregelen plant u om de uitspraak van het Europees Hof van Justitie om te zetten in Belgische wetgeving, zodat burgers rechtstreeks toegang krijgen tot hun politiedata? Tegen welke termijn?

Hoe zult u ervoor zorgen dat corrigerende maatregelen van het COC daadwerkelijk nageleefd worden door de politiediensten en dat de Data Protection Officers binnen de korpsen structureel de nodige ruggensteun krijgen?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, mevrouw Daems, het is juist dat het COC in zijn jaarverslag wijst op tekortkomingen in de kwaliteit van de gegevens in de politiedatabanken en op de kans op nadelige gevolgen voor burgers. Ik neem deze opmerkingen ernstig. De wettelijke regels voor het bewaren en het wissen van gegevens in de ANG zijn duidelijk. Die gegevens mogen enkel bewaard worden zolang ze relevant en noodzakelijk zijn, met maximale bewaartermijnen van 1, 10 of 30 jaar.

Deze regels dienen correct te worden nageleefd. Het is de bedoeling dat de opschoning die in 2022 plaatsvond opnieuw wordt uitgevoerd. Dat is echter geen eenvoudige oefening aangezien gegevens die nog deel uitmaken van de lopende dossiers van het parket uiteraard niet mogen worden verwijderd. Daarom moet deze oefening ook parallel gebeuren langs de kant van Justitie. Zoals u weet, bestaan er vandaag nog geen rechtstreekse verbindingen tussen de databanken van politie en Justitie, zodat dit proces in nauwe samenwerking moet verlopen.

Ik deel de kritiek niet dat de controles van het COC te streng zouden zijn. Integendeel, een onafhankelijke controle is noodzakelijk en draagt bij tot het vertrouwen in de politie. Tegelijk moet worden benadrukt dat het aanvechten van een beslissing van het COC door een korps een recht is. Dat recht vloeit voort uit artikel 53 van richtlijn 2016/680 en werd in Belgisch recht omgezet door artikel 248 van de wet van 30 juli 2018. Het uitoefenen van een dergelijk recht mag op zich niet als een probleem worden beschouwd, maar is net een voorzien mechanisme in het internationaal en nationaal recht.

Wat de domiciliëringscontrole betreft, verwijs ik naar de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, met name artikel 3, artikel 5, § 2 en artikel 8. De controle gebeurt door de politie in opdracht van de gemeenten en heeft tot doel de feitelijke hoofdverblijfplaats vast te stellen. Wanneer de politie deze onderzoeken uitvoert, gaat zij tegelijkertijd ook na of de betrokkene gesignaleerd staat. Dit sluit aan bij de verplichtingen die voortvloeien uit vragen van magistraten of internationale verplichtingen. Deze noodzaak is recent nog bevestigd naar aanleiding van de aanslag tegen twee Zweedse burgers in Brussel.

Zoals ik reeds heb aangegeven, heb ik de commissaris-generaal gevraagd om toe te zien op een structurele opschoning van de ANG. Ik moet er tegelijk op wijzen dat op basis van artikel 646 van het Wetboek van strafvordering de politie structurele informatie van Justitie moet ontvangen om de politiedatabanken correct en actueel te kunnen bijwerken.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

U zegt dat er opnieuw een opkuisactie komt. Ik ben daar blij mee. Er moeten ook systemen worden ontwikkeld om de databank permanent opgeruimd te houden.

Men kan immers om de zoveel jaar een opkuisactie organiseren, maar men zou ook een systeem kunnen ontwikkelen dat ervoor zorgt dat informatie die er niet meer in hoort, verdwijnt. Dat is een eerste punt.

Ten tweede, ik ben blij dat u zegt dat het COC een belangrijke rol heeft in een democratie. Het is echt belangrijk dat er toezicht is op de politie. Ik begrijp dat sommigen dat misschien minder leuk vinden, maar het is fundamenteel in een democratie dat we dat wel doen. Misschien is het geen slecht idee dat u als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken eens een brief schrijft naar alle korpsen waarin u nog eens benadrukt dat zij zich aan de wet moeten houden en wat het belang van het COC is. Als u aanvoelt dat daar een moeilijkheid bestaat, dan denk ik dat het in ons belang zou zijn om de korpsen daarover aan te schrijven, maar ik ben alvast blij met uw antwoord.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Het is goed dat u dit ernstig neemt en het is ook positief dat u de ANG opnieuw wilt opschonen en dat u het belang van het COC erkent.

De politie-escortes in het kader van de Grand Prix Formule 1 van Spa-Francorchamps

Gesteld door

PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het gebruik van politie-escortes voor VIP’s tijdens de F1 Grand Prix in Spa, met name voor Thibaut Courtois, die door verkeersopstoppingen een escorte kreeg om het evenement vlot te laten verlopen. Minister Quintin benadrukt dat dit ad hoc besloten werd door de *gold commander* (operationeel verantwoordelijke) op basis van openbare orde, veiligheid en logistiek (art. 14 & 25 Politiewet 1992), zonder structurele evaluatie of transparante kostenberekening. Prévot kaart misbruik van publieke middelen aan, eist een volledige lijst met namen en motieven van geëscorteerde politici (6 stuks) en kondigt schriftelijke vervolgvragen aan, maar krijgt die niet onmiddellijk – waarna de voorzitter de discussie afkapt. Kernpunt: gebrek aan transparantie en objectieve criteria voor VIP-bevoorrechting.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, lors du dernier Grand Prix de Formule 1 de Spa-Francorchamps – dont je serais évidemment incapable de vous nommer le gagnant, n'étant pas un amateur du genre –, il a été rapporté par la presse que Thibaut Courtois, gardien de notre équipe nationale de football, a bénéficié d'une escorte policière motorisée. Ce recours aux moyens de la police fédérale, financés évidemment par les deniers publics, pose question et a d'ailleurs suscité une vive interrogation. Par ailleurs, plusieurs témoignages évoquent également que d'autres personnalités publiques ou politiques auraient, elles aussi, bénéficié d'une escorte pour se rendre sur le circuit et/ou le quitter.

Monsieur le ministre, à quel titre M. Courtois a-t-il bénéficié d'une escorte policière? Quelles sont les règles et sources légales ou directives en vigueur qui encadrent l'attribution d'escortes privilégiées? S'agit-il du Code de la route, d'une circulaire, d'un arrêté ou de procédures internes?

Sur quels critères repose la décision d'accorder une escorte policière à une personne, que ce soit pour des raisons de sécurité, de logistique, de célébrité ou autres? Quels sont les événements concernés?

Qui décide de l'octroi d'une telle escorte? Quel est le service ou l'autorité qui prend l'initiative, sur proposition ou même sur décision propre? Existe-t-il un suivi ou une évaluation a posteriori de ces escortes, notamment un bilan de leur nombre, de leur coût global et des éventuels incidents survenus dans le cadre de ces missions d'escorte?

Pourriez-vous nous communiquer, pour la même édition du Grand Prix de Formule 1, une liste exhaustive des personnalités publiques ou officielles ayant bénéficié d'une escorte policière? Vous êtes le ministre fédéral, local et même militaire, vous êtes le grand manitou, je suppose donc que vous disposez de ces informations. Quel est le motif évoqué pour chacune de ces escortes? S'agit-il de raisons de sécurité, de protocole ou d'urgence? J'aurais du mal à l'entendre, d'autant que le Grand Prix a débuté avec 1h20 de retard.

Enfin, à combien estimez-vous le coût de la logistique policière de chaque événement de ce type? Merci d'avance pour vos réponses.

Bernard Quintin:

Monsieur Prévot, je vais parler ici simplement de Thibaut Courtois, car dans la question qui m'a été transmise, il ne s'agissait que de cette personne-là.

L'escorte de M. Thibaut Courtois n'était pas planifiée initialement. En sa qualité de personnalité publique, il devait agiter le drapeau à damiers. Pour votre édification personnelle, le drapeau à damiers est celui qui marque la fin de la course sprint, gagnée par Oscar Piastri, écurie McLaren. Alors qu'il se trouvait bloqué dans les embouteillages, une escorte a été décidée par le gold commander , responsable opérationnel de l'événement, et exécutée par la police de la route de Liège. Cette mesure visait à garantir le respect du programme officiel et le bon déroulement de l'événement.

S'agissant du cadre légal, les articles 14 et 25 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police permettent de prendre des mesures de police administrative nécessaires au maintien de l'ordre public, parmi lesquelles l'escorte, définie comme l'accompagnement et la protection de personnes ou de moyens de transport en mouvement.

Concrètement, le dispositif spécifique d'escorte en marge du Grand Prix avait été prévu par le gold commander et pouvait être activé soit pour des personnes désignées par le Centre national de crise, soit sur décision propre du responsable du service d'ordre ou d'un officier de police administrative, soit afin de guider des véhicules dans un contexte de forte affluence en tenant compte des impératifs de sécurité et de mobilité.

L'octroi d'une escorte repose sur plusieurs critères, parmi lesquels la nécessité d'assurer la sécurité de la personne concernée, la prévention de troubles à l'ordre public, le respect du bon déroulement d'un événement d'envergure, l'évitement de situations à risque, notamment lorsqu'une personnalité connue est immobilisée dans la foule. Cette escorte ne consiste en outre qu'en un encadrement entre les sorties d'autoroute et les entrées du circuit et non pas une escorte depuis le domicile ou le lieu de résidence des personnes visées. Il convient de préciser que l'utilisation des avertisseurs sonores et des feux bleus est décidée au cas par cas par le gold commander en fonction des circonstances locales: densité de la circulation, type de personnalité prise en charge, caractère urgent de la mission.

En ce qui concerne le suivi, la capacité engagée pour le service d'escorte était la suivante: deux membres du personnel le vendredi 25 juillet, trois le samedi 26 juillet et quatre le dimanche 27 juillet.

Ce service a également été placé en réserve afin de renforcer, si nécessaire, les dispositifs de mobilité. Aucun incident n’a été constaté.

Le bilan chiffré est le suivant: une mission le vendredi, quatre le samedi et onze le dimanche.

Quant à votre question sur le profil des bénéficiaires des escortes au guidage, il s’agissait de trois personnalités publiques jouant un rôle actif dans le déroulement de l’événement, d’une personnalité bénéficiant d’une protection assurée par la direction de la protection (la DAP), de six personnalités politiques, ministres, autorités politiques ou administratives, d’une délégation d’officiels belges d’un département impliqué dans l'organisation, et de plusieurs participants ou dirigeants liés à l'organisation du Grand Prix.

Patrick Prévot:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Tout d'abord, l’explication par rapport à M. Courtois est un peu légère. Je l’ai dit: le Grand Prix a débuté avec 1 h 20 de retard. On peut donc considérer que la course s’est terminée avec plus ou moins 1 h 20 de retard également. Ils n’ont pas roulé beaucoup plus vite. D’autres roulent beaucoup plus vite et vous en connaissez.

Je reste néanmoins sur ma faim, monsieur le ministre. Si vous m’aviez dit en réponse que toute une série de personnalités étaient protégées par la convention de Vienne, étant diplomates par exemple, j’aurais pu l’entendre. Mais vous me dites que six personnalités politiques ont bénéficié de cette escorte. J’aimerais évidemment connaître les noms de ces personnalités politiques qui ne sont protégées par personne et certainement pas par la convention de Vienne. Dès lors, ma question était précise: la liste exhaustive comportant les noms, prénoms et surtout la raison pour laquelle elles ont bénéficié de ce traitement pour cet événement récréatif.

Puisque vous ne me répondez pas, et j’en suis désolé, je me permettrai de vous renvoyer une question écrite en vous demandant la liste exhaustive de toutes les personnalités publiques et politiques qui ne sont pas protégées par la convention de Vienne et qui ont bénéficié de ce traitement. Je vais l‘étendre et je vous demanderai la liste exhaustive, depuis votre prise de fonction, de tous les députés et ministres qui ont bénéficié d’une escorte policière avec les jours, les dates, les heures et les raisons et motifs invoqués. En effet, je ne pourrais pas comprendre, par exemple, qu’un bête député comme moi, bénéficie d’une escorte policière. Ce ne serait pas compréhensible, notamment par la population.

Dès lors, puisque vous ne voulez pas me donner le nom des six personnalités politiques, je vous en demanderai plus. Ma question était simple. Je voulais la liste exhaustive. Vous ne voulez pas, à dessein, me donner les noms.

Bernard Quintin:

(…)

Patrick Prévot:

Ce n’est pas la question que j’avais déposée? C’est peut-être la manière édulcorée avec laquelle elle est arrivée dans votre cabinet, mais ce n’est pas celle-là que j’ai rédigée. Je vous demande donc, monsieur le ministre, le nom de ces personnes. Et si vous ne voulez pas me les dire maintenant, je déposerai une question écrite plus précise en vous demandant les noms et prénoms de ces personnalités, mais vous avez encore la possibilité de le faire. Vous avez répliqué tout à l'heure pour d’autres collègues. Si vous avez les noms, n’hésitez pas à me les donner.

Voorzitter:

Mijnheer Prévot, wij zullen die discussie nu niet voeren. Indien u vragen wilt stellen, hebt u daartoe alle kansen via mondelinge vragen, interpellaties en schriftelijke vragen.

Het gebruik van Israëlische software door Belgische politiezones
Het gebruik van Israëlische technologie door onze politie
De BriefCam- en de Cellebritesoftware
Het gebruik van Israëlische software door de politie
De samenwerking met Israël bij Europol
De softwareprogramma's van Cellebrite
Het gebruik van Israelische spionagesoftware bij Belgische politiekorpsen
Het gebruik van Israëlische spyware door de Belgische politie
Gebruik van Israëlische surveillance- en politietechnologie in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België gebruikt Israëlische surveillancesoftware zoals Cellebrite en BriefCam (getest onder Palestijnse onderdrukking), ondanks ethische bezwaren en VN-beschuldigingen van genocide door Israël. Minister Quintin bevestigt dat er geen volwaardige Europese alternatieven zijn, maar pleit voor EU-brede oplossingen; lokale politiezones (bv. Gent, Zelzate) willen stoppen maar botsen op juridische, contractuele en prestatiebeperkingen. Kritiek blijft dat België via deze aankopen indirect medeplichtig zou zijn aan mensenrechtenschendingen, terwijl de minister benadrukt dat gerechtelijk toezicht en EU-handelsakkoorden uitsluiting op basis van nationaliteit nu onmogelijk maken. Concrete stappen (zoals alternatieven onderzoeken of ethische clausules verstrengen) blijven vaag, ondanks oproepen tot federale regie en transparantie.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik heb hierover onlangs een schriftelijke vraag gesteld en u hebt mij daarop ook geantwoord. Onze politiediensten gebruiken Cellebrite, maar ook andere Israëlische software. Die software is vrij discutabel, omdat het is gebruikt of uitgetest op Palestijnen die onderdrukt worden. Het is dus software van moreel erg discutabele kwaliteit.

In Gent wil men daar iets aan doen. Als stad van licht en liefde wil men stappen vooruit zetten, maar men botst daar op de limieten. Men krijgt te horen dat er geen of weinig alternatieven zijn. Toch worden in Frankrijk, Canada, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en een aantal Scandinavische landen alternatieve softwarepakketten gebruikt.

Mijnheer de minister, ik heb hierover een aantal vragen.

Ten eerste, hebt u kennisgenomen van de brief van de vrienden uit Gent? Ik veronderstel van wel. Bent u van plan om een initiatief op Europees niveau te nemen? Een lokale politiezone kan dat zelf onmogelijk doen. Ik denk zelfs dat het voor een klein land als België moeilijk is om dat alleen te doen. We zouden zoiets Europees moeten aanpakken. Dat zou ook een kans kunnen zijn voor Belgische spelers om zich daarin te bekwamen. Zult u initiatieven nemen en welke?

Mijn tweede vraag vloeit voort uit de Gazadeal in de federale regering. Op 2 september werd een aantal zaken beslist, onder andere over de activiteiten van Europol in samenwerking met Israël. Op basis van de huidige samenwerking tussen Europol en Israël bestaat de zogenaamde working agreement tussen Europol en Israël.

Welke concrete voorstellen heeft België al gedaan om eventueel zaken aan te passen? Aan welke concrete voorstellen werkt u of werken uw diensten op dit moment nog? Wanneer wilt u deze voorstellen voorleggen aan de lidstaten en aan het bestuur van Europol? Welke mogelijke maatregelen met betrekking tot deze activiteiten ziet u nog? Welke stappen zult u ondernemen om dat te bereiken? Welke stappen hebben Europol en België al gezet om een concrete samenwerking met Israël te verkrijgen met betrekking tot de misdaden van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, zoals bepaald in artikel 3 en annex 1 van de working agreement ?

Ik stel u die tweede vraag, omdat met veel tromgeroffel een akkoord binnen de regering werd aangekondigd over Israël en zijn acties niet alleen in Gaza maar in alle Palestijnse gebieden. Nu komt het erop neer die beloftes en beslissingen om te zetten in de praktijk. Ik ben dus zeer benieuwd welke stappen u hebt gezet binnen uw bevoegdheidsdomein.

Mijn eerste vraag gaat over de samenwerking met bedrijven, die er à la limite niets aan kunnen doen dat ze in Israël zijn gevestigd. Als de technologie echter wordt uitgetest op een volk dat een genocide moet ondergaan, lijkt me dat bijzonder problematisch. Dus ik ben zeer benieuwd hoe u denkt daarvoor alternatieven te ontwikkelen en hoe u onze lokale politiezones zult ondersteunen bij de uitwerking van die alternatieven.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, nous avons appris via plusieurs enquêtes journalistiques que notre police fédérale utiliserait des technologies sécuritaires venant d'Israël. Concrètement, cela signifie que notre police utiliserait des logiciels tels que Cellebrite – qui permet l’extraction complète des données d'un téléphone portable, qu'il s'agisse des messages, des photos ou des contacts –, ou BriefCam – qui analyse des heures de vidéosurveillance pour suivre les déplacements d'une personne dans une foule seconde après seconde –, ainsi que des équipements tels que les lanceurs de gaz lacrymogènes de la marque Ispra – utilisés lors d'opérations de maintien de l'ordre. Ces outils ne sont pas neutres. Ils proviennent d’un pays dénoncé par l’ONU et de nombreuses ONG pour des violations massives des droits humains, actuellement accusé de commettre un génocide, et aussi qui kidnappe illégalement des personnes en mer.

Monsieur le ministre, pouvez-vous confirmer si, oui ou non, notre police utilise ce type de technologie? Lors de l'achat de matériel policier par la Belgique, des critères éthiques sont-ils pris en compte ou bien seuls le prix et la performance technique priment-ils? Existe-t-il aujourd'hui un mécanisme qui empêche que notre police s'équipe avec des technologies venant de pays impliqués dans de graves violations des droits humains?

Je vous remercie pour vos réponses.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, hier is al eerder aangegeven dat verschillende gemeenten en lokale politiezones nog steeds met het hele Cellebriteverhaal worstelen. Vanuit de lokale politiezones wordt gemeld dat de situatie bijzonder complex is.

Mijn gemeente Zelzate heeft al vijf jaar geleden het initiatief genomen om de Engagementsverklaring Apartheidsvrije Zone te ondertekenen. We waren de eerste apartheidsvrije gemeente in ons land en stemmen daar uiteraard ook ons aankoopbeleid op af. We kopen dus geen producten aan uit illegaal bezette Israëlische gebieden.

Het Cellebriteverhaal blijkt echter zeer complex. Ik heb me hierover bevraagd bij onze lokale korpschef en heb ook informatie ingewonnen bij andere politiezones. Wat we daar horen, is dat er momenteel geen alternatief beschikbaar zou zijn dat even performant en betaalbaar is, niettegenstaande dat we horen van onder andere de Liga voor de Mensenrechten dat er wél alternatieven bestaan. Er wordt verwezen naar software zoals XRY van MSAB en Magnet Forensics. Die situatie roept uiteraard vragen op.

Wat is uw visie op het gebruik van die software?

Zijn er daadwerkelijk alternatieven beschikbaar die even performant en betaalbaar zijn? Valt het te overwegen om over te schakelen op alternatieve software zoals XRY van MSAB of Magnet Forensics? Op basis van welke criteria meent u of dat al dan niet een goed idee zou zijn?

Ten slotte wil ik ook graag vernemen of u beschikt over informatie over het testbeleid van Cellebrite.

Greet Daems:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, uit onderzoek van nieuwswebsite Apache blijkt dat bijna de helft van de Vlaamse politiezones gebruikmaakt van Israëlische surveillancesoftware, vooral van de bedrijven Cellebrite en BriefCam. Die software wordt ingezet om smartphones uit te lezen en camerabeelden te analyseren, maar werd ontwikkeld en getest in de context van militaire bezetting en onderdrukking van Palestijnen.

Verschillende gemeenten gaven al aan dat ze van die software af willen vanwege ethische en juridische bezwaren. Ze wensen geen technologie te gebruiken die getest is op een bevolking die onder bezetting leeft. Dat is een terechte houding, maar het is niet altijd eenvoudig. Lokale besturen stuiten op contractuele en juridische obstakels en vragen terecht steun aan het federale niveau.

België heeft het genocideverdrag ondertekend, waardoor ons land verplicht is genocide te voorkomen en geen medeplichtigheid toe te laten. In de huidige context, waarin de VN zelf vaststelt dat Israël een genocide pleegt in Gaza, betekent dit concreet dat onze overheden geen contractuele of economische banden mogen onderhouden met bedrijven die betrokken zijn bij deze misdaden of ze faciliteren.

Daarom wil ik u vragen om federale verantwoordelijkheid op te nemen, niet om morgen alles stil te leggen, maar om ervoor te zorgen dat alle politiezones op een zorgvuldige en consequente manier kunnen afstappen van Israëlische software, met volwaardige alternatieven.

Wilt u de politiekorpsen daarbij helpen?

Welke alternatieven bestaan er voor software zoals deze van Cellebrite, BriefCam en Radwin? Worden die gebruikt in België? Heeft uw administratie daar al onderzoek naar gedaan?

Gaat u gemeenten en politiekorpsen sensibiliseren over de ethische en juridische problemen bij de aankoop van Israëlische producten vandaag?

Voorzitter:

De heren Boukili en Dubois zijn niet aanwezig.

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, beste Kamerleden, afin de répondre à l'ensemble de vos questions, permettez-moi une courte introduction avant d'entrer dans le détail. Je peux confirmer que la police fédérale recourt à certains équipements ou logiciels développés par certaines entreprises israéliennes. C'est notamment le cas des logiciels Cellebrite et BriefCam, ainsi que des lanceurs de gaz lacrymogène de la marque ISPRA. Pour des raisons de sécurité opérationnelle des services de police, il m'est impossible de détailler de manière exhaustive l'ensemble des outils employés.

Il est exact qu'à ce stade, il n'existe pas d'alternative européenne offrant le même niveau de performance. C'est précisément pourquoi il importe de soutenir l'émergence de solutions européennes crédibles afin de renforcer notre autonomie stratégique. Il serait dommage que l'Union européenne se limite, comme on le dit parfois ironiquement, à réglementer pendant que d'autres créent. Je précise toutefois que le soutien à l'innovation et aux entreprises ne relève pas de mes compétences directes. Je veille cependant à ce que la Belgique s'aligne sur les recommandations européennes et garantisse que les outils employés respectent pleinement notre cadre légal et démocratique.

Les marchés publics passés par la police fédérale sont strictement encadrés par les législations belge et européenne. Cela inclut les directives européennes sur les marchés publics, la loi belge relative aux secteurs classiques et la loi sur la défense et la sécurité, ainsi que leurs arrêtés d'exécution. Ces procédures imposent des principes généraux comme l'égalité de traitement, la transparence et la non-discrimination. À ces critères s'ajoute la circulaire fédérale du 16 mai 2014 qui invite les adjudicateurs à intégrer des considérations de développement durable, notamment des clauses sociales ou liées au commerce équitable, dans la passation de leurs marchés.

Enfin, en matière de respect des droits humains, il existe une contrainte importante. La Belgique est liée par des accords internationaux qui garantissent aux entreprises de certains pays, dont Israël, le droit de participer à nos procédures de marché public. Il est donc impossible, à ce stade, d'exclure automatiquement des entreprises sur la seule base de leur origine nationale, sauf si ces accords venaient à être modifié à l'échelle européenne ou internationale.

Bien entendu, pour les raisons que j'ai déjà évoquées dans le cadre de la lutte contre le crime organisé, qui constitue l'une de mes préoccupations majeures en tant que ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, les éventuelles alternatives doivent apporter les mêmes possibilités opérationnelles au bénéfice de nos concitoyens, ici en Belgique.

Mijnheer Vandemaele, ik heb kennisgenomen van de brief van de stad Gent, waarin de wens wordt geuit om geleidelijk afstand te nemen van het gebruik van software van Israëlische oorsprong, zoals Cellebrite. Tegelijkertijd wordt vastgesteld dat dit niet op eigen houtje kan worden gerealiseerd.

De politiezones beschikken over een zekere mate van beheersautonomie. Die autonomie is echter niet absoluut. Zij moeten het federaal en Europees kader naleven, onder meer op het vlak van gegevensbescherming, overheidsopdrachten en het gebruik van technologieën. Dit beperkt in aanzienlijke mate de speelruimte van een lokale overheid om een technologisch hulpmiddel te verbieden of te vervangen. Het gebruik van de tools waarnaar de commissieleden verwijzen, moet dus voldoen aan dit juridisch kader. Het Controleorgaan op de politionele informatie ziet hierop toe.

Verder wens ik te benadrukken dat het gebruik van tools zoals Cellebrite of BriefCam plaatsvindt binnen een gerechtelijk kader. Concreet worden de onderzoeken waarbij deze tools worden ingezet, gevoerd onder leiding en toezicht van de procureur des Konings, die oordeelt over de wettelijkheid en proportionaliteit van de onderzoeksmaatregelen. Politieambtenaren beschikken dus niet over een onbeperkte autonomie. Zij handelen binnen een duidelijk procedureel kader, dat wordt gevalideerd door de bevoegde gerechtelijke autoriteiten.

En résumé, et pour répondre également à Mme Maouane, il existe bel et bien certaines possibilités d'exclure des fournisseurs spécifiques. Toutefois, à l'heure actuelle, je ne dispose pas de base légale visant à exclure certaines technologies.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, op mijn tweede vraag hebt u niet geantwoord. Ik zal daarover dan maar een schriftelijke vraag indienen. Zo wordt het moeilijk om een debat te voeren, als alles op een hoopje wordt gegooid. U hebt de vragen al weken geleden ontvangen. Ik betreur dus dat u ze niet beantwoordt. De regering heeft nochtans zeer fors gecommuniceerd over wat men zou doen ten aanzien van Israël. Het feit dat u niet antwoordt, is natuurlijk ook een antwoord. Het is duidelijk dat het akkoord dat ons is voorgesteld, waarbij streng maar rechtvaardig zou worden opgetreden, in feite weinig strengheid inhoudt ten opzichte van Israël. Dat was al duidelijk, maar u maakt het nu nogmaals duidelijk.

Wat betreft mijn eerste vraag, bestaat er veel tegenspraak. Wij horen dat er wel degelijk alternatieven zijn die even performant zijn en die ook in de Europese Unie worden gebruikt. Dat is lastig, maar nog lastiger is dat we op al onze vragen over welke politiezones welke tools gebruiken, altijd het antwoord krijgen dat die informatie niet kan worden gedeeld omdat ze te gevoelig is. Dat kan ik extern nog aanvaarden. Toch denk ik dat we op een bepaald moment, al is het achter gesloten deuren, een overzicht moeten krijgen van de lokale en federale politie van de leveranciers van Israëlische en andere oorsprong waarmee er wordt gewerkt en van de tools. Zo kunnen wij onze rol als toezichthouder op de overheid en de regering daadwerkelijk spelen. We kunnen er niet omheen dat alle tools en software die de collega's hier hebben genoemd, zijn uitgetest in het kader van een genocide. Dat vind ik bijzonder problematisch. U zegt zelf dat we daar niets aan kunnen doen, maar ik deel die mening niet. Ik denk dat de ethische clausules in dergelijke contracten wel degelijk de mogelijkheid bieden om bepaalde leveranciers uit te sluiten.

Daarom moet ik zeggen, mijnheer de minister, dat ik uw antwoord bedroevend vind. Wij zullen hier op een ander moment verder op ingaan, want dit is te pijnlijk voor woorden.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et pour la transparence, même si je reste un peu sur ma faim pour ce qui est de la transparence. En effet, je trouverais bien d'avoir toutes les informations complètes sur...

J’attends que M. le ministre termine pour qu’il écoute la réplique. Geen probleem! Ik mag wachten.

Monsieur le ministre, je vous remerciais pour votre transparence, même si je reste un peu sur ma faim parce qu’il serait quand même intéressant d'avoir toutes les informations au complet. Comme le disait mon collègue, cela peut même se faire en commission à huis clos.

Vous soulignez qu'il n'existe pas de moyen de sécurité européen qui soit tout aussi efficace. Mais, pour ces mêmes raisons de sécurité, je trouve dingue qu'on utilise des logiciels testés dans des conditions parfois de colonisation, de violation des droits humains et même de génocide. L'utilisation de logiciels israéliens ne devrait pas être une solution à cette carence. De même, l'absence de cadre légal ne justifie pas cet usage. À cet égard, je fais référence à l'avis de la Cour internationale de Justice qui rappelle que les États ont l'obligation de ne pas soutenir l'occupation illégale et d'intervenir. Ceci nous rend quelque part indirectement complice des violations du droit international, sans parler du contexte de répression systémique de la police. Mais c'est un autre débat auquel, je l'espère, on reviendra.

En poursuivant ces collaborations, la Belgique, je l'ai dit, se rend de facto complice. Cela mérite un vrai débat parlementaire, un vrai débat citoyen qui devrait être organisé pour garantir que nos forces de l'ordre ne soient pas équipées au détriment des droits humains. Nos forces de l'ordre doivent être irréprochables. Cela aussi, c’est la responsabilité de notre pays.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik heb geprobeerd goed te luisteren. U gaf veel informatie en de vertaling ging nogal snel. Ik zal alles zeker nog eens rustig herlezen in het Verslag.

Ik onthoud uit uw antwoord vooral dat het niet evident is. Ik heb begrepen dat er op dit moment bij ons in Europa geen systemen zijn die even performant en betaalbaar zijn. Dat stelt ons natuurlijk voor de vraag hoe wij daar in Europa mee moeten omgaan. Het overstijgt het Belgische niveau. Ik reken er wel op, mijnheer de minister, dat ons land daar een voortrekkersrol in speelt. Misschien kunt u daar iets in betekenen. De huidige toestand noopt echt wel tot vragen.

Ik blijf op dat vlak toch een beetje op mijn honger. Ik hoop oprecht dat we snel een duidelijk signaal kunnen krijgen, dat we eenduidige informatie kunnen krijgen over op welke manier we hiermee verder moeten. Ik stel immers vast dat heel wat gemeentebesturen en politiezones hiermee worstelen. Ze willen eigenlijk zo snel mogelijk af van deze software, maar dan moet er natuurlijk een systeem beschikbaar zijn dat even performant en betaalbaar is.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. U zegt dat er geen Europees alternatief bestaat met hetzelfde surveillanceniveau. Een goed alternatief is uiteraard belangrijk. De veiligheid van onze burgers is een belangrijke prioriteit voor ons allemaal.

Wij van de PVDA willen ook dat de politie over volwaardige alternatieven beschikt om de criminaliteit te bestrijden, maar wij willen niet dat die middelen getest zijn op Palestijnen. Een feit is dat de helft van de politiezones in Vlaanderen niet met software van Cellebrite werkt. Dit toont aan dat het toch mogelijk is.

Er zijn verschillende burgemeesters die aangeven dat ze willen stoppen met die Israëlische software. Maar ze geven ook aan dat het niet zo eenvoudig is de contracten van de ene dag op de andere stop te zetten. U kan als minister op het federale niveau de regie in handen nemen en de steden en de gemeenten helpen met het zoeken naar alternatieven. Het is echt ontzettend belangrijk om die contracten zo snel mogelijk te beëindigen.

U bent verantwoordelijk voor onze binnenlandse veiligheid, dus u moet erop toezien dat onze binnenlandse veiligheid niet verzorgd wordt door bedrijven uit een genocidaire staat.

U geeft aan dat het niet mogelijk is om bedrijven automatisch uit te sluiten van publieke aankopen, bijvoorbeeld op basis van nationaliteit, maar dat is ook niet het principe. U ontwijkt de vraag. België is gebonden aan het genocideverdrag, dat medeplichtige bedrijven vermeldt. Het omvat dus niet alle Israëlische bedrijven, maar wel degenen die medeplichtig zijn aan genocide. Cellebrite is zo'n bedrijf.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, met uw goedvinden zou ik graag mijn vraag nr. 56007339C over de moord op een OCMW-medewerker in Gent omzetten in een schriftelijke vraag. Ze dateert immers al van zeer lang geleden en ik vermoed dat het antwoord van toen vandaag nog altijd hetzelfde zal zijn.

Het ongeziene niveau van het geweld tegen de politie
De veiligheid van de zorgverleners
Het geweld tegen de hulpdiensten
Geweld en veiligheidsrisico's voor hulpverleners en diensten

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende stijging van geweld tegen politie en hulpverleners (11.000 agressiegevallen/jaar, 1.000 met werkonbekwaamheid), met nultolerantie-beleid dat faliekant faalt door gebrek aan strafuitvoering en structurele steun. De minister belooft verzwaarde straffen (nieuwe Strafwetboek 2026), betere registratie, psychosociale opvang en camera’s voor hulpdiensten, maar kritiek blijft dat Justitie straffen niet executeert, wat straffeloosheid en demotivatie verergert. Concrete eisen: automatische burgerlijke partijstelling door zones (niet door slachtoffers zelf) en daadwerkelijke handhaving in plaats van leeg beleidsretoriek.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, recente cijfers tonen aan dat dagelijks dertig politieagenten het slachtoffer worden van agressie. In augustus 2025 trokken de politievakbonden aan de alarmbel: opgeteld komen we namelijk aan 11.000 gevallen van agressie tegen de politie per jaar. Dat is het hoogste niveau ooit op dat vlak. In 2023, het laatste jaar met volledige cijfers, stond de teller op bijna 1.000 gevallen, meer bepaald 947, van slagen en verwondingen die leidden tot werkonbekwaamheid, een andere kwalificatie dan agressie, of een stijging van 10 % in vergelijking met tien jaar eerder.

Het betreft ernstig geweld en het gaat niet om geïsoleerde gevallen. Wij zien duidelijk een tendens. Niet enkel politieagenten zijn daarvan het slachtoffer, maar ook andere hulpverleners. Eigenlijk wordt iedereen die een uniform draagt, in onze maatschappij loslopend wild voor bepaalde geweldenaars. Daartegen moet uiteraard worden opgetreden.

Daarom heb ik de hiernavolgende vragen voor u. Van de vijf vragen die ik schriftelijk heb ingediend, blijven er uiteindelijk slechts twee over die ertoe doen en waarop ik graag een antwoord zou krijgen. Ten eerste, welke stappen of welk stappenplan wilt u nemen om die stijgende trend aan te pakken?

Ten tweede, hoe kunnen wij onze politieagenten een betere bescherming bieden, ook vanuit de federale overheid? Ik geef toe dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid met de lokale politiezones.

Voorzitter:

Ik stel vast dat mevrouw Reuter niet aanwezig is om haar vraag nr. 56008267C te stellen.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, voor het zomerreces verscheen een studie van het Vias institute over geweld tegen hulpverleners. Naar aanleiding van dat verontrustende rapport vroeg ik in een schriftelijke vraag om extra cijfers en die bevestigen een zorgwekkende trend. Het geweld tegen hulpverleners neemt toe, van 235 gevallen in 2020 naar 354 processen-verbaal in 2023. Ook het geweld tegen brandweerlieden stijgt: terwijl in 2023 6 gevallen werden geregistreerd, waren dat er in het eerste trimester van 2024 al 12.

Volgens het rapport verklaart 75 % van de hulpverleners dat zij al het slachtoffer van verbale agressie, zoals geschreeuw en scheldpartijen werden. Voor dergelijke feiten worden meestal zelfs geen processen-verbaal opgemaakt. Daarnaast heeft ongeveer de helft van de hulpverleners al te maken gehad met fysieke agressie. Daaronder verstaat men het gooien of vernielen van voorwerpen, maar ook het duwen, schoppen, bespuwen of slaan van de hulpverlener. Het spreekt vanzelf dat voor geweld tegen hulpdiensten nultolerantie verwacht wordt, conform trouwens het regeerakkoord.

Het is extra problematisch dat door de niet-uitvoering van de nultolerantie vandaag de dag maar liefst een op de drie hulpverleners aangeeft te overwegen hun job op te geven wegens de toenemende agressie tegenover hulpdiensten. Dat mogen we niet laten gebeuren.

Mijnheer de minister, op welke manieren ondersteunt de regering hulpverleners die met agressie te maken krijgen?

Hoe wilt u die cijfers doen dalen in plaats van stijgen?

Hoe ver staat het met de concretisering van de dringend noodzakelijke nultolerantie voor geweld tegen hulpverleners?

Bernard Quintin:

Laat ik duidelijk zijn: geweld tegen hulpverleners en politieagenten is onaanvaardbaar en moet worden bestraft. De hulpverleners en politiemensen hebben mijn steun en zij weten dat.

In mijn beleidsnota heb ik duidelijk mijn voornemen kenbaar gemaakt om een beleid van nultolerantie te voeren ten opzichte van geweld en bedreigingen tegen degenen die ons helpen en beschermen. Ik zal mijn inspanningen en initiatieven in die richting uiteraard voortzetten. Ik ga ervan uit dat ook de minister van Justitie de inspanningen inzake vervolging voortzet.

De cijfers zijn te hoog en blijven te hoog. Ik zal binnenkort overleggen met de leidinggevenden van de politie en de hulpdiensten of bijkomende initiatieven nodig zijn.

Het is mogelijk om, op basis van informatie in de ANG, een rapport op te stellen over geregistreerde criminele feiten tegen politiediensten of een bepaald beroep, gecombineerd met de plaats, hospitaal of polykliniek. Zo zijn er in 2023 113 feiten gekoppeld aan kliniek, door de politiediensten geregistreerd. Voor het eerste, tweede en derde semester van 2024 waren er 65 registraties.

Rondzendbrief GPI100 biedt reeds garanties om het politiepersoneel dat het slachtoffer van geweld is geworden, te beschermen. Met betrekking tot het geweld tegen hulpverleners bestaat er een gelijkaardige ministeriele rondzendbrief van 20 januari 2023, met richtlijnen over preventie, begeleiding, strafrechtelijke en civiele aspecten en administratieve procedures. De rondzendbrief wordt momenteel geactualiseerd en aan de zonevoorzitters bezorgd. Aanvullende informatie en maatregelen zijn beschikbaar op de FAQ van civiele-veiligheid.be. De nadruk ligt op de psychosociale opvang, het aanstellen van preventieadviseurs of vertrouwenspersonen en duidelijke administratieve stappen bij geweld, zoals de erkenning van arbeidsongevallen, rechtshulp en herplaatsing.

Voorts wordt het belang van de burgerlijkepartijstelling benadrukt. Zowel het slachtoffer als de zone moet klacht indienen om agressie te veroordelen en schadevergoeding te verkrijgen. Elke agressie moet worden gemeld en geregistreerd. Dat helpt om de problematiek beter te begrijpen en gerichte acties te ondernemen. De minister blijft de zone oproepen om alle gevallen van agressie consequent te rapporteren.

Agressie tegen hulpverleners is complex en vraagt om een sterke preventie. Essentieel zijn risicoanalyses, opleidingen en de voorlichting van brandweerleden en ambulanciers. Er bestaan drie door Binnenlandse Zaken gesubsidieerde opleidingen in alle brandweerscholen, die leren hoe gepast te reageren bij agressie tijdens interventies.

In 2021 liep een interne sensibiliseringscampagne over het omgaan met agressie en het belang van melden. In 2023 volgde de externe campagne Not Funny met getuigenisfilms die door zones blijvend worden gebruikt en regelmatig via sociale media worden verspreid. Binnenkort komt er een onderwijstoolbox om het thema in het secundair onderwijs bespreekbaar te maken.

Daarnaast laat de wet van 21 februari 2024 het gebruik van camera's door hulpdiensten vanaf april 2025 toe om personeel beter te beschermen.

De nultolerantie voor geweld tegen hulp- en ordediensten is zeker ook een thema van de minister van Justitie.

Het nieuwe Strafwetboek, dat in werking treedt op 8 april 2026, voorziet in zwaardere straffen om de ernst van dergelijke feiten beter te weerspiegelen. De omzendbrief COL 3/2008, herzien in 2014, bevat ook richtlijnen voor de politie en het parket om gepaste strafrechtelijke reacties te waarborgen, waarbij rekening met de ernst van de feiten en de betrokkenen wordt gehouden.

Ik zal mijn collega van Justitie vragen of zij een mogelijkheid ziet in het anoniem indienen van klachten in geval van agressie tegen hulp- en ordendiensten. De persoonlijke gegevens van brandweerlieden of ambulanciers zouden kunnen worden vervangen door een nummer of de naam van de zone, waardoor hun privacy en veiligheid tijdens de gerechtelijke procedure beter beschermd blijven.

Ortwin Depoortere:

Bedankt, mijnheer de minister. Ik heb al een tijdje zitting in het Parlement en ik hoor steeds dezelfde mantra: nultolerantie voor geweld tegen de politie en nultolerantie voor geweld tegen hulpverleners. Dat stond in het regeerakkoord van de vivaldiregering en het staat ook in het regeerakkoord van de regering-De Wever. Ik hoor dat hier al zes jaar debiteren, maar ik zie geen daden.

Daar bent u, mijnheer de minister, in de eerste plaats het slachtoffer van. U verwijst terecht naar de minister van Justitie, maar precies daar ligt het probleem. Het gaat er niet om dat de straffen moeten worden verzwaard, maar wel dat de uitgesproken straffen niet worden uitgevoerd. U kent het gevolg daarvan: er ontstaat een sfeer van straffeloosheid en een demotivatie bij onze politiediensten, die wel hun werk doen, dag in, dag uit, in moeilijke omstandigheden.

Mijnheer de minister, u komt uit Brussel en dus weet u zeer goed in welke omstandigheden onze politiediensten moeten werken. Zij worden niet gesteund door de politiek. Ik geloof u wel op uw woord dat u daar alles aan wilt doen, maar als Justitie niet volgt, is het dweilen met de kraan open. Dat moet dringend veranderen. U hoeft daarvoor niet met de leidinggevenden van politie en hulpdiensten te overleggen over bijkomende maatregelen. Het volstaat dat Justitie haar werk doet, namelijk de uitgesproken straffen daadwerkelijk uitvoeren. Dat is de enige, maar dan ook de enige oplossing om de straffeloosheid uit de wereld te helpen en om onze politie en hulpdiensten de nodige politieke steun te geven. Zo niet voorspel ik u, mijnheer de minister, dat we hier binnen de vier jaar, samen met de heer Bergers, dezelfde vraag zullen stellen en dat er op het terrein niets zal zijn veranderd.

Jeroen Bergers:

Ik ben het met u eens, mijnheer Depoortere, dat Justitie dringend beter werk moet leveren, en dat het vandaag faliekant fout loopt, maar dat is niet het enige probleem. Ik moedig het wel aan en ik ben dankbaar dat de minister zal samenzitten met de diensten om te bekijken wat er nog meer kan gebeuren. Hij wil de rondzendbrief actualiseren. Mijnheer de minister, het is niet voldoende dat de slachtoffers anoniem klacht kunnen indienen en zich burgerlijke partij kunnen stellen. Het zijn vooral de zones waar die slachtoffers actief zijn, die zich altijd burgerlijke partij moeten stellen. Dat mag niet de individuele verantwoordelijkheid zijn van de aangevallen hulpverleners. Dat is de steun die de overheid aan de hulpverleners moet bieden. De kwestie van de burgerlijkepartijstelling moet structureel worden aangepakt, zodat het niet langer de eigen verantwoordelijkheid van de slachtoffers is. We moeten meer doen dan de betrokkenen aanmoedigen zichzelf burgerlijke partij te stellen. Het is inderdaad goed dat er al strengere straffen opgenomen zijn, maar in het regeerakkoord is sprake van nultolerantie. Ik meen dat het belangrijk is dat de regering echt werk maakt van nultolerantie en ik verwacht dat de minister van Justitie dat voornemen in de praktijk omzet. De gevolgen van het uitblijven van een oplossing ter zake komen bij u terecht en zorgen ervoor dat u minder personeel kunt aantrekken, terwijl de noden op het veld groot zijn. Ik juich het dus toe dat u de minister van Justitie hierop zult aanspreken.

Problematische pro-Palestijnse betogingen
De pro-Palestijnse betogingen in het station Brussel-Zuid
De veiligheid bij de komende wielerkoersen
De willekeurige arrestaties van Palestijnen
De vaststelling van het OCAD over de steeds grimmigere pro-Palestijnse protesten in ons land
De opgepakte pro-Palestijnse actievoerders
De beteugeling van de betoging van 2 oktober jongstleden
De vreedzame steunbetoging voor de vloot naar Gaza
Het gewelddadige politieoptreden tijdens de Palestinabetoging
Het gewelddadige optreden van de politie tijdens de pro-Palestijnse betoging
Pro-Palestijnse protesten, veiligheid en politieoptreden in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om escalerend geweld en polarisatie rond pro-Palestijnse protesten in België, met twee tegenstrijdige visies: enerzijds klachten over agressie, antisemitisme en verheerlijking van Hamas (o.a. grafschennis, geweld tegen politici, bedreigingen bij wielerwedstrijden), anderzijds beschuldigingen van disproportioneel politiegeweld, etnisch profileren en onderdrukking van vreedzaam protest (o.a. arrestaties zonder duidelijke grond, geweld tegen journalisten, zelfmoord van een Palestijnse asielzoeker in detentie). De minister benadrukt wettelijk kader, proportioneel ingrijpen en interne evaluaties, maar critici (o.a. Amnesty, Comité P) wijzen op systematische overtredingen, gebrek aan transparantie en een patroon van repressie tegen Palestijnse activisten. Vrijheid van meningsuiting versus openbare orde blijft de kernspanning, met geen concrete oplossingen voor de onderliggende polarisatie.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, volgens het OCAD worden de pro-Palestijnse protesten in ons land grimmiger. Iedereen met ogen in zijn hoofd had dat natuurlijk al lang gezien en soms ook meegemaakt. Het OCAD zei dat na de schandalige ontering van het graf van voormalig MR-boegbeeld Jean Gol, eigenlijk Jean Goldstein. Hij had zijn naam aangepast, omdat hij toen helaas al wist waarom dat nodig was, maar zelfs dat was blijkbaar niet meer voldoende om te voorkomen dat zijn graf werd onteerd. Hij was dus een Joodse man.

Vervolgens waren er ook gewelddadige protesten tegen MR-politici – u zult dat vast hebben gevolgd, mijnheer de minister – waarbij honderden pro-Palestijnse activisten betrokken waren, nota bene bij de gebouwen van de universiteit van Luik. Daarbij werden partijleden en -medewerkers belaagd en raakten twaalf politieagenten gewond, van wie vijf naar de spoed moesten.

Op zondagavond 24 augustus vond er een zoveelste Palestina-betoging plaats in Brussel. Daar werd een man neergestoken. Dat zou gaan om een inter-Palestijns conflict over de rol van Hamas. Ik verneem – ik weet niet of dat klopt, maar u mag het me zeggen als u het weet – dat een Hamas-aanhanger een demonstrant zou hebben neergestoken omdat hij Hamas had bekritiseerd; een klein stukje Midden-Oosten op ons grondgebied dus.

Er was nog een zogenaamde Palestina-betoging waar moslimtieners opriepen om – ik citeer – “onze martelaars te eren”. Daarbij werden expliciet jihadisten genoemd, onder wie de moorddadige Hamasleider Yahya Sinwar, de architect van de genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023. We gaan erop vooruit, mijnheer de minister.

Verder was er de Vuelta, waaraan ook de ploeg Israel - Premier Tech deelnam. Die werd dag na dag ontsierd door levensgevaarlijke taferelen, doordat anti-Israël-demonstranten met Palestijnse vlaggen herhaaldelijk het parcours bestormden. Zeker als voormalig wielrenner maakte mij dat extra woedend.

We stellen nu vast dat dit soort weerzinwekkende terreur – dat is het immers – helaas werkt. Nadat de Israëlische wielerploeg eerst werd gecanceld uit wielerkoersen, heeft de bezieler nu een stap opzijgezet en is Israël uit de naam van de ploeg geschrapt. Dat is de gele Jodenster anno 2025.

Mijnheer de minister, wat is uw reactie op deze tendens en evolutie? Wat onderneemt de regering om tijdens wielerkoersen in ons land de veiligheid van alle renners en hun omkadering te garanderen? Ik vraag dit nadat de bezieler van de Israëlische wielerploeg een stap opzij heeft gezet en nadat Israël uit de naam van de ploeg is geschrapt.

We weten immers dat die anti-Israëlactivisten daar geen genoegen mee zullen nemen. Zij zullen blijven proberen obstakels op te werpen en wellicht levensgevaarlijke taferelen te veroorzaken.

Wat onderneemt u om de veiligheid van onze wielerkoersen en van alle wielrenners te garanderen? Als er één valt, dan valt er immers vaak een hele hoop. Wat onderneemt u om die veiligheid te waarborgen? Wat vindt u van de verheerlijking van moorddadige Hamasterroristen zoals Yahya Sinwar door moslimtieners in België? Wat is uw reactie op de bevinding van het OCAD dat de pro-Palestijnse protesten in ons land grimmiger worden? Wat onderneemt u daartegen? Dit gebeurt natuurlijk stap voor stap. Er staat ook nog een vraag over Code Rood en andere radicale groeperingen op de agenda. Deze worden steeds gewelddadiger en agressiever, omdat ze voelen en weten dat ze in dit land met fluwelen handschoentjes worden aangepakt.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, depuis deux ans, chaque soir, des citoyennes et des citoyens se rassemblent à Bruxelles. Depuis de nombreux mois, ils se rassemblent à la Bourse pour exprimer pacifiquement leur solidarité avec le peuple palestinien: ils chantent, ils manifestent et exercent donc un droit fondamental.

Cependant, depuis quelques semaines, les témoignages se multiplient. La police ne se contente plus d'encadrer les manifestants mais semble cibler directement les Palestiniens qui sont présents. Cela résulte en des arrestations, y compris de personnes en ordre de séjour, qui voient leur intégrité menacée et qui risquent même l'enfermement en centre fermé.

Je tiens à citer ici les noms, car derrière chaque arrestation, il y a des humains: Fethi, Enes, Hamouda et Ossam sont quatre militants palestiniens récemment arrêtés à Bruxelles. Ensuite, il y a le drame de Mahmoud. Il avait survécu aux horreurs de Gaza mais s’est donné la mort il y a deux nuits, alors qu'il était enfermé au centre fermé du 127 bis . Il avait demandé à pouvoir sortir pour faire son deuil. Il a écrit et supplié pour sortir mais sans succès. Suite à cela, il a tragiquement mis fin à ses jours. Ce n’est pas la question ici, mais je tiens à souligner qu’il est décédé ici, en Belgique. Ce que la guerre n’avait pas pris, notre système, lui, l’a brisé.

J'en reviens à des considérations très simples, très actuelles et très concrètes. Monsieur le ministre, quelles sont aujourd’hui les instructions données aux forces de l’ordre pour encadrer les rassemblements pacifiques qui ont lieu sur le territoire de la ville de Bruxelles? Comment vous assurez-vous qu'aucune communauté ne soit spécifiquement ciblée en raison de son origine ou de son engagement politique? Quelles garanties concrètes pouvez-vous nous donner pour que les libertés d'expression et de manifestation – qui sont des droits fondamentaux de notre démocratie – soient respectées?

Voorzitter:

Madame Marouane. Je vous donne la parole pour votre deuxième question jointe.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, le 2 octobre, nous avons vu l'inacceptable à Bruxelles. Des citoyennes et des citoyens manifestaient pacifiquement pour la Palestine et alors qu’ils fuyaient effrayés, ils ont été exposés aux gaz lacrymogènes. Ils ont été brutalisés par la police. Ils ont été pourchassés, battus, humiliés.

Amnesty International parle d’un recours illégal et disproportionné à la force. Malheureusement, ce n’est pas un incident isolé. Comme je le dis depuis des mois, ces manifestations de solidarité sont systématiquement entravées, brutalement dispersées, parfois même interdites. C’est devenu une tendance lourde, inquiétante, qui met directement en cause les choix et les ordres donnés à la police.

Quels ordres exacts ont été donnés le 2 octobre? À quelle heure, par qui et avec quels suivis policier et politique? Étiez-vous informé de la décision de disperser la manifestation pacifique de la place du Luxembourg? Comment expliquer que des policiers soient intervenus sans matricule – comme nous le voyons apparemment sur les images – alors qu'il s'agit pourtant d'une obligation légale et d'une garantie minimale de transparence?

Enfin, j'aimerais avoir des explications sur la disproportion de la réponse qui a été donnée. Pourquoi des gaz lacrymogènes, des canons à eau, des matraques contre des manifestants qui fuyaient et qui ne représentaient ou semblaient ne représenter aucune menace?

Greet Daems:

Mijnheer de minister, mijn eerste vraag gaat over vier pro-Palestijnse actievoerders die de voorbije weken in Brussel na vreedzame betogingen werden opgepakt en ondergebracht in gesloten centra.

Volgens de politie en de DVZ ging het om een verstoring van de openbare orde, maar tot op vandaag blijft onduidelijk welke concrete feiten die zware ingreep rechtvaardigen. Een van de actievoerders is Houssam, een Palestijnse asielzoeker wiens asielprocedure loopt. Hij werd in een metrostation opgepakt en in een gesloten centrum geplaatst. Mensenrechtenadvocaten noemen dat ongezien en disproportioneel, aangezien asielzoekers enkel kunnen worden opgesloten na strafbare feiten en een rechterlijke veroordeling. De raadkamer heeft intussen geoordeeld dat de actievoerders moesten worden vrijgelaten wegens een gebrek aan enige bedreiging voor de openbare orde. Zelfs de processen-verbaal van de politie bleken niet in het dossier te zitten. Toch blijft de DVZ bij zijn beslissing en is de DVZ in beroep gegaan.

Ik heb daarover op 1 oktober al vragen gesteld aan de minister voor Asiel en Migratie, maar zij verwees mij voor de politionele zaken naar u door.

Mijnheer de minister, op basis van welke feiten werden Houssam en de andere actievoerders opgepakt? Wie heeft daartoe het bevel gegeven? Wat is de concrete motivering om te spreken van een verstoring van de openbare orde?

Waarom worden mensen wiens asielprocedure loopt opgesloten in een gesloten centrum?

Hoe garandeert u dat het grondrecht op vreedzaam protest niet wordt uitgehold door dat soort ingrepen?

Waarom ging de DVZ in beroep tegen de uitspraak van de raadkamer?

Waarom ontbraken de processen-verbaal in het dossier van de mannen die voor de raadkamer zijn verschenen?

Mijn tweede vraag gaat over het politiegeweld in Brussel tegen Palestijnse actievoerders. Na de betoging van vorige week donderdag in Brussel tegen de Israëlische aanval op de humanitaire flotilla zijn bij het Comité P al tien klachten binnengekomen over het buitensporig geweld door politieagenten. Niet alleen vreedzame betogers werden geconfronteerd met geweld, maar ook leden van de pers, ook al hadden zij zich duidelijk geïdentificeerd. Daar zijn verschillende getuigen van.

De politie spreekt over incidenten en vernielingen door een beperkte groep, maar het is een feit dat ook vreedzame deelnemers en journalisten zwaar werden aangepakt.

Een fotojournaliste van het internationaal onderzoekscollectief OCCRP heeft verklaard dat ze met de wapenstok werd geslagen toen ze vastlegde hoe agenten een vrouw op de grond sloegen. Dat is niet het eerste incident. In januari, tijdens de betoging tegen Jordan Bardella, werden journalisten eveneens geviseerd. Enkele maanden geleden belandde een journalist met perskaart ook een nacht in de cel. Het wordt stilaan een patroon dat bepaalde pelotons van PolBru optreden op een manier die persvrijheid en het recht op betogen ondermijnt.

Wij begrijpen dat ordehandhaving complex is, maar telkens buitensporig geweld vergoelijken met moeilijke omstandigheden ondermijnt de rechten van burgers. Als die incidenten blijven terugkeren, spreken we niet langer over individuele fouten, maar over een beleid dat die incidenten toelaat.

Mijnheer de minister, welke richtlijnen gelden voor het optreden van de politie tegenover journalisten en vreedzame betogers? Hoe garandeert u dat die richtlijnen in Brussel worden gerespecteerd?

Zult u gezien de herhaling van dergelijke incidenten een onafhankelijk onderzoek laten voeren door de AIG naar het optreden van PolBru tegenover de pers en burgers tijdens manifestaties?

Welke maatregelen zult u nemen om te vermijden dat de politie opnieuw zo reageert op vreedzaam protest, of het nu gaat over Palestina, sociale rechten of om het even welke andere zaak?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, par centaines de milliers, et à plusieurs reprises, les citoyens et les citoyennes de ce pays, en ce compris en famille (grands-parents, parents, enfants), ont exercé un droit constitutionnel important, celui de manifester pacifiquement. Ils l’ont fait pour dénoncer un génocide – ce qu'il y a de plus terrible dans l'histoire de l'humanité –, un génocide en cours, mené par le gouvernement israélien contre la population civile à Gaza. Ils ont tracé une ligne rouge, alors que notre gouvernement n'a pas été capable de faire de même, et n'a pas une réponse suffisante, à mes yeux, face au drame humanitaire en cours.

Jeudi dernier, à nouveau, de nombreux citoyens – 5 000 – sont descendus, de manière tout à fait spontanée, dans les rues de la capitale – mais il y en avait aussi dans d'autres villes du pays –, pour manifester leur soutien à la flottille pour Gaza. Cette flottille a été raillée par certains hommes politiques, dont votre président de parti. Plusieurs Belges y participaient et ont été arrêtés par les autorités israéliennes.

La manifestation a commencé au SPF Affaires étrangères et s'est terminée à la place du Luxembourg pour dénoncer la non-protection par notre pays de la flottille.

Cette manifestation a donné lieu à des images difficilement justifiables. Je me suis demandé si j'étais bien en Belgique. J'ai vu, comme d'autres, des policiers qui gazaient des manifestants en fuite. D'autres étaient littéralement pourchassés dans les rues.

Je pense que toute la transparence doit être faite sur ces événements inacceptables, alors que la réponse de la police doit toujours être proportionnelle. C'est de cette proportionnalité qu'elle tire sa légitimité. Loin de moi l'idée d'accabler la police. Je sais que c'est un métier compliqué, et particulièrement que gérer et encadrer des manifestations s'avère de plus en plus complexe.

Monsieur le ministre, j'aimerais avoir votre avis et connaître les informations en votre possession concernant ces violences en marge des manifestations. Je voudrais également savoir si une enquête interne à la police intégrée a été demandée.

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, ik vang mijn antwoord aan met de vraag van de heer Van Rooy over de verstoring van wielerwedstrijden. Bij een wielerwedstrijd hebben de lokale bestuurlijke overheden en de politiediensten uiteraard contact met de organisatoren. Bij het opstellen van de operationele risicoanalyse worden mogelijke protestacties besproken. Met betrekking tot de Israëlische wielerploeg Premier Tech wordt bijkomend door het NCCN voorzien in verhoogde waakzaamheid door de veiligheidsdiensten en worden gepaste maatregelen voorzien.

Het OCAD verwijst in algemene termen naar de evolutie van de wekelijkse kleinschalige pro-Palestijnse manifestatie in het Brusselse en naar de toenemende polarisatie rond de Palestijnse kwestie. De dramatische situatie in Gaza leidt tot uiteenlopende meningen binnen onze samenleving. De veiligheidsdiensten volgen die evolutie nauwgezet op via monitoring, dreigings- en risicobeoordeling en versterkte samenwerking tussen federale en lokale actoren. Daarnaast wordt ook gewerkt aan sensibilisering en preventie, onder meer via de Strategie T.E.R., om signalen van radicalisering tijdig te detecteren en een gepaste opvolging te voorzien.

Met betrekking tot de steekpartij tijdens de pro-Palestijnse manifestatie, het parket heeft gecommuniceerd dat uit de eerste elementen van het onderzoek blijkt dat de betrokken personen elkaar kenden. Het zou dus om een interpersoonlijke discussie gaan. Het 22-jarige slachtoffer verkeert niet meer in levensgevaar. Een 21-jarige verdachte werd ter beschikking gesteld van het parket.

Het verheerlijken van terrorisme wordt specifiek voorzien in het nieuw Strafwetboek, dat op 8 april 2026 in werking zal treden. Die strafbaarstelling wordt strikt afgebakend, met voorwaarden over omstandigheden en aannemelijkheid van de gevolgen. Het komt de minister van Justitie toe om te antwoorden op de vraag of heel jonge kinderen die op de schouders van volwassenen in het openbaar oproepen tot het verheerlijken van personen die zij martelaars noemen, binnen de definitie valt van strafbare deelneming aan het verheerlijken van terrorisme.

Madame Maouane, je vais répondre à vos questions en deux temps. D’abord, je répondrai en ce qui concerne les questions sur les arrestations arbitraires et ensuite je répondrai aux questions sur les instructions données à la police locale dans le suivi des manifestations.

Contactée par mes soins, la police de Bruxelles-Capitale/Ixelles, PolBru, m’a fait savoir qu’afin d’éviter les incidents, elle est toujours présente de façon plus discrète et n’intervient qu’en cas de commission de faits délictueux, surtout si ceux-ci menacent la sécurité publique ou l’intégrité physique des personnes.

Je tiens à être clair et à le rester. Chaque intervention policière qui serait basée sur l’origine ethnique ou sur l’engagement politique d’une personne est une discrimination strictement interdite par la loi et, comme je l’ai déjà répété quelques fois aujourd'hui, la loi est la loi. De wet is de wet. Bien sûr, les forces de l’ordre sont les premières à devoir respecter la loi dont elles veillent à la bonne mise en œuvre.

Le contrôle de cette interdiction est exercé par les fonctionnaires dirigeants de la police, les organes de contrôle des services de police, le ministère public et, bien sûr, la presse et le public. Plus spécifiquement, les règles en matière de profilage professionnel et d’interdiction du profilage ethnique sont reprises dans la circulaire ministérielle CP5 du 7 juillet 2023, établie par ma prédécesseure.

En outre, le contrôle d’une personne doit répondre aux critères légaux en la matière. En d’autres termes, si le policier ou la policière a des motifs raisonnables de croire, en raison d’indices matériels ou de circonstances de temps et de lieu, que cette personne est recherchée ou qu’elle a tenté de commettre une infraction, qu’elle se prépare à la commettre ou encore qu’elle pourrait troubler l’ordre public ou qu’elle l’a troublé, la police appliquera la loi. Si la personne contrôlée est en séjour illégal, les directives de l'Office des étrangers sont exécutées par la police. Ici aussi, le travail de la police peut faire l’objet de plaintes et de procédures en justice. Les libertés d’expression et de manifestation sont des droits fondamentaux mais elles ne sont pas des droits absolus. L’article 26 de la Constitution accorde aux Belges le droit de s’assembler paisiblement et sans armes en se conformant aux lois qui peuvent régler l’exercice de ce droit, sans néanmoins le soumettre à une autorisation préalable. Il va de soi que les lois de police s’appliquent en tous temps et en tous lieux.

J'en viens maintenant au suivi de la manifestation du 2 octobre dernier. Le 2 octobre – et je prends les informations reçues de PolBru – à 16 h 15, s’est formé à la hauteur du ministère des Affaires étrangères, dit SPF, un rassemblement de soutien à la flottille arraisonnée au large de Gaza. Aucune demande n’avait été introduite. Ni la police ni les autorités n’avaient été averties. Quatre mille personnes étaient rassemblées et la police a pris contact avec les responsables afin de négocier un scénario dans le respect du droit fondamental à la protestation pacifique.

Grâce à une concertation avec nos services de police, celle-ci a pu évoluer vers une action dynamique encadrée.

Un accord fut donc trouvé afin d'organiser une marche vers la place du Luxembourg face au Parlement européen.

Ce cortège s'est déroulé sans le moindre incident, en parfaite collaboration, mis à part un groupe plus radical qui a immédiatement été au contact des policiers au barrage protégeant le Parlement et dont certains membres ont tagué les bâtiments du Parlement, entre autres, de slogans antisémites.

Peu avant 18 h 45, les organisateurs ont appelé à se disloquer. C'est ce que 3 600 personnes environ ont fait dans le calme. Toutefois, un groupe de 200 à 300 personnes a décidé de former un nouveau cortège sans aucune concertation et dont les intentions n'étaient pas connues. Ce groupe a déambulé vers le centre-ville, causant des dégradations tant au domaine public qu'aux biens privés. Il a également bloqué temporairement les tunnels de la petite ceinture, s'en prenant aux automobilistes et aux installations des tunnels.

Une première apparition de la police, jusque-là discrète, a mis fin à ces agissements. Ce groupe a ainsi marché jusqu'à la Bourse, où il a rejoint le rassemblement, non autorisé mais toléré, qui s'y tient quotidiennement, comme vous l'avez souligné vous-même. Ici aussi, des dégradations furent commises le long du parcours.

Entre-temps, 100 à 150 personnes continuaient, sans concertation, à bloquer la place du Luxembourg, perturbant gravement la mobilité, en particulier les transports en commun.

Vers 20h, un groupe s'est reformé à la Bourse, toujours sans concertation, et a rejoint la petite ceinture.

La police a décidé de mettre fin à ce cortège sauvage. Elle a tenté de le stopper, mais cela a eu comme conséquence des jets de projectiles vers la police suivis d'un "jeu du chat et de la souris", si vous me permettez l'expression. À l'aide de patrouilles réactives, la police a fini par disperser ce groupe qui n'avait plus de "pacifique" que le nom.

Il est déjà près de 22h. La police a également demandé au groupe de la place du Luxembourg de libérer la place, ce qui a aussi eu comme conséquence des jets de projectiles. Les manifestants refusèrent de quitter la place et avouèrent l'intention d'y camper. Les jets de projectiles continuaient et les événements mettaient en danger les autres personnes sur ladite place.

Il a alors été décidé de disperser le groupe, et là aussi, il fut fait usage de gaz incapacitants et aussi d'une arroseuse. Ces moyens n'ont été utilisés que lorsque le dialogue n'était plus possible et dans le strict respect du cadre légal. Ces mesures, bien qu'impressionnantes visuellement, j'en conviens, sont prévues par la loi pour rétablir l'ordre public lorsque toutes les autres options ont échoué.

Le calme a été rétabli partout vers 23h.

Quatre personnes ont été arrêtées judiciairement et mises à disposition du procureur du Roi, entre autres pour rébellion armée. Cela démontre également les véritables intentions des groupes en question qui ne peuvent donc, à la lumière des événements que je viens de mentionner, être qualifiés ni de pacifiques ni de respectueux de la loi. Je parle bien des derniers groupes. Au demeurant, je vous rappelle qu'un policier a été blessé.

Mesdames et messieurs les députés, les manœuvres policières tant à Bruxelles qu'à Ixelles ont été approuvées par les autorités administratives compétentes. J'ajouterai que l'évaluation du caractère proportionné de toute intervention policière repose sur plusieurs critères, dont l'analyse de la situation sur le terrain, les risques pour la sécurité publique, le comportement des participants et le respect du cadre légal. A posteriori , une évaluation interne est systématiquement menée après chaque intervention d'envergure. Elle permet d'analyser les actions menées, d'identifier les points d'amélioration éventuels et de garantir que les futures interventions restent toujours proportionnelles, légales et transparentes. Voilà pour les faits.

Quant aux aspects d'ordre juridique, certains d'entre vous m'ont interrogé relativement à des plaintes adressées au Comité P. Je vous rappelle que celui-ci est un organe qui dépend du Parlement. Par conséquent, si vous souhaitez le saisir, cela relève évidemment de vos prérogatives.

S'agissant ensuite de la saisine de l'Inspection générale de la police, sur la base des informations qui m'ont été précisées par la zone PolBru, aucun élément ne me suggère, pour le moment, d'agir en ce sens.

Certains d'entre vous m'ont interrogé quant à la présence de journalistes dans la manifestation et à l'attitude de la police à leur égard. J'ai dit précédemment, et je le répète, que la liberté de la presse constitue un pilier fondamental de notre démocratie. Nos services de police sont pleinement conscients du rôle des journalistes, y compris lors de manifestations. Des directives claires sont en vigueur en ce qui concerne leur traitement par les forces de l'ordre. Elles insistent notamment sur l'identification correcte des journalistes sur le terrain, le respect de leur travail d'information et l'interdiction de toute entrave injustifiée à l'exercice de leur mission, sauf en cas de risque immédiat pour la sécurité. En pratique, ces directives sont rappelées régulièrement aux policiers, notamment en amont des manifestations importantes. De plus, lors des briefings opérationnels, l'attention est portée tout particulièrement sur la présence de journalistes, tandis que des consignes sont données pour garantir leur sécurité et leur liberté de mouvement, dans la mesure du possible et dans le respect des règles de sécurité publique.

En cas d'incident ou de plainte impliquant un journaliste, une procédure d'examen est systématiquement enclenchée. Toute plainte est prise au sérieux, transmise au parquet de Bruxelles, et peut faire l'objet d'un suivi disciplinaire ou judiciaire, si nécessaire.

La police reste engagée à maintenir un dialogue ouvert avec les représentants des médias et à améliorer en permanence nos pratiques, afin de garantir à la fois la sécurité publique et le respect des libertés fondamentales. Il s'agit là d'un sujet de tension permanent, mais aussi d'un sujet de tension au sens politico-légal du terme, bien entendu. La zone de police PolBru s'est déjà mise à table avec des représentants médias des deux côtés du pays afin de baliser au mieux leur présence lors des manifestations, en veillant à assurer leur droit à l'information, leur travail ainsi que leur intégrité physique et la protection de leur matériel face à des personnes et/ou des groupes hostiles.

Sam Van Rooy:

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het OCAD waarschuwt dat de zogenaamde pro-Palestijnse protesten in ons land grimmiger worden. In de praktijk zien we – ik merk dat ook in Antwerpen – dat ze agressiever worden, dat zij overgaan tot vandalisme en zelfs grafschennis, zoals bij het graf van Jean Gol, alsook tot geweld tegen politici, recent nog tegen politici van uw partij, de MR. Zij doen dat ook omdat zij weten dat zij in dit land niets of hoogstens een fopstrafje riskeren.

Die zogenaamde pro-Palestijnse activisten brengen bovendien wielrenners in levensgevaar. Zij mogen in dit land al bijna twee jaar gewoon oproepen tot dodelijk jihadistisch geweld. Zij mogen op straat moorddadige jihadistische terroristen verheerlijken, zelfs Yahya Sinwar, de architect van de genocidale massaslachting van 7 oktober 2023.

Ondertussen worden de nuttige idioten van de jihad, die meevaren op de illegale Hamas- flotilla , door deze regering toegejuicht en zelfs geholpen. Belgistan doet zijn naam helaas weer alle eer aan.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je répliquerai aussi en deux temps, si vous le permettez.

Concernant les manifestations et le ciblage des Palestiniens tous les soirs à la Bourse, vous évoquez un encadrement policier qui est conforme aux règles. Pourtant, des témoignages concordants font état d'interpellations ciblées sur des personnes avec un faciès d'origine arabe, des personnes qui sont parfois aussi en ordre de séjour.

Puisque je participe régulièrement à ces manifestations, à ces rassemblements à la Bourse, j'ai moi-même assisté à des interventions qui étaient un peu limites avec des policiers qui n'avaient pas de matricule apparent. Mais une fois que je leur ai fait la remarque, ils l'ont évidemment bien gentiment montré. Ces policiers utilisent la technique de la nasse qui est totalement illégale, pour laquelle l'État belge a été condamné, pour laquelle la Ville de Bruxelles a été condamnée et pour laquelle M. Close a été condamné personnellement.

Pour nous, il est extrêmement important de mesurer ce qui est en train de se passer. Vous avez en effet rappelé que les arrestations qui sont fondées sur l'origine ethnique étaient contraires à la loi. Cependant, au regard des événements récents, des témoignages et de mes propres observations, il semblerait que la base légale du motif "raisonnable" de croire à la commission d'un délit soit bien trop largement interprétée par certains membres des forces de l'ordre. Comme on le voit bien, ces arrestations sont parfois suivies de placements en centre fermé ou en cellule qui mettent en péril des parcours d'intégration, des demandes d'asile voire des vies, puisqu'on a assisté voici deux jours au suicide d'un réfugié palestinien.

S'agissant de la répression du 2 octobre, monsieur le ministre, on a assisté à une espèce de moment de bascule. Vous avez dit que la proportion d'une intervention se mesure à l'analyse de la situation sur le terrain. Alors, force est de constater qu'il y a eu ici une grave disproportion au cours des événements du 2 octobre, la réaction de la police étant totalement disproportionnée.

Vous avez évoqué ce qu'il s’est passé du côté de la place du Luxembourg. Je n’y étais pas, mais vers 20 h, j’étais avec des centaines de personnes aux environs de la Bourse et j’ai vu de mes propres yeux des passants recevoir des coups de matraque, des passants qui parfois n’avaient rien à voir avec la manifestation en cours. À un moment donné, la police anti-émeutes a chargé sans sommation et s’est déchaînée sur une foule de citoyens. Certains participaient à la marche, d’autres pas du tout. Il y avait des femmes, des hommes, des enfants, des personnes âgées, des personnes à mobilité réduite. Ces personnes ont été chargées sans distinction. Il semblerait que cela ait eu lieu en toute impunité. Quand des policiers en civil ou des policiers anti-émeutes insultent, pourchassent et finissent par encercler des manifestants, également sur la place des Martyrs et dans les rues avoisinantes, on se retrouve face à un grave problème de proportionnalité, qui est extrêmement inquiétant et pour lequel je n’ai pas obtenu de réponse satisfaisante, monsieur le ministre. Je poserai la question aussi au responsable de la police locale, M. Close.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, u hebt niet geantwoord op mijn eerste vraag, over de vier opgepakte Palestijnse actievoerders die in een gesloten centrum werden geplaatst. Ik weet niet of er iets fout gelopen is? U hebt er niets over gezegd. Ik weet niet of u het vergeten bent.

Bernard Quintin:

Dat hangt af van minister Van Bossuyt. Als er vreemdelingen zijn opgepakt, is ook Dienst Vreemdelingenzaken erbij betrokken.

Greet Daems:

Dat is straf, want mevrouw Van Bossuyt verwijst voor de politionele aspecten naar u door. Ik heb dit vandaag nog al gehoord. Men trekt hiermee de paraplu open. Wij hebben toch het recht om te weten wat er is misgelopen. Wat hebben die mensen misdaan om in een gesloten centrum te worden opgesloten? Daar moet duidelijkheid over komen. De politie en niet de DVZ kiest wie zij op een betoging oppakt en zij valt onder uw bevoegdheid. Het verstoren van de openbare orde als reden blijft heel vaag. Nu ontstaat de indruk dat Palestijnen die hun stem laten horen tegen de genocide het risico lopen opgesloten te worden in gesloten centra. Dat is een directe ondermijning van het grondrecht op vrije meningsuiting en vreedzaam protest. Ik zal de vraag misschien later nog eens stellen om alsnog een antwoord te krijgen.

Wat betreft het politiegeweld in Brussel tegen de Palestijnse actievoerders, hebt u een verloop van de betoging op 2 oktober gegeven op basis van een verslag van PolBru. Daaruit blijkt dat alles correct verlopen zou zijn. Hoe verklaart u echter dat er inmiddels tien klachten zijn ingediend bij het Comité P, waaronder van journalisten die zich identificeerden? Wanneer burgers en leden van de pers met een wapenstok worden geraakt, is er op zijn minst reden om te onderzoeken of de proportionaliteit wel gerespecteerd werd. Ik vind het jammer dat u die intentie niet hebt.

Dat is wat er telkens gebeurt. Men belooft interne evaluaties, maar er verandert eigenlijk niets. Intussen stapelen de klachten zich op en wordt het geweld telkens opnieuw vergoelijkt.

U zegt dat de politie moest ingrijpen omdat er vernielingen waren en er projectielen werden gegooid. Niemand betwist echter dat de politie de openbare orde moet handhaven. De vraag is hoe dat gebeurt. Het probleem is niet dat er werd opgetreden, maar dat ook vreedzame deelnemers en journalisten werden geviseerd. Dat is het probleem, mijnheer de minister.

Christophe Lacroix:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse, que j'ai trouvée franchement… très bonne! Je ne viens pas souvent dans cette commission, car je m'occupe plutôt des relations internationales, comme vous il fut un temps, mais je trouve que nous avons un ministre de l'Intérieur qui sait garder son sang-froid et qui prend ses responsabilités. Cela vaut la peine de le dire.

Deuxièmement, face au génocide qui se passe en Palestine, il y a évidemment une émotion qui est vivement ressentie par notre population, en particulier par les jeunes, des étudiants du secondaire, des étudiants universitaires qui se déplacent et qui souvent, parce qu'ils ont le cœur au bord des lèvres, ne sont pas habitués à des organisations cadrées, etc.

Vous avez bien précisé, dans votre réponse, que la police avait négocié, avec celles et ceux qui pouvaient encadrer le mouvement spontané, les conditions pour mener à bien la manifestation de manière pacifique. Et c'est en toute fin de parcours que la situation a dégénéré, comme très souvent. Je suis fils de syndicaliste, j'ai participé dès l'âge de 14-15 ans à de nombreuses manifestations, qui étaient toutes bien coordonnées par la police et les syndicats, et c'était toujours en fin de manifestation que des casseurs qui n'avaient rien à voir avec le mouvement syndical venaient à la fois pour discréditer ce mouvement, mais aussi pour casser du policier.

Cela ne justifie pas les réactions disproportionnées de la police. Ce qui me rassure, c'est que vous avez dit qu'une évaluation interne se faisait a posteriori , que tous les canaux qui sont à disposition des citoyens et des parlementaires pouvaient être actionnés, et que vous resterez vigilant à ce sujet.

Parce que, in fine , ont été décomptées 5 000 personnes selon le PS, et 4 000 selon la police. Ce sont des manifestants pacifiques qui étaient présents à Bruxelles le 2 octobre. Sur ces 4 000 ou 5 000 personnes, 150 ont créé des troubles et on ne dénombre que quatre arrestations, quatre personnes en détention judiciaire. Il est donc malheureux que ces 150 personnes aient minimisé l'impact positif de cette manifestation.

En outre, je pense que, si on calcule la proportion, il doit y avoir de temps en temps des dérapages de la part des policiers comme il y en a de la part des citoyens. Mais vous êtes là pour veiller à ce que les policiers, qui sont parfois lourdement armés et lourdement équipés, n'occasionnent pas des entraves manifestes à la liberté constitutionnelle de manifester pacifiquement. Je vous remercie.

Voorzitter:

Vraag nr. 56007460C van mezelf is omgezet in een schriftelijke vraag.

De beangstigende geopolitieke context in Venezuela
De oplopende spanningen in Venezuela
De militaire aanwezigheid voor de kust van Venezuela
De escalerende spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela in het Caraïbisch gebied
De relaties tussen Venezuela en de VS
Venezuelaanse geopolitieke spanningen en VS-relaties in het Caraïbisch gebied

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België volgt de escalerende militaire spanningen tussen de VS en Venezuela – uitgelokt door Amerikaanse antidrugsoperaties (dodelijke raids zonder VN-mandaat) en Maduro’s oproep tot massale militiemobilisatie – met grote bezorgdheid, vooral omwille van de dreigende humanitaire verslechtering en schendingen van internationaal recht. België en de EU veroordelen zowel Maduro’s onderdrukking (mensenrechtenschendingen, corruptie) als de Amerikaanse eenzijdige militaire acties, benadrukken soevereiniteit en rechtsstatelijkheid, en pleiten voor diplomatieke de-escalatie via VN-kanalen en EU-Latijns-Amerikaanse samenwerking, zonder concrete nieuwe initiatieven te aankondigen. Chevron-deals en migrantenvluchten tonen wel beperkte VS-Venezuela-onderhandelingen, maar de crisis blijft verergeren door wederzijdse provocaties en het ontbreken van een internationaal gecoördineerde aanpak.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Het voorbije weekend heeft de Venezolaanse president Nicolás Maduro zijn bevolking gemobiliseerd onder het mom van “bedreigingen" vanwege de Verenigde Staten. Aanleiding is de aanwezigheid van drie Amerikaanse oorlogsschepen aan de kusten van Venezuela in de strijd tegen drugssmokkel.

Maduro riep meer dan 4,5 miljoen leden van de Milicia Bolivariana op om zich paraat te houden tegen wat hij omschrijft als “imperialistische dreigingen". Tegelijkertijd kondigde Washington aan om mogelijk 4.000 marines naar de regio te sturen. De retoriek langs beide zijden doet de spanningen in de regio oplopen, met risico's voor de stabiliteit, de mensenrechten en uiteraard de Venezolaanse bevolking zelf, die al jarenlang in een diepe economische en humanitaire crisis verkeert.

Graag verneem ik van de minister:

Hoe volgt u als minister deze nieuwe escalatie in Venezuela en de Caraïben op?

Welke positie neemt België in, zowel unilateraal als binnen de EU, met betrekking tot de mobilisatie van de Venezolaanse militie en de Amerikaanse aanwezigheid in de regio?

Acht u bijkomende diplomatieke initiatieven nodig om de situatie niet verder te laten ontsporen, en zo ja, welke kanalen acht u daarvoor het meest geschikt?

Hoe evalueert u de impact van deze ontwikkelingen op de reeds dramatische humanitaire situatie van de Venezolaanse bevolking?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, depuis plusieurs semaines, la situation au Venezuela et dans la région caraïbe connaît une inquiétante escalade.

Le gouvernement vénézuélien a mobilisé des civils au sein de la Milicia Bolivariana, en réponse au déploiement par les États-Unis de destroyers, d'un sous-marin nucléaire et de 4 000 marines dans la mer des Caraïbes, dans le cadre d'une opération de lutte contre le trafic de drogue.

Le 2 septembre dernier, une première frappe américaine a visé une embarcation au large de la péninsule de Paria, provoquant la mort de 11 personnes. L'administration américaine évoque une opération contre le gang "Tren de Aragua", mais le gouvernement vénézuélien dénonce une agression en violation de sa souveraineté.

Depuis lors, plusieurs frappes supplémentaires ont été rapportées, sans mandat international, et la rhétorique de part et d'autre ne cesse de s'intensifier.

Dans ce contexte, comment analysez-vous cette escalade militaire entre les États-Unis et le Venezuela, et les justifications avancées par les parties? Considérez-vous que ces frappes américaines, en l'absence de mandat du Conseil de sécurité, constituent une violation du droit international? Quelles initiatives la Belgique entend-elle prendre, tant unilatéralement qu'au niveau de l'Union européenne, pour rappeler l'importance du respect de la souveraineté des États et du droit international? Le Gouvernement belge compte-t-il soutenir l'idée d'une enquête indépendante, sous l'égide des Nations unies, sur les récentes frappes dans les Caraïbes? Enfin, quelles mesures la Belgique préconise-t-elle afin que la crise humanitaire au Venezuela, déjà dramatique, ne soit pas aggravée par ces développements militaires?

Je vous remercie.

Maxime Prévot:

De spanningen tussen de Verenigde Staten en Venezuela nemen al sinds enkele maanden toe en de aanzienlijke verslechtering van de relaties sinds juli heeft de afgelopen weken geleid tot een militaire mobilisatie aan beide zijden.

Les États-Unis ont ainsi déployé plusieurs navires de guerre dans les eaux proches du Venezuela afin de lutter contre le trafic de drogue. Le président Trump a signé un décret exécutif autorisant l'usage de la force militaire contre les cartels désignés. En septembre, des troupes américaines ont mené plusieurs frappes létales contre des navires transportant de la drogue en provenance du Venezuela. Des images de certaines de ces frappes ont été rendues publiques. Aucun détail n'a été communiqué quant aux moyens militaires employés ni en ce qui concerne l'identité des personnes à bord, leur cargaison ou le lieu précis des opérations, si ce n'est qu'elles se sont déroulées en eaux internationales.

Die escalatie is zorgwekkend en wordt door mijn diensten nauwlettend in de gaten gehouden. Ze past binnen de complexe diplomatieke relatie tussen beide landen. Nicolás Maduro wordt sinds 2019 door de Verenigde Staten niet als de rechtmatige president van Venezuela beschouwd. In de VS wordt hij beschouwd als een voortvluchtige van de Amerikaanse justitie, nadat hij er in 2020 werd aangeklaagd. De Venezolaanse criminele organisatie Tren de Aragua werd dit jaar door de Trumpadministratie aangeduid als buitenlandse terroristische organisatie. Het Amerikaanse ministerie van Financiën beschouwt het drugskartel Cartel de los Soles als een wereldwijd opererende terroristische groepering met Nicolás Maduro aan het hoofd. Overigens hebben sommige parlementen ook resoluties in die zin aangenomen, zoals het Europese Parlement, dat op 11 september een resolutie goedkeurde waarin werd opgeroepen het kartel in de lijst van terroristische organisaties van de Europese Unie op te nemen.

Le Venezuela, de son côté, entreprend des démarches diplomatiques afin de dénoncer les actions américaines, comme récemment lors de son intervention à la tribune de l'Assemblée générale des Nations Unies où le ministre des Affaires étrangères Ivan Gil a condamné les menaces militaires américaines, qu'il a qualifiées d'"illégales" et "contraires à la Charte des Nations Unies".

D'un autre côté, le président Maduro lui-même a peu de leçons à donner en la matière. Vous savez, du reste, que la Belgique, comme d'autres pays, est profondément préoccupée par la répression continue qu'exercent les autorités vénézuéliennes. Le 22 septembre, notre pays a de nouveau exhorté, au Conseil des droits de l'homme, le régime vénézuélien à respecter le droit international et les droits de tous les Vénézuéliens. Certaines transactions en cours entre le Venezuela et les États-Unis laissent toutefois penser que les deux pays continuent de se parler. Je songe, par exemple, aux vols de migrants vénézuéliens qui débarquent chaque semaine depuis les États-Unis ou à la licence spéciale accordée par le Trésor américain à Chevron pour reprendre ses activités d'extraction et d'exportation de pétrole depuis le Venezuela.

L'escalade des tensions entre le Venezuela et les États-Unis constituent évidemment un point d'attention pour l'Union européenne. Fidèle à sa tradition diplomatique, la Belgique réserve une grande attention à la défense de l'État de droit et au respect du droit international. Elle plaide pour la préservation de la stabilité régionale et promeut une coopération étroite entre l'Union européenne et les États d'Amérique latine pour lutter efficacement contre le crime organisé, en particulier en matière de trafic de drogue et de traite d'êtres humains. Ce sont les messages que j'entends faire passer lors du sommet entre l'Union européenne et les États d'Amérique latine et des Caraïbes, auquel j'ai l'intention de participer les 9 et 10 novembre prochain.

Ellen Samyn:

De situatie in Venezuela blijft inderdaad bijzonder zorgwekkend. De oplopende spanningen tussen de VS en Venezuela zorgen voor escalatie. Het is goed dat u de situatie van nabij blijft opvolgen.

Het regime van Nicolás Maduro blijft systematisch de mensenrechten schenden. Oppositieleiders verdwijnen achter de tralies, vreedzame manifestanten worden hardhandig aangepakt en de persvrijheid is nagenoeg onbestaand. Bovendien lijdt de bevolking zwaar onder de economische crisis en de massale corruptie, terwijl een kleine elite zich schaamteloos verrijkt. Wat Venezuela betreft, zitten we op dezelfde golflengte.

U zult dat blijven aankaarten en u blijven uitspreken tegen het regime van Maduro. Ik hoop dan ook dat u meer initiatieven ondersteunt, zodat de Venezolanen in vrijheid en democratie kunnen leven.

Michel De Maegd:

Pour ma part, monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse complète et circonstanciée.

De toenemende repressie en het recordaantal politieke gevangenen in Cuba

Gesteld door

VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België volgt de escalerende repressie in Cuba—met 1.185 politieke gevangenen (waaronder minderjarigen en kwetsbaren), willekeurige detenties, mishandeling en schijnprocessen—nauwlettend en kaart dit systematisch aan in EU- en VN-fora, zoals tijdens de recente EU-Cuba-bespreking waar België vrijlating van gevangenen en rechtsstatelijkheid op de agenda zette. Minister Prévot benadrukt een constructief-kritieke EU-aanpak als meest effectieve strategie, maar vermijdt concrete toezeggingen over verscherpt Belgisch optreden (bv. directe druk op Cuba voor onmiddellijke vrijlating). Ellen Samyn onderschrijft de bezorgdheid maar stelt geen vervolgvragen over concrete actie of bilaterale sancties. Dialoog primeert boven harde maatregelen.

Ellen Samyn:

Mevrouw de voorzitster, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Volgens het meest recente rapport van Prisoners Defenders zijn er vandaag 1.185 politieke gevangenen in Cuba, een historisch dieptepunt voor de mensenrechten in het land. In augustus alleen al kwamen er 13 nieuwe gewetensgevangenen bij, terwijl amper vier personen de lijst verlieten - waarvan één slechts op voorwaarde van verplichte ballingschap.

Wat bijzonder schrijnend is, is dat de overgrote meerderheid van deze gevangenen gewone burgers zijn: mensen die op vreedzame wijze protesteren tegen voedseltekorten, elektriciteitsschaarste of de repressieve aard van het regime. Sommigen zijn minderjarigen, anderen mensen met een mentale of fysieke kwetsbaarheid. Hen wacht systematisch voorarrest zonder gerechtelijk toezicht, lange gevangenisstraffen zonder eerlijk proces en vaak zelfs mishandeling en medische verwaarlozing.

Ook de Verenigde Naties hebben in het verleden deze systematische mensenrechtenschendingen aan de kaak gesteld, onder meer de praktijk van gedwongen expatriëring van opposanten, zoals onlangs nog bij activiste Aymara Nieto Muñoz.

Wat is uw reactie op deze recente escalatie van repressie in Cuba, zoals gerapporteerd door o.a. Prisoners Defenders en hoe beoordeelt u deze situatie?

Heeft België deze mensenrechtenschendingen bij Cuba recent nog aangekaart in bilaterale of multilaterale fora, bijvoorbeeld via de EU of de VN-Mensenrechtenraad?

Bent u bereid om het Belgisch standpunt inzake Cuba aan te scherpen, in het bijzonder wanneer het gaat over voorarrest zonder rechterlijke tussenkomst, mishandeling van minderjarigen en de inzet van het gerechtelijk apparaat als politiek wapen?

Zal u aandringen bij de Cubaanse ambassadeur en/of uw Cubaanse ambtsgenoot op onmiddellijke vrijlating van alle gewetensgevangenen in Cuba?

Maxime Prévot:

Mevrouw Samyn, zoals ik herhaaldelijk heb benadrukt, staat de verdediging van de mensenrechten centraal in het buitenlands beleid van België.

In het specifieke geval van Cuba, volgt mijn administratie nauwgezet de kwestie van de onderdrukking van het maatschappelijke middenveld en de situatie van gewetensgevangenen. Deze onderwerpen worden voortdurend op de agenda van elke bilaterale of multilaterale bespreking geplaatst.

Ter illustratie verwijs ik naar de EU-Cuba-bespreking, die afgelopen juni plaatsvond in het kader van het vierde gemengd comité. België heeft met succes geëist dat de situatie van de rechtsstaat en de vrijlating van politieke gevangenen expliciet aan bod komen en aan de andere thematische besprekingen worden gekoppeld.

De Belgische regering is van mening dat een gecoördineerde aanpak met onze Europese partners binnen een kritische maar toch constructieve dialoog met Cuba en het optimaal benutten van alle onderhandelingsinstrumenten de meest doeltreffende weg blijft om tastbaar vooruitgang te boeken in de verdediging van de mensenrechten op het eiland.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Het doet mij plezier te horen dat u over Cuba dezelfde mening bent toegedaan. De situatie in Cuba is eerder een ongekend probleem. Ik ben blij dat u dit op de voet volgt. Ik heb begrepen dat u dit ook in de Europese fora bekijkt, waarvoor dank.

De middelen voor de politie in de strijd tegen de drugshandel in Brussel
De taalproblematiek bij de Brusselse politie in het kader van de fusie van de zes politiezones
Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De drugscriminaliteit in Antwerpen
De federale dotatie voor de politiezones
De inzet van het leger in de strijd tegen het geweld in de hoofdstad
De inzet van militairen op straat in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De gewelddadige moord en het escalerende geweld in Oostende
De plannen van de regering om in een aantal grote steden militairen in te zetten op straat
De fusie van de politiezones in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
Het geweld aan de kust
De inzet van militairen in Brussel (2/2)
Het drugsgeweld in Brussel
De aanstelling van verbindingsagenten in het buitenland in de strijd tegen de drugshandel
Het 'Plan Grote Steden' en de strijd tegen de drugshandel
Het drugsfonds
De Turkse maffia
De bedreigingen aan het adres van magistraten
De drugsproblematiek over de landsgrenzen heen
De whole-of-government-aanpak
Het Kanaalplan
Gemengde brigades van militairen en politieagenten
De fusie van de Brusselse politiezones
De inzet van Defensie op straat en het 'Grootstedenplan' van de minister
De herziening van het Kanaalplan
Het bezoek van de procureur van Marseille aan Brussel
De KUL-norm
Uitdagingen en maatregelen in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit en geweld in Belgische steden

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draaide voornamelijk om de aanpak van drugscriminaliteit en georganiseerde misdaad in België, met focus op Brussel, Antwerpen en andere grote steden. Minister Quintin (Binnenlandse Zaken) verdedigde zijn Grootstedenplan (opvolger van het Kanaalplan), met maatregelen zoals militaire steun voor de politie, versterkte politie-inzet, fusie van de Brusselse politiezones, en een nog op te richten DrugsFonds om criminele netwerken financieel te raken. Kritiek kwam vooral op de haastige fusie van politiezones (gebrek aan draagvlak bij burgemeesters en Brulocalis), onduidelijkheid over de rol van militairen (bevoegdheden, timing, juridisch kader), en het ontbreken van structurele middelen voor justitie, politie en preventie. Oppositie en meerderheid benadrukten dat veiligheid alleen kan verbeteren met gecoördineerde actie tussen federale, regionale en lokale overheden, maar twijfelen aan de effectiviteit van de voorgestelde oplossingen.

Voorzitter:

Collega's, welkom.

Ik wil bij aanvang graag een suggestie doen, ook in naam van enkele collega's die me daarover hebben aangesproken. Het onderwerp van een actualiteitsdebat zou meer gespecifieerd moeten zijn. Nu staat er een debat over veiligheid op de agenda, met 31 toegevoegde vragen. Het zou beter zijn om in de toekomst het onderwerp van een actualiteitsdebat meer af te bakenen. Het onderwerp 'veiligheid' is veel te algemeen. U begrijpt dat dit geen gemakkelijke manier van werken is.

Ik herhaal graag dat u niet verplicht bent uw volledige spreektijd te benutten. U kunt ook verwijzen naar de schriftelijke versie van uw vraag.

François De Smet:

Monsieur le président, quasiment toutes les compétences du ministre sont liées à la sécurité, à part peut-être Beliris, et encore. Donc, effectivement, je me retrouve avec des questions qui n'ont pas de lien direct les unes avec les autres, mais soit.

La première question qui concerne le narcotrafic à Bruxelles. Pour cette question-là, je renvoie au texte écrit, d'autant que j'ai eu un échange à ce sujet avec le ministre en séance plénière.

Je tiens tout d’abord à saluer votre volontarisme en termes de lutte contre la violence grandissante générée par le narcotrafic à Bruxelles, votre bilan présenté sous le titre (flatteur) “ 6 mois d’action : Le Ministre Quintin renforce l’autorité de l’Etat et la sécurité des citoyens” sur le site de votre formation politique , met en avant : Le ministre a également intensifié la lutte contre les réseaux criminels qui gangrènent nos quartiers. Des filières ont été démantelées, grâce à un meilleur partage d’informations entre services et à une collaboration renforcée avec la justice”

Le procureur du Roi, Julien Moinil, lors de sa conférence de presse du 13 août dernier, a félicité les services de police pour l’interpellation de pas moins de 7085 suspects (dont 6211 majeurs et 874 mineurs ) interpellés par la police mis à disposition du parquet, et ce depuis janvier 2025 (ce qui représente pas moins du triple d’interpellations durant un laps de temps identique en 2024)

Il n’en demeure pas moins que le Procureur du Roi lors de cette même conférence de presse a fustigé le manque de moyens de la police, et ma question ne portera pas sur la fusion des zones de police à Bruxelles, à propos de laquelle je me suis déjà exprimé avec opposition et je m’exprimerai lors des travaux parlementaires, mais bien sur les moyens mis à disposition en Région bruxelloise pour lutter contre le narcotrafic,

En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:

quels résultats concrets a t-il obtenu en termes de démantèlement des filières de narcotrafic depuis janvier 2025?

quels renforcements d’effectifs sont prévus au cours du dernier quadrimestre 2025 pour permettre une densification de la lutte contre le narcotrafic?

si il a rencontré le procureur du Roi suite à cette sortie médiatique ?

En revanche, je vais poser les deux autres questions. La première concerne ce qui peut apparaître comme un marronnier, mais encore plus régulier qu'un marronnier classique, à savoir la fusion des zones de police à Bruxelles, puisque votre avant-projet est toujours en discussion au sein du gouvernement. Néanmoins, nous avons reçu plusieurs signaux entretemps, notamment un signal de la Conférence des bourgmestres et un autre de Brulocalis.

Le moins que l'on puisse dire, c'est que votre plan ne fait pas l'unanimité. En effet, il a été rejeté à l'unanimité le 27 août dernier par la Conférence des bourgmestres – donc les bourgmestres, MR et Engagés inclus, j'imagine – et qu'il a fait l'objet d'un avis particulièrement négatif de Brulocalis la veille, le 26 août. Brulocalis évoque un déficit significatif de financement structurel par l'autorité fédérale de la future zone de police unifiée, en l'absence aujourd'hui de révision de la fameuse norme KUL, qui, évidemment, est demandée par les 19 bourgmestres ainsi que par votre partenaire de majorité Les Engagés. Ce dernier vous a quand même tancé assez méchamment ces jours-ci en expliquant que cette partie du deal, pour l'instant, n'était pas remplie dans l'avant-projet puisqu'on se contente, pour l'instant, de la fusion.

Cette fusion constitue une réponse inappropriée aux enjeux de lutte contre le narcotrafic et la criminalité organisée, sans parler de l'argumentaire justifiant la fusion, qui cache mal les desseins peut-être plus pernicieux que d'aucuns ont quant à l'atteinte à l'autonomie communale de Bruxelles. Une fusion imposée alors que l'avant-projet de loi entend promouvoir la fusion volontaire, avec un traitement discriminatoire, comme chacun le sait, entre Bruxelles et les autres Régions.

La Conférence des bourgmestres tance également l'insécurité juridique profonde du texte et estime que ce projet de fusion met en péril la police de proximité et sera chronophage en matière de réorganisation – il suffit de voir combien de temps nous y avons déjà consacré ici –, alors que Bruxelles est confrontée à des défis bien plus essentiels. Je ne vais pas revenir sur toutes les critiques que nous avons déjà exprimées à plusieurs reprises et dont nous aurons encore l'occasion de discuter. Sans préjudice de l'avis du Conseil d' É tat, qui doit encore être rendu sur l'avant-projet de loi, cette première salve de critiques de ces deux organes montre que ce projet de fusion est profondément contestable sur le plan de la légalité, mais aussi sur le plan de l'opportunité politique, de sorte qu'il nécessite des réactions.

Mes questions sont simples. Estimez-vous que les craintes exprimées par les bourgmestres bruxellois et par Brulocalis sont fondées, tant pour ce qui est de l'aspect financier que pour ce qui concerne le contrôle démocratique et l'atteinte à l'autonomie communale?

Vous attendez l'avis du Conseil d' É tat, bien sûr, mais allez-vous également apporter des rectifications sur la base de ces deux avis?

L'autre question que je souhaitais vous poser concerne le narcotrafic à Anvers. On parle beaucoup, évidemment à raison, de Bruxelles, parce que c'est la plaque tournante de la distribution. C'est un débat que nous avons régulièrement.

Mais il est intéressant de noter que la presse s'est fait écho, voici quelques semaines, d'une comparaison des incidents et faits graves de violence liés au narcotrafic entre Bruxelles et Anvers, qui est, elle, organisée en zone unique. Brulocalis faisait référence par exemple à une étude du Vlaams Vredesinstituut qui évoque un nombre de fusillades liées au narcotrafic quasiment équivalent entre notre capitale et la zone de police d'Anvers.

Le Moniteur de Sécurité 2025, également cité, rapporte une diminution de la criminalité dans les trois Régions, avec d'ailleurs une diminution plus sensible en Région bruxelloise que dans les deux autres Régions.

L'antienne qui consiste à répéter que la criminalité est en hausse à Bruxelles peut donc être relativisée, car elle contribue à un Bruxelles-bashing injuste et sert les desseins de la fusion des zones imposée à Bruxelles. Elle relève donc, d'une nouvelle manière, d'une inégalité de traitement.

Monsieur le ministre, quelle est votre approche spécifique de la lutte contre le narcotrafic à Anvers et son port? Avez-vous pris connaissance de ces chiffres? Je sais que vous êtes évidemment allé sur le terrain. Il y a la question de la plus grande détection de ce qui se trouve dans les conteneurs.

Nous sommes tous d'accord. Je crois qu'il faudra endiguer le phénomène, à la fois à l'arrivée du narcotrafic à Anvers et dans sa plaque de distribution à Bruxelles. Il nous faudra réussir sur l'un et sur l'autre, sans mettre en compétition, avec ou sans idée préconçue, ces deux territoires.

Voorzitter:

De vraag nr. 56007310C van mevrouw Barbara Pas wordt ingetrokken.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, ma question porte plus particulièrement sur ce que l'on vit à Bruxelles ces derniers mois.

Le procureur du Roi de Bruxelles a exposé les mesures prises par le parquet bruxellois face à une nouvelle série de fusillades qui touchent notre capitale depuis plusieurs semaines. On le sait, les acteurs, tant la justice que la police, sont sur le terrain. Ils travaillent d'arrache-pied, et ils engrangent des résultats. On a encore vu récemment se dérouler une action policière sur plusieurs communes bruxelloises. Mais les moyens humains et budgétaires restent insuffisants, et ces acteurs demandent toujours un soutien important de la part du fédéral pour pouvoir mener à bien les missions qui sont les leurs. Ils le disent eux-mêmes, et ils l'ont encore dit en début de semaine lors de cette intervention: arrêter des délinquants, des criminels, c'est une chose, mais il faut pouvoir faire du travail de fond et il faut donner les moyens à la justice pour pouvoir les mettre en prison.

Vous nous avez effectivement informé qu'il y aurait un plan à cet égard, avec un certain nombre de mesures. Quid de ce plan? Comment allez-vous financer ce plan et sur combien de temps allez-vous le mettre en œuvre?

Vous avez également évoqué la question du financement de la police et des zones de police. On sent qu'il y a une sorte de flottement entre vous et différents partenaires de la majorité, puisqu'on sait qu'il manque environ 800 policiers, et plus ou moins 100 policiers à la police judiciaire. On sait donc qu'il faut plus ou moins 300 à 500 millions d'euros qui pourraient, pour l'ensemble des zones de police, aider à répondre à un certain nombre de défis en la matière.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous faire un état des lieux des moyens qui seront débloqués en Région bruxelloise pour la lutte contre le trafic de drogue? Quels moyens allez-vous mettre en place avec votre collègue de la Justice pour soutenir le procureur du Roi dans ses initiatives? Quels seront les moyens consacrés à la question de la santé publique dans le contexte du trafic de drogue?

Enfin, monsieur le ministre, en février dernier, le premier ministre nous avait clairement dit en séance plénière qu'on allait mettre une task force sur pied. Celle-ci réunirait les différents acteurs pour pouvoir trouver des réponses à ces problèmes. Quand allez-vous mettre en œuvre cette task force?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb drie vragen ingediend, allen met een verschillende inhoud.

Ten eerste, op 6 september jongstleden werd een vrouw op klaarlichte dag in Oostende neergeschoten, het trieste slot van een hele reeks gewelddaden. Het gaat om het vijfde ernstige incident in die stad op amper twee weken tijd. Dat sterkt mij in mijn overtuiging dat drugsgeweld niet meer beperkt blijft tot Antwerpen, Brussel en andere grootsteden, maar dat ook middelgrote en kleinere steden alsmaar vaker geconfronteerd worden met dergelijke gewelddaden. Welke concrete maatregelen en federale steun plant u op korte en middellange termijn om de escalatie van drugs- en geweldsproblemen in die steden aan te pakken? Kunt u specifiek wat Oostende betreft een stand van zaken geven met betrekking tot het onderzoek en aangeven welke gevolgen u hieraan wenst te verbinden?

Ten tweede, de heer Moinil, de procureur de Konings van Brussel, die procureur van Marseille Bessone voor een bezoek aan Brussel heeft uitgenodigd, vraagt expliciet aan de regering om voor de Belgische wetgeving het Franse model te volgen. Ik begrijp zijn standpunt, zeker gezien de vaststelling dat Marseillaanse gewelddaden alsmaar vaker in onze hoofdstad worden geïmporteerd, denk maar aan de vele executies en de alsmaar gewelddadigere acties van drugsbendes in onze hoofdstad.

Sinds begin dit jaar werden al 1.250 dealers opgepakt en voorgeleid bij het parket. Het aantal illegalen in onze hoofdstad, dat alsmaar vaker door drugsbendes als gewillig of ongewillig slachtoffer wordt gebruikt, loopt ook de spuigaten uit. Het is natuurlijk een schatting, want het gaat om mensen zonder papieren, maar men spreekt toch van meer dan 100.000 personen alleen al in Brussel. Dit jaar waren er al 57 schietpartijen in Brussel, waarvan 20 tijdens de zomervakantie alleen. Vorig jaar stond de teller op meer dan 90 schietpartijen. Bovendien ziet het ernaar uit dat het er dit jaar, met de cijfers die we tot nu toe hebben kunnen noteren, niet op verbetert.

“Ik begrijp dat sommige agenten moedeloos worden wanneer ze dezelfde persoon drie, vier of zelfs tien keer arresteren en hij telkens weer vrijkomt”, aldus procureur des Konings Moinil. Wij moeten zijn woorden allemaal ter harte nemen. Ook al valt een en ander niet onder uw bevoegdheid, mijnheer de minister – de regering is een en ondeelbaar -, vernam ik graag hoe ver het staat met de beloofde grote taskforce. Hoe kunnen wij de huidige malaise en de blijvende demotivatie van onze politieagenten tegengaan? Dat kan onder meer door strenger toe te zien op de uitvoering van de straffen die dergelijke criminelen in dit land moeten krijgen.

Ik wil, ten derde, nog ingaan op het ideetje dat vooral u de MR bij monde van u, mijnheer de minister, in de media heeft gelanceerd. Ik doel op de inzet van het leger op het grondgebied van Brussel. U voegde eraan toe dat dat later eventueel ook in andere steden zou kunnen gebeuren, indien dat nodig blijkt. In eerste instantie wees de minister van Defensie, de heer Francken, het voorstel af, hoewel hij daar in de vorige legislatuur samen met de heer De Wever, toen ze nog geen minister waren, een heel groot voorstander van was. Mevrouw De Vreese kan dat zeker beamen. Vooral de heer Francken ziet dat niet iets voor de korte termijn. Volgens hem zou daartoe pas een eerste aanzet kunnen worden gedaan vanaf 8 april 2026. Ook qua visie moet nog een en ander worden afgestemd, want de heer Francken ziet eigenlijk een totaal ander takenpakket voor de militairen dan waarvoor u hen wilt inzetten. Ik wil daarom nagaan wat nu precies de bedoeling is.

Zullen militairen politietaken overnemen of worden er gemengde patrouilles opgericht waarbij militairen een ander takenpakket krijgen dan de politie?

Ik wil ook meer duidelijkheid over de timing van het voorstel. Blijft het bij woorden in de media of worden daar ook concrete daden aan gekoppeld?

Matti Vandemaele:

Mijn twee vragen hangen inhoudelijk niet samen en het verwondert mij dus dat die in hetzelfde debat aan de orde komen. Ik stel voor om inhoudelijk verschillende items een volgende keer apart te behandelen.

Ten eerste, wat de inzet van militairen op straat in Brussel of elders betreft, volgens sommigen zouden militairen statische bewakingsopdrachten moeten overnemen; anderen zien heil in gemengde patrouilles en nog anderen vinden dat militairen politionele taken moeten uitvoeren. Welke van de drie systemen overweegt de regering? Heeft de regering daarover een definitieve beslissing genomen? In de media is er alvast ruis op de uitspraken van ministers en partijvoorzitters ter zake.

Militairen zijn niet opgeleid of uitgerust voor bepaalde taken in de publieke ruimte. Is het wel aangewezen om militairen met politiebevoegdheden en -wapens de straat op te sturen? Wie zal het commando voeren bij gemengde patrouilles? Op mijn schriftelijke vraag hierover kreeg ik een bizar antwoord: enerzijds stelde u dat militairen te allen tijde onder de controle en het gezag van de hoogste militair blijven, en anderzijds merkte u op dat de leider van de opdracht op dat moment de politieagent is. Wat gebeurt er echter als de twee elkaar tegenspreken? Zijn er duidelijke afspraken over wie dan het gezag voert?

U voelt wel aan dat ik hier geen voorstander van ben. Ik denk dat militairen slechts zeer uitzonderlijk op straat kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld in het kader van de strijd tegen terrorisme, zoals in het verleden is gebeurd. Dat mag evenwel niet de norm worden. Mijn grote zorg en die van veel militairen is dat een uitzonderlijke situatie wellicht langer kan duren dan verwacht. Op die manier maken we geen werk van echte oplossingen. Het blijft steeds een lapmiddel.

Ten tweede, wat de fusie van de Brusselse politieraden betreft, het advies van Brulocalis en het Bureau van de Conferentie van Burgemeesters was niet echt positief. Ik begrijp dat u als positief ingestelde persoon er positieve elementen in hebt gezien, maar ik heb toch veel kritiek gelezen. Ik ben benieuwd hoe u tegen die kritiek aankijkt.

Vindt u de kritiek ongegrond is en kunt u ze weerleggen? Of bent u bereid om het voorstel dat op tafel ligt, bij te sturen?

U zegt zelf dat u altijd de dialoog gaat met de mensen op het terrein. Bent u ook bereid om met de vrienden in Brussel werkelijk in dialoog te treden, zodat de fusie ook breed gedragen wordt? Ik denk dat een fusie alleen kan werken, als die breed wordt ondersteund. Ik ben dan ook benieuwd of u het pad van de dialoog wilt bewandelen, dan wel of u de forcing zult voeren en gewoon uw beslissing zonder meer in de praktijk zult omzetten.

Xavier Dubois:

Monsieur le président, je vais essayer de synthétiser mes six questions, en tout cas de les présenter dans un ordre qui a du sens. Je vais prendre comme point de départ la conférence de presse du procureur du Roi cet été, qui m'a fortement interpellé, un véritable cri d'alarme.

Cette conférence de presse a eu lieu dans un endroit gardé secret, des mesures de sécurité ayant été prises tout autour. Le procureur du Roi a lui-même été menacé de mort par des narcotrafiquants. Et donc ses mots étaient particulièrement interpellants, notamment quand il a dit que chaque Bruxellois pouvait prendre une balle perdue, évoquant aussi les montants en jeu au niveau des points de deal. Je pense qu'il est nécessaire d'entendre cet appel.

Nous avons d'ailleurs sollicité une audition du procureur du Roi en commission de l'Intérieur, et je remercie les membres de la commission d'avoir accepté cette proposition. Le procureur du Roi évoque un besoin supplémentaire de 10 millions d'euros. Il évoque également le fait que la police judiciaire fédérale devrait reprendre en main des enquêtes sur la criminalité organisée et sur les mafias. Qu'en pensez-vous? Quels sont les moyens que vous allez pouvoir débloquer pour répondre à cet appel important?

Il a aussi évoqué la problématique du cadre. Je pense qu'il faut remplir les cadres au plus vite. Quel est votre plan d'action pour atteindre cet objectif?

Comme d'autres collègues l'ont évoqué, le procureur du Roi a rencontré son homologue, le procureur de la République de Marseille. Cela a permis de faire ressortir toute une série de pistes intéressantes. Avez-vous pu le rencontrer également et, si ce n'est pas le cas, qu'avez-vous retiré de cette rencontre importante?

Ensuite, je voudrais vous interroger sur le plan "Grandes Villes".

Je ne vais pas le détailler, vous l'avez déjà bien présenté. Pour rappel, il s'agit de 20 millions d'euros pour des caméras, ou encore de la piste d'amener des militaires en rue avec des équipes mixtes. C'est aussi renforcer les objectifs policiers. Beaucoup de choses sont imaginées pour les grandes villes, mais, pour rappel, la problématique se vit aussi en zone rurale et dans les petites villes. Que prévoit votre plan pour ces zones? Il faut aussi avoir des réponses très claires et concrètes en la matière. Le combat se mène partout, sur l'ensemble du territoire de la Belgique. J'attends des mesures concrètes et précises pour répondre aux besoins des villes et communes, aux besoins des zones de police en zone rurale.

Autre question, n'estimez-vous pas qu'il serait important, et opportun surtout, de convoquer le Conseil national de sécurité pour qu'on puisse travailler tous ensemble à tous les niveaux pour pouvoir rendre plus efficace et opérationnelle cette lutte contre ce crime organisé?

Je voudrais aussi vous interroger sur des mesures qui sont prévues dans l'accord du gouvernement. Il y a ce premier plan et une vingtaine d'autres mesures. L'une d'elles consiste en la création du Fonds drogue. Je m'étonne du fait qu'il n'y ait pas encore eu de projet concret présenté au Conseil des ministres pour la création de ce Fonds drogue. Pouvez-vous nous dire où vous en êtes par rapport à cette mesure très importante, qui permettra de s'attaquer au portefeuille des trafiquants et surtout de réutiliser ces moyens, de les affecter à une lutte efficace contre cette problématique? Il paraît que des freins auraient été remarqués, notamment au niveau de l'administration des finances. Pouvez-vous confirmer ou infirmer le fait que des freins seraient observés dans certains services?

Mes collègues ont évoqué les zones de police. Je ne vais donc pas revenir sur l'avis concernant la fusion à Bruxelles, mais sur le financement des zones de police. Il est clair que – vous l'avez dit vous-même, et cela fait d'ailleurs partie de l'accord de gouvernement –, la fusion des zones de police de Bruxelles s'accompagne nécessairement d'une révision de la norme KUL et d'un refinancement qui soit le plus correct, efficace et juste de l'ensemble des zones de police. On a entendu que des réunions s'organisent pour présenter certains projets en la matière.

J'aimerais bien que vous puissiez aussi nous dire où on en est exactement, quels sont les acteurs qui ont déjà été informés du projet de réforme de cette norme KUL? Je pense qu'il est important que le Parlement soit informé aussi si certains acteurs le sont. On attend les éléments précis en la matière au plus vite.

Enfin, je reviendrai sur une mesure qui est peut-être moins stratégique, mais tout aussi importante, puisqu'elle concerne la collaboration et la coopération avec les autres É tats membres et hors de l'Union européenne. C'est la mesure concernant les officiers de liaison étrangers qui viendraient chez nous et, à l'inverse, nos officiers qui partiraient à l'étranger. Cela fait partie de l'accord de gouvernement.

Pouvez-vous définir de manière beaucoup plus claire ce qui est attendu de ces officiers agents de liaison? Comment vont-ils fonctionner? Quels sont les rapports qu'ils devront émettre? Surtout, quels moyens avez-vous à disposition pour mettre en œuvre de manière efficace cette mesure importante dans cette thématique qui nous rassemble tous aujourd'hui?

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik kan het kort houden, omdat ik niet te veel in herhaling wil vallen. De voorbije maanden hebben we dit soort debatten met u meermaals kunnen voeren. Nog maar twee weken geleden waren de Kamerdiensten zo vriendelijk om mijn vraag toe te voegen aan de vraag in de plenaire vergadering, die toen ook in een actualiteitsdebat is gesteld.

Voor mij zijn twee punten relevant.

Ten eerste bestaat er een contradictie tussen uw verklaringen en die van minister Francken over de inzet van militairen. Daarover heb ik geen vraag gesteld, want anderen doen dat.

Mijn vraag gaat heel specifiek over de fusie van de Brusselse politiezones. Afgelopen zomer is daarop veel kritiek geuit. Dat is niet onverwacht, want er is veel koudwatervrees. Ik herhaal mijn steun, mijnheer de minister, voor uw initiatief. U hebt de moed gehad om met uw neus in de wind te gaan staan, een eigenschap die in de politiek niet aan iedereen gegeven is. Ik hoop dat u doorzet en wens u dat toe.

Ik verwijs voor mijn concrete vragen naar de schriftelijke voorbereiding.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, comme mes collègues sont déjà intervenus, je vais essayer d'être aussi brève que possible.

J'imagine que vous partagez le même objectif que moi, à savoir que la sécurité, l'une des priorités de nos concitoyens, mérite des mesures structurelles et véritablement efficaces, au lieu d'effets d'annonce contraires aux demandes des experts et que ne cautionnent pas les acteurs de terrain. Je pense ainsi à l'annonce selon laquelle vous alliez rétablir une présence militaire dans nos rues, notamment à Bruxelles.

Monsieur le ministre, quel est le cadre légal dans lequel l'armée opèrera? Quelles seraient les missions confiées aux militaires? Auront-ils le droit d'être en rue ou ailleurs, en brigade mixte avec la police ou seuls?

Je voudrais revenir également en bref sur la fusion des zones de police à Bruxelles. Vous la présentez souvent comme l'une des solutions qui permettraient de résorber le sentiment d'insécurité dans la capitale. Pour être complètement honnête, je ne suis pas philosophiquement fermée à cette option. Toutefois, fin août, les 19 bourgmestres bruxellois se sont exprimés à l’unanimité contre ce projet. Ils réclament plutôt un financement structurel supplémentaire pour la police bruxelloise et s’inquiètent, par ailleurs, de la suppression annoncée des conseils de police, qui jouent un rôle essentiel dans le contrôle démocratique.

Leur avis, très négatif, rejoint celui de Brulocalis et du bureau de la Conférence des bourgmestres, qui soulignent également les risques pour la proximité avec le citoyen, l’autonomie communale, ainsi que les incertitudes juridiques et budgétaires entourant ce projet.

Monsieur le ministre, comment prenez-vous en compte cette position unanime des bourgmestres, qui demandent avant tout un refinancement structurel de la police plutôt qu’une fusion des zones?

Comment comptez-vous répondre à leurs préoccupations concernant la suppression des conseils de police et les conséquences pour la démocratie locale et la proximité avec les citoyens?

Enfin, êtes-vous disposé à adapter vos projets afin de tenir compte des arguments et de l’expertise exprimés par les autorités locales? Je m'arrête ici pour pouvoir vous entendre. Merci, monsieur le ministre.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, het is een soort hutsepot geworden van vragen die door elkaar gemixt zijn en ik lust niet zo graag hutsepot. Ik heb liever dat sommige zaken van elkaar gescheiden worden. Ik vind dat dit lekkerder smaakt. Hier zijn er net iets te veel vragen samengevoegd om het behapbaar te maken. Ik heb nu bijvoorbeeld een aantal vragen over het geweld aan de kust, wat toch tot een andere discussie leidt dan die over de drugscriminaliteit in onze hoofdstad.

Minister, de voorbije weken werden we in Oostende geconfronteerd met bijzonder hard drugsgeweld, met de tragische moord op een 43-jarige vrouw als dieptepunt. Lokale besturen uiten hun grote bekommernis over de stijgende druk op de veiligheid in de kustregio. Tijdens weekends en de vakantieperiodes, standaard zeer drukke periodes, neemt de bevolking er enorm toe, waardoor de politiecapaciteit structureel onder druk komt te staan.

In Oostende specifiek verdrievoudigt tijdens de zomermaanden het bevolkingsaantal. Daarbovenop wordt regelmatig gevraagd dat agenten van de kustzones bijstand verlenen in andere regio's, terwijl net aan de kust de noden hoog zijn. We kunnen stellen dat doorheen de zomer onze kustlijn eigenlijk één groot evenemententerrein vormt.

Hoe evolueert de drugsproblematiek in Oostende en zijn er linken met de drugscriminaliteit in de rest van het land?

Hoe beoordeelt u de huidige veiligheidsdruk in Oostende en in de bredere kustregio in het licht van recente incidenten en de sterk toenemende bevolkingsaantallen tijdens piekperiodes?

Welke maatregelen plant u om te vermijden dat lokale politiezones aan de kust capaciteit verliezen door systematische bijstandsoproepen naar andere regio's, terwijl de lokale noden zeer hoog zijn?

Bent u bereid in overleg met de gouverneur en met de burgemeesters van de kuststeden een specifiek plan uit te werken om de structurele uitdagingen door het geweld, gekoppeld aan de toeristische drukte en de evenementen, aan te pakken?

Hoe zult u ervoor zorgen dat kustgemeenten voldoende operationele ondersteuning krijgen, zonder afhankelijk te worden van noodinterventies of ad-hocversterkingen?

Jullie zien, collega's, dat dit heel andere vragen zijn dan de andere die op de agenda staan.

Wat het drugsgeweld in de hoofdstad betreft, wil ik mij aansluiten bij de collega's. Dat is een zaak waar we al heel wat debatten over gevoerd hebben. Ook ik heb een aantal vragen over de inzet van militairen in Brussel.

Het drugsgeweld duurt voort. Er zullen militairen ingezet worden op straat. Maar wij hebben er op gehamerd dat daarvoor een kader voorhanden moet zijn, minister, zodat de militairen geen sitting duck zijn en voldoende kunnen ingrijpen op momenten dat het nodig is.

Ik wil verwijzen naar de vragen die ik heb opgesteld, want er zijn nog een aantal zaken die moeten of inmiddels misschien al zijn uitgeklaard tussen u en de minister van Defensie. Ondertussen gaf bijvoorbeeld ook de burgemeester van Charleroi aan dat hij dergelijke ondersteuning wenst.

Hoever gaan wij daarin? Hoe worden de steden geselecteerd? Wat wilt u daar precies mee doen?

De gemengde patrouilles, het overleg met de minister van Defensie en het wettelijke kader zijn voor ons belangrijk. Wanneer worden ze wel ingezet en wanneer niet?

U weet dat in het regeerakkoord wordt gesproken over dreigingsniveau 4. Blijven wij bij die piste of voorziet u in cumulatieve voorwaarden om die mensen in te zetten?

Ik weet dat zelfs bepaalde militairen vragende partij zijn om ook bepaalde bevoegdheden te krijgen. Wij moeten daar goed over nadenken. Dat is immers niet iets wat zomaar wordt gedaan. Een en ander moet weloverwogen gebeuren en in goed overleg tussen beide ministers in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, waarin wij u zeker steunen. Dat moet heel duidelijk zijn.

Wij hebben inderdaad vastgesteld dat de drugsproblematiek, wat wij overigens al wisten, niet enkel hier of in onze grote steden bestaat, maar dat het om een Europees probleem gaat dat zelfs internationaal moet worden aangepakt.

Wij zagen bijvoorbeeld de Franse procureur Nicolas Bessone communiceren dat de voorbije maanden ongeveer vijftig Belgen, onder wie een twintigtal Brusselaars, werden gearresteerd in Zuid-Frankrijk, voornamelijk in Marseille en de grensregio. Onder hen bevonden zich ook twee landgenoten die zwaar bewapend een opdracht zouden uitvoeren.

Dat is toch niet niets. Tijdens zijn bezoek aan Brussel wees de Franse procureur op de connecties tussen bendes in Brussel en Marseille. Bovendien legde hij een link met de rol van de haven van Antwerpen in de internationale drugshandel. Hij bracht daarbij enkele praktijken uit Marseille aan en riep de Belgische autoriteiten op om de wetgeving aan te scherpen. Wij moeten met de Franse autoriteiten de krachten bundelen in één gezamenlijke strijd tegen de georganiseerde misdaad.

Op welke manier werken onze politiediensten vandaag concreet samen met de Franse autoriteiten in de gezamenlijke strijd tegen drugscriminaliteit? Kunnen wij die samenwerking nog uitbreiden? Hoe verloopt de informatie-uitwisseling met Frankrijk in dossiers waarin Belgische drugsnetwerken betrokken zijn? Waar ziet u nog verbeterpunten?

Hoe zit het met de informatie-uitwisseling over die vijftig Belgen die daar zijn aangetroffen? Krijgen wij de noodzakelijke gegevens, zodat wij weten wie zij zijn en hoe wij hen verder kunnen opvolgen? Hebt u daarover recent overleg gehad met uw Franse collega-minister of zult u dat nog doen? Voor mij is dat noodzakelijk. Wat zijn de voornaamste afspraken die u met hem wilt maken of welke vooruitzichten ziet u?

Wordt onderzocht of bepaalde praktijken uit Marseille, zoals het groeperen van drugshandelaars in zwaarbeveiligde gevangenissen, ook in België toepasbaar kunnen zijn? Dat is misschien ook een vraag voor uw collega-minister Verlinden.

Hoe reageert u op de oproep van procureur Bessone om de Belgische wetgeving aan te scherpen in het licht van de toenemende internationale dreiging?

Dat waren mijn specifieke vragen. Ik verontschuldig mij voor het overschrijden van mijn spreektijd.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, in het Bonneviepark vinden op klaarlichte dag drugsdeals plaats. Mensen verstoppen zelfs drugs in speeltoestellen waarop kinderen veilig zouden moeten kunnen spelen. Ouders durven hun kinderen niet meer te laten spelen uit angst voor verdwaalde kogels of confrontaties met bendes. Een plek die een veilige groene speelruimte zou moeten zijn, wordt gedomineerd door angst en criminele baldadigheden.

Brussel is een stad waar honderdduizenden mensen wonen en waar pendelaars elke dag komen werken. Deze stad zou de Belgische vitrine naar de wereld moeten zijn. Wanneer geweld en drugsbendes echter het straatbeeld gaan bepalen, wordt Brussel een stad waar mensen niet meer durven te komen. Ik heb enorm veel respect voor onze politiemensen, die met een nijpend personeelskader hard moeten werken in Brussel en andere steden waar drugsgeweld de kop opsteekt.

We wensen in te zetten op militairen op straat. De vakbonden hebben in verband hiermee enkele terechte bezorgdheden geuit. Hoe gaat u daarmee om?

Het regeerakkoord stelde duidelijk dat er één wijkagent per 2.000 inwoners moet zijn. Welke inspanning zult u hiervoor treffen? In sommige gemeenten en steden kunnen zij als een soort vrederechter een eerste oplossing zijn.

Vooral nu in Brussel, maar ook in andere steden moet er een tandje worden bijgestoken. Wat zult u nog extra ondernemen om ervoor te zorgen dat Brussel de Belgische vitrine naar de wereld kan zijn?

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je voudrais revenir sur ce sujet ô combien important pour les communes qu'est le montant des dotations fédérales aux zones de police, avec un problème que j'ai déjà évoqué très souvent dans cette commission, à savoir le décalage entre la fixation du montant des dotations aux zones de police par le fédéral et l'adaptation à l'inflation, soit à l'indexation des salaires.

Aujourd'hui, on demande aux zones de police de prévoir dans leur budget le même montant de dotation fédérale que dans le budget de l'année précédente, sans tenir compte des potentielles indexations de salaire qui sont prévues par le Bureau du Plan. Or il faut savoir que le budget d'une zone de police, c'est pratiquement à 90 % des charges de personnel. Il est donc très sensible à l'indexation des salaires.

Alors, d'une part, on est obligé de prendre une dotation qui n'est pas indexée, mais, d'autre part, la tutelle fédérale sur l'établissement des budgets impose aux communes et aux zones de prévoir dans le budget les dépenses qui correspondent à l'augmentation du coût de la vie. Il y a donc là un réel décalage entre les prévisions de dépenses et les prévisions de recettes.

Dès lors, monsieur la ministre, comme je l'ai sollicité auprès de Mme Verlinden lors de la législature précédente, j'aimerais que vous permettiez aux zones de police de déjà prévoir l'indexation des dotations qui est prévue en fin d'année, de pouvoir le faire bien avant, par exemple, au mois de septembre ou d'octobre.

Par ailleurs, pourriez-vous nous dire où vous en êtes dans la réflexion sur la réforme de la norme KUL? Vous en parlerez certainement dans une heure ou deux au Conseil des bourgmestres, dont je fais partie. Comme je suis aussi député fédéral, je vous pose également la question ici.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik zal u drie vragen stellen; voor alle duidelijkheid niet in volgorde van belangrijkheid, maar in de volgorde zoals ze geagendeerd staan.

Mijn eerste vraag gaat over een nieuw fenomeen uit de onderwereld dat aan de oppervlakte is gekomen in Wallonië. Nieuwe criminele bendes worden zichtbaar in de publieke ruimte, met name de Daltons en de Caspers, zo berichtte Het Laatste Nieuws op 25 september. Dat zijn groepen die betrokken zouden zijn bij geweld, intimidatie en schietpartijen. Bendeleiders en hun leden gedragen zich opvallend aanwezig in het straatbeeld, waardoor hun macht en invloed zichtbaar worden voor de bevolking.

De recente moordaanslag op de leider van de Daltons maakt duidelijk dat er sprake is van gewelddadige afrekeningen tussen rivaliserende groepen. Dat fenomeen wijst op een verplaatsing van de georganiseerde misdaad naar een openlijke strijd in de publieke ruimte. Helaas hebben we dat de laatste maanden al te vaak gezien in ons land. Dat heeft uiteraard een grote impact op de veiligheid en het onveiligheidsgevoel bij burgers.

Beschikt u over recente cijfers over dit fenomeen? Ik denk dan aan het aantal leden, het leeftijdsprofiel en de verspreiding in België. Hoe ernstig schat u de dreiging die uitgaat van deze bendes? Welke concrete acties onderneemt u of de federale politie om hun activiteit te monitoren en in te perken? Zijn er aanwijzingen dat deze groepen banden onderhouden met bredere criminele netwerken?

Wordt er op dit moment een gecoördineerde aanpak ontwikkeld, zoals dat ook gebeurt tegen motorbendes en drugsclans, specifiek gericht op deze opkomende bendes? Heel belangrijk, wordt er een samenwerking met burgemeesters en lokale besturen georganiseerd, gezien de zichtbaarheid van die bendes in de publieke ruimte?

Mijn tweede vraag gaat over Defensie op straat in het kader van het grotestedenplan, een thema dat hier al uitgebreid aan bod is gekomen. De publieke discussie en de berichtgeving in de media daarover hebben tot enige onduidelijkheid geleid, met geruchten over de uitbreiding van de bevoegdheden van militairen en de organisatie van gemengde patrouilles.

Kunt u duidelijkheid verschaffen over die geruchten omtrent de inzet van Defensie op straat, dus de plannen voor gemengde patrouilles en de vermeende uitbreiding van de bevoegdheden van militairen, mogelijk zelfs tot het gebruik van vuurwapens?

Bevestigt u dat het uitgangspunt van het inzetten van Defensie uitsluitend is – en dat staat ook zo in het regeerakkoord – om politiecapaciteit vrij te maken die gericht kan worden ingezet in de strijd tegen drugscriminaliteit en georganiseerde misdaad?

Wat is de stand van zaken van het juridisch en operationeel kader voor het inzetten van militairen? Zijn de contacten tussen het kabinet van de minister van Defensie en dat van u al afgerond? Kunt u verzekeren dat dat kader zich beperkt tot de overname van statische opdrachten en geen nieuwe bevoegdheden voor militairen omvat? Kunt u concreet aangeven wat de politie zelf vraagt om de strijd tegen de drugscriminaliteit op een effectievere manier te voeren?

Mijn derde vraag in dit actualiteitsdebat gaat over de KUL-norm. Onder burgemeesters wordt daar wel eens naar verwezen als de “flauwekulnorm”, wat meteen ook het probleem aantoont. Het regeerakkoord voorziet in de invoering van een nieuw en eenvoudig financieringsmodel voor de lokale politiezones ter vervanging van de huidige KUL-norm. Het doel is om elke zone – met inachtneming van de eigen specificiteit – voldoende flexibele en transparante middelen toe te kennen om de basispolitiezorg, die zo belangrijk is, te garanderen.

Dat is een noodzaak gezien de toenemende uitdagingen waarmee onze politiediensten geconfronteerd worden. Ik mag hier ook tegen de collega’s zeggen dat ze woord hebben gehouden. U hebt mij een aantal maanden geleden beloofd om naar Zelzate te komen. De minister heeft dat gedaan en u hebt daar een en ander op het terrein kunnen zien en ervaren. U hebt van mijn korpschef gehoord waar de uitdagingen liggen. Financiering – het zal u niet verbazen, het heeft u toen ook niet verbaasd – komt daarbij prominent aan bod.

De lokale politiezones dragen een zware verantwoordelijkheid terwijl de financiële druk op die lokale besturen, die reeds een aanzienlijk deel van de politiebudgetfinanciering dragen, enorm toeneemt. Ik had graag van u een aantal zaken concreet vernomen.

Ten eerste, welke initiatieven hebt u tot heden genomen om het nieuwe, vereenvoudigde en transparante financieringsmodel voor de lokale politiezones op basis van kwalitatieve en wetenschappelijk onderbouwde parameters in te voeren?

Ten tweede, wat is de timing voor de implementatie van dat nieuwe model en zal hierbij gegarandeerd worden – en dat is toch niet onbelangrijk, mijnheer de minister – dat de financiering de zones in staat zal stellen om effectief een kwaliteitsvolle basispolitiezorg te leveren, los van de financiële draagkracht van de individuele lokale besturen?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, comme l'ont évoqué la presse et les collègues, le procureur du Roi de Bruxelles, M. Julien Moinil, a dû être placé sous protection rapprochée. Cette situation nous interpelle.

J'en viens donc directement à mes questions, monsieur le ministre. Combien de magistrats ou hauts responsables judiciaires bénéficient-ils actuellement en Belgique d'une protection rapprochée organisée par le service de la protection (DAP) de la police fédérale?

Ensuite, quels sont les critères précis retenus pour activer une telle mesure? Quels sont les moyens humains et logistiques actuellement mobilisés dans ce type de protection rapprochée?

L'usage de technologies intrusives – valises blindées, drones, brouilleurs, etc. – fait-il l'objet d'un encadrement spécifique?

Enfin, quelles mesures sont-elles envisagées ou ont-elles été prises pour renforcer la prévention et la détection précoce des menaces contre les acteurs de la justice, en particulier dans les dossiers liés au trafic de stupéfiants? Merci à vous.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik snap dat het misschien een beetje vreemd is dat mijn vragen in dit debat aan bod komen, maar ik begrijp dat er heel veel op de agenda staat.

Mijn eerste vraag gaat over whole of government -aanpak, die in verschillende belangrijke dossiers, zoals de Nationale Veiligheidsstrategie en het nationaal weerbaarheidsplan, door het regeerakkoord naar voren geschoven wordt. Die aanpak is erop gericht efficiëntie en gedragen samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus te realiseren. Dit is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat in crisissituaties beslissingen doeltreffend genomen kunnen worden en dat elke speler in dit land weet wat er van hem verwacht wordt. Een gedragen samenwerking versterkt het beleid en maakt een constructieve whole of government -aanpak noodzakelijk.

Vanuit zowel de Vlaamse als de Waalse overheid vang ik signalen op dat de uitvoering in de praktijk soms stroef verloopt, bijvoorbeeld bij het nationaal weerbaarheidsplan. Het is echter juist belangrijk dat deze plannen breed gedragen worden om efficiënt te zijn. Dat betwist niemand, denk ik. Het is daarom noodzakelijk om te zorgen voor een structurele en volwaardige participatie van de deelstaten in elke fase van deze trajecten, zowel politiek als administratief. Dit kan bijvoorbeeld worden gegarandeerd door de opmaak vanuit het Overlegcomité te coördineren, maar dat is slechts een suggestie.

Voor een optimale whole of government -aanpak is het bovendien cruciaal dat er vanaf het begin van elk proces sterke informatiedeling plaatsvindt, bijvoorbeeld via een centraal platform. Zo kan elke actor met kennis van zaken aan de tafel zitten en is de input niet beperkt tot ad-hocgedachten.

De huidige overlegstructuur loopt naar mijn aanvoelen minstens stroef en kan worden bijgestuurd door een paritaire samenstelling. Vergaderingen waarbij slechts één vertegenwoordiger per deelstaat aanwezig is, maar waarbij talrijke vertegenwoordigers van de federale overheid aan tafel zitten, leiden zowel politiek als administratief tot onevenwichtige beslissingen. Daarbij is het belangrijk dat voor elke entiteit een duidelijke coördinator wordt afgesproken en gerespecteerd.

Ik heb hierover enkele vragen. Hoe definieert u een whole of government -aanpak om de aanpak en de opmaak van deze cruciale plannen zo sterk mogelijk te maken en de beveiliging van onze burgers te garanderen? Hoe definieert u een whole-of-government -aanpak? Hoe loopt de opmaak van het nationaal weerbaarheidsplan en de Nationale Veiligheidsstrategie? Engageert u zich om de deelstaten hier op een correcte manier bij te betrekken, volgens de principes die ik net heb uiteengezet?

Mijn volgende vraag gaat over het Kanaalplan. In de zomer hebben we immers jammer genoeg wederom gezien waarom dit zo broodnodig is in Brussel. Het is echter niet beperkt tot Brussel. Ook in de Vlaamse Rand, in mijn eigen stad Vilvoorde, waren er bijvoorbeeld rellen in het station na de arrestatie van een drugsbaas. Het gaat ook breder dan dat.

Het lijkt erop dat u met het plan grote steden een nieuwe naam voor dit Kanaalplan hebt gekozen. Schuift u inderdaad een nieuwe naam naar voren? Kunt u een stand van zaken geven rond de invoering van dit nieuwe plan? Welk werkingsgebied ziet u voor dit plan? Zijn er naast de reeds aangekondigde maatregelen in het plan grote steden, zoals militairen op straat en het budget voor extra camera's, nog andere maatregelen die u vooruit wilt schuiven?

Ik wil trouwens ook mijn appreciatie uitspreken voor de ronde die u hebt gedaan, ook in de Vlaamse Rand, om met de mensen op het veld te spreken.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, vous avez récemment présenté un plan "Grandes Villes" – j'imagine que c'est le nouveau nom pour le plan Canal – qui vise à renforcer la sécurité dans les zones urbaines, qui sont confrontées à des défis multiples. Si le plan "Grandes Villes" est bien le plan Canal, je m'en réjouis parce qu'évidemment ça veut dire qu'on cesse de se focaliser uniquement sur la ville de Bruxelles et que vous allez vous attaquer à travers ce plan à la criminalité dans les grandes villes du pays, ce qui est très important.

Selon vos déclarations publiques, ce plan prévoit, on l'a dit à plusieurs reprises, le déploiement de militaires dans l'espace public, mais aussi la modernisation et la généralisation de caméras de surveillance, ainsi que l'organisation d'opérations policières de grande ampleur, dites opérations coup de poing. Vous avez participé à l'une d'entre elles très récemment. Vous avez également souligné que la priorité était de lutter contre le crime organisé, le trafic de stupéfiants et la criminalité violente qui en découle.

La refonte du plan Canal répond à une attente de fermeté, elle traduit une volonté de restaurer l'autorité de l' É tat dans les quartiers où l'insécurité s'est aggravée. Néanmoins, la lutte contre le crime organisé ne saurait se limiter à une approche strictement policière voire militaire, elle touche à des domaines transversaux comme la justice, les finances, les douanes, la politique sociale et la santé publique. De plus, la mise en œuvre concrète de ce plan repose sur une coordination étroite entre polices locale et fédérale, ainsi que sur une articulation claire des rôles entre le ministère de l'Intérieur et d'autres départements ministériels.

Dans ce contexte, je voudrais vous poser trois questions: vous indiquez que la priorité est la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue, le crime organisé sera-t-il explicitement intégré dans un axe central du plan? Le plan "Grandes Villes" intégrera-t-il une cartographie claire des compétences qui relèvent d'autres ministères qui ont un rôle à jouer dans la lutte contre le trafic de drogue et le crime organisé? Quels budgets sont spécifiquement alloués à ce plan par poste, surveillance, présence militaire, renfort policier, etc.?

Bernard Quintin:

Monsieur le président et mesdames et messieurs les députés, d'abord, je ferai une petite note liminaire. Je suis en effet le premier désolé que l'on doive grouper les choses. Je pense avoir déjà prouvé que j'étais le plus disponible possible pour la Chambre et pour cette commission, mais il est vrai que l'agenda de rentrée était difficile et un peu mouvementé.

Ook al is het wat hectisch, ik ben hier en nu te uwer beschikking.

Je vous remercie pour les nombreuses questions qui témoignent, pour autant que de besoin, de l'intérêt que nous partageons pour le fait de garantir et même de renforcer l'ordre et la sécurité dans notre pays. La majorité d'entre elles partent d'un constat: la recrudescence des fusillades dans les villes, particulièrement dans notre capitale mais seulement, la montée en puissance de la criminalité organisée et du narcotrafic, et un sentiment d'insécurité croissant au sein de la population, qu'il nous faut combattre.

Sinds mijn aantreden, acht maanden geleden, zet ik mij, niet behept met naïviteit of fatalisme samen met de hele regering in om met respect voor het regeerakkoord structurele, samenhangende en gecoördineerde oplossingen te bieden voor de uitdagingen waarmee ons land wordt geconfronteerd.

Cette réponse coordonnée qui constitue une boussole de mon action politique privilégie des mesures qui se renforcent mutuellement. Cela implique également d'avoir conscience des responsabilités partagées dans la chaîne sécuritaire, de l'Intérieur en passant par la Justice, les Douanes, la Défense, l'Asile et la Migration, la Santé au niveau fédéral sans oublier le rôle des autres niveaux de pouvoir. Je pense ici notamment aux communes, avec les bourgmestres, mais aussi aux Régions et Communautés dans le cadre de leurs politiques propres telles que la prévention, la santé et plus globalement l'approche administrative. Tout le monde doit unir ses forces et assumer ses responsabilités

Ik neem mijn verantwoordelijkheid. Waar ik kan handelen, doe ik dat.

Dès les premières semaines de mon entrée en fonction, j'ai obtenu le déploiement de 31 unités supplémentaires pour la police judiciaire fédérale à Bruxelles. En novembre, 40 agents viendront encore s'y ajouter, soit plus de 70 agents en 7 mois. J'ai demandé au commissaire général d'accélérer au maximum les recrutements, mais il s'agit d'un chantier à long terme que je conduis déjà.

Kort na de start van mijn ambtstermijn heb ik de eerste minister gevraagd om een taskforce op te richten waarin Justitie, Binnenlandse Zaken en andere departementen zoals Financiën en Volksgezondheid elkaar ontmoeten. Er zijn al twee ministeriële vergaderingen gehouden. Een coördinatietabel bepaalt de stappen.

Het is opnieuw een langdurige klus. Op het gebied van georganiseerde misdaad worden resultaten immers in jaren gemeten, niet in maanden.

Ik ben er mij van bewust dat er grote inspanningen moeten worden geleverd. Ik heb de wil, in alle nederigheid, om de structuur van de binnenlandse veiligheid grondig te herzien, zowel op lokaal als op federaal niveau. De geïntegreerde politie op twee niveaus, waaraan ik veel waarde hecht, omdat het een zeer efficiënt model is, en de duizenden politiemensen, die elke dag voor onze veiligheid zorgen, verdienen efficiëntere structuren om hun opdrachten goed te kunnen uitvoeren.

Om dat te verwezenlijken, heb ik gelijktijdig zowel het strategisch plan voor de federale politie als het ontwerp betreffende de fusie van lokale politici in eerste lezing voor de zomer laten goedkeuren. Ik heb besloten om over dat initiatief brede consultatierondes te organiseren, veel verregaander dan wat gewoonlijk wordt vereist in het administratief en juridisch proces.

S'agissant donc de la fusion, j'attends près de 20 avis d'ici le milieu de ce mois d'octobre. D'ores et déjà, je puis vous indiquer – et cela ne vous étonnera pas – que certains se montrent bien plus positifs que celui rendu par Brulocalis. J'insiste sur le fait que son avis est identique à celui de la Conférence des bourgmestres. Bien évidemment, on peut se livrer à un petit jeu d'optique mathématique en cumulant les deux. Simplement, celui de Brulocalis a été avalisé par la Conférence des bourgmestres. Néanmoins, il reconnaît que certaines préoccupations ont déjà été prises en considération. Ces différents avis sont en cours d'analyse ligne par ligne. J'ai demandé à mon cabinet d'y réserver une attention particulière et d'intégrer les remarques pertinentes. Cela interviendra dans les semaines à venir.

Pour répondre à vos questions, madame Maouane, messieurs De Smet, Dubois, Chahid et Vandemaele, oui, des amendements seront évidemment apportés – et ils ne seront pas cosmétiques. Oui, j'ai entendu les craintes, parfois légitimes, des bourgmestres bruxellois auxquelles je souhaite, lorsque c'est possible, apporter une réponse. Cette réforme ne sera jamais punitive à l'égard de Bruxelles. Elle est conçue au bénéfice des Bruxelloises et des Bruxellois – dont je fais partie, tout comme certains d'entre vous, au demeurant –, de leur sécurité, ainsi que des centaines de milliers de travailleurs et de voyageurs qui font vivre notre capitale.

Tijdens mijn carrière heb ik altijd de tijd genomen om te consulteren. Dat is essentieel. De rol van een beslisser houdt evenwel in dat die na consultatie effectief moet beslissen zonder aarzeling of zenuwachtigheid. De koers die ik en de regering volgen, is duidelijk: de fusie van de Brusselse politiezones zal plaatsvinden.

La fusion des polices à Bruxelles aura lieu. Je constate qu'il y a quelques ouvertures, j'ai entendu Mme Maouane, j'ai écouté très attentivement le bourgmestre de Saint-Gilles, M. Spinette, ce matin sur BX1, qui finalement, à part le mot fusion, a parlé exactement de mon projet de fusion. Coordination, mise en commun des services centraux, mutualisation des forces d'intervention, what's in a name…

Franchement, je vous le dis, s'il faut utiliser un autre terme que le mot "fusion" pour que cela mette tout le monde à l'aise, j'ouvre le concours aux meilleurs mots pour faire ce qui finalement est un projet politique majeur pour l'architecture de sécurité de notre pays. Dès lors, cette fusion aura lieu, non pas comme certains voudraient le faire croire, parce que ce serait une volonté flamande, mais bel et bien car c'est une nécessité, et la réalité de terrain le prouve. Je crois qu'il faut avoir vécu ailleurs que sur notre planète pour ne pas avoir vu la situation cet été.

Je crois qu'il ne faut pas aller à la rencontre des habitants, ce que j'ai fait au mois d'août, ce que je fais régulièrement, pour ne pas penser qu'il y a quelque chose à faire pour la sécurité. Et je n'ai évidemment jamais dit, je n'ai jamais écrit, que la fusion des zones de police était "la" solution. Je n'ai jamais dit, je n'ai jamais écrit, que les militaires en rue étaient "la" solution. Il n'y a pas une seule solution.

Dé oplossing bestaat niet; ik heb ze in ieder geval niet gevonden. Als iemand de oplossing heeft, mag die mij komen opzoeken, zelfs in alle discretie.

Si l'un d'entre vous a "la" solution, venez me voir, même discrètement, et si vous ne voulez pas l'assumer, je le ferai moi-même, mais franchement, travaillons ensemble, je pense que la question demande ce sérieux-là.

Je vous confirme également ma volonté de supprimer les conseils de police, qui dépossèdent trop souvent les conseillers communaux de leurs droits constitutionnels de contrôle démocratique. Là aussi, je sais à qui je m'adresse: les conseillers communaux, les bourgmestres, la démocratie locale, c'est le conseil communal. Or les conseillers communaux sont des élus directs, les conseillers des conseils de police sont des élus indirects et, dans la plupart de nos communes, vous avez des majorités, souvent à 80 % de l'assemblée du conseil communal.

Toutefois, dans les grandes zones, eh bien ces conseillers communaux peuvent envoyer deux conseillers de police, un de la majorité, un de l'opposition, ce qui veut dire que ces communes sont représentées dans les conseils de police à parts égales entre la majorité et l'opposition. Cela me semble être, en mathématiques électorales, un dévoiement de la démocratie. En outre, les très nombreux chefs de corps et bourgmestres que j'ai rencontrés m'ont fait part du manque d'utilité de cet organe, ce qui me conforte dans ma décision.

À côté de la réforme de la norme de financement sur laquelle je reviendrai, je vous confirme que des moyens sont consacrés spécifiquement aux fusions des zones de police, avec un plafond de 40 millions d'euros par an jusqu'en 2029. C'est en tout cas ce qu'il y a dans l'avant-projet de loi, parce que j'aurais peut-être dû préciser qu'il s'agit d'un avant-projet de loi. Des avis sont donnés, il y aura encore des discussions et la loi police intégrée devra être adaptée. Dès lors, ce que je dis aujourd'hui, c'est qu'il ne faut pas m'en tenir comptable plus que ce que je peux dire aujourd'hui par rapport aux décisions qui seront prises à l'issue des différentes discussions, en ce compris ce beau mot que j'utilise de moins en moins, de "consubstantialité".

Ces incitants, par définition limités dans le temps, visent à accélérer le nombre de fusions sur le territoire. Ils sont basés sur un montant par membre du personnel du cadre réel des zones à fusionner, auquel s'ajoutent plusieurs multiplicateurs pertinents retenus par le gouvernement. Nous en débattrons lors de l'examen du projet de loi.

Het bedrag voor de hoofdstad dat door de heer Van Tigchelt werd genoemd – de 55 miljoen euro die voor Brussel werd verkregen en die, tot ongenoegen van sommigen, werd goedgekeurd door alle partners van de regering – houdt geen herziening in van de financieringsnorm, in tegenstelling tot wat sommigen hebben laten doorschemeren op een min of meer subtiele manier, maar altijd met het doel om te desinformeren en te manipuleren. Dat zijn straffe woorden, ik weet het.

Mais à un moment, il faut dire les choses comme elles sont. J'ai toujours parlé d'un incitant fusion qui doit justement permettre de répondre aux défis qu'est la fusion.

Ce n'est pas moi, comme ministre de l'Intérieur, qui va vous dire que la fusion des zones de police est chose facile. Et certainement pas à Bruxelles, où nous devons passer de six à une zone qui comptera plus de 7 000 équivalents temps plein. C'est pour cette raison qu'il y a 55 millions d'appui à la fusion.

Donc celles et ceux qui continuent à dire que ce n'est pas un refinancement suffisant pour Bruxelles et les autres Régions, je m'excuse mais on peut dire et faire beaucoup de choses, mais moi j'ai appris dans ma vie que mentir, ça n'était jamais bien. Par conséquent, si je n'avais pas modifié les incitants existants dans le cadre des fusions, les six zones de police bruxelloises auraient obtenu moins d'un million d'euros. Elles auront donc au moins 55 fois plus.

Si après cela on ose encore me dire que Bruxelles est délaissée, j'aurais du mal à l'entendre mais j'ai déjà entendu bien d'autres choses.

Dames en heren parlementsleden, politiek actief zijn, is één ding, maar een betoog dat geen enkele realiteit weerspiegelt, is iets heel anders.

Ik heb de vragen van de heren Thiébaut, Depoortere, Meuleman en de heer Chahid gehoord over de herziening van de zogenaamde flauwekulnorm. Dat zijn mijn woorden niet, maar het is toch grappig. Ter zake heeft de multidisciplinaire commissie begin juli haar voorbereidende werkgroep afgesloten, waarbij een aantal parameters werd gehanteerd die gebaseerd zijn op de werkelijke werklast van de politiezone. Ik herinner eraan dat de vergadering, voorgezeten door een van mijn collega’s van het kabinet, vijftig keer is samengekomen. Dat is toch aanzienlijk meer dan de drie vergaderingen die de commissie in voorgaande jaren hield.

De relevante en toegankelijke criteria die werden geselecteerd, worden voorgelegd aan de VCLP. Voor raadpleging worden ze ook gepresenteerd aan de recent geïnstalleerde Raad van Burgemeesters, die een advies zal uitbrengen.

Par ailleurs, je peux vous annoncer que l'Université libre de Bruxelles a remporté en consortium le marché visant à concrétiser la méthode retenue et surtout à modéliser l'impact financier pour chaque zone de police du pays.

À cet égard, l'accord de gouvernement est clair. Il s'agit d'un financement supplémentaire, puisque nous travaillerons en enveloppe ouverte. Les premières conclusions de cette démarche académique que j'ai initiée sont attendues pour le premier trimestre 2026.

Il ne s'agit pas d'une énième étude, mais bien de la volonté d'aboutir à une nouvelle norme de financement que je mettrai sur la table du gouvernement l'année prochaine. Concernant spécifiquement ce shade , je ne peux pas encore vous indiquer à ce stade l'ampleur du refinancement, puisque le travail est en cours à l'ULB. J'ai néanmoins bien conscience qu'on ne modifie pas une structure, quelle qu'elle soit, sans aborder son financement ni la manière de la pourvoir.

Notre police a besoin d'hommes et de femmes qui viennent renforcer ses effectifs. Ce n'est pas nouveau, mais je me retrousse les manches. Sur ce point, je tiendrai donc un conclave à la fin du mois de novembre, avec différents acteurs, afin de définir les mesures concrètes pour améliorer au mieux l'attractivité de la fonction et faciliter les procédures de recrutement.

Vous noterez la petite différence sémantique entre table ronde et conclave. Il ne s'agit pas de se réunir pour disserter sur le pourquoi du manque. Les constats et les chiffres sont connus. Il s'agit vraiment de sortir d'un conclave qui durera le nombre de jours nécessaire à dégager des pistes concrètes à mettre en œuvre.

Beste Kamerleden, een aantal van u heeft vragen gesteld over de inzet van defensie ter ondersteuning van de politie. Ik wens op dat vlak heel duidelijk te zijn. Ik ben voorstander van de inzet van militairen voor specifieke binnenlandse opdrachten, maar evenwel zonder hun dezelfde bevoegdheden en opdrachten als de politie te geven. Dat is niet noodzakelijk en ook niet wenselijk.

De huidige veiligheidssituatie in onze hoofdstad moet ons allen zorgen baren. Het is voor mij duidelijk dat vanuit de overheid moet worden aangetoond dat we alle beschikbare middelen inzetten om de veiligheid van de inwoners te garanderen. Het gaat hier ook niet om het falen van de politie. Onze politiemensen doen hun werk goed, maar we moeten schakelen en bekijken hoe we de dispositieven kunnen versterken.

U zult het ongetwijfeld met mij eens zijn dat politieopdrachten door politiemensen moeten blijven worden uitgevoerd. De inzet van defensie in deze specifieke aangelegenheid is met andere woorden subsidiair, aanvullend en dus niet ter vervanging van politiecapaciteit. Deze visie van gezamenlijke ontplooiing van macht ben ik genegen.

Nous avons un accord politique entre nous, c'est-à-dire le premier ministre, la Défense et l'Intérieur. Comme vous, j'ai pris connaissance des derniers sondages en la matière et j'ai constaté que 64 % des Belges sondés sur cette thématique étaient favorables au déploiement des policiers en rue. Comme je l'ai déjà annoncé, ma ferme intention est de voir cette mesure concrétisée avant la fin de l'année.

Er zijn intussen ook reeds bilaterale overlegmomenten geweest om het juridische kader uit te klaren, om inzetscenario's te bespreken enzovoort. Dat zou mogelijk zijn op basis van het protocol van 2003, dat nog geldig is. Concreet willen we komen tot een nieuw protocol tussen de politie en defensie, in afwachting van de nieuwe codex voor defensie.

Comme je l'ai indiqué en préambule, cette mesure, comme les autres, n'est pas isolée. Elle s'inscrit dans le plan "Grandes Villes", pour lequel j'ai consulté différents acteurs.

Ce plan "Grandes Villes" produira ses effets en premier lieu dans la capitale et est déjà en cours. Ce plan "Grandes Villes", qui succède partiellement au Plan canal, vise à renforcer la lutte contre la criminalité organisée et la violence liée à la drogue dans nos principales villes: Bruxelles, Antwerpen, Liège, Charleroi, Mons, Gent et Namur. Il repose sur l'approche intégrée All of Government , associant police, Justice, Douanes, Régions, Communautés et communes, avec une coordination renforcée des gouverneurs là où cela est pertinent.

Concrètement, il combine une meilleure cartographie criminelle et un renseignement accru, des opérations récurrentes de grande ampleur – comme les opérations FIPA, telle celle qui s'est déroulée ce lundi – et ciblées – les VIP, Very Irritating Police –, une approche administrative renforcée et le déploiement d'outils technologiques innovants, tels que Police Search, Monfin, ANPR et BSC. La méthode Clear, Hold, Build guide l'action: occuper le terrain, stabiliser les quartiers et reconstruire le tissu social.

Un budget, actuellement estimé à 65,37 millions d'euros, est mobilisé jusqu'à la fin de la législature, notamment pour les caméras – 20 millions d'euros – du matériel spécialisé, des licences judiciaires, afin d'accroître la visibilité policière, rassurer la population et neutraliser durablement les réseaux criminels.

C'est le bon moment pour évoquer les réponses à vos questions sur le Fonds drogues. Le projet de loi Fonds drogues s'inscrit dans l'amélioration de toute la chaîne Follow the Value , qui comprend quatre étapes principales, à savoir la détection, la confiscation, la gestion et la redistribution des valeurs confisquées. Ce dispositif représente une opportunité majeure pour doter nos services de moyens concrets et durables dans la lutte contre la criminalité organisée. Mais son apport dépasse la seule dimension budgétaire. Il introduit un principe essentiel, celui du retour fondé sur les résultats. Plus l'action est efficace, plus les moyens récupérés sont importants et plus il est possible de réinvestir dans la lutte.

Si le Conseil des ministres ne s'est pas encore prononcé sur un avant-projet de loi, c'est parce qu'un tel dispositif implique des choix structurants qui relèvent de plusieurs départements, au premier rang desquels l'Intérieur et la Justice. Avant de soumettre un texte, il est indispensable de parvenir à un accord sur les modalités de gouvernance, de gestion et de redistribution des avoirs criminels, afin de garantir un cadre juridique et opérationnel robuste.

Je tiens à rassurer, mes services travaillent activement à la création de ce fonds. Le Commissariat national drogue a d'ores et déjà été chargé d'affiner différents scénarios.

Vous me demandez pourquoi les initiatives de la législature passée n'ont pas abouti. Eh bien, c’est notamment en raison des remarques du Conseil d’État qui, très justement, s’interrogeait sur le lien à clarifier entre la raison d’être du Fonds – à savoir la lutte contre la criminalité organisée – et le processus de répartition des moyens, lequel, s’il y a Fonds, doit spécifiquement s’attaquer à cette lutte. C’est pourquoi j’ai demandé au Commissariat national drogue de me proposer une solution qui tienne compte de cet avis et qui permette de justifier pleinement la raison d’être du Fonds, à savoir l’exécution d’une politique dont les actions sont formellement identifiées et suivies.

De même, il est essentiel d’éviter qu’un lien direct soit créé entre percepteurs et bénéficiaires, au risque d’influencer le choix des dossiers en fonction de leur potentiel rendement financier.

Enfin, quant à la position des Finances, il est normal que l’administration s’interroge sur la nécessité de prévoir une exception au principe d’universalité du budget. C’est bien pour cette raison que nous travaillons à l’élaboration d’un texte qui n’implique pas une simple injection supplémentaire dans le budget régulier des bénéficiaires, ce qui annulerait la raison d’être d’un fonds. Il est donc primordial que ce mécanisme profite directement aux services de première ligne qui, grâce à des méthodes innovantes, favoriseront un fonctionnement plus coordonné et donc plus efficace de la lutte contre le crime organisé lié à la drogue.

Nous pourrions d’ailleurs parler d’un fonds d’impulsion pour la lutte contre le crime organisé, tant il est nécessaire d’appuyer de nouvelles méthodes pour s’attaquer autrement à cette menace grandissante. La crédibilité et la force de l’État de droit, c’est aussi sa capacité à protéger ses autorités, notamment judiciaires.

Je souhaite ici répondre aux questions de MM. Anthony Dufrane et Brent Meuleman concernant les personnes qui bénéficient actuellement en Belgique d’une protection rapprochée organisée par le service Direction de la protection (DAP), ainsi que sur les questions relatives aux services de renseignement.

S’agissant des critères de protection, le Centre de crise national (NCCN) est informé lorsqu’une nouvelle menace vise une personne et demande, à cet effet, des analyses de menace aux services compétents. La police fédérale, via la Direction des opérations de police judiciaire (DJO), est chargée de l’analyse des menaces provenant du milieu criminel, tandis que l'OCAM se charge de celles provenant du milieu extrémiste ou terroriste. Outre ces évaluations, le NCCN tient compte du risque et des éléments propres à la situation pour déterminer les mesures de protection.

L’analyse repose sur plusieurs critères: la nature et le niveau de la menace en cours, le type de menace pesant sur la victime elle-même, sa famille et ses proches, les caractéristiques de l’auteur présumé de la menace, les informations disponibles en ligne sur la personne menacée, ainsi que les caractéristiques propres à la victime. Le budget de fonctionnement de l’unité DAP s’élève à 3,565 millions d’euros par an.

À côté des mesures visant à protéger l’intérieur de notre territoire, nous devons également lutter contre les menaces extérieures qui contribuent fortement au développement de la criminalité organisée. Vous comprendrez, bien entendu, au vu du caractère sensible de ces informations, que je ne souhaite pas communiquer davantage publiquement sur le contenu concret des mesures mises en place.

En recoupant ces chiffres avec des informations médiatiques, des criminels pourraient déduire qui bénéficie ou non d’une protection, ou même qu’ils font eux-mêmes l’objet d’une surveillance.

Mijnheer Meuleman, het antwoord op uw vraag over Turkse bendes geldt voor alle criminele netwerken. De analyse van de dreiging die uitgaat van criminele dadergroepen en bendes is het onderwerp van regelmatig overleg op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen, met het oog op het nemen van passende maatregelen.

In het algemeen stellen onze diensten vast dat gestructureerde organisaties nu een grotere bedreiging vormen voor de integriteit van de samenleving dan in het verleden. Naast de impact op het gevoel van veiligheid door gewelddadige acties en het aanvallen van mensen in nood, maken de infiltratie van de economie, het misbruik van commerciële structuren en herhaalde pogingen tot corruptie, deze groep tot een grotere bedreiging van onze medeburgers.

Zoals hierboven vermeld, is het aan de lokale autoriteiten om op basis van politiebeelden een nuttige benadering te identificeren. Die kan uiteraard van gerechtelijke aard zijn. Op internationaal niveau kan de steun van Europol worden overwogen. Het kan ook de implementatie van een gerichte informatiepositie inhouden.

Dezelfde lokale autoriteiten kunnen administratieve politiemaatregelen nemen om de schadelijke effecten van die groepen en met name de infiltratie van de lokale economie tegen te gaan.

Daarnaast heeft de regering besloten om een plan voor grote steden uit te voeren, om de impact van de georganiseerde criminaliteit op het gevoel van veiligheid sterk aan te pakken.

Mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, jullie hebben vragen ingediend over het geweld aan de kust, in het bijzonder in Oostende. De FGP West-Vlaanderen en de politiezone Oostende laten me weten dat uit de voorlopige cijfers van 2025, afkomstig van de Algemene Nationale Gegevensbank, blijkt dat de problematiek in Oostende wel een evolutie kent op het vlak van aanvoerroutes en het gebruik van geweld. Die evolutie houdt verband met druggerelateerde criminaliteit, maar blijft daartoe niet beperkt.

Er zijn gerichte maatregelen genomen om het hoofd te bieden aan het groeiende onveiligheidsgevoel in de stad Oostende, waarvan het tragisch dieptepunt ongetwijfeld het overlijden van een 43-jarige vrouw op 6 september jongsleden was. Voor het lopende onderzoek verwijs ik uiteraard naar mijn collega van Justitie.

Voor de concrete acties die in Oostende werden ondernomen en de statistieken inzake criminaliteit, zal ik uw schriftelijke vragen zoals steeds met de grootste zorg en snelheid beantwoorden.

Mijnheer Vandemaele, de link tussen illegale migratie, opvangcapaciteit en bendes verdient een nadere toelichting. Tegen de netwerken van drugshandel worden maatregelen genomen en die zullen worden versterkt. Tegelijkertijd wordt een strenge migratiepolitiek gevoerd. Er zijn twee afzonderlijke beleidslijnen en we handelen op beide fronten.

Het gaat enerzijds om multidisciplinaire acties, binnenkomstcontroles sinds juni, gerichte opdrachten van de wegpolitie samen met de lokale politiediensten in de hotspot, met name in Brussel. Anderzijds is er een nieuwe coördinatie tussen justitie, de Dienst Vreemdelingenzaken en de politie om de overbevolking in de gevangenissen aan te pakken, met versterkingen van de DAB en de LPA voor overplaatsingen en uitzettingen van illegaal verblijvende gedetineerden.

Mijnheer Depoortere, de politie is een betrouwbare partner in de strijd tegen illegale migratie. De overbevolking in de gevangenissen weegt zwaar, maar de DAB en de LPA zijn actief betrokken bij het verwijderen van personen met een illegaal verblijf. De LPA zal worden versterkt.

We voorzien tevens in een versterking van Frontex. Sinds september zijn er acht extra begeleiders bij de LPA BruNat voor gedwongen uitzettingen bijgekomen.

Voor de cijfers van 2025 over gedetineerde criminelen met een onregelmatig verblijf en effectieve uitzettingen verwijs ik u naar de minister van Asiel en Migratie.

Permettez-moi de terminer par un petit chapitre international en évoquant en effet avec vous, et pour répondre à vos questions, la venue du procureur de la République de Marseille et le rôle des officiers de liaison dans la lutte contre le trafic de drogue.

Mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, voor uw vragen over de samenwerking tussen Brussel en Marseille verwijs ik u naar de minister van Justitie. Ik juich de synergie tussen hun respectieve parketten uiteraard ten zeerste toe.

Je n'ai pas été sollicité par le procureur de la République pour une rencontre.

Wat de inspanningen tot overleg op het vlak van politie betreft, is in het verleden aangetoond dat de banden tussen Brussel en Marseille inzake drugshandel bekend en aanzienlijk zijn. Ik heb dat reeds besproken met mijn Franse collega Bruno Retailleau en zal dat blijven doen. Het zal u niet verbazen dat de diplomaat die ik altijd ben geweest, sterk gelooft in internationale samenwerking en in het wederzijds belang waarvoor buurlanden moeten instaan.

Wat de oproep betreft van procureur Bessone – overgenomen door mevrouw De Vreese – om de Belgische wetgeving te versterken, meen ik, in het licht van mijn eerdere tussenkomsten, te mogen stellen dat ik die oproep sinds het begin van mijn mandaat heb opgenomen en dat het mijn uitdrukkelijke bedoeling is de inspanningen in die richting voort te zetten.

Monsieur Dubois, vous m'avez interrogé sur les officiers de liaison et leur rôle. Je suis évidemment tout à fait disposé à vous communiquer des statistiques par écrit et en marge de ce débat. Je peux cependant déjà mentionner que la police belge est représentée auprès d'Europol, d'Interpol, du Maritime Analysis and Operations Centre à Lisbonne, et du National Targeting Center des douanes américaines en Virginie.

En concertation avec la Justice et les Affaires étrangères, nous tâchons de les placer là où l'on observe des départs de transport de drogue vers l'Europe. C'est pourquoi nous finalisons une décision pour ouvrir un poste à Panama.

Ces officiers de liaison bilatéraux de la police belge, qui sont nommés pour une période de six ans, ont trois missions principales: faciliter l'échange d'informations policières avec leur pays de travail dans tous les domaines pour lesquels la police belge est compétente; faciliter la coopération judiciaire avec leur pays de travail, notamment dans le cadre de l'exécution de demandes d'entraide judiciaire ou d'extradition et faire office de conseillers pour les postes diplomatiques belges dans leur pays de travail.

Les officiers de liaison de la police belge à l'étranger sont en contact étroit avec leurs homologues d'autres pays actifs sur place, avec lesquels ils échangent des expériences et, lorsque la situation le permet, des informations opérationnelles.

Mesdames et messieurs les députés, mon cap pour mieux sécuriser notre pays est clair: une action coordonnée, ferme et mesurée pour protéger nos citoyens, démanteler les réseaux criminels et restaurer durablement la tranquillité publique. Comme vous le constatez, nous agissons sur tous les fronts.

Le déploiement du plan "Grandes Villes" est déjà en cours. Soit dit en passant, rien n'empêche ici de faire appel à l'imagination.

Ik verwelkom alle suggesties voor een nieuwe naam voor het plan "Grandes Villes", of beter nog, een naam voor elke stad afzonderlijk.

Le déploiement du plan "Grandes Villes", déjà en cours; des renforts policiers ciblés; des protocoles actualisés police-défense pour des missions strictement définies; l'amélioration de la chaîne des éloignements avec DAB, LPA et Frontex; et réforme de l'architecture policière conduite dans la concertation, avec un financement modernisé, fondé sur des critères objectifs.

Sur le plan "Grandes Villes", je ne peux pas prendre trop de temps en plus. Je voudrais aussi signaler que l'intérêt de ce plan "Grandes Villes", et j'aurai l'occasion certainement de revenir vous en parler, est d'avoir un cadre qui soit non pas, comme je l'ai déjà dit, one-size-fits-all , mais un cadre commun pour les différentes villes du pays. L'objectif n'est pas que chaque ville ait son trophée et son plan. Cela doit répondre aux critères que nous définissons. La complétion de ces critères va nous permettre de voir où il faut mettre plus d'emphase.

J'ai entendu un certain nombre de bourgmestres dire qu'ils étaient assez preneurs pour des militaires en rue. C'est déjà une première étape. Il ne suffit pas de le demander pour l'avoir. Il faut qu'on voie en fonction des chiffres. C'est pour ça que nous avons besoin d'une image.

Het is belangrijk een goed beeld te hebben van de criminaliteit. We moeten dat samen met mijn diensten, justitie, de gouverneur en de burgemeesters in kaart brengen. Op basis daarvan kunnen we dan bepalen of we militairen moeten inzetten of niet, of er meer federale gerechtelijke politie nodig is, meer van dit, minder van dat, camera’s, enzovoort.

Nous prenons les réformes nécessaires, sans naïveté ni fatalisme – je l'ai dit –, et avec comme préoccupation le respect de l'État de droit. Je poursuivrai ce travail avec l'ensemble des niveaux de pouvoir et rendrai compte des progrès au Parlement. J'invite chacune et chacun à soutenir ces mesures pour adresser un message univoque: en Belgique, la loi s'applique partout et à tous. La sécurité des habitants est non négociable. Il n'y a pas de place chez nous pour le crime.

Je vous remercie.

Voorzitter:

Bedankt, mijnheer de minister, voor uw antwoord dat zeer uitgebreid, deskundig en to the point was.

Ik geef het woord aan het Parlement voor de replieken.

Ridouane Chahid:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses qui, évidemment, ne m'ont pas convaincu, vous vous en doutiez. Je voudrais revenir sur plusieurs points.

Par rapport à la fusion, vous dites qu'il s'agit d'une question de vocabulaire, etc. Vous n'avez pas, à mon avis, compris le message de mon camarade Jean Spinette ce matin. Nous avons effectivement un problème de vocabulaire, vous et moi, puisque quand nous demandons plus de policiers sur le terrain, vous, vous envoyez des militaires. Je constate donc qu'on ne se comprend pas. La police et l'armée n'ont pas vocation à faire la même chose, dans ce pays en tout cas. Peut-être est-ce le cas dans d'autres pays comme la France mais, en Belgique, chacun a son rôle. À titre personnel, cela me désole de voir un ministre de l'Intérieur qui, en décidant l'arrivée de l'armée sur le terrain, déforce la police et n'accorde pas à ces uniformes qui nous défendent chaque jour la valeur qui leur revient.

Je ne serai pas beaucoup plus long. Au sujet de la fusion, je voudrais simplement vous dire que lorsque ce texte viendra au Parlement, il faudra prendre beaucoup de temps, monsieur le ministre. Je vais en effet vous démontrer que votre texte est antidémocratique en attirant votre attention sur deux éléments.

Le premier concerne les conseils de police parce que, en les supprimant, la première chose que vous faites c'est supprimer la possibilité à la population, à l'opposition démocratiquement élue par elle, de pouvoir s'exprimer, parce que les conseils communaux n'ont plus cette possibilité-là. Ici, vous opérez un retour en arrière par rapport à la réforme du début des années 2000, la loi sur les zones de police et la nouvelle loi intégrée. Vous constaterez vous-même que, si on a créé des conseils de police et qu'on leur a donné des missions et des tâches, c'est justement pour que les conseils communaux n'aient plus ces missions-là. Il faudra alors que vous nous expliquiez comment s'exercera ce contrôle démocratique qui ne pourra plus se faire.

Deuxième élément très important, il y a, un principe fondamental à Bruxelles qui fait que cette Région est bilingue. Comment ferez-vous en sorte que la minorité linguistique de cette Région – à savoir les néerlandophones – puissent avoir une voix dans les institutions que vous allez créer, puisque, en fonction de ce que vous déposez aujourd'hui, elles n'auront plus leur mot à dire dans le fonctionnement de la future zone de police telle que vous la souhaitez?

Pour conclure, prenez tout votre temps, parce que je pense que vous en aurez besoin pour étudier le nombre d'amendements que nous allons déposer. Nous allons pouvoir vous démontrer que votre solution n'est en tout cas pas efficace pour l'objectif que vous visez, la sécurité des Bruxellois.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je parle tout le temps d’argent. Comme vous le savez, l'argent est le nerf de la guerre. Je vous ai posé des questions par rapport aux dotations, mais vous ne m'avez pas vraiment répondu cette fois-ci. Donc, je vais être obligé de revenir avec ces questions-là. J'ai posé des questions assez précises. On est toujours au stade des bonnes intentions, comme depuis votre note de politique générale. Et vous êtes, je le sais, plein de bonne volonté. Mais à un moment donné, il n'y a rien à faire. Il va falloir que la note soit présentée au gouvernement. Et, visiblement, personne ne veut payer la note de votre politique, clairement. Sauf peut-être les communes, mais elles ont déjà beaucoup payé. Il va donc quand même falloir qu'au niveau de ce gouvernement Arizona, on donne aux zones de police les moyens nécessaires à la sécurité des citoyens.

Il va falloir aussi que vous m'entendiez par rapport à toute une série de mesures que vous pouvez quand même prendre pour aider les zones de police à établir leur budget de manière plus juste, avec une répartition des efforts équitable entre le niveau local et le niveau fédéral.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u nogmaals voor uw uitgebreide antwoord en zeker voor de deelaspecten waarop u hebt geantwoord. Wat ik echter in globo mis, is de urgentie van dat alles. Wij kunnen er, zoals u zelf aangaf, niet omheen. Men moet van een andere planeet komen om de realiteit niet te zien. Die realiteit is heel ernstig. Ze is niet hopeloos maar zeker heel ernstig.

In dergelijke situaties moeten wij de moed hebben, ook de politieke moed, om vlugger te ageren. Ik geef u enkele voorbeelden van maatregelen waarop mijn partij, het Vlaams Belang, al jaren hamert.

Ten eerste, wij vragen een nationaal drugsbestrijdingsagentschap, met een drugsparket dat specifiek kan worden ingezet. De huidige regering heeft enkel een taskforce opgericht waarvan de resultaten nog moeten blijken. Het is mij niet duidelijk wat die taskforce in de praktijk precies doet.

Ten tweede, wij hebben reeds vóór de vorige legislatuur het idee en het voorstel gelanceerd om een drugsfonds op te richten. U hebt vandaag een uitvoerige technische uitleg gegeven waarom dat fonds er nog altijd niet is. Dat kan er bij mij werkelijk niet in. Als het mogelijk is om in het kader van de verkeersveiligheid een verkeersveiligheidsfonds op te richten dat al jaren operationeel is, dan kan ik niet begrijpen waarom het zo moeilijk is om een drugsfonds op poten te zetten. U hebt geen timing en er is geen urgentiegevoel.

Nochtans hadden wij gisteren de commissaris-generaal, de heer Snoeck, op een hoorzitting in onze commissie. Ook de nationale drugscommissaris heeft het reeds laten weten. Zij zijn allebei heel grote voorstanders van de urgente oprichting van een dergelijk drugsfonds. Daarbij aansluitend, heeft de commissaris-generaal gisteren een strategisch plan uiteengezet. Dat betreft echter slechts het eerste deel, namelijk de taken die zij nu kunnen uitvoeren binnen het huidige kader en met de bestaande middelen.

Het belangrijkste deel moet nog komen, zoals de heer Thiébaut terecht heeft opgemerkt. Dat zijn de bijkomende middelen die kunnen worden geïnvesteerd in onze politiediensten. Ook de manier waarop de nieuwe structuren op het getouw zullen worden gezet, is cruciaal. Ook op dat vlak stel ik te weinig urgentie vast.

U hebt er zelf naar verwezen, deze week werden 500 agenten ingezet in Brussel voor een actie tegen drugshandel en georganiseerde misdaad aan het Noordstation, aan het Zuidstation en in de Peterboswijk. In wezen was dat echter een symbolische actie. Dat werd ook op die manier uitgelegd door de korpschef, de heer De Landsheer, op de openbare omroep. Misschien volgt u het niet helemaal, maar op onze openbare omroep, de VRT, verklaarde de korpschef dat de actie vooral bedoeld was om een signaal te sturen naar de burgers.

Zo staat het ook in De Standaard . Wat is dan eigenlijk het resultaat? In dezelfde uitzending zei de reporter van de VRT ter plaatse dat de drugsdealers er meteen na de actie opnieuw stonden en dat er op het terrein weinig tot niets was veranderd.

Ten tweede gaat u wat licht voorbij aan het feit dat 40 % van de gevangenen in ons land niet de Belgische nationaliteit hebben. Ik hoor geen cijfers van u, want u verwijst mij naar uw collega, de minister van Asiel en Migratie. Het blijft echter wel een feit dat 40 % van de gevangenen niet de Belgische nationaliteit heeft en dat wij kampen met overbevolking in de gevangenissen, waardoor er voor criminelen geen plaats meer is. Zo blijven onze politieagenten dweilen met de kraan open, hoewel zij hun werk zeer goed doen. U hebt dat namelijk terecht benadrukt: onze politieagenten doen hun werk goed. Als zij echter keer op keer zien dat criminelen vrijuit gaan omdat er geen plaats is in de gevangenissen, dan zitten we met een zeer groot probleem.

Ik heb u ook meerdere keren horen zeggen dat u achter de rechtsstaat staat. Het ondermijnen van de rechtsstaat betekent echter precies dat men criminelen niet de straf geeft die ze verdienen. Ik hoop, mijnheer de minister – en ik besef dat dit niet allemaal binnen uw bevoegdheden valt – dat u ook beseft dat de regering een en ondeelbaar is. Deze regering zou het anders en vooral beter doen dan de vorige regering. Ik zie de resultaten op het terrein echter nauwelijks. Voor ons is het wel duidelijk: we moeten onze politiediensten versterken, criminelen effectief opsluiten en vooral die criminele vreemdelingen ons land uitzetten.

Ook het idee om het leger in te zetten binnen de politiediensten blijft omgeven door een waas van onduidelijkheid. U herhaalt wat u in het verleden al zei, namelijk dat u mikt op gemengde patrouilles en dat het absoluut niet de bedoeling is dat militairen politietaken overnemen. Ik hoor echter een minister van Defensie die andere dingen beweert. Ik hoop dat we daarover vroeg of laat toch duidelijkheid krijgen. Het moet namelijk duidelijk zijn. De burger verwacht geen politieke discussie over militairen tegenover politie en omgekeerd, de burger verwacht dat er actie wordt ondernomen op het terrein. Ik hou niet zo van die semantische discussies over wie wat moet doen. Ik geloof wel dat onze politiediensten voldoende moeten worden versterkt en uitgerust om recht en orde in onze samenleving te herstellen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

U hebt een interessante uitspraak gedaan met betrekking tot mijn eerste vraag over de politiezones. U zei dat u gerust uw voorstel wilt amenderen en dat het meer dan cosmetica zal zijn. Ik denk dat dit een heel duidelijk signaal is dat u bereid bent om tot een onderhandelde oplossing te komen, een oplossing die gedragen kan worden. Dat is ook de manier waarop ik u als minister ken. Ik hoop dat u dat inderdaad zult waarmaken. The proof of the pudding is in the eating , uiteraard, maar au fond ben ik voorstander van de fusie, dus daarin kunnen we elkaar vinden.

Twee aandachtspunten voor ons zijn de nabijheid van de politie enerzijds en het democratisch gehalte anderzijds. U verwijst naar de gemeenteraad, waar alle vragen kunnen worden gesteld. Dat klinkt logisch. Vandaag kan ik als oppositieraadslid in de politieraad rechtstreeks vragen aan de korpschef stellen, maar ik kan me niet voorstellen dat de korpschef aanwezig zal zijn bij alle vergaderingen van de gemeenteraad om dergelijke vragen te beantwoorden. Er blijft dus een zekere gap tussen wat er vandaag mogelijk is in de politieraad en wat binnenkort in de gemeenteraden zal kunnen. Dat is een belangrijk aandachtspunt.

Een tweede aandachtspunt gaat over de gegarandeerde plaats van de Nederlandstaligen in de instellingen die op Brussels niveau zullen worden gecreëerd. Ik ga ervan uit dat de collega’s van N-VA u hierop zullen attenderen. Er moeten garanties zijn. Op dit moment zie of hoor ik die garanties niet.

Op het vlak van het democratisch gehalte ligt er dus nog een uitdaging om daadwerkelijk tot iets te komen wat ook goed functioneert.

Het tweede element van mijn vraag ging over de inzet van militairen op straat. Het wordt voor mij steeds onduidelijker.

Hoe meer vragen we aan ministers stellen, hoe meer verschillende variaties of antwoorden we krijgen. U zei, maar misschien is mijn Frans niet goed genoeg of ligt het aan de vertaling, dat het alleen over Brussel gaat, om het dan vervolgens over andere steden te hebben. Is het de bedoeling dat de militairen uitsluitend in Brussel worden ingezet of ook elders? Ik weet het nog niet. Dat is belangrijk om uit te klaren.

U zei dat het niet de bedoeling is dat de militairen louter statische opdrachten uitvoeren, maar ik hoor niet of ze in gemengde teams zullen werken en met welk mandaat. Ik vind dat u geen duidelijk antwoord geeft en dat de elementen van antwoord die u geeft bovendien niet altijd in lijn liggen met wat uw collega-ministers zeggen. Daardoor blijft er een zekere onduidelijkheid bestaan.

Tot slot verwijst u zelf ook naar het groeiend aantal mensen zonder papieren dat in Brussel ronddoolt. Dat is een gevolg van het beleid van uw collega, de minister van miserie, mevrouw Van Bossuyt. Het is een bewuste keuze van deze regering om steeds meer mensen de straat op te duwen.

Daar wordt altijd aan gekoppeld dat men de mensen zonder recht op verblijf gaat terugsturen. U weet echter net zo goed als ik dat dit gewoon niet gebeurt. Er vertrekken nauwelijks mensen uit onze gevangenissen terug naar het buitenland. Er vertrekken nauwelijks mensen die uitgeprocedeerd zijn in de asiel- en migratieprocedure. Er gaan nauwelijks mensen terug. Al die mensen krijgen dan misschien geen opvang meer.

Inderdaad, mevrouw Van Bossuyt kan dan haar statistieken opkuisen, maar die opgekuiste statistieken leiden ertoe dat steeds meer mensen doelloos, zonder middelen en zonder ondersteuning rondlopen in Brussel – vooral in Brussel, maar ook in andere steden. Zij vormen daar een reservoir voor criminele bendes en zijn heel gemakkelijk te rekruteren.

Ik denk dat u uw minister van Asiel en Migratie echt diep in de ogen moet kijken. U bent daar namelijk een joekel van een probleem aan het creëren, eerder dan het op te lossen.

Xavier Dubois:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Je tiens à saluer les éléments que vous avez mis en avant, comme les renforts que vous avez obtenus rapidement, les 31 agents de la police judiciaire, plus les 40 qui arriveront en novembre. Cela fait 70 agents en plus, ce qui est déjà une belle avancée, même si ce n'est pas suffisant. Il y a aussi la task force , dont vous avez précisé qu'elle était en place et qu'elle allait produire des résultats, ce que nous espérons aussi. Et puis le plan stratégique de la police fédérale, dont nous avons eu l'occasion de discuter hier. Je pense que c'est une première qu'il faut saluer.

Vous avez d'abord affirmé que l'armée n'était pas la solution, ni la fusion des communes.

Bernard Quintin:

Vous avez dit la fusion des communes.

Xavier Dubois:

Ah oui, la fusion des communes, c'est une autre phase, qui viendra plus tard.

Vous avez dit que la fusion des zones de police n'était pas la solution, et je partage bien entendu cet avis. Vous vous posez la question de quelle est la solution. C'est en fait de mettre en œuvre les mesures de l'accord de l'Arizona. Il y en a 20. J'insiste bien pour que toutes ces mesures soient mises en œuvre.

Je rappelle que ces mesures ont été décidées par les négociateurs, parmi lesquels figurait le bourgmestre d'Anvers, qui a une bonne compréhension de la réalité et de la question du trafic de drogue. Dans ce cadre-là, il y a de nouveaux plans. Il y avait aussi le Stroomplan, dont on ne parle plus, de la Vivaldi. Qu'en est-il? Est-ce qu'il existe encore? Est-ce qu'il produit encore ses effets? Quel lien peut-on faire entre cet ancien plan et d'autres actions que vous mettez en œuvre? J'ai cru comprendre dans votre réponse que le plan "Grandes villes" répondait partiellement ou était le successeur partiel du Plan Canal. Il faut aussi le prendre en considération.

Concernant le financement des zones de police, vous avez évoqué les incitants à la fusion. Mais, au-delà des incitants à la fusion, il y a le financement général, qui doit être juste et équitable. Et donc, à côté de cela, il y a la réforme de la norme KUL, dont vous avez dit que cela avançait, qu'il y avait effectivement beaucoup de travail qui avait été réalisé et qu'un marché avait été attribué à l'ULB, si j'ai bien compris. Cela veut dire que les modalités et les paramètres ont été définis.

J'espère que nous pourrons avoir très vite des informations sur ces paramètres, puisque l'université va les tester pour savoir quel en sera l'impact sur les zones et sur les types de zones. Cet après-midi, si j'ai bien compris, il y aura une présentation de cette réforme à la Conférence des bourgmestres. Je suppose qu'on aura la réponse très rapidement.

Sur le Fonds drogue, les services avancent, et la commissaire nationale aux drogues également, c'est une bonne chose. Cependant, cela fait des mois qu'on en parle et on n'a toujours pas d'idée concrète des moyens que ce fonds pourrait véritablement mobiliser. Il est vraiment nécessaire que l'on puisse avoir ces informations. Les travaux budgétaires étant en cours, il est absolument nécessaire de définir quelles seront les recettes et les sources de ce fonds et quels vont en être les moyens. Où devra-t-on mettre les effectifs pour assurer le financement le plus important possible de ce fonds, pour qu'on puisse lutter de manière très efficace contre cette problématique?

Vous m'avez répondu sur la question des agents de liaison. Il s'agit effectivement d'un outil à développer davantage et nous reviendrons, comme vous l'avez proposé, avec le détail écrit par rapport à nos questions.

Pour conclure, je n'ai pas eu beaucoup de réponses sur les actions que vous entreprenez en faveur des zones rurales. Je répète qu'il est indispensable de ne pas négliger les zones rurales parce qu'au-delà de ce que ces communes vivent au quotidien, ces zones sont choisies par certains trafiquants pour se réfugier afin de disparaître des radars. Dès lors, je pense qu'il est important que les zones de police rurales disposent des moyens pour pouvoir recenser ces risques et poursuivre ces narcotrafiquants avec davantage de moyens. Merci d'avance pour vos réponses complémentaires, monsieur le ministre.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Malgré votre bonne volonté, dont je ne doute pas, les solutions que propose aujourd'hui le gouvernement sont des réponses au mieux naïves, au pire autoritaires, et qui ressemblent davantage à une fausse réponse rassurante qu'à une vraie politique de sécurité, puisque l'armée n'est ni formée, ni payée, ni même demandée par les grandes villes pour remplir les missions qu'on veut lui faire remplir. Et au lieu de s'attaquer à la source du narcotrafic et aux raisons pour lesquelles des milliers de personnes se retrouvent en situation de consommation régulière, on préfère déployer des militaires dans les quartiers les plus précarisés, même si, soyons de bons comptes, vous dites que ce n'est pas la solution, et je pense aussi que cela ne fait pas partie de la solution tout court.

Du reste, je ne suis pas sûre que les Bruxelloises et les Bruxellois se sentent davantage en sécurité au milieu de militaires avec des armes lourdes et des uniformes de camouflage. Je ne suis pas sûre que poster des militaires en rue soit le meilleur moyen de rassurer la population. Les trafiquants, quant à eux, ils iront tout simplement ailleurs, nous connaissons leurs méthodes. D'ailleurs, ils n'hésitent pas à menacer nos institutions. Pendant ce temps, ce sont la Justice, les services sociaux et la Santé qui sont privés de moyens dont ils ont cruellement besoin pour démanteler ces réseaux.

Sur la fusion des zones de police, monsieur le ministre, les principales questions qui se posent portent sur l'efficacité. En effet, en tant qu'écologistes, nous sommes ouverts à tout ce qui pourrait être encore plus efficace, encore plus proche du citoyen, encore plus lisible, mais la méthode compte aussi. On ne peut pas imposer une réforme sans concertation, sans études solides qui prouvent sa nécessité et sans des garanties claires de refinancement. Les bourgmestres l'ont dit et ce sont aussi des spécialistes et il faut pouvoir les écouter.

Ce qu'il faut, c'est aussi davantage de moyens structurels, une police de proximité et une police judiciaire qui travaille sur le long terme et pas un bricolage précipité qui affaiblit le contrôle démocratique et qui éloignerait encore plus la police des citoyens et des citoyennes. Comme l'ont dit les collègues, n'hésitez pas à prendre le temps de bien construire cette réforme essentielle.

La réalité aujourd'hui, monsieur le ministre, est que le gouvernement dont vous faites partie fragilise les vrais piliers de la sécurité que sont la Justice, la police de proximité, la prévention et la cohésion sociale. On ne protège pas une société en détruisant ce qui la tient debout. Nous attendons donc la suite avec impatience.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, het risico bij een hutsepot van samengevoegde vragen is dat er op een aantal vragen geen antwoord komt. Mijn vragen over de problematiek in Oostende en aan de kust werden in één zin beantwoord. Ik zal deze nog eens schriftelijk indienen om een antwoord te krijgen. Deze problematiek leeft immers sterk in West-Vlaanderen. Deze specifieke problematiek duikt immers elke zomer weer op en is veel breder is dan louter de druggerelateerde criminaliteit. Het gaat ook over de manier waarop de politionele capaciteit wordt ingezet.

In het regeerakkoord werd met betrekking tot de aanpak van georganiseerde criminaliteit duidelijk de urgentie ingeschreven om grote hervormingen door te voeren, zowel bij Binnenlandse Zaken als bij Justitie. U bent zich er duidelijk van bewust dat er zeer veel werk op de plank ligt. U hebt met de mensen op het terrein gesproken, in de eerste plaats in Brussel. U zou ook nog ter plaatse gaan in West-Vlaanderen, hoor ik.

U hebt onmiddellijk werk gemaakt van de fusie van de politiezones door een plan op tafel te leggen en met alle burgemeesters te gaan spreken. U moet deze zeer moeilijke opdracht tot een goed einde brengen door op een bepaald moment knopen door te hakken en door te duwen. Dat geldt eveneens voor de beoogde hervorming van de federale politie. Gisteren kwam de commissaris-generaal met zijn strategisch plan. Aan het einde van deze week zal hij u ook zijn plan rond de hervormingen bezorgen. Het is belangrijk dat er politieke keuzes worden gemaakt, omdat de urgentie voor de hervorming van de federale politie ook zeer groot is.

De discussie over militairen op straat zou een semantische discussie zijn. Collega’s, dat is natuurlijk veel meer dan een semantische discussie. Men zet immers niet zomaar militairen op straat. Dat moet zeer weloverwogen gebeuren, binnen een tijdelijk kader en met een duidelijke analyse. Ik ben blij dat u dat ook zegt, minister, dat er een duidelijke analyse moet aan voorafgaan om te bepalen wie we waar en hoe zullen inzetten. Dat is volgens mij ook de correcte manier. De minister van Defensie geeft ook aan samen en weldoordacht een plan uit te werken, waaraan mogelijk een aantal discussies voorafgaan. Dat is normaal en we moeten daar gewoon uit raken. We vormen dan ook één front in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit.

Tot slot wil ik nog kort iets zeggen over het Grootstedenplan, dat het Kanaalplan vervangt. Ik ben ervan overtuigd dat elke grote stad een plan moet hebben voor de aanpak van drugscriminaliteit. Elke grote stad wordt immers op de een of andere manier geconfronteerd met drugscriminaliteit en georganiseerde criminaliteit. Elke stad moet dus zo’n plan hebben.

Toch wil ik een kleine waarschuwing meegeven: het is belangrijk voldoende te focussen op de plaatsen waar de problemen het grootst zijn. Dat was precies de sterkte van het Kanaalplan: de focus leggen op de gebieden waar de problemen het meest prangend waren en die zeer gericht aanpakken.

Dat was ook de vraag in het regeerakkoord: het Kanaalplan verder uitwerken. Ik zal mijn collega Jeroen Bergers specifiek laten spreken over de Vlaamse Rand, want hij kent de situatie daar veel beter dan ik. Onze vraag blijft echter dezelfde: verlies die focus niet op de plaatsen waar de problemen het grootst en het meest prangend zijn. Leg ons een plan voor waarin duidelijk wordt aangegeven op welke manier u het Kanaalplan zult vervangen. Bedankt, mijnheer de minister.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, ik ben vannacht uit Moldavië van de verkiezingswaarnemingen teruggekeerd. De Veiligheid van de Staat had mij verwittigd om op mijn gsm en andere zaken te letten. Ik heb daar waarnemingen en vergaderingen gedaan. Soms voelde ik mij daar veiliger dan wanneer ik in Brussel van het station naar hier kwam. Ik denk dat u echt onze steun krijgt als u zegt dat u doorgaat met één politiezone. Ik geef u ook gelijk als u zegt dat u niet dé oplossing in uw mouw hebt zitten. Het zal een en-en-en-enverhaal worden.

Ik wil ook waarschuwen voor symbolische acties. Ik heb dit zelfs tegen partijgenoten gezegd. Door 500 agenten naar Peterbos te sturen of agenten tijdelijk te verplaatsen, scoort u in de media. Dat geeft waarschijnlijk ook een goed gevoel voor de bewoners. Ik denk echter dat we vooral nood hebben aan structurele oplossingen en dat we daarop nog krachtiger moeten inzetten.

Voor het Kanaalplan en het Grootstedenplan krijgt u mijn steun, maar ik heb wel vragen over de steden. Ik begrijp dat er bepaalde namen worden genoemd, omdat er recente schietincidenten waren. Daarvoor hebt u mijn steun. Ik vraag mij echter af waar Roeselare hierin staat. U zult dat toch eens moeten bekijken. Ik geloof niet dat u dat communautair hebt bekeken, maar ik geloof wel dat er aanpassingen mogelijk zijn.

Velen hier, ook u, ook mevrouw De Vreese, hebben het over Justitie. Ik geloof dat de vraag van onze minister van Justitie om extra budget door u moet worden ondersteund. Als u samen met de minister van Justitie een goede tandem kunt vormen om extra middelen in te zetten, zullen we volgens mij vooruitgang boeken.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, onze binnenlandse veiligheidsarchitectuur moet hervormd worden, daarover zijn we het roerend eens. Brussel wordt daarbij een van de grootste werven, dat is ook wel duidelijk geworden. Laten we echter niet vergeten dat ook op andere plaatsen in ons land en in Vlaanderen heel grote veiligheidsuitdagingen op tafel liggen. Het zijn uitdagingen waarvoor vaak uitsluitend naar de lokale besturen en de lokale politiezones wordt gekeken. Zonder een transparant en vooral toereikend financieringsmodel zullen vele goede plannen dode letter blijven.

Ik zal uw beleidsinitiatieven dan ook met grote belangstelling opvolgen, constructief waar mogelijk, maar kritisch wanneer nodig. Veiligheid is de eerste zorg van een sterke overheid en blijft daarom voor mijn partij, voor Vooruit, een topprioriteit.

Voorzitter:

Mijnheer Meuleman, u toont hoe men in weinig woorden toch een duidelijke boodschap kan brengen.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, helaas heb ik op een van mijn twee vragen geen antwoord gekregen. Ik vond zelf ook dat mijn vraag niet volledig in dit debat thuishoorde, dus ik neem het niet persoonlijk. Ik zal bekijken op welke manier ik die vraag opnieuw kan indienen. Eventueel kan ze gekoppeld worden aan een vraag van collega Chahid, die nog op de agenda staat. Ik vermoed dat we die vandaag toch niet zullen verwerken.

Over het Kanaalplan of het Grootstedenplan is al uitvoerig gesproken. Ik treed – niet geheel toevallig – mijn collega De Vreese bij. Het is belangrijk dat we vertrekken vanuit de essentie van het regeerakkoord, dat heel duidelijk stelt dat het Kanaalplan – als u er een andere naam aan wilt geven, is dat geen probleem – versterkt zal worden in Brussel en de Vlaamse Rand, waar het al in werking was, aangezien we merken dat de criminaliteit daar één geheel vormt. Voorbije zomer werd in Vilvoorde een Brusselse drugsbaas opgepakt, met rellen aan het station tot gevolg. Verschillende politieagenten werden daarbij werkonbekwaam geslagen. Het is dus echt belangrijk dat de problemen van Brussel en het wanbeleid dat daar is gevoerd, zich niet zomaar kunnen verplaatsen naar de Vlaamse Rand. In die strijd zullen wij u steunen, want het is belangrijk dat er aandacht blijft voor de gehele problematiek, zoals opgenomen in het regeerakkoord.

Ik heb u enkele steden horen noemen en vraag me af welke criteria zijn gehanteerd om die steden te selecteren. Het is echter belangrijk te beginnen met de essentie van het regeerakkoord.

Als u een andere naam voor het Kanaalplan wilt, kan ik een naam suggereren die mij geruststelt dat er genoeg aandacht zal zijn voor de Vlaamse Rand. Het is een beetje humoristisch, maar Randgevallenplan is misschien een optie, zodat er zeker aandacht is voor die regio.

Catherine Delcourt:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses et surtout pour vos actions et votre présence sur le terrain lors de l'opération coup de poing, où vous étiez aux côtés des 500 policiers. Cela démontre la volonté de l'État de reprendre pied dans nos quartiers et de rendre la rue aux citoyens. C'est une démonstration de fermeté et un signal fort pour les habitants qui voient que vous ne les abandonnez pas.

Une police de proximité, présente et visible, c'est évidemment ce qu'il nous faut. Pour cela, il faut dégager de la capacité et vous vous y employez de différentes manières: fusion des zones de police, mobilisation des militaires. Environ 70 % de la population est favorable à la présence des militaires en rue et estime que cela renforcera leur sentiment de sécurité.

Il faut donner aux policiers les moyens d'agir. Vous renforcez leurs effectifs, en soutenant leur travail de terrain, et c'est comme cela qu'on pourra restaurer durablement la confiance et la sécurité dans nos villes. Mais la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue ne s'arrête pas là, elle doit être globale, transversale. Il faut que la justice soit impliquée, les finances, la santé publique, la politique sociale.

La rencontre et les échanges entre le procureur du Roi de Bruxelles et le procureur de la République de Marseille constituent un bon signal. Cela montre que la justice est un maillon essentiel de la chaîne. Nous devons nous inspirer du modèle français pour certains aspects de lutte contre le trafic de drogue et le crime organisé. Vous pourrez, monsieur le ministre, donner tous les moyens nécessaires à la police locale et à la police fédérale, si la justice ne fait pas son travail derrière, on se sentira toujours en insécurité en faisant le trajet entre la gare et le Parlement.

Je continuerai à suivre avec attention ce plan "Grandes Villes" et son implémentation, pour que vous veilliez à ce que ce soit un outil fort au service de la sécurité de tous.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, vous souhaitez intervenir? Vous donnerez ainsi l'occasion aux parlementaires de répliquer une nouvelle fois, puisque le dernier mot revient au Parlement.

Bernard Quintin:

J'ai dit plusieurs fois que j'étais très respectueux de l' É tat de droit. Et je ne suis pas complètement fou!

Je tenais à revenir sur quelque chose d'important. En effet, il y a beaucoup d'éléments.

Ik heb het in mijn antwoord niet in detail gehad over Oostende en de kustregio, maar mijn invalshoek is het Grootstedenplan.

Ce plan "Grandes Villes" répond à une nécessité. Je peux me limiter à la lettre de l'accord de gouvernement et simplement travailler à un nouveau Plan Canal, m'arrêter, c'est très bien, j'ai une médaille, j'ai fait ce que je devais faire.

La situation à Anvers est compliquée, il y a le Stroomplan qui n'est pas dirigé de la même manière, ça aussi c'est un élément à prendre en compte. Il faut se mettre à la place du ministre de l'Intérieur! Si chaque ville commence à faire son plan avec ses propres critères et sa gestion, ça complique singulièrement le tableau. Chaque ville adressant, bien sûr, ses demandes au ministre: "J'ai besoin de la FERES, j'ai besoin du CIK, j'ai besoin..." Donc je pense qu'un peu d'ordre et de systématisme est une bonne chose.

J'ai oublié de répondre en effet sur la proximité. C'est précisément pour cela qu'on a besoin d'acquérir une vision fine de la criminalité. Ce n'est pas juste pour le plaisir de dire que chaque ville doit avoir son plan, il y a une image de la criminalité. C'est pas un plan Bruxelles, c'est un plan Bruxelles en omstreken . Ce n'est pas un plan Liège. Parler de Liège sans parler de Bierset, ça n'a aucun sens, de la même manière que ça n'a aucun sens de parler de Charleroi sans parler de l'aéroport de Charleroi. Et par maillage, cela permet également de travailler sur les villes moyennes et sur les campagnes, qui ont leurs propres spécificités. Mais je ne vais pas envoyer l'armée à Silly, pour prendre un joli village du Hainaut que je connais peut-être un peu plus que d'autres.

Je voudrais revenir sur deux points, surtout à part sur le plan grande ville. Monsieur Chahid vous l'avez dit, et franchement ça m'attriste un peu, parce que je l'ai répété, faire appel à l'armée de manière ponctuelle, limitée, dans le scope et dans le temps, je pense que c'est une nécessité. Ce n'est en aucun cas un désaveu du travail de la police. Je ne peux pas laisser dire sans réagir qu'en faisant ça, je désavoue le travail de la police. Je suis tous les jours avec la police. C'est comme si vous me disiez qu'en envoyant les renforts de la police fédérale, je désavoue la police locale. Non, on a besoin de toutes les forces vives de la nation pour tenter de résoudre ça. Est-ce que c'est une bonne idée? Je le pense. Vous pouvez évidemment penser le contraire. C'est votre droit le plus strict.

Deuxièmement, madame Maouane, vous avez dit que les villes ne le demandent pas. Moi, j'ai quand même entendu les bourgmestres de Charleroi et Liège – dont on ne peut pas soupçonner qu'ils soient sur la même longueur d'onde politique que votre serviteur – dire que pourquoi pas, que c'est peut-être une bonne idée, que ça peut servir.

We moeten alles in het werk stellen om de situatie te verbeteren.

Je pense avoir démontré que je travaille sur tous les chantiers en même temps, mais la journée n'a que vingt-quatre heures. Et je ne parle pas seulement de la journée du ministre, mais aussi de celle des administrations qui doivent traduire en textes de loi toutes nos idées politiques. Tout cela prend du temps.

Enfin, sans pouvoir répondre à toutes vos questions, je voudrais revenir sur les Full Integrated Police Actions (FIPA) comme celle que nous avons menée lundi. Il n'agit pas d'une opération de pure optique, visant à satisfaire l'égo qui serait éventuellement blessé, malade ou démesuré de Bernard Quintin, ministre de l'Intérieur. Je vous assure que j'ai passé l'âge! Je n'en ai pas besoin. Il est intéressant de le faire pour les actions en elles-mêmes. Je puis vous dire que nous avons assisté à plusieurs opérations policières qui ne se sont pas déroulées devant les caméras et qui étaient d'une grande fermeté et nécessité pour lutter contre différents trafics et autres faits criminels.

En tout cas, j'assume totalement le message politique. Enfin, nous sommes ici à la Chambre, où nous faisons de la politique! J'assume le message politique auprès de la population, qui le demande. Je suis allé place Bonnevie, place Clemenceau et place Bethléem – c'est certainement un peu plus que ce que font certains, qui auraient dû y aller aussi. Et je ne vise personne ici en particulier. C'est ce que demande la population. Nous étions du côté de la Porte de Hal. Une dame m'a fait signe de son balcon et m'a dit: "Je ne peux pas parler maintenant." Les réseaux sociaux fonctionnent, puisqu'elle a trouvé le numéro de téléphone d'un de mes collaborateurs pour nous remercier de l'action menée. Elle nous a dit: "C'est très bien. Nous en avons besoin. Depuis les dernières années, nous devons bien constater que la situation s'est dégradée." Pour être de bon compte, car je suis honnête, nous n'avons pas reçu que ce message. D'autres personnes étaient mécontentes de notre présence. Je ne parle pas de trafiquants, mais de gens qui nous ont dit: "Très bien, vous êtes là en nombre, mais quel message voulez-vous envoyer?" Donc, je fais vraiment la part des choses. En tout cas, je maintiendrai ces opérations.

J'ai parlé des FIPA. D'autres opérations doivent être menées quotidiennement telles que la Very Irritating Police. Je constate que les trois bourgmestres de la zone Midi ont supprimé les Brigades Koban, Uneus et autres qui s'en chargeaient. Désolé, ce n'est pas ma décision. Elle a été prise par les autorités locales. Pour moi, c'était une mauvaise décision. En tout cas, elle n'a pas contribué à améliorer la situation, puisque celle-ci s'est dégradée ces dernières années. Ce n'est pas moi qui le dis. Ce sont l'image et les chiffres de la criminalité.

Donc, je veux bien, rien n'est jamais bon, rien n'est jamais suffisant. Mais enfin, en attendant, moi je mets des choses sur la table et surtout je mets des choses sur le terrain plutôt que de les retirer et je pense que c'est ça qui est important à faire et je pense que c'est ça que nos concitoyens nous demandent.

Mais je vais continuer à travailler, je vais continuer à parler avec tout le monde. J'ai bien entendu un certain nombre de reproches; j'aurais dû appeler l'un ou l'autre bourgmestre. Je rappelle que les zones de police locales sont encore toujours sous l'autorité d'un président de la zone qui n'est pas le ministre de l'Intérieur, mais un bourgmestre qui peut prendre son téléphone pour prévenir ses collègues.

Donc, je pense être en général assez calme et serein et prendre les critiques, mais à un moment, il faut quand même que chacun prenne ses responsabilités aussi. Moi, je prends les miennes, j'écoute, je concerte, j'essaie de voir.

Ik ga akkoord met de heer Demon wanneer hij zegt dat we moeten samenwerken. De ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Asiel en Migratie en Volksgezondheid, de ministers van de gemeenschappen en de gewesten, de burgemeesters en de gemeentelijke overheden zijn allemaal partners wat betreft de veiligheid van onze medeburgers.

Onze medeburgers, ils s'en fichent de savoir qui est responsable à quel niveau. Ce qu'ils veulent, à l'instar des parlementaires qui veulent pouvoir venir de la gare centrale au parlement en toute tranquillité, c'est sortir de chez eux, prendre le métro à Clémenceau et ne pas devoir envoyer leurs enfants avec des taxis dans leurs écoles. Je trouve ça absolument terrible et j'y travaille.

Je ne vais pas revenir sur les conseils de police. J'aurai l'occasion d'y revenir.

Over de politieraad zullen we het hebben als we de wijziging van de LPI bespreken.

Voorzitter:

Het Parlement heeft het laatste woord.

Ridouane Chahid:

Monsieur le président, ce sera très court. J’aimerais rappeler tout d'abord que si les bourgmestres de Mons, Charleroi et Liège se sont exprimés par rapport aux militaires, ils l'ont fait de manière très claire en disant que si c'était pour garder des bâtiments publics importants, pourquoi pas? Pour le reste, pas.

Mais il y a un élément très important dans la réponse du ministre, quand il dit qu’il veut apporter une réponse concernant les militaires dans la rue, de quand parle-t-il: demain, après-demain, dans un mois? Mais le ministre de la Défense dit lui-même que ce ne sera pas avant avril 2026. Ce n'est pas moi qui le dis.

Pire, il dit que ce sera probablement les jeunes à qui on envoie des lettres aujourd'hui qu'on va mettre en uniforme et qu'on va envoyer dans la rue. Donc, il ne s’agira même pas de personnes formées. Ce sont des propos tenus par le ministre Francken. Il suffit d'aller lire le compte rendu de la commission. C'est écrit noir sur blanc.

Pour le reste, par rapport aux brigades de proximité, je vous invite, monsieur le ministre, vous et vos collaborateurs, à aller relire le compte rendu qui a été fait ici en commission puisque les trois bourgmestres sont venus. Ils ont exposé qu'il n'y avait pas de suppression, mais de réorganisation de la brigade de proximité. Cela vous apprendra peut-être quelque chose. Et enfin oui, monsieur le ministre, en appelant à la présence des militaires dans la rue, vous donnez un mauvais signal aux corps de police. Vous leur dites, en réalité, qu'ils ne sont pas en mesure de répondre à vos ambitions, aux craintes et aux sentiments qu'a la population en matière de sécurité. Le problème est là. On ne donne pas un signal à celles et à ceux qui veulent s'engager dans la police demain.

Vous avez vous-même dit ici avant les vacances que l’un de vos problèmes était de réfléchir à l'attractivité de la fonction de la police. Est-ce que vous croyez qu'en envoyant les militaires dans la rue, vous allez aboutir à cette attractivité de la fonction de la police? Je ne crois pas.

(…) : (…)

Voorzitter:

Mijnheer Bergers, ik ga het debat hier afsluiten. Het is de bedoeling dat we hier in debat gaan met de minister en niet dat we elkaar onderling verwijten naar het hoofd slingeren. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.16 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 16.

De staat van de gebouwen van de federale politie van Luik

Gesteld door

PS Frédéric Daerden

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De verouderde en onveilige politieinfrastructuur in Luik (o.a. asbest, ingestorte opleidingsfaciliteiten) blijft een acuut probleem, ondanks het masterplan Vottem dat sinds 2018 vastloopt en nu pas voor 2036 afgerond wordt. Minister Matz bevestigt dat fase I (26,4 mln euro) klaar is, maar fase II (met uitgestelde deadlines: 2029-2036) wacht nog op financiële goedkeuring, terwijl noodoplossingen (tijdelijke verhuizingen, renovaties zoals blok M) beperkt verlichting bieden. Daerden kritiseert het gebrek aan urgente budgettaire middelen en politiek draagvlak, waardoor agenten blijven werken in "onwaardige" omstandigheden, ondanks liberale retoriek over "meer veiligheid". De coördinatie tussen Binnenlandse Zaken en Matz blijft vaag, met concrete verbeteringen pas op lange termijn.

Frédéric Daerden:

Madame la ministre, en juillet dernier, j'interpellais votre collègue, le ministre de l'Intérieur, concernant la situation déplorable des bâtiments de la police fédérale en province de Liège.

Le constat est malheureusement connu et vous l'avez d'ailleurs vu de vos propres yeux: des bâtiments vieillissants, parfois modulaires, contenant de l'amiante et menacés de ruine, des infrastructures de formation hors service, à commencer par les stands de tir. Un masterplan censé répondre à ces défis est bloqué depuis 2018 et ses délais sont désormais reportés à l'horizon 2035.

Votre collègue a reconnu l'importance absolue de maintenir un développement soutenu de la phase II du masterplan de Vottem. Mais il a aussi renvoyé très explicitement à votre rôle pour stabiliser le calendrier d'exécution et donner enfin des perspectives claires aux policiers concernés. C'est la raison pour laquelle je viens taper sur le clou aujourd'hui.

Madame la ministre, nous entrons dans une phase budgétaire cruciale où vous allez devoir faire preuve d'une grande créativité dans un contexte d'austérité renforcée d'ores et déjà annoncé par votre majorité. Dès lors, je vous pose trois questions simples. Quels moyens précis comptez-vous inscrire au budget 2026 pour garantir la mise en œuvre rapide de la phase II du masterplan de Vottem? Quelles mesures urgentes seront-elles engagées dès cette année pour assurer aux policiers fédéraux liégeois des conditions de travail, de formation et de sécurité dignes? Comment comptez-vous coordonner concrètement votre action avec celle du ministre de l'Intérieur afin que les engagements politiques soient enfin suivis d'effets tangibles sur le terrain?

Vanessa Matz:

Monsieur Daerden, comme vous le savez, c'est un dossier sur lequel je suis régulièrement revenue lorsque j'étais parlementaire. C'est évidemment une priorité parce qu'il est vrai que, sous la législature dernière, ce dossier n'a pas forcément toujours avancé de la manière dont il aurait dû avancer. Alors, j'y ai consacré de nombreuses interventions et, en tant que ministre, j'ai récemment effectué une visite sur place afin de constater directement la situation.

Le masterplan de Vottem est structuré en deux phases.

La première, qui est désormais achevée, a permis la construction de deux bâtiments: l'un destiné au laboratoire de la police judiciaire fédérale, l'autre abritant le centre 112 ainsi que le service d'information et de communication de l'arrondissement (SICAD). Ce dernier regroupe les services d'urgence de la police fédérale et du SPF Intérieur. Le montant total investi pour cette première phase s'élève à 26,4 millions d'euros, TVA comprise.

La seconde phase est plus ambitieuse et devra s'accomplir tout en maintenant les activités sur le site. Le guide d'attribution est prêt et attend l'approbation de l'Inspection des finances. Une fois cette approbation obtenue, la publication pourra avoir lieu encore cette année. Selon le calendrier prévisionnel, les travaux se dérouleront en trois étapes: la première entre 2029 et 2030, la deuxième entre 2030 et 2033 et la dernière entre 2033 et 2036. La Régie des Bâtiments a déjà publié le guide de sélection en juin 2023. La publication du guide d'attribution était prévue pour septembre 2025. Les travaux spécifiques liés à la police judiciaire fédérale sont programmés entre 2031 et 2033.

Sur le site de Vottem, la Régie poursuit ses investissements, principalement dans des travaux portant sur la sécurité des infrastructures. Depuis 2020, environ 1,4 million d'euros ont été investis à ce titre. Le site de Saint-Léonard joue, quant à lui, un rôle transitoire en attendant le transfert complet vers Vottem. La Régie y assure l'entretien fonctionnel des bâtiments afin de garantir la continuité des missions de la police fédérale et leur conformité. Depuis 2020, cela représente un investissement de 2,4 millions, avec encore 3,6 millions de travaux planifiés. Je suis pleinement consciente des difficultés spécifiques présentes sur le site de Saint-Léonard. À ma demande, plusieurs solutions ont été examinées. Malheureusement, aucune d'entre elles ne s'est révélée adaptée pour répondre efficacement aux besoins opérationnels. C'est pourquoi nous sommes convenus de poursuivre les investissements prévus sur ce site afin de garantir des conditions de travail correctes en attendant le transfert complet vers Vottem.

La remise en conformité du bloc M a récemment été validée par les services régionaux d'incendie de Liège. Sa réouverture permettra de récupérer deux étages de postes de travail. Une étude est également en cours pour restaurer un étage du bloc E, ce qui ajoutera une quarantaine de postes supplémentaires.

Par ailleurs, un contrat de location a été conclu en 2024 pour accueillir les services de formation, avec une entrée en service prévue au premier semestre 2026.

D'ici la fin de l'année, les services de la Direction de la sécurisation (DAB) intégreront leur nouveaux bureaux rue Saint-Gilles, dans un bâtiment remis aux normes. Ces deux relocalisations permettront de libérer de l'espace pour d'autres services actuellement à l'étroit.

Je suivrai ce dossier de près, en coordination étroite avec la police fédérale et mon collègue le ministre de l'Intérieur, afin que les engagements pris se traduisent par des avancées concrètes et visibles pour le personnel sur le terrain.

Frédéric Daerden:

Je vous remercie, madame la ministre, pour votre réponse. Je connais votre attachement profond à Liège. Vous l'avez montré, notamment lorsque vous étiez parlementaire. Maintenant que vous êtes en responsabilité de ministre, nous avons le sentiment – mon expression sera peut-être un peu être forte – qu'on vous a confié le volant sans vous donner les clés. Votre partenaire libéral martèle qu'il faut plus de sécurité et qu'il faut soutenir les forces de l'ordre, mais on ne vous donne pas les moyens d'y parvenir ou d'y parvenir vite. Or, les policiers liégeois travaillent toujours dans des bâtiments vétustes, insalubres, privés d'infrastructures indispensables à leur mission. À vous entendre, et malgré votre bonne volonté, j'ai le sentiment qu'on ne va pas bouger très vite et que les policiers liégeois payent le prix de cet immobilisme.

De aanpak van de schietpartijen en de geldstromen in het kader van de war on drugs
Het drugsgeweld in Brussel
Het drugsgeweld, de straffeloosheid en de draaideurcriminaliteit in Brussel
De inzet van gemengde patrouilles van militairen en politieagenten in Brussel
Het ‘Plan Grote Steden’
Maatschappelijke en veiligheidsmaatregelen tegen drugsgerelateerd geweld, straffeloosheid en criminaliteit in Brussel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De recordaantal schietincidenten en druggerelateerd geweld in Brussel en Antwerpen domineert de discussie, met kritiek op het falend federale beleid dat te eenzijdig inzet op zichtbare repressie (meer politie/militairen) zonder de financiële en logistieke kern van de drugscriminaliteit aan te pakken. Minister Quintin verdedigt zijn Plan Grote Steden (extra onderzoekers, camera’s, ANPR-koppeling, BELFI-acties) en belooft snelle inzet van militairen in hotspots, maar oppositie en magistratuur wijzen op gebrek aan concrete resultaten, coördinatiechaos (ontbrekende taskforce, trage justitiehervormingen) en structurele tekorten (vacatures, gebrek aan gespecialiseerde eenheden). De roep om een integrale aanpak—van witwassen en drugsgeld tot gevangenisnetwerken—blijft onbeantwoord, terwijl de symbolische inzet van militairen als zwaktebod wordt afgedaan.

François De Smet:

Monsieur le ministre, cet été fut sans doute le pire été de fusillades de notre histoire récente; avec des victimes, des quartiers dans la peur, des balles perdues qui, un jour ou l'autre, vont aussi toucher des innocents.

À tel point que Julien Moinil, notre procureur du Roi de Bruxelles, a convoqué en urgence une conférence de presse pour réveiller et fustiger le monde politique, tous niveaux confondus – soyons honnêtes – mais en pointant d'abord du doigt le fédéral, et en soulignant à quel point le fédéral ne lui donne pas assez de moyens pour agir.

Le message de ce gouvernement en la matière est connu. Il est exclusivement et surtout sécuritaire, karcher, binaire, un peu MR. Il consiste surtout à essayer de mettre du bleu ou du kaki dans les rues.

Faisons pourtant le constat ensemble, un constat que j'invite à faire: oui, on arrête de plus en plus de personnes. On a arrêté plus de 7 000 personnes dans les rues récemment. Pourtant, les fusillades continuent. Pourquoi? Parce que les petits dealers que nous arrêtons sont de la chair à canon. Parfois nous n'avons pas la place pour les contenir et nous devons les relâcher; parfois nous les gardons. Dans tous les cas, ils sont remplacés extrêmement rapidement, parce que la machine qui se trouve derrière eux a une puissance financière et corruptive extraordinaire et les remplace du jour au lendemain.

Tant que vous ne frapperez pas les têtes, tant qu'on ne frappera pas les portefeuilles, nous allons remplir simplement le tonneau des Danaïdes. Je n'ai aucun plaisir à le dire. Vous avez de l'ambition pour nettoyer les rues, mais je ne vois pas l'ambition dans votre gouvernement pour s'attaquer réellement à la criminalité financière et au blanchiment d'argent.

Nous avons proposé un parquet national financier. On nous a dit non, alors qu'en France cela marche et ça rapporte des milliards. Nous avons proposé un secrétariat d'État à la lutte contre la criminalité financière. Cela marche ailleurs, mais on nous a dit non également.

Je ne dis pas que vous ne faites rien, mais nous ne gagnerons pas cette guerre avec juste du bleu ou du kaki dans les rues. Nous la gagnerons quand les gains de la cocaïne seront anéantis, et là-dessus nous ne voyons rien. Je vous remercie.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, 63 schietpartijen, 7 doden en 28 gewonden. Brussel staat momenteel in de top drie van hoofdsteden met de meeste schietincidenten. Dan heb ik het nog niet over de granaten in Antwerpen.

Het gaat echter over wijken waar mensen wonen, pleinen waar zelfstandigen winkels uitbaten en parken waar kinderen spelen. Het gaat over straten waar mensen wonen, leven en werken. Het lijkt alsof we het geweld in onze hoofdstad en in Antwerpen allemaal normaal zijn beginnen te vinden.

Mijnheer de minister, ik stel vast dat u regelmatig op het terrein gaat en dat is uiteraard goed. Ik hoor en zie evenwel vooral veel aankondigingen van u, van uw collega's Francken en Verlinden en ook van de premier. Dagelijks lees ik nieuwe aankondigingen in de pers. Tezelfdertijd zegt de procureur van Brussel echter dat er naar hem geluisterd wordt, maar dat hij niets krijgt. Dat vind ik hemeltergend.

Daarom vraag ik u vandaag geen nieuwe aankondigingen. Ik vraag u vandaag alleen een engagement en een concrete timing. Wanneer zult u uitvoeren wat u hebt beloofd? Wanneer komen de extra handen en ogen er? Wanneer wordt het camerasysteem in Brussel op punt gesteld? Wanneer zult u samen met uw collega Verlinden actie ondernemen, zodat drugsnetwerken niet langer vanuit de gevangenis aangestuurd worden? Wanneer komen de drugsbehandelingskamers er? Er wordt ook veel gesproken over samenwerking, maar wanneer komt die taskforce er? De premier heeft met veel bombarie aangekondigd dat er een taskforce zou komen die alles zou oplossen, maar sindsdien heb ik niets meer van die taskforce gehoord. Kortom, wanneer krijgen de mensen hun straten, pleinen en parken terug? Dank u wel.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de uitlatingen van de korpschef van de zone Brussel HOOFDSTAD Elsene, Michel Goovaerts, die bij u goed bekend is en die aan de alarmbel heeft getrokken omwille van de situatie in Brussel: een toenemende drugsplaag, gepaard met drugsgeweld. Ik citeer hem, mijnheer de minister: "Een dosis coke vind je al voor vijf euro. Vijf euro, dan is het geen product meer voor de happy few. Dat is de Colruytmethode: massaal en goedkoop". Een volgend citaat: "Het is vandaag veel makkelijker om via sociale media een wapen te kopen. Vroeger moest je iemand kennen in het milieu. Nu volstaat een berichtje."

Het zijn citaten, mijnheer de minister, die wij niet zomaar naast ons neer kunnen leggen. We moeten vaststellen dat steeds meer jongeren, soms al van 12, 13 jaar oud, in de criminaliteit belanden. Ook de feiten van geweld spreken voor zich. Op 12 augustus stond de teller al op 57 schietincidenten in 2025, waarvan meer dan 60 % gelinkt is aan de criminaliteit. Illegalen die misdrijven plegen, komen steevast vrij. Die groep maakt een steeds groter deel uit van de gevangenispopulatie. Op die manier is het dweilen met de kraan open voor onze politiediensten.

Mijnheer de minister, hoe zit het met die taskforce van de premier? Waar zijn de resultaten? Waar zijn de oplossingen? Is deze regering eigenlijk nog geïnteresseerd in de binnenlandse veiligheid, in plaats van nu al maandenlang te palaveren over buitenlandse veiligheid?

Maaike De Vreese:

Minister, het is geen goed teken als men militairen moet inzetten op straat. Het doet mij terugdenken aan de periode na de verschrikkelijke aanslagen. Het wil zeggen dat de situatie ernstig is, dat ze niet onder controle is. Men doet dit immers niet voor zijn plezier, omdat men het leuk vindt, maar wel omdat de noodzaak er is in een zeer kritieke situatie.

De rampzalige veiligheidssituatie in Brussel is het gevolg van jarenlang malgoverno door de PS. Die burgemeesters steken nu nog altijd de kop in het zand. De sense of urgency om een Brusselse regering te vormen is er nog altijd niet. We need to take back control. Daarvoor zijn hervormingen zeer belangrijk, waaronder vooreerst de eenmaking van de Brusselse politiezones, extra cameranetwerken, de activering van het Kanaalplan en uw Plan Grote Steden en de inzet van specifieke politieteams. De federale politie moet hervormen. Blauw moet meer op straat.

Defensie staat klaar met een juridisch kader dat ervoor zorgt dat militairen op straat effectief kunnen optreden. Wat veel te vaak ontbreekt – ik wil dat nogmaals aanhalen – is de verantwoordelijkheid van de drugsgebruiker. Aan elk lijntje en aan elke pil kleeft bloed. Er zijn al veel te veel doden gevallen. Minister, ik hoop dat u blijft wijzen op die verantwoordelijkheid. U hebt onze volledige steun in de strijd tegen de drugscriminaliteit.

Hoever staat u met de uitwerking van uw grote plan?

Paul Van Tigchelt:

De problemen zijn u bekend, mijnheer de minister, want u gaat regelmatig op het terrein en dat siert u. U toont zo uw betrokkenheid. U weet ook dat het geen gemakkelijke strijd is. Een mirakeloplossing bestaat niet. Ik weet wel en u weet ook dat we een overheid nodig hebben die kort op de bal speelt. De drugsmaffia past zich aan, de overheid moet zich ook constant aanpassen. Op dat vlak is het inderdaad zo, mijnheer de minister, dat we wachten op concrete maatregelen. Daarvan is hier al melding gemaakt.

Ik kan u geruststellen, collega Vandemaele, de taskforce georganiseerde criminaliteit bestaat en komt samen, maar heeft nog geen resultaten, geen concrete maatregelen opgeleverd. Ik zeg dat niet, maar de procureur van Brussel en andere actoren op het terrein.

Een tweede voorbeeld. In het regeerakkoord is er sprake van een structurele versterking op korte termijn van de federale gerechtelijke politie van Brussel en Antwerpen. Ik heb daar de voorbije maanden regelmatig vragen over gesteld, maar daar is geen sprake meer van.

Een derde voorbeeld. De minister van Justitie – want u staat er niet alleen voor, mijnheer de minister – heeft deze zomer tweemaal verklaringen afgelegd in de pers. De eerste verklaring was dat zij een taskforce strafuitvoering heeft opgericht, die met aanbevelingen zal komen in 2028. Dat was de eerste aankondiging. De tweede aankondiging van de minister was dat zij 1 miljard euro extra nodig heeft.

Er zijn dus geen concrete hervormingen, geen concrete maatregelen. Daar wachten we nog op. Misschien moet u ook eens spreken met de premier. Hij was de burgemeester van Antwerpen. In Antwerpen zijn snelleresponsteams, quick response forces , opgericht. Dat zijn teams van hypergespecialiseerde politieagenten. Die agenten zijn zinvoller dan militairen, want die militairen zijn volgens mij een zwaktebod, een teken van onmacht, los van de discussie wanneer en met welk mandaat ze zouden worden ingezet.

Welke concrete maatregelen zult u nemen? Wat is er afgesproken binnen de Nationale Veiligheidsraad?

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, l'été à Bruxelles, mais pas seulement à Bruxelles, a été difficile. Plus de 20 fusillades ont été à déplorer, dont certaines en plein jour, ce qui est une évolution remarquable, au sens premier du terme. J'ai tenu à me rendre auprès des habitants des quartiers concernés, pour les écouter, d'abord; pour leur garantir le plein soutien et l'engagement de ce gouvernement aussi. Car oui, ce gouvernement agit – we werken – pour les Bruxellois, les Bruxelloises et pour l'ensemble des Belges.

C'est la raison pour laquelle j'ai, depuis sept mois, déployé un large arsenal de mesures destinées à lutter contre le narcotrafic dans notre pays. Je pense tout d'abord au renforcement constant de la police judiciaire fédérale (PJF), singulièrement à Bruxelles, qui se poursuit en deux temps. Au travers d'abord d'un renforcement temporaire direct de 31 enquêteurs pour parer à l'urgence de la situation et répondre directement aux demandes légitimes du procureur du Roi, auquel on fait dire beaucoup de choses, mais avec lequel je suis en contact permanent. Mais aussi via un renforcement structurel, puisqu'aux 720 membres du personnel actuel de la PJF Bruxelles s'ajouteront 40 nouveaux enquêteurs d'ici fin novembre.

Il y a actuellement encore 30 postes vacants. Le recrutement des forces de police n'est pas une difficulté qu'à Bruxelles. Celle-ci se pose dans tout le pays et, non, ça n'est pas une question de moyens financiers, c'est une question de choix politiques. Et je pense avoir démontré ces sept derniers mois que mes choix politiques en la matière sont clairs. Comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire, j'aimerais bien avoir une imprimante 3D et, chaque fois qu'on me demande des policiers, appuyer pour en avoir 50 par-ci, 100 par-là, 60 par-là. Si quelqu'un a cette machine, de grâce, prêtez-la moi!

Mais, en attendant qu'elle soit créée, nous devons renforcer l'attractivité du métier. C'est la raison pour laquelle je tiendrai un conclave dédié à la question en novembre, qui débouchera sur des décisions à court, moyen et long termes pour pouvoir recruter plus rapidement.

Mijnheer Vandemaele, mijnheer Depoortere, ik maak ook 20 miljoen euro vrij voor de installatie van camera's. Hiermee zullen we de lokale en de gerechtelijke overheden ondersteunen om nieuwe camera's te plaatsen op alle plekken waar dat nodig is.

Zoals u weet, zijn we al gestart met de koppeling van alle ANPR-camera's in het hele land aan één enkel systeem, zelfs in West-Vlaanderen. We hebben ook de 8.000 camera's van de NMBS toegankelijk gemaakt voor alle ordediensten, federaal en lokaal.

Ik denk ook aan de grootschalige controleacties die door de federale overheid worden uitgevoerd in samenwerking met de lokale politie, de zogenaamde FIPA-acties, en tot slot aan de zogenaamde BELFI-acties in de strijd tegen louche handelszaken die dienen als dekmantel voor witwaspraktijken, le blanchissement .

Met deze maatregelen van mijn Plan Grote Steden willen we de strijd tegen drugscriminelen en georganiseerde criminaliteit in onze steden opvoeren. Het zijn geen ballonnetjes, zoals gezegd wordt, maar concrete maatregelen waar we met de verschillende niveaus samen aan zullen werken. Dat is de enige manier om de oorlog tegen de drugshandel te winnen, du producteur au consommateur .

Mevrouw De Vreese, mijnheer Van Tigchelt, jullie vragen me naar de inzet van militairen in onze straten. Samen met de minister van Defensie werken we aan de inzet van politie en militairen samen in bepaalde hotspotzones van Brussel en elders in het land indien dat nodig zou zijn. Mijn bedoeling is dat dit zo snel mogelijk kan gebeuren, want de situatie in onze hoofdstad laat geen uitstel toe.

Ik heb gisteren nog overlegd met collega Francken om de modaliteiten van deze gemengde patrouilles vast te leggen.

Enfin, monsieur De Smet, d'abord vous ne m’aurez jamais entendu prononcer le nom d'une quelconque marque de machine à eau sous pression, mais vous m'interrogez sur la lutte contre le blanchiment d'argent et la nécessité d'attaquer les trafiquants au niveau du portefeuille.

L'intention du gouvernement est claire. À travers l'approche Follow the Value , nous voulons réinvestir les produits financiers captés dans la lutte contre le trafic de drogue au service de la sécurité de nos concitoyens. Ce travail avance à un rythme soutenu, en étroite collaboration avec le Commissariat national "drogues". Nous aurons donc l'occasion d'évoquer cela à nouveau en commission dans les prochaines semaines.

Il existe deux éléments supplémentaires. Concernant le parquet financier, je voudrais quand même signaler qu'il n'y a pas d'unanimité au sein du pouvoir judiciaire, entre autres chez les procureurs généraux, pour penser que c'est une bonne idée. Je ne dis pas qu'il ne faut pas renforcer la lutte contre cela, mais il ne faut pas non plus faire dire aux magistrats ce qu'ils ne disent pas forcément.

Et le deuxième élément dont je voulais parler, je pense que je l'ai oublié, mais je profite des dix dernières secondes pour dire que chaque mesure se trouve dans un ensemble. Je dis souvent qu'on prend une mesure, on la sort du contexte et on l’analyse pour dire que ce n'est pas suffisant. Je peux faire la même chose, mais moi je travaille à l'ensemble des mesures pour lutter contre le crime organisé.

Voorzitter:

Wie witwast, wast wit. Het is inderdaad geen evidentie.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

Vous annoncez beaucoup de mesures, même si toutes ne dépendent pas de vous. Plusieurs collègues vous ont interrogé au sujet de la fameuse task force annoncée par le premier ministre. Vous n’avez rien dit à ce sujet. Pour éviter que des efforts ne soient gaspillés de part et d'autre, il serait judicieux que le gouvernement agisse en ce domaine.

Je me réjouis de l'annonce relative aux 31 enquêteurs, mais vous savez comme moi que cela ne suffira pas à remplir le cadre. C'est pourquoi M. Moinil s'en émeut. En tout cas, c'est un début. J'insiste pour que ces policiers soient spécialisés.

À défaut de parquet financier, j'insiste aussi sur la nécessité de renforcer des services qui se trouvent déjà à votre disposition. Je pense ainsi à l'Office central de lutte contre la délinquance économique et financière (OCDEFO), qui réclame notamment de l'aide dans son expertise numérique afin de suivre l'argent là où il se trouve.

Enfin, s'agissant de l'armée dans les rues, nous voyons bien que cela relève d'une communication en mode "football panique". Vous allez déployer du kaki, alors que ces gens vont être obligés d'appeler la police. Cette disposition vise à rassurer la population et à produire de la communication, mais ce n'est pas cela qui empêchera certains de se tirer dessus à coup de Kalachnikov.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U bent gaan luisteren, ook in de buurten. Dat wordt erg geapprecieerd. Dat was een belangrijk signaal van uw kant.

U merkt zelf op dat bij de maatregelen alles aan elkaar vasthangt. Wij mogen er niet één maatregel uithalen. Dat klopt.

Onze minister van Justitie zal echt wel een tandje moeten bijsteken om samen met u tot oplossingen te komen. Ik had gehoopt dat de taskforce dé plaats zou zijn waar de premier dergelijke zaken zou coördineren. Daarover heb ik in uw antwoord echter weinig gehoord.

Ik haal een aantal elementen uit uw antwoord, onder meer de inzet van militairen. Als de minister van Binnenlandse Zaken militairen op straat inzet, betekent dat het failliet van uw beleid. Er bestaat geen mooier signaal om duidelijk te maken dat u het opgeeft.

Binnenlandse veiligheid behoort altijd te worden verzekerd door politiemensen. Daarom moeten wij vermijden dat onopgeleide personen zonder kader op straat worden ingezet. Zij hebben daar trouwens ook niet voor gekozen. Dat is de foute weg.

Geef de straten en pleinen terug aan de Brusselaars en aan de Antwerpenaren.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, collega's, gelooft nog iemand de huidige regering?

Ik zal u een aantal maatregelen van het Vlaams Belang meegeven waardoor de regering wat geloofwaardigheid kan winnen. Ten eerste, richt gespecialiseerde eenheden op binnen de politie en richt een drugsagentschap op. Ten tweede, benut het crimineel drugsgeld en herinvesteer dat in handhaving. Richt daarvoor een drugsfonds op. Ten derde, voer de razzia's tegen drugsbendes op. Jaag die bendes op en maak hen het dealen onmogelijk. Ten vierde, zet de criminele illegalen uit ons land. De enige draaideur die zij zouden moeten kennen, is de draaideur op de luchthaven van Zaventem.

Mijnheer de minister, met andere woorden, het is tijd om recht en orde te herstellen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, dit zal inderdaad met een algemeen plan moeten gebeuren, met mensen die ter plaatse actief zijn om de drugsproblematiek aan te pakken. Ik bedoel voornamelijk meer blauw op straat en u weet dat u daarvoor ook heel wat capaciteit moet vrijmaken. Ik weet dat dit enorme inspanningen vergt van de federale politie, maar zij moeten daar zelf toe in staat zijn. Als we militairen inzetten op het terrein en als zij een meerwaarde moeten betekenen, moeten zij ook een juridisch kader hebben waarbinnen zij kunnen optreden. We zeggen van de politie dat zij geen sitting ducks mogen zijn, maar dat geldt zeker ook voor onze militairen.

Mijnheer de minister, u komt vaak op het terrein. U verwees even naar West-Vlaanderen alsof het de Far West was. Ook daar kampen we echter met drugscriminaliteit. Ik nodig u uit om op bezoek te komen. Ik ben er zeker van dat onze sheriff, gouverneur Decaluwé, u met veel plezier zal ontvangen.

Voorzitter: Eric Thiébaut.

Président: Eric Thiébaut.

Paul Van Tigchelt:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw concrete antwoorden. De vraag die hier vandaag rijst, is of we genoeg doen. Kan het beter, kan er meer? Ja, dat kan. We moeten een tandje bijsteken. We kunnen beter. Ik wil u alleen nog waarschuwen: wees voorzichtig met het uitbesteden van veiligheid. Veiligheid is immers een kerntaak van de overheid. Besteed die niet uit aan het leger en ook zeker niet aan de vrouwen zelf. Collega Beenders, ik heb uw voorstel gehoord om vrouwen uit te rusten met pepperspray. Het is echter de overheid die zorgt voor de veiligheid. Pas tot slot ook alstublieft op met uw wetsontwerp waarmee u het mogelijk wil maken dat de regering groeperingen buiten de wet stelt. Ik vraag u dat als liberalen onder elkaar. Gooi de Grondwet niet in de vuilbak. Artikel 27 van de Grondwet, de vrijheid van vereniging, is heilig. Het is niet aan de regering om zulke maatregelen te nemen. Alstublieft, stop daarmee en trek dat wetsontwerp in.

Het laattijdige optreden van de politie nadat er naaktbeelden v.e. 14-jarige leerlinge circuleerden

Gesteld door

CD&V Franky Demon

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een 14-jarig meisje uit Leuven werd slachtoffer van verspreide naaktbeelden, terwijl de politie haar ouders pas na dagen liet langskomen—wat cd&v aanhaalt als bewijs voor het gebrek aan nabijheidspolitie en dringende hervorming. Minister Quintin erkent het falen, belooft strikte richtlijnen voor prioritaire behandeling van dergelijke zaken en benadrukt snelle actie via politie-scholen-samenwerking, met steun via Child Focus (116000). Demon dringt aan op concrete uitvoering van de beleidsbelofte (1 wijkagent per 2.000 inwoners) voor betere zichtbaarheid en bereikbaarheid. De kern: systematische versterking van lokale politie om slachtoffers van digitale misdrijven onmiddellijk te beschermen.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, beeld u in dat uw minderjarige dochter van school thuiskomt, huilend, en meteen naar haar kamer loopt. Uiteindelijk verneemt u dat er een naaktvideo van uw dochter in haar school circuleert. Als vader zou ik daar kapot van zijn. Het is vandaag echter de realiteit van een veertienjarig meisje in een Leuvense school.

Iedereen begrijpt dat de wereld van dat kind en haar ouders volledig instort, maar de politie zegt hun om pas tegen het einde van de week langs te komen om aangifte te doen. Dat is onbegrijpelijk. Het is niet te verwonderen dat die mensen zich compleet in de steek gelaten voelen. Het toont nog maar eens aan waarom cd&v zoveel belang hecht aan het idee van de nabijheidspolitie, een politie die sterk verweven is in de wijken, een politie die bereikbaar, aanspreekbaar en zichtbaar is, altijd. Daar moeten we, mijnheer de minister, ook op het federale niveau nog veel meer een prioriteit van maken.

Onze lokale politiekorpsen doen vandaag wat ze kunnen, maar hun middelen en mankracht zijn beperkt, waardoor keuzes moeten worden gemaakt, maar dat moeten dan wel de juiste keuzes zijn. Iedereen heeft er begrip voor dat voor niet-dringende aangiftes een afsprakensysteem geldt, maar voor dergelijke ernstige feiten waarbij minderjarigen betrokken zijn, moet de politie de klok rond bereikbaar zijn, om situaties zoals we die vandaag meemaken absoluut te vermijden.

Laten we dus samen de juiste keuzes maken. Dat betekent dat we onze lokale politiekorpsen de middelen moeten geven om de nabijheidspolitie in de praktijk te brengen. Wat zult u hiervoor ondernemen, mijnheer de minister?

Bernard Quintin:

Mijnheer Demon, het verhaal van dat meisje is bijzonder pijnlijk en schrijnend. Ik betreur ten zeerste wat er is gebeurd. Ik heb mijn diensten onmiddellijk gevraagd dat grondig uit te klaren en na te gaan hoe dat precies heeft kunnen gebeuren. Intussen kan ik u bevestigen dat de politie met de zaak bezig is. Het is voor mij duidelijk dat de urgentie van dergelijke meldingen beter moet worden ingeschat. Daarom zullen er op mijn vraag op korte termijn de nodige interne richtlijnen worden uitgevaardigd.

Laat mij heel duidelijk zijn: het verspreiden van naaktbeelden van minderjarigen is een ernstig misdrijf. Het tast de fysieke en persoonlijke integriteit van de betrokkenen aan. Voor de slachtoffers van dat soort situaties is snelle actie absoluut noodzakelijk. Meldingen van dit type feiten moeten door de diensten, zowel bij de lokale als bij de federale politie, prioritair worden behandeld. Dat vereist een kordate en onmiddellijke reactie in nauwe samenwerking tussen scholen en de politie.

Ouders en jongeren moeten erop kunnen vertrouwen dat zij overal en altijd snel en professioneel geholpen worden. Wij moeten en zullen samen alles op alles zetten om dergelijke situaties in de toekomst te vermijden en slachtoffers beter te beschermen.

Tot slot wil ik benadrukken dat slachtoffers en hun ouders altijd terechtkunnen bij de hulplijn van Child Focus, via het nummer 116000.

Franky Demon:

Ik dank u, mijnheer de minister. U toont begrip en u geeft ook kordate stappen aan die u op korte termijn wilt ondernemen. Voor ons moet de politie altijd aan de zijde staan van degenen die hulp en bescherming binnen onze maatschappij nodig hebben, ook op moeilijke momenten. Wij geloven zeer sterk in nabijheidspolitie. Ik vraag u dan ook werk te maken van wat in de beleidsnota staat. Dat is wat wij als cd&v hebben gevraagd: één wijkagent per 2.000 inwoners. Zij kunnen helpen om nog beter de oren en de ogen op het terrein te zijn. Ik hoop dat u aan die kar trekt en dat artikel van de beleidsnota zo snel mogelijk waarmaakt. Dank u wel.

De dreiging van extreemlinks politiek geweld in België

Gesteld door

VB Alexander Van Hoecke

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke wijst op de escalerende extreemlinkse geweldsdreiging in België en Europa, gelinkt aan de moord op Charlie Kirk in de VS, en bekritiseert de tolerantie voor geweldsoproepen (bv. "Punch nazi’s") en diabolisering van politieke tegenstanders als opstap naar radicalisering. Minister Verlinden ontkent een directe dreigingsverhoging na Kirks dood, maar bevestigt dat geïsoleerde radicalen niet uitgesloten zijn, en benadrukt de case-by-case-aanpak via de TER-strategie (preventie, deradicalisering, informatie-uitwisseling). Van Hoecke kaart selectieve handhaving aan en ziet een cultuur van geweldsverheerlijking (bv. Nederlandse oproepen tot geweld), die volgens hem onvoldoende wordt aangepakt door politiek en justitie. De kern: polarisatie en normalisering van geweld als groeiend risico, met verschillend dreigingsbeeld tussen politiek en veiligheidsdiensten.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, vorige week werd de Amerikaanse opiniemaker Charlie Kirk het slachtoffer van extreemlinks geweld met fatale afloop. Kirk was iemand wiens mening men niet per se moest delen, maar die altijd het debat opzocht. Dat was zijn handelsmerk. Die moord toont nogmaals op een afschuwelijke manier aan hoe fanatiek en gewelddadig extreemlinks en het extreemlinkse discours kan zijn en waartoe jarenlange diabolisering van politieke tegenstanders kan leiden.

Dat merken we ook in Europa, want het fenomeen blijft niet beperkt tot de Verenigde Staten. Door middel van intimidatie wordt ook hier onze rechtsstaat en de vrijheid van meningsuiting bedreigd. Ik denk aan het weren van artiesten op basis van hun nationaliteit en aan de diverse expliciete oproepen tot geweld uit extreemlinkse hoek, die we eigenlijk maandelijks zien, maar die na de dood van Kirk intensiever zijn geworden.

Mevrouw de minister, welke dreigingsanalyse wordt vandaag gemaakt door de Veiligheid van de Staat en het OCAD met betrekking tot extreemlinkse organisaties en individuen actief in of rond België? Heeft de moordaanslag op Charlie Kirk die dreigingsanalyse op enige manier gewijzigd? Hoe groot acht u zelf het risico dat incidenten zoals de moord op Charlie Kirk zich ook in België zouden kunnen voordoen? Welke concrete maatregelen neemt u om burgers en politici te beschermen tegen gelijkaardig geweld? Welke bijkomende initiatieven, zowel op het vlak van preventie als van strafuitvoering, plant u om ervoor te zorgen dat zo'n afschuwelijk laf politiek geweld in ons land nooit voet aan de grond kan krijgen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Van Hoecke, u legt een link tussen een Amerikaans dossier en een bepaalde vorm van geweld in België, die ik zelf niet leg. Ik geef mijn antwoord in abstractie daarvan.

Het fenomeen links-extremisme betreft een zeer heterogene groep individuen en organisaties die pleiten voor revolutionair verzet met geweld of dwang in het streven naar een politiek systeem dat sociale en economische gelijkheid tussen individuen bevordert. In België worden voornamelijk twee hoofdstromingen waargenomen binnen het links-extremistische milieu: het opstandige anarchisme en het revolutionaire communisme.

Naast die klassieke opdeling organiseren links-extremistische sympathisanten en activisten zich vaak rond specifieke thema's zoals antifascisme, het conflict in Gaza, politiegeweld en klimaat. Niet alle organisaties of individuen die zich inzetten voor die thema's kunnen echter als extremistisch worden omschreven. Er bestaat wel een aanzienlijke overlap in interesses en in deelname aan activiteiten.

Het activisme van links-extremistische actoren in België bestaat hoofdzakelijk uit rekrutering, betogingen en het verspreiden van hun boodschap via online en offline propaganda. Meer directe acties zijn voornamelijk vandalisme, weerspannigheid tegen ordediensten, blokkades en intimidatie van gepercipieerde rechts-extremisten.

De moordaanslag op Charlie Kirk moet worden gezien in de sterk gepolariseerde context van de Verenigde Staten. Vandaag heeft de dood van Charlie Kirk in de VS geen invloed op het dreigingsniveau in België. Op basis van de beschikbare inlichtingen achten de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de voorbereiding en planning van terroristische aanslagen vanuit dit milieu in België als onwaarschijnlijk. Acties van geïsoleerde radicale figuren zijn echter nooit volledig uit te sluiten.

Zoals u weet, richt de Strategie T.E.R. zich op alle vormen van extremisme, religieus, rechts- en dus ook links-extremisme. Het gaat om een case-by-caseaanpak vanaf de eerste tekenen van radicalisering tot en met een gerichte veiligheidsopvolging, indien nodig op basis van informatie-uitwisseling tussen de diensten. Die informatie-uitwisseling maakt het mogelijk om passende maatregelen te nemen om het plegen van gewelddaden te voorkomen, maar ook, indien nodig, om geschikte opvolgingstrajecten op te zetten met het oog op de begeleiding van de betrokken persoon in disengagementsprocedures en de re-integratie in onze maatschappij.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, er is een reden waarom ik de link leg tussen de moordaanslag op Charlie Kirk en hetgeen ook in Europa en in ons land gebeurt. Laten we kijken naar wat er in Nederland gebeurd is. Een zogenaamde artiest trad daar enkele dagen na de dood van Charlie Kirk op en zei, aangemoedigd door een juichend publiek: “ Rest in piss, you piece of shit ”, over Charlie Kirk. Dat zijn niet mijn woorden, voor alle duidelijkheid. Hij zei daar meermaals: “ Talk shit, get banged. ” Dat is een expliciete oproep tot geweld. Bij dergelijke gevallen, die we ook heel duidelijk in Europa zien, wordt heel duidelijk dat er nog steeds met twee maten en twee gewichten wordt gewogen. Laten we kijken naar wat er achterblijft na een linkse of extreemlinkse betoging. Dan vinden we stickers met daarop: “ Punch nazi's in the face. ” Niemand moet zich hier een illusie maken over wie men bedoelt met nazi's. Men bedoelt met nazi's iedereen die het oneens is met hen. Iedereen rechts van cd&v zijn nazi's voor hen. Er zit een heel duidelijke link tussen hetgeen in de Verenigde Staten gebeurd is en hetgeen we hier vandaag zien. De verheerlijking van geweld, die we constant zien, zit in het DNA van extreemlinks. Nog steeds wordt dat getolereerd en geminimaliseerd door een groot deel van het politieke spectrum in ons land. Ik wil daar nog een ding aan toevoegen. De voorzitter van de MR verwees op zijn familiedag, in het bijzijn van de premier, onrechtstreeks naar politieke tegenstanders als fascisten. Dat past daar ook in. We mogen absoluut niet naïef zijn. Dat is allemaal niet onschuldig. Dat is exact het klimaat dat vorige week een moordaanslag mogelijk heeft gemaakt op een jonge vader, een jonge gast van mijn leeftijd, met twee kinderen, die brutaal is afgeslacht omdat hij een andere mening had. Ik denk dat er wel degelijk links zijn met hetgeen we hier vandaag in onze samenleving ook zien gebeuren.

De samenwerking tussen Securail en de spoorwegpolitie

Gesteld door

VB Frank Troosters

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De samenwerking tussen Securail (NMBS) en de Spoorwegpolitie (SPC) blijft een prioriteit, maar inkanteling van Securail bij de SPC is definitief van tafel—Securail blijft onder de NMBS met gemeenschappelijk toezicht door beide departementen. Concrete maatregelen zijn realtime-toegang voor politie tot 8.000 NMBS-camera’s, bodycams voor Securail-agenten en een werkgroep om operationele coördinatie en opleidingen te verbeteren. Kritiek blijft bestaan op de moeizame samenwerking en onderbemanning bij de SPC, met de eis dat beloften nu concrete resultaten moeten opleveren.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ook daarover heb ik u al ondervraagd. Ik verwijs dan ook naar de schriftelijke versie van de vraag.

Om de veiligheid binnen het spoorgebeuren te kunnen garanderen is een goede samenwerking tussen de veiligheidsdienst van de NMBS (Securail) en de Spoorwegpolitie (SPC) belangrijk. Reeds langer doen geruchten de ronde dat er wordt nagedacht om op termijn de diensten van Securail in te kantelen bij de SPC. In antwoord op een eerdere vraag hierover gaf de minister aan te streven naar een betere samenwerking tussen beide instanties.

Wat is de huidige stand van zaken m.b.t. de samenwerking tussen Securail en de SPC?

Welke concrete maatregelen of acties ter zake mogen in het vooruitzicht worden gesteld en op welke termijn?

Is de optie om Securail in te kantelen bij (of op een andere wijze onder te brengen bij) de SPC definitief van tafel? Zo ja, wat waren de elementen die hiertoe aanleiding gaven? Zo neen, op welke wijze zou dit kunnen gebeuren? Wat zijn de mogelijke struikelstenen? Wordt er desgevallend werk gemaakt van een opleidingsprogramma / bundel voor Securail-agenten?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Troosters, de veiligheid in en rond het spoorwegnetwerk vormt een absolute prioriteit. Ze steunt op een nauwe samenwerking tussen de verschillende betrokkenen, met name Securail, de veiligheidsdiensten van de NMBS en de federale politie via de spoorwegpolitie, evenals bepaalde sociale diensten.

Zoals ik aangekondigd heb, is er een akkoord gesloten waardoor zowel de lokale als de federale politie voortaan in real time toegang krijgt tot de camerabeelden van de NMBS in de stationsbuurten. Het gaat om ongeveer 8.000 vaste camera’s, verspreid over publieke plaatsen zoals perrons, wachtzalen, fietsenstallingen en parkings. Bijna 130 lokale politiezones krijgen toegang tot de beelden van de stations op hun grondgebied, terwijl de federale politie toegang heeft tot het volledige spoorwegnetwerk.

Tegelijkertijd wordt nauw samengewerkt met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om ervoor te zorgen dat Securailagenten op het terrein kunnen beschikken over bodycams. Op die manier kunnen ze de reizigers beter beschermen en incidenten op het terrein sneller en veiliger aanpakken.

Ik ben mij bewust van de uitdaging en ben recent met mijn collega-minister van Binnenlandse Zaken, de heer Bernard Quintin, overeengekomen dat het personeel van Securail geïntegreerd zal blijven bij de NMBS. Die beslissing waarborgt de continuïteit van de specifieke missies van Securail en versterkt de complementariteit met de politiediensten.

Om die gemeenschappelijke wil te concretiseren, hebben we beslist een gemeenschappelijk toezicht van de twee departementen in te voeren. Die aanpak heeft tot doel de dagelijkse werking en de strategische coördinatie tussen Securail, de spoorwegpolitie en de federale politie te vergemakkelijken.

Er moet aan worden herinnerd dat die samenwerking reeds bestaat op het terrein. Er vindt regelmatig uitwisseling plaats tussen de agenten van de twee diensten, zowel op het vlak van de veiligheid op de treinen en in de stations als in de naburige zones. Die synergie is waardevol en verdient het om nader te worden uitgediept.

Om ervoor te zorgen dat het gemeenschappelijk toezicht een echte toegevoegde waarde wordt, hebben wij een werkgroep opgericht die de verschillende stakeholders samenbrengt. De werkgroep heeft tot doel de concrete en structurele verbeterpunten te identificeren, zowel op het vlak van de operationele coördinatie als op het vlak van opleiding. Het is de bedoeling om de competenties van het personeel van Securail te versterken binnen een kader dat aansluit bij de vereisten van de openbare veiligheid, met respect voor hun statuut en hun verankering binnen de NMBS.

Indien er twijfels bestaan over een mogelijke overdracht van Securail naar de spoorwegpolitie, kan ik bevestigen dat die optie niet meer actueel is. Ik herbevestig dat Securail behouden blijft binnen de NMBS. Binnen het kader van dat medevoogdijschap lijkt ons dat momenteel de meest efficiënte aanpak en de aanpak die de specifieke kenmerken van iedereen het best respecteert.

Ik bevestig mijn engagement in het licht van de veiligheid en het veiligheidsgevoel van de reizigers om van het spoor voor iedereen een toegankelijke en geruststellende plaats te maken.

Frank Troosters:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Dat is duidelijk met betrekking tot Securail en de inkanteling. Die gebeurt dus niet. Dat sluit aan bij wat u eerder hebt meegedeeld. Ik zal met veel interesse de werkgroep volgen die opgericht wordt in het kader van complementariteit en medevoogdijschap. Het komt uiteindelijk neer op samenwerking. Er bestaan al jarenlang klachten, zeker bij het personeel van Securail, over de soms moeizame samenwerking met de spoorwegpolitie. Bovendien is de spoorwegpolitie al jarenlang onderbemand, zoals u weet. Daar ligt de moeilijkheid. Ongeacht hoe men het probleem aanpakt – medevoogdijschap en complementariteit, via een werkgroep – het belangrijkste is dat er resultaat volgt. De vorige vraag van de heer Seuntjens heeft duidelijk aangetoond dat we niets hebben aan een minister die veel beloften maakt, maar weinig realiseert, zoals de vorige minister. Ik geef de voorkeur aan minder beloften, maar wel concrete resultaten. Ik reken erop dat die zeker zullen volgen.

De realtime toegang van de politie tot de NMBS-camerabeelden in stationsbuurten

Gesteld door

N-VA Dorien Cuylaerts

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het akkoord tussen NMBS en 130 politiezones zorgt voor realtime-toegang tot 8.000 camerabeelden in stations en omgeving (perrons, parkings, etc.), om snellere politie-interventies bij criminaliteit of overlast mogelijk te maken, zonder toegang tot treincamera’s—die blijven voorlopig uitgesloten maar bodycams voor Securail worden wel ingevoerd als alternatief. De samenwerking verloopt via een protocolakkoord onder de camerawet, met een evaluatie na één jaar op effectiviteit, terwijl de minister benadrukt dat zichtbare politieaanwezigheid cruciaal blijft naast cameratoezicht. De oppositie (Cuylaerts) juicht het akkoord toe als een belangrijke veiligheidswinst maar dringt aan op toekomstige uitbreiding naar treincamera’s en een strikte opvolging van de resultaten. Kernboodschap: realtime-cameratoegang versterkt veiligheid in stations, maar fysieke politiepresente en latere evaluatie zijn essentieel, met treincamera’s als mogelijke volgende stap.

Dorien Cuylaerts:

Ook voor deze vraag verwijs ik naar de schriftelijke versie.

Mijnheer de minister, onze fractie is al lang vragende partij voor een betere samenwerking tussen de politiediensten en de NMBS als het gaat over veiligheid in en rond de stations. Daarom ben ik ook tevreden dat er nu eindelijk een akkoord is afgesloten waardoor lokale en federale politiediensten in real time toegang krijgen tot de beelden van de NMBS-camera's in stations en stationsbuurten. Op deze manier kunnen we sneller reageren bij overlast of criminele feiten.

Het akkoord betreft bijna 130 politiezones en maakt beelden toegankelijk van zo'n 8.000 camera's. Het gaat om publieke plaatsen zoals perrons, wachtzalen, fietsenstallingen en parkings. De beelden uit treinen zelf vallen voorlopig buiten dit akkoord, al wordt er aangegeven dat dit in de toekomst mogelijk kan worden.

Mijnheer de minister, ik heb voor u enkele vragen:

Kan de minister wat meer duiding geven rond de samenwerking tussen de NMBS en de betrokken politiezones? Hoe zal dit concreet in zijn werk gaan?

Zal dit systeem in de toekomst geëvalueerd worden? Zo ja, op welke termijn en volgens welke criteria?

De camera's in de treinen vallen momenteel buiten het akkoord. Dat is volgens de NMBS niet aan de orde. Waarom is dit niet aan de orde? Wordt de mogelijkheid nog steeds onderzocht om dit in de toekomst ook mogelijk te maken? Welke stappen of voorwaarden ziet u daarbij?

Jean-Luc Crucke:

Geachte collega, zoals aangekondigd, is er een akkoord gesloten waardoor zowel de lokale als de federale politie voortaan in real time toegang hebben tot de camerabeelden van de NMBS in stationsbuurten. Het gaat om ongeveer 8.000 vaste camera's verspreid over publieke plaatsen, zoals perrons, wachtzalen, fietsenstallingen en parkings. Bijna 130 lokale politiezones krijgen toegang tot de beelden van de stations op hun grondgebied, terwijl de federale politie toegang heeft tot het volledige netwerk. De toegang is geregeld volgens de camerawet en verloopt via een protocolakkoord tussen de NMBS en de betrokken politiezones of de federale politie. Het gaat enkel om consultatie in real time en uitsluitend in het kader van de wettelijke opdrachten van de politiediensten.

Voor onderzoeksdoeleinden blijft de bestaande procedure gelden. De politie moet een aanvraag indienen waarop de NMBS binnen 24 uur reageert. De camerabeelden in de trein zelf vallen momenteel buiten dat akkoord. Het filmen in de trein is op dit moment niet het primaire doel van dit project. Tegelijkertijd wordt er nauw samengewerkt met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken om ervoor te zorgen dat Securailagenten in de trein kunnen beschikken over bodycams. Zo kunnen zij de reizigers beter beschermen en incidenten in de trein sneller en veiliger aanpakken.

De veiligheid van reizigers en personeel blijft een absolute prioriteit. Met dit project willen we niet alleen sneller kunnen ingrijpen bij incidenten, maar ook een krachtig signaal geven: geweld tegen passagiers of tegen medewerkers van de NMBS wordt niet getolereerd. Het feit dat beelden in real time kunnen worden bekeken en later kunnen worden gebruikt in geval van een probleem, heeft bovendien belangrijke afschrikkende effecten. Mensen weten dat ze gefilmd worden en dat die beelden desnoods tegen hen kunnen worden ingezet.

De samenwerking met de geïntegreerde politie is een belangrijke stap vooruit. Ik blijf evenwel tegelijk het belang benadrukken van een zichtbare aanwezigheid van de politie – zowel in de stations als in de trein – ter ondersteuning van Securail.

Het is vandaag nog te vroeg om al conclusies te trekken. Ik zal er echter persoonlijk op toezien dat een eerste grondige evaluatie kan plaatsvinden na een jaar implementatie, in overleg met de betrokken partners.

Dorien Cuylaerts:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Voor onze fractie is wat we hier te horen kregen bijzonder goed nieuws. We zijn zeer verheugd dat dat akkoord er is gekomen, aangezien we al langer pleiten voor een betere samenwerking tussen de politiediensten en de NMBS. De realtimetoegang tot de camerabeelden in en rond de stations kan zeker een groot verschil maken. Het zorgt ervoor dat de politiediensten sneller, accurater en gerichter kunnen reageren op de overlast en de criminaliteit die er plaatsvinden. Het is ongetwijfeld een belangrijke stap in de goede richting voor de veiligheid van zowel de reizigers als het personeel, wat zeker een pluspunt is. Het is natuurlijk belangrijk dat dit systeem – u verwees daar zelf al naar – goed wordt opgevolgd en na verloop van tijd wordt geëvalueerd. We hopen dat de evaluatie zal aantonen dat het ook efficiënt is, zoals het nu op papier lijkt te zijn. Het is voor ons duidelijk dat het een stap in de goede richting is en we kijken ernaar uit om in de toekomst nog verder te gaan. We zouden het graag uitgebreid zien met de camera’s die in de treinen beschikbaar zijn, omdat dat het allemaal nog eenvoudiger zou maken.

Het gebrek aan medewerking van de federale politie aan de Europese fraudeaanpak

Gesteld door

Vooruit Brent Meuleman

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België’s personeelstekort bij de federale gerechtelijke politie ondermijnt de bestrijding van Europese fraude (zoals btw-dossiers en corruptie), wat het vertrouwen in de rechtsstaat en België’s geloofwaardigheid als EU-hart schaadt. Minister Quintin bevestigt 35 speurders voor financiële criminaliteit (waarvan de helft voor het Europees parket) en belooft extra investeringen, een rondetafel over werving en betere Europese samenwerking, maar benadrukt realistische middelen. Meuleman (Vooruit) eist concrete stappen om fraude hard aan te pakken—ter bescherming van eerlijke burgers en bedrijven—en herhaalt de nood aan structurele versterking van de politie, met steun voor het Europees parket. De kritiek richt zich impliciet op Vlaams Belang, dat volgens hem fraudeonderzoeken zou saboteren.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, of het nu gaat om het Europees gesjoemel van Vlaams Belang of om douane- en btw-fraude voor miljoenen euro's op de luchthaven van Luik, voor Europese fraudedossiers is Europa afhankelijk van de speurders bij de federale gerechtelijke politie.

Europa noemt de situatie echter a joke. Dat is natuurlijk een scherpe uitspraak, maar ze komt ergens vandaan. Laat ik duidelijk zijn, onze politie levert schitterend werk op het terrein, maar er is een enorm personeelstekort en de werkdruk is bijzonder groot. Daardoor blijven fraudedossiers soms maanden liggen. Als dat dan het werk van het Europees parket lamlegt, dan overstijgt de kwestie het Belgische niveau. Dan riskeren we niet alleen dat miljoenen aan Europese fraude ongestraft blijven, maar zetten we ook onze geloofwaardigheid als hart van Europa op het spel.

Mijnheer de minister, voldoende personeel is cruciaal voor een efficiënte fraudebestrijding. Vooruit zal nooit aanvaarden dat sommigen valsspelen en daar blijkbaar ook nog mee wegkomen. Alle hardwerkende mensen en bedrijven die wel correct bijdragen en het spel eerlijk spelen, zijn immers de dupe van die straffeloosheid.

Collega's, elke euro die we investeren in de bestrijding van georganiseerde fraude, komt dubbel en dik terug, niet alleen in euro's, maar ook in vertrouwen in onze rechtsstaat. De regering, met Vooruit, zal investeren in onze gerechtelijke politie en hervormen.

Mijnheer de minister, ik heb het u een paar dagen geleden al gezegd in de commissie, u zult daarvoor in ons een trouwe partner en bondgenoot hebben. Vandaag is mijn vraag aan u de volgende. Welke stappen zult u concreet zetten om het vertrouwen van Europa te herwinnen?

Bernard Quintin:

Mijnheer Meuleman, ik ben niet bevoegd voor de onderzoeken van het parket, noch op Belgisch, noch op Europees niveau. Desalniettemin zal ik uit beleefdheid toch antwoorden.

De strijd tegen corruptie en fraude is voor mij en de regering een absolute prioriteit. Het raakt immers aan het vertrouwen in de rechtsstaat, in de instellingen van de Europese Unie en in de correcte besteding van publieke middelen. De centrale dienst voor de bestrijding van de georganiseerde economische en financiële criminaliteit bij de federale gerechtelijke politie telt vandaag 35 speurders. Ongeveer de helft van de capaciteit wordt ingezet voor dossiers die onder leiding staan van het Europees openbaar ministerie. Ook de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie, waar 64 speurders werken, voert opdrachten uit in samenwerking met het Europees parket. De regering blijft investeren in de versterking van de federale gerechtelijke politie. Daarnaast organiseer ik voor het einde van dit jaar een rondetafel om het politieambt aantrekkelijker te maken en de instroom te verhogen. We hebben meer en gespecialiseerde mensen nodig.

Georganiseerde fraude stopt niet aan de landsgrenzen. Samenwerking en afstemming op Europees niveau zijn daarom essentieel, zeker in een land als België, waar veel Europese en internationale instellingen gevestigd zijn. De samenwerking met het Europees parket is belangrijk. België neemt zijn verantwoordelijkheid, maar dat moet gebeuren in samenwerking en pragmatisch, met respect voor justitie en de beschikbare middelen.

Brent Meuleman:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Ik meen mij te herinneren dat wij in de commissie voor Binnenlandse Zaken al vaak over de federale gerechtelijke politie hebben gesproken. Daarom meende ik u die vraag vandaag zeker te moeten stellen. U neemt de noodkreet van het Europees parket duidelijk ernstig en dat stemt mij tevreden. Elke euro die verdwijnt in de verkeerde zakken, beste collega’s, is immers een euro minder voor onze welvaartsstaat. Vooruit trekt een duidelijke lijn: fraude moet worden bestraft, vooral uit respect voor de mensen en bedrijven die zich wél aan de spelregels houden en eerlijk bijdragen. Daarom is het zo belangrijk dat wij het Europees parket goed ondersteunen en dat we actief meewerken aan onderzoeken naar fraude en gesjoemel met Europese middelen. Ik begrijp echter dat men dat vandaag bij het Vlaams Belang niet graag hoort. We zullen dus blijven investeren en hervormen, mijnheer de minister, om onze politie te versterken, want alleen zo, leden van het Vlaams Belang, bouwen we aan een samenleving waarin iedereen eerlijk bijdraagt.

Het escalerende risico op executies van politieke gevangenen in Iran
Ahmadreza Djalali
Ahmadreza Djalali
Ahmadreza Djalali
De situatie van professor Djalali
Professor Djalali
Dreigende executies en mensenrechtenschendingen in Iran, waaronder de zaak-Ahmadreza Djalali

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De dringende zorg over Ahmadreza Djalali, de Iraans-Zweedse arts met Belgische academische banden, domineert de discussie: zijn onbekende verplaatsing, risico op executie (verergerd door nieuwe Iraanse wetten die spionage met de doodstraf bestraffen) en afgesneden contact met zijn familie wijzen op een levensbedreigende escalatie. België heeft bilateraal (via de Iraanse ambassadeur), via de EU en samen met Zweden actie ondernomen—inclusief een aanbod voor medische evacuatie (zonder reactie)—maar stuit op beperkte diplomatieke speelruimte, aangezien Djalali geen Belg is; toch blijft het land eisen: vrijlating, opheffing van zijn doodvonnis en betere detentieomstandigheden. Kritische punten zijn de urgentie voor een concreet evacuatieplan, gezamenlijke EU-druk (inclusief mogelijke sancties tegen Iran’s Revolutionaire Garde) en de vrees dat Iran’s conflict met Israël executies versnelt, terwijl Iraanse ontkenningen over zijn locatie en gezondheid wantrouwen zaaien. Moraal en mensenrechten—niet alleen Djalali’s leven—staan centraal, met oproepen tot hardere diplomatieke consequenties en internationale veroordeling van Iran’s repressie.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, volgens onder meer Amnesty International, Iran Human Rights, en de internationale media is de situatie van Ahmadreza Djalali, de Iraans-Zweedse spoedarts met nauwe academische banden met België, opnieuw drastisch verslechterd. Na de raketaanval op de Evingevangenis werd hij eerst samen met anderen collectief overgeplaatst, maar deze keer is hij opnieuw, alleen, verplaatst naar een onbekende locatie. Volgens zijn familie en mensenrechtenorganisaties kan dat duiden op een nakende executie. Hebt u een recente stand van zaken? Werd er intussen, bilateraal, via de EU, of via VN-kanalen actie ondernomen?

Welke hefbomen ziet u binnen uw bevoegdheden om de Iraanse autoriteiten aan te spreken op de dreigende executie?

De echtgenote van professor Ahmadreza Djalali heeft zich recentelijk in een aangrijpende oproep opnieuw tot de internationale gemeenschap gericht over de alarmerende escalatie van repressie in Iran. De Iraanse autoriteiten hebben het Iraanse parlement nieuwe wetgeving laten goedkeuren waardoor de doodstraf kan worden uitgesproken voor vermeende samenwerking met vijandelijke staten, waaronder Israël.

Tegelijkertijd worden families van gevangenen in Teheran, waaronder die van professor Djalali, sinds enkele dagen afgesneden van contact met hun dierbaren. Er zijn berichten over internetblokkades, het stilzwijgen van gevangenissen en executies zoals die van Esmail Fekri op 16 juni zogezegd wegens spionage voor Israël.

Tijdens onze vorige commissievergadering meldde u dat u persoonlijk de Iraanse ambassadeur had gebeld en de Iraanse autoriteiten had opgeroepen om Ahmadreza Djalali onmiddellijk vrij te laten en om hem in afwachting van zijn vrijlating tijdig adequate toegang tot medische zorg te geven. Hebt u recentelijk nog contact gehad met de Iraanse autoriteiten?

Heeft de Belgische regering nagedacht om via diplomatieke betrekkingen medische evacuatie te verkrijgen voor professor Djalali? Wordt samengewerkt met andere Europese landen als Zweden en Italië om de overplaatsing naar een buitenlands ziekenhuis enerzijds en de vrijlating van professor Djalali anderzijds te eisen?

Annick Lambrecht:

De echtgenote van de Iraans-Zweedse professor Djalali deed een zeer emotionele oproep, omdat de heer Djalali zich nu in een nog precairdere situatie bevindt dan voorheen als gevolg van de aanval van Israël en de VS tegen Iran.

Volgens Amnesty International zou Iran, door het conflict met Israël, het aantal executies kunnen opdrijven. De voorbije maand heeft Iran al verschillende mensen gearresteerd vanwege "collaboratie en banden met Israël". Hoge functionarissen van het regime hebben al opgeroepen om sneller over te gaan tot de doodstraf. Het hoofd van de wetgevende macht in Iran zou al hebben opgeroepen om zoveel mogelijk mensen te arresteren die de rust en de veiligheid van het Iraanse volk verstoren, in casu personen die worden beschuldigd van banden met Israël of de VS.

Normaal gesproken zou spionage of samenwerking met een vijandige overheid leiden tot een levenslange gevangenisstraf. Pas als elementen aantonen dat de veroordeelde "aardse corruptie" vertoont, kan de doodstraf worden uitgesproken. Nu lijkt Iran echter van plan om spionage meteen te bestraffen met executie.

Zijn er indicaties of vreest u dat mensen die oneerlijk veroordeeld zijn voor banden met Israël, nu een groter risico op executie lopen?

Hebt u al contact opgenomen met de Belgische ambassade over die nieuwe wending?

Overweegt de Belgische regering om via diplomatieke betrekkingen te trachten een medische evacuatie voor professor Djalali te verkrijgen?

Michel De Maegd:

Madame la présidente, pour gagner un peu de temps, je me réfère à ma question telle qu'écrite.

Monsieur le ministre, la situation d'Ahmadreza Djalali suscite de nouvelles inquiétudes. Il a, en effet, récemment été transféré à deux reprises vers un lieu inconnu. ​

Vous avez indiqué avoir activé plusieurs canaux diplomatiques afin d'en savoir plus sur la situation. Vous avez également annoncé que l'ambassadeur iranien à Bruxelles serait approché dans les plus brefs délais.

Pouvez-vous faire le point sur l'état actuel des démarches entreprises par la Belgique, tant au niveau bilatéral que dans un cadre européen ou multilatéral, pour empêcher l'exécution de M. Djalali ?

La Belgique envisage-t-elle de coordonner une initiative conjointe avec ses partenaires européens, voire au sein des Nations Unies, afin d'accentuer la pression diplomatique sur les autorités iraniennes ?

Je vous remercie.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, eind juni uitte u reeds uw bezorgdheid en vroeg u de Belgische ambassadeur in Teheran meteen contact op te nemen met de Zweedse ambassadeur in Teheran. U stelde toen ook dat Iraanse ambassadeur in Brussel spoedig benaderd zou worden en dat er meer stappen zouden volgen via verschillende diplomatieke kanalen om Teheran onder druk te zetten.

Welke stappen heeft ons land sinds uw verklaring nog ondernomen? Heeft de Belgische ambassadeur in Teheran sinds zijn overplaatsing rechtstreeks diplomatiek contact gehad met de Iraanse autoriteiten? Zo ja, wat werd daarbij besproken? Beschikt u over informatie betreffende de locatie van professor Jalali? Zijn familie heeft immers geen contact meer met hem. Beschikt u over informatie over zijn huidige detentie- en gezondheidstoestand?

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer de minister, wat weten we vandaag over de situatie van professor Jalali? De langdurige en uiterst uitzichtloze situatie van professor Jalali is voor iedereen bijzonder frustrerend. De Belgische regering heeft zich steeds ingezet om zijn vrijlating en terugkeer te bewerkstelligen, maar stoot daarbij telkens op een muur.

Weten we waar hij zich bevindt en wat zijn actuele situatie is? Welke mogelijkheden bestaan er om toch beweging in de zaak te krijgen? Zijn er contacten geweest met Zweden? Kan er een samenwerking opgezet worden met Zweden of andere Europese lidstaten, waaronder Italië, om gezamenlijk op te treden en zo een kritische massa te vormen die druk kan uitoefenen op Iran?

Maxime Prévot:

Beste collega's, après douze jours d'hostilités intenses entre Israël et l'Iran, une intervention américaine ciblant des installations nucléaires en Iran et des frappes aériennes sur une base américaine au Qatar, un accord de cessez-le-feu entre Israël et l'Iran a été annoncé le 24 juin dernier.

Tijdens die vijandelijkheden riep ons land op tot de-escalatie, dialoog en respect voor het internationale recht en het Handvest van de Verenigde Naties. Het veroordeelde elke aanval op burgers en civiele infrastructuur en beklemtoonde het gevaar van het viseren van nucleaire installaties.

La position de notre pays est claire et la Belgique s'oppose au développement de capacités nucléaires militaires par l'Iran, qui représente une menace pour la région, mais également pour nos intérêts. Mais ce n'est pas par la force que nous réglerons les différends internationaux, que ce soit au Moyen-Orient ou ailleurs. Il est illusoire de penser qu'une attaque militaire extérieure puisse apporter la démocratie et la stabilité au pays ou à la région visée.

Il ne s'agit pas d'imposer un changement de régime depuis l'extérieur, mais plutôt de plaider pour que le régime change, qu'il abandonne le projet de nucléaire militaire, qu'il travaille davantage sur la démocratie et les droits humains au profit de sa propre population, qu'il ne soutienne pas la Russie dans son agression contre l'Ukraine et qu'il s'abstienne de toute activité déstabilisatrice dans la région.

Alleen een onderhandeld kader, in coördinatie met het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie, kan een duurzame oplossing bieden. Ik spreek hierbij mijn volledige steun uit voor het mandaat van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie en voor diens directeur-generaal en roep Iran op zijn samenwerking met het VN-agentschap te hernemen. Diplomatie moet nu zegevieren.

Je ne suis pas naïf sur les difficultés qui attendent la communauté internationale dans ce contexte. Le défi est dantesque, mais pas impossible, et l'Union européenne devrait être capable de se positionner de manière utile pour favoriser l'émergence de solutions diplomatiques. Dans ce contexte, et faisant écho à vos interpellations, un aspect me préoccupe tout particulièrement: la situation des ressortissants européens détenus arbitrairement en Iran.

Des informations inquiétantes en provenance de la prison d'Evin, où se trouvent plusieurs ressortissants européens victimes de détentions arbitraires, en ce compris le Dr Djalali, nous sont effectivement parvenues récemment.

Op basis daarvan heb ik onmiddellijk mijn teams in Brussel en Teheran gevraagd om stappen te ondernemen bij de Iraanse autoriteiten om onze diepe bezorgdheid over het lot van die personen te uiten en om informatie te krijgen over de situatie ter plaatse, in het bijzonder over de persoonlijke situatie van dokter Djalali, waarbij uitdrukkelijk werd verzocht dat zijn gezondheid en fysieke integriteit worden gerespecteerd.

Les autorités iraniennes ont affirmé avoir bien entendu nos inquiétudes, ont confirmé que plusieurs individus avaient été tués à Evin lors de frappes israéliennes récentes, et que des transferts de prisonniers vers d'autres lieux de détention avaient effectivement bien eu lieu, pour leur propre sécurité.

Het recente geweld tussen Israël en Iran zou het risico op executies van personen die door de Iraanse autoriteiten gezien worden als verbonden met Israël, kunnen vergroten. België blijft de aanhoudende detentie van dokter Djalali van nabij opvolgen.

De Belgische positie is duidelijk. We verzoeken de Iraanse autoriteiten om dokter Djalali vrij te laten, zijn doodstraf nietig te verklaren en zijn detentieomstandigheden dringend te verbeteren. We blijven eisen dat het doodvonnis waartoe hij is veroordeeld, niet wordt uitgevoerd. Het lot van dokter Djalali wordt met de Zweedse collega's besproken.

Notre marge de manœuvre reste néanmoins limitée. É tant donné que le Dr Djalali n'est pas un ressortissant belge, cette situation reste avant tout une question consulaire suédoise. Nos démarches récentes et de longue date démontrent toutefois à suffisance notre engagement en faveur du Dr Djalali et notre solidarité européenne. Je me réfère à mes précédentes interventions sur le sujet dans ce cénacle, détaillant les démarches et actions concrètes, en sa faveur en vue de faire pression sur l'Iran.

J'ajouterai que nous avons récemment envoyé aux autorités iraniennes une offre d'appui médical émanant d'une institution belge. Cette offre est néanmoins restée, à ce jour, sans réponse.

De kwestie van Europese onderdanen die in Iran willekeurig worden vastgehouden, blijft een punt van zorg en actie voor ons land, zoals duidelijk bevestigd in het regeerakkoord van de federale regering. Naast dokter Djalali blijven er vandaag verschillende onschuldige Europeanen in Iran opgesloten. We blijven ijveren voor de vrijlating van hen allen. België blijft samenwerken met zijn Europese partners om die praktijk in Iran te bestrijden.

Je vous remercie de votre attention.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik neem nota van uw diplomatieke inspanningen, maar ik blijf toch met enkele bezorgdheden zitten. Internationale organisaties spreken wel degelijk over een mogelijke executie op heel korte termijn. U kreeg van de Iraanse autoriteiten het antwoord dat de bezorgdheden goed werden genoteerd en dat de gevangenen voor hun eigen veiligheid werden verplaatst. Sta mij echter toe op te merken dat dat op zijn minst merkwaardig is, zeker gezien het feit dat de familie geen toegang heeft tot de heer Djalali. Het lijkt mij essentieel dat België samen met zijn Europese partners, voornamelijk Zweden en Italië, de zaak blijft aankaarten.

Uit uw antwoord blijkt ook dat u stelling inneemt tegen een mogelijke executie. Misschien moet er toch ook over worden nagedacht om daaraan diplomatieke consequenties te verbinden.

Bovendien blijft het voor mij van belang dat er ook daadwerkelijk een concreet plan klaarligt voor een medische evacuatie van professor Djalali, mocht zijn gezondheidstoestand of de veiligheidssituatie dat vereisen.

De urgentie van de zaak laat geen uitstel meer toe. De situatie lijkt mij immers ernstiger dan ooit te zijn.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

Wij zullen het dossier op de agenda blijven plaatsen. Dat is ook het enige wat wij kunnen doen. Wij hopen ook dat u het blijft opvolgen.

Het is geen goed teken dat op het voorstel tot medische steun geen enkele reactie van Iran kwam. Ik denk dat dat niet veel goeds voorspelt. Anderzijds hoop ik dat u omwille van discretie niet veel hebt gezegd over een medische evacuatie via diplomatieke betrekkingen voor professor Djalali, wat wij hebben bepleit.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse ainsi que pour les efforts fournis. Au-delà des démarches diplomatiques, il y a une question fondamentale de principe qui n'est pas seulement la vie d'un homme et celle de tous les autres innocents emprisonnés qui sont en jeu et vous l'avez rappelé, mais la crédibilité de nos engagements en matière de droits humains.

Ahmadreza Djalali est non seulement un scientifique reconnu mais aussi un enseignant accueilli par une université belge. C'est vrai, vous avez raison, il n'a pas la nationalité belge. Nous avons tout de même un devoir moral à son égard et la résolution que notre assemblée s'apprête à adopter demain en séance plénière le rappelle d'ailleurs avec force. Mais au-delà des démarches qui doivent être internationalisées, notre voix doit être entendue dans toutes les enceintes possibles. L'Iran doit savoir qu'il n'y a ni silence ni indifférence et je vous invite donc à poursuivre votre engagement. Merci à vous.

Els Van Hoof:

Bedankt voor uw antwoord en voor alle inspanningen die u en de Belgische en Zweedse diplomatie leveren.

De onzekerheid over de toestand van dokter Djalali blijft groot, des te meer voor zijn familie. Het is goed dat u zich bereid verklaard om medische hulp te verlenen. U moet dat signaal blijven herhalen, ook al blijft een respons uit. Dat zal ook het Parlement morgen doen, hopelijk unaniem, om u en de Belgische diplomatie en vooral de familie te steunen. Dat was alvast het geval in commissie. Zo willen we overigens ook Zweden onder druk zetten om meer actie te ondernemen dan het in het verleden gedaan heeft.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, onderhandelen met een theocratie als Iran is uiteraard niet eenvoudig. Het is goed dat u pogingen onderneemt, maar het respecteren van de mensenrechten zit niet echt in de genen van degenen die daar aan de macht zijn. Ze zijn kampioen in het executeren van mensen met een andere politieke overtuiging. Ze zijn ook kampioen in het executeren van vrouwen. U hebt hier dus te maken met een tegenstander die kan tellen. De tegenstander heeft geen respect voor de vrije meningsuiting, voor vrouwenrechten, voor democratisch recht en voor mensenrechten. Daarom is het ook zo moeilijk om hiermee om te gaan. In het regeerakkoord hebben we dan ook heel duidelijk aangegeven dat we niet meegaan in gijzeldiplomatie. Voor professor Djalali is er op het moment echter geen andere mogelijkheid. Hij zit daar vast in de gevangenis. Zijn gezondheidstoestand baart ons allemaal zorgen, net zoals de toestand van vele andere onschuldige mensen die er vastzitten, mensen die een lok haar hebben getoond en mensen met een andere politieke mening. U zegt dat men gevangenen heeft verhuisd voor hun eigen veiligheid. Dat is een mooie uitleg, maar ik heb toch andere geruchten gehoord. Heel wat families van gevangenen weten namelijk helemaal niet waar hun geliefden naartoe zijn overgebracht. Gebeurde het dan voor hun veiligheid of leven ze vandaag niet meer? Op die vragen komt er geen antwoord. Morgen zullen we stemmen over het voorstel van resolutie van mijn collega Darya Safai waarin we die situaties en het optreden van de IRGC heel duidelijk veroordelen en vragen om met de Europese lidstaten de IRGC op de lijst van verboden terroristische organisaties te zetten. Het is absoluut urgent.

De malaise bij de federale politie en de verantwoordelijkheid van Eric Snoeck
De hoorzitting met Eric Snoeck
De evolutie van de federale politie
De hoorzitting met de commissaris-generaal van de federale politie
Governance, werking en management van de federale politie
Een actieplan met betrekking tot de moslimbroederschap
De registratie van aanhangers van 764 en No Lives Matter in de GGB TER
Georganiseerde politieke terreur tegen het defensiebedrijf OIP in Doornik
Gemaskerde demonstranten
De toevoeging van Samidoun aan de OCAD-lijst
De oproepen tot dodelijk geweld in Brussel
Het OCAD-rapport waarin een link tussen de klimaatbeweging en extremisme wordt vastgesteld
De aanvallen op Syensqo en OIP door extreemlinkse militanten
De dreiging van extremisme bij een deel van de klimaatbeweging
De politieke islam in België
Het Collectif contre l'islamophobie en Belgique
De overheidssubsidies voor het CIIB
De analyse van de dreiging van extreemrechts
Het politieke en religieuze extremisme in België
Politiek en religieus extremisme, governance en uitdagingen binnen de federale politie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie onthult een diepe structurele crisis binnen de federale politie, gekenmerkt door toxische werkcultuur, grensoverschrijdend gedrag, pestpraktijken en een disfunctionerend topmanagement, zoals blijkt uit het ontluisterende CORESPO-rapport en talrijke getuigenissen van agenten. Hoewel minister Quintin vertrouwen behoudt in commissaris-generaal Snoeck – ondanks diens ontwijkende houding en gebrek aan transparantie – eisen oppositie en delen van de meerderheid externe doorlichting, strenge sancties en hervorming van de leiding, met name om vertrouwen te herstellen en de parlementaire controle te waarborgen. Budgettaire tekorten (90% naar personeel) en verouderde structuren verergeren de problemen, terwijl een beloofd strategisch plan (september 2025) als cruciale test zal dienen. De kernvraag blijft of Snoeck, ondanks zijn operationele successen (bv. Sky ECC), politiek en moreel houdbaar is gelet op de cultuur van doofpot, relatiesconflicten en minachting voor slachtoffers.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, de malaise bij de federale politie is intussen geen nieuws meer. De berichten die mijn collega's en ikzelf hebben ontvangen, maken duidelijk dat die heel verontrustende proporties aanneemt.

Het een en ander is onder de publieke aandacht gekomen, toen het CORESPO-rapport bijna stoemelings openbaar werd gemaakt, waarna de grootste politievakbond, het VSOA, de kat de bel aanbond. Dat rapport, dat het intern gedrag en de cultuur bij de federale politiediensten onder de loep nam, is ontluisterend en roept heel veel vragen op over de sfeer bij de federale politie.

De conclusie is - en ik meen dat we het daar over alle partijgrenzen heen eens kunnen zijn - dat er een structureel probleem is van een toxische werkcultuur, grensoverschrijdend gedrag, pestgedrag en een totaal gebrek aan vertrouwen in de top van de organisatie. Ik verwijs naar getuigenissen die in de pers zijn verschenen en die ik ook persoonlijk heb ontvangen. Ze tarten werkelijk alle verbeelding.

Ik zal niet alles opsommen, want dat zou ons te ver leiden, maar ik wil er toch een viertal citeren. Een getuigenis luidt als volgt: "Mijn 13-jarige carrière bij de federale politie is er vooral een van pesterijen, toxisch leiderschap, vrouwonvriendelijke opmerkingen en nul communicatie." Een andere getuigenis luidt: "Een collega had mij en anderen jarenlang heimelijk gefilmd en gefotografeerd tijdens het omkleden op de werkvloer. De dader is gewoon terug aan het werk binnen dezelfde dienst, zonder enige zichtbare gevolgen. Tot op vandaag word ik bovendien nog steeds gestalkt en belaagd door deze collega."

Ik citeer een andere klokkenluider: "De top van de federale politie steekt meldingen van grensoverschrijdend gedrag in de doofpot, een doofpotcultuur". Of nog: "Mensen vallen uit of lopen weg naar andere diensten, ze worden depressief en sommigen zelfs suïcidaal. Onderzoeken naar daders zijn er amper en de sancties zijn beperkt".

Mijnheer de minister, één klacht kunt u nog wegzetten, dat gebeurt overal wel eens. Twee klachten echter zouden toch enkele alarmbellen moeten doen afgaan. Als er tientallen klachten zijn, zoals hier het geval is, dan moet er worden ingegrepen. Dat is ook de reden waarom ik en een aantal collega’s uit de oppositie en de meerderheid u hierover ondervragen.

Er zijn niet alleen getuigenissen van de malaise, er zijn ook inhoudelijke problemen. Minder dan een op de tien agenten vertrouwt erop dat moeilijke thema’s correct worden aangepakt, zo blijkt uit het CORESPO-rapport. Een andere problematiek is de erbarmelijke staat van sommige gebouwen. Volgens de vakbond grenst de verwaarlozing van de kazerne van Etterbeek aan minachting. Het zou trouwens misschien geen slecht idee zijn om met de Commissie voor Binnenlandse Zaken een plaatsbezoek te brengen, zodat we dat met eigen ogen kunnen vaststellen. Iets lezen is immers nog iets anders dan het daadwerkelijk ervaren.

Nog hallucinanter in het hele verhaal is de houding van de leidinggevenden, in het bijzonder van commissaris-generaal Snoeck. Niet alleen blijkt uit meerdere getuigenissen dat de top de cultuurproblemen jarenlang heeft genegeerd of geminimaliseerd, terwijl de heer Snoeck zelf hoofd was van de betrokken dienst DGJ, maar bovendien weigerde de heer Snoeck in eerste instantie verantwoording af te leggen tegenover het Parlement.

Intussen hebben we de heer Snoeck in onze commissie wel kunnen horen, maar op de vele pertinente vragen van bijna alle fracties kwam er eigenlijk geen afdoend antwoord. Daarom hebben we de commissaris-generaal verzocht om schriftelijk te antwoorden. Met de commissie hebben we ook besloten om de heer Snoeck in september opnieuw voor een hoorzitting uit te nodigen.

Mijnheer de minister, wanneer parlementsleden, vertegenwoordigers van het volk, vragen stellen over ernstige wantoestanden bij een cruciale staatsinstelling als de politie, vind ik het absoluut onaanvaardbaar dat de hoogste ambtenaar van die organisatie zich ontwijkend opstelt. Ik druk mij dan nog eufemistisch uit. Dat ondermijnt de democratische controle en voedt vooral het wantrouwen van zowel de bevolking als van het personeel op het terrein.

Mijnheer de minister, tot nu toe was uw houding er een waarbij u aan de heer Snoeck de kans liet om een en ander toe te lichten. U antwoordde reeds in het Parlement, in de plenaire vergadering, dat u zelfs het vertrouwen in de heer Snoeck behoudt. Maar kunt u na al die onthullingen en na de hoorzitting met de heer Snoeck die stelling nog altijd handhaven? Ik hoop dat er vandaag ook van uw zijde enige politieke moed is om in te grijpen, waar het echt nodig is.

Waarom werden de klokkenluiders en de vele getuigenissen genegeerd? Waarom werd een deel van de top in bescherming genomen? Wie beschermt dan de politiemensen, die zich elke dag met veel moed voor onze veiligheid inzetten, terwijl zij op de werkvloer blijkbaar het slachtoffer van een dysfunctionele leiding zijn?

Niet ingrijpen, mijnheer de minister, zou volgens mij getuigen van een zekere minachting tegenover de vele politieagenten. Daarom stel ik u onomwonden de volgende zeer concrete en pertinente vragen.

Ten eerste, wat is uw reactie op de inhoud van het CORESPO-rapport? Onderschrijft u die vaststellingen, en zo ja, welke concrete maatregelen hebt u genomen sinds de publicatie of ontvangst van het rapport? Uiteraard dateert het rapport niet van deze legislatuur, het sleept al enkele jaren aan, al sinds de periode waarin minister Verlinden verantwoordelijk was voor de politie.

Ten tweede, bent u op de hoogte van de getuigenissen en signalen over grensoverschrijdend gedrag, intimidatie en pestgedrag binnen de federale politie, specifiek op topniveau? En wat werd daarmee gedaan?

Ten derde, waarom blijft de heer Snoeck in zijn functie als commissaris-generaal? Acht u het verdedigbaar dat iemand die zich structureel onttrekt aan parlementaire controle en onder wiens leiding zulke wantoestanden zijn toegenomen, in functie blijft?

Ten vierde, hebt u de heer Snoeck intussen aangesproken op zijn weigering om openheid van zaken te geven aan het Parlement? Zo ja, wat was desgevallend zijn antwoord? Ik wil daaraan toevoegen, mijnheer de minister, dat we volledige transparantie hebben gevraagd en ook alle documenten hebben opgevraagd. Tot nu toe is dat nog altijd niet gebeurd. Namens de commissie hebben we opnieuw de vraag gericht aan de commissaris-generaal om dit in orde te brengen.

Ten slotte, mijnheer de minister, bent u bereid uw vertrouwen in de commissaris-generaal te herzien? Waarom blijft u deze man de hand boven het hoofd houden?

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik zal niet alles herhalen, maar ik was nogal verwonderd over het zeer algemeen antwoord dat de heer Snoeck gaf tijdens zijn hoorzitting in de Kamer. Op veel van de vragen die ik heb gesteld, heeft hij niet eens geantwoord. We hebben afgesproken dat hij schriftelijk antwoorden zou nasturen. Die hebben we ondertussen ontvangen, maar ook die antwoorden blinken echt uit in vaagheid. Ik kan daar heel weinig mee.

Als nieuwkomer in het Parlement loop ik daarmee een beetje vast. Dat ik nieuwkomer ben, mag ik voorlopig nog zeggen, want ik zit hier nog maar bijna een jaar, maar daarna zal ik stoppen met dat excuus. Ik vind het erg moeilijk, omdat ik het rapport heb, met daarnaast een hele reeks verklaringen van politieambtenaren die dat rapport eigenlijk bevestigen, maar daartegenover staat de uitleg van de heer Snoeck, zowel tijdens de hoorzitting als in zijn schriftelijke antwoorden. Daar zit echt een groot verschil tussen. Het lijken twee parallelle universums. Ik vind het moeilijk om in te schatten wat daarvan klopt.

In ieder geval was het antwoord van de heer Snoeck op één punt wel duidelijk. Hij gaf aan dat het bij hen toch niet erger is dan elders. Dat vond ik een merkwaardige uitleg, maar goed. Hij gaf ook aan dat ze helemaal niet in een crisis zitten en dat het is tijd om de bladzijde om te slaan. Dat vond ik een vreemde reactie.

Mijnheer de minister, bent u het eens met die lezing, namelijk dat nu het rapport er is en verbeteracties zijn uitgevaardigd, we weer kunnen overgaan tot de orde van de dag? Deelt u de analyse dat geremedieerd is aan alles wat in het rapport staat? Zo niet, wat moet er nog gebeuren?

Een specifiek punt zijn de relaties tussen de leidinggevenden. In zijn antwoord zegt de heer Snoeck dat dat allemaal privéaangelegenheden zijn en dat men daarover dus eigenlijk niets kan zeggen. Dat is best mogelijk, maar de signalen die wij uit het veld ontvangen, wijzen erop dat door de relaties binnen het leidinggevend kader een aantal procedures niet meer functioneren. Een klacht tegen een leidinggevende moet bijvoorbeeld ingediend worden bij de partner van diezelfde leidinggevende.

Het gaat niet om een of twee gevallen, maar een tiental, en in zulke gevallen is er natuurlijk wel een probleem. In dat opzicht is het immers wel fundamenteel om van die relaties op de hoogte te zijn. Kunt u daarin enige klaarheid scheppen?

Éric Thiébaut:

Effectivement, monsieur le ministre, nous avons entendu, le 17 juin dernier, le commissaire général. En fait, il avait été invité à venir exposer sa vision de la police fédérale. C'était au départ la raison pour laquelle on l'avait invité devant cette commission; Moi, j'étais content. Comme vous le savez, je siège ici depuis longtemps et c'est plutôt assez rare. J'ai connu beaucoup de commissaires généraux, hommes et femmes. Habituellement, nous rencontrons beaucoup de difficultés pour nous assurer de leur présence.

Cela dit, nous avons entendu M. Snoeck. Ce n'est pas un inconnu pour la commission de l'Intérieur. En effet, lorsqu'il était patron de la police judiciaire fédérale, il est quand même venu, à l'époque, en compagnie des plus hauts magistrats du pays, nous expliquer la problématique que le monde policier rencontrait par rapport à la montée de la criminalité, par rapport à la criminalité violente liée à la drogue qui se développait dans notre pays. Ils sont venus avec un appel à l'aide très clair auquel, je pense, nous avons répondu.

Au départ, c'est quand même la tête pensante de l'opération Sky ECC, qui est peut-être la plus grosse opération policière de ce pays, ayant livré des résultats exceptionnels. Je pense que les qualités de M. Snoeck sont apparues à ce moment-là. Je pense que ce sont les résultats qu'il a obtenus dans le cadre de cette opération très spectaculaire qui l'ont propulsé à la tête de notre police fédérale. C'est ainsi qu'il découvre une police fédérale qui faisait face à de sérieux dysfonctionnements, avec des réformes à entamer au niveau de la structure, de l'organisation.

Vous savez, quand on bouscule des habitudes, quand on change des systèmes, en interne, il y a toujours, bizarrement, des gens qui n'aiment pas cela. Pour donner un exemple, quand vous désignez une personne mais qu'un affilié d'un syndicat aurait bien voulu être désigné à cette place, parfois le syndicat réagit pour attaquer la direction. Et du coup, cela devient un dysfonctionnement général, des dizaines de personnes se plaignent du commissaire général.

Or, lorsqu'un un problème de gestion du personnel se pose, en général, les syndicats réagissent. Vous allez me dire: "Ah, il y a une réaction syndicale". Pas de la CGSP, pas de la CSC, pas non plus du syndicat national de police! On a juste eu une réaction hyper violente de l'aile flamande du SLFP, comme par hasard. Et les autres syndicats ne réagissent pas. Moi, cela m'interpelle quand même. S'il y avait une grosse catastrophe au niveau de la gestion du personnel, je pense que tous les syndicats réagiraient.

Et donc, M. Snoek est venu s'expliquer. Il a reçu des questions assez virulentes et, quelque part, je trouve personnellement qu'il est resté très calme par rapport à la virulence de certains collègues ici, notamment par rapport à la mise en doute de son intégrité. Je trouvais que c'était vraiment déplacé.

Il n'a pas répondu directement à toutes les questions, notamment du fait qu'on lui a laissé pratiquement une demi-heure de temps de parole. Nous étions pris par le temps et nous devions arrêter. J'ai, dès lors, proposé – souvenez-vous, chers collègues – qu'il nous envoie toutes ses réponses par écrit. Et nous avons reçu une note de quand même 60 pages avec tous les éclaircissements.

Il est attaqué entre autres sur le fait qu'il n'a pas pris la voiture qu'on lui suggérait au départ. Il explique qu'en sa qualité de responsable de l'opération Sky ECC, qui a impliqué des centaines de truands, dont les plus dangereux du pays, il bénéficie d'un statut de protection à respecter notamment en ce qui concerne la voiture dont il dispose, une voiture avec un niveau de protection plus important que ce qu'on lui proposait et aussi avec une puissance de moteur qui permet de s'enfuir. Je ne pense pas que M. Snoek a choisi une voiture parce qu'il a un goût du luxe démesuré. C'est mon avis.

Finalement, j'ai le sentiment que nous assistons ici à une espèce de chasse à l'homme tout à coup et que toute une série d'acteurs lui mettent des peaux de bananes, alors que M. Snoek, votre commissaire général, a surtout besoin de soutien pour mener les réformes nécessaires au niveau de la police fédérale et pour continuer la lutte tout aussi nécessaire contre le crime organisé dans ce pays, fait quand même assez interpellant depuis des années.

Je ne m'étendrai pas davantage. Je trouve quand même que toutes ces attaques sont un peu déplacées et cela me laisse un goût bizarre quand je vois d'où elles surgissent, de quels partis et de quelle partie du pays. J'espère que le plus gros problème de M. Snoek, ce n'est pas qu'il soit francophone, en l'occurrence. En effet, si on commence à avoir des soucis avec cela, alors, notre pays est vraiment dans un très, très mauvais état.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, de federale politie is mij dierbaar. Het is dan ook goed dat we een actualiteitsdebat organiseren, al weet ik niet of de federale politie voor iedereen in dit parlement even dierbaar is, want ik vind het vreemd dat regeringspartij N-VA in dit debat afwezig blijft.

Net omdat de federale politie mij dierbaar is, moeten we de eventuele problemen aanpakken. Dat dient te gebeuren op het niveau van de commissaris-generaal. Die moet zijn verantwoordelijkheid opnemen, samen met het DirCom en de collega’s van de lokale politie.

U, als minister van Binnenlandse Zaken, en de regering dragen daarin ook verantwoordelijkheid. Het is voor mij van belang – en ik spreek ook vanuit het verleden – dat we problemen bij de federale politie niet laten aanslepen. In alle eerlijkheid denk ik dat dat in het verleden te vaak is gebeurd.

Ten tweede vind ik het belangrijk – en daarin sluit ik mij aan bij de woorden van mijnheer Thiébaut– dat we voorzichtig zijn met intentieprocessen en niet alles op een hoop gooien. Als ik de voorzitter in zijn hoedanigheid van parlementslid hoor zeggen dat de positie van mijnheer Snoeck onhoudbaar is en vraagt of men hem nog kan verdedigen, dan moeten we toch voorzichtig zijn. Ook wij als parlementsleden dragen immers verantwoordelijkheid, en we mogen de problemen niet groter maken dan ze zijn. We moeten ze daarentegen helpen oplossen vanuit deze commissie. Nu al een proces opstarten over de houdbaarheid van de positie van mijnheer Snoeck, vind ik dan ook heel erg prematuur.

Ik ben het dus eens met collega Thiébaut dat we geen chasse à l’homme mogen organiseren, maar tegelijk moeten er wel antwoorden komen, als er gelegitimeerde vragen zijn. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het verhaal van de BMW. We hebben het antwoord van de commissaris-generaal daarover gelezen.

Het is belangrijk, mijnheer de minister, dat we ook uw standpunt daarover horen. Hoe reageert u als minister van Binnenlandse Zaken op de hoorzitting en op de inhoud van de brief? Welke conclusies trekt u daaruit?

Mijnheer Snoeck sprak tijdens de hoorzitting over een strategisch plan, dat hij tegen de zomer – dus ongeveer nu – zou indienen. Is dat strategisch plan afgestemd op de budgettaire afspraken die werden gemaakt in het kader van het paasakkoord? Dat akkoord bepaalt dat 35 % van de voorziene 250 miljoen naar de federale politie gaat. In totaal gaat het dus om 87,5 miljoen euro via frontloading. Is het plan daarop afgestemd? Of is dat plan strategischer van niveau? Dat kan natuurlijk ook.

Ten derde, als we het hebben over budgetten, is een van de grootste structurele problemen bij de federale politie sinds haar ontstaan, dat er te veel budget naar het personeel gaat. Bijna 90 %, meer dan 85 %, gaat naar het personeel, waardoor er geen of nauwelijks middelen overblijven voor de werking, laat staan voor investeringen. Dat is volgens mij een van de kernelementen om de problemen bij de federale politie aan te pakken. Hoe bekijkt u dat, mijnheer de minister?

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, le 17 juin dernier, lors de l'audition du commissaire général, de nombreuses questions, parfois très virulentes, ont été adressées quant aux pratiques existant au sein du commissariat général. Poser des questions est normal. Il importe de pouvoir le faire, et que le commissaire général et vous, monsieur le ministre, puissiez nous éclairer sur la situation.

Le format qui était proposé n'a pas permis au commissaire général de répondre à toutes les questions. Nous avons donc accepté que les réponses nous parviennent par voie écrite. Certaines nous éclairent tandis que d'autres nous interpellent encore.

Comme vous le savez, la confiance dans la direction générale, et plus particulièrement dans le commissaire général, fait l'objet de critiques. J'ignore si elles sont fondées, mais vous pourrez certainement nous fournir des éclaircissements.

Des témoignages font état d'un climat de méfiance – généralisé ou pas? –, de relations hiérarchiques parfois malsaines, de comportements transgressifs, d'une gouvernance déficiente. Ces mots sont très durs pour une haute fonction de l'État.

À côté de cela, la situation financière de la police fédérale conserve des zones de flou, malgré la mise en place d'une cellule budgétaire. Il y a des chiffres contradictoires sur l'évolution budgétaire et sur les moyens réels disponibles. Aucun tableau d'ensemble clair ne nous est présenté.

En ce qui concerne la réforme interne menée par le commissaire général, la multiplication des services et des effectifs, ainsi que l'orientation et la cohérence de cette réorganisation soulèvent encore des questions. À titre d'exemple, l'arrêté royal du 27 octobre 2015 prévoit 74 collaborateurs pour le commissaire général. Dans les faits, ce nombre est dépassé de 60 personnes, avec un effectif total de 134 personnes.

Monsieur le ministre, le commissaire général n'avait pas pu répondre à l'ensemble de nos questions. Avez-vous pris connaissance des réponses écrites? Quelle est votre opinion globale sur les réponses formulées?

Pouvez-vous nous éclairer sur la situation financière actuelle de la police fédérale? Comment le budget et les effectifs ont-ils évolué au cours des dix dernières années? Quelles décisions stratégiques ont-elles été prises sur cette base?

Comment justifiez-vous l'augmentation substantielle des effectifs au sein du commissariat général au-delà des limites prévues par l'arrêté royal? Sur quelle base budgétaire cela repose-t-il? Quelle capacité est-elle nécessaire pour chacune des missions du commissaire général?

J'imagine que vous êtes bien informé des témoignages de harcèlement, de favoritisme, de leadership toxique et de gestion RH problématique. Partagez-vous cette position ou de quelle manière pouvez-vous la nuancer ou la contredire?

Quelles leçons globales tirez-vous de la situation actuelle? Quelles mesures comptez-vous prendre pour garantir et maintenir un climat de confiance au sein de la police fédérale? Cela semble tout à fait essentiel.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, de federale politie is een belangrijke dienst die mee waakt over de veiligheid van de burgers in ons land. Seksisme, misogynie , racisme, pesten op het werk, en machtsmisbruik door leidinggevenden horen gewoon niet thuis in zo'n dienst. Voor alle duidelijkheid, ze horen nergens thuis. Als zulke zaken voorkomen bij de politie is dat niet alleen ernstig voor de medewerkers, want zo'n werksfeer zorgt voor persoonlijke drama's, maar het is ook ernstig voor de burgers.

Uit het antwoord van de commissaris-generaal blijkt dat er ondertussen bij de federale politie wel actie wordt ondernomen om het wangedrag aan te pakken. Ik las over de implementatie van de klokkenluiderswetgeving en over de invoering van een meldkanaal, over extra capaciteit op de dienst Integriteitbevordering en -bewaking en over de uitbouw van het netwerk van vertrouwenspersonen voor psychosociale aspecten. Dat zijn allemaal noodzakelijke stappen, maar die zijn duidelijk nog lang niet genoeg, gelet op de ernst van het probleem. Ik meen dat er nog veel meer moet gebeuren.

Tegelijkertijd viel op dat er in het antwoord van de heer Snoeck wordt verwezen naar structurele tekorten. Er is te weinig personeel, er zijn te weinig middelen, er zijn te veel dossiers die tegelijkertijd aangepakt moeten worden. Kortom, de problemen worden wel erkend, maar ze worden vertraagd aangepakt, onder meer omdat de ruimte ontbreekt.

Dat roept vragen op. Als we echt een veilige en integere politie willen, voor alle medewerkers en voor de samenleving, moeten we ook durven kijken naar de financiële onderbouw. Ik ben dus heel benieuwd hoe u kijkt naar het antwoord dat ons werd bezorgd door de heer Snoeck en wat u vindt van zijn analyse dat een chronisch tekort aan middelen en personeel bij de federale politie de uitvoering van beleid, de interne werking en het personeelsbeleid ondermijnt.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je suis assez étonné, même un peu heurté, des propos qui ont été tenus en début de séance. Insinuer que le commissaire se soustrait au contrôle parlementaire m'évoque une sorte de chasse aux sorcières, Je ne peux pas l'accepter, je ne peux pas l'entendre.

On l'a entendu. S'il n'a pas effectivement répondu à toutes les questions mais nous avions convenu, sur proposition du collègue, que les réponses soient données par écrit à ces questions auxquelles il n'avait pas eu le temps de répondre. C'est le cas. Le commissaire nous a envoyé ses réponses et nous sommes en train de les analyser. Nous avons également convenu entre nous de l'entendre à nouveau à la rentrée, notamment à la suite de son dépôt de plan stratégique. Il s'agit d'un projet crucial pour la police qui nécessite une réorganisation, une vision nouvelle, en phase avec les priorités données par le nouveau gouvernement, qui, je le rappelle, est en place depuis le mois de février maintenant.

Je pense qu'on doit aussi laisser le temps aux services de pouvoir prendre connaissance des annotations, des stratégies qui sont souhaitées par le gouvernement et de pouvoir les implémenter par la suite.

En ce qui me concerne, je reste sur le schéma convenu. Nous entendrons de nouveau le commissaire, ce sera l'occasion de lui reposer des questions, d'approfondir non seulement les dossiers évoqués, mais également ce rapport, d'autres rapports, et, bien entendu, toutes les priorités importantes pour le bien-être des policiers et de la population.

Ma question, monsieur le ministre, est assez simple: quel est votre avis quant aux origines du malaise qui sont évoquées dans ce rapport? Quelles sont les politiques que vous souhaitez mener, parce que cela relève aussi, finalement, de votre responsabilité? Car le commissaire met en œuvre la politique du gouvernement, mais il y a surtout un gouvernement qui donne les orientations, qui définit les actions à mettre en place. Quelles sont donc vos propositions pour faire en sorte de retrouver un climat serein au sein de la police? Ce climat serein participe, je le rappelle, au bien-être des agents, mais aussi, bien entendu, au bien-être et à la sécurité de la population. Enfin, j'ai entendu que le commissaire était germanophone. En tout cas, il n'est pas néerlandophone.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, malheureusement, mon niveau d'allemand étant ce qu'il est, je ne veux pas me faire attraper parce que j'écorcherais la belle langue de Goethe.

Mijnheer de voorzitter, dames en heren volksvertegenwoordigers van de natie, tijdens de hoorzitting van 17 juni hebt u een uitgebreide reeks vragen voorgelegd aan de commissaris-generaal van de federale politie. Hij kreeg de gelegenheid om tijdens de vergadering antwoorden te formuleren. Het debat kon echter niet worden afgerond. Volgens verschillende commissieleden bleven bepaalde vragen onvoldoende beantwoord. Daarom werd de commissaris-generaal verzocht om uiterlijk op 7 juli bijkomend schriftelijke antwoorden te bezorgen. Dat is inmiddels ook gebeurd, in een uitvoerig document met verschillende bijlagen.

J’ai pris connaissance, a posteriori , des réponses du commissaire général. Il n’y avait en effet pas de raison que je les valide. Vous lui avez posé des questions, il vous a répondu. J’ai bien reçu les réponses qu’il vous a transmises. Sont-elles satisfaisantes? Ce sont des réponses que le commissaire général adresse au Parlement. Il ne revient pas, vous en conviendrez, au ministre de l’Intérieur de se prononcer sur leur caractère satisfaisant ou non.

Le commissaire général reviendra vous voir courant septembre pour poursuivre ce qui doit rester, en effet, une audition dans les formes – des formes, je dirais, tant structurelles que de courtoisie – afin de répondre à vos questions.

Een aantal commissieleden hebben mij ondertussen ook een reeks vragen gesteld, waarop ik vandaag globaal zal antwoorden in de vorm van vier verschillende onderdelen. Binnen de mij toegewezen tijd kan ik niet op elke vraag in detail ingaan.

J’aborderai le bien-être des collaborateurs, la situation financière de la police fédérale, le plan stratégique pour la police fédérale ainsi que la sélection, le recrutement et la formation.

Messieurs Depoortere, Thiébaut et Vandemaele, madame Delcourt, vous avez posé des questions concernant d'éventuelles atteintes à l'intégrité, la procédure CORESPO, l’enquête IDEWE et ma confiance dans la direction de la police fédérale. Je relèverai trois thèmes en matière de bien-être.

Tout d'abord, pour parler de plusieurs atteintes à l'intégrité potentiellement graves, je condamne par principe et fermement toute forme de comportement discriminatoire et inapproprié, le harcèlement et/ou un leadership inapproprié voire toxique. Il incombe à la hiérarchie de garantir un environnement de travail sûr et intègre pour tous les collaborateurs et toutes les collaboratrices. Je ne suis pas au courant de dossiers individuels et je n'ai pas à l'être. Je reste cependant convaincu que tous les signalements effectués via les canaux prévus à cet effet doivent être traités de manière appropriée.

Le commissaire général a récemment lancé un audit interne à ce sujet. S'il s'agit d'infractions pénales, il appartient au parquet d'agir. Les dossiers disciplinaires sont soumis à la réglementation disciplinaire en vigueur. Je découvre encore ce domaine, mais je peux vous dire que les procédures sont suivies et que tous les mécanismes que l'on est en droit d'attendre de la part d'un grand corps comme celui de la police fédérale sont en place et fonctionnent.

Je tiens également à souligner l'existence de canaux de signalement formels pour les atteintes à l'intégrité, conformément à la législation relative aux lanceurs d'alerte, tant en interne qu'en externe ou par voie de publication.

Niemand kan verplicht worden om een melding te doen bij een vertrouwenspersoon, ongeacht een eventuele persoonlijke band. Integendeel, elke schijn van partijdigheid moet net worden vermeden.

Ten tweede: het lopend CORESPO-traject heeft als doel, conform het model voor Governance, Riskmanagement en Compliance, cultuur- en risicodetectie uit te voeren. CORESPO brengt mogelijke ethische risicozones in kaart, zowel op het niveau van de organisatie als van haar verschillende geledingen. Daarbij zijn zeker werkpunten vastgesteld, vooreerst met betrekking tot de geïdentificeerde integriteitsrisico’s, daarnaast wat betreft het volledige procesverloop, de interne terugkoppeling en de communicatie.

Dat gezegd zijnde, het komt er nu op aan om de vastgestelde risico’s te beheren en het ethisch handelen en de conformiteit ervan te waarborgen. Het moet gebeuren aan de hand van gerichte acties. Voor de DGJ kan ik u alvast meedelen dat het eindrapport Respect DGJ in april 2025 aan de vakorganisaties is voorgelegd en dat het concrete actieplan in juni 2025 is gepresenteerd. Ik heb er vertrouwen in dat de uitwerking en opvolging via de geijkte kanalen zal verlopen. Ik zal dat blijven opvolgen.

Ten derde: de IDEWE-onderzoeken van 2019 en 2024 hebben een heel andere finaliteit en beleidskader dan CORESPO. IDEWE opereert immers binnen het wettelijk kader inzake welzijn op het werk en hanteert een andere methodologie en doelgroep. IDEWE meet indicatoren van welzijn en psychosociale belasting, terwijl CORESPO een intern instrument is voor cultuur- en risicodetectie dat meer focust op leiderschap, conflictdynamiek, perceptie van rechtvaardigheid en interpersoonlijke dilemma’s.

De resultaten van het IDEWE-onderzoek van 2024, gevalideerd in de overlegorganen met de vakorganisaties, tonen: een algemene verbetering van de welzijnsindicatoren, een stabilisatie van ongewenst gedrag, betere interpersoonlijke relaties en een daling van signalen van psychosociaal onbehagen. Beide instrumenten, CORESPO en IDEWE, vullen elkaar dus aan, maar mogen niet met elkaar worden verward of rechtstreeks naast elkaar worden gelegd.

Vous m’avez également interrogé sur la confiance que j’ai dans la direction de la police fédérale. Un ministre de la Sécurité et de l’Intérieur doit pouvoir avoir confiance en sa police. Et je peux vous dire que j’ai cette confiance, mais elle n’est pas aveugle. Elle est fondée sur les démarches que la direction entreprend et entreprendra, sur sa volonté de dialogue et sur son engagement à améliorer structurellement le fonctionnement de l’organisation de la police fédérale. C’est une mission quotidienne, qui n’est ni simple ni facile. Des comptes doivent être rendus tant au sein de l’organisation qu’à l’extérieur de celle-ci, tout comme d’ailleurs devant ce Parlement. Nous savons qu’il existe des points sensibles et des points à améliorer. Et nous devons aussi faire confiance à la direction de la police pour s’y atteler avec la détermination nécessaire.

J’en profite pour faire une incise sur les questions de sécurité. Je vous avoue que je ne me suis pas penché sur la question de la marque de la voiture à choisir. La sécurité est un sujet important que nous devons laisser aux services de sécurité – et c’est quelqu’un qui a vécu trois ans entouré de gardes de corps au quotidien qui vous le dit.

Mme Delcourt, messieurs Van Tigchelt et Thiébaut et Mme Daems, vous m'avez posé des questions sur la situation budgétaire de la police.

Ik vertel niets nieuws als ik zeg dat de situatie bij mijn aantreden als minister toch wel verrassend was.

Près de 89 % des moyens sont absorbés par les dépenses en personnel, ce qui limite évidemment fortement les marges pour investir dans les infrastructures, les véhicules, l'équipement et les outils numériques.

Dat moet veranderen. De personeelsmiddelen terugbrengen naar 85 % is een goede ambitie.

L'utilisation de la provision "sécurité", dont on a parlé, permettra notamment d'améliorer le ratio des crédits. Ceux-ci seront utilisés aussi pour couvrir une partie des moyens nécessaires dans le cadre de la réforme en cours, menée par le commissaire général. Certains projets ont déjà retenu mon attention et feront l'objet d'une utilisation cette année, tels que l'investissement dans le matériel de la DSU, le renouvellement de la flotte de véhicules ou encore l'acquisition de matériel informatique.

Donc il y a des carences, c'est une évidence. Comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire, dans la situation budgétaire difficile que nous connaissons et qui impose des mesures sévères mais nécessaires, j'ai la chance de pouvoir diriger deux départements, l'Intérieur, globalement exempt d'économies, et la police fédérale, totalement exempte d'économies – et même dotée d'un budget supplémentaire de 450 millions. J'ai même réussi, par une petite pirouette, à récupérer 45 millions de plus pour ce budget.

Ces moyens seront consacrés à mettre la police au goût du XXIe siècle, à la fois dans les moyens dont elle dispose mais aussi dans l'adéquation de ses moyens avec la réalité de la criminalité qui est la nôtre aujourd'hui et qui n'est pas celle d'il y a 25 ans, quand la police intégrée à deux niveaux a été créée dans le cadre de la grande réforme de la police dans notre pays. C'est une tâche qui m'occupe jour et nuit – littéralement – vu l'heure à laquelle on termine les kern pour le moment.

In mijn derde punt kom ik tot de vragen over het strategisch plan voor de federale politie. Op vraag van de minister van Justitie, mevrouw Verlinden, en mijzelf, wordt door de commissaris-generaal en het directiecomité de laatste hand gelegd aan een ontwerp van strategisch plan. Dat is een noodzakelijk initiatief voor de goede werking en coördinatie van een beter gemanagede en meer performante federale politie.

Ik verwijs opnieuw naar de begroting. U weet hoe dat werkt. Ik moet u zeggen dat ik echt verbaasd was toen ik zag dat bijna elk departement zijn eigen budget heeft. Het is bijna onmogelijk om budgetten te transfereren.

C'est vraiment une organisation archaïque, sans parler de la difficulté pour les autorités de la police fédérale de faire des transferts, parfois même de deux personnes d'un service à l'autre, sans devoir se lancer dans des concertations tout à fait impossibles. Il faut aussi pouvoir reconnaître que l'organisation qui a été mise en place au fur à mesure des années ne facilite pas la flexibilité, qui est absolument fondamentale pour un service comme celui de la police fédérale.

Je vous assure que c'est une chose à laquelle j'ai l'intention de remédier. J'insiste un peu parce que je pense que j'aurai besoin de l'appui de cette Chambre et certainement de cette commission pour pouvoir le faire.

Ik kom terug tot het plan. We rekenen erop dat plan te finaliseren en goed te keuren in september 2025.

Het doel van het plan is een duidelijke en ambitieuze visie uit te tekenen voor de ontwikkeling op middellange termijn. Vier thema's zullen aan bod komen, ten eerste, de visie van de federale politie tegen 2030, ten tweede, de uitoefening van de sleutelopdrachten met concrete doelstellingen om de kwaliteit en de impact van de diensten te verbeteren, ten derde, de verbetering van de interne werking, en ten vier, het voorzien in de nodige middelen en de nodige capaciteit.

De ontwikkeling van dat strategisch plan ligt in het verlengde van de opdracht die de commissaris-generaal kreeg bij zijn aanstelling al commissaris-generaal ad interim, met name de continuïteit verzekeren en het management versterken, en de toekomst van de federale politie voorbereiden.

Ik vertrouw erop dat een dergelijk strategisch plan de solide basis kan vormen voor een rationalisering, en vooral de veiligheid van de burger zal dienen.

Het vierde punt gaat over de selectie en de rekrutering.

Pour répondre à Mme Delcourt et à M. Thiébaut, travailler sur de nouveaux engagements est essentiel et la police doit être un employeur moderne et attractif. Et là, on touche à deux points absolument fondamentaux. Il y a un déficit global de 15 % au niveau de la police fédérale, mais avec parfois des déficits beaucoup plus importants dans un certain nombre d'unités. C'est un vrai problème.

Comme j'ai eu l'occasion de le dire à plusieurs reprises, il y a aussi le fait que la police fédérale fonctionne dans le monde d'aujourd'hui. Et dans le monde d'aujourd'hui, recruter des policiers est beaucoup plus difficile au regard de la manière dont le rapport au travail est envisagé. Je n'ai pas de jugement de valeur par rapport à cela; c'est une réalité dans laquelle nous vivons. Mais on est confronté à cette réalité par rapport à un métier de police qui a un certain nombre d'exigences.

J'accorde une grande importance à la recherche de candidats via par exemple des viviers ciblés, à la sélection de ces mêmes candidats, à l'engagement des lauréats et à leur formation. Depuis septembre 2021, une nouvelle procédure de sélection et de recrutement est mise en œuvre. Ses principaux objectifs sont notamment de réduire le délai de sélection à 90 jours – ce que je compte mettre en application extrêmement rapidement – et, compte tenu du marché du travail concurrentiel, d'attirer et fidéliser non seulement des profils généraux mais aussi des profils spécialisés, tels que des experts financiers et des spécialistes de la cybercriminalité pour n'en citer que deux, au moyen de parcours de carrière adaptés.

L'évaluation de cette procédure est toujours en cours mais certains points d'amélioration sont déjà clairs, tels que la nécessité d'une meilleure coordination entre la mobilité interne et le recrutement externe ainsi qu'un besoin d'appui numérique renforcé. Un plan d'action sera élaboré à court terme.

Le plan de personnel "flexible", c'est le mot magique, vise à introduire davantage de souplesse par rapport au tableau organique strict actuellement en vigueur, tel que fixé par l'arrêté royal du 27 octobre 2015. L'objectif est de permettre à la police fédérale d'adapter plus dynamiquement ses effectifs en fonction des besoins, des priorités et des moyens disponibles.

Grâce à un plan stratégique pluriannuel aligné sur les objectifs de l'accord de gouvernement fédéral, le plan de personnel flexible doit créer plus de marge de manœuvre en matière de gestion des ressources humaines. J'attends à cet égard les propositions concrètes de la police fédérale.

La modernisation de la formation policière est un processus de réforme stratégique qui fait partie des engagements pris dans l'accord de gouvernement fédéral. Je souhaite même aller plus loin et aborder non seulement l'enseignement policier mais aussi les formations axées sur la sécurité (protection civile, pompiers, sécurité privée) dans la globalité.

Je crois que j'ai déjà eu l'occasion de dire que je compte organiser au dernier trimestre de cette année une grande table ronde ou un pow-wow – je n'ai pas encore défini précisément le mot – sur l'attractivité de la fonction de police. On doit travailler sur le recrutement, sur la formation, sur la formation continue de notre police et sur ses plans de carrière.

Ce n'est pas simple mais je pense que c'est absolument nécessaire si on veut avoir un vivier suffisant pour pouvoir recruter dans les différents services et permettre cette flexibilité non seulement au sein de la police fédérale mais aussi entre la police fédérale et les zones de police locale.

U merkt dat er nog werk op de plank ligt. Ik ben gemotiveerd en ik hoop op jullie te kunnen blijven rekenen om de vele uitdagingen aan te gaan. Ik dank jullie.

Ortwin Depoortere:

Dank u wel, mijnheer de minister. Zoals men dat in het Frans noemt: noyer le poisson . Het ging hier over het welzijn op de werkvloer, het ging over schrijnende getuigenissen van personeelsleden binnen de federale politie, en we zijn geëindigd bij een strategisch plan en de selectie en rekrutering. Uiteraard zijn de budgetten belangrijk en uiteraard is het personeelsbestand belangrijk, maar dat was niet het onderwerp van mijn vraag – misschien wel van andere collega’s, maar niet van mij.

Mijn pertinente vragen gingen over hoe u reageert op al die aantijgingen, hoe u reageert op het verweer van de commissaris-generaal. En ik vraag niet – en dat zal ook blijken uit mijn motie, die ik straks indien, mijnheer Van Tigchelt – het ontslag van de commissaris-generaal. Ik ben niet bezig met een chasse à l’homme , zoals mijnheer Thiébaut het zegt. En tussen haakjes, mijnheer Thiébaut, u bent verwonderd over de reactie van de grootste politievakbond, het VSOA. U ontwaart zelfs communautaire spoken. Maar ik ben verwonderd dat u en uw partij het opnemen voor de top en de gewone personeelsleden, die schrijnende getuigenissen hebben afgelegd, eigenlijk in de steek laten. Dat verwondert mij alleszins van een zelfverklaarde socialistische partij.

We mogen toch niet vergeten, mijnheer de minister, dat het hier ging over de disfuncties, misschien niet alleen bij de persoon van de commissaris-generaal, maar toch zeker in het management van de federale politie, aan de top van die organisatie. Dat men dat nu probeert te ontkennen of te minimaliseren, tart werkelijk alle verbeelding.

En als u inderdaad spreekt over de personeelstekorten – en die zijn er, dat is duidelijk –, dan weet u ook dat de federale politie steeds meer begint te lijken op een Mexicaans leger: met een zeer vette, dikke top en veel te weinig gewone personeelsleden, te weinig soldaten – als ik het zo mag zeggen – op het terrein.

Het verwondert mij ook vandaag dat sommige collega's blijkbaar de voorgeschiedenis van deze hele malaise vergeten zijn, of toch alleszins – bewust of onbewust – niet vermelden. Ik wil u eraan herinneren dat het CORESPO-rapport dateert van 2023. We zijn intussen meer dan twee jaar verder en nu pas kunnen we de minister hier ter verantwoording roepen, kunnen we de commissaris-generaal ter verantwoording roepen. Meer dan twee jaar hebben we moeten wachten op een antwoord. Ik noem dat – en ik trek die woorden niet terug – een vorm van poging tot onttrekking aan de parlementaire controle, mijnheer Van Tigchelt.

Mijnheer de minister, voor het Vlaams Belang is het duidelijk dat hier ook een zware politieke verantwoordelijkheid in het spel is. Bovendien – en dat is wat we wél vragen in onze motie – kan men niet rechter en partij tegelijk zijn. De klokkenluiders, de schrijnende getuigen en getuigenissen, kunnen momenteel nergens terecht binnen de federale politie, want die is rechter en partij tegelijk. Het was daarom dat wij, als Vlaams Belang, een onafhankelijke en externe doorlichting vragen van de federale politie. Dat zou klaarheid brengen, dat zou objectivering brengen en dat zou ook de ongerustheid en de angstcultuur die er heerst bij klokkenluiders binnen de federale politie, minstens gedeeltelijk kunnen wegnemen.

En ik blijf erbij, we gaan de commissaris-generaal inderdaad in september opnieuw horen. Ik hoop dat we tegen dan ook alle documenten te zien krijgen waarop we recht hebben. Als men openbaarheid en transparantie wil, dan moet men het debat ook ten volle durven voeren, ook aan de kant van het management van de federale politie.

In uw regeerakkoord, mijnheer de minister, beloofde u een doorlichting, maar die zou intern moeten verlopen. Ik ben van mening dat deze doorlichting extern moet worden georganiseerd, gezien de situatie, de vele getuigenissen, de grote malaise en het CORESPO-rapport.

Daarom, mijnheer de minister, heb ik een motie van aanbeveling ingediend.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik pleit er zeker niet voor dat de heer Snoeck moet vertrekken. Wel vind ik het rapport en de verhalen waarmee wij worden geconfronteerd veraf staan van het verhaal van de heer Snoeck. Daar zit ruis op. De schriftelijk ontvangen antwoorden zijn onduidelijk. Ze zijn van dezelfde vaagheid als het antwoord dat we tijdens de hoorzitting van de heer Snoeck kregen.

Vertrouwen is toch wel het sleutelwoord, zowel binnen de politie als vanuit de politiek. Of het nu ministers, meerderheid of oppositie betreft, ook wij moeten vertrouwen kunnen hebben in de politietop. In die context blijft een en ander mij tegen de borst stuiten. Op een bepaald moment vermeldde u bijvoorbeeld dat men altijd een beroep kan doen op de procedure voor klokkenluiders. Voor veel dossiers die men bij een superieur wil aankaarten, kan men de klokkenluiderprocedure echter niet gebruiken, aangezien die procedure voor uitzonderlijke gevallen is bedoeld. Daarom blijf ik terugkomen op de kwestie van relaties tussen hiërarchische oversten. Wie een probleem heeft met een leidinggevende en niet terechtkan bij de leidinggevende van het hogere niveau omdat beide leidinggevenden een relatie hebben met elkaar, kan onmogelijk naar de klokkenluidersprocedure worden doorverwezen, want die procedure is daarvoor niet bedoeld. Wie met wie samenwoont of welke persoonlijke banden er zijn, hoef ik niet te weten, maar op zijn minst moet voor gevallen van een hiërarchisch probleem een oplossing worden geboden, zodat dergelijke problemen aangekaart kunnen worden.

U zegt dat u geen blind vertrouwen hebt en dat vind ik goed, want ook wij hebben geen blind vertrouwen. Daarom blijven we aandringen. Hopelijk zal de commissaris-generaal in september iets inschikkelijker zijn, uitvoeriger en meer to the point antwoorden. We hebben immers – en daarin zijn wij allemaal bondgenoten – nood aan een sterke politie, aan een stevige federale politie. Dat kan enkel als er voldoende openheid is.

Ik kijk dan ook uit naar de hoorzitting in september.

Éric Thiébaut:

Merci, monsieur le ministre pour vos éclaircissements, vos réponses et certaines prises de position. Je pense que vous avez été mesuré et plein de bon sens dans votre réponse. Je ne vous frotte pas la manche, mais c'était bien. Je pense que, justement, dans ce genre de dossier, il faut garder une certaine mesure. Et le collègue Van Tigchelt l'a dit, il ne faut pas jeter le bébé avec l'eau du bain, il ne faut pas exagérer.

Je reste en outre persuadé qu'il serait intéressant d'auditionner les syndicats. Je l'ai proposé, mais cela a été refusé. On ne peut pas à la fois s'appuyer sur les dires d'un candidat d'un seul syndicat, et refuser par la suite d'entendre tous les syndicats concernés. C'est quand même un peu bizarre. Je redemanderai donc officiellement au président s'il est possible d'organiser des auditions de toutes les organisations syndicales.

J'entends également parler du Comité P, mais ce dernier peut être saisi à tout moment sur simple dépôt de plainte. Dans ce cas de figure de dysfonctionnement, de harcèlement, de problématiques inacceptables, un policier peut s'adresser à l'AIG, mais on pourrait dire qu'elle est sous l'autorité de la police fédérale. Le Comité P est sous l'autorité du Parlement. Il existe quand même des possibilités pour des lanceurs d'alerte, même à la police fédérale.

Pour revenir à M. Snoeck, il s'est expliqué ici. Il nous a envoyé des explications complémentaires qui n'ont pas l'air de satisfaire à 100 % certains de mes collègues. Il reste selon eux des zones d'ombre. Je pense qu'il faut alors profiter de la prochaine audition qui aura lieu en septembre pour éclaircir les choses. Mais il ne faut pas déjà condamner quelqu'un avant même qu'il ait pu s'expliquer. Je trouve cela un peu dur.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik kan mij vinden in veel zaken die hier tijdens de replieken zijn aangehaald.

Het gaat om transparantie. Zonder transparantie kan er geen vertrouwen zijn. Transparantie moet dus maximaal worden geboden. Als parlementsleden hebben we een beleidsmatige functie, dus die transparantie kan zonder op individuele dossiers in te gaan. We zijn hier geen rechter, geen tuchtorgaan of iets dergelijks in individuele dossiers.

Ik herhaal ook dat de federale politie uiteraard belangrijk is en zal blijven. Het voorbeeld van Sky ECC is aangehaald, en we kunnen veel andere voorbeelden opnoemen.

Waaraan we in de huidige turbulente tijden vooral nood hebben, is aan een federale politie, een overheid en veiligheidsdienst die, zoals in het Engels wordt benoemd, agile zijn, namelijk wendbaar en in staat om de vele uitdagingen op een performante manier aan te gaan. Daarin speelt het personeel een belangrijke rol. De personeelsleden van de federale politie moeten het tenslotte elke dag doen. Zij maken maken het verschil. Ook daarom zijn transparantie en vertrouwen noodzakelijk.

Alles begint naar mijn mening bij de leiding. Lead by example . De commissaris-generaal moet daarin het goede voorbeeld geven, samen met het DIRCOM.

Mijnheer de minister, we rekenen erop dat u daarop samen met ons blijft toezien in de toekomst, aangezien het te belangrijk is.

Catherine Delcourt:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses, mais aussi pour tous les commentaires qui les ont accompagnées.

J'aime évidemment vous entendre dire que vous êtes motivé. La police fédérale est une structure forte et elle doit le rester.

En tant que parlementaire, au vu des préoccupations persistantes concernant la gouvernance, le climat interne et les moyens alloués, je resterai attentive. Je continuerai à vous interroger

Je suis très heureuse que M. Snoeck puisse revenir en commission pour se soumettre à nouveau aux questions des parlementaires. Rares sont ceux qui viennent une première fois, répondent par écrit et reviennent ensuite. Cela témoigne d’une volonté de partager l’information.

Je suis convaincue que la tête d’une organisation doit être forte, faire preuve d’intégrité, de transparence et de rigueur, y compris sur le plan budgétaire, afin de susciter la confiance. Cette confiance est essentielle au niveau de la sécurité de notre État de droit.

Voorzitter:

Monsieur Dubois, si vous voulez répliquer, je vous donne la parole.

Xavier Dubois:

Je vous remercie, monsieur le président, de me laisser la possibilité de répliquer.

Je tiens, en tout cas, à vous remercier, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je retiens deux thèmes importants que vous avez cités.

Premièrement, vous avez évoqué le bien-être au sein de la police. Bien entendu, vous condamnez tous les risques mis en lumière ainsi que les atteintes potentielles à l’intégrité mentionnées dans ce rapport. C’est une démarche nécessaire.

J’ai également entendu qu’un audit interne a été lancé, ce qui est une bonne chose. Un plan d’action aurait déjà été établi et transmis aux syndicats. Il serait intéressant de pouvoir en prendre connaissance.

Le deuxième thème est celui de la confiance. Vous établissez cette confiance nécessaire, et vous la garantissez, mais il s’agit d’une confiance qui ne doit pas être aveugle. Il est en effet essentiel d’adopter cette posture: une confiance fondée sur les actions en cours et celles à venir.

Je crois que nous l’avons toutes et tous souligné, un point d’attention majeur sera ce fameux plan stratégique, qui est très attendu.

En conclusion, je ne partage pas l'avis selon lequel le commissaire général se soustrairait au contrôle parlementaire. Ce n'est pas le cas. Il a répondu aux questions en commission, il a répondu par écrit, et il reviendra.

Nous attendons avec grande impatience ce plan stratégique pour pouvoir évaluer la manière dont nous mettrons en œuvre la politique souhaitée par le gouvernement.

Brent Meuleman:

Bedankt, voorzitter, dat u mij de kans geeft om ook te repliceren.

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Zoals ik in het verleden al heb gezegd, mensen die elke dag hun stinkende best doen om onze veiligheid te garanderen, verdienen het natuurlijk om ook zelf in een veilige omgeving te kunnen werken. In die zin ben ik bijzonder tevreden met uw strenge veroordeling van alles wat te maken heeft met ongepast gedrag, toxisch leiderschap, pestgedrag enzovoort.

Het is goed dat er een audit loopt. Ik denk dat we allemaal de vinger aan de pols zullen houden en dat u dat als minister ook zult doen. Wij zullen in elk geval ons werk doen. Daarom is het goed dat de commissaris-generaal in september opnieuw naar het Parlement komt om de vragen van de parlementsleden te beantwoorden.

U zult in Vooruit een partner vinden om de broodnodige hervormingen uit te voeren.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris, - overwegende dat de malaise bij de federale politie nefast is voor de veiligheid van onze burgers; - overwegende dat een werkplaats waar grensoverschrijdend gedrag welig tiert, werknemersuitval vergroot en de vele openstaande vacatures moeilijk kan invullen; - overwegende dat de strijd tegen georganiseerde misdaad en zware criminaliteit cruciaal is; - overwegende dat persoonlijke belangen van individuele functionarissen de operationele capaciteit van anderen niet mogen hinderen en de hele organisatie niet mogen schaden; vraagt de regering - het welzijn en de veiligheid van agenten, inspecteurs en personeelsleden van de federale politie in het algemeen te verzekeren; - de gebouwen van de veiligheidsdiensten naar behoren te onderhouden; - een externe doorlichting te bevelen van de federale politie; - het Comité P op te dragen de vele klachten van en getuigenissen over wangedrag te onderzoeken; - de machtsposities van betrokkenen waar nodig te herzien; - grondige interne hervormingen voor te bereiden en uit te voeren teneinde een herhaling van wanbeleid alsook wanbeheer te voorkomen. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris, - considérant que le malaise au sein de la police fédérale nuit à la sécurité des citoyens; - considérant qu'un lieu de travail où les comportements inappropriés sont monnaie courante entraîne une augmentation de l'absentéisme et des difficultés à pourvoir les nombreux postes vacants; - considérant qu'il est essentiel de lutter contre le crime organisé et la grande criminalité; - considérant que les intérêts personnels de fonctionnaires individuels ne peuvent pas entraver la capacité opérationnelle des autres fonctionnaires ni porter atteinte à l'organisation dans son ensemble; demande au gouvernement - de garantir le bien-être et la sécurité des agents, des inspecteurs et des membres du personnel de la police fédérale en général; - d'entretenir comme il se doit les bâtiments des services de sécurité; - d'ordonner un audit externe de la police fédérale; - de charger le comité P d'enquêter sur les nombreuses plaintes et les nombreux témoignages concernant des comportements inappropriés; - de revoir, si nécessaire, la situation des personnes concernées au sommet de la hiérarchie; - de préparer et de mettre en œuvre de profondes réformes internes afin d'éviter que des problèmes de mauvaise politique et de mauvaise gestion ne se répètent.. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Catherine Delcourt. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Catherine Delcourt . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De inbeslagname door de politie van een Vlaamse leeuwenvlag tijdens een voetbalwedstrijd

Gesteld door

VB Alexander Van Hoecke

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een politieagent confisqueerde een Vlaamse leeuwenvlag bij een voetbalwedstrijd in Molenbeek, met als reden "provocatie" en "separatistische/collaboratieconnotaties", wat een stadionverbod op basis van de voetbalwet kon opleveren. Minister Quintin benadrukte dat de vlag normaal geen probleem is, maar dat de context (Brusselse wedstrijd, mogelijke spanningen) proportioneel ingrijpen rechtvaardigt, zonder algemeen verbod – een standpunt dat Van Hoecke als tegenstrijdig en onaanvaardbaar bestempelde, omdat het de Vlaamse identiteitsuiting criminaliseert, zelfs in de eigen hoofdstad. De discussie draait om de grens tussen veiligheid en vrijheid van symboliek, waarbij Van Hoecke de politieke hypocrisie aanklaagt en de vlag als onlosmakelijk onderdeel van Vlaamse sportcultuur verdedigt. Quintin houdt vast aan contextuele beoordeling door ordediensten, maar ontkent niet dat de zaak juridische en symbolische gevolgen kan hebben.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, er is ons een zeer verontrustend incident ter ore gekomen. Tijdens de voetbalwedstrijd tussen Lokeren-Temse en RWDM werd een supporter door een politieambtenaar, een zogenaamde spotter, gevraagd om een Vlaamse leeuwenvlag die hij meegebracht had, te verwijderen. De supporter wou daar logischerwijs niet op ingaan, waarop de vlag in beslag werd genomen.

Het relaas der feiten in het pv dat de supporter ontving, is ronduit hallucinant. In dat proces-verbaal, dat wij onder ogen gekregen hebben, wordt gesproken over een "vlag met flamingante connotatie". Volgens de politie wordt die vlag historisch geassocieerd met het Belgisch separatisme en moet ze worden geassocieerd met de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik citeer: “Dergelijke symbolen worden als provocerend beschouwd en kunnen bijdragen tot spanningen en haat tegenover supporters van andere taalgemeenschappen." De supporter riskeert op basis van de voetbalwet zelfs een stadionverbod op basis van dat pv.

De Vlaamse vlag is onlosmakelijk verbonden met de sportbeleving in Vlaanderen, iets dat ook duidelijk erkend werd door Vlaams minister van Sport Annick De Ridder van N-VA, toen mijn collega Tom Lamont haar op het voorval attendeerde in het Vlaams Parlement. Vlaamse leeuwenvlaggen duiken namelijk op tijdens de Ronde van Vlaanderen of tijdens voetbalwedstrijden en maken meestal inherent deel uit van de identiteitsbeleving van supporters.

Het ingrijpen van de politie in Molenbeek schept volgens mij een gevaarlijk precedent waarbij Vlamingen het gebruik van symbolen die inherent deel uitmaken van hun identiteit wordt ontzegd en het gebruik zelfs strafbaar wordt gesteld.

Mijnheer de minister, wat is uw reactie op het optreden van de politie in Molenbeek? Kunt u bevestigen dat het gebruik van de Vlaamse leeuwenvlag, net zoals de Vlaamse minister van Sport zei in het Vlaams Parlement, inherent onderdeel uitmaakt van de supportersbeleving van veel Vlamingen en geen symbool van haat is en geen provocatie uitmaakt? Hoe zult u ervoor zorgen dat zulke incidenten in de toekomst niet meer zullen voorvallen?

Bernard Quintin:

Mijnheer de volksvertegenwoordiger, laat me vooreerst beklemtonen dat we in ons land vrijheid van meningsuiting en culturele expressie hoog in het vaandel dragen. Net zoals de Waalse Haan voor Walen maakt ook de Vlaamse Leeuw voor bepaalde Vlamingen deel uit van hun identiteit en is die op verschillende sportevenementen een vertrouwd symbool.

In de context van bijvoorbeeld een wielerwedstrijd wordt die vlag doorgaans op een vreedzame manier gehanteerd zonder enige vorm van provocatie. De politie en in het bijzonder gespecialiseerde spotters beoordelen ter plaatse de situatie en nemen indien nodig proportionele maatregelen om mogelijke spanningen tussen supportersgroepen te voorkomen.

Volgens informatie van de lokale politie gaat het hier niet om de officiële vlag van Vlaanderen, maar om een vlag met een zwarte leeuw op een gele achtergrond. In het specifieke geval waarnaar u verwijst, ging het om een wedstrijd tussen een club uit Vlaanderen en een club uit Brussel waarbij het gebruik van symbolen, hoe vertrouwd die voor sommigen ook mogen zijn, in een aantal gevallen als provocerend kon worden ervaren.

De voetbalwet bepaalt dat het verboden is om tijdens een wedstrijd gedragingen te stellen of tekenen te tonen die aanzetten tot discriminatie. De beoordeling van dergelijke signalen gebeurt altijd op het terrein in een specifieke context, waarbij wordt gekeken naar de algemene sfeer, eerdere incidenten en de mogelijke impact op de ordehandhaving. Symboliek mag niet willekeurig worden behandeld en er moet duidelijkheid zijn voor zowel supporters als ordediensten over wat wel en niet kan.

Kortom, er is geen verbod op de Vlaamse leeuwenvlag of enige andere vlag, maar in een specifieke context, zeker wanneer er risico is op spanningen tussen supportersgroepen, kan de lokale politie optreden in het kader van de voetbalwet. Ik pleit er dan ook voor om dat debat sereen en in wederzijds respect te voeren met oog voor zowel de beleving van de supporters, als de verantwoordelijkheden van onze ordediensten.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, ik sta eerlijk gezegd perplex van uw antwoord. U zei dat een Vlaamse leeuwenvlag als een provocatie kan worden beschouwd wanneer ze gebruikt wordt bij een sportwedstrijd in Brussel, maar dat er geen verbod is. Tegelijk stelt u dat die provocatie door de voetbalwet kan worden bestraft en dat de politie kan ingrijpen en ervoor zorgen dat de supporters de vlaggen moeten verwijderen. Daarmee spreekt u zichzelf tegen, want dat klopt niet volgens mij.

Eigenlijk ondersteunt u met uw antwoord het pv waarmee een supporter potentieel een stadionverbod krijgt omdat hij een Vlaamse leeuwenvlag uithangt in Brussel, nog steeds de hoofdstad van Vlaanderen. Ik vind dat compleet onaanvaardbaar. De Vlaamse leeuwenvlag is, zoals de Vlaamse regering terecht stelt, een inherent onderdeel van de sportbeleving en van de identiteitsbeleving. Dat zal iedereen die al eens een sportevenement in Vlaanderen heeft bijgewoond, bevestigen.

Niemand hoeft te bepalen hoe Vlamingen hun identiteit vieren tijdens een sportevenement, zeker niet in hun eigen hoofdstad. Ik vraag me trouwens af of de premier dezelfde mening is toegedaan over dat incident. Het getuigt van een irreële angst om schrik te hebben van een Vlaamse leeuwenvlag en ik ben ervan overtuigd dat irreële angsten het best kunnen worden bestreden met een zogenaamde exposure theorie. Ik heb daarom voor u een Vlaamse leeuwenvlag meegebracht. Ik zal ze u straks overhandigen, maar wees voorzichtig, want ze durft te klauwen als u ze uit de verpakking haalt.

Voorzitter:

Vraag nr. 56005766C van mevrouw De Knop vervalt. La question n° 56005778C de M. Thiébaut est reportée.

De criteria voor de rekrutering van politieagenten
Een blanco strafregister als voorwaarde om in dienst te kunnen treden bij de politie
Voorwaarden voor toetreding tot de politiedienst

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De politie wervingsprocedure laat nu kandidaten met een straatblad toe, mits hun huidige gedrag *"onberispelijk"* is en oude feiten niet onverenigbaar zijn met het beroep, met name voor inspecteuren in federale en lokale politie. Garde-fous omvatten een individuele moraliteitscheck door een commissie, die rekening houdt met de natuur, context, ouderdom en evolutie van de feiten, met mogelijkheid tot beroep – maar geen vaste lijst van toelaatbare overtredingen om flexibiliteit te behouden. Critici, zoals Delcourt, vrezen dat dit de publieke vertrouwen in de politie kan ondermijnen en de procedure verzwaren, terwijl Chahid benadrukt dat doorlopende screening tijdens de carrière cruciaal is om recidive te voorkomen. De minister bevestigt dat reïntegratie en exemplariteit in balans moeten blijven, zonder de kerncriteria voor moraliteit te verlagen, ondanks de personeelstekorten.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, nous avons appris dans la presse que la procédure de recrutement dans la police avait récemment été adaptée et qu'elle permettait désormais aux personnes ayant un casier judiciaire d'y postuler. La mesure s'applique aux inspecteurs de police, tant dans la police fédérale que dans la police locale. Cela ne signifie pas que les candidats seront nécessairement intégrés. En tout cas, jusqu'à présent, avoir un casier judiciaire était interdit pour cet appel d'offres. Selon l'article, la décision a été prise il y a déjà un certain temps. La police n'a pas voulu qualifier la mesure d'"assouplissement" et a indiqué que les candidatures pouvaient toujours être rejetées à un stade ultérieur de la procédure de sélection après un contrôle de moralité.

Monsieur le ministre, mes questions sont toutes simples. Pouvez-vous nous apporter davantage de détails concernant cette information et les motifs et consultations qui ont conduit à cette décision? Quels sont les grades qui sont concernés? Quels seront les garde-fous pour les candidats n'ayant pas de casier vierge qui seront admis à terme à la sélection? Qu'en est-il de la mise en place du screening tout au long de la carrière du policier qui aurait été retenu lors de la sélection?

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, la procédure de recrutement dans la police permet désormais à certaines personnes ayant un casier judiciaire d'y postuler, à condition qu'elles aient une conduite jugée "irréprochable". Cette évolution, introduite sous la législature précédente, vise selon la police à se conformer à la législation en vigueur, sans pour autant constituer un assouplissement, à en croire ses responsables. J'ai besoin d'éclaircissements.

Quel est votre avis sur l'extension de cette mesure? Pouvez-vous préciser quels garde-fous sont en place pour garantir que cette ouverture ne nuira pas à la confiance du public dans l'intégrité des forces de l'ordre, en l'absence de critères clairs et uniformes concernant les infractions compatibles ou non avec l'exercice du métier de policier? Envisagez-vous de mettre sur pied une liste indicative, ou au minimum un cadre de référence, des types d'infractions qui ne justifient pas un refus d'être intégré dans les forces de l'ordre? Une telle mesure ne serait-elle pas utile pour assurer la transparence du processus, tant pour les candidats que pour les citoyens?

Bernard Quintin:

Monsieur Chahid, madame Delcourt, vous m'interrogez sur un sujet délicat, mais fondamental. Trouver un équilibre entre l'exemplarité attendue des forces de l'ordre et le respect des droits fondamentaux, y compris le droit à la réinsertion.

La mesure évoquée n'a pas pour objectif de relâcher les conditions d'accès à la fonction policière, mais de les adapter aux exigences légales en vigueur. Il ne s'agit aucunement de banaliser un passé judiciaire, mais bien de prendre en considération l'ensemble du parcours d'un candidat ou d'une candidate pour autant que sa conduite actuelle soit irréprochable et que les faits passés ne soient pas incompatibles avec les responsabilités propres à la fonction policière. Je reviendrai dans un instant sur quelques exemples que j'ai tirés de mon vécu de ministre. Notre priorité demeure claire: assurer une police exemplaire, intègre et digne de la confiance des citoyens. C'est ce que j'appelle une police respectable, respectueuse et respectée.

Je souhaite également préciser les garanties qui encadrent l'évaluation de la moralité des candidats dans le processus de sélection. La Commission de moralité joue un rôle essentiel de garde-fou et est habilitée à intervenir à tout moment de la procédure pour écarter un candidat, si les informations disponibles le justifient. Cette évaluation s'effectue au cas par cas, en tenant compte de nombreux critères: la nature et le contexte de l'infraction, sa fréquence éventuelle, l'âge du candidat au moment des faits, les informations actualisées, l'avis du chef de corps de la zone de police concernée et, le cas échéant, la décision judiciaire rendue. Ce cadre est défini par ce qu'on appelle le loi Exodus – ne me demandez pas pourquoi ce nom, mais j'en trouverai bien un jour la raison.

Je comprends le souhait de clarifier les critère d'accès à la profession, en particulier en présence d'antécédents. Toutefois, établir une liste stricte ou un cadre rigide présente des limites importantes. La diversité des parcours individuels rend difficile toute approche uniforme. Chaque situation nécessite une analyse nuancée qui tienne compte de plusieurs facteurs: la gravité des faits, leur ancienneté, le contexte dans lequel ils se sont produits et l'évolution du comportement du candidat depuis leur commission. Sans rentrer dans des détails personnels, j'ai eu plusieurs dossiers en cinq mois sur mon bureau, relatifs à des personnes qui avaient été rejetées par la Commission de moralité et qui ont ensuite introduit un recours. À un moment, certains de ces dossiers arrivent jusque chez le ministre. Pour certains, j'ai confirmé que, sur la base des éléments dont je disposais, tel candidat ou telle candidate ne devrait pas poursuivre la formation et être engagé, tandis que d'autres oui. Pour prendre un exemple typique, je peux citer des condamnations pour des infractions de roulage qui peuvent être graves, mais qui ont été commises parfois quinze ans auparavant. Je crois qu'on peut admettre que quelqu'un qui, à vingt ans, a peut-être roulé sottement ou même imbécilement et à été condamné, s'il n'y a pas eu d'autres faits, a droit à la réinsertion quinze ans après. En ce qui concerne d'autres faits, on peut s'inquiéter de la moralité de la personne. Dans d'autres cas, c'est plutôt la question des liens familiaux avec des gens condamnés qui est prise en compte. Donc, c'est là que des décisions doivent être prises, si la moralité n'est pas sûre. Certains cas sont évidents. Et puis, il y a toute une zone grise dans laquelle c'est important. Je puis vous assurer que tout cela est établi avec sérieux. De plus, le candidat ou la candidate a aussi le droit de répliquer ou d'intervenir dans ce dossier.

Je vous confirme être confronté à une pénurie, qui justifie qu'on augmente les recrutements. Toutefois, en aucun cas, on ne peut évidemment amoindrir les critères de base et, singulièrement, de moralité. Si l'on veut une police respectée, respectable et respectueuse, il faut évidemment que les personnes qui la composent soient d'une moralité irréprochable. Nous avons tous des parcours. Je crois que le droit à la réinsertion est essentiel. En tout cas, je puis vous assurer que c'est une matière que je suis rigoureusement, à l'instar de mes services. Je vous remercie de votre attention.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses, qui confirment que nous sommes bien dans le cas par cas, qu'il y a une sélection, qu'un contrôle de moralité est effectué, qu'on parle de délits mineurs et de faits qui ne se sont plus reproduits pendant toute une période. C'est très bien.

Je vais seulement insister sur la mise en place rapide de ce qui est indiqué dans votre note de politique générale, à savoir cette disposition de screening tout au long de la carrière de ces agents pour s'assurer qu'ils ne récidivent pas, remettant ainsi en cause l'exemplarité de ces policiers et l'image de la police. J'ai dit, monsieur le président.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, merci de votre réponse.

Plusieurs intérêts se trouvent en balance dans cette question: le recrutement policier qui doit permettre de remplir les cadres, la réinsertion de quiconque a commis des actes délictueux – c'est quand même l'objectif – et puis l'exemplarité de la fonction, l'intégrité des personnes qui entrent dans un corps de police fédérale ou locale. Il est essentiel de préserver cette exemplarité et cette intégrité, perçues à travers les yeux de la population vis-à-vis de la police. Cela joue un rôle central dans la confiance que les citoyens accordent à nos forces de l'ordre.

Je ne suis pas certaine que c'était particulièrement dans la police qu'il fallait ouvrir les portes de la réinsertion. Cela dit, j'entends et j'accepte volontiers le fait que les procédures sont menées individuellement, au cas par cas, pour estimer chacune des situations. Mon sentiment est que, malgré tout, cela alourdit encore la procédure et que cela ne fluidifie pas le recrutement et l'entrée en service. Donc, là aussi, des équilibres doivent être maintenus. Je ne suis pas convaincue que ce soit la meilleure voie, mais j'accepte l'idée que certaines personnes méritent de pouvoir se réinsérer, y compris au sein d'un service de police. Je vous remercie.

Voorzitter:

La question n° 56005929C de M. Khalil Aouasti est transformée en question écrite.

Het politieoptreden bij het hitteplan in Knokke-Heist

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Paul Van Tigchelt kaart problematische mobiliteitsmaatregelen in Knokke-Heist aan: het hitteplan veroorzaakt extra files, belemmert werknemers en sluit kwetsbare groepen (ouderen, mindervaliden) de facto uit, terwijl politiecontroles met documentatieplicht en toegangsonderzoek proportioneel en juridisch twijfelachtig zijn. Bernard Quintin verdedigt het plan als tijdelijke oplossing voor overtoerisme, ontkent afsluiting of documentenplicht, en benadrukt dat extra politie-inzet breed wordt ingezet (mobiliteit, toezicht, strand) zonder andere taken te verwaarlozen. Van Tigchelt aanvaardt het antwoord maar blijft kritisch over de effectiviteit en rechtmatigheid van de maatregelen.

Paul Van Tigchelt:

Ik verwijs naar mijn ingediende tekst.

Op 1 mei was het uitzonderlijk druk aan onze kust. Gemeenten als Oostende en Knokke-Heist kondigden aan maatregelen te willen nemen om dit aan te pakken. Daarbij wordt gedacht aan het zogenaamd afsluiten van de gemeentes, onder meer door bezoekers af te leiden naar randparkings.

Op 3 juni werd het hitteplan van Knokke-Heist al eens uitgetest. Daar waar het de bedoeling was de verkeersdruk en de files te doen afnemen, ontstonden net door de implementatie van het plan extra lange files. Ondernemers in Knokke maken zich zorgen, ze vrezen dat hun werknemers op dagen dat het hitteplan zal worden ingeschakeld niet tijdig op hun werk zullen geraken. Daarnaast vragen velen zich af of het realistisch is om oudere mensen, mensen met beperkte mobiliteit of mensen met heel jonge kinderen drie kilometer te laten stappen vooraleer ze op het strand of in het centrum geraken. Hoewel de gemeente claimt dat iedereen welkom blijft, zou ze zo de facto wel verschillende groepen mensen weg kunnen houden.

Op 12 juni werd het hitteplan van Knokke-Heist voor de eerste keer afgekondigd, met 3 kilometer file tot gevolg.

Los van dat alles, zijn er vragen te stellen over de inzet van het politiekorps bij dit hitteplan. Uit de pers vernemen we dat iedereen die met de auto de perimeter wou binnen rijden gevraagd werd naar de reden om daar te zijn en dat er zelfs gevraagd werd naar documenten die de reden kunnen staven.

Mijn vragen hierbij zijn de volgende:

Is het optreden van het politiekorps proportioneel, is het toegelaten dat elke bestuurder die een gemeente wil binnenrijden gevraagd wordt naar de reden daar te zijn?

Is dergelijke inbreuk op de privacy van burgers door de politie toegestaan?

Kan dit politieoptreden gerijmd worden met het vrij verkeer van personen?

Zijn er naar uw mening problematische aspecten aan het verhinderen van toegang tot een bepaalde gemeente zoals dat het geval is met het hitteplan in Knokke-Heist?

Als dat volgens u het geval is, bent u van plan contact op te nemen met de burgemeester en/of de korpschef van de gemeente?

Is de inzet van zoveel agenten te verantwoorden of brengt dit mogelijks de uitvoering van andere taken van het lokale politiekorps in gedrang?

Bernard Quintin:

Ik ben altijd blij om hier te zijn, maar een ijsje eten op een terras in Knokke-Heist zou nog beter zijn met zo'n zon.

Knokke-Heist wordt de jongste jaren op hittedagen geconfronteerd met mobiliteits- en parkeerproblemen in het toeristisch centrum van deelgemeente Knokke. Bezoekers die vruchteloos rondjes blijven rijden en wildparkeren, leiden tot ergernissen bij de bewoners, verblijvers, handelaars en dagjestoeristen.

Het gemeentebestuur en de lokale politie hebben dit voorjaar een overgangsprocedure ingevoerd, in afwachting van een volledig uitgewerkt mobiliteitsplan. Omdat op warme dagen zoveel mensen naar de gemeente komen, werd ervoor gekozen om dagjestoeristen zoveel mogelijk buiten het toeristisch centrum te laten parkeren. Er werd een testfase voorzien om het plan in de praktijk te brengen. Uit die test is gebleken dat een ontradingsperimeter zal worden ingesteld wanneer het verzadigingspunt van het centrum is bereikt, waarna de voertuigen actief worden afgeleid naar een strand- of randparking. Dat is geen uniek concept en wordt ook in andere kustgemeenten toegepast.

Het is een misvatting dat de gemeente wordt afgesloten, laat staan dat er documenten gevraagd worden of moeten worden voorgelegd. Wanneer ik daarover desondanks signalen zou ontvangen, zal ik dat van naderbij bekijken.

Bij de uitrol van het plan worden inderdaad bijkomende politiemedewerkers ingezet. Die teams focussen niet alleen op mobiliteit en parkeren, maar evenzeer op aspecten van bestuurlijke of gerechtelijke politie. Ook op het strand en de dijk worden de teams ingezet. Daarvoor worden conform de bestaande principes bijstandsvragen uitgestuurd binnen de geïntegreerde politie, in het bijzonder bij onze protocolpartner, de politiezone Brugge.

Paul Van Tigchelt:

Mobiliteit is een belangrijk issue, zeker aan de kust in de zomer, voor alle mensen die daar een ijsje komen eten. Mijn vraag was terecht, omdat er twijfels waren over dat plan en bedenkingen of het wel een goede maatregel is. Uw antwoord volstaat voor mij.

De interne controle in de politiezone Brussel-West

Gesteld door

MR Catherine Delcourt

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zonepolitie Brussel-West staat onder vuur door herhaalde incidenten (dodelijk ongeval bij achtervolging zonder waarschuwingsmiddelen, geweldpleging, wapenmisbruik) die wijzen op structurele tekortkomingen in intern toezicht. Het controleteam is onderbezet (4 van de 8 onderzoekers actief), waardoor preventieve controles ontbreken en enkel klachten reactief worden behandeld, terwijl het aantal disciplinaire dossiers (van 0 in 2019-2020 naar 6 in 2023) stijgt—mogelijk door strengere controles of toegenomen wangedrag. De minister benadrukt nieuwe maatregelen (boordcomputers in voertuigen, strikte richtlijnen voor prioritaire ritten, verplichte analyse na ongevallen), maar Delcourt blijft kritisch over de halve capaciteit van het toezicht, die laxisme in de hand zou werken, en eist versterkte integriteit om het vertrouwen in de politie te herstellen.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, ces dernières années, la zone de police Bruxelles-Ouest a été à plusieurs reprises au centre de polémiques liées à des comportements problématiques de ses agents.

La mort de Fabian le 2 juin dernier à la suite d'une course poursuite à plus de 40 kilomètres à l'heure, et ce, dans un espace strictement piétonnier et fréquenté par de nombreuses familles, au sein d'un parc public. Pour rappel, aucun dispositif d'avertissement – ni sirène, ni gyrophare, ni communication par haut-parleur – n'avait été activé au moment des faits.

Autres éléments. La suspension d'un policier à la suite d'une intervention policière violente à Molenbeek en 2019. En 2023, une violente altercation a opposé plusieurs policiers de Molenbeek à un groupe d'élèves lors d'une sortie scolaire à la Lesse en kayak. Un policier de cette même zone de police a été condamné à huit mois de prison pour avoir sorti son arme de service - en civil - lors d'une altercation. Cela fait déjà un palmarès important pour cette zone de police.

Ces faits récurrents posent une question essentielle: celle du contrôle interne. Dans ce contexte, je souhaiterais vous poser les questions suivantes.

Le service du contrôle interne de la zone de police de Bruxelles-Ouest effectue-t-il de manière régulière ce contrôle? Combien de personnes composent ce service? Quel est le nombre de contrôles internes effectués chaque année dans cette zone? Et combien de contrôles mènent à des sanctions à l'égard de policiers?

Combien de procédures disciplinaires internes ont été ouvertes, au cours des dix dernières années, pour des faits comparables (poursuites non proportionnées, vitesse excessive, manquement aux consignes de sécurité en zone sensible)?

Bernard Quintin:

Madame Delcourt, la zone de police de Bruxelles-Ouest m'a transmis des informations suivantes et nécessaires afin de répondre à vos questions.

Le tableau organique de cette zone prévoit les fonctions suivantes au sein du service de contrôle interne: 1 commissaire directeur, 1 commissaire directeur adjoint, 1 agent Calog de niveau C en charge du secrétariat, 8 enquêteurs dont 2 commissaires et 6 inspecteurs principaux.

Cependant, l'effectif réellement en place au sein de l'équipe d'enquêteurs est actuellement limité à 4 membres sur 8. Cette situation restreint fortement la capacité opérationnelle du service notamment en ce qui concerne les contrôles préventifs. En conséquence, les missions principales du service de contrôle interne sont actuellement recentrées sur le traitement des plaintes, qu'elles soient de nature administrative, disciplinaire ou judiciaire.

Pour ce qui concerne les données disciplinaires, sur les sujets spécifiques de poursuites non proportionnées, vitesse excessive, manquements aux consignes de sécurité en zone sensible, il y avait 0 dossiers en 2019, 0 en 2020, 2 en 2021, 3 en 2022, 6 en 2023 et 5 plus 2 en 2024 si on compte les dossiers pour accumulation d'accidents en faute légère. Pour 2025, je n'ai pas encore les statistiques.

Je constate avec vous, en effet, une augmentation qui peut aussi être le fait de contrôles plus resserrés sur ces éventuels manquements.

Concernant votre seconde question, la majorité des véhicules de service de police sont géo-localisés et équipés de boîtes noires. Depuis février 2023, une directive interne relative à la conduite prioritaire est entrée en vigueur. Celle-ci encadre strictement les conditions de conduite en situation prioritaire, notamment en fixant les limites de vitesse tolérées et les comportements attendus lors du franchissement de feux rouges. Vous savez que c'est un sujet sur lequel je travaille suite aux drames qui se sont déroulés à Ganshoren et Anvers.

Conformément à cette directive, le service de contrôle interne est chargé, après chaque accident impliquant un véhicule de service en conduite prioritaire, d'analyser les données enregistrées par la boîte noire. L'analyse se concentre particulièrement sur la vitesse du véhicule au moment de l'intervention ainsi qu'au moment de l'impact. Cette vérification permet de s'assurer des règles établies.

Les cas échéant, et selon la gravité des manquements constatés, cette analyse peut donner lieu à la mise en œuvre de mesures d'ordre à l'encontre du conducteur concerné ou l'engagement d'une procédure disciplinaire. Bien sûr, sans tenir compte d'éventuelles poursuites judiciaires mais qui ne ressortent pas, à ce moment-là, des questions disciplinaires qui sont de mon autorité.

Catherine Delcourt:

Merci, monsieur le ministre, pour les chiffres et l'analyse que vous en faites. Il est vrai qu'on voit une augmentation de faits établis qui reflètent soit l'activité du service de contrôle interne, soit qui reflètent des problèmes grandissants. Il était intéressant de se préoccuper de l'activité du contrôle interne. Nous voulons voir plus de policiers en rue mais ceux-ci doivent être exemplaires, intègres. Pour s'en assurer, le contrôle interne est une fonction très importante. Dans cette zone de police, l'effectif affecté à ces missions est diminué de moitié. Cela peut laisser entendre qu'il y a une certaine largesse, souplesse ou du laxisme qui s'appliquent à ce contrôle interne, ce que l'on ne peut évidemment pas accepter.

Je vous remercie aussi d'avoir tout de suite pris les dossiers lourds à bras-le-corps, en veillant à ce que des procédures soient mises en place notamment dans le cadre de poursuites, que des garde-fous soient établis et que les suites soient apportées à la hauteur de la gravité de l'erreur qui est éventuellement commise.

Je vais continuer à suivre ces questions de contrôle interne à travers les zones de police. Je ne voudrais pas qu'on laisse entendre qu'il y a du laxisme au sein des services de police. C'est fondamental que la rigueur soit de mise.

Voorzitter:

Les questions n os 56006013C, 56006014C et 56006015C de M. Cornillie sont transformées en questions écrites. La question n° 56006215C de Mme Désir est également transformée en question écrite.

Een grootschalige politieactie in Peterbos

Gesteld door

VB Ortwin Depoortere

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt dat de grootschalige politieactie in Peterbos deel uitmaakt van een structurele, gecoördineerde aanpak tegen drugscriminaliteit in Brussel, met versterkte inzet van federale en lokale politie, waaronder 30 extra speurders en maandelijkse evaluaties. Hij belooft herhaalde acties (ook landelijk), een integrale bestrijding van de hele criminele keten (van productie tot straathandel) en samenwerking met Frankrijk/Europol tegen grensoverschrijdende netwerken, gesteund door een interministeriële taskforce en plannen zoals *Kanaalplan 2.0* en politiezone-eenmaking. Depoortere dringt aan op concrete uitvoering van deze plannen—met name de versnelling van de Brusselse politiehervorming—om structureel een eind te maken aan openlijk drugsgeweld en maffia-invloed in wijken, in plaats van enkel symbolische acties.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik blijf constructief. Het is al een goede maand geleden, maar ik vond de grootschalige politieactie die in de beruchte wijk Peterbos werd uitgevoerd zeer, zeer goed. Verschillende personen werden opgepakt. De banden met de maffia in Marseille werden blootgelegd en bevestigd door procureur des Konings Moinil. Niets dan lof over de actie van politie en parket.

Een bekend Nederlands spreekwoord zegt het echter al: één zwaluw maakt de lente niet, mijnheer de minister. Ging het hier om een eenmalige actie of zal dit worden voortgezet? Zo ja, wat is het grotere plan om de drugsmaffia te bestrijden? Hoe ziet die strategie eruit? Zal er vaker een beroep op gespecialiseerde eenheden kunnen worden gedaan, ter ondersteuning van dergelijke acties?

Er was ook sprake van een vijfstappenplan bij politie en parket. Kunt u daarover wat meer uitleg geven?

Ik blijf erbij, een eenmalige actie zal weinig uithalen als men dat niet op regelmatige basis blijft doen. Zal men dit ook zo blijven doen in de toekomst, mijnheer de minister?

Bernard Quintin:

De actie van 11 juni kadert inderdaad in de meer structurele aanpak die nodig is voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in Brussel.

De strijd tegen drugshandel en drugsgerelateerd geweld is een prioriteit voor de federale regering, voor de federale politie en voor justitie en moet dat ook zijn voor het lokale bestuur, de lokale politiezone en de Brusselse regering, als er een komt.

Onmiddellijk na mijn aantreden heb ik mijn daadkracht getoond aan de politie en de Brusselaars. De federale gerechtelijke politie werd meteen versterkt met 30 speurders om het druggerelateerd geweld aan te pakken. De lokale politiezone kreeg ondersteuning om de zichtbaarheid op de hotspots te verzekeren. Ook de spoorwegpolitie werd versterkt om meer slagkracht te hebben in de metro.

Bij de voorzitter van de politiezone heb ik er herhaaldelijk op aangedrongen om de nodige maatregelen te nemen en voldoende lokale capaciteit te voorzien om de veiligheid van de inwoners te verzekeren. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat de federale politie structureel bijstand levert aan een politiezone waarvan het personeelskader blijkbaar onvoldoende is ingevuld of niet goed is georiënteerd. De bijstand van de federale politie aan de zone wordt maandelijks geëvalueerd.

De actie waarnaar u verwijst, werd gecoördineerd door de politiezone Zuid en het parket van Brussel. Ongeveer 900 politiemensen werden ingezet, van wie er 11 afkomstig waren van de federale politie. In totaal werden 411 personen gecontroleerd en 29 personen opgepakt. Voor het strafrechtelijk gevolg van deze actie verwijs ik u naar justitie.

Op de dag van de operatie heb ik de commandopost bezocht en de vastberadenheid van zowel politie als justitie kunnen vaststellen. Bij volgende acties – want die komen er – zal men alvast op mijn steun en die van de federale politie kunnen blijven rekenen. Zoals u weet, steun ik ook procureur des Konings van Brussel in zijn voorgestelde stappenplan voor Brussel. Er komen dus andere acties, in Brussel, maar ook in andere steden en andere delen van België.

Het regeringsbeleid in de strijd tegen drugs is gebaseerd op een gecoördineerde aanpak van de volledige criminele keten: van landen van herkomst, logistiek, toegangspoorten, geldstromen en georganiseerde misdaad tot bendevorming en straathandel. Met deze integrale en geïntegreerde aanpak kunnen we doeltreffend optreden tegen alle aspecten van het drugsprobleem en de daarmee samenhangende georganiseerde criminaliteit.

Om deze whole-of-government approach vorm te geven, heb ik de premier gevraagd om een taskforce op te richten en dat is ook gebeurd. Deze week vindt trouwens opnieuw een bijeenkomst plaats op ministerieel niveau. Vanuit mijn bevoegdheden zet ik verder in op meer structurele en pragmatische maatregelen, zoals de versterking van de federale gerechtelijke politie, het verder operationaliseren van de wet bestuurlijke handhaving, de uitwerking van het Kanaalplan 2.0 en de ééngemaakte politiezone.

Tot slot kan ik u meedelen dat de Belgische politiediensten reeds intensief samenwerken met Frankrijk in het kader van de bestrijding van de georganiseerde drugscriminaliteit en de criminele netwerken die daarin actief zijn. Beide landen waren trouwens twee van de drie oorspronkelijke leden van het joint investigation team dat heeft geleid tot de ontmanteling van verschillende netwerken in het kader van het Sky ECC-onderzoek. België en Frankrijk maken deel uit van de Europol-impactprojecten die gericht zijn tegen de high-value targets van de georganiseerde drugscriminaliteit en zijn samen actief in de operational taskforces , die momenteel met steun van Europol nog grensoverschrijdende onderzoeken voeren naar criminele organisaties die in onze beide landen actief zijn.

Ortwin Depoortere:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoorden. Ik ben uiteraard verheugd dat het niet bij één actie zal blijven, maar dat er in de toekomst verdere acties zullen volgen. Openlijke schietpartijen, zelfs overdag, afrekeningen en de drugmaffia die volledige wijken inpalmt, we moeten daar komaf mee maken. Ik denk dat dat de veiligheid van iedereen ten goede zou moeten komen. Er zijn al veel plannen gesmeed en gemaakt in het verleden: een kanaalplan, een kanaalplan 2.0, een taskforce en de eenmaking van de Brusselse politiezones. Ik hoor u dat allemaal opnieuw opsommen, maar ik hoop vooral, mijnheer de minister, dat het na die opsomming niet bij woorden blijft, maar dat er ook effectief daden zullen volgen. Zeker wat de eenmaking van de Brusselse politiezones betreft, waar u toch zwaar op hebt ingezet, hoop ik dat u geen tijd meer verliest en dat we binnenkort de resultaten daarvan mogen aanschouwen.

De gebouwen van de federale politie in Luik

Gesteld door

PS Frédéric Daerden

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De erbarmlijke toestand van de federale politie-infrastructuur in Luik (oude, asbesthoudende gebouwen, ontoereikende opleidingsfaciliteiten) staat al decennia op de agenda, met een blokkerend masterplan (2018-2035) en gebrek aan concrete actie. Minister Quintin belooft versnelling via samenwerking met de Régie des Bâtiments, prioriteit voor Vottem (fase 2) en tijdelijke oplossingen (bv. stand van schietoefeningen in Hasselt), maar erkent dat structurele verbetering jaren zal duren. Daerden wijst op het falende vertrouwen na jaren leeg beloftebeleid en eist direct meetbare resultaten—veilige, waardige werkomstandigheden als basisrespect voor agenten. De urgentie botst met politieke traagheid, terwijl 1.500 agenten wachten op daadkracht.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, merci d'accepter que je pose ma question. Ce vendredi 20 juin, vous deviez accompagner la ministre Vanessa Matz lors d'une visite très attendue du site de la police fédérale de Vottem (Herstal). Ce déplacement important n'a finalement pas eu lieu. Il aurait pourtant permis de constater que les conditions de travail des fonctionnaires de la police fédérale en province de Liège sont, si je puis dire, indignes. Depuis des années, les syndicats, les agents, les responsables politiques locaux et nationaux, dont ceux de mon groupe, alertent. À Liège, la police fédérale est logée dans des bâtiments vieillissants, parfois modulaires, contenant de l'amiante ou menacés de ruine. Les infrastructures d'accueil et de travail sont sous-dimensionnées pour les équipes en place. Il est impossible de suivre correctement les formations obligatoires, faute d'installations disponibles comme les stands de tir. Un masterplan existe et est censé répondre à ces défis, mais il est à l'arrêt depuis 2018, alors qu'il devrait être finalisé à l'horizon 2028. Aujourd'hui, les délais annoncés flirtent avec 2035.

Dans ces conditions, permettez-moi de vous poser quelques questions. Quelles initiatives entendez-vous prendre pour faire aboutir ce masterplan dans un délai raisonnable? Quelles mesures urgentes seront prises pour garantir aux équipes déjà sur le terrain des conditions d'accueil, de travail, de formation à la hauteur de leur mission? Disposez-vous au sein de votre département d'un plan spécifique pour la province de Liège et ce, en concertation avec la Régie des Bâtiments et les autorités policières locales? Enfin, comment entendez-vous répondre à l'appel lancé par les syndicats et, notamment la CGSP, qui attendent un engagement politique fort, chiffré, planifié, et pas seulement une visite?

Bernard Quintin:

Monsieur le député, d'emblée, je peux vous préciser que la visite n'a pas pu être réalisée le 20 juin. Cette visite a été reportée pour des questions d'agenda. Mais pour votre information, j'ai cependant pu me rendre dans notre bonne ville de Liège ce 11 juillet au sein des services de la zone de la police locale de Liège.

Si une visite ne suffit pas - je vais finir par croire qu'on va me reprocher le fait de rendre visite le plus possible à la police locale et aux services de la police fédérale; mais je continuerai quand même à le faire - mais si une visite ne suffit pas, je considère utile de rencontrer les acteurs de terrain; dans le cas dont question, en compagnie de la ministre en charge des travaux nécessaires et prévus. Cela peut, en effet, aider à faire accélérer des situations qui posent des difficultés depuis parfois bien trop longtemps.

Je crois même avoir compris que, pour le site de Vottem, des rapports existent depuis les années 50. Je trouve cela extrêmement interpellant. Je ne suis ministre que depuis cinq mois et j'ai l'intention de travailler d'arrache-pied à cette problématique. J’y reviendrai à la fin de ma réponse.

Pour ce qui concerne les bâtiments de la police fédérale de la province de Liège, je suis informé de la situation actuelle des infrastructures. J'ai, dans ce cadre, des contacts réguliers avec ma collègue la ministre en charge de la Régie des Bâtiments, Mme Vanessa Matz, afin d'insister sur les priorités absolues: notamment l'importance de maintenir un développement soutenu de la phase 2 du masterplan Vottem, en vue d'en permettre la concrétisation.

Comme vous, je considère, étant donné que les validations de ces travaux sont actées, qu'il faut stabiliser le calendrier d'exécution afin de donner aux membres du personnel de la police fédérale qui en bénéficiera des perspectives claires et fiables.

Par ailleurs, je ne veux pas simplement me limiter à ce qui doit advenir, mais aussi m'assurer que les conditions actuelles puissent être améliorées dans l'attente de la concrétisation du masterplan.

Il est essentiel de s'assurer que les locaux actuels présentent un niveau de sécurité et restent adaptés. Les situations transitoires doivent être déployées, à l'instar du projet à Jemeppe-sur-Meuse, que j'espère pouvoir concrétiser dès l'année prochaine.

Concernant le stand de tir que vous évoquez, il y a effectivement des difficultés. C'est pour cela que le stand rénové récemment à Hasselt, pas trop loin de Liège, est accessible aux services liégeois selon les plages disponibles. Il y a aussi les alternatives temporaires mises en œuvre auprès de la Défense, des zones de police, d'intercommunales et si besoin d'infrastructures privées, qui sont assurées avec des budgets spécifiques pour veiller à l'exécution des exigences et normes de la GPI 48.

Par ailleurs, il est exact que les locaux modulaires accueillant les corps de formation sont limités, mais certains ont été fermés car ils ne garantissaient pas des conditions de travail adaptées. Pour ce qui concerne la présence d'amiante, des études ont été faites pour s'assurer de toute absence de risque. C'est d'ailleurs pour cette raison aussi que certains locaux ont été fermés.

Enfin, le masterplan Eupen, déployé en collaboration entre la Régie des Bâtiments, la police fédérale, les autorités locales et la zone de police, prévoit la construction d'un bâtiment au sein duquel une cohabitation entre les deux corps de police interviendra. Ces deux projets toucheront 1 500 membres du personnel, directement ou indirectement, et ce, sans compter les effectifs des zones de police.

Je peux vous assurer que je demande à mes services et aux services de police de suivre de près le suivi de ces dossiers par la Régie des Bâtiments. On a parlé tout à l'heure de l'attractivité de la fonction de police. Proposer de bonnes conditions de travail, entre autres de bâtiment, est pour moi essentiel. Nous ne pourrons pas tout faire en quatre ans, et il faudra mettre des priorités. Il est évident que les locaux de Vottem figurent parmi ces priorités.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, vous vous présentez souvent comme un fervent soutien des forces de l'ordre, et j'entends l'importance d'une police proactive, visible et efficace. Vous reconnaissez que cela n'a pas beaucoup bougé ces dernières années, vous l'avez d'ailleurs évoqué en introduction.

L'état déplorable des infrastructures, notamment, est dénoncé depuis des années. Sous la législature précédente, Mathieu Michel était chargé de ce dossier. Résultat, pas une seule amélioration concrète, rien! Aujourd'hui, nos policiers attendent autre chose que des mots: des murs qui tiennent, des bureaux décents, des conditions de travail dignes. Ce n'est pas une faveur, mais un minimum de respect envers ceux qui veillent chaque jour à notre sécurité.

Il est temps que notre gouvernement passe enfin des promesses aux résultats tangibles, pour que le soutien affiché à la police devienne crédible sur le terrain. J'entends que c'est votre priorité, et j'espère que vous aurez l'occasion de mener cela à bien.

Voorzitter:

De samengevoegde vragen nr. 56006312C van de heer Bergers en nrs. 56006979C en 56006980C van de heer Van Tigchelt zijn omgezet in schriftelijke vragen.

De stroompanne bij de federale politie in Antwerpen
De grote stroompanne bij de federale politie in Antwerpen
Grote stroompanne bij federale politie Antwerpen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een stroompanne op 26 juni 2025 in het Antwerps politiegebouw Noordsingel (door een defecte transformator) legde noodsystemen, ICT en brandveiligheid plat, met operationele gevolgen, ondanks een eerdere positieve inspectie in 2025. Minister Quintin bevestigt dat verouderde infrastructuur (liften, airco, noodgenerator) dringend gemoderniseerd moet worden, met geplande werken (o.a. transformatoren, serverkoeling), maar het masterplan uit 2016 voor centralisatie blijft onuitgevoerd door gebrek aan middelen en coördinatie tussen Regie der Gebouwen, eigenaar en politie. Depoortere hamert op structurele verwaarlozing, eist versnelde investeringen en noemt de situatie "respectloos" voor veiligheidspersoneel. De regering belooft opvolging, maar concrete actie en financiën ontbreken nog.

Ortwin Depoortere:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Een grote stroompanne trof de Noordsingelgebouwen van de federale politie in Antwerpen op 26 juni 2025. Hierbij bleken er niet alleen problemen te zijn met de noodgenerator, die niet werkte. Ook een nooduitgang bleek geblokkeerd te zijn. Ook met de brandveiligheid in het algemeen is er sprake van heel wat problemen.

Het personeel moest uiteindelijk geëvacueerd worden. Daarbovenop was de ICT-infrastructuur niet toegankelijk, gezien de servers in het gebouw zonder stroom stonden.

Dit is lang niet de eerste keer dat er problemen zijn met gebouwen van onze veiligheidsdiensten.

Nam u reeds kennis van deze stroompanne? Hoe beoordeelt u de reactie op het terrein en de nasleep van het voorval?

Wat was de impact hiervan op de operationele capaciteit en paraatheid van de politie?

Waardoor werd deze stroompanne veroorzaakt?

Wat zal u doen om de continuïteit van dienstverlening en ICT-systemen te garanderen?

Volgt er een brandveiligheidsanalyse met inspraak van de brandweer voor de betrokken gebouwen?

Wat is de staat van de betrokken gebouwen wat betreft onderhoud en algemene veiligheid?

Zal u na dit zoveelste voorval actie ondernemen tegen de aftakeling van gebouwen van onze veiligheidsdiensten? Voert u investeringen uit? Zo ja, welke?

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter op 26 juni 2025 vond er omstreeks 10.20 uur een algemene stroompanne plaats in het Ring Center in Antwerpen. Deze panne werd veroorzaakt door een defect in de hoogspanningscabine, meer bepaald door een defecte transformator. Het incident had een indirecte impact op de operationele activiteiten van LGP en CSD Antwerpen. Omstreeks 15.00 uur werd een noodgroep in werking gesteld, waardoor de kritieke installaties opnieuw van stroom konden worden voorzien. De volgende dag, omstreeks 1.00 uur ’s nachts, was de stroomvoorziening in het hele gebouw weer normaal. Er moet worden opgemerkt dat eerder, in 2025, een volledige inspectie van de hoogspanningscabine werd uitgevoerd en dat de testresultaten positief waren.

De technische infrastructuur van de site Noordersingel dient te worden gemoderniseerd. De levenscyclus en werking van de technische installatie in het gebouw worden in eerste instantie opgevolgd door de eigenaar, de Regie der Gebouwen, de onderhoudsfirma en de keuringsorganismen. De keurings- en onderhoudsverslagen helpen de eigenaar en de Regie der Gebouwen om de toestand van de installaties in te schatten. Ook de federale politie draagt bij aan deze opvolging, onder meer via meldingen van vastgestelde problemen en feedback over de concrete werkomstandigheden en percepties van de gebruikers in het gebouw. De federale politie rekent op de expertise van deze partners, zodat zij de nodige maatregelen nemen in overeenstemming met de respectieve verantwoordelijkheden, zoals voorzien in het huurcontract van dit gehuurde private gebouw. Gelet op de ouderdom van sommige technische installaties dienen de komende jaren zeker nog aanpassingen te gebeuren, hetzij door de eigenaar, hetzij door de Regie der Gebouwen. Over de airconditioning in het gebouw worden bijvoorbeeld al jarenlang klachten geuit, evenals over de verouderde staat van de liften en deuren.

De nodige risicoanalyses werden uitgevoerd. Door de techniciteit van het onderwerp zal ik hier niet verder op ingaan. Voor dit gebouw zijn in de komende maanden verschillende renovatiewerken voorzien, hetzij onder beheer van de eigenaar, hetzij van de Regie der Gebouwen, hetzij van de federale politie.

In het kader van de optimalisatie van de federale politie werd ervoor gekozen om zoveel mogelijk diensten te centraliseren op één site. In die context werd in 2016 door de toenmalige DirCo en DirJud een strategisch huisvestingsdocument opgesteld, waarbij werd gekozen voor maximale centralisatie van alle diensten van CSD en FGP Antwerpen op één site, met een hoofdinplanting in Antwerpen. Dat masterplan werd tot op heden nog steeds niet uitgevoerd. Het zou nochtans de beste structurele oplossing zijn voor de verschillende betrokken eenheden die deel uitmaken van dit plan. Ik heb deze prioriteit voor de politiediensten nogmaals benadrukt bij mijn collega die verantwoordelijk is voor de Regie der Gebouwen.

Er zijn bovendien werken bezig en andere werken zijn gepland op korte en middellange termijn, zoals de vervanging van de transformatoren van de hoogspanningscabine, de vervanging van het airconditioningsysteem van de serverruimte, de verhuizing van de CCU naar bijgebouw C, de renovatie van de benedenverdieping, werkzaamheden op bepaalde verdiepingen en de vervanging van het bedieningssysteem van de noodgenerator.

Ik zal niet verder ingaan op wat er precies moet gebeuren, maar met deze voorbeelden wil ik u tonen dat ik bijzonder veel aandacht heb voor de toestand van deze politie-infrastructuur, net als voor andere infrastructuur, zoals in Vottem, die ook voor operationele problemen zorgt. Ik stel dit vast en geef u dat in alle transparantie mee. Dit vereist financiële middelen, maar ook een strikte opvolging die moet worden verzekerd.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw transparant antwoord.

Ik ben het met u eens dat onze veiligheidsdiensten op sommige plaatsen in wel heel erbarmelijke omstandigheden moeten werken. Dit is het zoveelste voorbeeld daarvan.

Het kan er bij mij niet in dat men aan het begin van dit jaar een inspectie doet van een transformator en dat die in juni defect is, waardoor de technische infrastructuur onbruikbaar is. Ik zal er in de toekomst blijven op hameren dat dit ook een verantwoordelijkheid van de Regie der Gebouwen is. Ik ben blij dat u uw collega die daarvoor bevoegd is daarvan op de hoogte hebt gesteld. Dit kan zo niet langer. Er is een masterplan dat dateert van 2016. We zijn intussen negen jaar verder en dat masterplan is nog niet eens in uitvoering gebracht. Zo kan men toch niet blijven werken? Dat is respectloos ten aanzien van onze veiligheidsdiensten.

Ik reken erop dat deze regering daar werk van zal maken en ik reken erop dat u op diezelfde nagel zult slaan en dat we de Regie der Gebouwen zullen kunnen dwingen om eindelijk de financiële middelen te verstrekken opdat onze politiemensen op een fatsoenlijke manier gehuisvest kunnen worden.

Voorzitter:

La question n ° 56006511C de M. Prévot est transformée en question écrite. Les questions n os 56006527C et 56006599C de M. Thiébaut sont reportées. Les questions jointes n ° 56006560C de Mme Mutyebele Ngoi et n° 56006712C de Mme Maouane sont transformées en questions écrites. De vragen nrs. 56006611C en 56006612C van de heer Van der Donckt worden omgezet in schriftelijke vragen.

Het beheer van de door de lokale politie in beslag genomen goederen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jean-François Gatelier vraagt of lokale politiezones—zoals de onderbefinancierde BotHa-zone—mogen gebruikmaken van in beslag genomen voertuigen (nu enkel voor federale politie) om discreet drugsonderzoeken uit te voeren, gezien hun beperkte middelen en herkenbare dienstvoertuigen. Minister Quintin bevestigt dat dit juridisch onder de bevoegdheid van Justitie valt (via OCSC-regels) maar steunt het principe, verwijzend naar *asset sharing* om criminaliteitsbestrijding te versterken. Gatelier benadrukt bovendien de unieke operationele uitdagingen van BotHa (groot gebied, weinig personeel, grenscriminaliteit) en pleit voor een uitzonderingsstatus bij eventuele politiefusies, om efficiëntie te behouden.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, il apparaît que la police fédérale peut, dans certaines conditions, utiliser des véhicules saisis dans le cadre d'enquêtes pénales, notamment en matière de lutte contre les trafics de stupéfiants. Cette pratique encadrée juridiquement permettrait de renforcer la discrétion et l'efficacité des opérations en utilisant des véhicules qui ne sont pas immédiatement identifiés comme appartenant à la police.

Dans un contexte où le financement des zones de police devient de plus en plus difficile pour les communes partenaires, ne pourriez-vous pas envisager ou encourager l'extension de cette possibilité aux zones de police dans le respect du cadre légal existant? C'est une demande qui me vient du terrain. Je pense notamment à ma zone de police, la zone de police BotHa qui dispose d'une police judiciaire locale très active et performante dans la lutte contre le trafic de drogue. Faute de moyens suffisants, cette équipe ne dispose actuellement que de deux véhicules déjà malheureusement identifiés par les délinquants visés par les enquêtes. Cela limite leur capacité d'action et compromet dans certains cas la réussite des opérations.

Pouvez-vous dès lors nous indiquer si une telle utilisation de véhicules saisis par les zones de police locales est actuellement possible ou envisagée? Seriez-vous prêt à examiner, en concertation avec le SPF Justice et les parquets, la mise en place d'une procédure permettant aux zones locales d'en bénéficier dans un cadre transparent et sécurisé?

Bernard Quintin:

Monsieur Gatelier, l'utilisation par les services de police d'avoirs patrimoniaux saisis ou confisqués dans le cadre de ce qu'on appelle communément le asset sharing est encadrée par des dispositions légales relevant du Code d'instruction criminelle ainsi que de la loi du 4 février 2018 relative à l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation (OCSC). Ces dispositions, de même que les modalités pratiques de mise à disposition, notamment celles précisées dans le protocole d'accord du 18 août 2022, relèvent de la compétence de la ministre de la Justice.

La décision de mise à disposition d'un avoir patrimonial est prise par le directeur de l'OCSC, autorité placée sous la responsabilité de cette dernière. En tant que ministre de l'Intérieur, je soutiens pleinement les objectifs poursuivis par ce mécanisme qui permet de valoriser l'action des services de police dans la lutte contre la criminalité grave et organisée. Toutefois, comme je le disais, la mise en œuvre dépend de ma collègue, la ministre de la Justice.

Cela dit, je mets ceci aussi dans le cadre du follow the value . Je pense qu'il est absolument nécessaire que les biens qui sont saisis, singulièrement dans le cadre de la lutte contre les trafics de drogue, puissent être réalisés d'une certaine manière, c'est-à-dire qu'on puisse les utiliser, les vendre et générer des revenus qui peuvent après être utilisés.

L'utilisation de ces véhicules de sorte que les opérations qui doivent être faites par les sections de police judiciaire puissent être faites avec un certain nombre de moyens qui ne sont pas identifiables directement par les réseaux criminels est importante. Je vous invite donc éventuellement à reposer cette question à ma collègue la ministre de la Justice, qui est directement compétente. Mais vous avez mon soutien sur le principe.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Bien entendu, je me tournerai vers votre collègue la ministre de la Justice, parce qu'il s'agit d'une simple petite résolution, mais qui apporte beaucoup d'effets, notamment pour un SER d'une petite zone de police. Je parle de ma zone de police! Je ne sais pas si vous la connaissez bien. Elle rencontre, comme toutes les autres, des difficultés, mais celle-ci est vraiment exceptionnelle.

Je profite du temps de parole qui m'est donné pour attirer votre attention sur celle-ci, puisqu'on parle d'éventuelles fusions des zones de police. On sait bien qu'elle concerne Bruxelles, mais peut-être aussi la Wallonie. On est encouragé, en tout cas, à fusionner les zones de police. Ça se fait déjà dans des zones voisines. Mais sachez que ça va être très difficile pour les zones de police BotHa de fusionner, puisque la superficie de cette zone est trois fois celle de la Région de Bruxelles-Capitale pour seulement 70 policiers. Il y a cinq policiers du SER qui font un travail formidable.

Le parquet de Charleroi est relativement satisfait d'avoir une antenne détachée à une heure de route dans une zone où il y a une frontière française sur 120 kilomètres, trois compagnies de gendarmerie à gérer à l'ouest, un arrondissement judiciaire différent sur Dinant à l'est, et au nord, l'arrondissement judiciaire de Charleroi, tout cela sans compter les problèmes liés aux lacs et à la criminalité transfrontalière. Ce contexte pose vraiment problème pour que nous puissions avoir une police locale efficace.

J'attire votre attention et plaide pour que cette zone de police constitue une exception géographique. Dans le cadre de la réforme KUL, je souhaite vraiment que vous soyez attentif à cette zone qui est agréable de par son accueil mais très difficile à gérer en termes de sécurité.

Voorzitter:

La question n° 56006975C de Mme Aurore Tourneur est transformée en question écrite.

De agressie tegen cipiers in de gevangenis van Mechelen
De politieactie in de gevangenis van Mechelen na aanvallen tegen cipiers
Veiligheid en incidenten in de gevangenis van Mechelen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen kaart agressie-incidenten in de gevangenis van Mechelen (weigering celinkeer, geweld tegen cipiers en directie, steekpartij) en politieacties in Haren (drugsrazzia) aan, met kritiek op ongelijke politiebehandeling (cipiers vs. directie) en veiligheidsprocedures. Minister Verlinden bevestigt de feiten, ontkent procedurefouten en benadrukt dat politie-interventies afhangen van ernst/urgentie, niet van slachtoffers' functie, terwijl Haren-acties gericht waren op drugsbestrijding (geen direct verband met cipiergeweld). Dillen hamerde op gelijke aanpak en strengere strafvervolging van daders om agressie af te schrikken. De minister wijst op bestaande veiligheidsmaatregelen (celdisciplines, corruptiepreventie) maar blijft vaag over concrete vervolgstappen.

Marijke Dillen:

Even voorafgaandelijk, mijnheer de voorzitter, ik denk dat hier een vergissing is gebeurd. Mijn vraag over de agressie tegen de cipiers gaat over de gevangenis van Mechelen, terwijl de tweede vraag, over die politieactie, over de gevangenis van Haren gaat.

Voorzitter:

Il y a une donc une erreur dans les titres? Car dans les deux titres, il est écrit Mechelen.

Marijke Dillen:

Misschien, ik kan dat hier niet zien. Ik zal beide vragen stellen, maar dan wel los van elkaar.

Voorzitter:

Oké, u kunt uw twee vragen stellen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, opnieuw waren er zware incidenten, ditmaal in de gevangenis van Mechelen. De cipiers in de gevangenis van Mechelen zijn het beu. Een tiental dagen geleden zette een groep van ongeveer vijftig gedetineerden de boel op stelten, toen zij na hun middagwandeling weigerden terug te keren naar hun cel. Daarbij richtten zij vernielingen aan. Enkele dagen later was het personeel het doelwit. Een mannelijke cipier kreeg een stamp tegen het been. Een vrouwelijke cipier werd in het gezicht geslagen. De cipiers konden gelukkig tijdig ingrijpen en de celdeur sluiten. De zondag daarop vond een gesprek plaats tussen de gedetineerden en de directie, waarbij een gedetineerde de kans greep om een dienstdoend directielid in een wurggreep te nemen. Ook in dat geval konden de cipiers gelukkig tijdig ingrijpen. Daarnaast deed zich blijkbaar ook een incident voor in een van de cellen, waarbij gedetineerden met elkaar op de vuist gingen. Er zou bovendien een steekincident hebben plaatsgevonden.

Naar aanleiding van die feiten worden de veiligheidsprocedures in de gevangenis van Mechelen opnieuw ter discussie gesteld. Die procedures zouden immers niet gevolgd zijn. Het behoeft geen betoog: de opeenstapeling van feiten weegt zwaar op de cipiers.

Bovendien – en dit vind ik toch ook bijzonder ernstig, mevrouw de minister - merken sommigen op dat er een onderscheid wordt gemaakt. Cipiers die het slachtoffer worden van agressie, moeten zelf naar de politie stappen. Wanneer daarentegen iemand van de directie wordt aangepakt, komt de politie naar de gevangenis om verklaringen op te nemen. Een dergelijk onderscheid is eigenlijk niet te verantwoorden.

Vandaar mijn vragen over de gevangenis van Mechelen. Kunt u de feiten die ik heb aangehaald, bevestigen? Wat de poging tot wurging betreft, die in feite onder poging tot doodslag valt, zal de dader daarvoor strafrechtelijk worden vervolgd? Wat gebeurt er met de daders van opzettelijke slagen en verwondingen? Zal de veiligheidsprocedure, die blijkbaar niet werd toegepast, worden herzien? Waarom gaat de politie niet naar de gevangenis bij geweld tegen cipiers, terwijl dat wel gebeurt bij geweld tegen de directie?

Mevrouw de minister, op 15 juni 2025, op dezelfde dag van de incidenten in de gevangenis van Mechelen, vond een grootschalige politieactie plaats in de gevangenis van Haren, waarbij 145 agenten werden ingezet in het kader van een gerechtelijk onderzoek. Het parket stelt terecht dat de strijd tegen corruptie, georganiseerde criminaliteit en drugshandel in Haren een prioriteit is. De gevangenis moet – ik citeer – "een veilige plaats blijven waar criminaliteit niet kan wortelen". Bij die operatie werden blijkbaar een aantal hoeveelheden drugs gevonden, wat aanleiding gaf tot de opening van nieuwe dossiers. De actie zou eigenlijk zijn georganiseerd naar aanleiding van aanvallen op cipiers.

Ten eerste, kunt u daarover meer toelichting geven? Ik neem aan dat u zult antwoorden dat u geen informatie verstrekt over lopende onderzoeken, wat ik begrijp.

Ten tweede, klopt de berichtgeving echter over de aanvallen op cipiers?

Ten derde, de procureur beklemtoont dat de strijd tegen corruptie, georganiseerde criminaliteit en drugshandel een prioriteit is. Welke initiatieven zullen met prioriteit worden genomen?

Ten vierde, een aantal gedetineerden wordt gedagvaard via het snelrecht. Hebt u daar informatie over? Kunt u toelichting geven over het aantal betrokken gedetineerden? Wanneer kunnen concrete uitspraken worden verwacht?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, met betrekking tot de incidenten in de gevangenis van Mechelen kan ik u het volgende meedelen. Op donderdag 5 juni weigerde een groep gedetineerden om na de middagwandeling weer naar binnen te gaan. De politie werd daarop om bijstand gevraagd, maar uiteindelijk keerden de gedetineerden na enige tijd terug naar binnen en kwam de politie niet tussenbeide.

Op vrijdag 13 juni vond een agressie-incident ten aanzien van twee penitentiaire ambtenaren plaats. Op zondag 15 juni was er een agressie-incident, gericht tegen de dienstdoende directeur. Voor die laatste feiten werd een proces-verbaal opgesteld dat werd bezorgd aan het ambt van de procureur des Konings van Antwerpen, afdeling Mechelen. Het is aan het ambt van de procureur om te beslissen over de vervolging van de verdachte.

Na de kritieke incidenten werd een debriefing met de vakbonden en het personeel gehouden, zoals de procedure voorschrijft. De procedures werden geanalyseerd en daaruit blijkt dat ze correct werden toegepast. Er zijn in dat verband dus geen professionele fouten vastgesteld of gemaakt.

Dat werd ook zo tijdens de debriefings besproken. Er bestaat al een beleid inzake het omgaan met agressief gedrag, gebaseerd op een integrale aanpak, die zowel steunt op dynamische veiligheid, die de basis blijft voor een veilig leef- en werkklimaat, als op statische veiligheid. Er lopen nog bijkomende initiatieven, zoals de installatie van beveiligde cellen en het werken aan een oplossingsgerichte cultuur.

Wanneer de politie vanuit de gevangenis om bijstand wordt gevraagd of om vaststellingen van feiten te verrichten, handelt de politie op basis van de ernst en het acute karakter van de gevaarsituatie of de nood, met inbegrip van de verplaatsing naar de gevangenis.

Op zondag 15 juni werd de politie ter plaatse gevraagd wegens de ernst en de context van de feiten enerzijds en de herhaling ervan anderzijds. Dat het slachtoffer een lid van de directie was, heeft bij mijn weten voor de politie geen rol gespeeld.

Met betrekking tot de politieactie in de gevangenis van Haren, er is geen directe link tussen de aanvallen op cipiers en de grootschalige politieactie van 16 juni. De actie was niet bedoeld om een antwoord op de aanvallen te bieden. Tijdens de actie van 16 juni werd vooral gericht gezocht naar drugs- en IT-materiaal, zoals gsm’s en toebehoren.

Wat het verdere gevolg van die actie betreft, kan ik geen commentaar geven wegens het lopende onderzoek.

Over de initiatieven met betrekking tot de strijd tegen de aanwezigheid van drugs in de gevangenissen verwijs ik naar mijn eerdere antwoorden ter zake.

Gedetineerde leden van de georganiseerde misdaad die binnen hun milieu een leidende rol hebben, kan de directeur-generaal in een individueel bijzonder veiligheidsregime plaatsen, zodat zij van anderen kunnen worden afgezonderd.

Wat preventieve acties tegen mogelijke corruptieactiviteiten door medewerkers betreft, werd met toepassing van de wet van 23 maart 2019 op de organisatie van de penitentiaire diensten en het statuut van penitentiair personeel het beschikken over een positief veiligheidsadvies voor nieuwe medewerkers ingevoerd.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw uitgebreide antwoord. Mevrouw de minister, de cipiers zelf klaagden erover dat er een verschil in behandeling is, want cipiers zouden zelf naar de politie moeten stappen, terwijl de politie naar de gevangenis komt, wanneer het slachtoffer een directielid is. Zij vinden dat onderscheid eigenlijk niet verantwoordbaar. Misschien kan men dergelijke wrevel vermijden door ervoor te zorgen dat de politie zich voor alle gevallen van agressie zich naar de gevangenis verplaatst, zodat de cipiers niet zelf naar de politie moeten stappen. Onze fractie is duidelijk: iedere vorm van agressie tegen cipiers of ander gevangenispersoneel moet zeer streng worden aangepakt. Daders moeten worden vervolgd en zeer streng bestraft. Er moet een duidelijk signaal zijn: agressie in onze gevangenissen is totaal onaanvaardbaar.

Het gebrek aan meetinstrumenten waarmee de politie de snelheid van e-steps kan controleren

Gesteld door

Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 19 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Niels Tas (Vooruit) kaart het groeiende gevaar van opgevoerde e-steps/fatbikes (tot 100 km/u) aan, die zware ongevallen veroorzaken, en pleit voor snelheidsmeters voor politie om deze voertuigen effectief te controleren—een wijziging in de regelgeving zou volstaan. Minister Crucke bevestigt dat snelheidsnormen onder zijn bevoegdheid vallen, maar homologatie van meettoestellen bij de gewesten ligt, en handhaving onder minister Quintin (Veiligheid); inbeslagnames zijn nu al mogelijk met parkettoestemming. Tas benadrukt dat strengere regels onvoldoende zijn zolang illegale verkopers ze omzeilen en dringt aan op snelle, kosteloze aanpassingen voor betere politiecontroles. Kernpunt: dringende nood aan gecoördineerde actie (wetswijziging + gewestelijke samenwerking) om levensgevaarlijke snelheidsoverschrijdingen tegen te gaan.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, op de fiets voorbij gesjeesd worden door een supersnelle e-step of een fatbike, we hebben het allemaal al eens meegemaakt. Politiediensten, ziekenhuizen en experten trekken al langer aan de alarmbel. Volgens onze spoeddiensten blijft het aantal ongevallen met e-steps toenemen, wat leidt tot vreselijke breuken en verwondingen. Chirurgen zijn soms uren bezig om mensen weer enigszins toonbaar te maken, zo getuigde een spoedarts onlangs nog.

Dankzij Vooruit werden de regels voor e-steps al duidelijker en strenger. Er geldt nu een minimumleeftijd van 16 jaar, een verbod om op het voetpad te rijden en een verbod op het gebruik van een e-step met meerdere personen tegelijk. Dat is enorm belangrijk voor onze veiligheid.

Toch ziet de politie een nieuw fenomeen opduiken. Opgedreven e-steps en fatbikes halen vandaag snelheden tot 100 kilometer per uur, in plaats van de toegelaten 25 kilometer per uur. Dat is levensgevaarlijk. Onze politie doet het nodige en voert heel wat controleacties uit, maar de toestellen zijn verouderd. Zo holt de politie achter de feiten aan. Nieuwe snelheidsmeters of speedguns zijn essentieel om opgedreven voertuigen van de weg te kunnen halen.

Beste collega’s, dergelijke toestellen bestaan. In andere Europese landen worden ze al gebruikt, maar bij ons geraakt het niet geregeld. Nochtans, zo stelt Vias institute, kan het probleem met de toevoeging van één simpele zin in onze regelgeving worden opgelost.

Mijnheer de minister, zult u ervoor zorgen dat onze politiediensten snel over de juiste toestellen kunnen beschikken om e-steps en fatbikes die zulke gevaarlijke snelheden halen, van de weg te halen, voor veilig verkeer voor ons allemaal?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Tas, in de huidige context van de aanzienlijke toename van het gebruik van elektrische steps is het, zoals u hebt aangegeven, essentieel om te waarborgen dat alle weggebruikers op een veilige manier naast elkaar kunnen bestaan. Dat houdt in dat de naleving van de regels, in het bijzonder de snelheidsbeperking, moet kunnen worden gecontroleerd. Het opstellen van snelheidsnormen valt wel degelijk onder mijn bevoegdheid.

Het gebrek aan instrumenten voor de politie om de snelheid van elektrische steps te meten, moet worden besproken met de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, Bernard Quintin. De toestellen voor de controle van de snelheid vallen echter onder de bevoegdheid van de gewesten. De gewestelijke metrologie is dus bevoegd om de curvometers te homologeren die moeten dienen om de snelheid van elektrische steps te meten.

Momenteel kunnen politiecontroles leiden tot de inbeslagneming van elektrische steps die de maximumsnelheid van 25 kilometer per uur overschrijden, mits toestemming van het parket.

Een aanpassing in de wet dient zich aan en ik wil mij daartoe zeker engageren, maar de bevoegdheid over de politie zit, zoals u weet, in handen van collega-minister Bernard Quintin.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, veilig verkeer is voor Vooruit, en ook voor u, een topprioriteit. We hebben met Vooruit de regels voor e-steps de voorbije jaren al strenger en duidelijker gemaakt, maar de realiteit is dat de situatie alweer veranderd is en dat illegale verkopers manieren blijven zoeken om die steps toch op de markt te brengen en de wetgeving te omzeilen. We zullen dus moeten samenwerken en snel handelen om dat opnieuw op te lossen, want het aantal ongevallen blijft toenemen. Het komt dus u en ons allemaal in het Parlement toe om ervoor te zorgen dat we kunnen doorpakken. Er is ook goed nieuws, collega’s. In de voorbije uren hebben we al heel wat gedebatteerd over geld. Welnu, deze maatregel kost geen geld, maar zal onze politie wel extra ondersteunen. Voor Vooruit is het duidelijk: iedereen moet veilig de weg op kunnen.

De uitsluiting van internationale waarnemers van de zittingen van de militaire rechtbank in Bakoe
De politieke gevangenen in Artsakh
De beperking van mensenrechten en politieke vrijheid in de Zuid-Kaukasus

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische parlementariërs De Maegd en Samyn uiten ernstige bezorgdheid over Azerbeidzjans weigering om diplomaten, NGOs en internationale waarnemers toe te laten bij gesloten militaire processen tegen gevangenen uit Nagorno-Karabach, wat schendingen van transparantie, eerlijk proces en mensenrechten signaleert. Minister Prévot bevestigt dat België de kwestie bilateraal en via de EU aankaart, maar ontkent concrete kennis van toegangsonthouding, benadrukkend dat het CICR wel toegang heeft en dat de EU haar economische invloed moet gebruiken voor druk. De Maegd en Samyn verwerpen dit standpunt als onvoldoende, eisen een hardere EU-lijn en stellen dat samenwerking met Azerbeidzjan alleen kan bij onvoorwaardelijk respect voor rechtsstaat en grondrechten, wat nu volledig ontbreekt.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je sais que vous êtes attentif à la situation des prisonniers du Haut-Karabakh détenus dans les geôles de Bakou. Nous en avons discuté à plusieurs reprises, en commission comme en séance plénière.

Selon des informations récentes, des experts internationaux et des diplomates se sont vu refuser l’accès aux audiences du tribunal militaire de Bakou, alors même que les autorités azerbaïdjanaises affirmaient que ces audiences seraient publiques. Cette situation soulève des préoccupations quant au respect des normes internationales en matière de transparence judiciaire et des droits de l'homme.

Par ailleurs, des défenseurs des droits humains et des représentants d’ONG ont vu leurs demandes d’assister aux audiences rejetées, et des allégations de harcèlement ciblant un chercheur international ont également été rapportées.

La Belgique a-t-elle exprimé ses préoccupations auprès des autorités azerbaïdjanaises concernant l’interdiction faite aux diplomates et observateurs internationaux d’assister aux audiences du tribunal militaire de Bakou? Quelle démarche diplomatique la Belgique envisage-t-elle afin de promouvoir le respect des normes internationales en matière de transparence judiciaire et de droits de l’homme en Azerbaïdjan? La Belgique envisage-t-elle de collaborer avec ses partenaires européens pour adopter une réponse coordonnée face à ces entraves aux droits fondamentaux?

Je vous remercie déjà pour vos réponses et pour le suivi que je sais que vous accorderez à ce dossier.

Ellen Samyn:

Mijnheer De Maegd heeft de situatie correct geschetst. Ik verwijs verder naar de ingediende tekst van mijn vraag.

Volgens recente informatie blijkt dat internationale experts en diplomaten geen toegang krijgen tot de zittingen van het militaire tribunaal in Bakoe, ondanks de bewering van de Azerbeidzjaanse autoriteiten dat deze openbaar zijn. Dit roept ernstige vragen op over de naleving van internationale standaarden voor gerechtelijke transparantie en mensenrechten.

Tijdens de bespreking van de beleidsnota meldde ik reeds dat verzoeken van mensenrechtenactivisten en ngo-vertegenwoordigers om de zittingen bij te wonen werden afgewezen, bijkomend zou er sprake zijn van intimidatie van een internationale onderzoeker.

Graag verneem ik van de minister:

Heeft België zijn bezorgdheid geuit bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten over het feit dat diplomaten en internationale waarnemers geen toegang krijgen tot de zittingen van het militaire tribunaal in Bakoe?

Welke diplomatieke initiatieven plant België om de naleving van internationale normen voor gerechtelijke transparantie en mensenrechten in Azerbeidzjan te bevorderen?

Bent u van plan om samen met Europese partners een gezamenlijke reactie te formuleren op deze schendingen van fundamentele rechten?

Maxime Prévot:

Je peux vous assurer à nouveau, comme je l'ai fait en réponse à vos questions précédentes, que la Belgique aborde effectivement les droits humains et le processus de paix avec l'Arménie et les autorités azerbaïdjanaises entre autres, et ce, encore fin mai au niveau de mon chef de cabinet.

De manière générale, et ensemble avec nos partenaires européens, la Belgique plaide pour une signature rapide du texte de l'accord de paix négocié entre Bakou et Erevan en mars dernier. Quant à la question spécifique des prisonniers arméniens en Azerbaïdjan, nous ne disposons pas d'informations concernant un éventuel refus d'accès pour les observateurs diplomatiques. Il nous a été rapporté que les prisonniers continueraient à bénéficier de l'accès du Comité international de la Croix-Rouge (CICR).

Zoals u weet, is de bevordering van de mensenrechten en het respect van de rechtsstaat een algemene prioriteit van het Belgisch buitenlands beleid. In dat opzicht zet ons land zich sterk in op bilateraal, Europees en multilateraal niveau. Mijn diensten en ik blijven dan ook waakzaam tegenover de moeilijke mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces.

Onze ambassade in Bakoe volgt de ontwikkelingen op, onder meer in samenwerking met de EU-delegatie. Als belangrijkste handelspartner en investeerder in Azerbeidzjan dient de EU haar invloed aan te wenden om vooruitgang te boeken op het gebied van de rechtsstaat en de mensenrechten. We pleiten er in Europese context voor om met die kwestie rekening te houden.

Michel De Maegd:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse et pour l'attention que vous continuez à porter à ce dossier.

Les informations divergent manifestement. L'accès au procès n'est pas à mes yeux un simple détail de procédure. C'est un indicateur fondamental de la santé démocratique d'un État, du respect qu'il accorde aux droits humains et de sa volonté réelle de se conformer aux engagements internationaux. L'interdiction faite aux observateurs indépendants, aux ONG et même aux diplomates d'assister à ces audiences n'est pas seulement préoccupante, elle est profondément choquante. Elle alimente le doute, renforce le soupçon d'injustice et nourrit l'impunité.

La Belgique ne peut agir seule mais elle peut et doit jouer un rôle moteur au sein de l'Union européenne pour promouvoir une position active, courageuse et déterminée dans ce dossier. Nous devons rester aux côtés des familles, des défenseurs des droits humains et de toutes celles et ceux qui, dans la région, attendent de la communauté internationale un signal clair, celui que les droits fondamentaux ne sont pas négociables, y compris à Bakou.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, Azerbeidzjan presenteert zich graag als een stabiele partner op het internationale toneel, maar dat beeld strookt niet met de interne realiteit. Er is ernstige bezorgdheid over de mensenrechtensituatie, met name wat de detentie van politieke tegenstanders, activisten en journalisten betreft. Ook de arrestatie en vervolging van voormalige leiders en burgers uit Nagorno-Karabach roept vragen op over het respect voor het internationaal humanitair recht en het recht op een eerlijk proces.

Mijnheer de minister, het is goed dat u waakzaam blijft en de ontwikkelingen volgt, maar het is onze taak om de situatie blijvend onder de aandacht te brengen. Wij, en bij uitbreiding de internationale gemeenschap, mogen absoluut niet wegkijken van de mogelijke ontwikkelingen. U kent mijn mening over Azerbeidzjan. Ik zou liever geen banden en overeenkomsten hebben met dat ondemocratisch land. Respect voor de grondrechten en de rechtsstaat moeten een voorwaarde blijven voor samenwerking, maar dat ontbreekt volgens mij volledig.

Voorzitter:

Chers collègues, vu que M. Vander Elst a dû nous quitter pour un certain temps pour se rendre dans une autre commission, nous abordons la question jointe suivante prévue à l'ordre du jour.

De politieke situatie en de schendingen van de persvrijheid in Burundi

Gesteld door

MR Michel De Maegd

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische bezorgdheid over groveschending van democratie en persvrijheid in Burundi na verkiezingen waar de regeringspartij alle 100 zetels won onder massale fraude, censuur en onderdrukking van oppositie en media. Minister Prévot bevestigt ernstige tekortkomingen (ook erkend door lokale bisschoppen) en benadrukt het kritieke belang van pluralisme voor stabiliteit, maar wijst op moeizame diplomatieke contacten met Burundi, ondanks Belgische steun aan onafhankelijke journalisten en aandringen op concrete hervormingen. De Maegd eist een hardere Europese lijn: geen legitimiteit zonder vrije pers en transparante verkiezingen, met duidelijke consequenties voor democratische terugval. Prévot belooft waakzaamheid maar concrete stappen blijven vaag.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, le 5 juin dernier, le Burundi a organisé des élections législatives qui se sont soldées par un résultat sans appel : le parti au pouvoir, le CNDD-FDD, a remporté la totalité des 100 sièges de l'Assemblée nationale.

Ce résultat suscite évidemment une vive inquiétude quant au respect des principes démocratiques.

De nombreux témoignages font état d'irrégularités massives : bourrages d'urnes, votes forcés, exclusion des observateurs indépendants, arrestations arbitraires et intimidations de l'opposition.

Selon plusieurs médias internationaux et burundais, le pouvoir a également imposé une censure totale aux journalistes locaux lors du scrutin, aboutissant à un véritable blackout médiatique sur les fraudes dénoncées par des observateurs et des journalistes indépendants.

Cette mise sous tutelle de la presse constitue une régression alarmante dans un pays qui, il y a peu encore, était salué pour la vigueur et la liberté de ses médias.

Monsieur le Ministre, face à ces violations apparentes graves des principes démocratiques et de la liberté de la presse au Burundi, je souhaiterais vous interroger.

1. Quelle position diplomatique compte adopter la Belgique vis-à-vis du gouvernement burundais pour dénoncer ces irrégularités et exiger un retour immédiat au pluralisme démocratique?

2. Quelles initiatives concrètes la Belgique pourrait-elle envisager, notamment au sein des instances européennes et internationales, pour soutenir la société civile burundaise et assurer une meilleure protection des journalistes soumis à la censure et aux intimidations?

Je vous remercie pour votre réponse.

Maxime Prévot:

Monsieur De Maegd, le Burundi a en effet organisé des élections législatives et locales le 5 juin dernier. J'ai bien pris note du communiqué du 12 juin rédigé par les évêques du Burundi, qui avaient dépêché une observation à travers la Commission épiscopale "Justice et Paix". Cette observation a couvert environ 2 400 bureaux de vote, soit environ 30 % du total sur l'ensemble du territoire. Les évêques reconnaissent que les élections se sont, dans l'ensemble, déroulées dans un climat relativement calme et que la population y a participé activement. C'est plutôt une bonne chose. Toutefois, ils relèvent de nombreuses irrégularités et dysfonctionnements dans le déroulement du scrutin. C'est évidemment une source indéniable de préoccupation pour moi. Il faudra maintenant voir comment ces problèmes seront examinés par les organes compétents et comment il y sera remédié.

Par ailleurs, selon les résultats provisoires, l'opposition n'obtiendrait plus aucun siège à l'Assemblée nationale, alors qu'elle disposait dans le Parlement sortant de près de 30 % de sièges. Dans un tel scénario, on peut légitimement se poser des questions sur la santé future de la démocratie parlementaire au Burundi. Certes, les partis d'opposition ne seront pas interdits de fonctionner, mais de facto cela obèrera leur capacité à jouer leur rôle de contrepoids, comme dans toute démocratie. Or il faut noter qu'un des acquis de la démocratie au Burundi était le pluralisme politique. J'ai visité le Burundi le 26 avril dernier, car je suis persuadé que ce pays, comme l'Ouganda et les autres pays de la région, ont un rôle majeur à remplir pour assurer la stabilité régionale.

Pour garantir la paix et la concorde, mais aussi pour attirer de nouveaux investissements, le respect des principes de démocratie et de liberté est fondamental. C'est d'autant plus important à l'approche des élections présidentielles de 2027. S'agissant de la presse, lors de ma visite, j'ai eu l'occasion d'échanger avec des journalistes indépendants et de les assurer de notre plein soutien. Ils accomplissent un travail admirable dans des conditions compliquées. Je sais que notre ambassade y est très attentive. Au cours de plusieurs contacts avec les autorités burundaises, y compris le président de la République, j'ai eu l'occasion d'insister sur les questions de droits humains, en soulignant l'importance d'accomplir des actes concrets.

En tant que membre du Conseil des droits de l'homme, le Burundi est aussi doté d'une responsabilité supplémentaire pour protéger les défenseurs des droits humains et les journalistes, ainsi que pour coopérer avec les mécanismes internationaux des droits humains.

Par ailleurs, j'ai essayé de joindre mon homologue burundais ce week-end pour un échange de vues à propos de la situation post-électorale, mais nous ne sommes pas parvenus à entrer en contact.

Michel De Maegd:

Je vous remercie, monsieur le ministre. En effet, un échange de vues avec votre homologue s'impose et je suis ravi d'entendre que vous êtes proactif en la matière. Ce à quoi nous assistons au Burundi, c'est là encore une dérive complète et autoritaire manifeste qui s'accompagne d'un musellement systématique de la presse, d'un effacement total de l'opposition politique et d'une absence d'État de droit. La voie de la Belgique, avec ses partenaires européens, doit être claire: pas de démocratie sans liberté de la presse, pas de légitimité sans élection transparente, pas d'impunité pour ceux qui s'en prennent aux fondements mêmes de la démocratie. Je compte sur votre vigilance.

De luchtvaartpolitie
De versoepeling van grenscontroles in Brussels Airport, de luchthaven van Zaventem
De grenscontroles op Brussels Airport
De grenscontroles in Zaventem
De instructie inzake versoepelde paspoortcontroles door de luchtvaartpolitie
De versoepeling van de grenscontroles op Brussels Airport
De grenscontroles door de luchtvaartpolitie
Grenscontroles en versoepelingen op Brussels Airport door de luchtvaartpolitie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de versoepeling van grenscontroles op Brussels Airport (Zaventem) via een omstreden interne instructie (art. 9 Schengengrenscode), die illegaal en veiligheidsrisico’s bleek, leidend tot het ontslag van de directeur. Het structurele personeelstekort (23% bij Zaventem, 16% landelijk) en onvoldoende controleboxen veroorzaken lange wachtrijen, terwijl de minister kortetermijnoplossingen aankondigt: Frontex-steun, een zomerplan met extra capaciteit, en beloftes voor recrutering en uitbreiding controleposten. Kritiek blijft op traagheid, gebrek aan transparantie en de nood aan structurele versterking om veiligheid *en* efficiëntie te garanderen.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, depuis plusieurs mois déjà et à de nombreuses reprises, nos aéroports font l'objet de files d'attente assez longues aux contrôles policiers à la frontière des différents aéroports. La semaine dernière, j'ai soumis cette question en raison de longues files observées à l'aéroport de Bruxelles-National consécutives, entre autres, aux retours du week-end prolongé. L'attente a parfois atteint plus de 80 minutes. À cet égard, la police fédérale expliquait que cette situation était notamment due à l'afflux important de voyageurs lié en l'occurrence à la période du long week-end et à l'arrivée simultanée de plusieurs vols internationaux. Soit, on sait que cette situation se répète depuis plusieurs mois, pas uniquement en périodes de vacances ou de longs week-ends.

Vendredi dernier, le directeur de la police aéronautique aurait envoyé une communication interne au personnel de Brussels Airport dans laquelle il demande d'assouplir les contrôles aux frontières à l'aéroport de Bruxelles-National lorsque l'affluence y est élevée. Or, des informations qui ressortent de cette note, celle-ci ne semble pas conforme aux lignes directrices en vigueur. Par ailleurs, monsieur le ministre, on apprend que le directeur en question a démissionné de ses fonctions hier parce qu'il ne peut plus exercer ses fonctions "de manière sereine et adéquate". On ne sait pas trop ce que cela veut dire.

Monsieur le ministre, aviez-vous connaissance de cette note interne? Celle-ci est-elle la conséquence du manque d'effectifs à l'aéroport de Bruxelles-National?

Pouvez-vous faire le point sur les effectifs actuels de la police aéronautique des six aéroports Schengen que compte notre pays? Dans quelle mesure le cadre est-il actuellement rempli? Des recrutements sont-ils prévus ou en cours?

Concernant les deux principaux aéroports du pays, Bruxelles-National et Charleroi Bruxelles-Sud, quels moyens humains mais aussi matériels ont-ils été mis en œuvre pour éviter de telles files? Qu'en est-il des portiques automatiques commandés à l'époque par le ministre Jambon et qui ont malheureusement rencontré de nombreux défauts techniques depuis leur mise en œuvre? Leur remplacement était d'ailleurs prévu à partir de 2023. Qu'en est-il?

Enfin, monsieur le ministre, dans quelques semaines, une grande majorité des Belges partiront sans doute en vacances. Dans cette perspective, des dispositions seront-elles prises?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb een interpellatieverzoek ingediend over deze onverkwikkelijke zaak, eerst en vooral omdat flagrante schendingen van onze veiligheidsprotocollen nooit te verantwoorden zijn, laat staan dat ze verantwoord zouden worden door commerciële redenen. Ik wil dan ook benadrukken dat de recente onthullingen over de versoepeling van grenscontroles op de luchthaven van Zaventem zeer zorgwekkend waren. Bij de luchtvaartpolitie van Brussel-Zaventem is vorige week intern commotie ontstaan nadat de directeur van de luchtvaartpolitie zijn korps het bevel had gegeven om artikel 9 van de Schengengrenscode structureel en preventief toe te passen bij de aankomstzone.

Artikel 9 van de Schengengrenscode bepaalt dat grenscontroles aan de buitengrenzen alleen in buitengewone en zeer onvoorziene omstandigheden tijdelijk kunnen worden versoepeld, dit alleen na maximale inzet van alle beschikbare middelen. De beslissing tot versoepeling moet bovendien worden genomen door de bevelvoerende grenswachter ter plaatse en mag niet systematisch of preventief worden toegepast.

De bedoeling van deze instructie was om wachtrijen te vermijden, ook wanneer er geen sprake is van onvoorziene omstandigheden of capaciteitsoverschrijding. Uit de interne communicatie bleek bovendien dat het debat over deze toepassing "gesloten is verklaard". Uiteraard snoert men zo onze agenten op het terrein de mond. De klokkenluiders hebben daarop zowel mijzelf als de pers gecontacteerd. Dat mag eigenlijk niemand verbazen, want dit kan absoluut niet door de beugel. Het is volstrekt onwettig en volledig onverantwoord.

Drukte op de luchthaven is geen geldige reden om grenscontroles te verzwakken. Op die manier geeft men een duidelijk signaal: wie slechte bedoelingen heeft of valse papieren gebruikt, hoeft alleen maar op een druk moment aan te komen en wordt zonder meer tot het land en de hele Schengenzone toegelaten. De gevolgen van deze beslissing voor de veiligheid zijn immens. Dat weet u, mijnheer de minister.

De klokkenluiders hebben dit kracht bijgezet, want concreet zouden met de huidige bezetting en de structurele toepassing dagelijks minstens 2.000 à 2.500 passagiers passeren, de zogenaamde derdelanders, die niet aan veiligheidscontroles en inreisvoorwaarden tot de Schengenzone worden onderworpen.

Als dit blijvend zou worden gehandhaafd tijdens de zomerperiode, dan spreken we over 6.000 tot 8.000 passagiers. Ook de vakbonden trekken terecht aan de alarmbel. De luchthaven investeert en breidt uit, maar met de veiligheidsdiensten wordt daarover hoegenaamd geen overleg gepleegd. De noodkreet van de luchtvaartpolitie op het terrein om versterking krijgt geen gehoor.

Mijnheer de minister, het is een oud zeer. Men kampt immers al decennia met personeelstekorten en men is aangewezen op een handvol controleboxen voor paspoortcontroles. Er worden meer controlepunten en extra personeelsleden beloofd, maar die komen er nooit.

Intussen zijn er alweer een aantal dagen verstreken en de situatie werd alleen erger. Na de hele saga die vorige week begon, vond de directie van de luchtvaartpolitie het blijkbaar ook nodig om de politievakbonden ervan te beschuldigen valse informatie te verspreiden. Iedereen die het wou het weten had nochtans de mail in handen waarin zwart op wit werd aangetoond dat de directeur van de luchtvaartpolitie om een versoepeling van artikel 9 had gevraagd. Dat is ontoelaatbaar en het verziekt de sfeer binnen de politie.

Ik ben dan ook verheugd gisterenavond vernomen te hebben dat de directeur van de luchtvaartpolitie zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en zijn ontslag heeft aangeboden. In de pers lees ik dat men op zoek is naar een geschikte opvolger.

Ik veronderstel, zoals u trouwens al hebt verklaard, dat het versoepelen van artikel 9 ook voor u onmogelijk door de beugel kan en we dat onmiddellijk zullen blokkeren.

Zal u Brussels Airport Company wijzen op de dringende noodzaak om het aantal grenscontroleposten uit te breiden, zodat bijkomend personeel bij piekmomenten ook effectief kan worden ingezet? U weet, mijnheer de minister, dat er een tekort is aan grenscontroleposten. Om een of andere duistere reden sleept dat dossier al een half jaar aan en wordt er blijkbaar geen vooruitgang geboekt.

Mijnheer de minister, de volgende vraag betreft u. Gaat u extra personeel voorzien voor onze luchthavenpolitie? U hebt daarover tijdens de bespreking van uw beleidsnota en de beleidsverklaring een aantal ballonnetjes opgelaten, maar ik stel vast en hoor ook van mensen op het terrein dat er weinig schot in de zaak komt. Daarvan is eigenlijk nog niets concreets te merken.

Een mogelijke oplossing, mijnheer de minister, is dat er een passende vergoeding, een zogenaamde premie, wordt uitgeloofd voor LPA-agenten. Dat zou perfect wettelijk mogelijk moeten zijn. Dat is trouwens vergelijkbaar met wat andere gespecialiseerde politie-eenheden, zoals de cavalerie, ontvangen. Ook zij krijgen dergelijke premies. Het zou misschien soelaas bieden om extra personeel aan te trekken voor de luchtvaartpolitie op onze nationale luchthaven, maar ook in Charleroi en de andere luchthavens, en die zo op korte termijn te versterken.

Ik kijk alvast uit, mijnheer de minister, naar uw antwoorden op deze vragen.

Voorzitter:

De heer Vander Elst is nog niet aanwezig, dus het woord is aan de heer Vandemaele.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, het leek dit weekend wel een klassieke Vlaamse deurenkomedie. Het ene nieuws was nog niet koud of het volgende was er al. Eerst zouden er afgezwakte grenscontroles komen en kort daarna werd er gezegd dat dit helemaal niet waar was. Nog een beetje later kwam het document met de instructie boven water, waarna de federale politie niet anders kon dan zeggen dat het toch een beetje waar was, maar dat ze het toch niet zou doen en het document zou intrekken. Dit weekend was geen toonbeeld van goed bestuur.

Hoe komt het dat, al dan niet tijdelijk, iemand de instructie gaf voor soepeler grenscontroles? Wie had dat beslist? Was dat enkel van toepassing op Brussels Airport of ook op de regionale luchthavens? Ik heb op een schriftelijke vraag het antwoord gekregen dat er tussen 06.00 uur en 22.00 uur douanecontroles zijn in Wevelgem International Airport. Dat is de max, want daar vertrekken op een topdag wel 17 mensen, maar de douane is daar wel aanwezig omdat sommigen die luchthaven koste wat het kost willen openhouden. Was die minder strakke douanecontrole dus ook op die luchthavens van toepassing?

Wat is de huidige instructie? Verloopt de controle opnieuw zoals wettelijk werd bepaald, namelijk dat men gewoon zijn werk moet doen? Hoe zullen we omgaan met de zomerpiek? We weten dat we binnen enkele weken een heel grote piek zullen krijgen. Voor mijn fractie zijn commerciële belangen in ons land duidelijk altijd ondergeschikt aan de veiligheidsbelangen. Er kan daarover geen discussie bestaan, maar als overheid moeten wij ervoor zorgen dat er voldoende voltijdsequivalenten beschikbaar zijn om die controles te doen. Zult u daarvoor zorgen?

Franky Demon:

Mijnheer de minister, afgelopen weekend raakte bekend dat de federale politie een instructie uitstuurde om op basis van artikel 9 van de Schengengrenscode tijdens piekmomenten de paspoortcontroles op de luchthaven van Zaventem te versoepelen. Die mogelijke versoepeling roept ernstige vragen op over de impact ervan op de nationale veiligheid van ons land. Het zou concreet inhouden dat geseinde of veroordeelde criminelen zomaar in het lang en in het breed bij ons binnen kunnen wandelen.

De politiemensen op het terrein en de vakbonden trokken hiervoor terecht aan de alarmbel. Vanuit de directie van de federale politie werd ontkend dat dergelijke instructie bestond. Later moest men toegeven dat er toch een e-mail verstuurd was en dat er intern onderzoek werd opgestart.

Het vertrouwen tussen de vakbonden en de directie was hierdoor ernstig verstoord. Het ACV diende een stakingsaanzegging in, maar trok die opnieuw in, nadat de directie haar communicatie had bijgestuurd. Intussen raakte bekend dat de directeur van de luchtvaartpolitie naar aanleiding van de heisa opstapt. De federale politie verklaarde dat hij zijn functie niet langer op een geschikte en serene wijze kan uitoefenen.

Ja, mijnheer de minister, de luchtvaartpolitie kampt al een hele tijd met een personeelstekort. In de vorige legislatuur is al geprobeerd om extra personeel toe te voegen. Maar de krapte blijft. Laat ik duidelijk zijn: op de veiligheid van de luchthavenbezoekers en van het personeel mag niet bespaard worden.

Kunt u bevestigen dat de instructie waarvan sprake, definitief niet toegepast is of zal worden? Kunt u toelichting geven bij uw zomerplan om de luchtvaartpolitie op de luchthaven van Zaventem de komende maanden te versterken? Welke concrete maatregelen zult u nemen om de komende maanden lange wachtrijen te voorkomen? Kunt u garanderen dat er op geen enkel moment ingeboet zal worden op de bescherming van de nationale veiligheid?

In welke bijkomende maatregelen voorziet u om op langere termijn het personeelstekort bij de luchtvaartpolitie aan te pakken? Hoe verklaart u de communicatie van de federale politie, waarin het bestaan van de instructie eerst ontkend werd en nadien toch werd bevestigd?

Het vertrouwen tussen de vakbonden en de directie van de luchtvaartpolitie is mijns inziens deels geschaad. Welke maatregelen zult u nemen om de vertrouwensband te herstellen en sociaal overleg weer een kans te geven? Plant u zelf ook een overleg met de vakbonden?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, het is niet de eerste keer dat we het in onze commissie over de grenscontroles op onze luchthaven in Zaventem hebben. Jammer genoeg zien we daar bij piekmomenten zeer lange wachtrijen. De grenscontroles duren veel te lang. Dat is niet alleen economisch schadelijk, maar ook nefast voor het imago van onze luchthaven.

Plots gaat dan de instructie rond om toepassing te maken van artikel 9 van het Schengenverdrag, met als doel over te gaan tot soepelere controles aan de grens. Dat is natuurlijk absoluut niet de oplossing. Veiligheid moet altijd prioritair zijn. De rest is daaraan ondergeschikt. Als de politie de grens niet langer op een degelijke manier controleert en personen die voor ernstige feiten gesignaleerd staan, dus ongehinderd het land binnen kunnen, is zij toch niet goed bezig op het vlak van veiligheid, laat staan dat zij iets doet aan de toename van illegalen. Dan neemt zij haar taak niet au sérieux.

We hebben de saga uitgebreid kunnen volgen in de pers, tot en met het ontslag van de directeur. Er loopt ook een intern onderzoek naar de precieze feiten. Er zijn wel degelijk inspanningen geleverd om de capaciteit uit te breiden, maar de uitbreiding is slechts gedeeltelijk uitgevoerd; Wij blijven ook tijdens deze legislatuur inzetten op de versterking van de LPA, omdat we willen dat niet alleen onze nationale luchthaven, maar ook de andere luchthavens vlot grensverkeer garanderen.

Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat er een intern onderzoek loopt? Wat is er volgens u precies gebeurd? Hebt u zelf de instructie gegeven om de controles te versoepelen? In de pers lees ik van niet, maar kunt u dat hier nogmaals bevestigen in de commissie? Helaas lopen wij telkens weer een stuk achter de feiten aan.

Was de uitgestuurde instructie conform de geldende richtlijnen? Werd het artikel nog ingeroepen en wanneer dan precies? Hoe zit het in andere luchthavens? Hoe zit het met Schengengrenscontroles op andere locaties? In Brussel-Zuid voert de spoorwegpolitie ook grenscontroles uit. Hoe zit het daar met de personeelscapaciteit en de wachtrijen? Hoe wordt daar omgegaan met de piekmomenten?

U komt binnenkort met een zomerplan. Hoe zult u de komende zomerpieken opvangen? Bestaat daarvoor een specifiek plan, bijvoorbeeld voor Zaventem of voor Brussel-Zuid? Kan er eventueel geschoven worden met personeel? Hoe verhouden de personeelscapaciteiten zich tot elkaar en is het mogelijk om te schuiven of net niet? We moeten natuurlijk wel vermijden dat we de problemen gewoon verschuiven van de ene locatie naar de andere.

In hoeveel extra personeel voor de LPA werd er de voorbije vier jaar voorzien en hoeveel kwam effectief in dienst? Met welke maatregelen zult u ervoor zorgen dat de ambities bij de LPA ook daadwerkelijk worden waargemaakt?

De directeur heeft ontslag genomen. Ik veronderstel dat er intussen een waarnemend directeur werd aangesteld. Hoe verloopt de verdere procedure? Ik denk dat er zo snel mogelijk een goede chef aan het hoofd moet komen om orde op zaken te stellen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, zoals mevrouw De Vreese al aangaf, ook al heb ik mijn vraag nog maar een week geleden ingediend, door de media-aandacht en het feit dat er intussen al heel wat is gebeurd, is zij enigszins achterhaald. Dat betekent niet dat het onderwerp minder belangrijk is geworden. De wachtrijen op de luchthaven van Zaventem vormen niet alleen een veiligheidsprobleem, ze schaden ook het imago van Brussels Airport, de toegangspoort tot onze hoofdstad en tot het hart van Europa.

We moeten er dus alles aan doen om de veiligheid op Brussels Airport te garanderen, zodat alles daar veilig en efficiënt kan verlopen. Het probleem is niet nieuw. Het sleept al jaren aan. Heel wat ministers, zeker de vorige, hebben al gezegd dat ze het probleem bij de luchtvaartpolitie zouden oplossen, dat er extra in geïnvesteerd zou worden en dat er extra personeel zou worden aangeworven, maar het blijft een pijnpunt. Ik denk dat daar de sleutel ligt. Ik veronderstel dat ook u ervan overtuigd bent dat we opnieuw in de luchtvaartpolitie moeten investeren en ervoor moeten zorgen dat daar voldoende personeel beschikbaar is.

Afgelopen weekend zijn een aantal opmerkelijke dingen gebeurd. Zo werd ervoor gekozen soepeler om te gaan met de grenscontroles bij een grote toeloop van passagiers. Het befaamde artikel 9 van het Schengenverdrag werd daarvoor ingeroepen. Dat artikel voorziet in een versoepeling van de grenscontroles bij onvoorziene omstandigheden. Dat is het principe van artikel 9 van het Schengenverdrag, maar ik denk niet dat dat de juiste oplossing is. Ik vermoed dat u daar hetzelfde over denkt.

We mogen de veiligheid niet in het gedrang brengen, ook niet als er lange wachtrijen ontstaan. De veiligheid moet continu gegarandeerd zijn, ook op Brussels Airport. Daarom heb ik drie vragen.

Ten eerste, bent u het met mij eens dat artikel 9 van het Schengenverdrag op het ogenblik niet kan worden ingeroepen door de luchtvaartpolitie? Hoe zult u dat realiseren?

Ten tweede, mijn vraag of u nog overleg met de directeur plant, is intussen zonder voorwerp, aangezien hij ontslag heeft genomen. Maar hoe zult u dan in overleg gaan met de luchtvaartpolitie, opdat de controles opnieuw ordentelijk verlopen en de situatie in orde komt?

Ten derde, hoe zult u het personeelstekort bij de luchtvaartpolitie op korte termijn oplossen, zodat de controles op onze luchthaven opnieuw veilig kunnen worden georganiseerd?

Voorzitter:

Zijn er collega's die wensen aan te sluiten bij dit actualiteitsdebat? (Neen)

Bernard Quintin:

Madame et messieurs les représentants, je vous remercie pour vos questions qui comportent, comme cela apparaît clairement, trois éléments essentiels: la sécurité nationale, le strict contrôle frontalier, notamment pour lutter contre l’immigration illégale, et la qualité du service aéroportuaire aux entrées internationales de notre pays, plus singulièrement à Bruxelles-National – un point qui, vu mon passé récent, me tient particulièrement à cœur.

Je tiens également à préciser, en guise d’introduction, qu’il n’existe, dans mon esprit comme dans mes actions, aucune contradiction entre les intérêts économiques et la sécurité, les deux devant aller de pair.

Il est un fait que la police aéronautique, et plus particulièrement l’entité de l’aéroport de Bruxelles-National, souffre depuis de nombreuses années d’un déficit capacitaire structurel. Le déficit capacitaire actuel global de la direction de la police aéronautique (LPA) s'élève à 16 %. Ce dernier se concentre essentiellement sur Bruxelles-National où il atteint les 23 %, ce qui signifie que l'on compte 408 agents au lieu des 534 prévus au cadre. Je pourrais peut-être vous envoyer les informations concernant le reste des effectifs, mais je peux déjà vous dire que le déficit à Deurne est de 22 %, avec 17 agents au lieu de 22. Nous constatons évidemment que la proportion est très différente en termes de possibilité d’affecter le personnel là où il est nécessaire.

Voor een internationale luchthaven als Brussel-Nationaal, die een onmisbare schakel vormt in het geïntegreerde grensbeheer, is het noodzakelijk dat de luchtvaartpolitie over voldoende capaciteit beschikt om al haar taken uit te voeren. Daarom zal ik de luchtvaartpolitie en haar uitrusting versterken. Dat is nodig om in te spelen op de veranderende aard van de activiteiten op luchthavens, de toename van het aantal vluchten buiten de Schengenzone en de stijging van het aantal passagiers.

Ik ben trouwens op 9 mei ter plaatse geweest om toe te lichten wat we zullen doen voor de luchtvaartpolitie, haar personeelsbezetting en de uitrusting waarmee zij moet werken met het oog op het identificeren van elke passagier, het controleren van alle mogelijke internationale signaleringen en het nagaan van het verblijfsrecht en de geldigheidsduur van de verblijfstitels van personen.

Zoals aangegeven in mijn algemene beleidsnota, zijn er aanvullende begrotingsmiddelen vrijgemaakt. Ondanks talrijke rekruteringsacties blijft het aantal Nederlandstalige kandidaten dat zich via mobiliteit en externe rekrutering bij de LPA op Brussel-Nationaal aandient echter ontoereikend. Er worden eventueel bijkomende maatregelen genomen en versterkt om aan de behoeften van de luchtvaartpolitie te voldoen.

Het eentalig karakter van de functies bij de luchtvaartpolitie op Brussel-Nationaal is een knelpunt dat de verantwoordelijke voor de rekrutering al jarenlang vaststelt. In dat kader heeft de federale politie, naast initiatieven op het vlak van rekrutering, ook een proefproject getest. Momenteel wordt nauwkeurig onderzocht welk kader het best aansluit bij de internationale realiteit van de luchthaven, met strikte inachtneming van de regels.

Wat de grenscontrole betreft, naast de rekrutering van nieuwe politiemensen en de versterking van de opleiding, zodat politiemensen bevoegd zijn voor zowel grenscontrole evenals repatriëring als escorteur, heb ik ook het koninklijk besluit gefinaliseerd ter uitvoering van de Frontexwet, die een jaar geleden, in mei 2024, werd aangenomen. Dat koninklijk besluit is intussen gepubliceerd en heeft ons in staat gesteld om Europese steun aan te vragen in de vorm van Frontexagenten, met name voor Brussel-Nationaal. Dat gebeurt ter ondersteuning en onder leiding van onze politiemensen.

En outre, pour les équipements, des portiques automatiques – les eGates – qui accompagnent le travail de la LPA ont bien été installés à l'aéroport de Bruxelles-National où ils sont opérationnels. Précisément, 18 eGates sont actifs aux arrivées – dont six pour les transferts intra-Schengen – et 18 sont actifs aux départs. Ils ont également été installés à l'aéroport de Charleroi Bruxelles-Sud ou ils sont au nombre de 12, soit 6 aux arrivées et 6 aux départs.

U begrijpt dat dit een van mijn prioriteiten is. Het regeerakkoord voorziet in een verscherping van de waakzaamheid aan onze internationale toegangspoorten. Ik ben daarmee nu al enkele weken bezig om een antwoord te bieden op die structurele uitdaging, ook op heel korte termijn, zodat we een oplossing kunnen vinden voor de situatie tijdens de drukke zomer- en vakantieperiodes.

Om de zomerpieken op te vangen, werkt de federale politie momenteel aan een specifiek versterkingsplan, zodat er voldoende capaciteit is om alle nodige controleposten te bemannen op de zogenaamde oranje en rode dagen. Dat versterkingsplan is nu beslist en zal binnen twee weken in werking treden. Zo wordt de wachttijd aan die posten beperkt en wordt een strikte en volledige grenscontrole gegarandeerd. Dat moet ook het geval zijn in moeilijke omstandigheden, zoals bij vluchtvertragingen die gevolgen hebben voor het vertrek van een andere vlucht buiten de Schengenzone.

Dat afgerond plan omvat capaciteiten die moeten voldoen aan de strenge veiligheidseisen, maar tevens moeten zorgen voor een goed onthaal van de passagiers op Brussel-Nationaal. Dat vereist overigens een gezamenlijke en gecoördineerde aanpak met de uitbater van de luchthaven, die de vluchtplanningen en vooral de dagelijkse wijzigingen moet doorgeven. Bovendien moet worden opgemerkt dat de uitbater ook verantwoordelijk is voor de controle van passagiers en hun bagage. Ik herhaal dat het dus om een gezamenlijke taak gaat en dat er regelmatig overleg plaatsvindt dat op dit niveau nog moet worden versterkt.

Wat betreft het intern onderzoek dat door de directie van de federale politie werd ingesteld naar aanleiding van de richtlijnen die vorige week in Brussel-Nationaal zouden zijn gegeven voor de grenscontrole, heeft de federale politie mij zondag laten weten dat een intern onderzoek wordt ingesteld naar het beheer van de controles. Dinsdag heeft ze mij meegedeeld dat de directeur zijn functie heeft neergelegd en dat een vervanger zal worden aangeduid. Ik geef verder geen commentaar op die individuele situatie, die onder de verantwoordelijkheid van de federale politie valt.

Het spreekt voor zich dat wij ervoor zorgen dat alle passagiers van buiten de Schengenzone systematisch aan een strikte grenscontrole worden onderworpen, met inachtneming van de geldende regels in het kwalitatief kader en via een duidelijk en transparant teammanagement voor de politiemensen van de LPA.

Op heel korte termijn zullen de diensten dus in staat zijn om het zomerplan voor Brussel-Nationaal af te ronden en te implementeren. Dat plan is essentieel in het licht van wat we al veel te lang vaststellen op onze internationale luchthaven Brussel-Nationaal, wat een negatieve invloed heeft op het imago van ons land. Het is ook een belangrijk element van onze economische en commerciële aantrekkingskracht, naast de prioriteit op het vlak van veiligheid en de strijd tegen illegale immigratie.

Pour être tout à fait précis, il est évident que l'article 9 – qui est très utile et important dans le cadre de Schengen – doit répondre à ce à quoi il doit répondre, c'est-à-dire des situations tout à fait exceptionnelles.

L'exemple que j'ai pris ces derniers jours, c'est le début de la guerre d'invasion de la Russie contre l'Ukraine. Face à un afflux à vos frontières de dizaines voire de centaines de milliers de personnes, il est évident qu'à ce moment-là, il faut ouvrir les frontières et faire les contrôles à l'arrière des frontières eu égard à la pression qui est exercée. C'est cela, l'esprit de l'article 9. Il ne peut en aucun cas être invoqué s'il y a une pénurie de personnel. Je n'étais pas informé de cette communication interne qui avait été donnée par le directeur, qui a tiré pour lui-même et pour son service les conséquences de cette situation.

Je souhaite insister sur le fait qu'il est pour moi – en fonction de ma qualité de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur mais aussi d'ancien ministre des Affaires étrangères et d'ancien diplomate – évidemment très important que ces questions de files, qui peuvent parfois durer jusque trois heures, soient vraiment résolues. Je peux vous assurer que c'est un point très important dans ma politique pour toutes les raisons que je vous ai données.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses assez précises et assez franches. Je suis aussi intéressé par les chiffres que vous avez donnés sur les effectifs. Pourraient-ils être envoyés à toute la commission?

J'entends que vous allez procéder à des recrutements et à un renforcement des contrôles. Nous sommes évidemment d'accord pour dire que la sécurité, surtout aux entrées des aéroports, doit être garantie. Elle ne peut pas être négociable. Il n'y a pas de discussion là-dessus.

J'entends aussi que la note est une initiative personnelle du directeur, qui en a tiré les conséquences. Je pense cependant que s'il a pris l'initiative de le faire, c'est parce que son service était dépassé par les événements et qu'il n'était plus en mesure d’assurer les missions légales qui étaient les siennes, en faisant en sorte que les contrôles soient faits. En soi, c’est une grave erreur. Je dis encore une fois qu'il a tiré les conséquences lui-même de cette erreur.

Je pense que, politiquement, nous devons aussi réfléchir à ce qu'un directeur ne puisse plus prendre cette initiative parce qu'il est en manque d'effectifs et parce qu'il se dit qu'il ne va pas pouvoir assurer les missions légales qui sont les siennes.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoorden. Een aantal antwoorden heb ik echter gemist.

Om te beginnen sluit ik me aan bij de vorige spreker. Het zal inderdaad van het grootste belang zijn om het effectieve aantal luchtvaartpolitieagenten op onze luchthavens te versterken en dat zou op zeer korte termijn moeten gebeuren. Verschillende collega's hebben ernaar verwezen: de zomervakantie komt eraan en wij kunnen het ons echt niet meer veroorloven om daarmee te talmen. U verwijst deels naar de taalvereiste, wat een probleem zou zijn. Ik zou u toch willen vragen om dat in acht te nemen. Het moet toch mogelijk zijn om voldoende tweetalig personeel te voorzien om de veiligheid te waarborgen.

U hebt ook gesproken over de inzet van Frontex-agenten. Ik kan daar alleen verheugd over zijn. Het gaat inderdaad over derdelanders die ons land binnenkomen en die wel degelijk systematisch gecontroleerd zouden moeten worden.

Het klopt inderdaad, mijnheer de minister, dat er nu 12 boxen zijn op de luchthaven van Brussel. Van de mensen op het terrein verneem ik echter dat dat veel te weinig is. Men kan personeel voorzien om die boxen te bemannen, maar ze volstaan blijkbaar niet om de verwachte grote toestroom op te vangen. Ik hoop dat u niet alleen bij de directie uw oor te luisteren legt, want ik heb daarin momenteel - toch wat de vorige directeur betreft - niet veel vertrouwen meer. Ik hoop dat u wel naar de politieagenten luistert, die uiteindelijk het werk op de vloer moeten uitvoeren.

Ik heb u een oplossing proberen aan te bieden, namelijk de toekenning van een premie om de versterking van de luchtvaartpolitie in een stroomversnelling te brengen. U hebt daar niets over gezegd. Ik hoop, mijnheer de minister, dat u dat toch in overweging zou durven nemen, want we moeten alles op alles zetten om dat effectief personeelskader, waarbij er nu meer dan 100 agenten te kort zijn, zo snel mogelijk in te vullen.

Ik heb naar aanleiding van uw antwoorden ook een motie van aanbeveling ingediend, waarin ik ongeveer hetzelfde vraag als wat ik in mijn uiteenzetting heb toegelicht, namelijk om de grenscontroleposten uit te breiden, de luchtvaartpolitie te versterken en te garanderen dat een dergelijke situatie zich niet opnieuw kan voordoen.

Verder vraag ik om de buitengrenzen veilig te houden en daarvan een prioriteit te maken binnen het veiligheidsbeleid.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, uw veiligheidsbeleid valt of staat natuurlijk met de buitengrenzen. We kunnen daar niet op toegeven. Ik meen dat het heel belangrijk is voor onze veiligheid dat we ze strikt blijven controleren.

Ik hoorde u op een bepaald moment zeggen dat u over wat er afgelopen weekend in Zaventem gebeurd is niet veel commentaar meer kunt geven en dat dit de federale politie toekomt. U bent baas van de federale politie. Ik ben fan van ministers en regeringen die toch een beetje daadkracht uitstralen. Ik meen dus dat u die mannen moet berispen. Ze maken ons land belachelijk, ze maken de politie belachelijk en ze spelen met onze veiligheid. Ik meen dat we dat niet zomaar blauwblauw mogen laten. Ik hoop dat u, minstens intern, hard op tafel hebt geklopt en dat u gezegd hebt dat het nu wel genoeg is met dat soort onnozelheden.

U verwees ook naar de exploitant van de luchthaven. Nu, de luchthaven van Zaventem exploiteren is zeer lucratief. Er worden tonnen geld verdiend met de exploitatie van de luchthaven. Het is voor de exploitant van de luchthaven dus maar een heel kleine moeite om budgetten vrij te maken en de nodige inspanningen te doen. Klop maar hard op tafel. Ze kunnen daar heel mooie plannetjes maken over hoe de luchthaven er over 20 jaar moet uitzien, maar de exploitant heeft nu ook verantwoordelijkheden. Die moet nu ook ingrijpen. Ik hoop dus dat u daarop aandringt.

Ik hoorde u zeggen dat er vandaag 126 voltijdsequivalenten te kort zijn. Hoe u dat tekort op korte termijn zult oplossen, met de zomervakantie voor de deur, zie ik niet. Ik weet niet hoe het moet, maar ik wens u er veel succes mee. Ik hoop dat het lukt. Anders komen we nog meer in de problemen.

Het wordt een klassieker van mezelf, maar het feit dat we voor zotternijen als Deurne en Wevelgem capaciteit moeten vrijmaken, voor bodemloze putten waar niets gebeurt, stoort me. U zou kunnen zeggen: weet u wat Vlaanderen, als u dat soort zotternijen nog wil, doe het dan zelf. Wij hebben de middelen niet meer. We hebben de capaciteit niet meer. We focussen op luchthavens die rendabel zijn en die een toekomst hebben. Dat is een suggestie van mijn kant.

Franky Demon:

Bedankt, mijnheer de minister. Ik begrijp het probleem. Het personeelsprobleem is immers al enkele jaren oud. Het kader staat open; het komt erop aan om mensen te vinden.

Ik volg de heer Depoorter, die aangeeft dat tweetaligheid de voorkeur geniet. Ik zal echter eerlijk zijn: nood breekt wet. Als het nu mensen zijn die uitsluitend Nederlands of uitsluitend Frans spreken – het zal waarschijnlijk eerder dat laatste zijn, dan zou ik uitzonderlijk toelaten dat zij worden ingezet. Onze veiligheid gaat immers boven alles. Liefst hebben we natuurlijk tweetalige mensen, maar als het niet anders kan...

Ik vind wel dat die poortjes goed functioneren op Zaventem. Als we echter kijken naar de zomerperiode – u zegt dat er rode en oranje dagen zijn – zou ik er toch ook voor pleiten om die dagen door te trekken naar het begin van de lente-, herfst- en krokusvakantie. Ook dan staan er immers lange wachtrijen. We stellen ook elke zomer opnieuw vast dat hetzelfde probleem zich voordoet. Laat ons dus vermijden dat we volgend jaar opnieuw in die situatie terechtkomen en laten we ook voorbereid zijn op onder andere de kerstperiode.

U hebt niet geantwoord op de vraag over de relatie met de vakbond. Ik heb Joery Dehaes van het ACV een aantal keer op het journaal gehoord. Het is belangrijk om die contacten goed te onderhouden. Er kunnen immers acties komen. Die mensen trekken alleen aan de alarmbel als het echt nodig is, want ze weten wat er op dat moment platgelegd wordt: het economische hart van ons land. Ik denk dat we elkaar daarin moeten vasthouden en dat die gesprekken moeten blijven doorgaan.

Ik wens u dus heel veel succes met de moeilijke opdracht om het personeelskader in te vullen.

Maaike De Vreese:

Bedankt, minister, voor uw uitgebreide antwoord. U gaf aan dat u de cijfers over de personeelsbezetting nog zult doorsturen. Ik heb evenwel geen echt antwoord gekregen op mijn derde vraag, over de personeelscapaciteit in Brussel-Zuid en bij de spoorwegpolitie. Dat antwoord mag mij echter gerust schriftelijk worden bezorgd.

Het is goed dat u volop inzet op de uitbreiding van die capaciteit en dat u mensen van Frontex aan onze grens wenst in te zetten. We mogen echter ook niet vergeten dat we voor enorme uitdagingen staan op het vlak van escortes. Er is immers eveneens een probleem om voldoende escorteurs te vinden om terugkeeropdrachten voor illegale vreemdelingen uit te voeren. Ook daarop wil deze regering inzetten. Het komt er dus op aan mensen te vinden – goede mensen, Nederlandstalige mensen – die ook op de luchthaven willen werken.

Het beheersen van de Nederlandse taal is wel belangrijk op de luchthaven van Zaventem in Vlaanderen. Zijn dat mensen die tweetalig zijn, dan is dat des te beter. Zijn ze drietalig, dan is dat nog beter. Voor mij mogen ze tien talen spreken. Dat zijn mensen met enorme capaciteiten. Op een internationale luchthaven kan dat alleen een meerwaarde betekenen voor de werking en de professionaliteit van onze politie.

U sprak ook over het interne onderzoek. Ik vraag me af of wij, zodra dat onderzoek is afgerond, ook het verslag daarvan zullen ontvangen dan wel of wij dat dan apart moeten opvragen. Dat interesseert ons uiteraard ook.

Ik hoop dat de zomerpiek kan worden opgevangen en dat u structurele maatregelen zal treffen om de problemen aan onze grens op te lossen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw heel uitgebreide en duidelijke antwoord.

Ik ben blij dat u in dit verband de deur sluit voor het gebruik van artikel 9. Het imago van de luchthaven is belangrijk. Het is ook belangrijk dat grenscontroles snel en efficiënt verlopen. Dat mag echter nooit ten koste gaan van de veiligheid op de luchthaven. Dat mag er ook nooit toe leiden dat de veiligheidsgaranties op Brussels Airport versoepeld worden. Het garanderen van de veiligheid blijft de eerste prioriteit, ook op onze nationale luchthaven.

Het zomerplan komt eraan. Dat is goed. U hebt het koninklijk besluit inzake de inzet van extra Frontex-agenten blijkbaar uitgevaardigd. Dat is ook goed.

Er zijn echter structurele en langetermijnmaatregelen nodig, met name voor het wegwerken van de tekorten bij de LPA. U sprak over een tekort van 23 % op Brussels Airport, wat bijzonder veel is. Dat betekent dat de werking helemaal in het gedrang komt en dat het wel werkende personeel op zijn tandvlees zit. Dat kan niet anders. Het is dus hoog tijd dat daaraan iets gebeurt en dat er een inhaalbeweging komt.

U sprak ook over een proefproject rond het internationale karakter van de luchthaven. U hoeft daar nu niet op te antwoorden. Ik zal daarover een bijkomende vraag indienen om te vernemen hoe dat precies in elkaar zit en wat de finaliteit daarvan is, want ik had er nog niets over vernomen. Hopelijk brengt dat zoden aan de dijk. De prioriteit moet nu echter zijn om zo snel mogelijk personeel te vinden, zodat de problemen niet elke vakantie terugkeren.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris, - overwegende dat Zaventem een belangrijke internationale toegangspoort is voor reizigers; - overwegende dat we ais Europese lidstaat de plicht hebben om de gedeelde Schengen-grens te bewaken en te beschermen; - overwegende dat Zaventem en Brussel reeds gruwelijke terreuraanslagen te verwerken kregen; - overwegende dat een land het aan haar burgers verplicht is om de veiligheid te garanderen, ook van buitenaf; vraagt de regering - het aantal grenscontroleposten uit te breiden op de luchthaven van Zaventem, in lijn met de uitbreidingsplannen van de luchthaven zelf; - de luchtvaartpolitie te versterken teneinde wachtrijen te kunnen vermijden en de veiligheid te kunnen garanderen; - na te gaan hoe deze gang van zaken betreffende de versoepeling van grenscontroles kon gebeuren, alsook wie daarvan weet had; - te garanderen dat dit in de toekomst niet opnieuw kan gebeuren en van veilige buitengrenzen een prioriteit te maken binnen het veiligheidsbeleid. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris, - considérant que Zaventem est une porte d'entrée internationale majeure pour les voyageurs; - considérant qu'en notre qualité d'État membre européen, nous avons le devoir de surveiller et de protéger la frontière commune de l'espace Schengen; - considérant que Zaventem et Bruxelles ont déjà dû endurer d'horribles attentats terroristes; - considérant qu'un pays a le devoir d'assurer la sécurité de ses citoyens, en ce compris leur sécurité extérieure; demande au gouvernement - d'augmenter le nombre de postes de contrôle frontaliers à l'aéroport de Zaventem, conformément aux projets d'expansion de l'aéroport lui-même; - de renforcer la police aéronautique afin de pouvoir éviter les files d'attente et garantir la sécurité; - d'examiner comment cette situation et l'assouplissement des contrôles frontaliers ont pu se produire, et qui en avait connaissance; - de garantir que cela ne pourra plus se reproduire à l'avenir et de faire de la sécurisation des frontières extérieures une priorité de la politique de sécurité. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Victoria Vandeberg. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Victoria Vandeberg . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De radicalisering binnen onze politie

Gesteld door

VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy kaartte een mogelijke jihadistische politieagente (met pro-Hamas/boerkaboodschappen op sociale media) aan en vraagt of zulk extremisme binnen de politie wordt getolereerd, wijzend op risico’s van radicalisering door "diversiteitsdogma’s". Minister Quintin bevestigt een lopend tucht- en strafonderzoek naar de zaak en benadrukt dat neutraliteit verplicht is, maar vermijdt structurele antwoorden. Van Rooy eist een breed onderzoek naar sharia-/jihadsympathieën bij agenten, linkend aan corruptiecijfers en kritiek op De Wevers "te blank" politie-uitspraak. De kwestie blijft onopgelost, met een afwachtende houding van de minister.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, op twee foto's die ik u ook heb bezorgd, is een streng gehoofddoekte moslima te zien, die een jas van de federale politie draagt. In die outfit verspreidt zij als influencer met talloze volgers op sociale media een jihadistische boodschap en een boodschap pro Hamas.

Mijn vraag is evident. Is die moslima in dienst van onze politie? Zo ja, kan zo iemand in dienst blijven? In welke mate is er volgens u sprake van radicalisering en islamisering bij onze politiediensten? Hoe verloopt precies de screening naar radicalisering van politieagenten? Mag een politieagent een boodschap pro Hamas verkondigen? Mag een politieagent een boodschap verkondigen dat hij of zij pro sharia of pro jihad is?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, de federale politie is op de hoogte van de informatie en foto's. Momenteel wordt nagegaan of het hier effectief over een personeelslid gaat. Er kan immers ook veel worden gedaan met behulp van artificiële intelligentie.

Van elke politieambtenaar wordt, conform de deontologische code van de politiediensten, een strikte neutraliteit en onpartijdigheid verwacht. Indien hieraan afbreuk wordt gedaan, kan er een tuchtonderzoek dan wel een strafrechtelijk onderzoek volgen. Ik heb vernomen dat er zowel een klacht- als een strafonderzoek werd opgestart en wacht met vertrouwen het resultaat hiervan af.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, dat is heel goed. Ik ben benieuwd naar het resultaat van dat onderzoek.

Uit een Nederlands onderzoek blijkt dat allochtone agenten oververtegenwoordigd zijn in corruptiezaken. Als Antwerpse burgemeester zei eerste minister De Wever "dat het politiekorps te blank is." U hoort het goed, dat waren niet de woorden van de een of andere wokefiguur, maar wel van Bart De Wever. Het is precies dat diversiteitsdogma, dat de infiltratie van jihadisten en jihadistische organisaties, zoals de Moslimbroederschap, en van moslims die sympathie hebben voor de jihad, in onze politie faciliteert.

Het probleem is in wezen veel groter en ook ongrijpbaarder, want hoeveel moslims zijn er eigenlijk in onze politie die sympathie hebben voor de sharia of voor de islamitische jihad van Hamas en co? Ik stel voor dat u daar toch eens een grondig onderzoek naar voert, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Vraag nr. 56004914C van de heer Van der Donckt wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De structurele verwaarlozing van de politie-infrastructuur op de site De Witte de Haelen (Brussel)

Gesteld door

VB Ortwin Depoortere

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Quintin bevestigt de ernstige verwaarlozing van de politie-infrastructuur op *Witte de Haelen* (blootliggende bedrading, ratten, niet-functionerende sanitaire voorzieningen) en erkent dat structurele oplossingen dringend nodig zijn, ondanks eerdere deeloplossingen en lopende actieplannen met de Regie der Gebouwen. Hij belooft het dossier prioritair aan te pakken als onderdeel van een breder plan om de aantrekkelijkheid en werkomstandigheden van de politie te verbeteren, maar benadrukt afhankelijkheid van beschikbare middelen. Depoortere dringt aan op onmiddellijke actie en voldoende budget, wijzend op het gebrek aan respect voor veiligheidspersoneel en de noodzaak van een masterplan voor alle verouderde politiegebouwen (o.a. Gent), om veilige werkomstandigheden te garanderen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, deze mondelinge vraag, over de structurele verwaarlozing van de politie-infrastructuur op de site de Witte de Haelen, klinkt u wellicht bekend in de oren. Ik durfde u de foto's niet door te sturen, maar aangezien ik weet dat u graag op het terrein komt, zou u die site wel eens met eigen ogen moeten zien. Misschien hebt u dat al gedaan?

Wat ik daar aantrof, is echt hallucinant. De plafonds brokkelen af, elektrische bedrading ligt bloot, met gevaar voor elektrocutie, sanitaire installaties functioneren niet meer. Er is slechts één werkende douche voor meer dan honderd personeelsleden en uit sommige lavabo’s kruipen wormen. Onder het gebouw staat water stil, waardoor er ook ratten rondlopen. Het is werkelijk hallucinant.

Dat zou eigenlijk niet mogen gebeuren en toch is het realiteit. Ik ben daar echt door geschokt. Ik hoop dat u evenzeer gechoqueerd bent.

Mijnheer de minister, belangrijk is te vernemen wat u daaraan zult doen. Als ik de mensen hoor die daar gehuisvest zijn, dateren die wantoestanden duidelijk niet van gisteren. Alle gebreken die ik hier opsom, zijn er al jaren. Werd dat dan nooit onderzocht of gesignaleerd? Ik weet dat u nog niet zo lang minister van Binnenlandse Zaken bent, maar heeft geen van uw voorgangers dat ooit opgenomen, laat staan opgevolgd? Werd er nooit gevolg gegeven aan klachten of meldingen?

Is het verantwoord om daar nog personeel te huisvesten? Hebt u een masterplan klaar om die gebouwen op een ordentelijke manier te renoveren? Zoals het er nu aan toe gaat, kan het immers echt niet verder.

Mijnheer de minister, ik hoop dat u mijn bezorgdheden deelt en vooral dat u een oplossing hebt.

Bernard Quintin:

Mijnheer Depoortere, een aantal van de beschreven problemen is inmiddels opgelost, maar de kwesties die nog openstaan, worden momenteel aangepakt door de betrokken partijen om tot passende oplossingen te komen. De federale politie staat in voor de opvolging van die problematiek en brengt de Regie der Gebouwen op de hoogte van de zaken die binnen haar bevoegdheid dienen te worden aangepakt.

Het is een feit dat de ouderdom van die gebouwen, die door de DAB worden gebruikt, vereist dat er op regelmatige basis onderhoudsinterventies plaatsvinden. Daarom pleit de federale politie al jarenlang voor aanzienlijke investeringen in haar infrastructuur door de Regie der Gebouwen, met inbegrip van de site de Witte de Haelen, om zo een structurele oplossing voor de DAB te realiseren. Ik ben er niet zeker van of baron de Witte de Haelen heel trots zou zijn op de kazerne die zijn naam draagt.

Alle meldingen van problemen worden nauwgezet opgevolgd door de diensten van de federale politie. Afhankelijk van de aard van het probleem wordt ook de Regie der Gebouwen betrokken, wat doorgaans het geval is.

Enkele jaren geleden is de FOD WASO ter plaatse gekomen naar aanleiding van problemen met de plafonds. Er werd toen een specifiek actieplan opgesteld, waarna de problematiek werd opgelost. Naar aanleiding van de recentste klachten is de FOD WASO opnieuw ter plaatse geweest. Er is nog steeds contact tussen de federale politie en de FOD WASO over die kwestie.

Ik heb veel informatie bij over blok C, blok L, enzovoort, maar wat ik hier wil zeggen, is dat ik op de hoogte ben. Ik heb enkele beeldopnames gezien. Ik heb ook met een aantal mensen van de DAB gesproken. Ze hebben mij bevestigd dat de situatie ernstig is. Ik vroeg hen: “Is dat echt waar? Is dat echt van vandaag?” Ze hebben mij volmondig ja geantwoord. Ik betwijfel dus niet dat de situatie ernstig is.

Ik ben van plan om die kwestie – niet enkel die van de Witte de Haelen, maar de bredere kwestie van de gebouwen van onze politie – echt in handen te nemen. Dat maakt voor mij deel uit van het debat over de aantrekkelijkheid van het beroep. Het is een van de belangrijke aandachtspunten. Het gaat erom onze politie goede werkomstandigheden te bieden. Dat is niet enkel een kwestie van aantrekkelijkheid; het is voor mij ook een kwestie van respect voor onze politiemensen, maar ik moet dat doen met de beschikbare middelen.

Ik ben op de hoogte en u kunt op mij rekenen om dat dossier ter harte te nemen en mijn best te doen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik geloof best dat u mijn bezorgdheden deelt. Het gaat inderdaad over het respect dat we moeten hebben voor onze veiligheidsdiensten.

Als we willen evolueren naar een veilige samenleving, dan moeten we in de eerste plaats zorgen dat onze eigen veiligheidsdiensten op een veilige manier kunnen werken. Ik hoop en reken erop dat u daar ook effectief de nodige middelen voor zult vinden. Het gaat inderdaad niet enkel over de site de Witte de Haelen. Verschillende andere gebouwen zijn er misschien niet zo erg aan toe, maar worden toch ook al aftands. Ik vernoem de kazerne in Gent, die ik toevallig wat beter ken. Nog een aantal andere sites heeft nood aan een masterplan.

Ik hoop dat u daarvoor de middelen vindt en dat u dat zeker niet op de lange baan zult schuiven. Ik zal het samen met u opvolgen.

Voorzitter:

Les questions n° 56005140C de Mme Sarah Schlitz, n° 56005146C de M. é ric Thiébaut et n° 56005147C de M. Christophe Lacroix sont transformées en questions écrites.

De door de Antwerpse lokale politie uitgevoerde federale taken en de noodzaak van federale steun

Gesteld door

VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De lokale politie Antwerpen neemt structureel federale taken over (zoals bewaking van rechtbanken, gevangenissen en detentieoverbrengingen) zonder financiële compensatie, wat leidt tot budgettaire druk en besparingen, terwijl de burgemeester ontkent dat kerntaken in het gedrang komen. Minister Quintin bevestigt dat dit wettelijk verplicht is (art. 3 Politiewet) en ook in Brussel (PolBru) gebeurt, maar kan geen concrete cijfers over omvang of VTE’s leveren, wat Van Rooy als onverantwoord en symptomatisch voor prioriteitsvervalsing (diversiteitsbeleid, buitenlandse hulp) aanvalt. De federale politie ondersteunt lokaal (bv. Joodse gemeenschap, detentiebewaking), maar er ontbreekt een structurele oplossing ondanks de regeerakkoordbelofte. Kernpunt: chronisch onderfinancierde politie door onbetaalde taakverschuivingen tussen niveaus, met politieke onwil om transparantie of herstel te bieden.

Sam Van Rooy:

Recent raakte bekend dat de lokale politie van Antwerpen haar zeer omvangrijke reservefonds volledig heeft opgebruikt en een reeks besparingsmaatregelen doorvoert. De korpsleiding verwijst onder meer naar structurele overnames van federale taken, zoals de bewaking van het justitiepaleis en gevangenissen. Dat zou gebeuren zonder structurele compensatie van het federale niveau, dat uiteraard ook krampachtig op zoek is naar geld. Tegelijk verklaarde de burgemeester van Antwerpen dat die besparingen geen impact hebben op de kerntaken van het korps.

Ik wil daarom van u graag expliciet weten wat er effectief aan de hand is, welke federale verantwoordelijkheden hier aan de orde zijn en hoe u als bevoegde minister daarop zult reageren.

Kloppen de uitspraken van de burgemeester van Antwerpen? Kunt u ook bevestigen welke federale taken momenteel structureel worden uitgevoerd door de lokale politie van Antwerpen? Over hoeveel voltijdse equivalenten gaat het? Zijn er nog andere grootstedelijke korpsen, bijvoorbeeld de politiezone Brussel-Elsene, die federale taken hebben moeten overnemen? Heeft dat ook bij die korpsen geleid tot forse lokale besparingen?

Sinds wanneer worden er federale taken systematisch door de lokale politie van Antwerpen of door andere lokale politiezones uitgevoerd? Bestaan daarover formele afspraken of tijdelijke overeenkomsten tussen de federale en lokale politie? Kunt u die toelichten? Wordt er voor de overgenomen federale taken enige federale compensatie of ondersteuning voorzien, bijvoorbeeld via een financiële bijdrage? Zo ja, hoeveel bedraagt die? Zo nee, waarom niet?

Zijn er ook federale politieagenten in Antwerpen actief? Graag krijg ik een lijst met een opdeling per functie of dienst en vermelding van de exacte inzetperiode.

Acht u het normaal dat een grootstedelijk politiekorps als dat van Antwerpen of Brussel op structurele wijze federale taken opneemt zonder dat daar structurele middelen tegenover staan? Op welke manier zult u in het kader van het regeerakkoord maatregelen nemen om die situatie recht te trekken, aangezien er geen significante budgetverhoging is voorzien voor de politie?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, zowel de politiezone Antwerpen als de federale politie heeft in dit kort tijdsbestek geen gedetailleerde cijfers kunnen verzamelen. Ik nodig u uit om voor de precieze cijfers een schriftelijke vraag te formuleren.

Artikel 3 van de wet op de geïntegreerde politiedienst bepaalt dat de lokale politie naast het verzekeren van de basispolitiezorg instaat voor het vervullen van sommige opdrachten van federale aard. Aldus levert de politiezone Antwerpen sporadisch steun in het raam van de MFO-1, de dwingende richtlijn inzake de handhaving van de orde in de hoven en rechtbanken, de handhaving van de orde en de veiligheid in de penitentiaire inrichtingen, de uithaling en de overbrenging van gedetineerden, minderjarigen en geïnterneerden, en dit om de continuïteit van de openbaredienstverlening te verzekeren.

Dat geldt ook voor andere zones. Zo levert PolBru bijvoorbeeld bijstand in de gevangenis van Haren. Er wordt geen financiële compensatie gegeven, daar de opdracht, die een residuair karakter heeft, aan de lokale politie opgelegd wordt door de voornoemde ministeriële rondzendbrief.

De federale politie voorziet inderdaad ook in steun aan de lokale politie op basis van hetzelfde artikel 3 van de wet. Zo is er dagelijks bijstand voor de bescherming van de Joodse gemeenschap in Antwerpen. De Directie beveiliging stelt ook elk weekend personeelsleden ter beschikking van de lokale politie van Antwerpen voor de opdracht 'bewaking van aangehouden personen'.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, dit is natuurlijk een vraag die schriftelijk misschien beter tot zijn recht komt. Als ik evenwel hoor dat u, in wat u een kort tijdsbestek noemt, er niet in geslaagd bent de gegevens die ik u vroeg te verstrekken, dan zakt mijn broek daar wel van af. Ik heb het net nagegaan. Mijn vraag werd ingediend op 22 mei. Dat is 20 dagen geleden. Nu moet ik van u vernemen dat die 20 dagen niet volstaan om een aantal eenvoudige vragen te beantwoorden. Het gaat hier over het aantal voltijdse equivalenten dat vanuit Antwerpen wordt ingezet om de dienst van de federale politie bij te staan. Dat zijn toch heel logische vragen? Het vermoeden rijst bij mij dat u er zich wilt van afmaken, omdat dit natuurlijk een zeer pijnlijk dossier is, zowel voor de Antwerpse als voor de federale politie. Dit land en deze stad zijn in verval. Men vindt nergens nog genoeg geld voor de kerntaken. Men vindt wel genoeg geld om naar Afrika te sturen en voor allerhande diversiteits-vzw's. Wuif maar met uw hand, mijnheer de minister, maar dat is de realiteit in dit land. Onze kerntaken lijden eronder, maar er is wel genoeg geld voor de diversiteitsindustrie en om de moslims in dit land te pamperen. Daar is allemaal geld voor, maar als ik u een paar eenvoudige vragen stel en een paar cijfers opvraag, zegt u dat 20 dagen niet volstaan om ze te verzamelen. Dat is gewoon schandalig, maar het is zeer veelzeggend voor de staat van dit armzalige land.

De politieactie in Ninove

Gesteld door

Groen Matti Vandemaele

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een controversiële politieactie in Ninove (7 mei) tegen drugshandel bij een school leidde tot zware kritiek van leerkrachten: ze spreken van etnisch profileren, stigmatisering en disproportionaliteit, met ernstige schade aan het vertrouwen tussen jongeren en politie. Minister Quintin ontkent de beschuldigingen, wijst op preventieve maatregelen na meldingen van geweld en benadrukt dat meerdere scholen betrokken waren, maar Vandemaele stelt dat de feiten niet kloppen en aankondigt verdere verificatie, suggereert desinformatie of politieke sturing. Kernconflict: tegenstrijdige versies over doel, uitvoering en legitimiteit van de actie.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het is niet mijn gewoonte om vragen te stellen over zeer lokale, gedetailleerde politieacties, maar in dit geval is er toch sprake van heel wat beroering.

Mijn vraag gaat over een politieactie op 7 mei, in het kader van de aanpak van drugshandel en -gebruik in de stationsomgeving van Ninove. Leerlingen van de school van het gemeenschapsonderwijs, het atheneum, werden daar – hoe zal ik het netjes formuleren – geconfronteerd met dranghekken aan de uitgang van de school. De leerlingen werden na schooltijd als vee weggeleid richting een controle met honden. Er waren daarbij ook zwaarbewapende agenten aanwezig.

Ik heb in mijn vraag de link toegevoegd naar de open brief van de leerkrachten van de school. Daarin zijn ze bijzonder kritisch over die politieactie. Er werd tijdens die actie trouwens zeer weinig aangetroffen, eigenlijk nauwelijks iets. Die leerkrachten zijn verbolgen over de manier waarop de controle is uitgevoerd.

Daarom ben ik echt benieuwd naar uw reactie. Hoe kijkt u naar wat zij daarover zeggen? Het gaat hier om leerkrachten, dus ambtenaren in functie. Zij zeggen dat er sprake was van etnisch profileren. Volgens hen was de actie stigmatiserend en gericht tegen één specifieke school. Ze noemen de actie totaal disproportioneel. Volgens hen was de actie politiek gemotiveerd.

De beschuldigingen zijn niet min. De ondertekenaars zijn allen ambtenaar. Het gaat dus niet over Jan, Pier en Pol. Deze ambtenaren zeggen dat hetgeen een ander onderdeel van de overheid hier gedaan heeft, absoluut niet door de beugel kan. Het was etnisch profileren, het was stigmatiserend en disproportioneel. Zij wijzen er ook op dat de relatie tussen de jongeren en de politie ernstig is geschaad. U hebt al vaak gezegd dat u een goede relatie wilt tussen onze politiemensen en de jongeren in ons land. Daaraan dragen dergelijke acties uiteraard niet bij, integendeel.

Hoe reageert u op die open brief en de klachten die daarin naar voren worden gebracht? Welke acties of verbeterpunten ziet u om ervoor te zorgen dat we in de toekomst dergelijke acties – en de daaruit voortvloeiende open brieven – niet meer hoeven te bespreken in deze commissie?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, naar aanleiding van uw vraag over de recente politieacties in Ninove heb ik contact opgenomen met de lokale politiezone om meer informatie te krijgen. Zij heeft mij de volgende context geschetst.

Voorafgaand aan de twee interventies op 7 en 14 mei had de politie meldingen ontvangen dat er mogelijk een vechtpartij zou plaatsvinden in de buurt van het station van Ninove of het winkelcentrum Ninia. Om incidenten te voorkomen, is de politiezone met een aanzienlijk aantal politiemensen opgetreden. De politiezone geeft aan dat de informatie afkomstig was van de scholen. Dankzij die informatie kon de politie proactief optreden en een groep jongeren uit Halle identificeren die op weg was naar Ninove om te vechten.

Uit het contact met de politiezone blijkt dat deze acties geen standaardprocedure zijn. Er had wel al een soortgelijke actie plaatsgevonden op 7 mei 2024. De politiezone benadrukt dat beide interventies zijn uitgevoerd in overeenstemming met de omzendbrief CP5 en dat er geen incidenten te betreuren vielen.

De interventie op 15 mei 2025 in het Richtpunt Ninove vond plaats op verzoek van de directeur van de instelling. Bijgevolg werd in het derde jaar van het secundair onderwijs een controle uitgevoerd met een drugshond. Op die datum werden overigens ook twee andere scholen gecontroleerd. Het is dus onjuist te veronderstellen dat de politiezone zich bij deze operatie specifiek op één school richtte.

Wat de evenredigheid van de interventie betreft, tijdens de operatie van 7 mei was één politieagent uitgerust met een lang wapen. Deze beslissing was ingegeven door de specifieke aard van de interventie, die tot doel had controles uit te voeren in en rond het station. Het station is immers een plek waar drugshandel, illegaal middelengebruik en alcoholconsumptie plaatsvinden en wordt door de politiediensten als een risicogebied beschouwd. De operatie werd bovendien uitgevoerd in samenwerking met De Lijn en Securail, wat getuigt van een gecoördineerde aanpak die is afgestemd op de situatie.

Ik verneem dat de politiezone Ninove veel belang hecht aan een goede relatie met de jeugd – ik verheug mij daarover omdat dat aansluit bij mijn eigen politiek – en dat er daarom een speciaal aanspreekpunt is aangeduid om de relatie met de scholen te onderhouden.

Ik dank u.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik val ietwat van mijn stoel, omdat alles wat u zegt, in tegenspraak is met de informatie waarover ik beschik. U zegt dat het over meerdere scholen gaat. De mensen die met ons contact hebben opgenomen, spreken echter over één school. U zegt dat het in de stationsbuurt was. Zij zeggen dat mensen uit de school gedreven zijn als vee, ze konden niet naar huis en moesten door die controle. U zegt iets helemaal anders. U zegt dat de actie plaatsvond in het kader van geweld, maar het was een actie in het kader van drugs. U zegt dat de actie plaatsvond op vraag van de school. Die leerkrachten hebben in een open brief melding gemaakt dat dat helemaal niet op vraag van de school is gebeurd, maar is aangestuurd door het college en dat er dus een politieke context is.

Ik weet eigenlijk niet goed wat ik op uw antwoord moet repliceren. Misschien praten we wel over een ander incident? Ik zal me in elk geval opnieuw bevragen bij de vrienden in Ninove, want zij zullen vermoedelijk ook achterover vallen van dit antwoord. Als een volledig lerarenkorps een open brief schrijft naar een lokaal bestuur, een informatievergadering heeft met het bestuur over dat dossier, dan kan dat toch onmogelijk zijn op basis van wat u uiteenzet. Ik val evenzeer achterover. De leerkrachten zeiden ook dat de politiecommissaris enkele dagen voor de actie had verklaard dat er geen problemen waren in de school.

Ofwel word ik opgelicht, ofwel wordt u opgelicht. Het is een van de twee. Ik zal het dus verifiëren. Ik hoop dat ik word opgelicht en niet u, want dan is het nog problematischer. Ik kom zeker op deze zaak terug, want de vraag en het antwoord zijn niet in overeenstemming met elkaar.

Voorzitter:

Vraag nr. 56005210C van de heer Van Quickenborne wordt op zijn verzoek uitgesteld. Ook de samengevoegde vraag en interpellatie nr. 56005291C van de heer Metsu en nr. 56000056I van de heer Van Rooy worden op hun verzoek uitgesteld.

De aanrijding door een politieagent zonder rijbewijs in Brussel

Gesteld door

VB Ortwin Depoortere

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een politieagent zonder geldig rijbewijs (ingetrokken in 2023 na een snelheidsovertreding) veroorzaakte in 2025 een dodelijk ongeval in Brussel, doordat Justitie de politiezone niet informeerde en de agent zijn veroordeling niet meldde, wat leidt tot een tucht- en gerechtelijk onderzoek. De minister bevestigt dat controles ontbreken (geen preventieve raadpleging van gerechtelijke databanken) en benadrukt dat eigen meldplicht door agenten cruciaal is, maar structurele maatregelen (zoals periodieke rijbewijscontroles) blijven onbeantwoord. Depoortere dringt aan op proactieve controles ("voorkomen is beter dan genezen") maar krijgt enkel de belofte dat zijn suggestie "meegenomen" wordt, zonder concrete toezeggingen. Het incident onderstreept systeemfalen in informatie-uitwisseling en interne verantwoordelijkheid, met verkeersveiligheid als "kernwaarde" die hier schipbreuk leed.

Ortwin Depoortere:

Op 11 mei 2025 vond er in de Blaesstraat in de Brusselse wijk Marollen een tragisch ongeval plaats waarbij een scooterrijder om het leven kwam na een botsing met een politievoertuig. Uit recente berichtgeving blijkt dat de politieagent die het politievoertuig bestuurde al twee jaar zonder geldig rijbewijs reed.

Volgens de berichtgeving werd de agent in 2023 veroordeeld voor een snelheidsovertreding, waarbij ook zijn rijbewijs werd ingetrokken. Na deze veroordeling had hij opnieuw examens moeten afleggen om zijn rijbewijs te verkrijgen, maar dit heeft hij kennelijk niet gedaan.

Hoe is het mogelijk dat een politieagent gedurende twee jaar een dienstvoertuig kon besturen zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs?

Welke controlemaatregelen bestaan er binnen de politiediensten om na te gaan of agenten beschikken over de vereiste rijbewijzen?

Werd de politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene op de hoogte gebracht van de veroordeling van deze agent en de intrekking van zijn rijbewijs?

Indien ja, waarom werd hier geen gevolg aan gegeven? Indien neen, waarom bestaat er geen automatische informatiedoorstroming tussen Justitie en de politiediensten over dergelijke veroordelingen?

Wat staat er te gebeuren met de agent in kwestie?

Welke structurele maatregelen zult u nemen om te verzekeren dat politieagenten die niet aan de wettelijke vereisten voldoen, geen dienstvoertuigen meer kunnen besturen? Overweegt u een periodieke controle van rijbewijzen in te voeren binnen alle politiezones?

Hoe kadert dit incident in het bredere vraagstuk rond de veiligheidscultuur en de naleving van de verkeersregels binnen de politiediensten?

Bernard Quintin:

Uw vraag is volkomen terecht. Ik heb hierover navraag gedaan bij de betrokken politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene. Deze laat mij weten dat ondanks het bestaan van een procedure waarbij het parket de politiezone op de hoogte brengt wanneer een personeelslid bij vonnis wordt veroordeeld, deze informatie niet naar behoren is doorgegeven. Bovendien mag de politiezone geen politionele en gerechtelijke gegevensbanken raadplegen voor preventieve of administratieve doeleinden. Overeenkomstig de deontologische code voor politieambtenaren is elke politieagent uit loyaliteit wel verplicht zijn hiërarchie op de hoogte te brengen van een gerechtelijke veroordeling. In dit geval is deze verplichting echter niet nageleefd door de betrokken agent, wat heeft geleid tot de opening van een tuchtprocedure.

Wat deze specifieke overtreding betreft in verband met het rijden zonder rijbewijs, heeft het parket een gerechtelijk onderzoek ingesteld dat nog steeds loopt.

Wat de rekruteringsprocedure betreft, is het belangrijk te benadrukken dat elke kandidaat-inspecteur in het bezit moet zijn van een geldig rijbewijs categorie B. Bovendien wordt tijdens de basisopleiding bijzondere aandacht besteed aan legaal en ethisch rijgedrag. Verkeersveiligheid is daarenboven een centraal onderdeel van de permanente vorming.

Het naleven van de verkeersregels door de politie zelf wordt beschouwd als een krachtig signaal naar de samenleving en blijft een kernwaarde van het voorbeeldgedrag dat van de politiemedewerkers wordt verwacht.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, u kent misschien het Nederlands spreekwoord "Voorkomen is beter dan genezen". Men moet dergelijke zaken toch vermijden. Een van mijn vragen was om meer te controleren of politieagenten wel voldoen aan alle wettelijke vereisten, maar ik heb daar niet echt een antwoord op gekregen. Ik hoop echter dat mijn suggestie wordt meegenomen en dat er steekproefsgewijs meer gecontroleerd zal worden of politieagenten aan de wettelijke vereisten voldoen. Voor het overige reken ik erop dat het gerechtelijk en het tuchtonderzoek de nodige resultaten zullen opleveren.

De dood van een kind van twaalf in een ongeval waarbij de politie betrokken was
De politieachtervolging met dodelijke afloop
Dodelijk politieoptreden en verkeersongevallen met minderjarigen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het dodelijk ongeval met de 11-jarige Fabian tijdens een politieachtervolging in Ganshoren en de structurele aanpak van politie-interventies, met name bij achtervolgingen en het contact met jongeren. Minister Quintin bevestigt dat voertuigen met voorrang (art. 37.4-37.5 Wegcode) afwijken van verkeersregels mogen, mits veiligheid, en werkt aan een duidelijker kader voor achtervolgingen (o.b.v. Comité P-rapporten), met nadruk op proportionaliteit en praktische uitvoerbaarheid (bv. geen overmatige administratie). Vandemaele waarschuwt voor een gevoel van straffeloosheid bij agenten en pleit voor structurele dialoog tussen politie en jeugd(werk), terwijl Chahid benadrukt dat vertrouwen tussen burgers en politie moet worden hersteld, zonder de operationele vrijheid van agenten in gevaar te brengen. De minister belooft snelle follow-up, inclusief een kindtoets en overleg met jeugdraden om de relatie met jongeren te verbeteren.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, nous avons eu l'occasion de vous interroger en séance plénière concernant le drame survenu à Ganshoren, qui a eu pour conséquence le décès du petit Fabian. Je vous avais alors adressé une question d'actualité, avec un certain nombre d'interrogations.

Ce matin, le procureur du Roi a déjà donné des informations lors de sa conférence de presse. Je ne vais pas ici réitérer ces questions, qui se retrouvent sans objet. Je voudrais toutefois vous demander si vous pouvez préciser ce que dit le code de la route pour les véhicules prioritaires et dans quelles conditions on doit enclencher une course- poursuite.

J'ai aussi une question subsidiaire. Vous aviez indiqué lors de la séance plénière que vous alliez réunir les différents acteurs pour pouvoir mettre en place un cadre concernant les courses-poursuites, notamment à la suite du rapport et des recommandations qui ont été faits par le Comité permanent de contrôle des services de police (Comité P). Disposez-vous d'un planning à ce sujet? Si vous n'avez pas encore de réponse, ce n'est pas grave.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, op veel van mijn vragen heb ik vandaag al een antwoord gehoord. Het lijkt mij dan ook niet zinvol om deze vragen nog eens te stellen. De vraag die bij mij blijft hangen, is hoe we dit probleem structureel kunnen oplossen. Hoe zorgen we ervoor, of via opleiding of via begeleiding met meldkamers, dat we niet vervallen in een tunnelvisie? We moeten kijken naar hoe we het probleem structureel kunnen oplossen, eerder dan alleen naar het ‘evenementiële’ . Die vraag wil ik dus toch stellen.

Een tweede gedachte is mij pas bij de plenaire vergadering te binnen geschoten, toen ik collega's de vele namen hoorde noemen van jonge mensen die stierven bij politie-interventies. Er zijn steeds omstandigheden, er is steeds een uitleg, er is steeds een reden. Ik wil zeker niet alles op een hoopje gooien. De signalen die wij krijgen vanuit het jeugdwerk en van mensen die dagelijks met jongeren werken, wijzen toch op een gevoel van straffeloosheid bij agenten die betrokken zijn bij politie-interventies waarbij minderjarigen om het leven komen. Dat gevoel leeft sterk onder jonge mensen, vooral in Brussel. Het beleid moet dat signaal capteren. Er moet iets gedaan worden met dat signaal. Dat kunnen we doen door structureel beleid te voeren, vandaar mijn eerste vraag.

Ik wil afsluiten met een suggestie. De aanpak die u voorstaat, ook in uw beleidsnota, vertrekt vanuit een andere relatie met jongeren. Het lijkt mij een goed moment om in Brussel een groot moment te organiseren met de politionele actoren en het jeugdwerk, de jongeren zelf, om elkaar structureel beter te leren kennen en elkaars leefwereld te begrijpen. Zo kan er een duidelijk signaal worden gegeven dat het gevoel van straffeloosheid niet terecht is en dat men er alles aan doet om ervoor te zorgen dat in Brussel iedereen goed kan samenleven, met het nodige respect voor jongeren. Dat is een suggestie waarover u misschien eens kunt nadenken.

Bernard Quintin:

Monsieur Chahid, monsieur Vandemaele, vos questions sont effectivement devenues en partie obsolètes, mes réponses de même, par la communication de ce matin. Je voudrais quand même, en sortant un peu de mon texte, revenir à des éléments que j'ai déjà pu indiquer à la Chambre jeudi en fin d'après-midi mais aussi à différentes occasions.

Iedereen zal het erover eens zijn dat de dood van een elfjarig kind ons allemaal raakt.

Je pense que c'est la première chose à dire.

Je vais répondre de manière plus précise à votre question, monsieur Chahid, sur la réglementation applicable aux véhicules de service de police en mission urgente. Il convient de se référer aux articles 37.4 et 37.5 du Code de la route. Selon l'article 37.4, les véhicules prioritaires peuvent, en utilisant un dispositif sonore spécifique, franchir un feu rouge à une vitesse modérée, à condition que cela ne mette pas en danger les autres usagers de la route. L'article 37.5 prévoit que, lors de l'exécution d'un ordre urgent, le conducteur du véhicule prioritaire n'est pas tenu de respecter toutes les dispositions du Code de la route, sauf celles spécifiquement mentionnées dans cet article.

Het is mijn taak als minister om alles in het werk te stellen om dergelijke drama's in de toekomst te voorkomen. Daarom heb ik de politie onmiddellijk gevraagd om een grondige analyse te maken van de praktijk van achtervolgingen van tweewielers en kwetsbare weggebruikers in steden en gebieden, op basis van de ervaringen op het terrein van de politie en van de bestaande rapporten.

Ik heb het vorige week in de plenaire vergadering al gezegd. Deze steps bestaan nu eenmaal. Ze worden door jonge mensen gebruikt, zelfs als dat niet wettelijk toegestaan is. Dat is nu eenmaal de realiteit.

Il n'est bien sûr pas légal que des jeunes gens de moins de 16 ans utilisent des trottinettes, mais c'est une réalité dont il faut tenir compte dans la pratique.

Je reviendrai vers vous le plus rapidement possible concernant ce travail important qui est fait. Comme je l’ai indiqué, ce dernier vise bien sûr à protéger tous nos concitoyens mais aussi la police dans le cadre de son travail. C’est également mon job de donner à la police un cadre aussi précis que possible, afin qu’ils et elles sachent exactement ce qui peut être fait et dans quelles circonstances.

J’ai entendu plusieurs remarques évoquant notamment le dispatching, mais la réalité du terrain doit aussi être prise en compte: si un agent estime nécessaire de poursuivre une personne ou un véhicule, mais qu’il doit d’abord contacter le dispatching et remplir douze formulaires avant même de savoir s’il peut engager la poursuite, cela ne sert évidemment à rien. Je le dis avec une pointe d’humour qui me permet de tenir le coup émotionnellement face à cette réalité.

En toutes circonstances, il faut penser à l’équilibre permanent entre l’objectif poursuivi et les moyens mis en œuvre, autrement dit le principe de proportionnalité.

In het algemeen vind ik dat dat proportionaliteitsbeginsel heel belangrijk is, maar het kader moet worden verduidelijkt. Ik werk aan die verduidelijking.

Mijnheer Vandemaele, gelukkig hebt u over een gevoel van straffeloosheid gesproken. Ik heb dat goed genoteerd, omdat er geen straffeloosheid is. Ik heb ook veel gehoord over zaken die verschillend zijn. Er is altijd een onderzoek gevoerd en drie of vier van die onderzoeken hebben zelfs tot een gerechtelijke uitspraak geleid. Twee zaken lopen nog, omdat een van de betrokken partijen beroep heeft aangetekend.

Een tweede punt is de band tussen de politie en de jongeren in onze samenleving, in Brussel, maar niet alleen in Brussel. Het was voor mij belangrijk om met de kindtoets te werken. Ik beschik over een tekst die al klaar is, maar nog moet worden verfijnd om er zeker van te zijn dat we een goed en gepast kader bieden aan onze politiemensen, maar ook aan iedereen die zich met onze jeugd bezighoudt, zodat het vertrouwen tussen de politie en onze gemeenschap en onze maatschappij versterkt wordt. U kunt op mij rekenen.

Ridouane Chahid:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Effectivement, les trottinettes sont une réalité dont il faut tenir compte.

La semaine passée a été une semaine très difficile puisque nous avons perdu un pompier et un enfant. Je pense qu'aujourd'hui plus que jamais, nous avons une responsabilité et une obligation de faire en sorte de réinstaurer la confiance et le respect entre ceux qui représentent l'autorité, c'est-à-dire la police et les services de secours, qui sont là pour assurer notre sécurité et nous secourir quand il y a des difficultés, et les citoyens. Maintenant que je vous côtoie depuis quelques mois, je sais que vous avez cette préoccupation. Vous êtes préoccupé par le fait de concilier une garantie de sécurité et le fait que les citoyens n'aient plus peur de la police mais lui fassent confiance et la respectent.

Je demande qu'on réunisse toutes les conditions pour que la police puisse faire son travail convenablement. Quand il faut faire une course-poursuite, il faut la faire. Quand les citoyens doivent faire l'objet d'un contrôle, ils doivent être contrôlés en toute normalité, sans se sentir agressés ni oppressés.

Matti Vandemaele:

Ik wil u op mijn beurt bedanken voor uw antwoord. De politie moet uiteraard haar taken kunnen uitvoeren. Tijdens een achtervolging kan men inderdaad geen 12 formulieren invullen. Dat kan absoluut niet de bedoeling zijn. Het is echter onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er een degelijk kader is, zowel in opleiding, implementatie als uitvoering. En ik heb inderdaad – u hebt goed geluisterd – gezegd dat er een gevoel van straffeloosheid heerst. Tegelijk bestaat er ook zoiets als een onveiligheidsgevoel. Aangezien er al jaren beleid wordt gevoerd op basis van een onveiligheidsgevoel, denk ik dat we ook dat gevoel van straffeloosheid ernstig moeten nemen. Ik hoor in de contacten die ik heb met jeugdwerkers, jeugdraden en kinderrechtencommissarissen – kortom mensen die elke dag met jongeren werken, voornamelijk in de grootstedelijke context – dat de relatie met die jongeren sterk aan het verzuren is. We lijken een kookpunt te naderen. Het kan niet de bedoeling zijn dat we deze zomer de commissie vervroegd moeten samenroepen naar aanleiding van incidenten. Dat moeten we voorkomen. U verwijst naar uw initiatief met de kindtoets. Dat is een waardevol initiatief. Ik wil graag ook nog eens de nadruk op iets anders leggen. Ik weet dat sommige collega’s daar graag mee lachen, maar in ons land zijn er een Vlaamse Jeugdraad, een Waalse Jeugdraad en een Brusselse Jeugdraad. Dat zijn instanties die tot doel hebben beleidsmakers te adviseren. Zij kunnen ook adviezen geven over federale aangelegenheden – zeker de kinderrechtencommissarissen, die een heel specifieke invalshoek hebben. Dan zijn er ook nog de jeugdwerkorganisaties op het terrein, die elke dag met die jongeren werken. Het is volgens mij van groot belang om de initiatieven die u wilt nemen met hen te bespreken. Nodig hen bijvoorbeeld eens uit op uw kabinet voor een gesprek. Ik wil u desgewenst gerust mijn contactenlijst daarvoor ter beschikking stellen. Ik denk dat dat uw beleid alleen maar sterker kan maken. Dank u wel.

Wanpraktijken bij de federale politie

Gesteld door

N-VA Maaike De Vreese

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementslid Maaike De Vreese kaart geruchten over wanbeleid, financiële malversaties, pestgedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen de top van de federale politie aan, met vragen over transparantie, bevorderingen, salarissen en de aanstelling van een *chief technical officer*. Minister Quintin bevestigt dat er geen bewijs is voor structureel wanbeleid, benadrukt lopende hervormingen (strategisch plan, integriteitsbeleid, digitale transformatie) en behoudt vertrouwen in commissaris-generaal Snoeck, maar belooft streng toezicht op integriteit en transparantie. De Vreese dringt aan op concrete actie tegen grensoverschrijdend gedrag en verwacht schriftelijke cijfers over personeelsbeleid. Vertrouwen in de top blijft voorlopig staan, maar verdere parlementaire controle volgt.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik dank u, omdat u nog even in de commissie aanwezig wilt blijven.

We lazen de voorbije tijd in de krant en ook nog afgelopen weekend in Gazet van Antwerpen verschillende geruchten en verwijten aan het adres van de top van de federale politie. Het zou gaan om wanbeleid, financieel wanbeleid, maar ook om pestgedrag op de werkvloer en seksueel grensoverschrijdend gedrag, dat in de doofpot zou zijn gestopt. Er is sprake van vriendjes- en zeker ook vriendinnetjespolitiek, royale verloningen van vertrouwelingen en een angst- en graaicultuur.

De commissaris-generaal beschikt over eigen directies en diensten, gegroepeerd binnen het commissariaat-generaal. Het gaat meer specifiek over zijn kabinet, drie directies, namelijk communicatie, internationale politiesamenwerking, preventie en bescherming op het werk, en zeven diensten, namelijk beleidsondersteuning, interne audit, interne werking, integriteit, innovatie, screening en ISPO. Daarnaast zijn er nog coördinatie- en steundirecties.

Er wordt gesteld dat de commissaris-generaal een hele hofhouding van vertrouwelingen heeft aangetrokken, die hun topsalarissen naar hartenlust aanvullen met overuren. Er worden ook vragen gesteld bij de recente aanstelling van een chief technical officer .

Van de federale politie verwachten we uiteraard onberispelijk en professioneel correct gedrag, zeker van de top en zeker op een moment waarop de federale politie op verschillende vlakken onder druk staat.

Gelet op de artikelen in de pers en het feit dat ik als parlementslid ook via andere kanalen word geïnformeerd en bevraagd, waarbij toch heel wat bezorgdheid doorklinkt, is het in mijn ogen onze taak om u daarover in het Parlement vragen te stellen. Wanneer we dat immers niet doen, blijven die verhalen circuleren. Het is dus nodig om daarbij enige duiding te krijgen. U bent ongetwijfeld op de hoogte, want u leest ook de kranten of u zou dat als minister zeker en vast moeten doen.

Mijnheer de minister, wat is er aan van de geruchten over wanbeleid bij de federale politie, waarover we de laatste tijd worden geïnformeerd?

Op welke manier worden of zijn de aantijgingen onderzocht?

Kunt u op basis van de informatie die u ter beschikking hebt, het vertrouwen in de federale politie en meer bepaald in de commissaris-generaal behouden?

Hoe evolueerde het aantal personeelsleden van het commissariaat-generaal de voorbije twee jaar, uitgesplitst per kabinet, de drie directies en de zeven andere diensten? Hoe ziet de samenstelling van het kabinet van de commissaris-generaal eruit? Hoeveel mensen werden de voorbije twee jaar bevorderd, op basis van welke criteria, en met welke voordelen tot gevolg?

Kunt u meer duiding geven bij de selectie van de chief technical officer ?

Acht u het nodig om maatregelen te nemen om het wanbeleid aan te pakken? Welke maatregelen en met welke timing?

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, ik dank u voor uw uitgebreide vragen over de organisatie, het beleid en het beheer van de federale politie. Graag geef ik u een globaal overzicht van de huidige stand van zaken en van de initiatieven die genomen werden. De commissaris-generaal zal die initiatieven uitgebreider toelichten tijdens de hoorzitting van 17 juni.

Allereerst wil ik duidelijk stellen dat de grondige doorlichting van de federale politie; zoals bepaald in het regeerakkoord, gericht is op de evaluatie en evolutie van de structuren en processen binnen de federale politie. Daartoe heb ik samen met mijn collega, de minister van Justitie, de opdracht gegeven aan de commissaris-generaal, samen met zijn directiecomité, om uiterlijk dit najaar een rapport voor te leggen met een grondige analyse van de huidige werking van de federale politie, alsook met concrete voorstellen voor een structurele reorganisatie ter verbetering van die werking.

Daarnaast zal de commissaris-generaal me deze zomer alvast een ontwerp van strategisch plan voor de federale politie bezorgen. Dat plan zal de visie van de organisatie, haar sleutelopdrachten en prioritaire verbeterdoelstellingen binnen de bestaande structuren vastleggen.

Bovendien verwacht ik een voorstel over hoe de capaciteit van de federale politie gedurende de volledige regeerperiode kan evolueren, met inbegrip van de gerichte versterking van onder meer de federale gerechtelijke politie, de speciale eenheden, DSU, en de luchtvaartpolitie, zoals voorzien in ons regeerakkoord.

Binnen de federale politie werden reeds tal van initiatieven genomen om de governance te versterken. Ook werd de operationele continuïteit gewaarborgd.

Er werd een strikter begrotingsbeheer ingevoerd en een oplossing gevonden voor het probleem van de onbetaalde facturen. Daarnaast zijn maatregelen genomen om de interne coördinatie te versterken, zowel op centraal als op gedeconcentreerd niveau. Op het vlak van digitale transformatie werden fundamentele eerste stappen gezet om die beter te structureren.

Tegelijkertijd wordt verder gewerkt aan een ambitieus personeelsbeleid, afgestemd op de noden van de organisatie, en werd het integriteitsbeleid versterkt. Die werven zijn gericht op het uitbouwen van een performante organisatie. Een digital transformation office (DTO) werd gecreëerd. De aanstelling van de chief technical officer (CTO) gebeurde via de gekende procedure van de vzw Smals, het bevoegd orgaan voor de rekrutering van ICT-profielen ten behoeve van de federale overheid. Ervaring en expertise stonden daarbij centraal.

Daarnaast zijn de bevoegdheden van de dienst screening uitgebreid door de overname van de Nationale Veiligheidsoverheid. In dat kader werd het team versterkt.

Een gedetailleerde opsplitsing van de capaciteit van het commissariaat-generaal kan desgevallend schriftelijk worden bezorgd.

Op het commissariaat-generaal wordt aan geen enkel personeelslid een hogere weddeschaal of toelage toegekend. Dat principe wordt consequent toegepast.

Tot slot, wat betreft de geruchten over wanbeleid binnen de federale politie, wil ik benadrukken dat dergelijke aantijgingen heel ernstig worden genomen. De federale politie hecht groot belang aan integriteit, transparantie en verantwoordingsplicht. De operationele werking van de federale politie is volledig gewaarborgd. Ik heb geen aanwijzingen die het vertrouwen in de organisatie of in het leiderschap van de commissaris-generaal ondermijnen, integendeel. De inzet van duizenden politiemensen en van hun leidinggevenden verdient dan ook ons respect en onze steun.

Tegelijk neem ik als minister mijn verantwoordelijkheid om blijvend te waken over een transparante, integere en menswaardige werking van onze politiediensten. Iemand had het over " une police respectée, respectable et respectueuse" , maar ik heb geen tijd gehad om dat in het Nederlands te vertalen.

Dat staat centraal, ook in de hervorming of herstructurering van de federale politie. Elke morgen heb ik een twintigtal minuten om bij mijn koffie kranten te lezen, daarna is het wat moeilijk.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ook voor de N-VA zijn integriteit, verantwoordelijkheid en verantwoording zeer belangrijk. Zeker als het over de top van de federale politie gaat, dan moeten we daarop kunnen rekenen. U verklaart vandaag dat u als minister vast en zeker vertrouwen hebt in de heer Snoeck. U zegt ook dat de aantijgingen over eventueel wanbeleid bij de top niet correct zijn en dat u geen reden hebt om aan zijn integriteit te twijfelen. Ik hoop dat echt.

Ik hoop ook dat grensoverschrijdend gedrag, integriteit en respect voor andere collega's binnen de federale politie ernstig worden genomen, dat er een plan van aanpak komt en dat zaken niet weggeduwd worden. De zaken die ik verneem, zijn serieus. Het is breed gedragen binnen die politie dat daarop een antwoord moet komen, dat er verandering en verbetering moeten komen. We zullen volgende week de commissaris-generaal vragen kunnen stellen. Ook onze fractie neemt dit ernstig. Ik ben dus blij dat u vandaag op de vragen hebt geantwoord.

Ik kijk uit naar de schriftelijke cijfers die ik nog zal ontvangen. Statistieken zijn immers niet eenvoudig om zomaar in de commissie te bespreken. Ik waardeer het dan ook zeer, mijnheer de minister, dat u ons bij mondelinge vragen de informatie ook steeds schriftelijk bezorgt. Bedankt.

Voorzitter:

De vragen nrs. 56005693C, 56005694C en 56005695C van mevrouw De Vreese worden omgezet in schriftelijke vragen.

Een aantal institutionele en communautaire aspecten van de fusie van de Brusselse politiezones

Gesteld door

VB Barbara Pas

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Barbara Pas dringt aan op een fusie van de Brusselse politiezones met garanties voor Nederlandstalige vertegenwoordiging (nu afwezig in politiecollege, verdwijnt in plannen Quintin) en herstel van taaltoezicht door de vicegouverneur, gezien het dalende tweetaligheidsniveau (nu <50%). De Wever bevestigt de fusieplannen (2027) en belooft aandacht voor taal, maar kan nog geen concrete afspraken geven omdat onderhandelingen (IKW-niveau) lopen. Pas kritiseert dat Quintin taalgaranties negeert en noemt De Wever’s antwoord onvoldoende concreet, met de dreiging van verdere achteruitgang voor Nederlandstaligen in Brussel.

Voorzitter:

Vraag nr. 56002804C van mevrouw Pas wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

Barbara Pas:

Mijnheer de eerste minister, u weet dat wij al heel lang voorstander zijn van een fusie van de Brusselse politiezones. Het is nodig om meer eenheid van visie en leiding in het Brusselse veiligheids- en politiebeleid te brengen. Toch heb ik een aantal bedenkingen bij de plannen van minister Quintin op dat vlak.

Een gevoelig punt is steeds de vertegenwoordiging van de kleinste taalgroep geweest. De huidige situatie is allesbehalve bevredigend, omdat dit alleen voor de politieraad in beperkte mate verzekerd is, waarbij de keuze van de taalaanhorigheid niet eens waterdicht is. Bij gebrek aan Nederlandstaligen worden er vaak Franstalige vertegenwoordigers aangeduid. In het politiecollege is er absoluut geen gewaarborgde vertegenwoordiging voorzien. In de plannen van minister Quintin zien we dat de enige gewaarborgde deelname van de Brusselse Vlamingen aan het politiegebeuren, in de politieraad dus, volledig verdwijnt.

Een ander punt betreft het toezicht op de taalvoorwaarden. Sinds de fusie van de voormalige gemeentelijke politiekorpsen tot de zes huidige politiezones is er geen controle meer op de tweetaligheid van de politie door de vicegouverneur, hoewel die bij wet is opgelegd. Sindsdien moeten we vaststellen dat de tweetaligheid van de Brusselse politie jaar na jaar achteruitgaat. Ik ondervraag daar elke minister van Binnenlandse Zaken over.

Ten tijde van voormalig minister Jambon bedroeg het tweetaligheidsniveau nog 64 %. Ondertussen is dat blijven dalen tot minder dan de helft van de Brusselse politieambtenaren die een Vlaming in het Nederlands te woord kunnen staan. Dat zou kunnen worden verholpen door de vicegouverneur opnieuw voor dat toezicht bevoegd te maken.

Over die twee elementen in het regeerakkoord met betrekking tot de fusie van de Brusselse politiezones hoor ik graag het standpunt van de regering. Wat is uw standpunt over de vertegenwoordiging van de kleinste taalgroep in de bestuursorganen van de eengemaakte zone? Zullen de aanwervingen opnieuw aan het toezicht van de vicegouverneur worden onderworpen?

Dan heb ik nog een vraag over de politionele bevoegdheden van de Brusselse minister-president en die hoge ambtenaar. Zal er voor die hoge ambtenaar verplichte taalkennis gelden? Die functie is nu uitsluitend Franstalig. Komt er soms een Nederlandstalige adjunct om dat te compenseren?

Bart De Wever:

Ik ben het uiteraard met u eens dat die fusie er moet komen. Wat mij betreft had ze er allang moeten zijn. Er moet een einde worden gemaakt aan de versnippering van het veiligheidsbeleid en eenheid van commando is daarbij cruciaal. Het creëren van de gold commander was een tijdelijke en geen structurele oplossing. Het regeerakkoord voorziet eindelijk in die fusie. Daar zijn we het over eens.

De minister van Binnenlandse Zaken maakt er een prioriteit van. Hij is van plan de fusie tegen 2027 uit te voeren. Dat is uiteraard geen eenvoudige operatie op het terrein. In mijn vergaderingen met hem over deze kwestie moedig ik hem alleen maar aan om die zaak met grote prioriteit te blijven behandelen.

Wat de concrete modaliteiten van de fusie betreft, lopen de gesprekken nog. Die vinden momenteel plaats op IKW-niveau. Daarover kan dus nog niets definitiefs gezegd worden. Het is op dit moment onmogelijk om uitspraken te doen over wat dan ook, aangezien de besprekingen nog lopen. Het spreekt echter voor zich dat het taalaspect een aandachtspunt vormt in die besprekingen. Het regeerakkoord erkent het belang daarvan. Ik verwijs in dat verband naar de passage over de naleving van de taalwetgeving in de Brusselse ziekenhuizen, waar die naleving op bepaalde momenten ook zeer problematisch is. We zullen hier dus nog op moeten terugkomen als ik u meer duidelijkheid kan geven, wat vandaag nog niet het geval is.

Barbara Pas:

Mijnheer de eerste minister, u zegt dat die fusie er allang had moeten zijn. Dat klopt. We hebben hierover in elke legislatuur al een voorstel ingediend, dat telkens door alle meerderheidspartijen en de rest werd weggestemd. Die fusie had er dus al kunnen zijn, laat ik het zo zeggen. Wij voegden daar wel een bepaling aan toe om een minimumvertegenwoordiging van Nederlandstalige leden in de politieraad te voorzien. Dat zal echter niet in het voorstel van de heer Quintin staan. De reden waarom ik u aan de oren trek, is omdat ik hem daar reeds vragen over heb gesteld. Hij heeft duidelijk gemaakt dat hij helemaal geen plannen in die richting heeft. U zegt dat u daar nog niets over kunt zeggen en dat u hem aanmoedigt om er een prioriteit van te maken. Ik zou vooral willen aanmoedigen om het taalaspect niet uit het oog te verliezen, want uit de antwoorden die ik van hem gekregen heb, blijkt dat hij helemaal niet van plan is om daar rekening mee te houden. We komen hier dus zeker nog op terug. Ik kan alleen teleurgesteld zijn over uw nietszeggende antwoord.

De besparingen bij de federale gerechtelijke politie van Antwerpen

Gesteld door

VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale gerechtelijke politie (FGP) Antwerpen kampt met extreme bezuinigingen (zelfs op koffie, thee en flesjeswater), wat leidt tot absurde situaties zoals agenten die kraanwater uit toiletten drinken en zelf koffieapparaten aankopen, terwijl ze cruciale taken (zoals drugsbestrijding) uitvoeren. Minister Verlinden erkent het probleem, benadrukt het belang van personeelswelzijn en belooft kortetermijnoplossingen en structurele verbeteringen (zoals werklastmeting), maar wijst op budgettaire beperkingen. Dillen hamert op de onwaardige omstandigheden (geen drinkbaar water, ondervragingslokalen zonder ramen) en eist directe extra middelen, wijzend op de symbolische lage kosten van basisvoorzieningen. De discussie ontaardt in kritiek op het parlementsgedrag: veel vragen worden herhaaldelijk uitgesteld, wat de efficiëntie en respect voor de minister ondermijnt.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de besparingen bij de federale politie worden nu wel heel draconisch. In een interne richtlijn klinkt het dat de chef van de federale recherche van Antwerpen wil besparen op koffie, water en thee. Het aanbieden van koffie en thee wordt alleen nog toegestaan bij vergaderingen met externe partners, zo lees ik. Verder zou er in de richtlijn ook nog vermeld worden dat bij wedersamenstellingen alleen water verkrijgbaar is voor verdachten en niet voor agenten.

De ongeveer 400 personeelsleden weten niet of ze moeten lachen of huilen. Het geld is echt helemaal op, zo klinkt het in een mededeling: "Als er zulke richtlijnen komen, weet je dat de federale gerechtelijke politie zowat failliet moet zijn." Verder lees ik: “Dat water waarvan ze spreken, dat is flesjeswater. Op onze dienst vind men ook drie waterbidons, maar die staan soms weken leeg. En dus gaan we aan het kraantje in het toilet drinken. De koffie? Veel collega's hebben een eigen Senseo op hun bureau, betaald met hun eigen geld."

Het zijn nota bene die speurders die onder meer de maatschappijbedreigende drugsmaffia in de Antwerpse haven moeten aanpakken.

Wat is uw reactie op de besparingsronde bij de FGP Antwerpen, waarbij er blijkbaar moet worden bespaard op water, koffie en thee, en anderzijds de melding dat de FGP de facto failliet is?

Vindt u dat dergelijke acties, waarbij leden van de FGP dit zelf en met eigen middelen moeten aankopen, een stimulerend effect hebben op de dienst en dat dat anderzijds potentiële werkwilligen stimuleert om bij de FGP te solliciteren?

Zullen er extra middelen worden voorzien voor de FGP Antwerpen, zodat aan deze praktijk een einde kan worden gesteld? Het gaat hier echt niet over bijzonder grote budgetten.

Welke initiatieven bent u bereid te nemen? Wanneer kunnen wij resultaten verwachten?

Annelies Verlinden:

Collega, het welzijn van de medewerkers is een prioriteit voor de federale politie en dus ook voor de FGP van Antwerpen en mezelf. In deze tijden waarin veiligheid cruciaal is, moeten we ervoor zorgen dat de medewerkers die zorgen voor veiligheid goed omkaderd worden en dat die jobs aantrekkelijk zijn.

In de huidige budgettaire context is het wel belangrijk om de beschikbare middelen verstandig te beheren, met bijzondere aandacht voor het welzijn van het personeel. Dat geldt voor de hele federale politie. Ik begrijp dat in geen enkele FGP het verstrekken van koffie of andere dranken standaard voorzien is, behalve bij de organisatie van vergaderingen.

Naast deze logistieke kwesties werken we momenteel, in overeenstemming met het regeerakkoord, aan de ontwikkeling van een instrument om de werklast van de medewerkers van de FGP te meten, met als doel hun capaciteiten te verfijnen en te versterken. Daarnaast worden er maatregelen onderzocht om de aantrekkelijkheid van de FGP te vergroten en het welzijn van het personeel te verbeteren. Ik heb hierover overleg met mijn collega van Binnenlandse Zaken.

Tot slot wil ik aangeven dat zulke berichten me niet vrolijk stemmen. We moeten uiteraard bekijken wat we op korte termijn kunnen realiseren om het verschil te maken in de werkomstandigheden van de medewerkers van de FGP.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik begrijp uiteraard – en ik ben ook heel blij dat u dat bevestigt – dat dat bericht u absoluut niet vrolijk stemt. Het welzijn van het personeel moet een absolute prioriteit zijn. Ik begrijp ook dat u zegt dat beschikbare middelen verstandig moeten worden beheerd.

Een tijd geleden ben ik tweemaal in een andere hoedanigheid op de Noordersingel geweest voor ondervragingen. Die ondervragingen hebben uren geduurd in een lokaal zonder ramen. Ik weet niet of u ondertussen dat gebouw al hebt bezocht. Er waren geen ramen, er was geen water. We mochten alleen water van de kraan drinken. Toegegeven, de ondervragers hebben de verdachte en mij een kop koffie aangeboden die ze zelf met eigen middelen hadden bekostigd. Het kraantjeswater in Antwerpen is, zeker in een aantal buurten, absoluut niet te drinken. U weet ook dat daar bepaalde concentraties van onder andere cocaïne in zitten. Het mag echt niet de bedoeling zijn dat het personeel dat moet drinken.

Ik begrijp dat er bespaard moet worden en dat u zorgzaam moet omspringen met de financiële middelen, maar water kost toch niet zoveel. Er moeten toch absoluut budgetten zijn om bidons water aan te kopen en om een kop koffie aan te bieden aan de gedetineerden en de advocaten, die daar soms urenlang voor ondervragingen zitten en niet altijd zelf waterflessen of een thermos koffie bij zich hebben. Men moet nagaan hoe men die situatie kan verhelpen.

Voorzitter:

Je reviens à la question n° 56004890C de M. Denis Ducarme, qui m'a entre-temps demandé le report de celle-ci. Nos questions sont donc épuisées pour aujourd'hui. De nombreuses questions ont été transformées en questions écrites ou ont été reportées, car beaucoup de collègues sont occupés dans d'autres commissions. Néanmoins, je suis ravi que l'on ait quand même pu tenir une séance de questions orales et je remercie la ministre également pour cela.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, neem mij niet kwalijk, maar ik wil toch even het woord voeren.

Ik begrijp dat het vandaag heel druk is. Er zijn heel veel commissies. Ik heb het even nagekeken. Ze zijn niet meer bezig. De commissie van de heer Ducarme is wel nog bezig.

Er zijn vandaag negen vragen uitgesteld. Het wordt in de commissie voor Justitie steeds meer de gewoonte dat een aantal leden vragen indienen. Ik heb alle respect voor mevrouw de minister en haar diensten, die de vragen moeten voorbereiden. Ze worden volgende week opnieuw ingediend en opnieuw uitgesteld.

U kan dit zelf niet doen, maar ik zou willen vragen dat u aan uw fractieleider vraagt om in de Conferentie van voorzitters erop aan te dringen dat wanneer een vraag wordt ingediend, de leden het respect zouden hebben om naar de commissie te komen, hun vragen te stellen en naar het antwoord van de minister te luisteren.

Het loopt de laatste tijd echt de spuigaten uit. Ik meen dat u mijn mening deelt, indien u eerlijk bent. Daarin moet echt verandering komen. Een andere mogelijkheid is dat ze van bij het begin schriftelijke vragen indienen. Daarmee heb ik geen probleem. De huidige gang van zaken is echter overdreven.

Ik herhaal het. De heer Ducarme is nog bezig. Daarover heb ik het dus niet.

Voorzitter:

Madame Dillen, effectivement, en ce qui me concerne, lorsqu'un collègue demande le report de sa question, je le lui accorde. Je n'ai pas eu l'impression qu'il y ait eu tellement de reports à chacune des commissions. Aujourd'hui, cela me semble particulièrement spécifique. On peut éventuellement sensibiliser les collègues à ce sujet. J'entends que c'est toujours embêtant pour les services de la ministre mais on peut toutefois dire que ce qui est fait n'est plus à faire. Même si une question est reportée, la réponse est déjà là. Je voulais en tout état de cause remercier chacun et chacune pour les débats qu'on a pu mener, Mme la ministre pour sa présence et les services qui nous ont permis de tenir la commission aujourd'hui dans l'hémicycle. La réunion publique de commission est levée à 17 h 17. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.17 uur.

De alarmsignalen van de Veiligheid van de Staat die genegeerd werden in Hoei
De vermoedens van Chinese inmenging in de Belgische politiek
Veiligheidsrisico's en buitenlandse inmenging in Belgische politiek

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 30 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Belgisch ex-burgemeester (PS) in Huy werd tweemaal gewaarschuwd door de Veiligheid van de Staat voor problematische banden met China, inclusief het doorspelen van gegevens over Ouïgoerse activist en volksvertegenwoordiger Samuel Cogolati, maar bleef ongestraft actief in lokale politiek. Minister Verlinden bevestigt de reële dreiging van Chinese inmenging (via diplomatie, economie, spionage) en benadrukt de cruciale rol van de Veiligheid van de Staat in detectie en preventie, maar geeft geen concrete maatregelen tegen de betrokkene, wat Maouane scherp kritiseert als democratisch falen en mensenrechtenrelativisme (met verwijzing naar Ouïgoeren, Gaza en Congo). Jadoul pleit voor versterkte sensibilisering van openbare actoren, gebaseerd op de nieuwe anti-ingereniewet (2024), maar ook hij krijgt geen duidelijke gouvernementele actieplannen. Kern: systemisch gebrek aan sancties ondanks waarschuwingen, terwijl China’s strategische infiltratie in België onverminderd doorgaat.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, je ne sais pas vous mais, moi, ce matin, en découvrant les médias, j'ai halluciné. J'ai halluciné parce qu'un ancien bourgmestre faisant fonction à Huy a été mis en garde non pas une fois mais deux fois par la Sûreté de l'État pour ses liens jugés problématiques avec l'ambassade de Chine. Et malgré cela, il a continué ces contacts. Il les a même entretenus et il aurait transmis des informations sur un député fédéral belge, Samuel Cogolati, qu'on connaît bien ici, qui a été ciblé et même sanctionné par le régime chinois pour son travail sur le génocide des Ouïgours.

Ce qui continue à m'halluciner, madame la ministre, c'est l'absence de sanctions. En effet, pendant ce temps, ce monsieur a été réélu tranquillement à Huy où il siège toujours au conseil communal. Il brigue même la présidence de l'hôpital régional. En mars dernier, l'ambassadeur chinois était accueilli en grande pompe et à bras ouverts à Huy par le bourgmestre.

Madame la ministre, comment voulez-vous que les gens fassent confiance à la démocratie si un élu peut aller à l'encontre de nos services de renseignement sans la moindre conséquence, sans la moindre sanction? C'est une affaire de sécurité nationale, ce n'est pas juste un fait divers local.

Mes questions seront dès lors très claires et très directes. Quelles informations précises ont été transmises par cet élu à l'ambassade de Chine et en échange de quoi? La Sûreté de l'État a-t-elle informé, oui ou non, les autorités du parti de ce bourgmestre, à savoir le Parti Socialiste? Si tel est le cas, quand et avec quelles demandes? Si le PS était au courant, pourquoi cette personne est-elle encore en poste? L'actuel bourgmestre, Christophe Collignon, était-il lui aussi au courant? Si oui, pourquoi continue-t-il à fricoter comme cela avec Pékin? Enfin, quand un élu ignore sciemment les alertes de nos services, que prévoit votre gouvernement? Maintenant que ces faits sont publics, que comptez-vous faire concrètement pour empêcher ce genre d'ingérence et pour garantir que cet élu – ou d'autres – ne puisse plus nuire à la sécurité de notre pays?

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, comme ma collègue Maouane, j'ai lu la presse ce matin et une enquête journalistique fait état d'éléments préoccupants quant à des relations qui sont jugées problématiques entre un ancien échevin et bourgmestre faisant fonction de la ville de Huy et des représentants officiels chinois. La Sûreté de l'État a effectivement à deux reprises mis ce mandataire socialiste en garde. Il ressort des articles de presse que le président du Parti Socialiste a même été informé de la difficulté rencontrée mais ces mises en garde sont demeurées lettre morte, elles n'ont donné aucun effet.

Le dossier n'a à l'époque pas été transmis à la Justice puisqu'il n'y avait pas de base légale suffisante que pour permettre ce transfert. Aujourd'hui, il semble que la Sûreté de l'État a estimé que les échanges observés relevaient d'une forme d'ingérence, d'espionnage et il y a un arsenal législatif qui a été mis en place en 2024 et qui, sans doute, permettrait aujourd'hui d'avoir un suivi sur ce terrain-là.

La Chine, on le sait, ne se contente pas de réprimer sur son propre territoire. Sa stratégie d'intimidation dépasse les frontières. Certains, en ce compris en Belgique – notamment le président de la Belgium Uyghur Association –, ont vu leurs familles menacées en Chine à cause d'activités en Europe. On sait qu'il y a là un vrai problème.

Madame la ministre, la Sûreté de l' É tat dispose-t-elle encore à ce jour d'informations ou d'analyses concernant cette affaire ou d'autres cas similaires? Quels sont les dispositifs mis en place pour prévenir, détecter ce type d'ingérence? Comment votre ministère travaille-t-il avec la Sûreté de l'État et le Comité R pour s'assurer qu'aucun maillon des pouvoirs publics, local ou national, ne soit infiltré ou instrumentalisé par une puissance étrangère? Enfin, des dossiers ont-ils été ouverts sur base de la nouvelle incrimination instaurée en 2024 concernant l'ingérence effective?

Annelies Verlinden:

Chers collègues, nous avons tous lu les articles de presse parus ce matin à ce sujet. Je ne peux évidemment faire aucun commentaire sur ce dossier spécifique. Cependant, ces faits mettent une nouvelle fois en lumière la potentialité d'activités hostiles de certains États à l'égard de notre démocratie. Nous constatons ainsi que différentes menaces peuvent peser sur la Belgique, que ce soit en termes de cyberespionnage, d'ingérence, de risques pour notre potentiel économique et scientifique ou encore de tentatives de contrôle de la diaspora, par exemple.

Il revient alors à la Sûreté de l' é tat (VSSE) de détecter ces menaces, d'en informer les décideurs et de sensibiliser les différents acteurs belges, qu'ils soient étatiques, universitaires ou issus du monde économique, aux risques auxquels ils sont exposés.

Nous devons dès lors être attentifs au fait que des pays comme la Chine, qui est à la fois un partenaire mais aussi un rival stratégique, puisse exercer ses menaces de manière subtile au moyen de tous les vecteurs possibles, c'est-à-dire par voie diplomatique, économique, sociale, culturelle ou, évidemment, par le renseignement. C'est ce que l'on appelle l'approche globale. Dans le cadre de celle-ci, une combinaison d'activités légitimes et d'activités clandestines est souvent observée. L'approche globale, selon laquelle tout acteur, étatique ou non, est obligé de collaborer avec les services de renseignement de certains pays tiers, complique naturellement le travail de la VSSE dans la détection des activités de renseignement. Cela rend le travail de conscientisation des acteurs belges sur la menace encore plus crucial, afin d'augmenter notre résilience et de permettre ainsi à chacun d'évaluer correctement la menace.

Pour conclure, je dirais que la menace est réelle. Il faut donc des services de renseignement et de sécurité forts et efficaces qui soient capables de répondre à cette menace. Dans ce contexte, la Sûreté de l'État joue un rôle clé. Son renforcement sera donc un chantier important de cette législature.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses qui n'en sont pas vraiment. Vous avez pris deux minutes pour faire un bel exercice de langue de bois, mais je comprends que vous ne puissiez pas tout dire.

Cette histoire nous montre une chose en tout cas: détourner le regard de ce qui se passe en Chine pour les Ouïghours, fait les affaires de l'État, mais pas des droits humains.

J'aurais aimé vous entendre dire, en tant que démocrate, qu'on ne peut pas accepter que des parlementaires, quels qu'ils soient, soient mis sous la menace de quelque régime que ce soit.

Quand nous voyons ce qui se passe avec les Ouïghours, en Palestine avec le génocide perpétré par Israël, en République démocratique du Congo avec le génocide vécu en direct, j'aurais voulu vous entendre vous exprimer là-dessus comme démocrate et affirmer qu'il est inacceptable que ce genre de digue cède, et que, comme toujours et à chaque fois, notre seule boussole doit être le respect des droits humains et du droit international.

Pierre Jadoul:

Je vous remercie, madame la ministre, pour ces éléments. Il faut en tout cas en tirer la conclusion que cela n'arrive pas qu'aux autres. Cette menace existe chez nous et nous devons être vigilants. Dans ma vie professionnelle antérieure, en tant que recteur d'université, j'ai été contacté par la Sûreté de l'État pour m'alerter sur un certain nombre de dangers qui nous menaçaient. Je suis profondément reconnaissant pour cette démarche proactive de leur part. Nous avons participé avec la commission de la Justice à une visite de la Sûreté de l'État, au cours de laquelle cette problématique est revenue dans les débats. Je pense qu'un vrai rôle d'information, et je dirais même d'éducation, incombe, en ce compris, à cet organisme quant aux dangers qui nous menacent tous.

De toekomst van de politiezones in Waals-Brabant
De fusie van de zes Brusselse politiezones
De plannen van de minister voor een eengemaakte Brusselse politiezone
De open brief van Brusselse agenten over de fusie en hun werkomstandigheden
De fusie van de Brusselse politiezones
De hervorming van de financiering van de lokale politiezones
De fusie van de politiezones in Brussel
De door de arizonacoalitie gewenste fusie van de Brusselse politiezones
De fusie van de politiezones
De fusie van de politiezones
Hervorming en fusie van politiezones in Brussel en Waals-Brabant

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de geplande fusie van politiezones, met focus op Brussel (6 zones → 1 in 2027) en mogelijke uitrol in Vlaanderen/Waals Brabant, waar lokale weerstand heerst (bv. Brabantse MR-burgemeesters die fusie afwijzen maar wel voor Brussel stemmen). Hoofdpunten: - Doel: Efficiëntere bestrijding van criminaliteit via centraal commando, betere coördinatie en schaalvoordelen, maar nabijheidspolitie moet behouden blijven (bv. via lokale kantoren). - Bezwaren: Democratisch tekort (opheffen politieraden ten voordele van burgemeesterscolleges, waar oppositie minder invloed heeft), taalgelijkheid (garanties voor Nederlandstaligen in Brussel ontbreken), en financiering (schuldovername door federale overheid, maar onduidelijkheid over KUL-normhervorming en extra middelen). - Tijdpad: Wetsontwerp tegen juli 2024, operationeel in 2027; gouverneurs moeten fusieplannen voor Vlaanderen/Wallonië indienen, maar lokale autonomie blijft gevoelig (bv. Waalse gemeenten willen geen opgelegde fusies). Minister Quintin benadrukt concertatie (overleg met burgemeesters, korpschefs, justitie) maar kritiek blijft op gebrek aan transparantie en risico’s van centralisatie.

Dimitri Legasse:

Monsieur le président, au risque de vous dédire, je n'aborderai pas uniquement la question de Bruxelles. En effet, je vais surtout vous parler du Brabant wallon. Du reste, monsieur le ministre est venu à Waterloo pour inaugurer un magnifique commissariat. Si j'ai bien compris la bourgmestre libérale, qui siège à nos côtés, ainsi que son homologue brainois, de la zone monocommunale voisine qui ne bénéficie pas d'un aussi beau commissariat, ils ne partagent pas tout à fait l'avis de M. Quintin quant à la fusion des zones de police. Je dirais même qu'ils y sont tout à fait opposés. Ces deux collègues brabançons libéraux siègent à nos côtés et pourraient donc nous en parler.

Monsieur le ministre, dans l'accord de gouvernement, vous indiquez notamment envisager des zones de police "plus grandes et efficaces". Encore plus grandes, toujours plus grandes et toujours plus éloignées des citoyens. En complément aux questions de mes collègues lors de votre exposé d'orientation politique, pouvez-vous m'indiquer si vous envisagez la fusion des zones de police en Brabant wallon, comme il semble en être question entre Ottignies, Louvain-la-Neuve et Wavre?

Il n'y a qu'une seule zone de secours en Brabant wallon. Envisage-t-on une seule grande zone de police? C'est une question que je vous pose très directement. En effet, la transversalité de notre province n'est pas si évidente que cela, et certainement pas en matière de circulation. Nous pouvons plutôt parler d'immobilisme. Et je ne vous parle pas du carrefour Léonard ni de Zaventem, bien que nous pourrions en discuter, mais ce n'est pas le lieu aujourd'hui. Comptez-vous rencontrer les autorités locales, dont je fais partie, puisque je suis bourgmestre d'une commune située dans la zone Ouest Brabant wallon?

Vous parlez également de financement plus élevé, flexible et transparent. Cela signifie-t-il, par exemple, qu'il viendrait en aide aux communes, qui souffrent déjà d'autres mesures envisagées par le gouvernement? Ce financement plus élevé serait-il conditionné à des fusions de zones?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, u hebt in de paasvakantie inderdaad verder gecommuniceerd over uw concrete plannen inzake de fusie van de zes bestaande Brusselse politiezones tot één geïntegreerde politiezone. De wil om te fusioneren stond al in het regeerakkoord, maar nu hebt u uw concrete plannen voorgelegd, aan de pers althans, want in het Parlement hebben we nog geen concrete teksten gezien. Die zullen er binnenkort wel komen, denk ik.

U weet dat wij als N-VA een zeer grote voorstander zijn van de fusie van de politiezones en daar al heel wat jaren voor pleiten. Die hervorming is noodzakelijk voor een verhoogde efficiëntie, betere coördinatie, eenheid van commando en dus ook eenduidige communicatie in crisissituaties.

Verder pleitte u ook voor fusies van politiezones in Vlaanderen en Wallonië. Nu blijken lokale korpsen namelijk vaak niet opgewassen tegen bepaalde vormen van moderne criminaliteit. U hebt de gouverneurs de opdracht gegeven om met een rapport te komen en u verklaarde ook dat in bepaalde gevallen de regering zou kunnen beslissen om fusies te verplichten. Om fusies aan te moedigen, wil u de schulden van de betrokken politiezones overnemen.

U hebt heel wat gecommuniceerd: over budgettaire zaken, over de KUL-norm, over uw voornemen om de metropolitie in de lokale politie te integreren en over de rol van de gouverneurs.

Wat is de concrete stand van zaken met betrekking tot de geplande fusie van de zes Brusselse politiezones? Zijn er al wetgevende teksten?

Op welke manier worden de Brusselse burgemeesters en lokale korpschefs verder betrokken bij het fusieproces?

Hoe zal de democratische controle op het politiewerk worden georganiseerd binnen de gefuseerde zone?

Hoe zult u ervoor zorgen – dat stond immers wel in het wetsvoorstel van de N-VA – dat ook de vertegenwoordiging van de Nederlandstaligen wordt gegarandeerd, bijvoorbeeld in de politieraad?

Hoe verloopt de verdere timing van het fusieproject?

U pleit voorts voor verdere fusies in Vlaanderen en Wallonië en wil bij fusies de schulden van de betrokken politiezones overnemen. Hoeveel budget is hiervoor voorzien? Bent u al gecontacteerd door zones die willen fuseren en welke zijn dat dan?

De gouverneurs moeten met een plan komen. Wat is hun precieze opdracht en tegen wanneer verwacht u hun plan op tafel?

U wil in bepaalde gevallen beslissen om fusies te verplichten. Op basis van welke criteria wil u dat doen en welke zones hebt u hierbij in gedachten? ​

Ik heb dus toch wel een aantal vragen waarop ik vandaag graag wat antwoorden zou krijgen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb twee vragen ingediend, maar wat collega De Vreese reeds heeft opgesomd, zal ik niet herhalen. We hebben kennis kunnen nemen van uw plannen om de Brusselse politiezones te fuseren. Met Vlaams Belang zijn wij daar grote voorstander van. Omtrent de concretisering ervan blijven wel wat vragen hangen. In uw plan voorziet u een overname van de schulden van de Brusselse politiezones door de federale overheid en, niet onbelangrijk, een hervorming van de KUL-norm. Ook is er sprake van de oprichting van een metropolitiekorps onder de nieuwe eengemaakte zone. De negentien Brusselse burgemeesters zouden dan elk een rol krijgen in het politiecollege.

Wat in onze ogen voorlopig ontbreekt in uw plan, is de figuur van een hoofdstedelijke minister van Veiligheid. Daar pleiten wij alleszins voor. Daarnaast vragen wij ons af hoe de versterking voor de agenten op het terrein vorm zal krijgen, want daar moet het uiteraard toe leiden. Die fusie moet tot efficiëntie leiden en moet ook ten goede komen aan de gewone politieman en politievrouw in de straat.

Mijnheer de minister, eerst en vooral wil ik het tijdspad bevragen. U spreekt van 1 januari 2027 om die fusie gefinaliseerd te krijgen. Is dat tijdspad realistisch en haalbaar? Zal dat niet leiden tot een halfslachtige hervorming? Als er hervormd wordt, kan dat best meteen grondig gebeuren, niet halfslachtig.

Hoe zal de hervorming van de KUL-norm in de praktijk eruitzien? Dat zal geen gemakkelijke oefening zijn, want het gaat uiteraard niet enkel over de Brusselse politiezones, maar ook over de vele andere politiezones in ons land.

Collega De Vreese heeft al aangehaald dat de tweetaligheid van de politiekorpsen in Brussel gegarandeerd moet blijven en worden. Daarover had ik ook graag wat duidelijkheid.

Mijn tweede vraag gaat over een element dat ik ook al in de plenaire vergadering heb aangehaald tijdens de vragensessie. U krijgt niet enkel de steun van de Nederlandstalige partijen, maar ook van de gewone politieman en politievrouw op straat. Daarvoor verwijs ik naar de open brief waarin Brusselse agenten expliciet hun steun uitspreken voor de fusie van de Brusselse politiezones.

We lezen echter ook een aantal zorgwekkende waarschuwingen. Zo schrijven de agenten dat ze in sommige zones misbruikt worden voor politieke of persoonlijke doeleinden. Wij hebben dat al meermaals ondervonden, zowel bij activiteiten van mijn partij in Brussel als bij wat men kan bestempelen als rechtsgeoriënteerde conferenties, in sommige gemeenten in Brussel, waar burgemeesters toch wel zeer activistisch te werk gaan. We zijn al naar de Raad van State moeten gaan om ons gelijk te halen. Ook in de brief waarschuwen agenten voor politieke inmenging. Wij moeten die waarschuwing ernstig nemen, dat moet ons ook zorgen baren.

Hoe zult u die nieuwe eengemaakte zone beschermen tegen deze politieke inmenging en misbruik? Zullen we dit kunnen terugvinden in de wetteksten? Zal in de wetteksten staan dat de politie in de toekomst niet langer oneigenlijk kan worden ingezet en zich zal kunnen focussen op de echte politionele taken?

Wordt er overwogen om bepaalde elementen van de politiezones gedecentraliseerd te laten? Zo ja, welke?

Zult u een onafhankelijk en grondig onderzoek naar de verschillende opgesomde wanpraktijken bevelen?

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, onze fractie is ook groot voorstander van de fusie. We zijn blij dat er stappen vooruit worden gezet. Die fusie biedt heel wat voordelen, maar er zijn ook een aantal valkuilen. Ik heb twee aanbevelingen die ik als vragen heb verpakt.

Ten eerste, op welke manier zal de democratische controle georganiseerd worden? Tot nu toe wordt gesteld dat de burgemeesters hierbij betrokken zouden worden. Het is inderdaad belangrijk om de burgemeesters erbij te betrekken in een soort politiecollege. Omdat er in de huidige structuur van een lokale politiezone een politieraad en een politiecollege zijn, is het belangrijk dat er ruimte wordt gemaakt voor een vorm van een politieraad. Ik spreek me niet uit over welke vorm dat moet zijn. Het is belangrijk om niet alleen de burgemeesters te betrekken bij het beleid, maar ook de raadsleden uit de verschillende gemeenteraden van de Brusselse gemeenten te betrekken bij een vorm van een politieraad. Vanuit het oogpunt van democratische controle is dat absoluut belangrijk.

Ten tweede is voor mijn fractie de nabijheid heel belangrijk. U hebt al enkele keren verklaard dat nabijheid voor u ook heel belangrijk is. De vraag is dan hoe we dat gaan organiseren. Zullen we nabijheid op niveau van de gemeenten organiseren? Het is perfect mogelijk om voor één politiezone in één post per gemeente te voorzien. Op die manier is de politie gedecentraliseerd aanwezig. Een aantal Brusselse politiezones werken echter nu al veel gedecentraliseerder op het gebied van hun gemeente. De vraag is dan of we die manier van werken gaan overnemen dan wel of we toch richting één ankerpunt per lokaal bestuur gaan.

U voelt aan mijn vraag aan dat ik er nogal voorstander van ben om echt lokaal te werken en die nabijheid maximaal in te vullen en dus niet te reduceren tot één kantoor per gemeente. Dat is een terechte bezorgdheid van veel partners.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik vind het een kwalijke tendens dat iedereen zomaar anoniem brieven naar de pers begint te schrijven, want wie vertegenwoordigen die mensen? Ik geef geen kritiek op de politieambtenaren in kwestie, wel op de tendens om anoniem naar de pers te stappen en daar allerlei zaken aan de kaak te stellen. Begin er maar aan om daar als minister op te reageren. Ik vind dat een tendens die we niet per se moeten toejuichen. Ik vind dat we in het Parlement misschien ook een beetje afstand van dergelijke praktijken moeten nemen.

Ik ben helemaal aan het afwijken van mijn vraag, mijnheer de minister, waarvoor mijn excuses.

De analyses zijn gekend. Er is een gebrek aan efficiëntie. We missen één kapitein op het schip in de Brusselse politiezones. We weten dat. We weten ook dat het in ons land moeilijk is om effectief te hervormen. U doet dat nu en verdient daarvoor alle krediet. Dat meen ik ook. Het is goed dat we dit debat in het Parlement kunnen voeren.

Ik heb een aantal praktische vragen over het budgettaire tijdpad. U hebt gecommuniceerd dat er een schuldovername zal worden gedaan. De Brusselse politiezones worden al gesubsidieerd door de FOD Binnenlandse Zaken. Wat betekent die schuldovername precies? Hoe zit het met de fusiebonus?

We gaan dezelfde oefening, op een minder verplichtende manier, hopelijk ook in Wallonië en Vlaanderen doen. We gaan daar ook politiezones fuseren. Is daar budgettaire ruimte voor? Hebt u een budgettair kader om te werken aan die KUL-norm, aan de fusie van de politiezones, ook in Vlaanderen? Dat is nodig.

Dat zijn mijn belangrijkste vragen, mijnheer de minister. Ik vroeg dus naar het budgettaire kader voor Brussel. Hoe ziet u de fusies in Vlaanderen? Welke budgetten zijn daarvoor eventueel ter beschikking?

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, la question de la fusion des zones de police suscite beaucoup de débats au sein même de votre formation politique, puisque deux députés-bourgmestres membres de votre formation politique s'opposent à cette fusion lorsque cela les concerne. Je suis bien curieux de voir si ces deux députés-bourgmestres vont voter la fusion de la zone de police à Bruxelles, alors qu'ils la refusent pour leurs communes. Ce sera drôle de voir si c'est une question de conviction, si la sécurité est une question à deux vitesses au MR ou si c'est un cadeau institutionnel plutôt qu'une réponse opérationnelle.

Vous avez annoncé dans la presse votre plan visant à fusionner les six zones de police, en faisant un grand corps de plus de 7 700 personnes (6 400 opérationnels et plus de 1 300 CALog). Vous avez également plus ou moins dessiné l'architecture institutionnelle de cette future zone de police, avec un chef de corps, des bourgmestres, le ministre-président, etc.

La question qu'on se pose, c'est la question du calendrier. Pourriez-vous être plus précis par rapport au calendrier de cette réforme? Vous avez parlé de janvier 2027, mais quel est exactement le timing de la mise en place de cette nouvelle zone de police?

Vous avez parlé des concertations avec les autorités communales. Je parlerais d’information plutôt que de concertation puisqu'il nous revient qu'un certain nombre de choses n'ont pas été dans un sens de négociation ou de dialogue. Y a-t-il aussi eu une concertation avec les autorités judiciaires? Il y a les communes, il y a évidemment les chefs de corps mais le parquet aussi est partie prenante dans cette fusion des zones de police.

Le modèle de gouvernance que vous prévoyez ne parle pas du conseil de police. Il est question du grand collège de police. Qu’en est-il du débat démocratique? Nous savons tous que dans les collèges, c'est la majorité qui est représentée. Dans les conseils de police, il y a aussi l'opposition. Quel rôle aura l'opposition dans le débat démocratique de cette zone de police?

Nous avons parlé du budget, du financement. Quid du financement supplémentaire du fédéral pour absorber la dette mais aussi en ce qui concerne le fonctionnement? On l'a dit, la question concerne surtout le fonctionnement de la zone.

Un avis a été rendu sur une proposition de l'Open Vld sous la précédente législature. Le Conseil d'État émet un certain nombre de remarques par rapport à l'autonomie et à la possibilité de toucher à l'autonomie des communes. Avez-vous connaissance de cet avis du Conseil d'État? Avez-vous pu l'examiner? Avez-vous une réponse?

Monsieur le président, j'ai encore une suggestion pour vous. Vous vous rappelez que j'avais fait une demande pour que la commission puisse visiter safe.brussels. J'y reviens car j'ai entendu des collègues parler de la question de la gestion de la crise à Bruxelles et dire "on ne sait pas comment ça se passe", etc. Un organe gère la crise à Bruxelles. Il y a safe.brussels avec une plate-forme. Quatre zones de police ont transféré leurs images et les caméras à safe.brussels. Je pense qu'il serait intéressant que la commission aille sur place pour qu'elle se rende compte qu'en temps de crise, un commandement unique existe déjà à Bruxelles.

Voorzitter:

Ik neem de suggestie mee. Mevrouw Maouane is niet aanwezig.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, la nouvelle majorité s'est positionnée en faveur de la création d'une zone de police unique à Bruxelles. Vous aviez annoncé, lors de l'examen de votre note d'orientation politique, qu'un projet de loi sur les fusions serait prêt d'ici l'été. Vous vous êtes engagé à rencontrer les acteurs de terrain, les 19 bourgmestres ainsi que les six chefs de zone. C'est une bonne chose. C'est essentiel.

Entre-temps, des voix parmi les policiers des zones concernées se sont exprimées anonymement en faveur de la création de la zone de police unique. À leurs yeux, la fusion des zones de police, je cite, "représente indéniablement une opportunité d'améliorer l'efficacité du travail des policiers et faciliterait notamment l'échange d'informations entre zones". Ces policiers déplorent la stature d'opposition de certains chefs de corps et bourgmestres envers cette fusion.

Monsieur le ministre, la deadline de l'été prochain approche à grands pas, d'autant plus que vous vous êtes engagé également à accompagner cette réforme d'une autre réforme tout aussi importante – si pas plus –, celle de la nouvelle norme de financement des zones de police.

Comment comptez-vous mener à bien simultanément ces deux projets d'ici la fin de l'été? Quel est le planning concret envisagé? Avez-vous entre-temps pu rencontrer tous les acteurs de terrain? Pouvez-vous détailler comment se sont passées ces rencontres? Vu l'opposition ferme à la réforme de certains d'entre eux, comment comptez-vous les faire évoluer dans le sens souhaité?

La presse a relayé l'expression de certains policiers en faveur de la réforme. Avez-vous également d'autres témoignages en ce sens? Quels sont leurs points de vue? Que vous ont-ils partagé?

François De Smet:

Je vous plains, monsieur le ministre, car je pense que tant que cette réforme n’aura pas abouti, certains collègues néerlandophones continueront de vous mettre la pression pour que le dossier avance, et certains collègues francophones continueront de vous expliquer pourquoi ce n’est pas une bonne idée.

La dynamique m’inquiète parce qu'au début de la législature – il y a deux mois –, vous disiez que vous prendriez le temps de faire les choses raisonnablement. Or on constate aujourd’hui que vous êtes de plus en plus mis sous pression pour que le dossier avance. Je m’inquiète de l’énergie folle que cette réforme vous prend déjà, et j'espère que cela ne vous distrait pas du reste de votre travail.

Pour le reste, j’ai pu constater l’opposition assez marquée de nos deux collègues députés-bourgmestres – puisque tant le MR que le PS cumulent les mandats en Wallonie et ailleurs – qui ont affirmé qu’ils ne fusionneraient pas. J’aimerais savoir ce que vous en pensez. J’aurais également voulu connaître l’avis de Mme Reuter et M. Scourneau. Car ce qui est insupportable, c’est une fois de plus le caractère contraint. Ces deux bourgmestres-députés MR vont voter pour forcer les Bruxellois à procéder à une fusion qu’eux-mêmes n’accepteront pas en Brabant wallon. Qu’est-ce qui justifie que les Flamands et les Wallons puissent librement décider de fusionner, et que l’on estime visiblement que les édiles bruxellois seraient moins à mêmes de le faire?

Je dois également admettre que je comprends de moins en moins la position du groupe Les Engagés. M. Prévot affirme qu’il s’agit d’une réforme opérationnelle qui ne comporte pas d’aspect communautaire. Le bourgmestre de la commune de Woluwe-Saint-Pierre vient de réaffirmer que la fusion est une très mauvaise idée et qu’il s’y opposera de toutes ses forces. Or, ici, son collègue va dans le sens contraire. Tout part dans tous les sens.

La question du contrôle démocratique, notamment des élus de l’opposition, demeure. Au vu des mécanismes mis en place – un ministre-président, dix-neuf bourgmestres, un kern décisionnel, des chefs de corps –, il me paraît très difficile de concilier la volonté de fusion des partis néerlandophones d’une part, et la volonté de contrôle démocratique des bourgmestres et des chefs de corps bruxellois de l’autre. Je suis curieux de savoir comment vous entendez vous y prendre.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, madame et messieurs les députés, je vous remercie beaucoup pour ce nouveau débat d'actualité. De fait, je pense que ce n'est pas le dernier mais je me réjouis de participer à la vitalité du débat démocratique ici. Cette vitalité du débat démocratique se passe parfois au sein même des partis, ce qui ne me parait pas forcément être une mauvaise chose.

Pour ce qui est de la fusion des zones de police, je voudrais insister sur le fait que – c'est ma vision des choses –c'est un projet destiné à renforcer la sécurité pour tous nos concitoyens, en commençant en effet par Bruxelles.

Ce n'est pas une réforme, mais bien un plan de fusion. Ce n'est pas une réforme au sens où nous ne réformons pas la police intégrée à deux niveaux. D'autres projets sont en cours de ce point de vue-là.

Il s'agit d'un plan de fusion pour toutes les zones de police, commençant par la capitale car la situation l'exige. Pour ce faire, nous instaurerons un commandement unique qui permettra d'avoir une vision de sécurité globale pour l'ensemble de la capitale et de pouvoir agir vite et fort lorsqu'un problème de sécurité se présente.

Il me paraît utile de rappeler le processus de concertation que j'ai lancé dès mon entrée en fonction sur ce dossier. Durant les mois de février et mars, j'ai pris mon bâton de pèlerin et je suis allé à la rencontre de tous les bourgmestres bruxellois afin de les entendre sur leurs priorités, mais aussi, il est vrai, leurs inquiétudes relatives à la fusion des six zones de police. Trois arguments sont revenus systématiquement au cours de ces dix-huit entretiens, d'une vingtaine d'heures au total: la nécessité de maintenir une police de proximité, l'impérieuse nécessité d'opter pour une gouvernance agile et l'indissociabilité d'une réforme structurelle avec la question du financement.

Sur cette base et en concertation avec plusieurs acteurs, j'ai élaboré les contours d'un projet de réforme que j'ai présenté au premier ministre, aux bourgmestres bruxellois, aux six chefs de corps, au directeur de la communication de la police fédérale, à la Commission Permanente de la Police Locale (CPPL) et aux syndicats. Je pense que l'on ne peut pas me prendre en défaut de concertation, de ce point de vue.

L'actualité récente nous a montré qu'il est essentiel de pouvoir lutter plus rapidement et plus fortement contre les criminels, du plus petit au plus grand. À cet égard, j'ai pour ambition que le projet de fusion des six zones bruxelloises serve d'exemple à l'échelle du royaume. Je pense que nous serons d'accord entre Bruxellois pour penser que Bruxelles pourrait retrouver un rôle d'exemplarité dans le royaume.

Cependant, comme je l'ai déjà indiqué, ce projet de fusion ne concerne pas uniquement notre capitale mais vise également à encourager les fusions à l'échelle nationale, comme le prévoit d'ailleurs l'accord de coalition fédéral. Pour ce faire, j'ai mandaté les gouverneurs afin qu'ils me transmettent deux fois par an une trajectoire de fusion.

À ce stade, je peux vous informer que des principes de gouvernance intègrent la création d'un bureau au sein du Collège de police avec une représentation territoriale équilibrée, un équilibre décisionnel durant les processus de fusion ainsi que la suppression des conseils de police au niveau national au profit d'un contrôle démocratique renforcé par le premier organe démocratique local qui est le conseil communal, dans lequel, il me semble, à moins que je sois mal informé, qu'il y a une majorité et une opposition représentées de manière équilibrée en fonction du résultat des élections communales.

Wij zullen uiteraard de gelegenheid hebben de modaliteiten te bespreken zodra u de tekst in handen hebt, evenals de fusiecriteria en het mechanisme voor de schuldovername die ik in de wet wil opnemen. Dat mechanisme is geïnspireerd op de decreten van het Vlaams en het Waals Gewest die in een schuldovername voorzien in het kader van de fusies van de gemeenten. Bij de berekening van de schuldovername wordt rekening gehouden met de verhoging van de categorie van de politiezone die fuseert en met het aantal personeelsleden dat door de fusie wordt getroffen.

En outre, le projet de loi révisera la base juridique de la dotation de fusion qui existe actuellement dans la loi et qui doit être révisée sur le plan juridique après avoir été contestée devant le Conseil d' É tat.

Deze dotatie zal op een intelligente manier worden gekoppeld aan het mechanisme voor de schuldovername dat ik voor alle zones voorstel en zal dienen om een deel van de kosten van het fusieproces te dekken, ongeacht of deze vrijwillig of opgelegd zijn.

Wat betreft de vragen van mevrouw De Vreese, een voorontwerp van wet wordt momenteel afgerond. De verschillende formele raadplegingen gaan volgende week van start, met adviesaanvragen bij onder meer de VCLP, de Raad van burgemeesters, de federale politieraad, de VVSG en de Inspectie van Financiën en uiteraard een budgettaire goedkeuring.

Zodra deze adviezen en het akkoord zijn verkregen, moet het voorontwerp vóór 21 juli op de agenda van de ministerraad worden geplaatst, zodat het zo snel mogelijk in de Kamer kan worden behandeld.

Pour répondre aux questions posées sur le calendrier, notamment par M. Chahid, je précise qu'après ce vote, il faudra que le Roi décide par arrêté de créer la zone unifiée et, dans un second temps, via un autre arrêté royal, que le Roi institue la zone nouvellement créée. Il va de soi qu'un délai entre ces trois moments permettra d'opérationnaliser cette fusion. Mon objectif reste à ce jour d'instituer la zone unifiée au 1 er janvier 2027.

Par ailleurs, l'opérationnalisation des fusions relève des autorités locales des zones de police concernées. Elles peuvent compter sur le soutien plein et entier de moi-même, de mon cabinet et de mes administrations. Je fais confiance aux gouverneurs, aux bourgmestres et aux chefs de corps qui connaissent parfaitement leur territoire pour accompagner et mettre en œuvre la fusion de manière optimale. J'ai pris connaissance que des premières réunions internes ont eu lieu à la demande des bourgmestres bruxellois pour d'ores et déjà avancer sur l'opérationnalisation.

J'en profite pour répondre sur la question des témoignages anonymes. Je partage ce qui a été dit avec toute la réserve dont l'exécutif doit faire preuve à ce sujet-là. Je signale tout de même que lors de ces auditions au Parlement bruxellois, un chef de corps a dit tout le bien qu'il pensait de cette fusion, et ces propos sont aussi entendus.

Ridouane Chahid:

(…)

Bernard Quintin:

Si, Bruxelles Nord, cela vous concerne!

Ridouane Chahid:

(…)

Bernard Quintin:

Moi, j'écoute ce qu'il a dit au Parlement bruxellois.

Het staat vast dat een eengemaakte zone zal leiden tot de harmonisering van de praktijken, zowel op het vlak van opleiding als op het vlak van de voordelen voor het politiekorps. De aantrekkelijkheid van het beroep staat centraal in mijn huidige reflectie, omdat die de verschillen tussen de personeelsformatie en de werkelijke situatie in de zones gedeeltelijk verklaart.

Mijnheer Van Tigchelt en mijnheer Vandemaele, wat de nabijheid betreft, zou het koninklijk besluit van 12 oktober 2001, dat de organisatie en werkingsnormen van de lokale politie vaststelt teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren, kunnen worden herzien om de nabijheid te versterken. Er wordt ook nagedacht over de integratie in de bestuursmechanismen van garanties inzake de toewijzing van het kader om de nabijheid te verzekeren en tegelijkertijd de interventiecapaciteit bij onverwachte gebeurtenissen te versterken.

Le plan de sécurité zonal, qui doit être élaboré et piloté par le Conseil de sécurité zonal, intégrera cette dimension et les spécificités locales. Ce Conseil zonal comprend déjà les autorités judiciaires, et cela ne changera évidemment pas à l'avenir.

Mijnheer Depoortere en mijnheer Dubois, ik wil snel vooruitgang boeken in dit dossier. Zoals reeds aangegeven, heb ik echter de tijd genomen voor het noodzakelijke overleg et je vais continuer d'ailleurs .

Ik ben ervan overtuigd dat mijn collega-ministers net zoals ik de noodzaak erkennen om de situatie in de hoofdstad te verbeteren en dat deze fusie daarvoor een belangrijk element is. Wat de specifieke kwestie van het gebruik van de talen van de hoge ambtenaar betreft, herinner ik u eraan dat het om een gewestelijk ambtenaar gaat en dat zijn statuut door de gewestelijke overheid wordt bepaald.

Un autre volet, non moins important, est celui de la réforme de la norme KUL, soulevée par certains d'entre vous, qui est également une autre de mes priorités en ce début de législature. Cette réforme sera traduite par un arrêté royal déterminant de nouvelles variables de calcul actualisables, plus simples, plus lisibles et beaucoup plus en phase avec la réalité des zones de police.

Cette réforme vise à une meilleure équité des moyens qui sont alloués, et ce, dans une enveloppe budgétaire que le gouvernement veut voir renforcée. La commission multidisciplinaire que j'ai réactivée se penche sur la question. Les travaux sont en cours, à un rythme soutenu, et je mène de conserve les deux dossiers.

À côté de la question des révisions territoriales des structures que je souhaite lier aux questions de financement, je n'oublie pas un élément fondamental, à savoir l'attractivité de la fonction que je souhaite voir renforcée.

Tot slot, ik wens met jullie in de komende maanden vastberaden te debatteren over dit belangrijke project van het federale regeerakkoord, een project dat efficiëntie en doeltreffendheid, overleg en dialoog combineert en dat naar mijn mening beantwoordt aan een dringende noodzaak voor ons land, voor onze hoofdstad en voor onze medeburgers.

Monsieur Legasse, je pense que j'ai répondu à la plupart de vos questions. Je voulais peut-être insister sur le fait qu'il s'agit bien d'un plan de fusion des zones de police au niveau national, avec une première mise en œuvre à Bruxelles. Comme j'aime à le dire, je ne suis pas rousseauiste, donc je ne crois pas que l'homme soit bon par nature. Par contre, je crois en l'intelligence et je suis persuadé qu'en bonne intelligence, nous pourrons mener à bien les réformes qui sont nécessaires pour les questions de sécurité dans le respect, bien entendu, de la majorité et de l'opposition.

Dimitri Legasse:

Merci, monsieur le président. La suppression des conseils de police est marquée noir sur blanc dans un document envoyé par vos services et présenté aux bourgmestres bruxellois. Les compétences des conseils de police seront transférées au collège de police et certaines décisions seront notifiées aux conseils communaux. Je pense donc que quelqu'un se trompe. Peut-être est-ce moi.

En ce qui concerne "l'agilesse" ou "la soupleté" dont vous faites preuve, elles sont "surprenifiantes" – pardonnez-moi le français un peu détourné, ce sont des mots sympathiques. Cependant, il n'est pas question ici d'agilité mais de fusion pour aller vers une police plus unitaire, plus unique, plus commandée, plus autoritaire. Quand on parle d'anonymat et qu'on considère que les expressions anonymes valent davantage que les expressions au Parlement, qui sont contredites le lendemain, j'avoue que j'ai un peu de mal. Quand on considère que l'on fait confiance aux bourgmestre mais que l'on ne fait pas confiance aux bourgmestres libéraux du Brabant wallon, je n'ai pas moins de mal. Certaines choses sont un peu dérangeantes dans l'expression.

La norme KUL originale, calculée par une université, prévoyait des financements qui n'ont pas été adaptés depuis. Dans ma zone par exemple, on n'a pas tenu compte d'un club de football en Division 2, on n'a pas tenu compte d'une prison nouvellement ouverte, etc. L'injustice a duré 24 ans puisque cela date de 2001. Maintenant, les choses vont être rectifiées, on ne sait pas comment. J'attends de voir. La base est-elle maintenant de 1 000 plutôt que de 150, pour prendre une référence chiffrée en termes de personnel occupé? Autant de questions ouvertes pour lesquelles je n'ai pas de réponse. Vous ne les avez pas encore, j'entends bien. On y travaille ardemment.

M. De Smet disait qu'il vous plaignait. Je vous plains davantage, très sincèrement. Quand il s'agit de concertation, en tous cas au niveau de ma zone, il y a zéro concertation. J'ai envie de dire aussi zéro information. C'est parce que je suis parlementaire que j'ai quelques informations. J'ai donc envie de dire police, zéro, Pâques, zéro, parce que dans les accords de Pâques, il n'y a pas un franc.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, de voorbij weken en maanden konden we vaststellen hoe noodzakelijk het is dat de Brusselse politiezones fuseren. Sommige partijen zitten nog in de ontkenningsfase, maar de brede bevolking en het overgrote deel van de politieagenten steunen die beleidsoptie.

Ik zie dat u stappen doet, vooruitgang boekt en communiceert. Dat is noodzakelijk, opdat de burger geïnformeerd is en meestapt in het verdere proces. We wachten nu natuurlijk de teksten af hier in het Parlement.

Voor ons als partij zijn garanties voor de tweetaligheid van de politie alvast heel belangrijk. We moeten dus ook zeker en vast inzetten op de vertegenwoordiging van Nederlandstaligen, zodat de politieke democratische controle gegarandeerd is. Dat beseffen gemeenteraadsleden of bestuurders – en de meeste onder ons oefenen dergelijke mandaten uit – maar al te goed. Bij ons in Brugge staat het thema bijvoorbeeld ook op de agenda van de gemeenteraad, zodat men er de nodige vragen over kan stellen. Kortom, er moet een manier worden gevonden, zodat de Brusselse politiek controle kan uitvoeren op wat er bij de politie gebeurt. Daarop kan echter zeker en vast een antwoord worden gevonden.

Ik heb u niets horen zeggen over de integratie van de metropolitie in de lokale politie, een zijsprong in uw communicatie. Het metronet moet inderdaad veilig zijn, inclusief in en buiten de stations, conform trouwens het regeerakkoord, maar er mag geen dubbel op zijn. Op het moment is er echter onduidelijkheid over wie waar instaat voor de veiligheid.

Tot slot moeten we er ook voor zorgen dat niet een van de 19 burgemeesters in het ene politiecollege de hele boel via een vetorecht kan blokkeren. Ik ben benieuwd naar de manier waarop dat in uw ontwerp omschreven staat. Ik heb er op het moment geen zicht op. Hiermee heb ik al een paar zeer belangrijke aspecten voor uw ontwerp meegegeven; wij zijn in blijde verwachting ervan.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik wil u vooreerst bedanken voor uw heldere antwoord.

Het verheugt mij dat er niks op de lange baan wordt geschoven en dat u binnenkort met een wetsontwerp naar het Parlement zult komen. Hopelijk zullen wij dat ontwerp in het nieuwe werkjaar vanaf september-oktober 2025 hier in de commissie voor Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken kunnen behandelen. Ik kijk alvast uit, net zoals u, naar het debat daarover. U hebt wel al een tipje van de sluier gelicht. The proof of the pudding is in the eating . De concrete teksten zou ik dus wel even onder ogen willen krijgen.

Mijnheer de minister, u zult niet enkel in Brussel maar in alle politiezones niet te veel werk hebben om de geesten in Vlaanderen te kneden. Vlaanderen heeft al de gewoonte om over te gaan tot efficiëntere structuren. U kunt het gerust vergelijken met de fusies van de gemeenten, waarin Vlaanderen veel verder staat dan Wallonië. Ik vrees dat u in Wallonië wel wat werk zult hebben om iedereen te overtuigen van de noodzaak om tot grotere fusies te komen, niet enkel op gemeentelijk vlak maar zeker ook op politioneel vlak.

Het misverstand dat de nabijheidspolitie zou verdwijnen door een fusie, slaat nergens op. De nabijheidspolitie blijft. Ik ben ook blij dat u dat vandaag onderstreept.

Net zoals voor mevrouw De Vreese is de taalwetgeving voor mijn partij van heel groot belang.

Ten slotte geef ik graag mee dat ik in tegenstelling tot de heer Van Tigchelt wel graag klokkenluiders hoor, ongeacht of ze al dan niet anoniem zijn. Signalen moeten steeds ernstig worden genomen. Politieambtenaren hebben soms ook geen andere manier dan een en ander anoniem via open brieven te melden. Er moet minstens geluisterd worden naar de signalen en ze moeten worden onderzocht. Mijnheer de minister, ik hoop dat u dat zult doen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, het is een breed gedeelde zorg, zowel hier in commissie als op het terrein – u gaf toe dat dit in al uw gesprekken met lokale politiebestuurders naar voren kwam – dat de politie nabij moet zijn. U argumenteert dat u daartoe het koninklijk besluit zou kunnen herzien. Ik vind dat zeer voorwaardelijk. Voor mijn partij is nabijheid een voorwaarde om tot de fusie te kunnen overgaan. Ik wil u dus oproepen de processen parallel te doen verlopen. We voeren de fusie uit, maar parallel bouwen we een veiligheid in waardoor de nabijheid gegarandeerd is. Dat kunnen we doen door het koninklijk besluit aan te passen, zoals u zelf zei. Nabijheid is een absolute voorwaarde.

Een ander element van mijn vraag betrof de democratische controle. U sust dat er inderdaad plaats is voor de gemeenteraadsleden. Ik vind die keuze zeer belangrijk, want nu al wordt er te vaak tijdens de vergaderingen van de gemeenteraad in dat verband opgeworpen dat men veiligheidsthema's niet kan bespreken, omdat de bevoegdheid ter zake aan de politieraad toekomt. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang de gemeenteraden deftig vertegenwoordigd zijn in die politieraad. Als de democratie op die manier verzekerd is en de oppositie ook daarin een stem krijgt, kan ik daar perfect mee leven.

We kijken alvast uit naar de teksten. We zullen het project steunen, want voor ons gaat het de goede richting uit.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. De ambitie is duidelijk en u koppelt daar een pak voluntarisme en vooral actiebereidheid aan, wat goed is. U blinkt op dat vlak uit, wat niet kan worden gezegd van al uw collega's in de arizonaregering, waar ik vaak meer twijfel opmerk.

We zullen het dossier goed opvolgen. We hebben in dit land 51.000 politieambtenaren, waarvan meer dan 6.500 in de 6 Brusselse politiezones en we willen die beter inzetten ten dienste van de bevolking. Dat is uw doel en daarvoor verdient u onze steun.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, vous n'avez pas répondu à une de mes questions. Il s'agit de la question relative à l'avis du Conseil d'État qui a été rendu sur la proposition de l'Open Vld. Celui-ci indique clairement que le Parlement bruxellois doit se positionner par rapport à un accord, conformément à l'article 50 de la loi spéciale du 12 janvier 1989. Avez-vous pris connaissance de cet avis relatif à la question de la fusion des zones de police? Avez-vous une réponse concernant cet avis qui est clair?

Par ailleurs, j'entends des collègues s'inquiéter de la représentativité garantie des néerlandophones. Dans l'état actuel des choses, les élus néerlandophones bruxellois ne sont pas représentés dans cette fusion des zones de police. Ainsi, aucun élu néerlandophone ne pourra siéger puisque les collèges, comme vous le voulez, sont représentés par des bourgmestres francophones. Il n'y aura donc pas d'élus néerlandophones. La question de la démocratisation et du débat démocratique n'aura pas lieu.

Avec tout le respect que j'ai pour vous, monsieur le ministre, la question de la sécurité, en tout cas à Bruxelles, relève exclusivement du bourgmestre. Il peut donc y avoir un débat au conseil communal mais il n'est pas obligatoire. Le conseil de police et le Collège de police sont aujourd'hui les seuls à être en droit d'adopter la note d'orientation de la zone de police sur les questions de sécurité. Le conseil de police peut interroger les bourgmestres sur les questions et les orientations de sécurité. En tant qu'ancien bourgmestre, je peux vous dire que j'ai déjà refusé des débats de sécurité au conseil communal. En effet, bien que le conseil communal puisse évoquer l'intérêt général, le bourgmestre a le droit de statuer qu'une question doit être évoquée au sein de la zone de police. Si un élu néerlandophone n'est pas représenté à la zone de police, il n'aura pas le droit de regard et il n'aura pas droit à des réponses sur les questions qu'il aura posées.

Finalement, je reste toujours sur ma faim concernant la question des moyens. Vous êtes favorable à la fusion, mais fusionner sans renforcer le cadre et en conservant le même personnel policier n'apportera pas les réponses en matière de sécurité que vous espérez tant.

Je vous remercie, monsieur le ministre.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'entends tout le travail qui est déjà mené et qui va encore l'être. Le timing est serré, mais votre ambition est de le tenir. Vous avez mis en avant toutes les initiatives de concertation que vous avez prises. Il faut le noter et le souligner.

Notre position est claire et n'a pas changé: nous souhaitons que cette réforme soit entreprise de manière intelligente et de manière concertée. Elle doit représenter une réelle plus-value pour tous les acteurs de terrain et, surtout, pour tous les citoyens bruxellois, qui attendent fort légitimement davantage de sécurité dans leur vie quotidienne.

Pour répondre au collègue De Smet, il faut entendre avec beaucoup d'humilité ce que disent les policiers de terrain. Quand ils disent eux-mêmes que cette fusion est une occasion à saisir pour améliorer leur travail et faciliter l'échange d'informations entre zones, ils font preuve de réalisme et d'optimisme. Il faut donc y travailler intelligemment et ne pas en faire n'importe quoi. À vous de concrétiser ce projet important, monsieur le ministre, et de répondre aux attentes des policiers et des citoyens. C'est nécessaire.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, comme c'est un débat, débattons!

Ik zal later terugkomen op de metropolitie, aangezien ik uw vraag daarover niet heb beantwoord. We moeten voor de basis naar de Spoorwegpolitie (SPC) kijken en daarbij de specifieke kenmerken van het metronet, met name een spoor voor vervoer in de stad, in acht nemen. Nogmaals, de achterliggende idee is efficiëntie. Dat is ons motto.

Concernant les affirmations de M. Legasse, je tiens à souligner ici que je m’insurge et m’inscris en faux par rapport à l’idée que notre ambition est de mettre en place une police autoritaire. Je ne peux pas le laisser dire et j’affirme très clairement que je n’accepte pas ce procès d’intention.

S’agissant des conseils de police et du conseil communal, dès lors que le conseil de police est supprimé, il reviendra au conseil communal de reprendre les choses en main. Si vous affirmez que le bourgmestre ne peut pas être interrogé sur les questions de police, ce n’est donc pas moi qui mets en place des structures autoritaires, mais d’autres personnes. Il faut un contrôle démocratique, il doit être organisé. Le conseil de police est l’émanation de conseils communaux, de manière d'ailleurs peu égalitaire. Je souligne toutefois avec satisfaction votre intérêt pour la défense des néerlandophones à Bruxelles. C’est la ligne que je suis également.

Par rapport aux propos de M. Vandemaele et à la proximité, nous allons en effet revoir l’arrêté royal. Il me paraît toutefois important de noter ici que one size does not fit all . Dans les normes que nous établissons, et dans le travail de réforme de la norme KUL, nous cherchons d’ailleurs justement à être flexibles. On pourrait décider d’établir une norme, par exemple de compter un policier pour 2 000 citoyens. Or, la situation à La Panne n’est pas comparable à celle d’Evere ou de Bastogne. Mes équipes et moi-même essayons donc de mettre en place des réformes qui collent le mieux à la réalité, et qui peuvent être adaptées. Car en effet, il y a des évolutions. M. Legasse parlait de stades de football; prenons l’exemple de la Royale Union Saint-Gilloise qui est passée de provinciale en première division ou d’autres clubs qui ont été déclassés. Nous pourrions aussi penser aux grands festivals qui n’existaient pas il y a 25 ans. J’accepte volontiers la contradiction, car c’est là que l’on peut pêcher de bonnes idées. Mais je souligne que nous cherchons à faire une réforme qui colle au mieux à la réalité et qui, surtout, soit évolutive.

Voorzitter:

U mag zeker nog repliceren, mijnheer Chahid.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, sur le dernier élément, personne ne vous enlèvera que vous essayez de trouver des solutions. Nous ne sommes pas d'accord sur la question de la fusion de zones de police mais je peux vous rejoindre sur un certain nombre d'éléments, tels les inspecteurs de quartiers, repris par ailleurs dans votre note d'orientation.

Quand on a créé les zones de police et qu'on a transféré la question de la sécurité des conseils communaux aux conseils de police, c'est justement pour que le débat ait lieu dans ces instances.

En supprimant le conseil de police, vous faites en sorte qu'il n'y ait plus de débat démocratique entre l'opposition et la majorité. Aujourd'hui, seule la majorité pourra diriger les questions de sécurité sans avoir un contre-pouvoir qui est l'opposition démocratique. Et je vous donne un petit exemple. À la suite des élections communales, dans ma zone de police, il n'y avait pas de conseiller de police néerlandophone dans le conseil de police. Nous avons dû, comme la loi le permet, voter et coopter des conseillers communaux néerlandophones dans le conseil de police, de façon à ce qu'il puisse y avoir cette représentativité et cette garantie linguistique.

Alors, je vous répète qu'on est contre la fusion des polices. La question n'est pas là. Mais, si vous allez vraiment dans cette direction-là, la garantie de la minorité à Bruxelles, telle qu'on l'a voulue depuis la création de la Région bruxelloise, est existentielle et vous ne pouvez pas faire en sorte que tant l'opposition que l'autre régime linguistique ne soient pas représentés dans les instances qui vont décider du budget de la zone de police, de la note d'orientation de la zone de police et des effectifs qui seront dispatchés dans les différentes communes à Bruxelles.

Voorzitter:

Zijn er nog leden die het woord wensen voor een repliek? ( Neen )

De toekomst van het politieonderwijs en de bevoegdheidsverdeling m.b.t. de politiescholen

Gesteld door

Groen Matti Vandemaele

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Vlaamse regering stelde in haar Defensieplan onverwacht voor om politiescholen (inclusief financiering) van federaal naar deelstaatsniveau over te hevelen, hoewel dit niet in regeerakkoorden stond. Minister Quintin bevestigde dat er geen concreet overleg over overdracht was, maar benadrukte wel samenwerking met hoger onderwijs (via pilootprojecten) om de kwaliteit van politieopleidingen te verbeteren, met behoud van federale regie. Vandemaele noemde het Vlaamse voorstel "gebakken lucht", aangezien de federale overheid geen intentie tot overheveling heeft en er geen onderhandelingen lopen. De federale rol blijft centraal, met mogelijke aanpassingen enkel in overleg met vakbonden en gemeenschappen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, wat doen mensen in het weekend? Welnu, ik heb het Vlaams Defensieplan doorgenomen en daarin stonden toch een aantal bijzonderheden. Een van die bijzonderheden is dat de Vlaams regering een overleg met de federale regering wil opstarten om te onderzoeken of en hoe de politiescholen kunnen worden overgeheveld van het federale niveau naar het niveau van de deelstaten, inclusief de bijbehorende financiering. Ik vroeg mij af vanwaar dat plots komt, want dat had ik precies in het regeerakkoord gemist, dat stond er volgens mij niet in, noch in het Vlaams, noch in het federaal regeerakkoord. Wie heeft dat konijn uit zijn of haar hoed getoverd? Ik hoorde u nochtans hier eerder bij de bespreking van de beleidsverklaring verklaren dat het uw ambitie is om het politieonderwijs te aligneren op het hoger onderwijs in ons land.

Mijnheer de minister, was u daarvan op voorhand op de hoogte? Hebt u daarover op voorhand overleg gehad? Of bent u net als ik geschrokken toen u in uw vrije tijd kennisnam van de betreffende passage in het Vlaams Defensieplan?

Acht u het een goede suggestie om het politieonderwijs van het federale niveau naar de deelstaten over te hevelen? Hoe kijkt u daarnaar? Was er al overleg? Komt er een overleg over die ambitie van de Vlaamse regering? Hoe ziet u de rol van de federale overheid in het politieonderwijs?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, het klopt dat ik tijdens mijn beleidsverklaring heb beklemtoond dat politieopleidingen een prioriteit zijn en dat die zullen evolueren. In de periode 2023-2024 hebben enkele politiescholen deelgenomen aan het pilootproject om de samenwerking tussen politieopleidingen en het hoger onderwijs te testen, in samenwerking met de gemeenschappen, die verantwoordelijk zijn voor onderwijs.

Het doel is natuurlijk om de kwaliteit van de politieopleiding te verbeteren, zodat we beter kunnen inspelen op de grote uitdagingen voor onze samenleving waarmee politiemensen dagelijks te maken krijgen.

Ik kan u verzekeren dat het pilootproject een succes is. We zullen die samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs voortzetten in overleg met de bevoegde overheden.

Wat uw vraag over mogelijk overleg met de Vlaamse Gemeenschap over de overdracht van bevoegdheden betreft, kan ik bevestigen dat de enige samenwerking met de gemeenschappen tot nu toe betrekking heeft op de kwestie van beroepsbekwaamheid door middel van een systeem van erkenning van onderwijsprogramma's. In het licht van de rationalisering en de verbetering van de kwaliteit van opleidingen, zijn wij bereid alle mogelijkheden die een positieve bijdrage kunnen leveren aan die doelstellingen, te onderzoeken.

Ten slotte, de federale regering zal ook in de toekomst een centrale rol in de organisatie en het aanbieden van politieopleidingen blijven spelen. Uiteraard zullen wijzigingen steeds in overleg met de verschillende actoren, waaronder de vakbonden, worden aangebracht.

Voor het overige, ik heb geen vrije tijd.

Matti Vandemaele:

Het is jammer dat u geen vrije tijd hebt, mijnheer de minister, en u zult dus niet kunnen ingaan op mijn uitnodiging om snel eens samen naar een voetbalwedstrijd met KV Kortrijk te gaan, zolang de club nog in eerste klasse speelt.

Mijnheer de minister, ik hoor u spreken over de verbetering van de kwaliteit, in samenwerking met het hoger onderwijs. Dat lijkt mij allemaal logisch en ik veronderstel dat niemand daartegen kan zijn.

Wel stel ik vast dat wat in het Vlaams defensieplan staat, gebakken lucht is. Er wordt daarin stoer aangekondigd dat de politieopleiding wordt overgeheveld, maar er heeft daar geen overleg over plaatsgevonden, er zijn geen intenties geuit en het federaal niveau heeft ook niet de intentie om daarop in te gaan. Als diplomaat hebt u mijn vraag mooi en braaf beantwoord, maar de realiteit is dat het gebakken lucht is, meer niet. Dat moet u aan uw Vlaamse collega's misschien eens doorgeven, mijnheer Bergers, want er komt geen overheveling van het politieonderwijs naar het Vlaamse niveau. Dat is in ieder geval een duidelijk antwoord, waarvoor dank, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Vraag nr. 56004350C van de heer Depoortere wordt ingetrokken en verwezen naar de minister van Mobiliteit.

De organisatie van sociale verkiezingen bij de politievakbonden

Gesteld door

DéFI François De Smet

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de afwezigheid van sociale verkiezingen binnen de politiediensten, ondanks vragen van syndicale collectieven zoals *Police Unifying Movement (PUM)*. Minister Quintin bevestigt het standpunt van zijn voorganger: een hervorming is enkel haalbaar binnen een algemene aanpassing van het syndicale statuut voor de hele publieke sector (loi 1974), niet losstaand voor de politie. De Smet kritiseert impliciet de blokkade, maar er komt geen concrete toezegging voor wijziging onder deze legislatuur. Het coalitieakkoord’s defensieve houding ten opzichte van vakbonden blijft een struikelblok.

François De Smet:

Monsieur le ministre, j ’ai été interpellé par un collectif représentant des membres de différents corps de police au sujet de l’organisation d’élections sociales au sein des syndicats policiers.

La loi du 24 mars 1999 organisant les relations entre les autorités publiques et les organisations syndicales du personnel des services de police, actuellement , ne déroge pas au droit commun du secteur public en la matière à savoir la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant desdites autorités.

À cet égard, il n’existe toujours pas d’élections sociales au sein du secteur public.

L’accord de coalition fédérale par ailleurs adopte une posture assez défensive voire hostile aux syndicats.

Votre prédécesseur, Mme Verlinden, avait considéré qu’en la matière une proposition visant à introduire des élections sociales pour les services de police ne pouvait être envisagée que dans un cadre global relatif au droit commun syndical au sein du secteur public.

En conséquence, M. le ministre peut-il me faire savoir s'il a pris connaissance de ce dossier? Dans l’affirmative, une réflexion peut-elle être menée sous la présente législature concernant l’organisation d’élections sociales dans le secteur public, via une réforme de la loi de 1974 et, plus particulièrement, au niveau des services de police?

Bernard Quintin:

Monsieur De Smet, je vous remercie pour votre question sur l'organisation d'élections sociales au sein des syndicats de services de police. Je vous confirme que je suis bien informé de ce dossier. Cette question a été initialement soulevée par le collectif Police Unifying Movement (PUM), qui demande l'adaptation du statut syndical au sein des services de police en vue d'organiser des élections sociales. Ma prédécesseure a d'ailleurs répondu à cette demande dans une communication en date du 16 décembre 2022.

Conformément à la volonté initiale du législateur, il a été décidé d'opter pour une conformité maximale de la réglementation syndicale au sein des services de police avec le droit commun applicable au secteur public.

En conséquence, je me vois contraint de souscrire à la position exprimée par ma prédécesseure, à savoir que la proposition d'introduire des élections sociales dans les services de police ne peut être envisagée sans un débat global sur le droit syndical commun dans le secteur public.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui, à défaut d'être satisfaisante, est très claire.

Het personeelstekort bij de federale politie
De reorganisatie van de federale politie
Herstructurering en personeelsuitdagingen bij federale politie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 24 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de verslechterde veiligheid in België door drugscriminaliteit, onderbemanning (5.500 tekort bij federale politie) en structurele tekorten, terwijl het governement Arizona hervormingen aankondigt (zoals fusie van Brusselse politiezones en inzet van militairen bij kerncentrales) zonder concrete budgetverhogingen. Minister Quintin benadrukt dat analyses lopen en belooft transparantie, maar stelt dat het probleem attractiviteit (niet middelen) is, terwijl oppositie (Thiébaut, Depoortere) directe budgetverhogingen en duidelijkheid eist om vertrouwen en slagkracht te herstellen. De spanning situeert zich tussen beloften over prioriteiten en het ontbreken van tastbare actie, met vrees voor chaos door gebrek aan overleg en onzekerheid bij politiepersoneel.

Éric Thiébaut:

Monsieur le président, monsieur le ministre, la sécurité n'est ni de gauche ni de droite. C'est un droit élémentaire pour chaque citoyen, qu'il habite dans n'importe quelle région ou ville du pays. Malheureusement, aujourd'hui, ce droit n'est plus respecté, n'est plus assuré dans certaines parties de notre pays.

Les faits sont là. Vous avez de la violence et des crimes liés à la montée du trafic de drogue dans les grandes villes. Vous avez des prisons insalubres qui débordent. Vous avez des magistrats qui dénoncent un manque de moyens, qui n'arrivent plus, nous disent-ils, à poursuivre les criminels, et ils ne sont pas entendus par le gouvernement fédéral.

Telle est la situation sur le terrain.

Et, pendant ce temps-là, que fait le gouvernement Arizona? Il propose de réformer des structures. Il propose de fusionner les zones de police à Bruxelles. Il propose de remplacer nos policiers par des militaires pour surveiller les centrales nucléaires. Et, surtout, il fait peser toute la charge de la gestion de la sécurité sur les zones de police et donc sur les villes et communes.

Monsieur le ministre, nos policiers n'ont pas besoin de nouvelles réformes. Ils ont besoin de moyens supplémentaires. Aujourd'hui, il manque 5 500 policiers à la police fédérale, dont 800 enquêteurs spécialisés. C'est énorme! Alors, monsieur le ministre, augmenterez-vous clairement le budget de la police fédérale? Augmenterez-vous les dotations aux zones de police? Quels sont vos engagements pour rétablir la sécurité dans les rues de notre pays?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, u zult het wellicht druk hebben met de fusie van de Brusselse politiezones. Ik wens u daar veel succes bij. Ik hoor positieve signalen van politieagenten op het terrein die wel voorstander zijn van de eenmaking van de Brusselse politiezones.

Vergeet echter ook het grotere plaatje niet. Daarmee kom ik bij de reorganisatie van de federale politie. U weet hoe dat gaat: het is bijna een wetmatigheid dat plannen lekken. Ook deze keer is dat het geval. Er is een plan en een aantal elementen daaruit veroorzaakt grote ongerustheid binnen de politie.

Ik noem er een aantal op. De directeurs-coördinator, die instaan voor de coördinatie binnen de provincies en een interventiekorps onder zich hebben, zouden in de toekomst verdwijnen. Het interventiekorps zou worden overgeheveld naar de algemene reserve in Brussel. De toekomst van de arrondissementele informatiekruispunten is onzeker. Dat zorgt voor ongerustheid bij het personeel, dat geen zekerheid heeft over wat hen te wachten staat. Wat worden hun nieuwe werkomgeving en werkomstandigheden? Er is ook ongerustheid, zoals collega Thiébaut het schetste, bij de lokale politiezones, want ook zij steunen voor een groot stuk voor hun lokale veiligheid op de inzet van de federale politie.

Kunt u hierover duidelijkheid scheppen, mijnheer de minister, niet enkel budgettair, maar ook wat de plannen van de reorganisatie betreft? Zo zullen de mensen op het terrein, zowel de politieagent als de burger, weten waar we voor staan.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, honorables députés, je vous remercie pour vos questions qui témoignent, si quelqu'un en doutait encore, que la sécurité de tous nos concitoyens est autant la priorité du gouvernement Arizona, et la mienne, que celle des parlementaires. Je ne peux à cet égard que saluer votre assiduité sur le sujet.

Zoals bepaald in het regeerakkoord en zoals ik heb bevestigd in mijn beleidsverklaring is het mijn intentie, samen met de minister van Justitie, om de werking van de federale politie te optimaliseren. Via een grote analyse willen we vooral nagaan hoe we de slagkracht en de inzetbaarheid van de operationele diensten structureel en effectief kunnen verhogen.

Op dit moment is het belangrijk om te benadrukken dat er nog geen definitieve beslissingen zijn genomen. We bevinden ons nog in de fase van analyse en overleg. Dat lijkt mij redelijk te zijn na drie maanden in het ambt. Om die reden is het op dit moment nog te vroeg om in detail in te gaan op de concrete invulling of de gevolgen van eventuele hervormingen, dus ook op de impact op het personeel of de rol van de directeurs-coördinatoren.

Ik begrijp de vragen en bezorgheden hierover volkomen. Ik engageer mij dan ook om het Parlement tijdig en op transparante wijze te informeren, zodra er verdere stappen worden gezet of concrete voorstellen worden uitgewerkt.

Comme vous le soulignez, la situation sécuritaire à Bruxelles est l'élément qui justifie cette question d'actualité. Comme le procureur du Roi de Bruxelles l'a mentionné encore cette semaine, 30 enquêteurs ont rejoint, et rejoindront dans les deux semaines, la police judiciaire fédérale de Bruxelles afin de contribuer à la lutte contre le trafic de drogue. Ces mêmes enquêteurs ont d'ailleurs permis des arrestations et des saisies.

Je l'ai déjà dit et je l'ai répété: ma priorité pour Bruxelles et pour toutes les autres villes du pays est que nos villes soient sûres pour leurs habitants, pour celles et ceux qui y travaillent et pour celles et ceux qui les visitent. C'est ce qui guide l'esprit de la fusion des zones de police, qui n'est pas une réforme. C'est une fusion des zones de police qui, certes, demande une réforme de la loi. J’aurai l'occasion d'exposer plus avant, devant ce Parlement, les éléments pratiques que je mets sur la table et qui répondent, entre autres, à des soucis de financement. Il s'agit de la réforme de la fameuse norme KUL à laquelle nous travaillons également.

Les défis se posent partout, tout comme le nécessaire recrutement. À cet égard, je vous confirme que les procédures sont ouvertes, que ce soit à Bruxelles ou dans le reste du pays. Ce n'est pas un problème de moyens. C'est d'abord un problème d'attractivité. Le monde du travail a changé, les attentes du personnel aussi. C'est un élément dont nous devons tenir compte.

C'est un chantier prioritaire de cette législature, que je mènerai avec la détermination nécessaire et en concertation avec les acteurs et les partenaires sociaux, pour tendre partout en Belgique à remplir les cadres policiers existants et à garantir à la population un nombre suffisant d'agents, tant au niveau de la police locale que de la police fédérale. Il ne s'agit pas uniquement d'une question de cadre. Le cadre est suffisant. L'augmentation des moyens humains comme des moyens financiers est une priorité pour ce gouvernement et pour ma propre politique.

Par ailleurs, je tiens à rappeler que le fait de recourir à des militaires pour la surveillance des centrales nucléaires est prévu par l'accord de gouvernement. Cela se faisait jusqu'il y a quelques années encore. En outre, ce n'est en aucun cas une mesure d'économie, car tout se paie à un moment ou à un autre. Pour moi, c'est une mesure de bonne gouvernance, qui me permet de récupérer du personnel, singulièrement de la DAB qui est affectée à ces centrales nucléaires, pour faire le travail d'accompagnement et le travail normal de la DAB. Cela me permet de récupérer des inspecteurs de police, qui peuvent faire d'autres choses que la DAB, pour faire ce travail.

Éric Thiébaut:

Merci, monsieur le ministre. J'ai vu que vous vous êtes souvent rendu sur le terrain depuis votre nomination. Après quatre mois maintenant, vous devez donc être vraiment au fait de la situation, des difficultés, des attentes du monde de la police ainsi que des magistrats. Il est donc aujourd'hui temps d'agir, d'être concret. Or, pour l'instant, vous êtes toujours dans les intentions. Vous parlez d'une priorité du gouvernement. On sait bien que la sécurité est votre priorité, sauf que jusqu'à présent, nous n'avons pas encore vu un seul euro supplémentaire inscrit dans le budget pour notre police fédérale et pour les zones de police. Qu'attendez-vous pour nous dire clairement si, oui ou non, vous allez augmenter le budget?

C'est déjà la troisième fois que je vous pose la question. Vous dites toujours que cela va arriver mais que pour l'instant, vous n'êtes pas en mesure de nous fournir la réponse. Je suis réellement impatient de vous entendre à ce sujet, parce que, comme vous le savez, il y a d'énormes attentes pour garantir notre sécurité.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, veiligheid is een basisrecht. In ons land is het de politie die daarvoor moet instaan. Ik wil u één raad geven. Vermijd de fout die de vivaldiregering gemaakt heeft, waardoor het vertrouwen tussen de regering en de politie volledig zoek was. Dat kwam door een gebrek aan overleg. Zorg dus voor dat overleg. Zorg ervoor dat de politieman en de politievrouw weten waar ze staan, en waar uw plannen voor staan. Een politie die overhoop ligt, kan immers onmogelijk de strijd tegen deze criminelen winnen. Stop dus de chaos en schaf duidelijkheid over uw veiligheidsbeleid. Schep duidelijkheid over uw reorganisatie, zowel voor de politieman als voor de burger.

De financiering van Defensie
De budgettaire plannen inzake defensie
De bijdragen van de deelstaten
De verhoging van het defensiebudget
Het defensiebudget en de NAVO-norm
De geopolitieke ontwikkelingen en het defensiebudget
Het percentage van het bbp dat aan Defensie besteed wordt
Het paasakkoord over Defensie
De weerslag van het paasakkoord op Defensie
De impact van het paasakkoord op de defensiebegroting
Het paasakkoord en het extra defensiebudget
De verhoging van de defensiebegroting
Het defensiebudget
Het defensiebudget, financiering en geopolitieke impact in België

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Belgiës haastige invoering van de NAVO-norm van 2% BBP voor Defensie in 2024, met kritiek op eenmalige, niet-structurele financiering (Russische tegoeden, Belfius-dividend, EU-leningen) en boekhoudkundige trucs (herclassificatie uitgaven). Structurele verankering ontbreekt, terwijl de NAVO-norm waarschijnlijk zal stijgen (naar 2,2%+ in 2029), wat extra druk legt op toekomstige begrotingen. Belangrijkste bezorgdheden: gebrek aan transparantie over bestedingsplannen (4 miljard in 2024), spanningsveld met sociale uitgaven (pensioenen, gezondheidszorg), en samenwerking met deelstaten (Vlaams defensiefonds, mobiliteitsprojecten). Prioriteiten liggen bij personeel, cyberveiligheid, Europese defensie-industrie en dual-use investeringen, maar concrete plannen ontbreken nog.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik begin met het goede nieuws: u hebt een akkoord. Ik feliciteer u daarvoor. Het is goed dat er een traject komt om de 2%-norm te halen en dat er extra wordt geïnvesteerd in defensie. Mijn fractie en ikzelf zijn daarvan voorstander en zijn een partner voor u om dat te verwezenlijken, mocht dat nodig zijn.

Het ronduit slechte nieuws is dat het heel vaak over eenmalige ingrepen gaat, zonder veel structurele financiering. Ik lees dat het gaat over opbrengsten van de Russische tegoeden. Dat is een eenmalige financiële injectie, maar geen structurele financiering. Het gaat over een uitzonderlijk dividend van Belfius van ongeveer 500 miljoen. Opnieuw, dat is een eenmalige financiering, niets structureel. Eventueel zal het gaan over de verkoop van overheidsparticipaties. Ook dat is een eenmalige ingreep, maar er is nog geen idee welke, wanneer en hoe. We zullen misschien wat lenen bij de Europese Unie, maar waarvoor, wanneer en hoe, ook daarover heeft men nog geen idee.

Voorts lees ik – dit is toch opmerkelijk – dat men de uitgaven zal normeren. Ik heb opgezocht wat dat precies betekent. Dat zou betekenen dat we bij andere overheidsdepartementen zoeken naar wat er misschien nog onder het petje van militaire uitgaven kan worden bijgeteld. Dat is niet meer of niet minder dan een boekhoudtruc, waarmee onze krijgsmacht niets is. Ik ben er voorstander van dat we kijken wat er met de gewesten en de gemeenschappen kan worden georganiseerd inzake militaire mobiliteit en investeringen waarvan de Belgische defensie kan profiteren, maar gemaakte uitgaven die al jaar en dag onder een bepaald petje vallen, nu onder militaire uitgaven inschrijven, is een boekhoudtruc waarmee onze krijgsmacht niets is.

Er is dus geen structurele verankering, zelfs dit jaar niet. Er zijn eenmalige financiële injecties voor dit jaar, maar zelfs die volstaan momenteel nog niet om aan 2 % te geraken voor 2025, laat staan voor 2026, 2027, 2028 en 2029. Dan zal immers heel dat circus, heel die carrousel opnieuw moeten draaien.

Mijnheer de minister, ik ben een partner in de zoektocht naar de structurele verankering van de ondergrens van de 2 %-norm voor de financiering voor onze strijdkrachten. ik vind dat bijzonder jammer en bijzonder teleurstellend dat u, nadat u 8 maanden hebt onderhandeld en 11 weken over defensie hebt heronderhandeld, nu met eenmalige injecties, zonder structurele financiering voor de 2%-norm komt, terwijl de geopolitieke situatie, die al bijzonder ernstig was, op ons continent nog veel erger is geworden.

Waar komt de 4 miljard extra voor dit jaar vandaan? Wat is daarvan structureel? Wat is daarvan eenmalig? Wat valt binnen en wat valt buiten de begroting? Graag kreeg ik daarover wat duidelijkheid.

Hebt u op zijn minst al een idee hoe u het in 2026, 2027, 2028 en 2029 zult aanpakken om de structurele verankering mogelijk te maken? Ik zou graag zien dat ook na 2029 de ondergrens van 2 %, die in juni nog zal worden opgetrokken; op zijn minst gehandhaafd kan blijven. Hebt u daarover al nagedacht?

Wanneer zult u naar het Parlement komen met een plan hoe de middelen zullen besteed worden? Ik begrijp dat nog niet alles afgeklopt kan worden. Ik begrijp ook dat uw strategische visie nog niet klaar is. Er wordt echter elke week in de pers een nieuw idee geponeerd, terwijl hier in het Parlement op nog geen enkele manier gesproken is over de 4 miljard. Met 4 miljard dit jaar kan men heel veel doen. We hebben hier in het Parlement nog op geen enkele manier duidelijkheid gekregen waaraan die middelen besteed zullen worden. Hebt u daarvan al een idee? Wanneer zult u met dat plan voor dit jaar naar het Parlement komen?

Ten slotte, ik heb al veel gehoord over de bijdrage van de deelstaten. In het regeerakkoord staat ook dat onderzocht zal worden in hoeverre de deelstaten kunnen betrokken worden. Vlaams minister-president Diependaele heeft al opgeworpen dat zulks niet mogelijk is, aangezien uitgaven voor initiatieven van de deelstaten niet in rekening kunnen worden gebracht voor de NAVO-norm.

Wij weten niet hoe het federaal defensiefonds eruit zal zien, maar de Vlaamse regering heeft wel al een Vlaams defensieplan opgesteld en een Vlaams defensiefonds opgericht. Ik heb de indruk dat de bevoegdheidsniveaus gewoonweg naast elkaar werken, langs elkaar leven. Daarom vraag ik u hoe het zit met de bijdragen van de deelstaten. Wat hebt u aan de deelstaten concreet gevraagd? Wat mogen we van de deelstaten verwachten? Hoe ziet u de samenwerking en coördinatie tussen het Vlaams en federaal defensiefonds? Ik zie op het moment door de bomen het bos niet meer. Men neemt allerhande maatregelen, maar er is op het moment geheel geen structuur. Ik had daarover graag wat duidelijkheid.

Annick Ponthier:

Dank u, mijnheer de voorzitter. Mijnheer de minister, het paasakkoord, waarvan het defensieakkoord een onlosmakelijk onderdeel is, heeft een aantal positieve punten naar voren gebracht. Zonder het over de rest van de inhoud te hebben, wil ik hier even dieper ingaan op de punten die met defensie samenhangen.

Al jaren is het Vlaams Belang er pleitbezorger van om de 2%-norm te halen. Al van toen de heer De Crem minister van Defensie was – waar is de tijd? – pleiten wij daarvoor. Het budget bleef echter alsmaar ongeveer hetzelfde, ook onder minister Vandeput zaten we op 0,97%, als ik me niet vergis.

Het is dus hoog tijd. Dit akkoord wordt geen dag te vroeg voorgesteld. Toch hebben wij, zoals ook de vorige vraagsteller al aangaf, nog heel veel vragen, met name over de invulling van de plannen. We hebben minstens evenveel vragen als het aantal aankondigingen op dat vlak in de media en dat waren er heel wat. Ten eerste, waar blijft het budgettair kader? Daarover hadden we het zonet al tijdens de regeling der werkzaamheden. Als parlementsleden tasten we eigenlijk, buiten de mededelingen in de media weliswaar, in het duister. We vangen allerlei verhalen op, we horen van overzichtstabellen en dergelijke, maar concreet weten we nog altijd niet waar deze regering de aangekondigde 3,9 miljard euro voor dit jaar zal halen.

Daarnet hoorden we premier De Wever in de commissie voor Binnenlandse Zaken. Hij had het over 1,2 miljard euro aan vennootschapsbelasting op de Russische tegoeden, waarvan al meteen 1 miljard euro naar Oekraïne vloeit. We hebben ook gesproken over de dividenden van Belfius voor een bedrag van 500 miljoen euro en dan hadden we het nog over de 2 miljard euro die buiten de EU-begroting wordt gehouden. Daar valt wel wat over te zeggen. U weet dat wij daar geen voorstander van zijn. We vinden het niet correct dat die factuur op de lange baan wordt geschoven, naar de volgende generaties. Ik weet dat minister Van Peteghem dat tot voor kort ook niet correct vond, maar blijkbaar is hij van mening veranderd. Wij denken dat er andere alternatieven zijn om dat budget te halen, niet alleen voor dit jaar, maar ook voor de komende jaren. Wat betreft de structurele uitgaven blijven wij dus op dit moment op onze honger zitten. Het budgettair kader ontbreekt. Dat is een eerste element.

Ten tweede, collega De Vreese heeft het vanmorgen in de commissie voor Binnenlandse Zaken gehad over een topakkoord. Eindelijk wordt de 2 %-norm gehaald. Ik heb haar echter gezegd dat die euforie misschien wel heel kort zal duren, want in juni komt er een NAVO-top aan waar de lat al meteen veel hoger zal worden gelegd. Op dat moment zullen we onze broek dus niet meer zelf kunnen ophouden, om het met de woorden van de eerste minister te zeggen.

Voorzitter:

Kunt u afronden, mevrouw Ponthier?

Annick Ponthier:

Ik vraag u om duidelijkheid te scheppen in de commissie, mijnheer de minister. Wat met de hocuspocus omtrent de andere uitgaven die u aankondigt inzake militaire mobiliteit en andere, wat met de structurele inspanning naar 2029 toe en daarna, en wat met betrekking tot de akkoorden die u hebt gesloten met de deelstaten of die u nog zult sluiten?

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, de arizonapartijen zijn het alvast over één zaak eens: dit jaar moet de NAVO-norm van 2 % gehaald worden. Hoe dat geld er komt of vanwaar het komt, maakt blijkbaar niet zoveel uit. Een deel zou komen uit tijdelijke en eenmalige investeringen, maar het grootste deel daarvan, 2 miljard euro, zou volgens de eerste minister buiten de begroting worden gehouden.

De Standaard publiceerde vandaag een tabel waaruit moet blijken dat er deze legislatuur maar liefst 4,8 miljard euro gewoonweg niet gefinancierd is. We zullen morgen kunnen controleren of dat klopt, wanneer u uw tabellen publiceert.

Wanneer het over pensioenen, het klimaat of ons openbaar vervoer gaat, krijgen we telkens opnieuw te horen dat er geen budgettaire ruimte is, maar voor de structurele aankoop van wapens en gevechtsvliegtuigen gaan alle sluizen open. Is dat nu orde op zaken stellen, zoals de N-VA belooft? De regering raakt het nog niet eens over waar dat geld vandaan moet komen en hoe we die 2 % zullen financieren, maar toch ligt er al een voorstel op tafel om naar 2,2 % van ons bbp te gaan tegen 2029. Men moet zich geen illusies maken, na die 2,2 % komt er 2,3 %, 3 % en wie weet ook de 5 % die Trump vraagt.

Mijnheer de minister, hoe kunt u verklaren dat het voor de structurele aankoop van wapens mogelijk is om dat buiten de begroting te doen, terwijl het onmogelijk is om de pensioenen of de klimaatcrisis aan te pakken of om ons openbaar vervoer te verbeteren? Waar zult u die jaarlijkse structurele budgetten voor defensie eigenlijk halen? Vanaf welk percentage van ons bbp geven wij volgens u genoeg uit aan defensie?

Binnen Arizona stellen de heren Mahdi, Prévot en Vandenbroucke voor om de sterkste schouders mee de factuur te laten betalen. Hoe staat u daartegenover? Kan dat voor u?

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, we nemen een risico door hier nu al een klein debat te voeren hoewel we eigenlijk de bespreking van de beleidsnota en het budget zouden moeten afwachten, maar anderzijds is er een akkoord, dus is het goed dat we hierover toch al een actualiteitsdebat kunnen voeren.

De geopolitieke omstandigheden vereisen dat er inspanningen gebeuren, dat de huidige regering inspanningen levert. De regering heeft dat bij het afsluiten van het regeerakkoord ook al gedaan en heeft een duidelijk traject afgesproken om die 2 % tegen het einde van de legislatuur te halen. Nu worden die ambities nog opgetrokken en nog versterkt. Dat is volgens mij ook noodzakelijk, allereerst om ons defensieapparaat verder te kunnen versterken en ten tweede om solidair te zijn met onze partners in de huidige geopolitiek moeilijke omstandigheden. Eindelijk, zou ik zeggen. Mevrouw De Vreese heeft dat blijkbaar deze morgen ook al gezegd en ik herhaal het.

De ambities van de huidige regering staan toch wel in schril contrast met die van de regering-De Croo, die op dat vlak niet thuis gaf. Er is heel wat tijd verloren gegaan om naar dat heldere traject van 2 % te evolueren. Er bestond een vaag traject tegen 2035, dat aan vele voorwaarden gekoppeld was en budgettair niet hard kon worden gemaakt. Het is dan ook redelijk ironisch dat net nu de collega van Open Vld u hier de les komt spellen.

Mijnheer de minister, ik heb de volgende, heel concrete vragen voor u. Kunt u duiding geven bij het akkoord? Welke opschalingen zullen er met dat extra budget gebeuren, zowel op korte termijn als op middellange termijn, om defensie te versterken? Hoe zult u het Parlement verder bij het traject betrekken? Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, nous ne remettons pas du tout en cause les 2 %. Je l'ai toujours dit: nous faisons partie du parlement de l'OTAN. Les messages sont clairs: il y avait, en effet, un retard à rattraper. Nous sommes donc favorables aux 2 % mais la question est de savoir comment y arriver.

Par le passé, des coupes importantes ont été effectuées sous le gouvernement Michel. La situation était devenue fort compliquée. Ensuite, Mme Dedonder avait peu à peu repris l'investissement. Mais le contexte international actuel nous pousse à atteindre les 2 %, "voire davantage", nous a dit le premier ministre. C'est effectivement le message que nous entendons de certains alliés.

Mais la question que nous nous posons vraiment est de savoir comment les financer?

Le premier ministre vient de dire que nous irions chercher les financements. Il ne faudrait pas trop toucher aux bijoux de famille car si nous les consommons maintenant, nous ne les aurons plus demain. Ce serait de la mauvaise gestion. Différents partenaires de la majorité s'expriment en disant: "Oui pour ceci mais pas cela…" Cela démontre une absence d'entente au sien du gouvernement pour atteindre l'objectif des 2 %.

Je pense aussi , à l'instar de la publication aujourd'hui dans De Standaard – et ce n'est pas le PS qui le dit! –: " Federale Defensie plan komt bijna vijf miljard euros te kort! " Manifestement, monsieur le ministre, notre inquiétude est grande et nous voudrions savoir d'où viendra cet argent et comment cet effort nécessaire sera financé dans la durée.

Je terminerai en indiquant que le premier ministre espagnol – socialiste que notre gouvernement ne considérera pas comme une référence, mais qui pour moi l'est beaucoup – a dit qu'"il atteindrait les objectifs, trouver les milliards nécessaires, sans toucher aux impôts, ni aux dépenses sociales et sans augmenter le déficit public". Il s'agirait, me semble-t-il, de s'en inspirer! Si vous venez avec des volontés d'achat de F-35, je pense qu'il s'agit plutôt d'un mirage!

Axel Weydts:

Beste collega's, ik denk dat het niet veel zin heeft om te verwijzen naar voorgaande regeringen. De afspraak om 2 % van ons bbp te besteden aan defensie dateert al van de NAVO-top van Wales in 2014, tien jaar geleden. Elke partij hier aanwezig heeft dus boter op het hoofd. In een van die regeringen van de afgelopen tien jaar zat ook een Defensieminister van N-VA-signatuur, die ook niet in de richting van die 2 %-norm is gegaan. Ik wil dus oproepen om te stoppen met de discussie over hoeveel vorige regeringen al dan niet hebben geïnvesteerd in defensie. We hebben allemaal boter op het hoofd.

In de discussie over de 2 %-norm zal ik blijven herhalen dat 2 % het middel is. Het doel is dat we meer veiligheid bereiken in ons land en in Europa. De discussie moet veeleer daarover gaan. Wat zullen we exact doen? Waaraan zullen we de extra middelen besteden? Hoe zorgen we ervoor dat ons land terug veilig is, dat ons land terug air defense -systemen kan krijgen, dat ons land de strijdt aanbindt met de hybride oorlogsvoering die tegenwoordig volop bezig is? Voor Vooruit is het belangrijk dat een deel van het beschikbare budget dat nu voor defensie wordt vrijgemaakt, ook geïnvesteerd wordt in het personeel, waarvan we straks een inspanning vragen op het vlak van pensioenen, terwijl er heel veel vragen zijn om het statuut van het militair personeel te verbeteren voor de toekomst. Zullen er alstublieft ook middelen voorzien worden voor een sociaal akkoord daaromtrent?

Mijnheer de minister, ik heb nog een kleine bijvraag over iets wat me een beetje stoort. In de beleidsverklaring lees ik – terecht – dat een en ander gebaseerd zal worden op het NDPP, het NATO Defense Planning Process, dat volop in ontwikkeling is. In de beleidsverklaring lees ik letterlijk dat er ook nieuwe verbintenissen zullen worden aangegaan, die met name voortvloeien uit de capaciteitsdoelstellingen, vastgelegd in het kader van het lopende NDPP-proces. Dan komt de zin waarover mijn vraag gaat: "Defensie is reeds op de hoogte van de gevraagde inspanningen." Uit goede bron weet ik ook dat Defensie daarvan reeds op de hoogte is. Zo werkt het ook, want er vinden gesprekken plaats tussen de NAVO en onze Belgische Defensie, om te bekijken welke capaciteiten wij moeten voorzien. Wat mij een beetje stoort, is dat Defensie daarvan al op de hoogte is, maar dat wij daarover in het Parlement nooit voorafgaand kunnen debatteren. Eigenlijk is dat op zich een debat waard. We moeten dat vandaag niet oplossen, maar die manier van handelen klopt democratisch gezien niet helemaal.

Voorzitter:

Collega François De Smet is afwezig en niet verontschuldigd.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, ik ben tevreden dat we, ook al komt u binnenkort met uw beleidsnota, vandaag al over het budget van gedachten kunnen wisselen, want dat is nodig om de plannen te realiseren. Vandaag zullen we het dus hebben over het resultaat van de onderhandelingen.

Mijnheer de premier, alvast dit, wij staan achter de planning. Waar een wil is, is een weg. We moeten de middelen allemaal samen vinden en we zullen dat ook zeker doen.

De geopolitieke omstandigheden zijn veranderd en we hebben eigenlijk geen andere keuze dan het budget van Defensie heel snel op te schroeven. We zullen die middelen wel vinden, waar dan ook. Dat moeten we ook, want bij de top van Den Haag zal de 2 %-norm al achterhaald zijn. Dat is gewoon de realiteit. De oorzaak daarvan is dat de vorige regering gewoon niks heeft gedaan voor extra investeringen in Defensie, terwijl de oorlog in Oekraïne al meer dan twee jaar bezig is. In godsnaam, dat moest al eerder gebeuren. De arizonaregering is er dus mee bezig, maar dat is uiteraard een heel moeilijke taak. We zeggen niet dat het gemakkelijk is, maar we zijn hier allemaal – ik hoor hetzelfde verhaal van andere collega's – om de middelen te vinden.

Ik luister dan ook graag naar uw antwoord op de vragen over het paasakkoord, mijnheer de minister.

Luc Frank:

Monsieur le ministre, le gouvernement a décidé dans l'accord de Pâques de porter le budget de la Défense au niveau exigé par l'OTAN, soit 2 % du PIB, dès cette année. Il faut nous en féliciter. Je suis d'accord avec le collègue Weydts sur le fait qu'il ne sert à rien de toujours regarder vers le passé. Il est positif que nous ayons pris cette décision.

Cet accord comprend deux volets. L'un concerne le financement de ces 2 % et l'autre porte sur l'utilisation des fonds ainsi rendus disponibles. Pour ce qui est du financement, l'accord doit encore être précisé, notamment en ce qui concerne l'optimisation des actifs, mais cela relève des compétences du ministre des Finances ou du ministre du Budget.

J'ai néanmoins une question à ce sujet. Un certain nombre de dépenses qui ne sont pas prises en compte actuellement dans les dépenses de Défense le seront, afin d'atteindre plus facilement ces 2 %. Cependant, cela ne va pas renforcer nos capacités en tant que telles. Pourriez-vous nous donner des exemples de ces dépenses? A-t-on une idée du montant total des dépenses qui est espéré comme pouvant être pris en compte?

Pour ce qui est de l'utilisation de ces fonds, je tiens à rappeler que Les Engagés accordent une grande importance à la participation de la Belgique aux divers projets européens qui se mettent en place pour le moment. Nous espérons que cette participation fera partie des dépenses prioritaires, afin notamment de combler les lacunes capacitaires identifiées par le livre blanc. Pouvez-vous nous expliquer la façon dont ces objectifs européens seront pris en compte dans les dépenses à effectuer cette année?

D’autre part, avez-vous déjà une idée des équipements ou des munitions qui pourront être achetés cette année et qui pourront être comptabilisés par l’OTAN?

Mathieu Michel:

Monsieur le ministre, je profite de ces deux minutes pour vous dire que j'ai une grande chance – que je partage avec M. Van den Heuvel – d'être à la fois en commission de la Défense et en commission du Budget. Et je pense effectivement, comme vous l'avez rappelé, que toute une série de questions ne se posent pas à vous mais au ministre du Budget. En l'occurrence, il y a les deux questions essentielles de savoir où on va trouver les moyens – cette question sera posée en commission du Budget – mais surtout de savoir à quoi on va dépenser ces moyens.

Alors, je vous ai lu. Vous pensez que la première chose, c'est avoir les moyens. La deuxième, c'est avoir une vision stratégique. Et la troisième, vous l'avez évoquée et j'en suis rassuré, c'est aussi penser au personnel. C'est une préoccupation que je partage avec le collègue Weydts également.

Au sujet des dépenses, je souhaite vous rendre attentif à la vision de mon parti qui est de considérer que la défense ne se limite pas aux dépenses militaires mais aussi à la sécurité intérieure et aux nouvelles formes de guerres, y compris les guerres hybrides. Dès lors, la question essentielle pour nous, au-delà du fait de savoir où nous trouverons les moyens pour honorer ces 2 % d'engagement, est de savoir à quoi vont être dépensés ces montants pour qu'ils soient les plus utiles possible.

Monsieur le ministre, comment compte-t-on répartir ces quatre milliards supplémentaires de dépenses d'ici la fin de l'année 2025, notamment en termes d'achat de munitions, de nouveaux matériels et autres? Peut-on détailler aujourd'hui la répartition des dépenses belges de défense en équipements, opérations extérieures, cyberdéfense et éventuellement protection de sites stratégiques civils? Pouvez-vous nous préciser quelle part de ces dépenses sont consacrées justement à cette sécurité intérieure et avec quelle forme de concertation avec votre collègue Quintin, notamment en matière de cybersécurité et de protection des infrastructures critiques? En ce qui concerne les questions de budget, je les poserai au ministre du Budget.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de voorzitter, ik heb een heel korte vraag.

Zoals de vorige sprekers al hebben aangegeven, leven wij in een andere tijd. Ik ben altijd enigszins verrast door de toon van sommige aanwezigen hier die doen alsof wij in een andere wereld leven. Wij leven niet meer in de jaren negentig of tweeduizend, waarin wij discussieerden over het vredesdividend. Wij leven nu in een totaal andere geopolitieke situatie. Er is ook een zekere urgentie. Het is al opgemerkt, 2014 is tien jaar geleden. Als wij geloofwaardig willen blijven, moeten wij de bijdrage van 2 % absoluut halen.

Er wordt ook beweerd dat die bijdrage concurrentie voor de sociale uitgaven is. Ik wil toch even herhalen dat wij het nu over 4 miljard euro hebben. Dat is 4 miljard euro, maar er komt niet elk jaar 4 miljard euro bij. In de pensioenuitgaven komt er elk jaar 4 miljard euro bij. In 2029 zijn de pensioenuitgaven dus niet 4 miljard euro hoger dan vandaag maar bijna 20 miljard euro hoger. Voor de gezondheidszorg is dat ruim 3 miljard euro elk jaar erbij. In het huidige regeerakkoord is immers de groeinorm voor de gezondheidszorg bewaard.

Eerlijkheidshalve moet ik dus de leden tegenspreken die beweren dat Defensie concurrentie is voor de sociale uitgaven. Dat klopt niet. Het gaat hier om een en-enverhaal, waarover wij ook waken. Het is niet meer dan oprecht dat ter zake de juiste cijfers worden gebruikt.

Belangrijk is wat de heer Michel zich hier in de commissie heeft afgevraagd. Wat zal er met het extra budget gedaan worden? Die prioriteiten zullen wij graag van de minister horen. Wij zullen ze de komende weken horen. Dat is vandaag nog niet aan de orde. Voor ons is de grote uitdaging dat de extra miljarden euro op de juiste manier worden gebruikt. Verder moet ook de rol van de deelstaten de komende weken duidelijk uitgeklaard worden.

Theo Francken:

Merci beaucoup pour toutes vos questions. Je pense qu'il s'agit là d'un débat intéressant et essentiel.

Ten eerste, hier wordt geïnsinueerd dat ik een tabel zou gelekt hebben aan de pers en dat ik dus in die zin het Parlement de primeur zou ontnemen. Ik heb me er zelf in het verleden nogal dik over gemaakt wanneer dat gebeurde. Het zou nogal hypocriet zijn, mocht ik dat zelf doen. Ik heb dat niet gedaan. Daar ben ik heel formeel over. Het komt niet van mij. Ik heb dat niet gelekt naar de pers. Ik doe dat niet. Ik vind dat niet correct. Ik vind dat het Parlement als eerste geïnformeerd moet worden over zo'n belangrijke budgettaire kwestie.

Ten tweede, ik heb gezegd dat de begroting morgen wordt ingediend, volgens mijn informatie waar ik op dit moment over beschik. Dat heb ik gezegd. Ik wil dat nog eens heel duidelijk zeggen. Ik kan me voorstellen dat morgen bij het begin van de plenaire vergadering gezegd zal worden dat de minister van Defensie zei dat het er zou zijn, maar dat men die tabel nog niet gekregen heeft. Volgens de informatie waarop ik op dit moment beschik, als bescheiden minister van Defensie en dus niet als minister van Begroting of als vice-eersteminister of eerste minister, zal dat morgen gebeuren. Mocht het pas vrijdag of maandag of dinsdag gebeuren, dan moet u daarvoor bij de minister van Begroting zijn. U moet daarvoor niet bij mij zijn, want de tabellen die ik moest indienen zijn volledig klaar.

Bonjour à toutes et tous. Avant les vacances de Pâques, le gouvernement a conclu un accord important pour renforcer la crédibilité internationale et la sécurité de notre pays. Il s'agit d'un accord portant sur l'accélération du mouvement de renforcement de notre défense.

L'accord de gouvernement prévoyait déjà une accélération de cinq ans par rapport au programme de gouvernement précédent, dans le sens où l'objectif d'un effort de défense équivalent à 2 % du PIB devait être atteint d'ici la fin de cette législature, en 2029. Compte tenu du contexte géopolitique actuel, il va sans dire que cette mesure est insuffisante.

Dat is hier ook door verschillende collega's gezegd.

C'est pourquoi nous avons pris les mesures nécessaires pour garantir d'atteindre cette norme de 2 % dès cette année.

Wij behoren tot de slechtste leerlingen van de klas. Ook Italië en Spanje deden het niet goed. Spanje heeft vandaag aangekondigd dat het de 2 % zal bereiken. Hoe het die zal financieren enzovoort, laten we daar nog even op wachten. Ze zeggen dat het niet zal gebeuren via besparingen maar alleen door nieuwe belastingen te heffen. Dat wil ik wel allemaal nog even afwachten. Ik meen dat daar ook in Spanje nu nog geen duidelijkheid over is.

Hetzelfde geldt voor Italië. Italië heeft vorige week beslist dat het die 2 % dit jaar wil behalen, net als Spanje. Ik meen dat zo iedereen die 2 % bevestigd heeft, of zo goed als iedereen. Misschien Luxemburg nog niet, maar ik heb begrepen van mijn collega dat men ook daar binnen de regering volop aan het bespreken is om nog voor de NAVO-top een move te doen. We zullen zien hoe dat afloopt.

Dat betekent dus eigenlijk dat wat wij doen echt wel nodig was. Anders zouden we het enige land geweest zijn dat voor de NAVO-Top geen 2 % haalde. Dat zou bijzonder beschamend zijn en het zou alleen maar pijnlijker worden. Dan zou u vandaag heel andere vragen stellen, bijvoorbeeld hoe het in godsnaam kan dat iedereen samenkomt om die 2 % nog dit jaar te behalen behalve wij en of we soms blind zijn. Op welke planeet leeft men dan? Ik meen dat we het juiste hebben gedaan.

Daarmee zal dit land eindelijk voldoen aan een belofte die het ondertussen al meer dan een decennium geleden deed aan onze NAVO-bondgenoten. Dit is de grootste investering in defensie in 40 jaar. Hiermee herstellen we niet alleen de geloofwaardigheid van onze defensie, maar ook de diplomatieke geloofwaardigheid van ons land.

Ce gouvernement veut envoyer un signal clair à la communauté internationale: elle peut compter sur nous! Nous sommes aux côtés de nos alliés et de l'Ukraine, prêts à faire notre part pour assurer la sécurité du monde occidental.

Het gaat om een grote extra inspanning, die voor dit jaar ongeveer 3,9 miljard euro bedraagt. We zullen dat verwezenlijken via extra financiering via ten eerste de vennootschapsbelasting op de zogenoemde frozen assets . Er wordt beweerd dat het om eenmalige inkomsten gaat, maar dat klopt niet, want die belasting wordt al verschillende jaren geheven en dat zou nog enkele jaren kunnen duren. Dat zullen we nog bekijken. Het is natuurlijk ook niet oneindig.

Vervolgens gaat het om extra financiering via een dividend van Belfius, via een juistere normering van onze uitgaven, zodat die worden aangerekend voor de NAVO-norm, en via een tijdelijk hoger tekort. Deze legislatuur zal de schuldgraad evenwel niet stijgen. Een gezonde begroting blijft voor de regering evenzeer een absolute prioriteit.

In verband met de NAVO-top in juni en het traject vanaf 2026 zal de regering in de ministerraad beslissen hoe aan een eventuele – maar hoogst waarschijnlijke – hogere NAVO-doelstelling gevolg gegeven zal worden. We zullen die beslissing afwachten. Er wordt gesproken over 3 % en 3,5 %. Sommigen spreken over 5 %. De vraag is ook welk tijdstraject voor de nieuwe doelstelling zal gelden. De 2 %-norm moest binnen tien jaar na de ondertekening in Wales gehaald worden. Nu zal het akkoord in Den Haag worden ondertekend. Men moet het percentage en het tijdstraject samen bekijken. Er lopen veel onderhandelingen. We wachten de resultaten in juni af.

De minister van Financiën krijgt de opdracht om vóór 1 juli een defensiefonds op te starten, op termijn gefinancierd met publieke activa en private middelen. Dat wordt een instrument dat het mogelijk maakt om strategisch te investeren in hightech, innovatie en industrie. Zo bouwen we mee aan een modern defensie-ecosysteem met oog voor economische groei en werkgelegenheid.

Sinds mijn aantreden als minister van Defensie heb ik aan talrijke vergaderingen op internationale fora deelgenomen. In die vergaderingen en in de pers circuleren verschillende percentages die onder andere de secretaris-generaal van de NAVO en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken naar voren schoven. Wat die percentages gemeen hebben, is dat ze allemaal hoger liggen dan 2 %. Het lijkt me dan ook duidelijk dat de NAVO-norm van 2 % bbp weldra zal worden verhoogd. Daarom zullen we binnen de regering na de NAVO-top in Den Haag bekijken hoe we aan een eventuele hogere NAVO-doelstelling en het groeipad daar naartoe gevolg kunnen geven.

De besteding van die middelen door Defensie zal in eerste instantie worden uitgewerkt in mijn beleidsnota die samen met de begrotingsdocumenten en -tabellen zal worden ingediend in het Parlement. Normaliter zal ik die presenteren in de loop van volgende week of de week daarna. Dat moeten we met de Kamerdiensten bekijken. Daarna zal ik v óór 1 juli een strategische visie voorstellen waarin zal worden toegelicht hoe de bijkomende middelen besteed zullen worden. In grote lijnen zullen de extra investeringen worden gebruikt om de capaciteitsdoelstelling te bereiken die aan België door de EU en de NAVO zijn opgelegd.

Cette vision stratégique sera soumise au Parlement par le biais de la loi de programmation militaire. Les différents dossiers relatifs aux achats seront bien entendu soumis à la commission chargée du Contrôle des achats et des ventes militaires.

Het is evident dat dit een commissie achter gesloten deuren is, maar een aantal andere aankopen zullen gewoon in openbare vergadering worden besproken. Daar is niets mis mee. We hebben straks nog een actualiteitsdebat over de F-35 en er zijn nog andere aankopen, maar u weet dat de prijs, de concurrentie en andere zaken in een besloten vergadering moeten worden besproken. Daarover bestaan er duidelijke regels.

We streven daarbij naar investeringen die een positief effect hebben op zowel de nationale als de Europese economie. Daarnaast zal er ook aandacht zijn voor het personeel, de hoeksteen van onze organisatie. Met de specificiteit van het militair statuut zal terdege rekening worden gehouden om een sociaal akkoord te bereiken met de vakorganisaties.

Het spreekt voor zich dat als de regering beslist om na de NAVO-top te voldoen aan een hoger NAVO-percentage, de minister van Defensie een aangepaste strategische visie aan de ministerraad zal voorstellen. Het zal geen nieuwe strategische visie zijn maar een soort annex. Er komt nu 21 miljard bij, maar als er daar nog bij zou komen, dan zult u mij vragen waarvoor dat extra geld zal dienen. Dan zal ik daarmee naar het Parlement komen en zal dat worden aangepast. Dat zal dan in het najaar zijn.

Ik meen dat we toch beter al met iets komen vóór de NAVO-top, ook wat betreft de strategische visie en het aankoopprogramma. Ik zou kunnen zeggen dat ik alles pas in het najaar zal doen, omdat dat we dan een volledig zicht op het budget zullen hebben, maar ik heb altijd gezegd dat we het vóór 21 juli in de Kamer zouden bespreken en ik zal proberen mij daaraan te houden. Mocht de Kamer daarover een ander oordeel hebben, laat het mij dan weten, dan kan ik mijn mensen een paar versnellingen lager doen schakelen.

Wat betreft de NAVO-norm an sich, zal ik samen met de minister van Begroting aan alle federale en regionale departementen vragen welke lopende en toekomstige uitgaven, inclusief investeringen en dual-useprojecten, onder de NAVO-norm kunnen worden gebracht. Deze oefening kan breder gaan dan louter defensie-uitgaven, maar moet gaan over uitgaven die inzake normering tellen voor de NAVO-norm. De discussie over de NAVO-norm is helder. Er wordt soms gezegd dat het ene land dit en het andere land dat doet, maar het is vrij duidelijk wat men onder de NAVO-norm kan brengen en wat niet. Dat is geen rocketscience.

We zullen in deze oefening ook onderzoeken welke wijzigingen er moeten gebeuren om lopende en toekomstige uitgaven en investeringen te structureren zodat ze wel onder de NAVO-norm vallen. Ik heb van in het begin de opdracht gegeven om nog eens met de luizenkam door alle federale uitgaven te gaan om te bekijken wat we mogelijks kunnen aanrekenen als NAVO-uitgaven. Daar zitten wel dingen tussen.

Er worden vragen gesteld. Als we bijvoorbeeld het kustwachtvliegtuig aankopen – dat zit een ander project – in een aanbesteding of een parallelle tender, kunnen we dat dan aanrekenen als NAVO-uitgave als we daar een defensiestempel op zetten? Dat is natuurlijk een interessante zaak. Dat is voor de kustwacht, maar als we dat militair aankopen, kunnen we dat wel aanrekenen voor de NAVO volgens de definitie.

Ik heb het ook gehad over de pensioenen van de miliciens. Dat is een bedrag van 180 miljoen euro, dat tot nu toe nog nooit werd meegeteld. Dat zouden we wel kunnen doen. Dat is geen extra operationeel budget voor Defensie, maar we moeten proberen dat te laten meetellen voor de NAVO-normering als we 2 % of misschien zelfs nog meer moeten halen en reeds grote budgettaire problemen hebben in dit land. Als we dat niet doen, is dat immers redelijk dwaas. Dus natuurlijk moeten we dat doen. Het is toch evident dat men eerst bekijkt wat we allemaal al doen? Het is immers niet zo dat we geen groot overheidsbeslag hebben in dit land. We geven al redelijk wat geld uit. Dus misschien kunnen we eerst eens bekijken naar wat we kunnen aanrekenen als NAVO-uitgave.

Gaat dat over miljarden? Nee, dat gaat over honderden miljoenen. Dit jaar is het bijvoorbeeld 125 miljoen. Zullen we die hebben? Ja, we zullen die vinden. De komende jaren zal dat wat meer zijn. Zullen we dat proberen te vinden? We zullen dat moeten proberen. We zullen er alles aan doen.

Wat met de regio's? De regio's doen bepaalde dingen die NAVO-aanrekenbaar zijn, zoals enablement . Bij het aanpassen van een brug zodat er diepladers met tanks door kunnen, opdat er oostwaartse mobiliteit kan plaatsvinden, kan het stuk voor de forward mobility aanrekenbaar zijn voor de NAVO-norm. Als een brug versleten is en men wil gewoon een nieuwe brug, dan is dat niet NAVO-aanrekenbaar, want dat heeft niets te maken met de mobiliteit van militaire eenheden. Dat gaat dan gewoon over een versleten brug. De aanpassing van een kaai voor het gemakkelijk laten landen van troepen en faciliteren van troepentransport is als specifiek luik NAVO-aanrekenbaar. De aanleg van een nieuwe kaai voor alle mogelijke containerschepen is dat natuurlijk niet. Het moet wel specifiek met een militaire doelstelling gebeuren. Daarvoor moet er verder worden gepraat, ook met de deelstaten.

Het defensieplan van de deelstaten in Vlaanderen is heel goed. Daar zitten zaken in die NAVO-aanrekenbaar zijn, maar niet alles. Het aankopen van een bedrijf of het inkopen in een defensiebedrijf is niet NAVO-aanrekenbaar. Zo niet zouden we de aankoop van FN Herstal kunnen meetellen en dan zou ons probleem bijna opgelost zijn. Sommige zaken zijn dus NAVO-aanrekenbaar en andere zaken niet. Een defensiefonds dat participaties neemt in start-ups, in scale-ups, in defensiebedrijven, om dat kapitaal te versterken en om ze sterker te maken in het kader van de Europese ontwikkelingen zijn niet NAVO-aanrekenbaar.

Dat neemt niet weg dat men dat moet doen. Ik denk dat het daartoe het geschikte moment is. Dat kan mijns inziens op de lange termijn heel lucratief zijn voor de overheid. Kortom, niet elk debat gaat over de NAVO-aanrekenbaarheid, ook al vormt dat wel het belangrijkste thema.

We moeten twee zaken doen. Ten eerste, we moeten de NAVO-norm halen. We moeten ervoor zorgen dat we dat op een goede manier doen, door met de luizenkam door de uitgaven te gaan en te controleren wat NAVO-aanrekenbaar is. Van welke uitgaven hebben we vroeger niet gezien dat ze dat zijn en die moeten we erbij tellen. Ten tweede, we moeten onderzoeken hoe we onze industrie kunnen versterken. Als initiatieven ter zake NAVO-aanrekenbaar zijn, is dat goed. Als het niet aanrekenbaar is, moeten we dan niets doen? Neen, dat mag ons er niet van weerhouden om nu te schakelen. Er lopen twee parallelle sporen waarvoor de regering duidelijke instructies heeft gegeven aan zowel Jan Jambon als aan mezelf.

De richtlijnen van de NAVO inzake normering zijn duidelijk. De vraag is evenwel of wij in het verleden te conservatief in verband met de normering waren. Daarbij rijst de vraag of regionale uitgaven ook voor de verwezenlijking van de norm kunnen meetellen. De NAVO is daar in haar richtlijnen expliciet over: dat kan niet. Er wordt echter tegelijkertijd in een voetnoot marge gelaten. Dus moeten we dat onderzoeken. Dan gaat het – ik herhaal het – niet over nieuwe uitgaven, ook geen regionale, maar wel over bestaande uitgaven. Voor de NAVO tellen uitgaven van deelstaten, van regionale overheden, niet, maar er is een uitzondering, onder andere in het kader van forward mobility . In die zin zijn er toch nog mogelijkheden. We zijn dat verder aan het onderzoeken en we hebben dat allemaal onder controle. We zijn daar volop mee bezig.

Gezien de algemene dreiging, die door het OCAD werd vastgesteld op niveau 3, het huidige capaciteitstekort van de Directie Beveiliging (DAB) van de federale politie en de wil van de regering om Defensie te betrekken bij binnenlandse veiligheidstaken, onder meer om politiediensten vrij te maken voor de versterking van de strijd tegen criminaliteit, zal Defensie met Binnenlandse Zaken een protocol sluiten vóór 1 mei. We hebben dus nog een paar dagen. Het ligt nu weer bij de diensten van minister Quintin.

Zo kunnen we, in afwachting van het passende juridisch en operationeel kader en de oprichting en de operationalisering van de territoriale reserve, zo snel mogelijk instaan voor de beveiliging van bepaalde gevoelige nucleaire sites. Ook daarover is een akkoord gesloten. Ik zal binnen de kortst mogelijke tijd met een passend juridisch kader komen omwille van de veiligheid en de rechtszekerheid van onze militairen. Ik heb daar gisteren nog lang over vergaderd en dat is vrijwel klaar. Ik zal dat zo snel mogelijk aan de regering voorleggen, waarna ik de tekst als wetsontwerp in het Parlement zal indienen.

Conclusie, het is een compromis. Ben ik chaud om de beveiliging van de nucleaire sites opnieuw over te nemen? Neen. U kent mijn mening daarover. Het regeerakkoord is duidelijk. Ik ben wel heel gevoelig voor de problematiek, onder andere in Anderlecht en gisteren nog in Schaarbeek, en voor het feit dat er bijna geen federale reserve en federale politie beschikbaar is om in Brussel extra ondersteuning te bieden in die probleemwijken. We moeten de minister van Binnenlandse Zaken steunen. Ik heb ook begrepen dat verschillende partijen opriepen om onze militairen niet in Oekraïne in te zetten, maar ze hier de straat op te sturen. We zullen de militairen op de sites inzetten en de taak van politiemensen gedeeltelijk overnemen, zodat die laatsten in Brussel op straat de veiligheid kunnen handhaven. Dat zal vrij snel gebeuren: op 1 juli zullen zij al de beveiliging op de eerste sites op zich nemen.

Er moet tegelijk parallel absoluut een duidelijk inzetkader komen. Dat is bijna klaar en ik zal dat aan de regering voorleggen. De inzetregels zijn immers niet duidelijk en het is heel frustrerend voor onze troepen dat ze dergelijke taken moeten overnemen. De territoriale reserve wordt opgebouwd en uitgebouwd. Vanaf september beginnen we met de jongeren, maar daarnaast is ook de reserve in aantrek. Ook op dat vlak komt er een versoepeling van de regels, bijvoorbeeld inzake leeftijd en medische voorwaarden. Daar zijn we ook mee bezig. Wij zijn dus parallel bezig met een aantal punten.

Mijnheer Vander Elst, nogmaals, ik sta honderd procent achter het Vlaams defensiefonds en wij zullen onderzoeken of initiatieven in dat verband al dan niet NAVO-aanrekenbaar is. Het is echter niet omdat wij zaken zullen doen via de FPIM dat geen zaken via de PMV kunnen gebeuren. Ik heb er helemaal geen probleem mee dat Vlaanderen het licht ziet inzake defensie en naar een meer realistischere koers switcht. Ik zal de eerste zijn om dat toe te juichen. In het verleden waren de exportvergunningen nooit een gemakkelijke kwestie voor Vlaanderen. Wanneer er ter zake enig realisme aan de dag wordt gelegd, is dat goed. Ik ben ervan overtuigd dat de minister-president dezelfde visie is toegedaan. Ik heb een officieel onderhoud met hem gehad. Dat was een van de conclusies.

Mijnheer Weydts, inzake de NDPP’s wil ik er toch even aan herinneren dat ik tijdens de vorige legislatuur specifiek daarover een voorstel van resolutie heb ingediend met het oog op meer transparantie in dat proces en vooral in de uitkomst. Aangezien het daarbij om geheime documenten gaat, kan ik die niet delen hier. Nederland doet dat wel. Wat is echter het punt? Bij het begin van een proces moet worden aangekondigd dat de documenten publiek zullen worden gemaakt in het Parlement. Voor de NDPP’s 2025 zijn wij dus te laat. Dat proces is immers een paar jaar geleden begonnen. Nu zouden wij dus een brief moeten sturen naar de NAVO om te melden dat wij met de volgende NDPP’s zoals Nederland publiek naar buiten zouden komen en transparantie zouden geven aan de Kamer en dus aan alle inwoners van het land. Dat betekent dat ik de komende weken of maanden een brief zou moeten sturen aan de NAVO om te melden dat NDPP 2025 is afgerond en dat wij met NDPP 2029 publiek naar buiten zullen treden. Ik zou dus moeten aangeven dat de NAVO moet weten dat wij een deel publiek zullen maken en in het Parlement zullen bespreken omwille van de transparantie en de democratische controle.

Ik zal inderdaad die brief naar de NAVO sturen. Ik zal proberen consequent te zijn met het voorstel van resolutie dat ik tijdens de vorige legislatuur heb ingediend. Het is niet altijd gemakkelijk om consequent te zijn met voorstellen die men zelf heeft gedaan. Dat is een bijzonder moeilijke evenwichtsoefening. Het is aan de oppositie om een en ander goed in de gaten te houden; zij zal er ongetwijfeld veel plezier aan beleven om een en ander onder mijn neus te duwen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. U hebt nog eens goed uiteengezet dat alle NAVO-partnerlanden de 2 %-norm zullen halen. Wie nu nog denkt dat dat voor ons te veel of overbodig is, of dat we in andere zaken moeten investeren, hallucineert volgens mij. We moeten mee.

Dat moet weliswaar op een structurele manier gebeuren en daaromtrent blijf ik wat op mijn honger. Ik weet dat ik wellicht de beleidsnota en de tabellen moet afwachten om te bekijken waar precies de financiële middelen naartoe gaan en vanwaar ze zullen komen. In de opsomming die u maakt, hebt u het over de Russische tegoeden. Die zullen nog wel een aantal jaren lang een bron van inkomsten zijn. Dat klopt zeker, maar dat zijn geen structurele middelen waarop u kunt rekenen, waarop u kunt bouwen, waarmee u de strategische visie die u plant, kunt uitwerken voor de komende vijftien tot twintig jaar. Dat gaat gewoon niet. Er moet dus meer werk gemaakt worden van een structurele financiering en op dat vlak blijf ik echt op mijn honger.

Wat het NDPP (NAVO-defensieplanningsproces) betreft, heb ik ook een mondelinge vraag ingediend, maar die komt vandaag wellicht niet aan bod, aangezien die helemaal onderaan de agenda staat. Ik ben blij dat u een stap zet naar openheid en transparantie in het Parlement. Dat vind ik een goede zaak, waarvoor ik zeker applaus wil geven. Wat de financiële middelen en de structurele verankering betreft, kijk ik uit naar de beleidsnota, maar ik vrees voor heel veel eenmalige ingrepen. Volgens het regeerakkoord zou ons land opnieuw een modelbondgenoot binnen de NAVO worden en het paasakkoord spreekt over een solidaire bondgenoot, maar zonder structurele financiële verankering vrees ik dat we financieel niet solidair genoeg zullen zijn, waardoor we op dat vlak nog steeds een ongeloofwaardige bondgenoot zijn. Hopelijk worden we deze legislatuur ten minste een structurele bondgenoot, maar daarvoor kijk ik uit naar uw beleidsnota.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, dank u voor uw uitgebreide en gedetailleerde antwoord.

Het moet worden gezegd, onze geloofwaardigheid op internationaal vlak staat op het spel. U weet dat ongetwijfeld. Dat we die 2 %-norm behalen tegen de NAVO-Top in Den Haag in juni lijkt me een zekerheid. Die vraag is dus niet aan de orde. De manier waarop die norm wordt bereikt, is natuurlijk wel een vraag. Op dat vlak blijven we op onze honger.

U hebt de middelen voor dit jaar toegelicht. Daarvoor wordt de trukendoos bovengehaald. Ik heb het al gehad over de EU-middelen die buiten de begroting zullen worden gehouden. U zegt dat de schuldgraad deze legislatuur niet zal stijgen, maar dat is natuurlijk pertinent onjuist. Dat weet u ook. De schuldgraad wordt opgebouwd doordat u die 2 miljard uit de begroting houdt. Zo bouwt u schulden op voor de toekomstige generaties. Nochtans is dat iets waarvan deze regering initieel gezegd had dat ze het niet zou doen. Op dat vlak stelt u dus wel teleur.

Een tweede vraag die we ons moeten stellen, is waaraan het geld wordt uitgegeven. We wachten uw beleidsnota natuurlijk af, maar ik vind dat we onze eigen veiligheid moeten vooropstellen: onze cyberveiligheid en de beveiliging van onze kritieke infrastructuur. Dat lijkt me echt wel een dringende nood.

U zegt ook dat u met een luizenkam door de overheidsuitgaven wil gaan. U kent onze voorstellen ter zake. Wij pleiten voor het besparen op onze EU-bijdrage. We moeten korting bedingen op dat vlak. Nederland probeert dat te doen door te onderhandelen. Wij hebben het ook over besparen op ontwikkelingshulp en dergelijke, en over een efficiëntere overheid. Op dat gebied is er nog wat werk aan de winkel de komende jaren. We volgen dat zeker op.

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, u hebt al duidelijk gemaakt dat we morgen dan toch geen begrotingstabel mogen verwachten. Hopelijk krijgen we die dan volgende week. Het debat ging eigenlijk vooral over de vraag waaraan we ons defensiebudget willen spenderen. Ik heb die vraag bij verschillende fracties gehoord. Kopen we veel munitie aan? Gaan we voor die 35 extra fregatten luchtafweergeschut? Willen we ook investeren in personeel? Daarvan ben ik zelf voorstander.

We hebben de vakbonden hier in onze commissie gehoord. De lonen zijn bijzonder laag voor de uren die worden geklopt en de werkomstandigheden zijn absoluut ondermaats. Dus ja, we moeten investeren in het personeel van Defensie. Waar moet dat geld evenwel vandaan komen? Dat is de vraag die u moet beantwoorden en die u nog altijd niet kunt beantwoorden. Waar denkt u die miljarden te halen? U wilt die onder meer halen bij het personeel van Defensie. Onder uw ministerschap zal het personeel van Defensie langer moeten werken voor een lager pensioen. Dat zijn de feiten.

U schrijft op uw sociale media: "Defensie is business." Ik geef u gelijk, Defensie is big business. De winstmarges van Rheinmetall gaan door het plafond. Die zijn fenomenaal, tot zelfs 1.850 %. Dat zijn ook de krachten die hier spelen. De industrie speelt hier op ons in om de sluizen open te zetten voor Defensie. Er is bijna geen concurrentie. Het kan niet op. Die kracht speelt hier en dat voelt men, maar het is een kracht waartegen wij zullen vechten.

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, ik wil eerst ingaan op het laatste punt van collega Tonniau. Het is belangrijk om na te gaan hoe we onze eigen industrie hierin kunnen betrekken. Dat is ook goed voor alle arbeiders die in die fabrieken werken. We moeten niet alleen kijken naar wat er internationaal geïnvesteerd moet worden – wat moet er in Frankrijk of Amerika worden geïnvesteerd – maar moeten ook proberen na te gaan hoe onze eigen Vlaamse, Waalse en Brusselse industrie daar ook van kan genieten en hoe ook de medewerkers die in die industrie werken, daarvan kunnen genieten.

Mijnheer de minister, proficiat met uw stevig akkoord. Het is belangrijk dat de regering een stevige versnelling plaatst om Defensie op te schalen en dat we op die manier ook aantonen dat we solidair zijn in internationaal verband, waar we achterophinkten met al onze budgettaire beperkingen. Het is dus goed dat die inspanning gebeurt.

Er moeten nog verder worden uitgeklaard hoe dat allemaal kan worden geconcretiseerd en hoe dat structureel kan worden verankerd. Voor mij als voorzitter is het wel van belang om de betrokkenheid van het Parlement te kunnen garanderen met een deftige bespreking van de beleidsnota gekoppeld aan het budget, met een actualisatie van de strategische visie, met een aanpassing van de militaire programmeringswet, met concrete dossiers die in een besloten commissie besproken worden en met wetsontwerpen. Kortom, collega's, ik denk dat er ook voor ons de komende maanden nog heel wat werk op de plank ligt en ik kijk uit naar een goede samenwerking.

Philippe Courard:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos nombreuses réponses. Toutefois je reste sur ma faim concernant la problématique du financement. Je suis inquiet. Où trouvera-t-on cet argent? Comme indiqué dans l'article, il est question de 5 milliards de trop. Comptabilise-t-on les 4 milliards nécessaires à l'allongement de carrière des militaires? Car la traduction claire de cet allongement de carrière engendrera un certain coût pour la Défense.

Je suis aussi inquiet pour la défense européenne. Certes, le discours est clair, mais comme il est question de racheter des F-35 aux é tats-Unis, mettrons-nous véritablement l'accent sur cette défense européenne?

Vous avez évoqué la nécessité et l'importance d'une santé budgétaire, et cela fait partie des points d'attention du gouvernement. Cependant, j'ai malgré tout l'impression que ce sera la classe moyenne qui devra casquer pour atteindre les objectifs précités, et c'est ce que je déplore.

Axel Weydts:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw omstandige antwoorden. Ik vond het heel interessant. Vooruit is heel blij dat er ook middelen zullen worden besteed aan het statuut van het personeel. We weten allemaal wat er moet gebeuren. De vragen van de vakorganisaties zijn zeer duidelijk. Het is dus een heel goede zaak dat we ook in die richting kijken en dat een groot deel van het voorziene extra budget voor Defensie ook naar het personeel kan vloeien. Men mag capaciteit aankopen zoveel men wil, maar zonder gemotiveerd personeel om dat te bedienen, staat men nergens.

In datzelfde kader ben ik het ook volledig met u eens dat er zo snel mogelijk een juridisch kader moet komen voor de inzet van de militairen bij statische bewakingsopdrachten. Laten we de frustratie die al heel lang leeft, zo snel mogelijk wegwerken. Ook de oprichting van de territoriale reserve zal een belangrijke zaak zijn. Ik weet dat u dat niet van vandaag op morgen kunt oprichten. Het zal tijd vragen, maar zal ook belangrijk zijn.

Ik ben ook heel tevreden met het feit dat er meer transparantie komt richting het NDPP (NATO Defence Planning Process), wat heel belangrijk is voor het Parlement en onze democratie. Er kunnen ook zaken achter gesloten deuren worden besproken. Als zaken niet vatbaar zijn om openbaar te worden gemaakt, dan kunnen we in dit Parlement democratische transparantie bieden achter gesloten deuren.

Darya Safai:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het geld dat we in Defensie pompen, is niet per se verloren geld. We kunnen daar ook veel uithalen. Investeren in onze Defensie zal ook geld opbrengen, evenals werkgelegenheid. Het is een goeie zaak voor onze economie.

Diplomatie is vandaag niet meer genoeg om een relatie met andere landen op te bouwen. Autocratieën, zoals Rusland en Iran, werken niet meer alleen via diplomatie. De actualiteit duwt ons richting een sterkere Defensie, zodat we onszelf kunnen verdedigen.

Volgende week zetten jullie deze debatten voort. Spijtig genoeg zal ik er dan niet bij zijn. Ik ga met het NAVO-parlement naar Turkije voor een rapport over Iran en de nucleaire ambities van Iran. Dat is enorm belangrijk. Ik wil gewoon benadrukken dat we de budgetten moeten opschroeven en klaar moeten zijn voor een wereld die heel sterk aan het veranderen is.

Luc Frank:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour toutes vos réponses.

Pour mon groupe, l'augmentation du budget de la Défense est un signal fort adressé à la population, à nos alliés, à nos partenaires, mais aussi – et c'est là un élément essentiel, selon moi – à nos agresseurs, parce que nous sommes agressés chaque jour. La Belgique respecte enfin ses obligations internationales et répond aux bouleversements géopolitiques de ces dernières années ainsi qu'aux ambitions de puissances agressives. Par ce biais, la Belgique met en place une réelle capacité de défense qui doit lui permettre de mieux participer à la défense territoriale du continent européen et, partant, de notre propre terre.

Par le biais de l'OTAN, cela doit mener à la constitution d'un pilier européen solide au sein de cette alliance ainsi qu'au développement de l'autonomie stratégique européenne. C'est pourquoi ce nouveau budget va servir à reconstruire nos capacités militaires et à créer celles que nous partagerons avec nos alliés européens. Dans l'immédiat, il faut faire fonctionner ce dont nous disposons, compléter nos équipements et acheter suffisamment de munitions pour pouvoir se défendre.

Mathieu Michel:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses ainsi que pour l'énergie que vous consacrez à la réalisation de cet objectif de 2 %. En fin de compte, l'essentiel est de savoir à quoi nous allons dépenser cet argent. Merci aussi pour vos explications quant aux dépenses éligibles au niveau de la norme OTAN. Vous avez souligné qu'outre les dépenses actuellement éligibles, il faut entamer une réflexion sur d'autres types de dépenses telles que les investissements dans des start-up de défense et autres. Il s'agit là, selon moi, d'un élément essentiel.

Je pense qu'on peut également s'interroger sur les positions que la Belgique prend au sein de l'OTAN et sur l'attention à accorder au caractère évolutif des guerres. La guerre d'hier n'est pas celle de demain, et c'est dès aujourd'hui qu'il faut investir dans les guerres à venir, et ce, en matière d'intelligence artificielle, de cybersécurité ou encore de manipulation des fausses informations. Dès lors, il est plus que jamais essentiel d'investir dans la guerre du futur et de ne pas se laisser distraire par les dépenses d'hier. Je vous invite donc à prendre conscience que la menace évolue et que la guerre de demain ne sera certainement pas celle d'aujourd'hui.

Koen Van den Heuvel:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Het is heel duidelijk dat we voor de geloofwaardigheid van ons land absoluut die 2 % moeten behalen, gelet op de geopolitieke context.

Voor ons is het ook belangrijk dat het geld op de juiste manier wordt besteed. We kijken dus uit naar de volgende weken. Wat telt, is dat het op een efficiënte manier gebeurt. Dat wil zeggen: zoveel mogelijk via Europese samenwerking, die moet worden versterkt.

Dual-use is eveneens een absolute prioriteit voor ons. Zoals daarnet gezegd, moeten we de deelstaten zoveel mogelijk betrekken bij deze uitdaging.

Voorzitter:

Dank u wel. Daarmee is dit actualiteitsdebat afgerond.

De politieke gevangenen in Cuba
Cuba en de lijst van landen die terrorisme steunen
De rol van België in het faciliëren van geldtransfers naar Cuba
België, Cuba, mensenrechten en internationale sancties

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België bevestigt ernstige zorgen over mensenrechtenschendingen in Cuba, waaronder 1.148 politieke gevangenen (nov. 2024), marteling, medische verwaarlozing en onderdrukking van opposanten, maar ontkent kennis van geblokkeerde gevangenisuitkeringen. Het land kritiseert Cuba bilateraal en via de EU (o.a. in de jaarlijkse mensenrechtendialoog) en verwerpt het Amerikaanse embargo als contraproductief, terwijl het alternatieve betalingssystemen steunt om de humanitaire impact te verzachten. Cubaanse diaspora en NGO’s (Prisoners Defenders, HRW) benadrukken systematische repressie, maar België houdt vast aan constructieve dialoog met Havana. Boukili linkt het embargo aan Amerikaanse hypocrisie (vs. wapenleveringen aan Israël) en pleit voor EU-actie tegen de ‘terrorisme-listing’, die de Cubaanse economie verstikt.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, naar verluidt telt Cuba sinds 11 juli 2021 meer dan 1.800 politieke gevangenen, waaronder activisten, opposanten van het regime, kunstenaars en journalisten. Er wordt melding gemaakt dat een aanzienlijk deel van hen wordt gemarteld in de gevangenis. Zo zouden 650 gevangenen lijden aan medische aandoeningen die veroorzaakt en/of verergerd zijn door mishandeling in de gevangenis.

Mijnheer de minister, ik heb een aantal vragen voor u.

Naar verluidt zouden gevangenen in Cuba recht hebben op een gevangenisuitkering, maar deze wordt systematisch geweigerd aan politieke gevangenen. Klopt deze informatie? Hebt u informatie over onderdrukking van opposanten van het regime door de Cubaanse autoriteiten?

Hebt u informatie over martelingen, mensonwaardige omstandigheden en het niet of onvoldoende toedienen van medicatie aan politieke gevangenen in Cubaanse gevangenissen?

Zijn de schendingen van mensenrechten door de Cubaanse autoriteiten besproken op internationaal niveau? Zo ja, welk standpunt werd er ingenomen door de Belgische regering?

Hebt u hierover contact gehad met uw Cubaanse ambtgenoot of met de Cubaanse ambassadeur? Wat was de inhoud van de gesprekken?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, dans ses derniers jours en tant que président des États-Unis, Joe Biden a annoncé le retrait de Cuba de la liste des "États soutenant le terrorisme" du Département d’État américain, annulant ainsi la décision de Donald Trump qui avait inscrit Cuba sur cette liste en 2021. On connaît tous les positions de M. Trump qui ne sont pas toujours mesurées. Pourtant, dès son premier jour en fonction, le nouveau président américain a immédiatement rétabli cette désignation, revenant sur la mesure prise par son prédécesseur moins d’une semaine auparavant.

L'objectif de cette désignation est clair: durcir la répression économique contre Cuba, augmenter les sanctions et l'isolement économique du pays qui dure depuis plus de 58 ans pénalisant davantage les familles cubaines. Elle s'ajoute à un ensemble de sanctions unilatérales sur une île déjà soumise à un blocus meurtrier qui a conduit à de multiples crises humanitaires. En plus de son impact direct, cette désignation a des effets indirects graves, ostracisant Cuba du commerce mondial et entraînant des pénuries de biens essentiels.

Chaque année, tous les pays votent une résolution destinée à lever complètement ce blocus meurtrier. Tous? Non, pas les USA et Israël! Ces deux pays s'y sont encore opposés en octobre de l'année dernière contre la volonté de 187 pays.

Dans ce contexte, nous souhaiterions poser les questions suivantes: la Belgique envisage-t-elle d’agir au sein de l’Union européenne pour présenter un front uni contre cette désignation et plaider pour son retrait, en soulignant les effets dévastateurs de cette politique sur les familles cubaines et la population civile en général? Car, monsieur le ministre, ces sanctions économiques extraterritoriales imposées par les USA ont un impact considérable sur les relations commerciales et financières entre l'Europe et certains pays ciblés tels que Cuba.

Ces restrictions limitent notamment les possibilités de transfert de fonds vers ces pays y compris par des ressortissants vivant en Europe ce qui aggrave l'isolement économique de leur famille restée sur place. En réaction, certaines initiatives européennes ont vu le jour comme INSTEX, un mécanisme de troc destiné à faciliter les échanges commerciaux sans passer par le dollar ou le système bancaire américain.

Dans ce contexte géopolitique complexe, la Belgique, en tant que membre actif de l'UE, pourrait jouer un rôle important. Quelles mesures pourrait-elle soutenir pour faciliter la mise en place de systèmes de paiement alternatifs comme INSTEX afin de contourner les restrictions imposées par les USA et permettre, entre autres, l'envoi de fonds des ressortissants cubains vivant en Belgique vers Cuba réduisant ainsi les conséquences de l'isolement économique désastreux?

Maxime Prévot:

Mevrouw de voorzitster, mevrouw Samyn, ik deel uw bezorgdheden omtrent de situatie van de gevangenen in de Cubaanse gevangenissen. Zoals u weet, verspreiden de Cubaanse autoriteiten geen informatie hieromtrent. Dat leidt ertoe dat mijn diensten voor indicatieve gegevens aangewezen zijn op het werk van lokale organisaties.

Volgens het recentste rapport van de ngo Prisoners Defenders werden er in november 2024 nog 1.148 politieke gevangenen vastgehouden in Cubaanse gevangenissen. Via mijn diensten op het hoofdbestuur en onze ambassade ter plaatse, volgen wij de situatie nauwgezet op. Mijn diensten zijn niet op de hoogte van de gevangenisuitkering waarnaar u refereert.

De mensenrechtensituatie in Cuba baart ons zorgen, net daarom is het belangrijk om met de autoriteiten in gesprek te blijven. België stelt zich constructief, maar kritisch op in onze contacten, zowel tijdens bilaterale gesprekken met Cuba als in multilaterale fora, waarbij we systematisch het belang benadrukken van het waarborgen van de eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat.

Ik herinner eraan dat ons land tijdens het laatste universele periodiek onderzoek van Cuba in Genève in 2023 vier aanbevelingen heeft geformuleerd over de vrijwaring van het recht op vrije meningsuiting en vreedzame bijeenkomst, de verdere inperking van de vrijheid van meningsuiting, de bescherming van journalisten en het geweld tegen vrouwen in het land. De Cubaanse autoriteiten hebben alleen de vierde en laatste aanbeveling aanvaard.

België is ook actief op Europees niveau. Onze actie past binnen het optreden van de Europese Unie en ons land dringt er bij de EU op aan om onze bezorgdheid over de mensenrechten onder de aandacht van de Cubaanse autoriteiten te brengen, met name via de jaarlijkse mensenrechtendialoog. De laatste vond plaats op 23 en 24 november 2024 in Havana. In 2025 zal deze opnieuw plaatsvinden.

Monsieur Boukili, notre pays avait salué la brève suppression par l'administration Biden du placement de Cuba sur la liste des pays parrainant le terrorisme et regrette la décision de l'administration Trump de revenir en arrière.

En effet, la position de la Belgique sur l'embargo américain et la présence de Cuba sur la liste des sponsors du terrorisme est claire et identique à celle de l'Union européenne. Les effets extraterritoriaux des sanctions unilatérales sont contreproductifs, contraires au droit international et constituent un risque majeur pour les investissements européens. Ils sanctionnent les entreprises belges et européennes qui coopèrent avec Cuba sur la base de leurs intérêts économiques basés aux É tats-Unis. Nous exprimons d'ailleurs régulièrement cette opinion lors de nos discussions avec les É tats-Unis à Bruxelles, Washington, New York ou Genève.

La Belgique ainsi que tous les autres É tats membres de l'Union européenne et la quasi-totalité des membres de l'ONU s'opposent également au blocus économique de Cuba et le condamnent officiellement chaque année au sein de l'Assemblée générale des Nations Unies en votant pour la résolution annuelle sur la nécessité de lever le blocus économique, commercial et financier imposé à Cuba par les É tats-Unis d'Amérique. Pour faire face aux différentes sanctions économiques imposées par les É tats-Unis, les autorités cubaines ont élaboré plusieurs systèmes de financement alternatifs tandis que la population cubaine fonctionne majoritairement par l'intermédiaire de circuits financiers parallèles et de tiers pour transférer des fonds à Cuba.

Enfin, il n'existe pas en Belgique de restriction particulière sur l'obtention de visas spécifiques aux citoyens cubains. Le nombre élevé de refus de visa – essentiellement à but touristique – est le résultat de statistiques élevées de citoyens cubains qui demandent l'asile une fois arrivés à destination. Votre question relève néanmoins de la compétence de la ministre chargée de l'Asile et la Migration.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw bezorgdheid.

Ik krijg wekelijks mails van mensen uit de Cubaanse diaspora die hun bezorgdheid over de situatie in Cuba uiten en de repressie van het Cubaanse regime tegen opposanten. U hebt zelf verwezen naar het rapport van Prisoners Defenders en het rapport van Human Rights Watch. Die organisaties rapporteren over de aanhoudende mensenrechtenschendingen in Cuba, met name tegen politieke gevangenen en activisten. In de rapporten ziet men een patroon van willekeurige arrestaties en oneerlijke processen, de slechte gevangenisomstandigheden, repressie van vreedzame opposanten van het regime en een trend van systematische onderdrukking in Cuba.

Uit uw antwoord verneem ik dat u in gesprek bent met de Cubaanse autoriteiten en dat u zich daarbij constructief, doch kritisch opstelt. Dat stemt me tevreden. Ik reken op uw blijvende engagement om de Cubaanse autoriteiten op de vingers te tikken en bij hen het belang van de mensrechten te blijven aankaarten. Alvast bedankt daarvoor.

Nabil Boukili:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses claires et précises, qui confirment la position de la Belgique dans les instances internationales, ainsi que l'absurdité de la politique américaine, surtout la position de M. Trump contre le peuple cubain. Je rappelle que ce blocus est meurtrier, qu'il empêche Cuba d'avancer, d'évoluer. S'il était appliqué chez nous, nous ne tiendrions pas 48 heures et notre économie serait à genoux. Je tiens ici à exprimer tout mon soutien et ma solidarité avec le peuple cubain dans sa lutte contre ce blocus, depuis plus de 58 ans. Je voudrais surtout rappeler que cette politique agressive américaine contre le peuple cubain n'est pas du tout motivée par les soi-disant défenses des libertés ou des droits de l'homme. C'est de la foutaise, parce que ce même pays qui impose le blocus contre le peuple cubain envoie plus de 20 milliards d'armes à l'État d'Israël, qui massacre le peuple palestinien. Si les motivations sont la défense des droits humains et du droit international, les États-Unis se trompent complètement de cible et ces sanctions devraient être appliquées à un pays responsable de génocide et pas à un peuple qui lutte pour sa liberté depuis plus de 50 ans.

De aanwezigheid van de Syrische interim-president Al-Sharaa op een donorconferentie in Brussel
De politieke situatie in Syrië en de Europese steun in dat verband
De interim-grondwet in Syrië
De slachtpartijen in Syrië
Europese betrokkenheid bij de Syrische politieke crisis en mensenrechtenschendingen

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om kritiek op EU-steun aan Syrië’s islamitische interim-regering onder Al-Sharaa, die via een tijdelijke grondwet een sharia-gebaseerde staat nastreeft en massa-executies pleegt tegen minderheden (o.a. alawieten, christenen). België/EU verdedigen hun 5,8 miljard euro steun (waaronder 18 miljoen van België) als noodzakelijk voor humanitaire hulp en transitie, maar critici (Safai, Samyn) waarschuwen voor financiering van een nieuw islamitisch regime (vergelijkbaar met Iran) en eisen strengere voorwaarden, zoals mensenrechtengaranties en uitsluiting van terroristen. Boukili benadrukt voorzichtigheid, terwijl de minister juridische stappen en monitoring belooft om straffeloosheid tegen te gaan.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, Ahmad al-Sharaa, de voormalige Al-Qaedastrijder en militieleider, kan misschien zijn kleren verwesteren, maar zijn ideologie en politieke overtuiging blijven geïnspireerd door de sharia.

Al-Sharaa, die Kaja Kallas, de Hoge Vertegenwoordiger van de EU voor Buitenlandse Zaken, de hand niet wilde schudden omdat ze een vrouw is en die aan vrouwen vraagt om zich te bedekken als ze met hem op de foto willen, is een islamist. Een islamist discrimineert niet alleen vrouwen, maar ook religieuze minderheden. Hij stuurde zijn gemaskeerde milities naar de gebieden waar de alawieten wonen. Die milities maken geen onderscheid tussen ongewapende aanhangers van Assad en onschuldige ongewapende alawieten. Net zoals IS de Jezidi's en christenen vermoordde, zijn nu de alawieten het slachtoffer van blinde haat. Minstens 300 alawieten werden reeds geëxecuteerd en er zouden in totaal al meer dan 800 alawieten zijn vermoord. Video's van deze gruweldaden worden verspreid om nog meer terreur te zaaien. Ook heeft hij in de grondwet nu verankerd dat het land binnen vijf jaar een islamitisch bewind zal krijgen.

De Europese Commissie maakte bekend dat de Syrische interim-president al-Sharaa is uitgenodigd voor een donorconferentie in Brussel op 17 maart. De EU veroordeelde de aanvallen van de regeringstroepen, maar rept met geen woord over de executies van minderheden. Wat is uw reactie op deze communicatie van de Europese Commissie?

Welk belang hecht u aan de intentieverklaring die getekend werd door de Syrische regering en de Koerdische SDF? Welke steun heeft de Europese Unie toegezegd aan de Syrische regering en onder welke voorwaarden gebeurt dit? Hoe kadert dit in de wederopbouw van het land? Vallen deze voorwaarden samen met het aannemen van de tijdelijke grondwet in Syrië?

Hoe rijmt u de militaire actie tegen de talrijke burgerslachtoffers onder de alawieten met het bezoek van de interim-president van Syrië?

Ons land heeft ook een pakket van 17 miljoen euro aangeboden aan Syrië. Is dit een juist signaal volgens u, net na de executies en moord op onschuldige mensen?

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, op 13 maart ratificeerde de nieuwe Syrische president Ahmed al-Sharaa een interim-grondwet. Die tekst moet dienen als een legitimatie voor een islamitisch bestuur gedurende een vijfjarige transitieperiode. Het is nu kristalhelder welke ideologische lijn de nieuwe president en zijn regering voor het nieuwe Syrië uitzetten: een shariastaat naar het voorbeeld van IS of de Taliban.

Tijdens de debatten over de beleidsverklaring werd duidelijk dat verschillende traditionele partijen, waaronder ook die van u, de situatie in Syrië nog steeds als een historische kans op weg naar een democratische transitie beschouwen. Het nieuwe islamitische bestuur van al-Sharaa, een aftakking van terreurbeweging al-Nursa, hielp ons zeer snel uit die illusie. Hun willekeurige militaire geweld en de massa-executies gericht tegen Syrische minderheden, waaronder christenen, alawieten, druzen en Koerden, wijzen veel meer op een nieuw Afghanistan dan op een democratische overgang. Daar komt die islamitische grondwet bovenop.

Mijnheer de minister, wat is uw standpunt over die interim-grondwet? Hebt u daarover al contact gehad met de Syrische ambassadeur of uw Syrische ambtgenoot? Zo ja, wat was de inhoud van de gesprekken?

Bent u nog steeds van mening dat het nieuwe bestuur een historische kans biedt voor de democratisering van Syrië?

Wat is uw standpunt rond de opheffing van het sanctieregime tegen Syrië? Die opheffing werd door bepaalde collega's geopperd tijdens de debatten over de beleidsverklaring, maar zou in de huidige context een historische vergissing zijn.

Bent u bereid om de geplande 18 miljoen euro aan financiering voor Syrië te herzien? De kans is immers zeer reëel dat we aldus het nieuwe islamitische regime mee ondersteunen.

Maxime Prévot:

Madame la présidente, M. Boukili étant absent, il pourra certainement se référer au compte rendu intégral de mes propos pour trouver réponse aux questions qu'il m'avait adressées.

Beste parlementsleden, de afgelopen weken is Syrië het slachtoffer geweest van een zorgwekkende toename van geweld. Na een reeks incidenten in het zuiden van het land is het kustgebied in het noordwesten van het land het doelwit geweest van gewelddadige aanvallen van aan het Assadregime gelieerde elementen tegen de veiligheidstroepen. Die aanvallen leidden tot een cyclus van geweld, die resulteerde in gruwelijke misdaden tegen burgers, waaronder standrechtelijke executies gepleegd door elementen die banden hadden met het voormalige regime van Assad, leden van de veiligheidstroepen van de overgangsautoriteiten en niet-geïdentificeerde daders. Die aanvallen hebben honderden slachtoffers geëist en zijn de meest gewelddadige botsingen in het land sinds de val van het Assadregime in december 2024.

Dergelijk geweld is onaanvaardbaar. België heeft die daden scherp veroordeeld, zonder een onderscheid te maken tussen de daders. Ik heb dat op 9 maart 2025 publiekelijk geuit, in naam van België. Ons land steunde vervolgens op 11 maart 2025 een verklaring van de Hoge Vertegenwoordiger namens de Europese Unie, waarin het geweld werd veroordeeld. Tegelijkertijd reisde onze ambassadeur in Beiroet, die verantwoordelijk is voor Syrië, naar Damascus, waar hij persoonlijk de diepste bezorgdheid van België kon overbrengen aan de Syrische interim-minister van Buitenlandse Zaken.

Enkele dagen later, op 17 maart 2025, kon ik de krachtige veroordeling van dat geweld door België ook rechtstreeks overbrengen aan mijn Syrische ambtgenoot tijdens een bilaterale ontmoeting in Brussel in de marge van de Conferentie van Brussel over Syrië.

La Belgique a profité de chacune de ces occasions pour souligner la nécessité absolue de tenir compte de tous les auteurs présumés responsables de leurs actes.

Il a été souligné qu'un système judiciaire rapide, transparent et impartial, conforme aux normes internationales, est essentiel pour empêcher que de tels crimes se reproduisent et pour garantir que tous les Syriens, sans aucune distinction, puissent vivre sans peur dans la nouvelle Syrie. Une justice transitionnelle globale est nécessaire à la réconciliation et à la construction d'une Syrie pacifique.

La lutte contre l'impunité en Syrie est un objectif de notre accord de gouvernement. La Belgique soutient en particulier le travail de l'International, Impartial and Independent Mechanism, Syria (IIIM). La Belgique a joué aussi un rôle de pionnier dans la création de l'Independent Institution on Missing Persons in the Syrian Arab Republic

Mes services réfléchissent actuellement à un appui dans ce cadre afin d'aider notamment à recueillir et à préserver les preuves liées aux violations du droit international humanitaire et des droits humains.

Na vijf decennia dictatuur is Syrië een land met een verwoeste economie en een gefragmenteerde samenleving. Dit geweld illustreert de enorme uitdagingen en verantwoordelijkheid die een vreedzame, duurzame en inclusieve transitie betekent voor de overgangsregering.

De Syrische autoriteiten hebben erkend dat er fouten zijn gemaakt, maar er zijn ook bemoedigende signalen. De toezeggingen van de overgangsregering en in het bijzonder de oprichting van een onderzoekscommissie zijn stappen in de goede richting. Op 25 februari werd een politiek transitieproces in gang gezet met de nationale dialoog. Op 13 maart werd een voorlopige grondwet goedgekeurd en op 29 maart werd de overgangsregering benoemd die de derde fase van dit proces vormt.

De interim-grondwet schaft de functie van premier af en versterkt daarmee de concentratie van de uitvoerende macht rond de president. Er wordt echter wel rekening gehouden met een aantal aanbevelingen van de Verenigde Naties, bijvoorbeeld de verwijzing naar de mensenrechten en het internationaal recht.

Wat de nieuwe regering betreft, hoewel de meerderheid van de ministers soennitische moslims zijn, wat de demografie van het land weerspiegelt, telt de nieuwe regering ook vier ministers uit minderheidsgroepen – een druzische, een Koerdische, een alawitische en een christelijke vrouw –, hoewel zij niet in sleutelministeries zijn benoemd.

Het akkoord dat op 10 maart werd bereikt tussen de overgangsautoriteiten en de Syrisch democratische strijdkrachten in het noordoosten van Syrië om alle civiele en militaire instellingen van het autonome Koerdische bestuur te integreren in het kader van de Syrische staat is ook een positieve ontwikkeling. Deze overeenkomst kan de weg vrijmaken voor meer stabiliteit en een betere toekomst betekenen voor veel Syriërs, hoewel de uitvoering ervan een grote uitdaging blijft.

Ons land zal uiterst waakzaam blijven voor de manier waarop deze toezeggingen worden geïmplementeerd en hoe ze evolueren. We hebben de Syrische autoriteiten eraan herinnerd dat de opschorting van de beperkende maatregelen deel uitmaakt van een geleidelijke en omkeerbare aanpak en dat de Europese Unie en haar lidstaten de relevantie van deze opschorting zullen blijven onderzoeken op basis van een nauwgezette monitoring van de situatie in het land.

De huidige transitieperiode in Syrië blijft zeer fragiel en de Syrische bevolking heeft de volle ondersteuning van de internationale gemeenschap nodig. Dat is niet alleen een morele plicht, maar ook een essentiële voorwaarde om tot stabiliteit in het land en de gehele regio te komen. Als internationale gemeenschap en als Belgen mogen we deze historische kans niet missen.

Het is in die context dat op 17 maart de negende internationale conferentie ter ondersteuning van Syrië plaatsvond. De conferentie was een cruciaal platform om het gezamenlijke internationale engagement voor een inclusieve, vreedzame en door Syrië geleide transitie opnieuw te bevestigen. De conferentie bracht de belangrijkste belanghebbenden bijeen om tegemoet te komen aan de veranderende behoeften van Syrië, essentiële financiële steun te mobiliseren en de rol van het maatschappelijk middenveld te ondersteunen.

Als duidelijk bewijs van dit engagement kondigde de Europese Unie een substantiële toezegging van bijna 2,5 miljard euro aan voor 2025 en 2026.

Samen met andere internationale partners werd er in totaal 5,8 miljard euro opgehaald om het overgangsproces van Syrië en het socio-economische herstel van het land te ondersteunen en tegelijkertijd de dringende humanitaire behoeften aan te pakken, zowel in Syrië als in de gastgemeenschappen in Jordanië, Libanon, Irak, Egypte en Turkije.

De Europese Unie en haar lidstaten blijven de grootste donor voor Syrië en de buurlanden die Syrische vluchtelingen opvangen. Het gaat om een totaalbedrag van bijna 3,4 miljard euro.

België beloofde 18 miljoen euro voor humanitaire hulp vrij te maken in 2025. Die financiering zal bestaan uit zowel flexibele als geoormerkte financiering en zal zich richten op de bescherming van de getroffen burgers, zowel op het volledige grondgebied van Syrië als de Syrische vluchtelingen in de buurlanden en hun gastgemeenschappen. Daarnaast heeft België ook 475.000 euro vrijgemaakt voor ontmijningsprojecten.

Subsidieovereenkomsten voorzien telkens in een clausule die de organisaties verplicht de administratie op de hoogte te stellen van elke vorm van fraude, van elke onregelmatigheid of praktijk van corruptie. De internationale humanitaire organisaties moeten de rapporten en audits van de uitvoering voorleggen.

De conferentie werd voor de eerste keer georganiseerd in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Syrische interim-regering. Aangezien het een ministeriële conferentie was, nam de Syrische minister van Buitenlandse Zaken Al-Shabani, en dus niet de Syrische interim-president Al-Sharaa, eraan deel op officiële uitnodiging van Hoge Vertegenwoordigster Kallas en eurocommissaris Lahbib. In de marge van de conferentie had ik dus een bilaterale ontmoeting met hem om de eerder uiteengezette boodschappen van de Belgische positie over te brengen.

Darya Safai:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Uiteraard is het belangrijk dat wij invloed blijven uitoefenen op een land dat, hopelijk, in ontwikkeling is. Wij krijgen echter ook duidelijke signalen dat we voorzichtig moeten zijn met de richting die men daar kiest. Ik maak een parallel met het regime in Iran. De stichting ervan in 1979 herinneren velen ons zich niet, maar de geschiedenis moet nog verder worden geschreven. Het was in het begin ook niet duidelijk dat het zo erg zou worden. Het regime zou alles anders en beter doen. Uiteindelijk wil een islamist echter de sharia uitvoeren. Die uitvoering daarvan heeft niets te maken met een democratie. Het is een theocratie.

Wij moeten dus heel goed opletten waarin wij investeren. Uiteindelijk is het onze bedoeling om die landen mee te trekken naar de waarden en normen die wij de onze noemen, zoals het respect voor de mensenrechten. Het land is ook heel divers.

Net een week nadat de gruweldaden hebben plaatsgevonden naar Europa komen en doen alsof er niets aan de hand is, op een paar woorden na… Men had een ander signaal kunnen geven. Wij mogen eisen dat zoiets niet gebeurt of dat er anders geen sprake kan zijn van een relatie of geld. Europa geeft miljarden euro's. Dat is veel geld. Dat moeten wij op zo'n manier besteden dat we zelf geen tweede islamitische republiek van Iran in de regio creëren, ditmaal met ons eigen geld.

Die belangrijke punten wou ik u nog meegeven. Ik dank u voor uw antwoord.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Hoewel u beweert waakzaam te blijven ten aanzien van het Syrische regime, mag u het mij niet kwalijk nemen dat ik u naïef blijf vinden, wat het nieuwe regime in Syrië betreft.

We spreken over een historische kans op een democratische transitie. Dat is ijdele hoop. President en islamterrorist Al-Sharaa heeft recent op een kristalheldere manier duidelijk gemaakt welke ideologische lijn het nieuwe Syrië zal volgen, met een interim-grondwet die voor de komende vijf jaar Syrië van een islamitisch bestuur verzekert.

De sharia en democratie gaan niet samen. Dat weet ondertussen iedereen.

Wat de miljoenen euro steun betreft, hoe weet u en hoe kunt u verzekeren dat de humanitaire hulp daadwerkelijk terechtkomt bij de noodlijdende en meest kwetsbare bevolking?

Ik stel me nog steeds de vraag wat we daar eigenlijk zullen financieren. U kent onze mening: de wederopbouw van Syrië vereist menselijk kapitaal. In plaats van geld te sturen, is het beter om de terugkeer aan te moedigen van de hier verblijvende Syriërs die van hieruit het nieuwe regime toejuichen. We moeten in elk geval verhinderen dat de vele jihadterroristen in Syrië via welke weg dan ook naar België afzakken, want ze vormen een groot veiligheidsrisico.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je vous prie tout d'abord d'excuser mon retard, mais je pense que vous avez reçu ma question, à laquelle je fais référence. J'ai bien entendu votre réponse, et je pense qu'après ce qu'a vécu le peuple syrien sous le régime meurtrier d'Assad, l'arrivée d'un nouveau régime n'est pas une garantie automatique de la paix pour le peuple syrien. Nous devons rester vigilants et attentifs, notamment pour ce qui concerne notre politique de soutien ou de financement - que ce soit à travers l'Union européenne ou d'autres - le respect des droits des peuples syriens, le respect des droits humains, ainsi que le respect de la dignité humaine sur le territoire syrien. Tel est notre devoir, surtout après les massacres auxquels nous venons d'assister sous le nouveau régime. De tels actes montrent bien que ce n'est pas parce qu'on a remplacé un régime meurtrier par un nouveau régime que ce dernier est automatiquement plus humain. Nous devons rester attentifs à la question, surtout dans le cadre de notre politique internationale.

De afschaffing van de nabijheidsbrigades in de Brusselse politiezone Zuid
De anonieme brief van agenten van de politiezone Zuid over de nabijheidsbrigades
Herstructurering politiezone Zuid brigades

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 10 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De opheffing van nabijheidsbrigades in de Brusselse politiezone Midi (Anderlecht, Forest, Sint-Gilles) door PS-burgemeesters in 2021 leidde tot een explosie van druggerelateerd geweld (70% van Brusselse schietpartijen) en verzwakte de preventieve druk op dealers, bevestigt minister Quintin. Hij benadrukt dat nabijheidspolitie cruciaal is in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit, maar dat lokale verantwoordelijken (burgemeesters, korpschef) de beslissing moeten verantwoorden—terwijl hij fusie van Brusselse zones blijft voorstaan om schaalvoordelen en betere coördinatie te realiseren. Parlementsleden eisen een hoorzitting voor de betrokken burgemeesters en wijzen op hun tegenstrijdigheid: enerzijds verzet tegen fusie (met als argument verlies van nabijheidspolitie), anderzijds actieve afschaffing ervan.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, les brigades de police de proximité créées pour enrayer le deal de rue et les vols associés ont été supprimées par les bourgmestres PS de la zone de police Midi, qui regroupe les communes de Forest, Saint-Gilles et Anderlecht, cette dernière ayant été le théâtre de nombreuses fusillades à l'issue dramatique.

Ces brigades de proximité jouent un rôle essentiel dans la lutte contre le trafic de drogue, puisque les policiers présents dans ces quartiers exercent une pression constante destinée à déstabiliser le commerce de stupéfiants, à identifier les dealers, à confisquer la marchandise. Tout ceci pour rendre les quartiers aux citoyens et empêcher une installation pérenne de ce commerce illégal et violent aux conséquences désastreuses.

En supprimant certaines brigades de proximité au motif de certains dysfonctionnements constatés ou de pressions de collectifs, on se prive d'un outil essentiel à la lutte contre le trafic de drogue, puisqu'on diminue la présence sur le terrain et la capacité d'action préventive. Le travail de quartier, c'est la base du travail de policier. Lorsque la police n'agit plus de manière résolue face à ce phénomène sur décision des bourgmestres, ce sont les dealers qui prennent possession du territoire, avec toute la violence qui en découle.

Monsieur le ministre, je vous sais respectueux de l'autonomie communale, mais pouvez-vous néanmoins nous donner votre avis sur la situation? Existe-t-il un lien entre la suppression de ces brigades de proximité et l'explosion du nombre de fusillades sur le territoire de la zone de police Midi? Enfin, dans quelle mesure cet état de fait renforce-t-il votre volonté de fusionner les zones de police à Bruxelles?

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, agenten uit de politiezone Brussel Zuid trekken via een anonieme brief aan de alarmbel over de verdwijning van de nabijheidsbrigades. Die nabijheidsbrigades pakten in burger dealers rechtstreeks aan. Zij waren inderdaad niet perfect, maar ze waren wel doeltreffend. Volgens de politieagenten die de anonieme brief stuurden, is het geen toeval dat sinds de schrapping van de nabijheidsbrigades 70 % van de schietpartijen in Brussel in hun zone plaatsvindt.

Het is enorm verontrustend dat mensen die in de frontlinie staan in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, anoniem aan de alarmbel moeten trekken, niet uit vrees voor vergelding vanwege de drugsmaffia, maar uit vrees voor vergelding vanwege hun eigen PS-burgemeesters. De drie burgemeesters van die zone staan aan het hoofd van de politie en moeten hun verantwoordelijkheid nemen en voor hun eigen deur vegen.

Mijnheer de minister, schaalvergroting is de oplossing. Die zal zorgen voor een betere solidariteit tussen de wijken en voor meer capaciteit waar die het meeste nodig is, en zal ervoor zorgen dat wanpraktijken zoals deze niet meer mogelijk zijn. Elke dag opnieuw wordt bewezen dat een fusie van de Brusselse politiezones broodnodig en dringend is.

Mijnheer de minister, vindt u het normaal dat agenten via een anonieme brief aan de alarmbel moeten trekken, nadat ook in Anderlecht andere sectoren al anoniem aan de alarmbel trokken?

Zijn de nabijheidsbrigades essentieel in de strijd tegen de georganiseerde misdaad?

Hoe staat het met de invulling van het politiekorps in de zone Brussel Zuid ten opzichte van het theoretisch kader? Wie draagt de verantwoordelijkheid voor de correcte invulling?

Welke schaalvoordelen ziet u specifiek voor de wijken in een fusie van de Brusselse politiezones?

Bernard Quintin:

Madame et monsieur les députés, merci pour vos questions. J'ai donc bien lu l'article.

Ik heb de anonieme brief niet gekregen, maar ik ben wel op de hoogte van de situatie vanaf dag twee van mijn ambtstermijn.

Les choix qui ont été formés l'ont été par les responsables de la zone de police Bruxelles-Midi, qui sont en effet les bourgmestres et le chef de corps, lesquels ont décidé en 2021 de la suppression de ces brigades. Pour le dire très clairement, il me paraît assez évident que supprimer ce qu'on appelle dans le jargon la VIP – Very Irritating Police – n'a certainement pas contribué, pour recourir à un euphémisme, à lutter efficacement contre le trafic de drogue. Il n'y a qu'à voir la situation actuelle dans la zone. La suppression de cette brigade de proximité permet en effet d'avoir des points de deal fixes au lieu d'obliger les dealers à se déplacer et donc de rendre leur travail, si je puis m'exprimer ainsi, plus difficile.

Nabijheidsbrigades zijn essentieel. Daarmee wil ik niet gezegd hebben dat one size fits all , want de realiteit van elke politiezone verdient een eigen aanpak, maar de nabijheidsbrigades zijn absoluut essentieel in onze strijd tegen drugscriminaliteit.

Ce que je regrette aussi dans la décision qui a été prise en 2021, c'est qu'on a voulu résoudre quelques problèmes ponctuels, qui sont d'ailleurs examinés aujourd'hui par les autorités judiciaires compétentes, en prenant des mesures linéaires générales. Prendre des mesures linéaires générales pour résoudre un problème ponctuel, ce n'est absolument pas ma ligne de travail parce qu'on jette le bébé avec l'eau du bain, comme on dit.

Quels étaient les motifs pour le faire? C'est une question qu'il faut poser aux responsables de la zone de police locale Midi que sont les bourgmestres et le chef de corps.

Je peux ajouter que les renforts fédéraux qui ont été mis à disposition de la zone Midi sont encore là pour une bonne partie, en ce compris le renforcement de la police judiciaire fédérale à Bruxelles par une trentaine d'unités venant d'autres zones. Cela porte ses fruits – et je le dis avec beaucoup de prudence et d'humilité – en termes de sécurité et aussi en termes d'arrestations dans le cadre des fusillades qui ont eu lieu en février et en mars.

De invulling van het politiekorps van die zone is, nogmaals, vooreerst de verantwoordelijkheid van die zone. De precieze cijfers moet ik u later meedelen, want die heb ik nu niet bij.

La fusion amènera en tout cas – c'est l'objectif – une unité de commandement et – c'est aussi essentiel et c'est la dynamique fondamentale que je veux insuffler dans cette fusion – une meilleure répartition des efforts entre capacité d'intervention et police de proximité. Les deux sont absolument nécessaires. Il faut une capacité d'intervention renforcée à Bruxelles, certainement pour la zone Midi. Cela se fera par une mutualisation des efforts mais sans porter atteinte à la police de proximité.

Nabijheidspolitie is absoluut essentieel voor die interventies, maar ook voor de gerechtelijke onderzoeken, om goede inlichtingen te verkrijgen.

Pour moi, cette capacité d'intervention et la police de proximité sont les deux jambes absolument indispensables pour le marathon de la lutte contre le crime organisé.

J'en voudrais de ne pas terminer en saluant les efforts qui sont faits tant par la police locale que par la police fédérale pour lutter contre le crime organisé.

Catherine Delcourt:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. La lutte contre le trafic de drogue passe évidemment par le travail de quartier et de proximité, ce qui s'inscrit pleinement dans votre politique de sécurité globale. Les raisons qui ont poussé à la suppression des brigades de proximité sont trop floues et nécessitent des clarifications. C'est pourquoi une demande d'audition des bourgmestres de la zone de police Midi a été introduite par le MR afin de faire la lumière sur ces choix incompréhensibles.

J'aimerais souligner par ailleurs l'ambivalence entre d'une part un discours qui est opposé à la fusion des zones de police bruxelloises, au motif que dans une grande zone de police unifiée on ne pourrait plus faire de police de proximité, et d'autre part la décision concrète et lourde de conséquences de supprimer les brigades de proximité. Les bourgmestres de la zone Midi qui ont délibérément choisi de dissoudre ces brigades ne peuvent ignorer les conséquences de leur décision. Les responsabilités doivent être prises.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw duidelijke antwoord. Ik denk dat het inderdaad essentieel is dat er nabijheidsploegen zijn in de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Het is zeer onduidelijk en betwijfelbaar of die nabijheidsbrigades in de zone Brussel-Zuid om de juiste redenen zijn geschrapt. Het is heel belangrijk dat wij werk maken van de fusie van de Brusselse politiezones. Het is minstens opmerkelijk te noemen dat de zone die daarbij het meeste te winnen heeft zich daar hard tegen verzet en zelfs dreigt om te stoppen met investeren in politie, terwijl schietpartijen in die zone bijna dagelijkse realiteit zijn geworden. De burgemeesters moeten hun eigen verantwoordelijkheid opnemen. Zij moeten voor hun eigen deur vegen. Het is ook daarom dat wij de vraag steunen om de drie burgemeesters uit de zone Brussel-Zuid uit te nodigen voor een hoorzitting in het Parlement. Iedereen moet kiezen tussen eigen machtsspelletjes spelen of de veiligheid van de bevolking dienen. De keuze van Arizona is in elk geval duidelijk.

De inzet van militairen voor politionele opdrachten
De oprichting van een begrotingsfonds CrimOrg
Het Kanaalplan
Het budget voor de geïntegreerde politie
Het budget voor de hulpverleningszones en de Civiele Bescherming
De schietincidenten in Brussel en de bekogelde treinen
De aanhoudende schietincidenten in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De restcapaciteit van de Brusselse politiezones bij een fusie
De oprichting van een federale taskforce in de strijd tegen de drugscriminaliteit
De door de arizonaregering voorgenomen fusie van de Brusselse politiezones
Het budget voor de FOD Binnenlandse Zaken en de Civiele Veiligheid
Drugs(sporen) in het rioolwater van Vlaamse steden en gemeenten
De war on drugs
De coördinatie van het veiligheidsbeleid in Brussel
De oprichting van een drugsfonds en een fiscale en financiële opsporingsdienst
Veiligheidsbeleid, politiehervormingen en bestrijding van drugscriminaliteit in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het actualiteitsdebat over de drugscriminaliteit draait om drie kernthema’s: de bestrijding van drugsgeweld en -handel (via het versterkte *Kanaalplan 2.0*, een *taskforce*, en de inzet van *militairen* voor statische bewaking om politiecapaciteit vrij te maken), de fusie van de 19 Brusselse politiezones (omstreden door gebrek aan lokale steun en vrees voor verlies van *proximiteitspolitie*, maar door de minister verdedigd als noodzakelijke hervorming met behoud van lokale bevoegdheden), en financiële middelen (o.a. een *drugsfonds* voor herinvestering van crimineel geld, *follow-the-value*-aanpak, en budgettaire immunisering van veiligheidsdiensten, hoewel concrete cijfers nog ontbreken). Critici benadrukken tekorten aan middelen, coördinatie en urgentie, terwijl de minister stapsgewijze plannen aankondigt (o.a. 200-250 extra politiemensen via defensie-inzet, uitrol Kanaalplan *eerst in Brussel*, en overleg met burgemeesters), maar concrete timing en budgetten blijven vaag tot de *beleidsnota (29/4)*. De ketenaanpak (van productie tot gebruiker) en samenwerking met justitie worden als cruciaal bevestigd, maar actie op het terrein blijft uit.

Voorzitter:

Collega's, het eerste punt op de agenda is een actualiteitsdebat met vragen, die het kabinet samengevoegd heeft, over de strijd tegen drugs. Er zijn verschillende invalshoeken. Alle vragen werden samengevoegd.

Éric Thiébaut (PS): Monsieur le président, vous indiquez que le débat a pour thématique la problématique du trafic de drogue mais sa portée est beaucoup plus large, puisque j'ai notamment des questions sur la Protection civile.

Voorzitter:

Je fais le même constat que vous mais cela relève du choix du cabinet.

Maaike De Vreese:

Minister, door de beleidsverklaring is het een tijdje geleden dat we gewone vragen hebben kunnen stellen in de commissie. Daarom zijn er enkele gebundeld. Mijn eerste vraag gaat over drugsgerelateerd geweld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Samen met de regering heeft de eerste minister beslist om een federale taskforce op te richten om de strijd tegen de drugscriminaliteit nog te versterken. Ook in het regeerakkoord staat een hele resem maatregelen met hetzelfde doel. Ik ga ze niet allemaal opnoemen. Wie meer details wil lezen, verwijs ik naar mijn ingediende vragen.

De vragen gaan over verschillende zaken: de schietincidenten, het Kanaalplan, de fusie van de Brusselse politiezones en de oprichting van het drugsfonds.

Kunt u iets meer zeggen over de taskforce? Welke maatregelen worden er genomen op korte, middellange en lange termijn? Op welke manier wordt er afgestemd met de Brusselse Veiligheidsraad, de Veiligheidscel en de initiatieven van de lokale besturen? Hoe worden in de strijd tegen de drugscriminaliteit de FGP’s van Antwerpen en Brussel versterkt op het vlak van middelen en mensen? Wat is de huidige federale steun in het algemeen en aan het lokale politiekorps in Brussel-Zuid? Zult u die steun aanhouden?

De vraag is ook hoe witwaspraktijken effectiever en efficiënter aangepakt kunnen worden. Hoe gebeurt de handhaving op bestuurlijk en gerechtelijk niveau? Zult u daar ook nieuwe technologie voor inzetten? Hoe kunnen de inbeslagnames verbeterd worden? We kunnen daarvoor de mosterd halen in bijvoorbeeld Frankrijk en andere Europese landen? Zult u dat bekijken of doet u dat nu al?

Kunt u toelichten hoe het Belgische systeem voor de ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen eruit zal zien? Hoe wordt de aanpak follow the value versterkt en geoptimaliseerd?

Voor statische bewakingsopdrachten zouden militairen ingezet worden, zodat er politionele capaciteit vrijkomt en er dus meer blauw op straat komt. Het regeerakkoord is daar zeer duidelijk over.

Er zijn een aantal cumulatieve voorwaarden waaraan voldaan moet worden om de mensen van defensie in te zetten, namelijk bij een OCAD-dreiging niveau 4, na een risicoanalyse, na een regeringsbeslissing en binnen een duidelijk gedefinieerd juridisch en operationeel kader. Dat kader is er op dit moment nog niet. De territoriale verdedigingsreserve moet eveneens nog gevormd worden.

Als de territoriale verdedigingsreserve gevormd is en de nodige kaders uitgewerkt zijn, hoeveel militairen zouden dan volgens u de statische beveiligingsopdracht uitvoeren? Ik wil met die vraag gewoon nagaan hoeveel politiemensen er op die manier zouden vrijkomen om meer veiligheid in onze straten te garanderen. Voor welke taken zou u de vrijgekomen politiecapaciteit gebruiken? In welke specifieke buurten wil u extra mensen inzetten? Is er nog overleg geweest met de minister van Defensie? Wat is het resultaat van dat overleg? Plant u een dergelijk overleg nog in de komende weken?

Naar het Kanaalplan zijn wij heel erg benieuwd, zeker en vast naar het Brusselse gedeelte. Ik weet niet of mijn collega, de heer Bergers, daarover ook nog iets zal vragen. Voor welke steden zal dit Kanaalplan uitgerold worden? Welke ondersteuning zal er voorzien worden? Binnen welke termijn zal het versterkte federale Kanaalplan uitgerold worden? Met welke middelen zal dat gebeuren?

Ik kom dan bij de fusie van de politiezones. U weet dat wij zeker en vast grote voorstander van die fusie zijn. Mijn vraag is opgesteld op het moment waarop uw collega Annelies Verlinden gecommuniceerd had dat de fusie er op middellange termijn moet komen. Wat is die middellange termijn? Voor ons is de fusie geen project dat op heel korte termijn kan worden uitgevoerd. Voor ons moet van de huidige regering er wel absoluut prioriteit aan geven. U hebt zelf ook aangegeven dat u daar werk van zult maken. Wat is de stand van zaken ter zake? Hoe ziet u bijvoorbeeld het verruimde politiecollege en de politieraad? Hebt u daarop al meer zicht?

U hebt ook overleg met de negentien burgemeesters. Hebt u ze ondertussen al alle negentien gesproken? Kan u meer toelichting geven bij de algemene lijnen die op dat overleg zijn besproken? Wat maakt u op uit het overleg? Hebt u ook overleg gehad met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest? Kunt u hen ook van het belang overtuigen?

Welke concrete stappen zult u zetten en wat is het tijdschema, want u kunt wel starten met het wetsontwerp, maar hoe zit het met de rest?

De nationale drugscommissaris zou de opdracht hebben gekregen om een drugsfonds uit te werken teneinde misdaadgeld via dat fonds te laten terugvloeien naar bijvoorbeeld hulpverlening, politie en justitie. De regering wil ook een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst oprichten. Die dienst moet zich focussen op het opsporen, analyseren en lamleggen van criminele circuits en op de strijd tegen fraude. Kunt u bevestigen dat de nationale drugscommissaris die opdracht heeft gekregen? Wat is de precieze opdracht? Hoe staat het drugsfonds ten opzichte van de op te richten fiscale en financiële opsporingsdienst?

Wat zijn de ambities om bij de jaarlijkse begrotingsopmaak de meeropbrengsten in te zetten om de budgettaire noden en investeringen bij de veiligheidsdepartementen Binnenlandse Zaken en Justitie op te vangen? Hoe zullen die middelen worden verdeeld?

Het betreft heel wat vragen, maar we moeten hieraan de nodige aandacht besteden gezien de problematiek en de bezorgdheid bij veel burgers, niet alleen in Brussel maar ook in andere steden en gemeenten, over drugs en drugscriminaliteit.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre de l'Intérieur, cette question revient effectivement régulièrement, car depuis de très nombreuses années, nous constatons malheureusement une forte augmentation des faits de violences liés au trafic de drogue et aux réseaux nationaux et internationaux.

Parallèlement, comme en témoignent les discussions des deux dernières semaines sur les notes d’orientation, la justice et la police fédérale souffrent d'un manque de moyens. Les services de la police judiciaire fédérale et les parquets ont demandé à maintes reprises d'être refinancés et d'avoir davantage de moyens, notamment pour la mise en œuvre du plan DGJ 3.0.

Lors de la législature précédente, mon groupe avait déjà déposé une proposition de loi visant à mettre en place un fonds "Crime org", qui est effectivement une exception budgétaire à la manière dont sont allouées les recettes de l'État, avec la volonté de pouvoir, grâce à ce fonds "Crime org", avoir une destination précise et refinancer ces départements spécifiques nécessaires notamment à la lutte contre ces narcotrafiquants.

Ce fonds avait reçu un accueil assez positif, bien que certains aient suggéré de l’étendre à d'autres services, tels que l’OCAM, qui œuvrent également dans cette chaine complexe de la lutte contre la criminalité organisée. Il avait bénéficié du soutien d’un ministre à l’époque.

Monsieur le ministre de l’Intérieur, pourriez-vous nous indiquer votre position quant à cette proposition de créer un fonds "Crime org" notamment mais pas exclusivement au bénéfice de la PJF? Pouvez-vous nous faire le point sur les moyens additionnels qui seront dégagés dans le cadre de la lutte contre le crime organisé pour réaliser et mettre en place ce plan DGJ 3.0? Je vous remercie.

Éric Thiébaut:

Merci, monsieur le président. J'ai quelques questions à poser, ayant essentiellement trait au budget de votre département. Je ferai tout d'abord une petite précision. Lors des débats parlementaires sur la déclaration du gouvernement, votre collègue Vanessa Matz a précisé que les départements liés à la sécurité seraient immunisés contre les économies prévues par l'ensemble du gouvernement. Me le confirmez-vous? En effet, visiblement, ce qui me revient des discussions dans d'autres commissions est que l'immunisation ne concernerait que le budget police, et pas l'ensemble des départements Justice et Intérieur. C'est d'autant plus important qu'hier, nous avons entendu le premier ministre, qui était assis physiquement à votre place. Il était interrogé par rapport à la Chancellerie et il nous a précisé à nouveau que l'objectif était des augmentations structurelles de 1,8 % dans tous les départements. J'aimerais donc savoir si ce 1,8 % va être appliqué aussi à tout ce qui concerne le SPF Intérieur et à la Sécurité civile.

Par rapport à la Sécurité civile, j'aimerais savoir si vous progressez dans votre projet, dont vous avez parlé lors de votre précédente présentation, sur l'indexation automatique des dotations fédérales. Vous savez qu'il y a une grosse attente au niveau des zones de secours par rapport à cette disposition qui avait déjà été envisagée lors de la précédente législature. Planifiez-vous également une augmentation des dotations aux zones de secours? L'attente est grande parce que dans la déclaration du gouvernement, il est indiqué que l'on tendra vers le 50/50, ce qui était prévu dans la loi de 2007 qui a créé les de secours, comme vous le savez. Toutes les zones de secours du pays sont donc dans l'attente d'un refinancement.

Vous savez que la Protection civile est un domaine qui m'inquiète beaucoup depuis des années. Comptez-vous réinvestir dans ce département-là, qui est en souffrance depuis la réforme du ministre Jambon avec la suppression de quatre casernes sur six?

Et puis, pour parler de la police, puisque visiblement on est certain que le département sera immunisé des économies qui seront imposées par l'Arizona, avez-vous déjà une idée des budgets qui y seront consacrés? Mon collègue, Khalil Aouasti, a évoqué une partie de la question.

On est dans une police structurée à deux niveaux. Il y a donc le refinancement de notre police fédérale avec de gros besoins qui ont été exprimés par différents PJF. Ensuite, il y a évidemment l'attente des zones de police. Dans votre exposé de politique, vous avez parlé de revoir la norme KUL. On en parle depuis longtemps et c'est une très bonne idée. Mais vous avez dit aussi, et je m'en suis réjoui, que cette révision de norme KUL irait de pair avec une augmentation de l'enveloppe.

Il est clair que, si on redéfinit la façon de calculer la répartition de cette enveloppe dans les zones du pays, certaines zones auront plus qu'avant mais d'autres auront moins qu'avant. Et cela va clairement vous poser un problème politique.

Bernard Quintin:

Encore un de plus!

Éric Thiébaut:

Si j'ai bien compris, votre idée est d'augmenter l'enveloppe. Mais envisagez-vous un système de cliquet, de telle sorte que finalement l'augmentation de l'enveloppe avec le nouveau mode de calcul fera que certaines zones auront plus et que d'autres, peut-être, vont rester au même niveau qu'avant mais ne vont pas perdre, si vous voyez ce que je veux dire. Voilà, en synthèse, monsieur le ministre, l'ensemble de mes questions.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag gaat vooral over het Kanaalplan, naar aanleiding van alle schietincidenten in Brussel. Tussen Vilvoorde en Schaarbeek werd ook een trein bekogeld. Het blijft jammer genoeg actueel, want vandaag was er weer een aanslag, deze keer in Antwerpen. Het blijft dus een heel actueel feit.

Ik heb hierover al gesproken tijdens het debat over de beleidsverklaring al gezegd in de plenaire vergadering. U wil de problematiek aanpakken, waarvoor ik u zeer dankbaar ben. De N-VA zal u daarin steunen. Het is echter tijd om ook maatregelen te treffen en we mogen niet te veel tijd verliezen met discussies.

Hebt u een tijdlijn klaar? Kunt u al wat meer zeggen over de timing voor de uitrol van dat versterkt Kanaalplan? Welke politiezones zullen op extra steun voor ondersteuning van dit Kanaalplan kunnen rekenen? Welke middelen voorziet u daarvoor? Op welke manier wil u dit Kanaalplan precies inzetten tegen de drugscriminaliteit?

Hebt u al contact gehad met de zones die vroeger onder het Kanaalplan vielen, namelijk de Brusselse politiezones, de luchtvaartpolitie en de politiezone VIMA, over de uitwerking van dit plan. Ik heb gisteren de korpschef van VIMA nog gesproken. Hij wil er ook invliegen, want hij vindt het verschrikkelijk dat hij de problematiek nu moet aanpakken met een tekort van 30 vte's. In de politiezone VIMA zijn momenteel 30 vte's van het kader niet ingevuld en slechts twee mensen in de politiezone kunnen ingezet worden tegen drugscriminaliteit. Zult u ook contact opnemen met de politiezone Zennevallei en/of andere politiezones die ik nog niet vermeld heb?

François De Smet:

Monsieur le ministre, ma question ne porte pas sur le trafic de drogue, même si ce sujet m'intéresse beaucoup, mais sur la fusion des zones. Ceci dit, cela ne m'étonne pas que vous ayez regroupé ces deux thèmes, parce que je sais bien que tout le wording du gouvernement consiste à tenter absolument d'établir un lien entre les deux et de suggérer que si on se tire dessus dans les rues de Bruxelles, c'est parce qu'il y aurait six zones de police. Non, si on se tire dessus, c'est parce qu'il y a du trafic de drogue, que la drogue arrive par l'aéroport de Bierset, ou surtout par le port d'Anvers, et que les polices judiciaires d'Anvers et de Bruxelles manquent de moyens. Au contraire, on peut légitimement se dire que, noyés dans une structure massive et bureaucratique, l'efficacité de terrain des zones de police locale sera compromise.

Mais ma question porte davantage sur les modalités de l'accord. L'accord de gouvernement, que nous connaissons par cœur désormais, est assez sobre. Il explique: "Nous fusionnons les zones." Punt aan de lijn . Heureusement, certains de vos collègues sont plus bavards. Jan Jambon a dit, dans la presse, que l'accord de gouvernement prévoyait que chacune des zones de police actuelles pourrait garder 75 % de ses capacités pour les tâches locales, les autres étant mutualisées.

Il y a d'autres déclarations, par exemple celle des Engagés – ceux qui veulent défendre la fusion –, qui insiste sur le fait que les 19 bourgmestres garderont leur pouvoir dans la future zone unique. Ce qui m'intrigue un peu, c'est que sauf erreur, je ne trouve nulle part dans un document officiel les deux éléments que je viens de citer. Je ne les trouve ni dans l'accord de gouvernement ni dans votre note d'orientation.

Il faut donc se rendre à l'évidence: il semble exister un accord, un document qui traduit de manière plus opérationnelle cette fusion que la seule ligne qui explique dans l'accord de gouvernement le fait de fusionner les zones.

Monsieur le ministre, mes questions sont simples. Existe-t-il un tel accord décrivant les modalités de cette future zone unique? Si oui, il me paraît évident que le Parlement pourrait en avoir connaissance. Par ailleurs, puisque vous êtes un homme ouvert et que vous rencontrez en ce moment les différents acteurs pour les convaincre, êtes-vous aussi ouvert à la possibilité que ce soit eux qui vous convainquent que cette fusion n'est finalement pas une bonne idée?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb zelf ook twee vragen ingediend die eerder drugsgerealateerd zijn.

De eerste gaat over de taskforce die is opgericht in de schoot van de regering naar aanleiding van de toch zeer zware incidenten, de aanslagen, in Brussel.

Deze taskforce valt onder de auspiciën van de eerste minister, maar intussen is de oprichting al geleden van 21 februari, en nu is het begin april. Ik moet eerlijk zeggen, mijnheer de minister, dat ik daar niet veel meer over gehoord heb.

Dat kan twee dingen betekenen. Ofwel is er weinig gebeurd, en is er weinig te zeggen, o. Ofwel werkt die taskforce in alle stilte aan de strijd tegen drugs.

Wellicht zult u mij overtuigen van het tweede, maar ik wil toch de vraag stellen hoe die taskforce in elkaar zit, wat die taskforce van plan is te doen, en vooral welke maatregelen er zullen worden genomen. U weet dat de nood zeer hoog is, zowel bij de politiediensten als bij jJustitie. Ik was eerder voorstander van een Nationale Veiligheidsraad, maar ik hoop dat die taskforce, waarbij andere ministers zich kunnen aansluiten wanneer het nodig is, resultaten zal behalen.

Ik hoor de noodkreet van de minister van Justitie. Ook zij heeft een tekort aan middelen om jJustitie op het juiste spoor te zetten.

Wordt dit ook besproken binnen de taskforce? Het gaat inderdaad om een ketenaanpak. Het kan niet dat enkel de politie de strijd tegen drugs aangaat, en dat jJustitie niet volgt. Omgekeerd geldt uiteraard hetzelfde.

Zijn de budgettaire inspanningen op dit moment dus voldoende? Zal er in bijkomende middelen worden voorzien? Zo ja, op welke termijn?

Mijn tweede vraag die ik aan u wil stellen, mijnheer de minister, is een vraag die intussen al een tijdjeenigszins gedateerd is.

U hebt wellicht gelezen dat het Europees Drugsagentschap (EDA) onderzoek doet naar drugsresidu's in het drinkwater. Men moet spijtig genoeg vaststellen dat Antwerpen de slechtste leerling van de klas is in Europa. Ik ken er zelf wetenschappelijk niet zoveel van, maar ik lees wat ik lees, en ik zie dat daar bijna 200.000 microgram cocaïne per 1.000 inwoners per dag werd aangetroffen.

U zult mij wellicht kunnen uitleggen of dat zeer dramatisch of gewoon dramatisch is. Dramatisch is het alleszins als men de slechtste leerling van Europa is. Brussel staat ook in de top tien van Europese steden. Voorts blijkt uit dat onderzoek ook dat er meer wordt aangetroffen in de weekends, van vrijdag tot en met zondag, wat er eigenlijk op wijst dat het recreatief gebruik stijgt.

Mijnheer de minister, heeft de overheid hier een zicht op? Hebt u deze cijfers volledig tot uw beschikking? Welke maatregelen kunt u daar tegenover zetten?

Er wordt hier en daar luidop geroepen dat men het drugsgebruik strenger moet aanpakken. Het is nu eenmaal een feit dat als er vraag is, dat er ook aanbod is. Als men de vraag kan tegengaan en beteugelen, dan zal het aanbod ook verminderen. Mijnheer de minister, zult u het drugsgebruik aanpakken? Op welke manier zult u dat doen? Zult u strenger bestraffen?

Ik vind - dat is de stelling van mij en mijn partij - dat wij als ambtenaren en politici een voorbeeldfunctie hebben, maar misschien hebben ook de publieke instellingen dat. Als er verplichte drugstests van publieke functionarissen zouden worden afgenomen, dan zou ik dat een goede zaak vinden.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je reviens sur la question de la fusion des zones de police. Vous le savez, que ce soit au cours d'auditions à la Chambre ou lors de différentes prises de parole dans la presse, l'ensemble du monde policier et judiciaire bruxellois s'oppose à la fusion de ces zones de police.

Une étude de l'Université de Gand – sur laquelle je ne m'étendrai pas – indique clairement qu'il n'y a aucune plus-value en la matière. Comme je l'ai déjà dit, cette fusion répond surtout à des objectifs idéologiques, voire communautaires, et non opérationnels et mettra à mal la police de proximité et le service aux citoyens.

Cette fusion qui est annoncée dans votre accord de gouvernement sans concertation est imposée à l'ensemble des acteurs bruxellois et aux bourgmestres. Vous avez fait le tour des 19 bourgmestres de la capitale. Il me revient que vous les avez beaucoup écoutés mais que vous n'avez pas entendu leurs préoccupations, notamment quant aux conséquences négatives de cette fusion. Parmi ces préoccupations, demeure entière la question de l'impact de la fusion sur les politiques de proximité, sur le manque de policiers pour assurer une réelle sécurité au sein des 19 communes bruxelloises ou encore sur les priorités qui diffèrent d'une commune à une autre.

Vous n'avez pas évoqué avec eux la question qui fâche, à savoir le budget, l'argent, la quote-part de chaque commune dans le cadre de cette fusion et l'apport financier de votre gouvernement. Vous n'avez pas abordé non plus une question qui revient assez souvent par rapport aux petites communes bruxelloises, à savoir: comment garantirez-vous à ces petites communes qu'elles puissent disposer d'un vrai poids de négociation dans l'élaboration des stratégies RH, d'investissement ou encore sur les orientations politiques au niveau budgétaire? Je rappelle qu'un Collège ou un Conseil de police gère le fonctionnement de la zone, il ne gère pas le maintien de l'ordre public. Comment donc garantirez-vous aux bourgmestres, qui ont, eux, cette prérogative dans la loi, de pouvoir continuer à maintenir et garantir l'ordre public sur leur territoire en disposant des policiers nécessaires pour ce faire?

Monsieur le ministre, quel est le calendrier précis de la réforme? Qu'en est-il exactement des concertations que vous avez eues avec les différents acteurs concernés? Quel modèle de gouvernance post-fusion sera-t-il mis en place?

Concernant le financement apporté actuellement par les communes, celles-ci continueront-elles à financer la zone de police? Quid de l'apport du fédéral en la matière?

Voorzitter:

M. Xavier Dubois étant absent, nous passons à la réponse du ministre.

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, merci pour vos questions, et d'avoir accepté le regroupement de celles-ci selon une certaine logique. Aux questions liées à la drogue et à la fusion, j'ai ajouté celles concernant le budget, car je ne vais pas pouvoir vous dire grand-chose sur ce troisième sujet. En effet, les négociations budgétaires sont en cours, et je vais très bientôt présenter la note de politique générale dans laquelle il y aura davantage d'informations concernant les échéances, le calendrier et les budgets. En rhétorique, il est bon de commencer par les points faibles pour après continuer avec les plus forts.

Ik kom dan bij het Kanaalplan, de vragen van mevrouw De Vreese en de heer Bergers. In overeenstemming met het regeerakkoord zal er een nieuw Kanaalplan, een Kanaalplan 2.0, met een nieuwe naam die nog niet bekend is, worden ingevoerd teneinde een concreet operationeel plan op te stellen met het oog op de bestrijding van de verschillende vormen van criminaliteit in en rond Brussel. Het eerste Kanaalplan had voornamelijk terrorisme en extremisme als insteek. We moeten er evenwel voor zorgen dat we wendbaar zijn en dat we kunnen inspelen op andere en opkomende fenomenen.

CrimOrg is ons startpunt voor dat nieuwe Kanaalplan. Brussel is ook ons startpunt, maar het plan zal voor heel België moeten gelden, wat een andere aanpak dan in het Kanaalplan 2015-2016.

Tijdens de presentatie van de beleidsverklaring die binnenkort, zal plaatsvinden, als ik me niet vergis op 29 april, zal ik de verschillende aspecten die we in het kader van dat nieuwe Kanaalplan willen aanpakken gedetailleerd uiteenzetten. Ik deel zeker uw bekommernissen en ik zal uw vragen zo snel mogelijk proberen te beantwoorden.

Om een goed nieuw plan te kunnen opstellen, hebben wij evenwel een goed beeld van de situatie nodig.

J'avais demandé cette image à la police fédérale, qui me l'a fournie vendredi dernier. Je vais donc relire le document. Nous allons organiser un séminaire, un workshop , avec tous les acteurs concernés pour voir comment nous pouvons utiliser cette image qui reflète la situation.

Dat was ook nodig om een nuttig, nodig en goed plan te kunnen opbouwen.

Dan kom ik bij de vragen van mevrouw De Vreese en de heer Aouasti. Geld is inderdaad de drijvende kracht achter een criminele organisatie. De effectieve bestrijding van de activiteiten van een organisatie vereist daarom een follow-the-money-aanpak, al is dat nu meer een follow-the-value -aanpak geworden.

Daarvoor zijn vier zaken nodig. Ten eerste, de identificatie van het criminele vermogen. Ten tweede, een inbeslagname en verbeurdverklaring van het vermogen. Ten derde, een efficiënt beheer van de inbeslaggenomen en/of verbeurdverklaarde goederen om hun waarde te behouden. Ten vierde, ervoor zorgen dat de criminelen betalen voor de schadeloosstelling van de slachtoffers, voor de versterking van de diensten die deze criminele verschijnselen bestrijden en voor het opbouwen van de veerkracht van de samenleving.

Het nationaal drugscommissariaat heeft als doelstelling om voorstellen aan de regering voor te leggen om de follow-the-value- keten in haar geheel te versterken en een systeem te ontwikkelen voor het correct gebruik van het geld en de criminele activa die via deze versterkte follow-the-value -aanpak worden teruggevorderd.

Het regeerakkoord maakt eveneens, zoals mevrouw De Vreese aanhaalt, gewag van de oprichting van een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst. De oprichting hiervan valt evenwel onder de gedeelde bevoegdheid van de minister van Financiën en de minister van Justitie.

Les moyens supplémentaires octroyés dans le cadre de la lutte contre la drogue par décision du Conseil des ministres d’octobre 2023 ont déjà permis de financer 22 projets couvrant les différents aspects de la lutte contre ce phénomène: résilience des principaux hubs logistiques, renforcement et professionnalisation du processus de saisie de drogue, outils de détection et d’analyse de données, renforcement des outils pour l’approche "follow-the-value", prise en charge de l’accompagnement des consommateurs, etc.

Les crédits octroyés sont en cours d’utilisation par les différents bénéficiaires et un suivi est assuré par le Commissariat national aux drogues qui est également chargé d’analyser l’impact des différents projets financés. Pour conclure et pour répondre à votre dernière question, Monsieur Aouasti, comme vous l’avez dit, la police judiciaire a connu une réorganisation majeure en 2014. C’était la DGJ 2.0 avec la réduction des arrondissements judiciaires et la décentralisation de certaines ressources et fonctions.

Aujourd’hui, pour accomplir sa mission, elle évolue vers un nouveau cadre: la DGJ 3.0. Elle sera structurée autour de cinq piliers: 1.enquête spécialisée; 2.renseignements; 3.techniques et technologies; 4.coordination, 5. stratégie. Ce gouvernement s’est engagé à renforcer la police fédérale judiciaire pour soutenir la mise à œuvre de cette stratégie.

Je pourrais y revenir aussi dans des discussions sur la note de politique générale et aussi sur la question du fonds "Crime org" et son organisation. C’est en effet une possibilité. Cela existe dans différents ministères d’avoir des articles particuliers permettant de déroger au principe de l’unicité du budget de l’ État. La commissaire nationale aux drogues doit nous faire une proposition en ce sens.

Vervolgens is er de inzet van militairen. Ik wil graag mijn intentie bevestigen om de bepalingen in het regeerakkoord uit te voeren, namelijk het overdragen van bepaalde opdrachten aan Defensie, die momenteel door de politie, de DAB, worden uitgevoerd. Mijn doel is om op dit vlak concrete stappen te zetten door middel van een protocolakkoord met de minister van Defensie. Dit protocol zal ons in staat stellen om snel vooruitgang te boeken bij het hervatten van bewakingsopdrachten op gevoelige sites. Hierbij krijgen kerncentrales de hoogste prioriteit.

Er moet worden opgemerkt dat dit protocol voor de overdracht van bevoegdheden geen wetswijzigingen vereist. Het maakt deel uit van hetzelfde kader dat Defensie in staat heeft gesteld om de bewakingsopdrachten tot 1 mei 2024 over te nemen. Deze operatie zal mij in staat stellen om meer dan 200 politiemensen elders in te zetten. Ze zullen onder meer worden ingezet bij de diensten van de hoven en rechtbanken en voor de overbrenging van gevangenen.

Ik had het over de DAB. Door het domino-effect zal dit mij in staat stellen om een vergelijkbaar aantal inspecteurs op het terrein aan te stellen. Wij zullen dit stap voor stap doen. Ik wil graag met de kerncentrales beginnen. Ik kan een 250-tal mensen van de DAB inzetten. Dit zal al een eerste stap in de goede richting zijn.

We hebben een voorstel van protocolakkoord aan het kabinet van Defensie bezorgd. Het overleg met de diensten is bezig. We hopen dat naarmate dit dossier evolueert, we in staat zullen zijn om onze politiemensen te reoriënteren naar meer essentiële missies.

Monsieur Thiébaut, en ce qui concerne les questions relatives au budget de la police intégrée, ainsi que les autres questions que vous avez posées à ce sujet, sachez que pour le moment nous sommes en train d’analyser tous les éléments pour voir comment opérationnaliser les objectifs de l’accord de gouvernement au sein des services de police.

Des discussions budgétaires sont en cours ainsi que la préparation de ma note de politique générale. Ces études me permettent de voir comment on peut réaliser l’indexation et augmenter les dotations des zones de secours dans un contexte plus large de restructurations et de réformes. Je vous garantis que mon intention est bien de réinvestir dans la sécurité civile plus largement et en particulier dans la protection civile.

Pour ce qui concerne les 1,8 % d’économies linéaires, des discussions sont également en cours au sein du gouvernement. La police fédérale est en soi immunisée de ces économies et le SPF est lui aussi en grande partie immunisé mais pas dans toutes ses parties.

Ces discussions sont encore en cours au sein du gouvernement autour de la confection du budget. Le concept est d’immuniser autant que possible les départements de sécurité tout en considérant (ce qui est la volonté du gouvernement) qu’il faut mettre de l’ordre dans les finances publiques. Des économies doivent aussi y être faites. Vous connaissez mieux que moi ce genre de discussions: ce n’est pas facile mais nous le faisons de bonne volonté.

Wat de taskforce betreft, is het niet zo dat wij niets doen. Wij zijn bezig en we hebben vanmorgen onze eerste vergadering met de eerste minister, de minister van Justitie, mijzelf en onze ploegen gehad. Dat betekent niet dat we voor deze vergadering niets gedaan hebben. We hebben die vergadering voorbereid, om zeker te zijn dat we een goed kader hebben.

Je rappelle que l'objectif de cette task force n'est pas de créer une nouvelle couche ou un nouveau système, mais bien de nous assurer que la lutte contre le crime organisé, qui figure au cœur de l'accord de gouvernement et qui constitue l'une de mes tâches principales en tant que ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, soit – et vous avez parlé de ketenaanpak – partagé évidemment par tout le monde, chacun à son niveau de responsabilité dans cette approche de la lutte contre le crime organisé. Donc, de ce point de vue, le travail avance.

Monsieur le président, je vais parler un peu plus que les douze minutes qui me sont assignées, mais c'est pour aborder la fusion des zones de police à Bruxelles, qui se fera de manière en effet non volontaire – contrairement au reste du pays. Pour sortir de mes notes, je puis vous annoncer avoir rencontré 18 des 19 bourgmestres. Celle de Molenbeek étant malade, je n'ai pu la voir. Malgré deux demandes, on ne m'a pas indiqué une autre personne que je pourrais rencontrer. Cela dit, je reste à la disposition et je réintroduira ma demande. Mon objectif était bien de faire le tour, comme je l'ai dit, pour exposer les éléments à ma disposition relativement à la fusion de ces zones de police, mais aussi, monsieur Chahid, pour écouter. J'ai ainsi écouté très attentivement les 18 bourgmestres. Nos rendez-vous ont chaque fois duré entre une petite heure et une bonne heure pour écouter leurs préoccupations que j'ai bien entendues et que vous avez, du reste, relayées. Ils ont évoqué, et M. De Smet vient d'en parler également, l'importance de la proximité et les questions budgétaires. Pour être très clair, nous travaillons sur ces dernières, comme sur le reste.

S'agissant de la police de proximité, monsieur De Smet, il n'y a pas, à ma connaissance, d'accord secret ou d'Atoma. Pour être très honnête, en tout cas, je n'en dispose pas. Par conséquent, je me sens parfaitement libre de conduire cette réforme. J'ai bien entendu également ce que mes collègues du gouvernement ont pu en dire, mais – jusqu'à preuve du contraire – c'est un projet qui est piloté par le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, pas par le ministre des Finances ni par un autre ministre fédéral. C'est moi qui vais m'en charger. Dans les deux semaines à venir, je présenterai mon plan au premier ministre pour voir si nous sommes sur la même longueur d'onde. J'avance relativement vite. Une fois que j'aurai pu fine-tuner , pour parler en bon français, ce plan avec le premier ministre, je reprendrai langue avec les bourgmestres, probablement avec la Conférence des bourgmestres pour le faire en une fois. Je vous avoue que je ne vais pas recommencer le pèlerinage alors que j'ai déjà établi mon top 3 des plus beaux bureaux de bourgmestre bruxellois.

Mais j'ai donc bien l'intention de continuer cette concertation. Ce que je voulais quand même dire, c'est que la zone de police Bruxelles-Ville/Région – je ne sais pas quel nom elle prendra – reste une zone de police locale, au même titre que les autres zones de police locales du Royaume. Cela signifie également que je ferai des propositions en termes d'organisation mais le rôle du ministre de la Sécurité et de l'Intérieur s'arrête à un certain moment dans ce qui est de l'organisation et du fonctionnement des zones de police locales.

Je ne suis pas bégueule: c'est une zone de police locale avec 19 communes, ce sera donc clairement la zone de police locale pluri-communale la plus grande du Royaume. Elle devra toutefois continuer à assumer les 7 fonctionnalités de la police locale au même titre que toutes les autres zones de police locale du Royaume tout en faisant face à un certain nombre de spécificités de la ville de Bruxelles.

Mes deux mois de fonction comme ministre de la Sécurité et de l'Intérieur me font dire qu'il y a des spécificités tant géographiques, politiques que de sécurité qui doivent être prises en compte pour déterminer ce que cette future zone de Bruxelles-Ville/Région – de nouveau, ce n'est pas à moi à déterminer le nom qu'elle prendra – devra faire. Mais je sais que nous y reviendrons certainement très prochainement.

In verband met het cocaïnegebruik is ook een ketenaanpak nodig, du producteur au consommateur . De drugsgebruikers moeten hun verantwoordelijkheid nemen en krijgen. Dat is dus een belangrijk deel van onze aanpak.

Maaike De Vreese:

Minister, dat laatste is inderdaad belangrijk. Ook de drugsgebruiker heeft een enorme verantwoordelijkheid. Als er geen gebruikers zijn, zijn er ook geen dealers en zonder dealers is er geen overlast. Daar moet je dus zeker op inzetten maar er is nog een lange weg te gaan.

Coördinatie van de taskforce en overleg zijn natuurlijk belangrijk, maar nog liever zien wij de stappen, de veranderingen die op het terrein gezet en waargemaakt worden. Er is sprake van om 200 tot 250 inspecteurs vrij te maken via het domino-effect, door militairen in te zetten. Dat zal inderdaad een belangrijke stap zijn. Ik ben benieuwd wanneer die mensen effectief op straat hun werk zullen kunnen doen.

Ik hoor u graag zeggen dat u volop bezig bent met de fusie en dat u daaraan voortwerkt. Natuurlijk blijft er dan een lokale politiezone, met alle bijbehorende verantwoordelijkheden die daarbij te pas komen.

We willen graag meedenken over een nieuwe naam voor het Kanaalplan, want u bent daar al een tijdje op aan het sjieken. We willen daar dus gerust mee over brainstormen.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre brève réponse, et pour l'ouverture que j'ai pu entendre sur la question du fonds "Crim org". J'entends que les débats budgétaires ne sont pas clos; en effet, on ne sait pas quel périmètre sera concerné, quel périmètre sera ou ne sera pas impacté par les 1,8 %.

En tout cas, la proposition de notre groupe est là. Elle est discutable. Elle permet d'offrir une solution concrète de financement à des services essentiels. Je sais et j'entends que Mme la commissaire nationale aux drogues fera également une proposition, vraisemblablement dans les semaines à venir. Je pense qu'il est urgent, dès lors qu'il y a un accord pour financer ces services-là, de se mettre autour de la table avec des textes, qu'il s'agisse du nôtre ou d'autres. Je suis totalement ouvert. Pour moi, le principe est important. La nécessité d'affecter des moyens à ces politiques et à la lutte contre ces criminels est vraiment capitale.

Je salue l'ouverture et je vous donne rendez-vous dans au maximum quelques semaines, juste après votre note de politique générale et les budgets qui y correspondent, pour revenir avec notre texte.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het is heel goed dat u met nagenoeg elke burgemeester in Brussel al hebt gesproken over het Kanaalplan en dat u contact hebt opgenomen met de federale politie om u een stand van zaken te geven.

Ik wil een warme oproep doen om ook met de politiezones in de Vlaamse Rand die ik al heb aangehaald samen te zitten, alsook met de luchtvaartpolitie. Voor een plan dat de lokale opvolging van de criminaliteit moet verbeteren is het belangrijk dat niet alleen de federale politie gehoord wordt maar ook de lokale zones. Daartoe wil ik een warme oproep aan u doen.

Ik kan altijd helpen om dat ten minste in mijn eigen zone te faciliteren. U moet echter zeker niet alleen met de politiezone VIMA spreken. Ik sprak al over de zone Zennevallei maar ook over andere zones die heel relevant zijn. U kan die zones ook horen. Ik ben minder goed geplaatst om dat daar te faciliteren.

Ten slotte, ik heb het misschien niet goed begrepen, omdat alles op een hoopje wordt gegooid, maar u zei dat u wou beginnen met de uitrol van het Kanaalplan in Brussel en in de omgeving van Brussel en dus de Vlaamse Rand, maar dat het de bedoeling was om via dat plan in het hele land tot een aanpak te komen. Dat lijkt mij zeker nuttig om de drugscriminaliteit in het hele land strenger aan te pakken. Ik was echter enigszins bezorgd over de manier waarop u dat verwoordde. Het Kanaalplan heeft immers de vorige keer extra vte's op het veld gebracht. Ik ben uiteraard voorstander van meer rekruteringen en van het voornemen om in het hele land meer politiemensen te hebben. Wij moeten dat echter ook koppelen aan de realiteit. Wij zullen dit de komende maanden wel nog bekijken, maar ik vroeg mij in dat verband af hoe u dat voornemen concreet zag. Ik wil ook oproepen om echt te focussen op de plaatsen waar de noden het hoogst zijn.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse assez claire.

Il n'y a pas de carnet Atoma. Donc lorsque un ministre affirme que chacune des six zones pourra conserver 75 % de ses capacités, il se peut qu'il ait inventé cette information. En tout cas, ce n'est pas confirmé. Dont acte.

Bernard Quintin:

Je n'ai pas vu de carnet Atoma.

François De Smet:

Vous n'en avez pas vu? Sans doute faut-il être croyant et non pratiquant.

Et quand Les Engagés nous disent que 19 bourgmestres pourront garder leurs prérogatives, ce n'est pas non plus confirmé!

Vous dites que vous allez présenter votre plan au premier ministre puis à la Conférence des bourgmestres. Nous pourrions nous demander s'ils auront une marge de manœuvre et s'il y aura une vraie discussion. Tant mieux si vous êtes prêt à faire des amendements.

Vous dites que "la zone de Bruxelles-Ville/Région reste une zone de police locale". Je trouve cela très intéressant. J'adore cette phrase, mais ne vous prouve-t-elle pas l'absurdité de ce qui s'annonce? Bruxelles est en effet une Région composée 19 communes et de beaucoup de quartiers extrêmement différents. Vous dites que des spécificités géographiques doivent être prises en compte. Nous en sommes bien conscients. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle il y six zones de police, et non une seule.

Nous marchons donc sur la tête. Je continue à dire que nous nous retrouvons avec une concession irrationnelle, simplement parce qu'une série de partis flamands et le MR voulaient absolument cette fusion. Les Bruxellois ne la demandent pas.

Vous êtes en train, avec beaucoup de consultations et de sympathie, de chercher des arguments pour justifier cette fusion. Vous allez tenter de la réaliser contre l'avis, mais surtout contre l'intérêt des Bruxellois. Je ne désespère pas de vous convaincre avant qu'il ne soit trop tard.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik blijf wat op mijn honger. Op 21 februari is er een taskforce opgericht en de eerste vergadering gaat door op 2 april. Men heeft dus een maand de tijd nodig gehad om een vergadering voor te bereiden en dat noemt u vooruitgang. Ik hoor echter vooral geen enkele concrete maatregel. Ik hoor niets over wat er op het terrein zal gebeuren. Ik zie of hoor ook niet welke budgetten daarvoor uitgetrokken worden. Het blijft wachten op uw beleidsnota en op de budgetten die daarin hopelijk zullen worden voorgesteld.

Uiteraard moeten we die ketenaanpak in acht nemen en de vraagzijde verminderen om het aanbod te doen dalen. Ik heb echter uw visie op ons voorstel niet gehoord, namelijk om verplichte drugstests op te leggen aan ambtenaren en ook politici – waarom niet? We hebben een voorbeeldfunctie en het Vlaams Belang is daar zeer duidelijk over. We zullen dit voorstel nog voorleggen in het Parlement. Als de regering het niet zelf doet, moeten we het heft in eigen handen nemen en een verplichte drugstest opleggen aan politici, maar ook aan andere beroepscategorieën zoals de magistraten.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, vous nous dites que vous avez rencontré 18 des 19 bourgmestres et que vous les avez écoutés. Nous verrons dans la proposition de fusion que vous allez transmettre au Parlement si vous les avez entendus, car là réside notre principale demande: avez-vous entendu les bourgmestres? Je rappelle, comme j'ai déjà eu l'occasion de vous le dire, qu'un bourgmestre a des prérogatives légales avec des conséquences pénales s'il ne les remplit pas. Si vous ne donnez pas les conditions qui lui permettent de remplir ses missions de bourgmestre, la question est de savoir à qui revient la faute, notamment en termes de sécurité. Je rappelle aussi, et vous l'avez dit d'ailleurs dans votre réponse, qu'il y a 19 réalités différentes. Lorsque, demain, une seule zone de police concentrera l'ensemble de ses moyens sur des quartiers plus difficiles que d'autres, comment ferez-vous en sorte que la sécurité soit assurée dans des quartiers où la sécurité se traduit par des réalités hétérogènes, où on parle plus de sécurité routière que de cambriolage ou de trafic de drogue? Par exemple dans une commune comme la mienne, la présence de véhicules garés en double-file dans une rue est plus préoccupant que dans d'autres communes puisque nous n'avons pas les mêmes problèmes de sécurité. Je sais que vous avez reçu de la part de bourgmestres un certain nombre de motions, de documents, d'études. J'espère que vous pourrez en tenir compte et revenir sur un certain nombre de choses que j'ai pu lire dans la presse. Je sais aussi que votre préoccupation est que la sécurité soit assurée partout. Nous sommes évidemment d'accord. Sur ce point, nous vous suivrons et serons toujours derrière vous. Il reste à voir les modalités de ce projet de loi. Je vous remercie, en tout cas, des réponses que vous avez apportées.

De kerntaken van de politie
De kerntaken van de politie
De kerntaken van de politie

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de herstructurering en financiering van de Belgische politie, met focus op taakverdeling tussen federale en lokale politie, efficiëntere middeleninzet en privatisering van niet-kerntaken. De Vreese dringt aan op grotere politiezones, herziening van het HyCap-solidariteitssysteem, duidelijke kerntaken voor federale politie (bovenlokaal/gespecialiseerd) en overdracht van niet-politionele taken aan privé of andere overheden, met concrete vragen over timing (vóór de zomer) en budgettaire oplossingen. Minister Quintin beaamt de noodzaak maar stelt concrete antwoorden uit tot na de begrotingsopmaak, benadrukkend dat de staat het monopolie op geweld behoudt en enkel ondersteunende taken gepivatiseerd kunnen worden. Spoorweg- en scheepvaartpolitie blijven knelpunten door capaciteitstekorten en onduidelijke bevoegdheden.

Maaike De Vreese:

De regering zal een bijkomende inspanning doen om nieuw beleid te voeren en te financieren. Natuurlijk moeten er ook extra financiële middelen voor de veiligheidsdepartementen uitgetrokken worden, zodat die hun kerntaken opnieuw volwaardig kunnen uitvoeren, en de politie moet kunnen focussen op haar kerntaken.

We moeten dus in de eerste plaats de taak- en bevoegdheidsverdeling van de federale en de lokale politie opnieuw scherpstellen en waar nodig actualiseren. De lokale politie heeft behoefte aan grotere lokale politiezones en meer interzonale samenwerkingsverbanden. Het solidariteitssysteem van de gehypothekeerde capaciteit (HyCap) moet worden herbekeken en de federale politie moet meer kunnen focussen op gespecialiseerde en bovenlokale opdrachten.

Mijnheer de minister, die zaken zijn natuurlijk niet nieuw. Ze worden al jaren aangekaart en deze legislatuur hopen we daar echt verandering in te brengen.

Tevens dienen we de juridische belemmeringen weg te werken die de uitoefening van bepaalde niet-politionele taken door privéactoren, ter ondersteuning van de politiediensten, momenteel nog in de weg staan. Op die manier willen we inderdaad zoveel mogelijk blauw op straat krijgen.

Daarnaast moeten we zorgen voor een optimale benutting van de al bestaande mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader om niet-politionele taken te laten uitvoeren door privéspelers. Bepaalde taken kunnen zeker ook worden overgeheveld naar andere overheidsdiensten, zowel lokaal als federaal.

Tot slot stel ik opnieuw een vraag over de financiële middelen voor de politiediensten in de komende legislatuur in dit land. Waarschijnlijk kan ik daar hetzelfde antwoord op verwachten, maar ik stel ze toch maar.

Hoe moet de toekomstige taak- en bevoegdheidsverdeling van de federale en de lokale politie eruitzien? Hoe zit het met de kerntaken?

Op welke manier wilt u grotere lokale politiezone stimuleren? Welke wijzigingen aan het solidariteitssysteem van de HyCap wilt u doorvoeren? Wat zijn volgens u de gespecialiseerde en bovenlokale opdrachten van de federale politie?

Welke mogelijkheden ziet u binnen het huidige wettelijke kader om niet-politionele taken te laten uitvoeren door privéspelers? Welke nieuwe mogelijkheden wilt u creëren?

Welke taken kunnen volgens u worden overgeheveld naar andere overheidsdiensten? Kunt u dat in uw antwoord opsplitsen naar het lokale en het federale niveau?

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, ik begrijp voor een stuk uw visie met betrekking tot het opnieuw toewijzen van essentiële taken aan de politie, evenals het overdragen aan de privésector van bepaalde taken die momenteel door de politie worden uitgevoerd. Ik deel ook uw mening over het belang van het verhogen van de middelen voor de lokale politie en het verbeteren van de solidariteit, met name door middel van het HyCap-model, een solidariteitsmechanisme tussen lokale politiezones.

Zoals u weet, ben ik bezig om aan deze zorgen tegemoet te komen door de KUL-norm te herzien en door de taken te bestuderen die aan de privésector zouden kunnen worden overgedragen. Het is echter nog te vroeg om u nu al een precies antwoord te geven. Daarom nodig ik u uit om mij uw vraag opnieuw te stellen zodra onze begroting is opgesteld.

Ik deel echter uw bezorgdheid over de verduidelijking van de missies van de politie en de creatie van een goed kader voor het aandeel van de privésector daar. L'Etat doit rester le seul détenteur de la légitimité de la force. Dat is terzelfder tijd mijn leidraad en mijn rode lijn.

Maaike De Vreese:

Op het terrein speelt er heel wat op het vlak van de bevoegdheidsverdeling tussen de federale en de lokale politie. Ik heb straks ook nog een vraag in verband met de scheepvaartpolitie en de manier waarop er met de lokale politie moet worden samengewerkt.

Er zijn ook heel wat vragen over de spoorwegpolitie in West-Vlaanderen. Wat zijn hun taken en hoe kunnen zij die in godsnaam goed uitvoeren zonder over de daarvoor nodige capaciteit te beschikken? Ik kijk dus enorm uit naar de gesprekken over de begroting en naar de herziening van de KUL-norm. Komt u al voor de zomer met een voorstel daarrond? Aangezien het een bijkomende vraag is, zal ik die misschien later of tijdens de begrotingsbesprekingen stellen. Ik volg het alleszins op.

Voorzitter:

Het antwoord zal in de toekomst duidelijker worden, veronderstel ik. Vraag nr. 56002290C van de heer Troosters wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

Het onrechtmatige gebruik van e-mailadressen van de politiediensten

Gesteld door

VB Ortwin Depoortere

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De deontologische code voor politieambtenaren (20 jaar oud) wordt herzien na kritiek op verouderde regels, onder meer door een tuchtzaak over privégebruik van politie-emails. Minister Quintin bevestigt dat de herziening in 2025 verdergaat (na COVID-vertraging) om de code aan te passen aan hedendaagse maatschappelijke en operationele uitdagingen, met aandacht voor internationale best practices. Hij benadrukt dat de huidige regels *duidelijk* zijn (geen structureel misbruik) maar modernisering nodig is. Depoortere steunt het initiatief en verwacht de resultaten af.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, deze vraag was eigenlijk gericht aan uw voorgangster, mevrouw Verlinden. Ze is dus misschien enigszins gedateerd.

Het Comité P heeft agenten berispt omdat ze hun e-mailadres onrechtmatig gebruikt zouden hebben in de privésfeer. Ze zouden een officiële waarschuwing gekregen hebben. Naar aanleiding daarvan hebben heel wat mensen uit de sector, maar ook uit de academische wereld ervoor gepleit om de deontologische code voor politieambtenaren te moderniseren, want die is intussen al meer dan 20 jaar oud.

Zult u die deontologische code op termijn actualiseren?

Bernard Quintin:

Ik wil het besluit van de tuchtoverheid ten volle respecteren. Ik ga ervan uit dat die rekening heeft gehouden met alle elementen van de zaak. Het is niet aan mij om commentaar te leveren op die beslissing.

Wat de problematiek van de deontologische code betreft, wijst niets erop dat het gaat om een breder of structureel probleem van illegaal gebruik van politiemiddelen. De deontologische code is op dat punt heel duidelijk. Personeelsleden mogen voor privédoeleinden geen middelen gebruiken die door de politieorganisatie ter beschikking worden gesteld, zoals voertuigen, apparatuur of software.

De deontologische commissie is eind 2019 bijeengekomen voor de mogelijke herziening van de deontologische code. Door de covidpandemie werd het werk van de werkgroep opgeschort. De werkzaamheden van de deontologische commissie werden in het najaar van 2024 hervat en worden in 2025 voortgezet. De commissie overweegt om de deontologische code te actualiseren om die zo in lijn te brengen met de huidige maatschappelijke context en de complexiteit van het politiewerk. De herziening van de deontologische code is een delicate oefening, waarbij goede praktijken, in België en internationaal, niet uit het oog mogen worden verloren.

Ik kan u nog geen precieze datum geven voor de voltooiing van de herziening, maar de werkgroep zet zijn werk voort. De volgende bijeenkomst is op 27 mei 2025 gepland.

Ortwin Depoortere:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik kan mij daar helemaal bij aansluiten. Ik ben blij dat u en de deontologische commissie daar werk van maken. Ik kijk alvast uit naar het resultaat daarvan.

De vraag om bijstand van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge
De inzet van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge
Optreden van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Brugse burgemeester kritiseerde de scheepvaartpolitie Zeebrugge omdat zij weigert in te grijpen bij lokale overlast (bv. jongeren) ondanks hun 24/7-beschikbaarheid, terwijl de lokale politie te traag ter plaatse is. Minister Quintin bevestigde dat de scheepvaartpolitie enkel bevoegd is voor havenzaken, maar dat er sinds 2002 een samenwerkingsprotocol met Brugge geldt—laatst geëvalueerd op 8 oktober 2024 zonder aanpassingen—waarin dringende hulp wel verplicht is. De Vreese vindt de burgemeesterskritiek onterecht als het protocol ongewijzigd blijft en benadrukt de toekomstige uitdagingen (bv. Russische schepen) voor de scheepvaartpolitie. Conclusie: de taakverdeling staat, maar de communicatie tussen partijen faalt.

Voorzitter:

De heer Demon is afwezig.

Maaike De Vreese:

Minister, in de Brugse gemeenteraad werd op 16 december 2024 het fenomeen van overlast door jongeren in de Zeebrugse woonkern aangekaart. De lokale politie is bereid om de wijkwerking uit te breiden, maar heeft 's nachts geen permanentie in Zeebrugge. De rijtijd van het Brugse politiehuis naar Zeebrugge voor een interventie bedraagt 20 minuten.

De Brugse burgemeester was tijdens die gemeenteraadszitting opvallend kritisch over de werking van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge: “Er staat daar een zeer uitgebreide en mooie kazerne in Zeebrugge van de scheepvaartpolitie, die dag en nacht beschikbaar is met perfecte voertuigen en manschappen. Maar als de mensen zelf - de buurtbewoners - binnenlopen om te zeggen dat er iets gebeurt, is het antwoord van de scheepvaartpolitie 'Dat is niet onze taak. Wij dienen voor de haven en voor niets anders dan de haven'. Ze hebben een tijdlang rond transmigranten hun deel gedaan, maar er zijn quasi geen transmigranten meer in Zeebrugge, dus dat probleem is van de baan. En in andere zaken komen zij gewoon niet tussen… Die scheepvaartpolitie heeft uiteraard een aantal taken die met de haven te maken hebben, maar die hebben ook wel wat tijd, zeker 's nachts."

Ik citeer hem letterlijk omdat ik aangedaan was door de manier waarop de burgemeester van de op twee na grootste stad in Vlaanderen, die op een constructieve manier zou moeten samenwerken met de federale politie, met een zekere minachting over die dienst spreekt. Nochtans is hij vragende partij voor bijstand van de scheepvaartpolitie bij incidenten, in afwachting van de komst ter plaatse van de lokale politie.

Ik vind dat de belangrijkste taak van een burgemeester is om ervoor te zorgen dat de veiligheid op zijn grondgebied gegarandeerd is en dat zijn politiediensten op tijd ter plaatse kunnen zijn, waar zij zich ook bevinden. Het grondgebied is misschien iets groter, maar hij moet ervoor zorgen dat de politiemensen op tijd bij de inwoners van Brugge geraken. Dat is zijn eerste prioriteit als burgemeester.

Mijnheer de minister, hoe is de verstandhouding tussen de verschillende diensten en niveaus met betrekking tot de situatie in Zeebrugge? Wanneer ging er overleg door met de verschillende actoren? Wat was de conclusie van dit overleg?

Bent u bereid om te bekijken hoe de samenwerking tussen de scheepvaartpolitie en de lokale politie beter kan, zodat er in moeilijke situaties bijstand kan worden verleend? Wat is de huidige personeelscapaciteit van de Zeebrugse afdeling van de scheepvaartpolitie? In welke mate kan die 24/7 ingrijpen? Zitten zij daar 's nachts inderdaad met hun vingers te draaien of hebben ze iets te doen? Ik vind de toon van de burgemeester namelijk echt niet kunnen.

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, ik was daar niet, maar ik ben het met u eens. De toon is belangrijk, net als de dienstverlening.

Het voorzien in een gelijkwaardige en kwaliteitsvolle politiezorg over het volledige grondgebied is een van de kernwaarden van de geïntegreerde politie en dit al sinds de oprichting, meer dan 20 jaar geleden. Het concept van onze geïntegreerde politie voorziet twee niveaus. De lokale politie is verantwoordelijkheid voor de basispolitiezorg op het grondgebied van de politiezone, terwijl de federale politie met toepassing van de beginselen van subsidiariteit en specialiteit de gespecialiseerde politiezorg en -steun waarborgt.

De scheepvaartpolitie is in principe inderdaad alleen actief op de waterwegen en in de havens. De politiezone Brugge is verantwoordelijk voor de politionele dienstverlening op haar territorium. Omwille van de specifieke plaatsgesteldheid in Zeebrugge, waar de woonkern met het havengebied verweven is, heeft de scheepvaartpolitie echter sinds 1 januari 2002 een samenwerkingsprotocol met de politiezone Brugge, waarin onder meer de territoriale verdeling is opgenomen. Dit protocol werd op 1 januari 2023 nog vernieuwd en wordt regelmatig geëvalueerd. De laatste evaluatie dateert van 8 oktober jongsleden, waarbij werd geconcludeerd dat er geen aanpassingen of bijsturingen nodig waren. De volgende evaluatie van deze structurele samenwerking is voor 20 mei 2025 gepland.

Los van dit protocol moet natuurlijk elke politiedienst en elke politieman of -vrouw optreden voor dringende noodhulp, tot en met het moment waarop de relevante diensten ter plaatse kunnen komen. Ook voor het onthaal van hulpzoekende burgers volgt het protocol het geldende juridische kader. Personen die zich met een dringende vraag om hulp bij hun politiepost aanbieden, worden onmiddellijk geholpen. Indien de hulpvraag niet dringend is, wordt de persoon naar de meest adequate dienst doorgestuurd. Bij de volgende evaluatie van het protocol zal deze taakverdeling opnieuw kunnen worden besproken indien ze niet naar wens van een of meerdere stakeholders is.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik vind het dan nog frappanter dat als er op 8 oktober 2024 nog overleg geweest is over het protocol en de conclusie van beide partijen daar luidde dat er niets hoeft te worden veranderd, er op 16 december op die manier zo'n sneer wordt uitgedeeld. Als men rond de tafel zit, moeten de problemen op dat moment besproken worden en niet in de gemeenteraad van Brugge. De scheepvaartpolitie staat nog voor grote, nieuwe uitdagingen om controle uit te oefenen op de kritieke infrastructuur en de Russische schepen die in de buurt daarvan varen. Ik hoop dat u die politiemensen volop ondersteunt.

Het politiepersoneel

Gesteld door

Vooruit Alain Yzermans

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alain Yzermans pleit voor volledige toegang tot lopende tuchtdossiers en functioneringsnota’s in politiemobiliteitsprocedures, om integriteit te waarborgen en te voorkomen dat selectiecommissies beslissingen nemen zonder cruciale informatie over lopende onderzoeken. Minister Bernard Quintin wijst dit af wegens gebrek aan wettelijke basis en het vermoeden van onschuld, aangezien alleen afgeronde tuchtzaken in dossiers mogen worden opgenomen. Yzermans blijft aandringen op een wettelijke aanpassing, benadrukkend dat dit in specifieke gevallen essentieel is voor verantwoorde mobiliteitsbeslissingen. De kern: spanning tussen transparantiebehoefte en juridische beperkingen in politiepersoneelsdossiers.

Alain Yzermans:

Mijnheer de minister, in het kader van de mobiliteitsprocedure is toegang tot het volledige personeelsdossier essentieel voor het waarborgen van de integriteit bij de selectie van politiepersoneel, vooral in situaties waarin er tucht- of gerechtelijke onderzoeken aan de orde zijn. Politiebeambten kunnen tijdens hun loopbaan van werkplaats veranderen. De selectiecommissie heeft alleen toegang tot het mobiliteitsdossier, dat gebaseerd is op elementen uit het persoonlijk dossier, zoals tuchtstraffen. Dit dossier bevat echter enkel uitgesproken straffen en geen lopende zaken, wat soms zorgt voor problemen.

Het is cruciaal dat de politiezone die de kandidaat aanwerft inzage heeft in het volledige personeelsdossier. Als er bijvoorbeeld een vooronderzoek inzake tucht loopt tegen een personeelslid zal deze informatie niet zichtbaar zijn in het mobiliteitsdossier of het persoonlijk dossier. Pas wanneer een tuchtstraf definitief is, wordt deze opgenomen in het gedeelte 'Tuchtstraffen' van het persoonlijk dossier.

Een bijzondere situatie doet zich voor wanneer een personeelslid tijdens een lopende tuchtprocedure van werkplek verandert. Dan is er geen informatie over deze procedure beschikbaar in het mobiliteitsdossier. Dat betekent dat de selectiecommissie geen kennis kan nemen van deze belangrijke informatie zolang het onderzoek loopt. Bovendien kan het dat een al gestart tuchtonderzoek na de mobiliteit van een kandidaat door de nieuwe werkgever moet worden voortgezet.

Mijnheer de minister, er zijn voor de verschillende politiediensten verschillende tuchtoverheden. Kunt u de verplichting opleggen dat alle lopende tuchtdossiers worden gecentraliseerd in een databank die raadpleegbaar is voor deze tuchtoverheden? Dat zou immers een wezenlijke verbetering zijn van deze mobiliteitsprocedure. Kan er in het belang van de integriteit van kandidaten volledige inzage verkregen worden, waarbij alle lopende tuchtonderzoeken en alle functioneringsnota's bij het mobiliteitsdossier worden gevoegd? Die bevatten immers heel interessante informatie.

Bernard Quintin:

Mijnheer Yzermans, op dit moment is er geen wettelijke basis om een lopende tuchtzaak in een persoonlijk dossier op te nemen tot het onderzoek is afgerond. Om deze redenen en vanwege wettelijke verplichtingen kan ik als minister een dergelijke maatregel niet opleggen. Mobiliteitsdossiers worden opgesteld in overeenstemming met het statuut, dat voorziet in een zekere mate van discretie met betrekking tot feiten, gebeurtenissen en klachten die eerst moeten worden onderzocht voordat ze aan politiepersoneel kunnen worden toegeschreven en die, indien van toepassing, in een personeelsdossier kunnen worden opgenomen.

Zoals u weet, zijn het beginsel van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging ook van toepassing in tuchtzaken in overeenstemming met artikel 57 van de tuchtwet van 13 mei 1999.

Alain Yzermans:

Ik blijf toch aanklagen dat in bepaalde zones… Het is een specifieke situatie en ik stel ook niet dit in het algemeen een wijdverspreid probleem zou zijn. Om mobiliteitsdossiers van politiebeambten oordeelkundig te kunnen behandelen, is het belangrijk alle informatie te kennen. Daarzonder zou men immers een andere beslissing kunnen nemen. Het is daarom belangrijk daarover na te denken en eventueel een wetgevend initiatief daarvoor te nemen. Er wordt daar immers luid en veelvuldig naar gevraagd.

De financiering van de politiezones en de ZSG's

Gesteld door

PS Marie Meunier

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de financiering en capaciteitsdruk op politiezones (met name Mons-Quévy) door de uitbreiding van Centra voor Opvang van Seksueel Geweld (CPVS), die 24/7 pluridisciplinaire hulp bieden maar extra politie-inzet vereisen (o.a. twee agenten per slachtofferbegeleiding). Minister Quintin bevestigt dat de CPVS gefinancierd worden via bestaande kanalen (gelijkheidsinstituut, slachtofferhulp) en dat gespecialiseerde inspecteurs de taak dragen, zonder extra middelen voor lokale politiezones, ondanks hun huidige overbelasting door federale taakdelegatie. Meunier stelt vast dat dit betekent dat politiezones (zoals Mons) zonder verlichting de extra last moeten dragen, ook bij begeleiding naar CPVS in andere steden (bv. Charleroi), wat hun kernTaken onder druk zet. De kern: geen structurele oplossing voor de politiecapaciteit, ondanks groeiend CPVS-netwerk.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS), désormais inscrits dans la loi, sont un pilier essentiel pour soutenir les victimes de violences sexuelles en leur offrant une approche pluridisciplinaire et adaptée. Avec 10 CPVS opérationnels et un budget prévu pour trois centres supplémentaires, il apparaît que l'extension de ce réseau soit sur la bonne voie, ce qui est très positif et que je tiens à saluer.

Dans le cadre de la création de trois nouveaux centres, l'un d'eux sera créé à Mons et j'ai récemment rencontré les responsables de la zone de police Mons-Quévy qui sont déjà sous pression et qui m'ont fait part de leurs difficultés et de leurs inquiétudes concernant la prise en charge des victimes de violences sexuelles. Il faut savoir qu'un CPVS implique une collaboration étroite avec la police pour assurer les gardes, l'accueil et l'accompagnement des victimes vers les CPVS, et cela 24 heures sur 24. Cela représente une charge de travail non négligeable et un besoin en effectifs de police assez conséquent.

Comme beaucoup de zones de police locales, la zone de police Mons-Quévy est déjà sous pression en raison de la délégation croissante des missions fédérales sans augmentation en parallèle de moyens. C'est en tout cas ce qu'ont pu me dire les représentants que j'ai eu l'occasion de rencontrer. Votre prédécesseuse nous avait répondu que la prise en charge des victimes faisait partie des missions des agents de police mais, en réalité, c'est une charge conséquente qu'ils doivent supporter en plus de leurs missions de base.

J'ai eu l'occasion de visiter le CPVS de Charleroi et c'est aussi ce qui nous revenait du terrain. C'est encore plus vrai pour les petites zones de police qui ne disposent que parfois de deux policiers pour une garde, sachant que la prise en charge d'une victime nécessite d'office deux agents.

Monsieur le ministre, dans le cadre de l'ouverture des trois nouveaux CPVS, notamment celui de Mons, et le renouvellement des CPVS existants, quels moyens additionnels sont prévus pour soutenir les zones de police et leur permettre d'assurer ces missions supplémentaires sans porter préjudice à leurs missions de base et sans augmenter la pression et la charge de travail de nos policiers?

Bernard Quintin:

Merci pour votre question. Comme vous l'avez dit, les CPVS assurent une permanence 24 heures sur 24 et sept jours sur sept, et les services de police y sont intégrés. L'assistance des victimes est assurée par des inspecteurs spécialisés et, pour remplir cette mission et garantir une permanence quotidienne, le service comprend deux inspecteurs spécialisés en matière de violences sexuelles. Cette garde est assurée par la police locale avec le soutien de la police fédérale. Je ne me prononcerai pas sur le fait qu'il y a des missions supplémentaires ou pas qui sont confiées aux zones de police locales. À cet égard, les inspecteurs exerçant dans ces CPVS sont spécialisés en violence.

Ces structures sont financées, d'une part, par l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes et, d'autre part, par le service de l'assistance aux victimes. Pour ce qui est de la situation de Mons-Quévy, il existe effectivement un projet d'un centre CPVS au niveau de l'arrondissement judiciaire de Mons-Tournai qui, avec deux autres, nous permettra de compléter le maillage de ces CPVS sur l'ensemble du territoire.

Marie Meunier:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. J'entends qu'il n'y a pas actuellement de volonté de financer les zones de police de manière complémentaire pour ce projet spécifique. Voilà ce que je peux en conclure. Je vais vous donner un exemple concret. Aujourd'hui, il existe pour la province de Hainaut un CPVS à Charleroi. Lorsqu'une victime arrive à Mons, c'est la zone de police de Mons qui doit accompagner cette victime à Charleroi. Demain, ce sera la même chose si ça arrive à Mons. La victime devant être accompagnée, deux agents de police doivent être détachés de la zone de police de Mons vers le CPVS qui se situe à Charleroi. Par conséquent, c'est toujours la police de Mons-Quévy qui doit s'occuper de la victime et qui doit assurer le suivi. Dès lors, si j'entends bien, il n'y a pas de volonté de consacrer des moyens financiers à l'engagement de deux policiers supplémentaires. Voilà la réponse à ma question.

De opvang en de begeleiding van slachtoffers van seksueel geweld door de politie

Gesteld door

PS Marie Meunier

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de beperking van zeven dagen voor politiebegeleiding van slachtoffers van seksueel geweld naar Centra voor Opvang van Seksueel Geweld (CPVS). De minister bevestigt dat de wet enkel acute gevallen (≤7 dagen) dekt, terwijl slachtoffers in latere fasen (8-30 dagen of >30 dagen) zelfstandig moeten handelen—wat drempels oplevert. Meunier benadrukt dat gebrek aan middelen politieoptreden in de praktijk verder beperkt en pleit voor wetsaanpassing en betere financiering, gezien het succes van CPVS (80% aangiftebereidheid). De minister wijst op lopende evaluaties maar sluit directe wijzigingen niet uit.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, vous aurez compris aisément aujourd'hui que je porte une attention toute particulière aux Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS). Je ne reviendrai pas sur l'importance de ces centres, ni sur leur implication étroite avec la police.

Par contre, il me revient du terrain que, dans l'état actuel des choses, les victimes qui se présentent dans un commissariat ne seraient accompagnées par la police vers un CPVS que si elles signalent les faits dans un délai de sept jours. Cela signifie que passé ce délai, elles ne peuvent plus bénéficier de cet accompagnement et doivent se rendre par leurs propres moyens dans un CPVS, ce qui peut constituer un frein supplémentaire à leur prise en charge.

Il semble que si une victime se rend directement dans un CPVS mais que les faits ont été commis il y a plus de sept jours, la police ne se déplace pas non plus jusqu'au CPVS pour prendre la plainte de la victime sur place. La victime doit à la fois s’adresser au CPVS et retourner à la police pour porter plainte.

Monsieur le ministre, pouvez-vous me confirmer que cette limitation à sept jours est aujourd'hui une réalité et que, en pratique, la police n'accompagne plus les victimes au-delà de ce délai et ne se déplace plus pour enregistrer les plaintes? Si tel est le cas, envisagez-vous une adaptation de la loi afin de permettre un accompagnement par la police vers les CPVS au-delà des sept jours, dans l'intérêt des victimes? Dans la négative, prévoyez-vous une évaluation de la législation actuelle, en concertation avec les acteurs de terrain, afin d'examiner l'impact de cette règle et d'éventuelles autres améliorations à y apporter?

Bernard Quintin:

Madame Meunier, merci pour vos questions sur un sujet qui me paraît absolument fondamental.

Comme vous le savez, la loi du 26 avril 2024 relative aux CPVS est une réelle et très importante avancée pour les victimes. C'est un accueil multidisciplinaire au sein duquel les services de police ont une part importante à prendre – et c'est bien le cas sur le terrain – aux côtés des professionnels de la santé et du ministère public. Encore très concrètement cette année, on le voit avec les récentes formations qui sont en cours pour l'ensemble des policiers et les inspecteurs des mœurs.

Pour répondre précisément à votre question, les dispositifs de la loi ont fait l'objet de longues réflexions et d'échanges entre professionnels et experts de ces violences basées sur le genre. Il en est ressorti une articulation spécifique, faisant des distinctions importantes en fonction de la situation et du degré d'urgence de celle-ci. En effet, la loi s'articule autour de la différence voulue par le législateur entre les victimes de violences sexuelles qui, au moment de l'admission au sein de la structure CPVS, ont eu lieu il y a sept jours ou moins, dites phase aiguë. Je m'excuse d'emblée pour la terminologie, mais c'est celle-là. Je comprends que du côté des victimes, elle soit plus difficile à entendre, mais c'est le vocabulaire agréé. Entre huit et trente jours après, c’est la phase post-aiguë. Après trente jours, c’est la phases non aiguë.

Le fait que la police n'accompagne pas, dans le cadre des CPVS, les victimes de violences sexuelles au-delà d'un délai de sept jours, c'est-à-dire les victimes de violences sexuelles en phase post-aiguë et non aiguë, est la conséquence directe de ce travail préparatoire législatif, et donc de l'application de la loi.

En effet, la loi citée prévoit en son article 11 que si une victime de violences sexuelles en phase aigüe se présente aux services de police et n'est pas en mesure de se rendre par elle-même à la structure CPVS, les services de police l'accompagnent dès que possible à la structure en question. L'article 12 de la loi prévoit, quant à lui, que les services de police assurent l'audition des victimes de violences sexuelles en phase aigüe au sein du CPVS.

En résumé, il ressort expressément de la loi que les services de police n'accompagnent à la structure CPVS et n'auditionnent dans une telle structure que les seules victimes de violences sexuelles en phase aigüe. Pour les victimes de violences sexuelles en phase post-aigüe et non aigüe qui se présentent auprès d'une structure CPVS, les services de police assurent la coordination et l'organisation d'une assistance policière en dehors de ladite structure. Une victime de violences sexuelles en phase post-aiguë et non aigüe est toujours informée de la possibilité de déposer une plainte. Par ailleurs, je rappelle que l'ensemble des policiers reçoivent des formations et ont accès à des outils d'information et de sensibilisation sur les violences liées au genre.

Certes, il convient de poursuivre les efforts en interne mais cela va clairement dans le bon sens. Nous poursuivrons donc nos efforts afin d'assurer systématiquement un accueil toujours meilleur de la victime de telles violences par les services de police, que l'on se trouve au sein d'un CPVS ou d'un commissariat ou encore en intervention policière.

Il me semble important d'indiquer qu'une évaluation scientifique effectuée par l'International Centre for Reproductive Health Belgium de l'Université de Gand confirmait déjà en 2018 que le modèle CPVS comme prévu à ce jour présente une valeur ajoutée significative pour la prise en charge de victimes de violences sexuelles.

Enfin, pour ce qui est de l'évaluation, vous aurez certainement vu dans la loi que cette mission est coordonnée et assurée par l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes. Les services de police y participeront le cas échéant.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Lorsque j'ai déposé mes questions, je ne savais pas que je devrais les poser les unes derrière les autres. Mais la problématique que je vous explique ici dépend aussi du financement.

Effectivement, comme vous l'avez indiqué, il existe différentes phases. Aujourd'hui, dans les faits, même si un détachement complémentaire est prévu dans la phase post-aigüe, la police n'intervient plus dans les CPVS parce qu'elle n'a plus les moyens d'y détacher du personnel complémentaire. Elle s'en tient stricto sensu à ce qui est écrit dans la loi.

Un travail est à effectuer pour augmenter ce délai dans l'intérêt des victimes. Nous avons maintenant le recul nécessaire lié à l'élaboration des CPVS. On sait que 80 % des victimes qui passent leurs portes déposent plainte. Un suivi de leur agression est fait. Ces outils permettent aux victimes de s'en sortir et sont positifs.

Il faut donner l'ensemble de ces moyens aux victimes pour qu'elles puissent déposer plainte et être suivies dans leur parcours. Vous vous en doutez, je serai fort attentive à la suite et je ne manquerai pas de vous revenir.

Voorzitter:

Vraag nr. 56002913C van mevrouw Dedonder is omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 56002985C van mevrouw De Vreese is eveneens omgezet in een schriftelijke vraag. La question n° 56003042C de M. Patrick Prévot est sans objet car il est absent. Les questions jointes n° s 56003079C et 56003080C de M. Hervé Cornillie sont sans objet car il est absent également.

Het incident met politiegeweld tijdens de betoging van 13 januari in Brussel
Het incident met gewelddadige politieagenten tijdens de betoging van 13 januari in Brussel
De onthullingen van ACOD Politie met betrekking tot het politiegeweld
Politiegeweld en onthullingen tijdens Brusselse betoging van 13 januari

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De CGSP Police (een politiesyndicaat) kaart herhaalde politiegeweldpleging aan binnen de Brusselse politie en het INT-teams (inclusief agressie tegen collega’s en brandweerlieden), met beschuldigingen van brassardverwijdering om ontraceerbaar te blijven, straffeloosheid en een crisis in leiding en vertrouwen. Minister Quintin ontkent de feiten op basis van een interne controleonderzoek (dat volgens kritiek nooit plaatsvond of partijdig was), bevestigt een "nul-tolerantiebeleid", maar wijst slachtoffers naar het Comité P of justitie voor verdere stappen. Parlementsleden Boukili en Maouane eisen een onafhankelijk onderzoek, wijzen op institutionele doofpotcultuur en tegenstrijdige informatie, en benadrukken dat systematische geweldpleging door agenten – ook tegen eigen rangen – de staatsautoriteit ondermijnt en dringend sancties vereist.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, comme vous le savez, la confiance des citoyens envers nos forces de l'ordre est indispensable et très importante pour une cohésion sociale et pour une relation sereine et saine entre la population et la police.

Malheureusement, cette confiance est mise à mal par des comportements inacceptables au sein de la police de Bruxelles et du service INT. Une minorité d'individus salit l'image de l'ensemble du corps policier en multipliant des agressions, comme l'a révélé Le Soir dans son article. Je cite: "La CGSP Police dénonce des violences policières récurrentes à Bruxelles". La CGSP Police, ce sont des policiers qui dénoncent eux-mêmes des violences commises par d'autres policiers.

Le plus choquant, c'est que ces policiers ne se limitent pas à des violences contre la population. Ils ont également agressé leurs propres collègues en civil. Pire encore, la réponse de l'autorité policière à la demande des syndicats est édifiante car selon elle, la seule raison de cette agression serait que le policier en civil ne portait pas son brassard.

On se demande où on va, monsieur le ministre. D'un côté, l'autorité reconnaît les faits, et de l'autre, elle semble légitimer ces violences en donnant carte blanche à cette catégorie de policiers pour frapper ceux qui ne portent pas de brassard. Faut-il être policier pour ne pas être frappé par le service INT?

Monsieur le ministre, cette impunité est inacceptable. Quelles mesures immédiates comptez-vous prendre pour identifier et sanctionner ces agents qui abusent de leur autorité, y compris contre leurs propres collègues?

Comment expliquez-vous que l'autorité policière ne condamne pas fermement ces agissements, mais semble au contraire les justifier? Quelles garanties pouvez-vous donner pour mettre fin à cette impunité et assurer un contrôle rigoureux des comportements déviants au sein de la police?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, nous avons appris dans la presse des événements extrêmement graves. Ce n'est pas une ONG, ce n'est pas une association militante, ce n'est même pas un comité de quartier ou de citoyens, c'est la CGSP Police elle-même, un syndicat de policiers, qui dénonce des violences policières récurrentes, en particulier lors des manifestations du 13 janvier et du 26 février derniers.

Quand une partie du corps policier accuse une autre partie "d'avoir déshonoré l'uniforme", je pense que cela appelle une réponse politique immédiate et sérieuse. La CGSP parle de brutalité injustifiée, de mauvaise gestion du maintien de l'ordre, de policiers non identifiables qui retirent leur brassard pour échapper à toute forme de traçabilité, de collègues travaillant en civil dans le même peloton que les forces en uniforme, et de blessés parmi les pompiers – qui ne sont pas des manifestants mais qui sont des agents publics. À ce niveau-là, ce n'est plus une bavure mais c'est une crise de commandement et de confiance.

Pire encore, certains éléments de ce peloton, le service INT, auraient récidivé à plusieurs reprises ces dernières années sans aucune sanction.

Monsieur le ministre, quelles suites allez-vous donner aux accusations de la CGSP Police? Une enquête interne a-t-elle été lancée? Si oui, a-t-elle été confiée à une autorité indépendante ou reste-t-elle dans les mains de ces mêmes hiérarchies policières qui sont déjà mises en cause? Confirmez-vous que des policiers ont retiré volontairement leur brassard d'identification en intervention? Si ce fait est avéré, quelles sanctions seront prises à l'encontre de ces agents et de leurs supérieurs?

On sait que le service INT est pointé du doigt régulièrement depuis plusieurs années pour un usage excessif de la force et de la dissimulation de ses membres. Allez-vous faire un audit externe sur ses pratiques, sa formation ou ses modalités d'engagement? Allez-vous mettre en œuvre des mesures claires de traçabilité, d'identification obligatoire pour tous les agents engagés en maintien de l'ordre, y compris ceux en civil? Nous avons déjà eu le débat sur la question de la respectabilité de la police. Pour que la police soit respectée, il faut qu'elle soit absolument respectable. Je vous vois opiner du chef.

Bernard Quintin:

Madame Maouane, j'opinais sur le fait que tout le monde doit être respectable. Cela me paraît d'une telle évidence, mais il faut parfois la rappeler.

Madame Maouane, monsieur Boukili, merci pour vos interventions et questions sur ce sujet. J'ai pris pleinement connaissance des déclarations du syndicat policier CGSP que la presse a rapportées. À ce sujet, j'ai sollicité les informations nécessaires auprès de la zone de police concernée. Il ressort qu'une enquête a été menée par les services de contrôle interne de la zone de police dans un cadre impartial tel que fixé par la loi. Cette enquête n'a révélé aucune mauvaise gestion au cours de cette manifestation ni de comportements répréhensibles de la part de policiers. Je souligne que les plaignants disposent évidemment de la possibilité de saisir le Comité P et la Justice s'ils estiment disposer de nouveaux éléments susceptibles de corroborer les déclarations de la CGSP.

À la suite de l'enquête effectuée par la zone de police et selon les informations qui m'ont été transmises, je puis vous informer qu'aucun brassard n'a été volontairement retiré afin d'échapper à une identification lors des interventions des policiers en civil.

Cela dit, je souhaite conclure en étant parfaitement clair. Comme je l'ai déjà dit à plusieurs reprises, c'est mon intention d'appliquer une politique de tolérance zéro. Et cela s'applique évidemment à tout le monde et, en premier lieux, à celles et ceux qui doivent assurer l'ordre. Donc, je ne tolérerai aucun cas de violence, bien sûr si elles sont commises contre les forces de l'ordre, mais aussi si elles viennent de celles-ci. Nous avons des cadres légaux et disciplinaires pour gérer ces situations. Je puis vous assurer que je reste vigilant et que j'applique cette politique de tolérance zéro en ce qui relève de mes compétences.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Vous affirmez qu'une enquête a été menée en interne. D'après les informations dont nous disposons, l'enquête a été refusée en interne. Je crains donc que l'on vous ait menti. Mais peut-être avez-vous des éléments matériels prouvant l'existence de l'enquête? Selon les éléments qui nous ont été fournis notamment par les syndicalistes, il n'y a pas eu d'enquête. C'est la raison pour laquelle la CGSP a recouru à la presse pour dénoncer ce fait et demander une enquête du Comité P.

Au-delà du fait de couvrir des collègues et de refuser de mener une enquête indépendante et sérieuse, on vous ment à vous, monsieur le ministre de l'Intérieur. C'est très grave. La réponse que vous donnez ne correspond pas à la réalité. Ce n'est pas de votre faute, mais c'est la version que l'on vous a donnée. Vous devez demander des éclaircissements car ce n'est pas normal.

Monsieur le ministre, plus généralement, si l'on veut que la police soit respectée, il faut qu'elle soit intransigeante avec ce genre de comportements. Si l'on ne veut pas entendre parler de violences policières, il faut que les policiers violents soient sanctionnés. De tels comportements ne peuvent passer inaperçus et rester sans sanction, que ce soit au niveau de la police ou de celui des politiques.

Une enquête indépendante est nécessaire, même si elle doit être menée en interne, notamment par le Comité P. J'espère que vos services feront tout pour élucider cette situation. En l'occurrence, on parle d'un collègue qui n'a pas repris le travail et qui est toujours en incapacité de travail. C'est lui qui est à la base de la dénonciation. C'est très grave, monsieur le ministre!

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Ce que vous dites sur l'enquête de police ne correspond pas aux informations que nous avons lues et que nous détenons. Vous parlez d'une enquête de police interne impartiale. Peut-être… En tout cas, l'enquête ne peut pas être menée par les personnes qui sont mises en cause. Je ne sais pas si on peut parler d'impartialité. Il y a un dysfonctionnement sévère, qui a conduit la CGSP à dénoncer les faits publiquement. Nous savons que l'esprit de corps est très présent. Trop souvent des dérives sont tolérées derrière une espèce de flou hiérarchique ou derrière un silence institutionnel. Je vous invite peut-être à revoir et à réclamer des informations sur le sujet car nous ne disposons pas des mêmes informations. Je suis rassurée sur le fait que vous parlez de tolérance zéro. Je suis aussi partisane de ce concept. Tolérance zéro pour les personnes qui commettent des violences envers la police, mais aussi tolérance zéro envers les agents des forces de l'ordre qui commettent des violences. Sur ce sujet, nous devons absolument être intransigeants, puisque nous sommes face à des représentants de l'État et de la force publique. Je reste un peu sur ma faim car cette réponse ne correspond pas aux informations que nous détenons.

De cel Kunst en Antiek bij de federale politie

Gesteld door

PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de onvoldoende gespecialiseerde aanpak van kunst- en antiekcriminaliteit binnen de federale politie. Minister Quintin bevestigt dat er weliswaar een tweemanscel binnen de DJSOC bestaat met expertise en toegang tot databanken (o.a. Interpol), maar geen eigen middelen heeft; toekomstige budgetten zijn nog onduidelijk. Thiébaut benadrukt dat dit te mager is voor een sector die criminele geldstromen faciliteert en pleit voor een dedicated, beter uitgeruste dienst om aan Europese verplichtingen te voldoen. De kloof tussen ambitie (bestrijding georganiseerde criminaliteit) en huidige capaciteit blijft onopgelost.

Éric Thiébaut:

Monsieur le Ministre,

Sous la précédente législature, à plusieurs reprises, mon collègue Jean-Marc Delizée a interrogé votre prédécesseuse sur le sort de la cellule art et antiquités de la Police fédérale.

Celle-ci avait notamment assuré que le processus opérationnel, notamment judiciaire, restait bien assuré par les services de police locale ou fédérale. Pour ce type de crimes, elle a également assuré que les capacités d'analyse et d'enquête au sein de la police intégrée étaient maintenues.

Pour mon Groupe, le besoin d'une véritable cellule spécialisée au niveau de la Police fédérale n'est pourtant plus à démontrer. La lutte contre ce trafic demande une véritable spécialisation et expertise notamment dans la lutte contre la criminalité organisée et le blanchiment d'argent. Si l'on peut saluer le travail des autres SPF – dont le SPF Economie – dans la lutte contre les trafics notamment d'art, ceux-ci ont besoin du bras armé de la PJF. La Belgique doit également respecter ses obligations européennes et internationales en la matière de manière centralisée.

Monsieur le Ministre, pourriez-vous m'indiquer ce qu'il en est réellement des moyens humains, budgétaires, matériels et informatiques destinées à cette cellule à l'heure actuelle depuis nos précédentes questions et surtout les moyens prévus au niveau de la police fédérale – dont c'est la tâche – à l'avenir ainsi que les mesures que vous comptez prendre? Quelles sont vos ambitions en la matière?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Bernard Quintin:

Merci M. Thiébaut pour votre question sur la cellule Art et Antiquités de la police fédérale. Il existe effectivement une cellule au sein de la Direction centrale de lutte contre la criminalité organisée (DJSOC), spécialisée dans les biens culturels et la gestion des bases de données spécialisées, tant au niveau national, avec la base de données "artistes", qu'international, en collaboration avec Interpol.

Cette cellule est composée de deux experts spécialisés dans ce domaine. Elle soutient les enquêtes en apportant son expertise, mais elle peut également mener ses propres missions opérationnelles dans ce secteur. C'est un sujet que j'ai abordé avec le secrétaire général d'Interpol quand je l'ai reçu dans mon bureau il y a une dizaine de jours.

En termes de moyens, la cellule ne dispose pas de ressources propres, étant intégrée au service DJSOC. Toutefois, elle bénéficie de l'infrastructure de la police fédérale dans son ensemble, tout en ayant accès à des outils spécifiques tels que la base de données "artistes" dédiée à l'enregistrement des biens culturels volés en Belgique.

Quant aux futurs moyens budgétaires alloués à cette cellule, je vous invite à revenir vers moi une fois le budget établi.

Éric Thiébaut:

Merci, monsieur le ministre. Le trafic d'œuvres d'art peut représenter pas mal d'argent et je crois qu'on devrait vraiment se pencher sur cette problématique. Mon prédécesseur sur cette question, Jean-Marc Delizée, n'a pas été réélu à la Chambre. Il souhaitait proposer de créer un service spécifique pour le trafic des œuvres d'art. Ma question concernait donc les moyens alloués à cette cellule, mais aussi la création d'un tel service, étant donné l'utilité que cela pourrait avoir quant à la circulation d'argent sale. La réunion publique de commission est levée à 17 h 48. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.48 uur.

De aanpak van corruptie bij de overheid
De strijd tegen corruptie in de politiek
Bestrijding van corruptie in overheids- en politieke sectoren

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België zakte zes plaatsen op de corruptie-index van Transparency International, wat vragen oproept over het ontbreken van concrete anti-corruptiemaatregelen in het regeerakkoord—behalve 300 extra fraudebestrijders en een sectie financiële criminaliteit bij het parket. De eerste minister wijst GRECO-aanbevelingen (zoals een lobbyregister of vermogensverklaringen) af als parlementszaak, terwijl oppositie het gebrek aan ambitie hekelt, verwijzend naar leeggeleverde rapporten en internationale achterstand (bv. Frankrijk/Zweden). Kritiek richt zich op het ontbreken van transparantie voor politici en ambtenaren, ondanks herhaalde schandalen (o.a. Reynders), en het simpelweg kopiëren van vorige regeerbeleid. De discussie onthult een patstelling: regering ziet corruptiebestrijding als justitiële prioriteit, oppositie eist structurele integriteitsmaatregelen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de eerste minister, België is zes plaatsen gezakt op de corruptie-index van Transparency International. We scoren net geen 70 op 100. Dat is uiteraard niet uw verantwoordelijkheid, want die cijfers zijn gebaseerd op vorig jaar. Schandalen zoals die in Anderlecht en de beschuldigingen aan het adres van de heer Reynders hebben echter natuurlijk geen goed gedaan aan het imago van de politiek en de overheid. Het is dus belangrijk om daarop in te zetten.

Ik heb eens in het regeerakkoord gekeken om te zien wat daarin staat over integriteit en corruptie bij de overheid. Ik vond echter niet meteen iets terug. Misschien heb ik er over gelezen. Er zal in elk geval niet zo heel veel in hebben gestaan. We staan op dat vlak echter ook voor uitdagingen en ik kijk naar u als hoofd van de ploeg om bijvoorbeeld de aanbeveling van de GRECO om te zetten in beleid.

Om de collega's ook nog vragen te laten stellen voor 18.00 uur, zal ik voor de rest verwijzen naar mijn vraag zoals ze schriftelijk werd ingediend.

Voorzitter:

Mijnheer Vandemaele, ik begrijp dat u nieuw bent hier, maar in principe kan dat niet. Ofwel verwijst u in het begin naar de schriftelijke voorbereiding van uw vraag ofwel stelt u gewoon uw vraag. U kunt de twee echter niet combineren, want dat is niet mogelijk voor de verslaggeving.

Matti Vandemaele:

Ik zal ze dan heel kort voorlezen.

Zult u werk maken van een lobbyregister voor regeringsleden en hun medewerkers? Zult u de wet openbaarheid van bestuur in lijn brengen met de deelstaten en internationale aanbevelingen? Komen er bijkomende middelen voor politie en Justitie om dit thema serieus te nemen?​

Sofie Merckx:

Monsieur le premier ministre, le fait que la Belgique recule dans l'indice de corruption est assez inquiétant.

L'accord de gouvernement propose peu de mesures concrètes pour lutter contre la corruption au sein de l'exécutif. Parmi celles qui pourraient être envisagées, et qui vous concernent, je pense notamment au registre des lobbies ou à la déclaration de patrimoine.

Je tiens à rappeler que depuis que cette question a été introduite, le rapport de l'OCDE a été publié, mettant en lumière une évaluation négative de la lutte contre la corruption en Belgique. En principe, la Belgique et la Chambre auraient dû soumettre au GRECO, avant le 1er avril, un rapport sur l'état d'avancement des mesures prises contre la corruption.

Je répète que nous constatons que la Belgique a été contrainte d'envoyer une feuille blanche, notamment en ce qui concerne les contacts avec les lobbyistes, l'intégrité des membres des cabinets, les cadeaux, la déclaration de patrimoine, les sanctions en cas d'infraction aux règles de déontologie, ainsi que l'augmentation du contrôle sur le cumul des activités et les fameuses portes tournantes dans les cabinets ministériels.

Quelles sont les ambitions de votre gouvernement à ce niveau-là?

Bart De Wever:

Mijnheer Vandemaele, inzake de GRECO-aanbevelingen (Group of States against Corruption) is het de visie van de regering dat dat een zaak is voor het Parlement. We kijken uit naar uw werkzaamheden dienaangaande.

Het lijkt me niet correct dat corruptiebestrijding niet is vermeld in het regeerakkoord. Er staat daarin een duidelijke passage over de oprichting binnen het federaal parket van een sectie Financiële criminaliteit, waaronder dus ook corruptie. Die zal specifiek zicht houden op fiscale fraude en corruptie. Dat staat expressis verbis in het regeerakkoord, met het idee dat wij onze financiële capaciteit of kennis in de crime fighting van dit land moeten versterken. Dat gaat dan over georganiseerde criminaliteit, maar evenzeer over corruptie en beide komen elkaar vaak tegen.

Bovendien is er een passage waarin duidelijk is gesteld dat fraudebestrijding een absolute prioriteit van de regering zal zijn, met daaraan concrete maatregelen gekoppeld, zoals de aanwerving van 300 extra personeelsleden voor fraudebestrijding en de ambitie om fors te investeren in financiële-fiscale kennis en gespecialiseerde capaciteit bij de diensten van Justitie en de politie, vooral de gerechtelijke politie.

Regels rond fraude en corruptie gelden uiteraard ook voor politici, die, zeker in ons land, terecht al onder redelijk strenge regels vallen.

Concernant un registre des lobbies ou une déclaration de patrimoine, notre gouvernement va appliquer les mêmes normes que le gouvernement précédent.

Matti Vandemaele:

Uw corruptiebestrijding zat misschien toch wat in uw regeerakkoord verborgen. De vraag ging specifiek over ambtenaren en politici. Ik wil daarmee niet dezelfde toon als mijn collega aanslaan.

Ik denk dat er uitdagingen en aanbevelingen zijn. We hebben met de vorige regering inderdaad geprobeerd om daarin een volgende stap te zetten. Daar was geen meerderheid voor. Het is betreurenswaardig dat er ook in deze regering geen meerderheid te vinden is. Nochtans is een lobbyregister helemaal niet zo spectaculair. Noteren met wie men contact heeft over bepaalde dossiers zou in een democratie eigenlijk geen probleem mogen zijn. In die zin betreur ik uw antwoord.

Sofie Merckx:

Tout d’abord, le mot "corruption" apparaît effectivement une fois dans l’accord de gouvernement, avec les 300 membres du personnel supplémentaires. Ces 300 membres du personnel, on nous les sort dans toutes les commissions possibles et imaginables. Tout ce qu’ils vont devoir faire, c'est vraiment impossible. À l'impossible, nul n'est tenu. En ce qui concerne le fait de dire que pour le GRECO, c'est l'affaire du Parlement, je tiens à vous informer que, pour le moment, le Parlement n'a rien fait du tout. C'est quelque chose qu'on nous sort à chaque fois, mais force est de constater que votre gouvernement va faire comme le gouvernement précédent. Que ce soit la déclaration de patrimoine, que ce soit un registre de lobbies efficace, que ce soit pour le gouvernement ou pour le Parlement, nous ne sommes nulle part. Or, ce n'est pas les affaires de corruption qui manquent dans notre pays. C’est quand même en Belgique que nous avons encore eu l'affaire Reynders, récemment. Nous faisons très régulièrement la une des journaux pour des affaires de corruption. Je pensais que vous auriez peut-être été un peu plus ambitieux à ce niveau-là. Mais force est de constater que ce qui se fait dans d'autres pays... Par exemple, en France, pour l'élection présidentielle, une déclaration de patrimoine est faite tout à fait normalement. En Suède, vous pouvez consulter tout le patrimoine et les revenus des politiques, tout à fait normalement. Et en Belgique, il n'y a rien. Nada . C'est l'omerta. C'est décevant, mais je n'attendais pas mieux de votre part. De voorzitter : Vraag nr. 56002782C van de heer Khalil Aouasti wordt omgezet in een schriftelijke vraag. De vragen nrs. 56002804C en 56002807C van mevrouw Barbara Pas worden op haar vraag uitgesteld.

De hervorming v.h. OCMW-beleid (minder papierlast, efficiënter maatwerk, minder politieke inmenging)

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Professor Marjolijn De Wilde (KU Leuven) signaleerde drie structurele OCMW-problemen: overbelaste maatschappelijk werkers door te veel dossiers, een onhoudbaar maatwerksysteem voor leefloon (176.000 begunstigden vs. oorspronkelijk kleine doelgroep), en politieke inmenging in individuele dossiers. Minister Van Bossuyt belooft administratieve vereenvoudiging (digitale verwerking, Only Once-wet) en uitbreiding van GPMI-begeleiding, maar verdedigt politieke vertegenwoordiging in BCSD’s als democratische legitimatie—al pleit ze wel voor betere expertise. Van Quickenborne dringt aan op een 50/50-mix van politici en onafhankelijke experts (naar model Grondwettelijk Hof) en kritiseert gebrek aan digitalisering en cliëntelisme in lokale OCMW’s. Huisbezoeken blijven verplicht bij dossieropening, maar jaarlijks volstaat.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, u weet dat wij hoorzittingen hebben georganiseerd naar aanleiding van de gebeurtenissen in het OCMW van Anderlecht. Mevrouw Marjolijn De Wilde was een van onze gasten. Mevrouw Marjolijn De Wilde is professor aan de KU Leuven. Naar mijn persoonlijke mening was dat een heel interessante dame, die een uiteenzetting kwam geven over het OCMW-beleid, niet alleen over de problematiek van Anderlecht maar ook over een bredere kijk op de dossiers.

Zij kaartte drie fundamentele problemen aan waarmee OCMW’s worden geconfronteerd, ten eerste de overbelasting van maatschappelijk werkers, een fenomeen dat niet alleen in Anderlecht opduikt maar op vele plaatsen. Er is ten tweede wat zij de onhoudbaarheid van het maatwerksysteem voor het leefloon noemt. Er is ten derde de politieke inmenging in individuele dossiers.

Ik heb voor u een vijftal vragen.

Ten eerste, de hoge werkdruk bij maatschappelijk werkers is er volgens mevrouw De Wilde omdat maatschappelijk werkers te veel dossiers moeten behandelen en vaak enkel brandjes moeten blussen. Voor trajectbegeleiding is er nauwelijks tijd. Hoe wilt u ervoor zorgen dat de maatschappelijk werkers zich vooral met begeleiding kunnen bezighouden en minder met de administratieve afhandeling?

Ten tweede, over het maatwerksysteem gaf ze in een interessante beschouwing mee dat het huidige leefloonstelsel oorspronkelijk voor een kleine groep mensen was bedoeld. Toen het stelsel decennia geleden werd ingevoerd, ging het over een kleine groep mensen. Vandaag gaat het echter over ongeveer 176.000 mensen die een leefloon genieten. Het kunnen er ook meer zijn. Volgens haar is een aanpak op maat daardoor onhoudbaar geworden. Zij pleit dan ook voor meer administratieve verwerking van dossiers, teneinde tijd vrij te maken voor de moeilijkste gevallen. Steunt u dat voorstel? Hoe zou u dat willen aanpakken?

Ten derde, er was ook een heel interessant debat over de mogelijke politieke inmenging in socialesteundossiers. U weet dat het bijzonder comité voor de sociale dienst is samengesteld door politici. Zij stelde voor dat af te schaffen en een ander systeem in te voeren. Nederland werkt blijkbaar met een systeem met ambtenaren. Ik moet echter bekennen dat die vraag veeleer een vraag voor de deelstaten is en niet voor u, maar misschien hebt u daarover een beschouwing. Ik zie u twijfelen. Dat wordt dus interessant.

Ten vierde, mevrouw De Wilde pleit ook voor enige vereenvoudiging. Bijvoorbeeld, een dossier voor een aanvullend leefloon moet vandaag verplicht maandelijks worden voorgelegd aan het bijzonder comité. Zij geeft aan dat mocht worden bepaald dat in dergelijke dossiers een princiepsbeslissing zou kunnen worden genomen en dat de inkomsten na een bepaalde tijd zouden worden verrekend, dit een pak minder rompslomp zou betekenen. Wat is uw mening daarover?

Ten slotte, mevrouw De Wilde pleit ook voor minder huisbezoeken. Ze zegt dat een huisbezoek niet meer verplicht zou worden voorgeschreven voorafgaand aan de beslissing over de aanvraag, maar enkel afhankelijk wordt van de inschatting van de maatschappelijk werker. Uiteraard zou een jaarlijks huisbezoek nog steeds verplicht zijn. Wat vindt u van dit voorstel?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Van Quickenborne, het klopt dat de werkdruk voor maatschappelijk werkers hoog is. We hebben het daarover al gehad bij het begin van deze vergadering. Situaties zoals bij het OCMW van Anderlecht, waar maatschappelijk werkers soms elk 200 dossiers behandelen, zijn niet houdbaar. Door de administratieve vereenvoudiging verder te zetten, wil ik ervoor zorgen dat er kostbare tijd wordt gewonnen, die dan kan worden gebruikt voor de begeleiding van de begunstigden van het OCMW.

Ik zal bijzondere aandacht hebben voor de maatschappelijk werkers en in overleg gaan met de deelstaten wat betreft de diplomavoorwaarden voor hen. Dat zal ook gepaard gaan met een betere toegang tot gegevens die noodzakelijk zijn voor het sociaal onderzoek. Het is immers noodzakelijk dat de OCMW's toegang hebben tot de verschillende gegevens, meer bepaald in het kader van de Only Once-wet.

Wat betreft de hervorming van het maatwerksysteem, begeleiding op maat is essentieel. Zo vind ik het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI), dat een persoonlijk begeleidingstraject is, een goed instrument. Het moet OCMW-gerechtigden activeren, hen helpen volwaardig deel te nemen aan de samenleving en hen begeleiden naar werk. Daarom zal ik het GPMI dan ook uitbreiden naar alle begunstigden die een leefloon of een equivalent ontvangen, met uitzondering van degenen die niet kunnen werken om billijkheids- of gezondheidsredenen.

Ik begrijp dat er vragen rijzen over de rol van lokale politici in individuele steundossiers, zeker gezien de wantoestanden bij het OCMW van Anderlecht, waar er sprake is van cliëntelisme. Nogmaals, dat is onaanvaardbaar. Natuurlijk roept deze situatie vragen op over de politieke vertegenwoordiging in het BCSD, maar laten we het kind niet met het badwater weggooien. Er zetelen ook heel wat competente en alerte mensen in die bijzondere comités, ongetwijfeld ook van uw partij.

Het zou niet correct zijn om hen over dezelfde kam te scheren.

Die politieke vertegenwoordiging zorgt er eveneens voor dat de lokale gemeenschap via haar politieke vertegenwoordigers betrokken blijft bij de sociale hulpverlening. Hierdoor wordt vermeden dat de sociale steun verder gebureaucratiseerd wordt, terwijl er tegelijk toch een democratische legitimatie blijft bestaan.

Ik pleit ook voor administratieve vereenvoudiging. Die brengt ook een snellere digitale verwerking met zich mee, maar begeleiding op maat blijft essentieel.

U had ook een vraag over huisbezoeken. Het huisbezoek maakt deel uit van het sociaal onderzoek. Het is een essentieel element om een inschatting te kunnen maken van de behoeftigheid van de hulpaanvrager. Via een huisbezoek kan het OCMW een totaalbeeld krijgen van de situatie van de hulpaanvrager en zijn verklaring toetsen aan de realiteit, teneinde te kunnen beslissen over de meest geschikte maatschappelijke dienstverlening.

Het huisbezoek wordt uitgevoerd bij de opening van het sociaal dossier en daarna telkens wanneer het OCMW dat nodig acht, maar ten minste eenmaal per jaar.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord.

Het is wel opvallend dat men in vele OCMW's vandaag heel moeilijk een antwoord krijgt als men als lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst vragen stelt, bijvoorbeeld over statistieken. Dat is natuurlijk een lokale verantwoordelijkheid, maar ik wil erop wijzen dat er in veel OCMW's voor dossiers en dossierbehandeling nog altijd maar weinig gedigitaliseerd is. Als men vandaag wil weten hoe de zaken evolueren, is men vaak aangewezen op handmatige tellingen. Dat heb ik vernomen van onze leden van het bijzonder comité. De voormalige voorzitter van het OCMW van Kortrijk, de heer De Coene van Vooruit, zal dat ook kunnen bevestigen.

Wat betreft de politieke vertegenwoordiging, zegt u dat we het kind niet met het badwater mogen weggooien, maar het is toch opvallend dat vandaag bijna uitsluitend politici zetelen in het bijzonder comité voor de sociale dienst.

Ik heb in 2018 voor mijn partij iemand afgevaardigd die geen politicus was, een professor bestuursrecht uit Gent. Hij heeft op basis van zijn ervaringen in het bijzonder comité trouwens een aantal interessante artikels geschreven in het tijdschrift Lokaal .

Ik denk dat een goede mix van politici en niet-politici, van politici en experts op het vlak van maatschappelijke integratie en armoedebestrijding, veel beter zou zijn dan de nu vaak voorkomende samenstelling van – excusez le mot – gebuisde politici die net niet verkozen zijn in de gemeenteraad en die dan een plaatsje krijgen in die bijzondere comités. Ik wil ze natuurlijk niet allemaal over dezelfde kam scheren, maar het zou goed zijn als u samen met de collega’s voor de deelstaten voor een goede mix zou pleiten, opdat de expertise in die bijzondere comités toeneemt. Dat zal de leefloners zeker ten goede komen.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Van Quickenborne, ik vermoed dat uw interpretatie van het begrip politicus beperkt is. U bedoelt met politici waarschijnlijk mensen die zowel in de gemeenteraad als in het BCSD zitten. Dat hoeft echter niet zo te zijn.

In Gent heeft de N-VA bijvoorbeeld ook geen gemeenteraadsleden in het BCSD. Namens de N-VA zetelen er een persoon die twee hotels heeft in Gent en iemand die in de sociale sector werkt. Dat wordt mijns inziens dus al zeer vaak op die manier gedaan.

Vincent Van Quickenborne:

Politici zijn voor mij mensen die weliswaar aan de gemeenteraadsverkiezingen hebben deelgenomen, maar die niet verkozen zijn. Politici zijn voor mij een breder begrip dan enkel gemeenteraadsleden. Ik spreek dus over mensen die niet aan een politieke partij verbonden zijn, maar die over een bepaalde expertise beschikken. Dat kan dan bijvoorbeeld iemand met veel kennis van armoede en armoedebestrijding zijn. Men zou bijvoorbeeld de helft van de leden van zulk bijzonder comité uit experts kunnen laten bestaan, naar analogie van het Grondwettelijk Hof, waar de ene helft van het Hof uit voormalige politici bestaat en de andere helft uit mensen met een juridische achtergrond. Door een verdeling in een helft politici en een helft experts vergroot men het draagvlak. Het is vergelijkbaar met onafhankelijke bestuurders in een raad van bestuur. Die onafhankelijke bestuurders zijn vaak interessanter dan de bestuurders zelf. Dat zou volgens mij het debat in een bijzonder comité veel interessanter maken dan nu het geval is. Het is maar een suggestie. Piet Van Schuylenbergh en mevrouw De Wilde hebben die suggestie ook gedaan.

Een vooruitblik op de volgende week geplande Europese Raad van Defensieministers
Steun aan de economie en de bedrijven gezien de mogelijke verhoging van de Amerikaanse douanerechten
De door Donald Trump gevoerde geopolitiek
De Europese reactie op de verhoging van de douanerechten door de Verenigde Staten
De handelsoorlog met de Verenigde Staten
De door Donald Trump aangekondigde invoerheffingen op Europese producten
De douanerechten en het Europese concurrentievermogen
De grote impact op de farmasector van de Amerikaanse invoertarieven op Europese producten
Oekraïne en de defensie-inspanningen van België
Europese reacties op Amerikaanse handelsbeleid en defensie-strategieën.

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 27 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Europa’s strategische autonomie en reactie op de dubbele dreiging van Amerikaanse handelstarieven (25% op EU-producten) en de escalerende defensieverplichtingen (NAVO’s 2%-bbp-eis). De kernpunten: (1) Defensie: België moet dringend het 2%-doel halen (voor de zomer) en structurele financiering regelen, met nadruk op Europese samenwerking binnen de NAVO, maar *concrete plannen en timing ontbreken nog*. (2) Handelsoorlog: De VS bedreigen de EU met tarieven, wat de Belgische export (o.a. farmacie, auto) raakt—Europa moet *eengemaakt en proportioneel* reageren, zonder in een escalatiespiraal te belanden, maar met focus op industriële soevereiniteit (innovatie, herindustrialisering) en diversificatie van handelspartners. (3) Critici (o.a. PTB) waarschuwen voor *blind volgen van de VS* en pleiten voor een *niet-gebonden Europa* dat partnerschappen met het Globale Zuiden zoekt, terwijl anderen (N-VA, CD&V) benadrukken dat *veiligheid (via NAVO) voor welvaart gaat*. Actiepunten: België speelt een *verenigende rol* in de EU, maar *concrete maatregelen* (bv. taskforce, budgetten) blijven vaag—urgentie domineert.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, volgende week vindt er een extra EU-top plaats, over de situatie in Oekraïne en defensie. Dat is absoluut noodzakelijk. De geopolitieke situatie is immers zorgwekkend en verandert razendsnel. De wereld staat in brand en Europa heeft veel te lang aan de zijlijn gestaan, zonder de mond open te doen.

Het is dus hoog tijd om te blussen. Mijnheer de eerste minister, om te blussen heeft men echter blusmateriaal nodig. En laat net daarover, over die structurele middelen en financiering van defensie, bijzonder veel onzekerheid bestaan. Hoe zullen we het Defensiefonds structureel financieren? Nog geen idee. Extra uitgaven voor defensie binnen of buiten de begroting? Nog geen idee. Wat gaat de Europese Unie doen? Gaat zij dat toestaan of niet? Nog geen idee. Er moet duidelijkheid komen, want we verliezen tijd. NAVO-baas Mark Rutte heeft het heel duidelijk gezegd. Die absolute ondergrens van 2 % van het bbp moet er komen nog voor de zomer.

Mijnheer de eerste minister, u bent historicus en ik weet dat u graag over het verleden spreekt. Mea culpa, het is juist dat de voorbije decennia heel veel partijen hier aanwezig, ook die van de Zweedse regering, te weinig hebben geïnvesteerd in defensie. We leven vandaag echter in een andere wereld. De wereld is de voorbije jaren grondig door elkaar geschud en grondig gewijzigd. We moeten dus stoppen met achterom te kijken en moeten vooruitkijken en schakelen.

Ik wil van u weten wat de regering vandaag en in de toekomst zal doen. Wat zal het standpunt van uw regering zijn op de komende EU-top? Hoe en wanneer zult u de 2 % voor defensie halen?

Patrick Prévot:

Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, votre gouvernement n'a que quelques semaines et déjà, malheureusement, les promesses s'effritent.

Vous aviez promis un taux d'emploi de 80 %, mais, monsieur le premier ministre, vous avez dit cette semaine que ce ne sera pas pour cette législature. Il aurait peut-être fallu être honnête d'emblée, et non pas quelques semaines après le vote de confiance. Vous aviez évoqué les 8 milliards de recettes mais, là aussi, vous avez estimé que les effets retours semblaient incertains. Bref, on l'avait dit, vous ne nous avez pas cru, ces promesses, c'était du vent.

Pendant ce temps-là, monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, de l'autre côté de l'Atlantique, le président américain, Donald Trump, lance une guerre économique et annonce que des droits de douane de 25 % sur nos produits pourraient être pratiqués. Face à cela, allez-vous rester passif ou allez-vous avoir une attitude proactive? L'accord de gouvernement parle d'un plan de relance industriel, mais avec moins d'investissements publics – ce que nous déplorons vivement, comme nous vous l'avons dit lors des débats – et peu de vision à long terme.

La Commission européenne, de son côté, propose un pacte pour une industrie propre mais son budget de 100 milliards semble largement insuffisant. Concrètement, avez-vous votre plan pour la relance industrielle? Quel est-il? Soutiendrez-vous nos secteurs stratégiques et nos entreprises? Allez-vous, oui ou non, garantir des emplois de qualité? Une task force a-t-elle été mise en place pour avoir cette vision proactive? Si oui, qui en fait partie? Si cette task force existe, comptez-vous associer les entreprises, les travailleurs, les syndicats, les ONG et la société civile à l'élaboration de cette politique industrielle?

Je vous remercie d'avance de vos réponses.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre, pendant des mois, on a mis en garde tous les partis politiques que suivre aveuglément l'impérialisme américain allait détruire l'Europe et notre économie. Pendant des mois, vous avez ri du PTB et de sa vision géopolitique!

Regardez ce qui se passe maintenant! Les Américains sont en train d'humilier l'Europe. Avez-vous vu le comportement de Macron quand il est allé chez Trump? Il était en train de lui cirer les chaussures en lui racontant des petites blagues. C'est pourtant la survie et la stratégie de l'Europe qui sont actuellement en jeu.

Monsieur le premier ministre, je vous avais prévenu que ça n'allait pas marcher.

De Amerikanen gaan altijd voor hun eigen business.

Il suffit d'analyser l'accord sur les minerais. Tout est clair maintenant!

De grondstoffen van Oekraïne gaan direct in de zakken van de Amerikaanse imperialisten!

La situation est similaire en ce qui concerne l'énergie. Les Américains nous ont vendu leur gaz de schiste trois ou quatre fois plus cher pour se faire de l'argent. Nous avons, bien entendu, dit dès le départ qu'il fallait condamner Poutine. C'était évident! Cependant, il fallait aussi défendre les intérêts de l'Union Européenne, ce que vous ne faites pas!

Monsieur le premier ministre, allons-nous continuer à suivre les Américains? La déclaration gouvernementale n'en a d'ailleurs que pour eux. Comment pouvez-vous continuer à être aussi naïfs? Comment pouvez-vous continuer à leur acheter pour des milliards d'armements? Ils ne pensent qu'à l'argent.

Chers collègues, Trump n'est pas un homme de paix. Pourquoi retire-t-il ses troupes aujourd'hui? Pourquoi retire-t-il ses intérêts d'Ukraine? Pour attaquer la Chine? Il le fait pour préparer la guerre de demain!

La question que l'Europe doit se poser est de savoir si nous devons suivre les Américains docilement comme des petits chiens, ou enfin développer une Europe indépendante et stratégique à l'échelle mondiale. C'est de cela dont nous avons besoin.

(…): (…)

Voorzitter:

Mijnheer Hedebouw, u zou het niet op prijs stellen indien uw tussenkomst op deze manier zou worden onderbroken. Ik neem aan dat u dat dan ook niet zult doen voor collega Deborsu.

Charlotte Deborsu:

Monsieur le premier ministre, l'Union européenne aurait été créée pour entuber les États-Unis. On en apprend tous les jours avec le professeur Trump. Monsieur le premier ministre, connaissant votre amour pour l'histoire, j'imagine que vous avez failli tomber de votre chaise en entendant cela comme nous tous.

Mais au-delà du grotesque, il y a une réalité. Les États-Unis annoncent vouloir taxer à hauteur de 25 % toute une série de produits européens. Cette mesure complètement anti-libérale risque d'avoir un impact direct sur nos entreprises et nos emplois en Belgique et en Europe. À l'heure actuelle, l'Union européenne a une balance commerciale positive avec les États-Unis de 150 milliards sur les biens.

Monsieur le premier ministre, mes questions sont dès lors les suivantes: avez-vous déjà la liste des produits européens qui seraient concernés?

Comment mesurez-vous l'impact de cette décision pour la Belgique? Allez-vous donner des instructions au ministre du Commerce extérieur afin qu'il prenne des mesures, en coopération avec toutes les Régions, pour contrer les effets de cette décision?

Jusqu'à présent, la Commission européenne a préparé des mesures "au cas où". Jugez-vous qu'elles sont suffisamment crédibles et dissuasives pour convaincre le président américain de revenir sur cette décision?

Comment jugez-vous l'unité politique des Européens et la proactivité de la Commission sur ce dossier?

Les États-Unis nous voient désormais comme un adversaire commercial. Nos relations ont changé, dont acte. Quelles sont dès lors vos stratégies pour diversifier notre commerce extérieur au bénéfice de nos entreprises et de notre taux d'emploi? C'est une véritable priorité pour notre groupe.

Je vous remercie déjà pour vos réponses.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, dans son style délicat habituel, M. Trump a annoncé des droits de douane de 25 % sur les produits européens. Nous savions déjà que nous vivions un tournant historique en géopolitique, du point de vue militaire, mais ce tournant est aussi commercial. Nous savons désormais aussi que nous devrons assumer notre défense seuls et sur ce plan-là, comme je l'ai déjà dit, et je n'ai pas de problème à le redire, votre accord de gouvernement va dans le bon sens.

Concernant l'énergie, nous vivons une hyper-dépendance. Nous serions aujourd'hui incapables de nous séparer à la fois du gaz russe et du gaz liquéfié américain. Et sur le plan économique, bien qu'étant le premier marché du monde, la présidence Trump nous confirme avec franchise ce que nous savons déjà: nous sommes des consommateurs de la mondialisation et non plus des acteurs de celle-ci.

Le point faible de l'Europe, chers collègues, a un nom: l'innovation. Nous fermons aujourd'hui notre avant-dernière usine automobile, ce qui nous rappelle que nous avons manqué le virage industriel. Nous, Européens, n'avons créé aucun des outils technologiques qui dirigent le monde aujourd'hui. Nous ne sommes pas les meilleurs en ce qui concerne l'esprit d'entreprise et l'initiative, et nous ne parvenons pas à favoriser l'innovation.

Même votre accord de gouvernement, je le crains, manque le cap. Votre programme est clair: forcer tout le monde à travailler plus sans vraiment gagner plus, que ce soient les demandeurs d'emploi, les malades, les jeunes ou les plus vieux, etc. Très bien, sauf que l'on n'a pas seulement besoin de davantage de travailleurs. On a aussi besoin de davantage d'entrepreneurs, de créateurs, de gens qui peuvent créer de la richesse, créer de l'emploi, prendre des risques en étant encouragés à l'innovation. Sur ce plan-là, votre accord de gouvernement est décevant.

La question qui est le sujet maintenant est de savoir comment faire pour affronter cet allié qui tend à devenir un adversaire, les États-Unis. Comment faire pour s'affirmer davantage comme marché européen, alors que nous sommes le premier marché du monde? Comment défendons-nous nos entreprises? Comment allons-nous faire de ce pays et de ce continent des acteurs clés de l'innovation? Comment faire pour qu'ils redeviennent un véritable poumon industriel, un acteur de l'économie mondiale et non un simple client? Dans l'immédiat comment allons-nous réagir à cette hausse douanière brutale de 25 %?

Meyrem Almaci:

" The European Union was formed in order to screw the United States. That’s the purpose of it. " Die uitspraak is grotesk, zoals we Trump kennen, de man van het recht van de sterkste, die alle regels aan zijn laars lapt.

Na Gaza en Oekraïne richt hij nu de pijlen op de economie van Europa met zijn aankondiging dat hij 25 % invoerheffingen overweegt op auto’s, halfgeleiders, chips en medicijnen. Op de vraag of hij geen schrik had van een forse tegenreactie, antwoordt hij het volgende: " They can try, but they won’t ." We weten al langer dat de huidige president in een alternatieve realiteit leeft. We weten ook dat hij in Europa zijn fans heeft, om onze minister van Defensie niet te noemen, die al meermaals lovend sprak over de man.

"They can try, but they won’t ." Voor ons is het eenvoudig: Yes, we can and we will . Dat is niet van harte, maar als het moet, moet het. Een bullebak als Trump begrijpt immers alleen maar de taal van geld en macht. Ik was tevreden de eerste reactie van Europa te lezen, namelijk dat Europa een partner was, indien de regels werden gevolgd.

De vraag is nu de volgende: wat is de positie van de huidige regering? Immers, handelsoorlogen produceren alleen maar verliezers. Dat is belangrijk om te onthouden met bedrijven als Volvo in ons land en de sterke farmasector. Waakzaamheid is echt geboden.

Hoe zorgen we er dus voor dat de verdeel-en-heersstrategie van Trump bij ons geen voet aan de grond krijgt? Hij heeft immers geprobeerd bij Oekraïne. Hoe zorgen we ervoor dat de expertise, efficiëntie en ontwikkeling hier blijft?

Mijnheer de eerste minister, hebt u al contacten gehad met de collega’s in Europa om één front te vormen? Hebt u al contact gehad met de Wereldhandelsorganisatie? Bent u bereid fors te reageren op de woorden van Trump en op welke manier wilt u dat dan doen in uw hoedanigheid van eerste minister van alle Belgen?

Simon Dethier:

Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, cette semaine, les États-Unis ont menacé l'Union européenne de droits de douane de 25 % sur les produits européens.

Au même moment, l'Union européenne a présenté un plan qui a pour ambition d'améliorer la compétitivité des entreprises européennes tout en préservant les objectifs climatiques. L'Europe et la Belgique se trouvent actuellement face à une situation complexe.

D'un côté, la transition vers la neutralité carbone est nécessaire. Nous avons vu les impacts du réchauffement climatique sur notre société. Il est indispensable d'agir. Nous ne sommes pas encore sur la trajectoire de cette neutralité. Il faudra donc redoubler de volontarisme et d'inventivité.

D'un autre côté, comme l'a dit le ministre du Climat, un État en faillite ne peut pas agir pour le climat. Les craintes d'une guerre commerciale et les difficultés d'approvisionnement en énergie plombent la compétitivité des entreprises belges. Il est du devoir de l'ensemble de veiller à préserver nos objectifs climatiques tout en maintenant la compétitivité.

J'aimerais dès lors vous poser deux questions. Comment veillez-vous à préserver les emplois et la compétitivité des entreprises? Comment veillez-vous à soutenir et à aider les entreprises à garder le cap de la neutralité carbone?

Koen Van den Heuvel:

Heren ministers, beste collega's, Trump steekt zijn middenvinger op naar Europa en naar ons en dat mogen we niet onbeantwoord laten. Trump kondigt aan dat hij 25 % invoertarieven op Europese producten zal heffen. Dat is nefast voor Europa en voor onze Belgische economie, want Amerika is nog altijd een heel belangrijke afzetmarkt, de vierde grootste, voor ons. Jaarlijks exporteren we voor meer dan 33 miljard euro goederen naar Amerika.

Vooral de farmasector speelt daarin een belangrijke rol en is verantwoordelijk voor meer dan de helft van die export. Deze sector is van strategisch belang voor de toekomst. Ze innoveert, ze is duurzaam en ze heeft, tegen de industriële trend in, de voorbije vijf jaar 6.000 extra arbeidsplaatsen in de industrie gecreëerd. Deze sector en al onze exportbedrijven mogen we niet in de steek laten, want we zijn in Europa en in België gevoelig voor invoertarieven. Trump probeert op deze manier Amerikaanse bedrijven te dwingen om hun productie vanuit Europa terug naar Amerika te verplaatsen, maar hij ontketent op die manier een wereldwijde handelsoorlog waar niemand bij wint.

We moeten in Europa stevig en onmiddellijk reageren, want we kunnen onze exportbedrijven en onze farmasector op dit moment niet in de steek laten. Collega's, de toekomst van Europa staat op het spel. Met deze Trumpiaanse manier van doen, met een spelletje duimen omhoog-duimen omlaag, probeert men ons lot te bepalen.

Collega's, we moeten sterk genoeg zijn. We moeten met Europa het heft in eigen handen houden. Het is niet Amerika dat de Europese toekomst zal bepalen. Mijnheer Hedebouw, het zijn ook niet uw Chinese vrienden die het lot van Amerika zullen bepalen!

Darya Safai:

Mijnheer de premier, in Saoedi-Arabië zijn gesprekken opgestart tussen de VS en de Russische Federatie over het conflict in Oekraïne. Dat de Europese landen zich gepasseerd voelen, is een understatement. Cruciaal voor het slagen van eender welke oplossing is de aanwezigheid van Oekraïne aan de onderhandelingstafel.

De Amerikaanse regering liet duidelijk verstaan dat Europa niet hoeft te rekenen op Amerikaanse steun en dat de Europese uitgaven voor defensie sterk moeten worden opgeschroefd. De Verenigde Staten dringen er ondertussen op aan dat elke NAVO-lidstaat ongeveer 5 % van het bruto binnenlands product aan defensie zou besteden. Mark Rutte, de secretaris-generaal van de NAVO, dringt erop aan om tegen de zomer 2 % te halen. In de regering wordt er gesproken over het bijsturen van het defensieplan. Afgelopen donderdag verklaarde u dat er miljarden gezocht moesten worden. Dat is een duidelijke boodschap.

Mijnheer de premier, binnen welke termijn moeten volgens u de inspanningen gebeuren? Wat is volgens u een realistische doelstelling? U verklaarde stappen te zetten naar een meer Europees geïntegreerde defensie in de NAVO, onder meer op het vlak van militaire aankopen. Graag krijg ik wat meer duiding over de plannen.

Bart De Wever:

Chers collègues, je vous remercie pour toutes ces questions. Je vais essayer d'y répondre en cinq minutes. Comme vous le savez, mes chers collègues Prévot et Clarinval complèteront ma réponse.

Depuis la séance de la semaine dernière, j'ai eu, comme vous pouvez l'imaginer, de très nombreux contacts internationaux concernant les derniers développements géopolitiques.

Lundi dernier, j'ai participé au sommet sur la sécurité organisé par l'Ukraine où j'ai confirmé la poursuite de notre soutien à l'Ukraine. Mardi après-midi, j'ai eu un entretien téléphonique avec le président Zelensky au cours duquel j'ai réaffirmé et concrétisé ce message. En outre, j'ai eu de nombreux contacts avec les dirigeants européens et le président du Conseil européen. Hier matin, un Conseil européen a eu lieu en vidéoconférence et le président Macron a fait un débriefing sur sa visite à Washington. Vous comprendrez, je l'espère, que je dois rester discret à ce sujet. Je comprends les nombreuses questions très détaillées mais il n'est pas réaliste de développer chaque élément ayant été discuté. Néanmoins, je peux vous dire que la position des partenaires européens reste inchangée.

Premièrement, l'Europe continuera à soutenir l'Ukraine et renforcera sa position dans les négociations de paix car " if you are not at the table you are on the menu " et cela est inacceptable. Deuxièmement, la participation de l'Ukraine et de l'Europe est nécessaire pour parvenir à une paix durable. Troisièmement, l'Europe doit intensifier ses investissements dans la défense. Le temps où notre continent pouvait se reposer sur un dividende de paix est malheureusement révolu. L'Europe doit pouvoir assurer entièrement sa propre sécurité le plus rapidement possible. La Belgique, en tant que membre fondateur de l'Union européenne et de l'OTAN, doit aussi apporter sa contribution. Cela est déjà prévu dans l'accord de gouvernement mais il ne faut pas exclure qu'à court terme, des efforts supplémentaires soient nécessaires.

Ik begrijp uw waarschuwing om niet achterom te kijken, mijnheer Vander Elst,. "Kijk vooral niet achterom" zal waarschijnlijk ook de slagzin worden van uw partij. Dan ziet u namelijk hoe u het hebt nagelaten: rampzalig. We zullen dus een spurtje moeten trekken en dat zal gebeuren.

L'Europe et ses partenaires doivent prendre rapidement des décisions pour renforcer les trois points cruciaux que je viens d'esquisser. Le 6 mars, le Conseil européen se réunira à ce sujet, mais je vous demande de rester très discrets sur cette date, car ma famille pense encore que nous serons ensemble en vacances. C'est la raison pour laquelle je l'ai dit en français. (Rires dans l'assemblée)

Op de bijeenkomst van de Europese Raad gisteren werd afgesproken om een constructieve dialoog met de Verenigde Staten te blijven voeren. Ik begrijp dat collega’s zich opwinden. Er zijn immers wel wat krasse dingen gezegd en hun hart mag koken, maar de consensus onder de Europese regeringsleiders was om het hoofd koel te houden. Vandaag is Keir Starmer in het Witte Huis, morgen is Zelensky aan de beurt. We zullen zien wat het wordt, maar het valt niet te ontkennen dat de verklaringen van de Amerikaanse regering ons zeer ongerust hebben gestemd. Dan gaat het niet alleen over onze Europese partners, maar ook over aantal andere internationale partners, niet het minst Canada.

Uiteraard stelt niemand – ik hoop ook hier niet – het NAVO-bondgenootschap ter discussie, want dat zou buitengewoon dom zijn. Waakzaamheid is zeker geboden. De dreigementen met nieuwe handelstarieven zouden ons als exportnatie ernstige zorgen moeten baren. De Verenigde Staten zijn een zeer belangrijk exportland voor ons. De farmasector, en niet alleen die in Puurs, is zeer afhankelijk van die export. Ik heb gisteren in de marge van de industrietop gesproken met mensen uit die sector en zij zijn bijzonder ongerust. Vooralsnog moeten we een handelsoorlog tussen de meest verweven handelsblokken ter wereld proberen te vermijden. Dat is onze kortetermijndoelstelling.

Madame Deborsu, vous avez de nombreuses questions détaillées sur ce que nous allons faire et comment nous allons réagir. J'en ai parlé hier avec Mme von der Leyen, mais il est encore trop tôt pour élaborer une réponse. Il est toutefois certain que l'Europe devra, le cas échéant, réagir très vite et très clairement.

Tot slot, u leest ongetwijfeld de berichten over een economisch akkoord tussen Oekraïne en de Verenigde Staten. Van die berichten wordt men niet blij. Europa zal in dat licht Oekraïne moeten blijven steunen om het in zijn positie te versterken, en de ontwikkelingen zeer goed moeten opvolgen. Zolang de definitieve modaliteiten van dat akkoord niet bekend zijn, is het evenwel moeilijk om daar precies op te reageren.

Mijnheer de voorzitter, als u mij nog vijf seconden gunt, dan rond ik mijn antwoord af.

Ik doe hier een oproep aan alle fracties in het halfrond om ondubbelzinnig de kant van Europa, de kant van het vrije Westen te kiezen en die te verdedigen.

On peut bien dire que Trump n'est pas un homme de paix, mais vous avez oublié de dire que Poutine est un homme de guerre!

Dat is wel heel belangrijk. ( Luid applaus )

Voorzitter:

Uw interpretatie van vijf seconden is wel bijzonder breed. Dat wordt afgetrokken van de spreektijd van de andere ministers.

Bart De Wever:

Voorzitter, ik kan het ook niet helpen dat er stormachtig applaus is wanneer ik spreek. Dat kost mij spreektijd.

Hoe dan ook moeten we ondubbelzinnig zijn: we moeten de kant van Europa en van het vrije Westen kiezen. We mogen niet naïef zijn. Als kleine en economisch sterke exportnatie is het onze taak vandaag maximaal aan die verbondenheid bij te dragen.

Voorzitter:

Het thema is natuurlijk bijzonder belangrijk. Dat blijkt ook uit de vele interventies erover, maar ik wil de regering toch aanmanen om de tijdslimieten te respecteren.

David Clarinval:

Mesdames et messieurs, chers députés, depuis l'investiture du président Trump, les relations transatlantiques sont mises en effet sous pression. Nos relations commerciales n'y échappent pas. Le président Trump a en effet annoncé son intention d'imposer des tarifs douaniers de 25 % aux importations en provenance de l'Union européenne.

Nous devons veiller à ce que l'on apporte une réponse commune et proportionnée aux décisions prises par l'administration Trump.

Het doel van de Amerikaanse president bestaat erin de vermeende ovenwichtigheden in de handelsbetrekkingen weg te werken. Hij verwijt de Europese Unie normen en regels op te leggen die de toegang tot de Europese markt moeilijker maken voor Amerikaanse producten, terwijl Europese producten genieten van een relatief vrije toegang tot de Amerikaanse markt.

De Verenigde Staten kondigden aan vanaf 12 maart 25 % douanerechten te zullen heffen op de import van staal en aluminium afkomstig uit de Europese Unie. Een volgende ronde maatregelen zou begin april worden aangekondigd.

La présidente de la Commission européenne a exprimé son profond regret face à cette décision et a réaffirmé que l'Union prendrait des contre-mesures fermes et proportionnées pour protéger ses intérêts économiques.

Au niveau belge, dans le cadre du processus de concertation DGE, nous avons initié depuis plusieurs semaines déjà une réflexion afin de définir une position commune, qui se veut assertive et qui tient compte des intérêts belges.

Il faut néanmoins savoir que toutes les mesures américaines ne sont pas encore précisément connues. Par ailleurs, nous attendons encore la proposition que la Commission pourrait faire pour répondre aux mesures américaines annoncées.

La Belgique entretient des relations commerciales fortes avec les États-Unis, tant du côté de l'offre que de la demande. En 2023, les exportations de biens belges vers les États-Unis ont représenté plus de 28 milliards d'euros alors que les importations de biens en provenance des États-Unis s'élevaient à près de 25,8 milliards d'euros.

Sur la base de plusieurs analyses, nos principaux secteurs sensibles ont été identifiés. Il s'agit de la chimie, du secteur pharmaceutique, du secteur métallurgique, de certaines matières critiques, du secteur automobile, des machines et des appareils électroniques.

Dans les semaines à venir, je veillerai, en tant que ministre de l'Économie, avec mon collègue des Affaires étrangères, à défendre au mieux les intérêts stratégiques de la Belgique. Notre position sera largement concertée avec les différentes Régions du pays. Nous veillerons à faire entendre les intérêts des plus petites économies comme la nôtre.

Sur le plan européen, nous plaiderons pour l'unité des États membres face à la politique commerciale menée par le président Trump. Face aux tentatives américaines d'approcher les États membres séparément, il sera en effet essentiel de rester sur la même ligne pour renforcer la cohérence de nos messages et notre position face à l'administration Trump.

Par ailleurs, il me semble aussi urgent de pouvoir développer au niveau européen et belge une stratégie de défense des industries et des entreprises confrontées à la concurrence internationale. Les annonces d'hier, en marge de la conférence d'Anvers sur le Clean Industrial Deal, semblent aller dans le bon sens. Nous devons les mettre en œuvre avec volontarisme et célérité, notamment au travers du plan interfédéral de développement des industries prévu dans notre accord de gouvernement. Je vous remercie pour votre attention.

Maxime Prévot:

Monsieur le président, c'est en ma qualité de ministre des Affaires étrangères et, à ce titre, compétent pour la diplomatie économique et la politique commerciale européenne que je vais compléter les propos du premier ministre et de mon collègue Clarinval.

Les États-Unis sont en train de faire fausse route. En annonçant imposer des droits de douane à tout-va, ils se mettent à dos une bonne partie du monde. Et nous ne voyons aucune justification à l'imposition de tels droits sur nos exportations. Comment peuvent-ils imaginer une seule seconde que cela va leur bénéficier? Comment peut-on penser que l'Union européenne constituerait une menace pour leur sécurité nationale?

De Amerikaanse tarieven zullen economisch contraproductief zijn, vooral gezien de diep geïntegreerde trans-Atlantische toeleveringsketens. Door tarieven op te leggen, zullen de Verenigde Staten hun eigen burgers belasten, de kosten voor hun eigen bedrijven verhogen en de inflatie aanwakkeren. Bovendien zullen de Amerikaanse tarieven waarschijnlijk ontwrichtende effecten hebben op het wereldwijde handelssysteem als geheel.

Die aankondigingen zullen niet onbeantwoord blijven. We moeten echter zeker niet proberen op elke provocatie te reageren. De bedoelingen van president Trump en zijn regering, of ze nu betrekking hebben op Europa, Groenland, Oekraïne of de Gazastrook, kunnen aanleiding geven tot veel berichten op X, die we kunnen betreuren. We moeten echter reageren op tastbare maatregelen, die op dit moment niet erg talrijk zijn.

J'ai demandé à mes services de travailler d'arrache-pied sur comment faire face et redéfinir notre relation avec les États-Unis, tous aspects confondus, le commerce, bien sûr, mais aussi le climat, l'énergie, la diversité, les droits sexuels et reproductifs, le digital, les migrations, l'éthique, la santé, et j'en passe. Ce travail est fait en coordination avec les autres membres du gouvernement et les autres gouvernements du pays. On ne peut pas réagir sur un coup de tête. Ne faisons pas nous-mêmes du Trump en réaction à Trump!

Nous ne devons pas nous arrêter à une posture ébahie, prendre note de chacune des annonces et décisions américaines. Le monde change très vite et nous devons nous montrer proactifs et ne pas seulement agir sur la défensive. Nous devons arrêter la naïveté. Quittons cette posture de victime pour reprendre notre place sur la scène internationale!

We moeten de Europeanen samenbrengen om dit antwoord te bepalen. België moet opnieuw zijn rol als vereniger spelen om een verenigd front te vormen tegenover de nieuwe geopolitieke omwentelingen. We hebben een sterk, veerkrachtig, autonoom en soeverein Europa nodig, dat in staat is de uitdagingen van vandaag en morgen aan te gaan. Dat vereist dat we beter, efficiënter en sneller samenwerken. Een verenigend maar ook assertiever beleid ter verdediging van onze belangen in een wereld waarin de machtsverhoudingen intens zijn, is dan ook precies wat ik sinds mijn aantreden heb gevoerd. We moeten onze verantwoordelijkheid nemen.

En matière de défense, comme cela a été précisé par le premier ministre, une paix juste, globale et durable en Ukraine ne fera bien sûr pas disparaître la menace russe. Nous devons donc renforcer d'urgence nos capacités industrielles de défense, et nous devons assurer la compétitivité de nos entreprises tous secteurs confondus. Le ministre Clarinval l'a rappelé, nous avons le devoir de protéger nos citoyens et nos entreprises contre ces décisions américaines. Non seulement les protéger, mais agir aussi pour augmenter leur compétitivité.

D atzelfde ambitieniveau moet ons drijven als het gaat om het aangaan van de uitdaging van de klimaattransitie. Ik zal u daaraan ook herinneren wanneer ik mijn beleidsverklaring presenteer, want dat zal een constante zijn in het beleid dat ik plan te voeren.

Dans le même temps, la recherche d'un agenda positif avec la nouvelle administration américaine doit rester notre objectif premier. Nous avons tout à gagner dans un partenariat transatlantique fort. Nous devons rester ouverts aux collaborations avec les autorités américaines sur nos priorités communes en matière de prospérité et de sécurité internationale, notamment. Pensons par exemple à la lutte contre le crime organisé, ou contre les drogues, ou contre les trafics d'êtres humains. J'entends poursuivre les discussions entamées par mon prédécesseur à ce sujet avec le secrétaire d'État Rubio.

La relation de la Belgique avec les États-Unis est la plus importante économiquement hors d'Europe, avec plus de 75 milliards d'échanges par an et des investissements soutenant 250 000 emplois.

Die omwentelingen moeten ons ook uitnodigen om nieuwe bondgenoten te vinden. We moeten partnerschappen op intelligente en consequente manier diversifiëren. Ik dank u.

Kjell Vander Elst:

Bedankt, mijnheer de premier. Ook wij staan aan de kant van Europa en van het vrije Westen. Daarop mag u rekenen.

We moeten dan wel ons deel doen. U hebt niet geantwoord op de vraag hoe we tegen de zomer de 2 % die de NAVO ons oplegt, zullen behalen. U noemt het een sprintje trekken. Ik vrees dat dat niet zal volstaan.

Premier, u hebt een zeer ambitieuze minister van Defensie. Er staan zeer goede zaken op papier, maar het budget moet dan ook wel volgen. We spreken elkaar dus in april tijdens de begrotingsbesprekingen en zullen dan zien of u die woorden zult omzetten in daden.

Patrick Prévot:

Malgré le fait que vous ayez envoyé une armée mexicaine pour me répondre, vous avez scrupuleusement répondu aux questions que je n'avais pas posées.

Monsieur le ministre de l'Économie, en rapport avec la question que j'avais posée concernant la task force , je vous signale qu'il y a eu une action symbolique devant votre SPF en marge d'une réunion sur la politique industrielle. J'espère que vous étiez au courant. Les syndicats et les ONG déploraient le fait qu'ils n'étaient pas invités et que vous aviez choisi quelques entreprises. Ma première demande formelle est que vous les invitiez autour de la table.

Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, il faudra évidemment être beaucoup plus offensifs. Quand on vise 80 % de taux d'emploi – même si personne n'y croit –, il va évidemment falloir mener une politique d'investissements publics beaucoup plus ambitieuse. Le pacte pour une industrie propre s'élève à 100 milliards alors que le rapport Draghi en préconisait 800. Plus que jamais, il faut viser un taux d'investissement public (…)

Voorzitter:

Collega’s, het noemen van een naam volstaat niet om er een persoonlijk feit van te maken.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de premier, u hebt hier geantwoord en u gaat blijkbaar door. Wij zeggen al maanden dat blindelings de Amerikanen volgen Europa kapot zal maken en u gaat daar gewoon mee door. U verstaat niet wat er aan het gebeuren is.

Bien sûr que Poutine est à condamner! Évidemment, il est synonyme de guerre. Poutine, c'est la guerre. Mais le monde libre est-il synonyme de paix? Les bombardements américains au Vietnam, c'est la paix? Les bombardements américains en Libye, en Syrie, c'est la paix? Les bombardements américains en Irak: un million de morts! Un million de morts en Irak, est-ce la paix? Comment peut-on continuer à être aussi naïf?

Vous avez raison, monsieur Prévot. L'Europe doit chercher de nouveaux partenaires. Le Sud global est en train de se réveiller aujourd'hui. Pour la première fois depuis la Deuxième Guerre mondiale, une puissance économique mondiale est en train de se faire dépasser par d'autres puissances du Sud.

Si l'Europe veut survivre, il faut arrêter d'être naïf comme ici aujourd'hui et tendre la main. Une Europe non-alignée doit tendre la main aux pays du Sud pour arrêter d'être naïf et se faire détruire (…)

(De heer Hedebouw maakt zwembewegingen.)

Voorzitter:

Voor het verslag, de heer Hedebouw zwemt terug naar zijn plaats.

Charlotte Deborsu:

En tout cas, Trump est ce qu'il est, mais il aura réalisé un grand exploit aujourd'hui. Réussir à amener la gauche à promouvoir le libre marché et à s'opposer aux taxes douanières, chapeau à lui!

Monsieur le premier ministre, je vous pardonne de ne pas avoir répondu à toutes mes questions, qui étaient peut-être un peu trop précises. Face à cette offensive protectionniste, l'Europe ne peut pas trembler, la Belgique ne peut pas trembler. L'Union européenne a les moyens d'agir et la Belgique doit être à l'avant-garde de cette riposte. Nos entreprises doivent être protégées, nos travailleurs soutenus, notre souveraineté économique défendue et même déployée. Et le meilleur moyen d'y arriver est de mener une réelle stratégie de réindustrialisation de l'Europe, pour plus de souveraineté. L'enjeu est là. Profitons de l'occasion pour enfin nous réveiller. Wake up, Europe!

François De Smet:

Merci pour vos réponses.

Les comparatifs entre MM. Trump et Poutine sont intéressants, parce que je crois qu'ils ont beaucoup de points communs. Ils sont imprévisibles, ils sont dangereux, ils ne respectent que le rapport de force et ils font un pari immodéré sur la faiblesse des Européens. Or, M. Poutine a eu tort, au moins en partie. Les Européens ont été solidaires de l'Ukraine. Nous devons continuer à l'être et nous vous soutiendrons évidemment à ce sujet.

De la même manière, il faut que M. Trump ait tort lorsqu'il parie qu'il peut diviser les Européens, et éventuellement mener des négociations pays par pays. Cela veut dire qu'il ne faudra pas juste répliquer par des droits de douane aussi forts ou par une guerre commerciale. Il faudra surtout devenir aussi forts que les États-Unis et d'autres pays, en termes de recherche et d'innovation, parce qu'il n'y a que dans cette indépendance-là que nous arriverons à ne plus être de simples consommateurs de la mondialisation.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de eerste minister, de samenvatting van uw antwoord was eigenlijk eendracht maakt macht, in België en in Europa. Ik heb u vroeger wel iets anders horen zeggen. Het kan verkeren.

Het klopt natuurlijk wel. Het is in ons aller belang dat we ons nu niet uit elkaar laten spelen en lijdzaam de agressie ondergaan van een man die leeft in zijn eigen realiteit. Het is het moment voor Europa om zelf maatregelen te nemen en te investeren in innovatie, verduurzaming en groene industriële transitie. De groenen geloven in een samenleving waar niet het recht van de sterkste regeert, maar waar iedereen meegetrokken wordt in een partnerschap met een duidelijke koers en humanistische waarden, met een koel hoofd en een warm hart, in Europa, maar ook in ons land.

Wat dat laatste betreft, verdient ook het project van de arizonaregering de nodige verbeteringen, zowel op het vlak van mensbeeld als van onderzoek en investeringen.

Simon Dethier:

Merci, monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, pour ces éléments de réponse qui apportent des informations éclairantes quant à l'orientation du gouvernement pour l'avenir.

Préserver la compétitivité des entreprises, c'est permettre aux citoyens, aux commerçants, aux entrepreneurs et aux travailleurs d'exercer leur métier et maintenir l'emploi. Maintenir le cap climatique, c'est veiller à notre avenir aujourd'hui et pour les générations futures. Les changements ne sont jamais faciles à aborder et je tiens à exprimer tout mon soutien et mon respect aux entreprises et aux citoyens qui œuvrent pour développer notre économie, créer des emplois dans un contexte exigeant, instable, incertain et en profond changement. Ne faisons pas du Trump, saisissons les opportunités de la transition climatique pour une économie résiliente et prospère.

Voorzitter:

Je félicite M. Dethier pour sa première intervention.

(Applaus)

(Applaudissements)

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de eerste minister, heren ministers, dank u voor uw zeer stevige antwoorden. Die stemmen mij blij. U ziet volop de ernst van de situatie in. Als cd&v moedigen we u aan opdat België een duidelijke, constructieve rol in de Europese Unie opneemt om een stevig antwoord te formuleren.

Mijnheer de premier, het antwoord mag niet agressief zijn, maar evenmin naïef. Ga voor een slim en assertief Europees antwoord, want onze Belgische export, onze Belgische farmaceutische industrie verdienen dat. We rekenen dus echt op u.

Darya Safai:

Mijnheer de premier, ik ben blij met uw stelling dat wij als Europeanen de rug moeten rechten. Daarom moeten wij, zoals u hebt gezegd, meer investeren in onze defensie. De Europese landen zullen veel meer moeten samenwerken om hun rol in de NAVO te kunnen opnemen. Wij moeten inderdaad Oekraïne blijven steunen. Dat land is immers de poort van Europa. Capitulatie voor een vijand zoals Poetin mag nooit een optie zijn. Voor de N-VA luidt het motto: geen welvaart zonder veiligheid. Samen kunnen wij het aan.

De controles op vluchten uit Griekenland door de luchtvaartpolitie en de DVZ

Gesteld door

N-VA Maaike De Vreese

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische luchtvaartpolitie en Dienst Vreemdelingenzaken voeren sinds november gerichte controles op vluchten uit Griekenland (en beperkt ook Cairo/Istanboel) om erkende vluchtelingen (vooral Palestijnen met M-status) te weren die in België een tweede asielaanvraag indienen, wat de overbelaste asielcentra verder onder druk zet. 86 (2024) en 108 (2025) personen met Griekse beschermingsstatus werden geïdentificeerd, waarvan een deel ongeldige documenten had of een nieuwe aanvraag deed; terugsturing naar Griekenland gebeurt via digitale scans van verblijfspapieren, maar gezinscijfers ontbreken. De Vreese drong aan op uitbreiding van controles naar andere risicolanden en bestrijding van smokkelnetwerken via samenwerking met Griekenland, inclusief ontradingscampagnes om herhaalde asielpogingen te ontmoedigen. Minister Van Bossuyt bevestigde verder overleg op EU-niveau en met Binnenlandse Zaken om de controles te verlengen, maar concrete afspraken met Griekenland staan nog open.

Maaike De Vreese:

Onlangs stond er in de pers dat de luchtvaartpolitie en de Dienst Vreemdelingenzaken sinds november controles uitvoeren op aankomende vluchten uit Griekenland. Het doel van die controles is het moeilijker te maken voor erkende vluchtelingen om in België een nieuwe asielaanvraag in te dienen. Dat gaat natuurlijk over de mensen met een M-status, waaronder heel wat Palestijnen. Daarover hadden we het daarnet.

De aanleiding voor die controles was de sterke stijging van asielaanvragen door personen die al in een ander Europees land als vluchteling erkend waren. Er zouden ook aanwijzingen zijn dat mensensmokkelaars gebruikmaken van vluchten om mensen vanuit Griekenland naar dit land te krijgen.

Reizigers met ongeldige documenten worden naar een gesloten centrum gebracht en zouden naar Griekenland worden teruggestuurd. Van personen met Griekse verblijfspapieren wordt een digitale scan van de documenten gemaakt. Indien die personen hun papieren na aankomst zouden vernietigen of kwijtraken, helpt de digitale kopie om een terugkeer naar Griekenland makkelijker te laten verlopen.

Het is onverantwoord dat personen die erkend zijn in andere landen in ons land ook bescherming aanvragen, zeker als men weet dat onze asielcentra volledig vol zitten. We merken bij de lokale besturen ook dat het draagvlak volledig weg is. Toen deze regering werd gevormd, kreeg ik onmiddellijk de vraag van allerlei burgemeesters en schepenen: ons asielcentrum zal toch als een van de eerste gesloten worden? Die vragen zullen ook bij u terechtgekomen zijn, mevrouw de minister. Ik kan geen enkel asielcentrum in West-Vlaanderen noemen, behalve dat in Poelkapelle, dat er al jaar en dag is, dat een uitbreiding wil of open wil blijven. Er is dus werk aan de winkel. Het is belangrijk om die instroom te beperken, want daar hebt u vat op.

Mevrouw de minister, kunt u toelichting geven over die controles? Hoeveel personen werden gevat sinds het begin van de controles? In hoeveel gevallen hadden die personen ongeldige reisdocumenten? In hoeveel gevallen hadden ze reeds Griekse verblijfspapieren? Over welke nationaliteiten gaat het? Hoeveel werden er overgebracht naar een gesloten centrum? Hoeveel werden er al teruggestuurd? Zitten daar ook gezinnen tussen?

Kunt u toelichting geven over de samenwerking met de federale luchtvaartpolitie? Hoelang zullen die controles duren? Zult u dit ook uitbreiden naar andere hoogrisicovluchten uit andere landen waarvoor hetzelfde risico heerst?

Anneleen Van Bossuyt:

Dank u wel, mevrouw De Vreese, voor uw vragen. Ik heb een heel aantal cijfers, die ik u zal meegeven.

In 2024 controleerde de luchthavenpolitie gedurende 24 dagen vluchten van en naar Griekenland. In 2025 vonden tot nu toe gedurende veertien dagen controles plaats. Daarbij waren bijvoorbeeld ook vijf vluchten uit Cairo en één vlucht uit Istanboel. De verslagen van de controles werden doorgestuurd naar de Dienst Vreemdelingenzaken.

Bij de controles in 2024 werden er 86 personen aangetroffen die in het bezit waren van een internationaal beschermingsstatuut in Griekenland. Dat zijn de zogenaamde M-statussen. Die personen reizen met het reisdocument dat hun door Griekenland werd afgeleverd, vaak ook met de verblijfstitel die ze er verkregen hadden. Wat de nationaliteiten van die 86 personen betreft, ging het in 2024 over drie personen met de Egyptische nationaliteit, twee met de Libische nationaliteit en 81 Palestijnen. Dat brengt het totaal op 86. 31 personen van die 86 aangetroffen personen hadden een lopende procedure internationale bescherming, waren erkend als vluchteling of waren uitgeprocedeerd. In totaal dienden 50 personen een nieuw verzoek in tot internationale bescherming.

Bij de controles in 2025, in de korte periode van 1 januari tot 12 februari, werden volgens de recentste cijfers in totaal 108 personen met een internationaal beschermingsstatuut in Griekenland aangetroffen. Dat zijn er dus al meer dan in 2024. Ze reisden met het reisdocument dat hun door Griekenland werd afgeleverd, vaak ook met de verblijfstitel die ze er verkregen hadden. Wat de nationaliteiten van die 108 personen betreft, het ging over twee personen met de Afghaanse nationaliteit, drie uit Eritrea, een uit Ethiopië, een uit Pakistan, 57 uit Palestina, een uit Soedan, twee uit Somalië, vijf staatlozen, 34 uit Syrië en twee uit Jemen. Dat brengt het totaal op 108. Daarvan waren 34 personen ofwel in procedure, ofwel erkend vluchteling, ofwel uitgeprocedeerd. Acht hebben naderhand een verzoek om internationale bescherming ingediend en 66 hebben geen procedure ingediend.

Personen met een vluchtelingenstatuut kunnen visumvrij reizen als ze in het bezit zijn van een geldig reisdocument dat werd afgeleverd door een Schengenlidstaat en hun verblijfstitel aldaar.

Wat uw bijkomende vraag over de gezinnen betreft, we hebben momenteel geen cijfergegevens of er daar gezinnen bij waren.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, verdere controles zijn absoluut noodzakelijk. Ik zou die zo breed mogelijk doen, want daar is winst op te behalen als men ziet dat er daarvan toch vrij veel mensen gebruikmaken.

We moeten de focus leggen op de mensensmokkelnetwerken die daarachter zitten. Ik weet niet of er contacten kunnen worden gelegd tussen u en de politiediensten en of er eventueel een verbindingsambtenaar van de politie in Griekenland is, maar ik denk dat het voor u heel interessant zou zijn om met uw Griekse collega afspraken te maken en om daar ontradingscampagnes op te zetten. Men moet duidelijk maken dat het geen enkele zin heeft om naar ons land te komen als men een M-status heeft en erkend is in Griekenland of een procedure lopende heeft. Dat kan heel ontradend werken ten aanzien van die smokkelnetwerken.

Anneleen Van Bossuyt:

U hebt het over contacten met de Griekse collega's. Ik zal proberen om volgende week op de Europese ministerraad al met verschillende collega's contact te leggen over verschillende elementen en we zullen ook met de minister van Binnenlandse Zaken bekijken of die controles kunnen worden verdergezet.

Maaike De Vreese:

U bent heel goed bezig, mevrouw de minister.

Ahmadreza Djalali
De repressie tegen politieke gevangenen in Iran
De vrijlating van professor Djalali
De situatie van professor Djalali en de andere gedetineerden in Iran
De huidige toestand van Ahmadreza Djalali
Ahmadreza Djalali
Het engagement van België met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Iran
De zaak van Ahmadreza Djalali en politieke gevangenen in Iran

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en de EU veroordelen scherp de systematische mensenrechtenschendingen in Iran, waaronder politieke executies (880+ in 2024), marteling en willekeurige detenties zoals die van Ahmadreza Djalali (9 jaar gevangen, doodvonnis) en drie andere politieke gevangenen (Ehsani, Hassani, Azizi) wier executie dreigt. België zet diplomatieke druk (bilateraal, via VN/EU), eist vrijlating, betere detentieomstandigheden en een moratorium op de doodstraf, en steunt EU-sancties tegen Iraanse veiligheidsdiensten, maar kritiek blijft dat gijzelingsdiplomatie (ruil van gevangenen) en theocratische hardleersheid om hardere maatregelen vragen, zoals versterkte sancties en een eengemaakte Europese aanpak. De Belgische regering benadrukt discrete maar aanhoudende actie, maar parlementsleden dringen aan op meer daadkracht en publieke verontwaardiging.

François De Smet:

Monsieur le ministre, vous parlez de la répression des prisonniers politiques en Iran. Vous n'êtes pas sans savoir que les opposants au régime iranien sont soumis à la torture et à une répression aveugle. Les ONG, comme Amnesty International, nous relatent la condamnation à mort au terme d'un procès manifestement inéquitable devant la Cour suprême de trois prisonniers politiques dont l'exécution serait imminente.

Il y a Behrouz Ehsani, 69 ans, prisonnier politique des années 80 qui a été arrêté à Téhéran en décembre 2022 et Mehdi Hassani, 48 ans, qui a été arrêté en octobre 2022. Tous deux ont été transférés au quartier 209 de la prison d'Evin où ils ont été soumis à des tortures physiques et psychologiques. Ils étaient membres de la campagne des mardis "Non aux exécutions". Il y a aussi le cas de Mme Azizi, 40 ans, travailleuse sociale et prisonnière politique kurde.

Ces trois exemples, et nous savons qu'il y en a d'autres, soulignent que les droits de l'homme sous leur forme la plus élémentaire sont toujours bafoués de manière sanglante en dépit des appels à l'aide et des campagnes menées avec courage par les ONG. Rappelons que l'année dernière, pas moins de 1000 exécutions ont été recensées dans ce pays où règne un régime de terreur. Les Iraniens et les Iraniennes ont besoin d'un soutien international fort. Ils doivent savoir qu'ils ne sont pas seuls. En l'occurrence, toute voix compte, y compris celle de la Belgique.

Monsieur le ministre peut-il me faire savoir si l'ambassadeur d'Iran en Belgique a récemment été convoqué sur ces affaires? La Belgique entend-elle relayer les appels à cesser toute exécution et en particulier, celles d'opposants politiques, et la diplomatie au niveau de l'Union européenne compte-elle réagir pour dénoncer cette escalade effroyable? Je vous remercie.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, met grote bezorgdheid volg ik de berichten over de situatie van de Iraanse wetenschapper Ahmadreza Djalali, die al bijna negen jaar onterecht vastzit in een Iraanse gevangenis, in mensonwaardige omstandigheden. De laatste maanden gaat zijn gezondheidstoestand zienderogen achteruit, zowel fysiek, door ondervoeding en martelpraktijken, als mentaal, door de constante dreiging met de doodstraf.

Kunt u een laatste stand van zaken geven? Hebt u een zicht op de gezondheidstoestand van professor Djalali? Kan hij door een arts worden bezocht?

Hebt u regelmatig contact over dit dossier met uw Zweedse ambtsgenoot of met de Zweedse ambassadeur? Welke diplomatieke stappen heeft België, al dan niet in samenwerking met de EU, ondernomen om de Iraanse autoriteiten te verzoeken om de onmiddellijke vrijlating van Ahmadreza Djalali?

Wat zal België doen om de mogelijke executie van professor Djalali tegen te gaan? Hebt u daarover gesprekken gehad met uw Iraanse ambtsgenoot en/of de Iraanse ambassadeur?

Hebt u deze situatie recent op internationale fora aangekaart? Zo ja, wat was de conclusie?

Dat Iran gijzelingsdiplomatie gebruikt om zijn terroristen terug te halen, is geen geheim. Deze week nog werd een Nederlandse toergids die onder valse aantijgingen vastzat in de Evingevangenis geruild met een Iraniër die vastzat in Nederland, van wie de VS blijkbaar ook de uitlevering vroegen. Werd de gijzelingsdiplomatie recent nog aangekaart op verschillende internationale fora? Zo ja, welke internationale maatregelen en/of middelen zullen er in dat kader genomen worden?

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, de heer Djalali is een Iraans-Zweedse professor die acht jaar lang onderzoek deed voor het Karolinska Instituut in Stockholm. Tijdens een lezingtour doorheen Iran werd hij op 25 april 2016 gearresteerd in Teheran. Iran beschuldigde hem van spionage voor Israël. Een jaar later werd de heer Djalali veroordeeld tot de doodstraf, wat felle kritiek opleverde, zowel bij de EU als bij de VN. Sindsdien blijft de situatie van de professor uitzichtloos.

Ook na de vrijlating van Olivier Vandecasteele en twee andere gevangenen in juni 2023, wil Iran niet spreken over een vrijlating van de heer Djalali.

In een geluidsfragment onlangs zei de heer Djalali dat hij nog steeds hulpeloos is en voortdurend het risico loopt om geëxecuteerd te worden. Hij zit momenteel al negen jaar vast in de beruchte Evingevangenis, waar ook Olivier Vandecasteele een jaar heeft vastgezeten. Hij werd onlangs 53 jaar en spreekt over een zeer verslechterde gezondheidstoestand.

Mijnheer de minister, is de Belgische regering nog bezig met het dossier van de heer Djalali, zodat ook hij kan worden vrijgelaten?

Welke diplomatieke stappen zette België tot nu toe, al dan niet in samenwerking met de EU, om de Iraanse autoriteiten te verzoeken de heer Djalali onmiddellijk vrij te laten?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, mijn vraag is exact dezelfde als die van mevrouw Lambrecht, dus ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals schriftelijk ingediend.

Mijnheer de minister, half januari dook een nieuw geluidfragment op van professor Djalali op de Zweedse omroep SVT. Hij riep hierbij de Zweedse regering op om hem te helpen en thuis te brengen. Djalali zit intussen al bijna 9 jaar vast in schrijnende omstandigheden. In het geluidsfragment zegt hij hulpeloos te zijn en nog steeds voortdurend het risico lopen om te worden geëxecuteerd. Hij zou ook last hebben van een maagvliesontsteking, galstenen en een hartritmestoornis. Het is dan ook van cruciaal belang aandacht te blijven besteden aan zijn onterechte vasthouding.

Ik heb voor u dan ook de volgende vragen:

Welke stappen heeft ons land concreet nog ondernomen om de vrijlating van Djalali bij Iran te bepleiten en erop aan te dringen zijn fundamentele rechten te eerbiedigen met adequate medische zorg?

Welke concrete stappen werden hiertoe nog op Europees niveau ondernomen?

Charlotte Deborsu:

Monsieur le ministre, la situation des droits humains en Iran est plus que jamais alarmante. Behrouz Ehsani et Mehdi Hassani, deux prisonniers politiques, risquent d'être exécutés d'un moment à l'autre. À l'issue de procès totalement biaisés, la décision de leur condamnation à mort a été prononcée en septembre 2024, basée sur des accusations absurdes: "guerre contre Dieu" et "corruption sur Terre". Leur demande de révision du procès a été rejetée par la Cour suprême iranienne le 23 février 2025.

En 2024, plus de 1000 opposants politiques ont été exécutés. Il n'y en a jamais eu autant au cours des 30 dernières années.

Cette vague de répression dépasse les frontières iraniennes et touche également des ressortissants étrangers. L'Europe et la Belgique en ont fait l'expérience avec la détention arbitraire d'Olivier Vandecasteele pendant 15 mois dans des conditions inhumaines, ou encore avec l'arrestation de la journaliste italienne Cecilia Sala le 19 décembre dernier. Cette dernière a heureusement été libérée le 8 janvier. D'autres Européens sont encore en danger. C'est notamment le cas du professeur irano-suédois Ahmadreza Djalali, condamné à mort depuis huit ans.

Monsieur le ministre, quelles nouvelles initiatives diplomatiques la Belgique compte-t-elle entreprendre, tant au niveau bilatéral qu'au sein des instances européennes et internationales, pour condamner ces pratiques et plaider en faveur du respect des droits humains en Iran?

Maxime Prévot:

Beste collega's, in antwoord op uw vragen in verband met dokter Ahmadreza Djalali en de repressie van politieke tegenstrijders, wens ik de volgende elementen te benadrukken.

De situatie van dokter Djalali blijft zorgwekkend na bijna negen jaar in de gevangenis. België blijft zijn aanhoudende detentie van nabij opvolgen, in samenwerking met onze Zweedse collega's. In dergelijke gevallen is discretie vaak synoniem met efficiëntie. Maar ik kan u vertellen dat er nog eergisteren contact was met zijn advocaten en dat zijn gezondheid zorgwekkend is.

We blijven de situatie van dokter Djalali bespreken wanneer we de kans daartoe krijgen. De Belgische positie is zeer duidelijk: we verzoeken de Iraanse autoriteiten om dokter Djalali vrij te laten, zijn doodstraf nietig te verklaren en zijn detentieomstandigheden dringend te verbeteren. We blijven eisen dat het doodsvonnis waartoe hij is veroordeeld, niet wordt uitgevoerd.

Het lot van dokter Djalali wordt regelmatig met de Zweedse collega's besproken. Ik kan ook bevestigen dat mijn diensten de situatie van dokter Djalali de voorbije maanden verschillende keren opnieuw aan de orde hebben gesteld, zowel in Brussel als in Teheran.

Hoewel het niet aan mij is om commentaar te geven op de bilaterale relatie tussen Zweden en Iran en hun consulaire zaken, blijft het een feit dat de kwestie van Europese onderdanen die willekeurig in Iran worden vastgehouden, een zeer belangrijk punt van zorg en actie blijft voor onze regering, zoals duidelijk bevestigd in het regeerakkoord van de federale regering. Zoals u weet, zet de Belgische regering zich in voor andere EU-onderdanen, zoals het geval was met de drie Oostenrijkse en Deense staatsburgers die in 2023 samen met onze landgenoot Olivier Vandecasteele werden vrijgelaten.

België steunt ook de collectieve Europese aanpak ten aanzien van de chantagepolitiek van de Iraanse autoriteiten. Dat vertaalde zich in verschillende verklaringen over Iran van voormalig hoge vertegenwoordiger Josep Borrell namens de Europese Unie, die willekeurige detentie als onaanvaardbaar en onwettig beschouwt. België stond en staat volledig achter deze verklaringen. We zullen de nieuwe hoge vertegenwoordiger ook steunen in soortgelijke verklaringen. Voorts werden ook EU-sancties genomen en het regeerakkoord voorziet ook in verdere initiatieven.

De Iranaanpak heeft ook duidelijk gevolgen voor ons reisadvies en de evolutie van onze bilaterale betrekkingen. Naast dokter Djalali zijn er vandaag nog verschillende onschuldige Europanen in Iran opgesloten. We blijven ijveren voor hun vrijlating.

België blijft samenwerken met zijn Europese partners om deze praktijk te bestrijden. Mijn diensten en ik blijven de algemene situatie van de Europese gedetineerden in Iran aandachtig volgen, evenals de specifieke situatie van dokter Djalali.

S'agissant de la répression des opposants politiques en Iran, de manière plus large, l'abolition universelle de la peine de mort est une priorité de la politique belge en matière de droits humains. La Belgique soulève régulièrement cette question dans diverses enceintes internationales notamment au sein de l'UE, du Conseil des droits de l’homme (CDH) et de la Troisième Commission de l'Assemblée générale de l'ONU.

Dans le cadre de notre mandat actuel au CDH, notre pays s'est engagé à accorder une attention particulière, entre autres, à l'abolition de la peine de mort dans le monde. J'ai pu le répéter moi-même avec force à Genève pas plus tard qu'hier. La Belgique suit de près la situation extrêmement préoccupante des droits humains en Iran, y compris le recours à la peine de mort.

Les situations de Behrouz Ehsani, Mehdi Hassani et Pakhshan Azizi illustrent la répression continue du régime iranien et l'absence de liberté d'expression dans le pays. Selon les chiffres dont disposent mes services, 880 personnes auraient été exécutées en 2024. Cette tendance est à la hausse ces dernières années.

La Belgique a fermement condamné à plusieurs reprises les actions de l'Iran et exprimé sa profonde inquiétude dans les fora multilatéraux, en particulier au Conseil des droits de l'homme et notamment à nouveau, en septembre dernier, à l'occasion du débat général sous point 4 lors de la 57 ème session du CDH.

Lors du dialogue interactif du CDH avec la mission d'établissement des faits pour l'Iran, notre pays a notamment soulevé en 2023 la question des exécutions par l'Iran avec l'appel à l'instauration d'un nouveau moratoire et à l'interdiction de l'exécution de la peine de mort sur les mineurs.

En 2024, nous avons évoqué les violations des droits humains et crimes commis à l'encontre des manifestants pacifiques en Iran. En décembre dernier, la Belgique a également coparainé la résolution de l'Assemblée générale de l'ONU sur la situation des droits de l'Homme en république d'Iran.

En outre, nous soutenons le mandat du rapporteur spécial des Nations unies sur la situation des droits de l'homme en Iran. Ce 24 janvier, à l'occasion de l'examen périodique universel de l'Iran, la Belgique a, entre autres, appelé l'Iran à adopter un moratoire sur les exécutions en vue d'abolir la peine de mort.

Nous avons également soulevé des questions à ce sujet ainsi que concernant l'exercice pacifique et sans entrave par les journalistes, défenseurs des droits humains et autres membres de la société civile de leurs activités. Au-delà des condamnations publiques, la Belgique soulève régulièrement ses vives inquiétudes lors de discussions avec ses interlocuteurs iraniens. Nous insistons sur l'universalité des droits humains et l'importance de la liberté d'expression et de réunion, qui doit être garantie partout et pour tous. La situation en Iran est régulièrement évoquée lors de mes contacts européens et a fréquemment fait l'objet de discussions lors des derniers conseils des Affaires étrangères.

Vous voyez que la Belgique n'est pas en reste et que, partout où elle le peut, dans toutes les instances internationales au sein desquelles les lignes peuvent bouger, des décisions peuvent être prises ou des condamnations peuvent être prononcées, nous agissons. Toujours dans le cadre européen, la Belgique soutient activement les sanctions européennes adoptées à l'encontre des membres et des organes de l'appareil sécuritaire à la manœuvre dans la répression des manifestations en Iran.

Notre pays a régulièrement coparrainé ces propositions de sanctions en tant que co-auteur. Mes services et moi-même restons donc extrêmement attentifs à l'évolution de la situation sur place, et nous continuerons à relayer ces messages auprès des interlocuteurs iraniens et autres partenaires européens.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

Professor Djalali zit ondertussen precies 3.229 dagen vast in Iran. We weten allemaal dat het Iraanse regime hem als pasmunt gebruikt. Elke keer er in het Westen een Iraniër terechtstaat, bericht het terreurregime dat men Djalali binnenkort zal executeren. Bijna negen jaar wordt professor Djalali in onmenselijke omstandigheden vastgehouden, fysiek en psychisch gemarteld, en wordt hem zelfs medische hulp ontzegd.

Dat Iran niet kan worden beschouwd als een normaal land, bewijst het land zelf telkens opnieuw. Iran voerde midden december vorig jaar de strenge hoofddoekenwet in. Vrouwen riskeren hierdoor zware cel- en doodstraffen. Het regime sluit zelfs vrouwen die zich niet houden aan de kledingvoorschriften op in psychiatrische klinieken wegens mentaal instabiel.

We moeten ons inderdaad zorgen maken over de executies. Uit een recent mensenrechtenrapport blijkt namelijk dat er vorig jaar minstens 975 executies plaatsvonden, waaronder zelfs executies van minderjarigen.

Uit uw antwoord leer ik dat u moeite onderneemt en ik dank u daarvoor oprecht. Onze vrees blijft echter dat oproepen vanuit België en oproepen vanuit de Europese Unie weinig impact zullen hebben en weinig indruk zullen maken op het Iraanse regime. U haalde het zelf al aan: het regime zet haar gijzelingsdiplomatie immers gewoon verder.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse.

On a raison de s'impliquer comme nous le faisons pour les ressortissants européens. Par solidarité pour ces gens qui sont détenus par une politique de chantage, le mot est juste, mais la situation des Iraniens qui sont prisonniers dans leur propre pays doit nous accompagner aussi à chaque instant.

Indépendamment de la peine de mort, le seul fait qu'il s'agisse d'opposants politiques, de gens emprisonnés pour des raisons politiques, heurte aussi nos valeurs. La lutte contre la peine de mort, c'est une valeur universelle et européenne. C'est pareil pour le fait de s'opposer au fait qu'on puisse détenir des gens pour leur position politique.

Nous avons affaire à une théocratie. Il est très difficile de négocier avec une théocratie, parce qu'elle n'a aucun scrupule. La Belgique en a fait les frais, comme d'autres pays. Nous devons, j'en suis sûr, hausser encore plus le ton vis-à-vis de l'Iran, notamment au niveau des sanctions et au plus haut niveau, parce que c'est un pays qui ne comprend rien d'autre que le rapport de force.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, u zegt dat discretie en efficiëntie van belang zijn. Er is echter nog een derde aspect van belang. We moeten permanent onze vragen kracht bijzetten, wat ons posthoofd en onze diensten ter plaatse trouwens ook doen. We moeten zijn toestand en detentieomstandigheden blijven aanklagen. We moeten blijven zijn vrijlating eisen en de doodstraf ter discussie stellen.

Als dat echter niet helpt – het regeerakkoord is daarover duidelijk –, zijn er ook sancties nodig. U kaart dat op verschillende niveaus aan en ik kan u alleen maar aanmoedigen om dat te blijven doen, want het is onaanvaardbaar wat er gebeurt. Als dialoog niet helpt, zijn er daden nodig.

Charlotte Deborsu:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse et l'attention que vous portez à cette situation dramatique. Cela me soulage de constater que le nouveau gouvernement en fait une priorité et ne ferme pas les yeux sur ces pratiques inhumaines en Iran. Face à l'intensification de la répression en Iran, il est effectivement impératif d'agir, parce que l'Iran ne se contente pas de réprimer son propre peuple – ce qui est déjà particulièrement horrible – mais prend également en otage des citoyens européens afin de négocier, comme cela a été le cas avec Olivier Vandecasteele, qui a été échangé contre un terroriste condamné ici en Belgique. Aujourd'hui, ces pratiques se poursuivent avec M. Djalali, qui est en attente de son exécution dans le couloir de la mort. Ces méthodes doivent cesser. La Belgique a su se mobiliser avec force pour Olivier Vandecasteele et doit poursuivre dans cette voie. Il faut continuer à faire pression en vue d'obtenir une réponse européenne ferme et coordonnée, car il y va de nos valeurs mais aussi de la sécurité de nos citoyens. Je vous remercie pour les démarches que vous entreprendrez à cet égard.

De politieke patstelling in Brussel en de nefaste impact ervan op België

Gesteld door

MR Georges-Louis Bouchez

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 20 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Bouchez (MR) hekelt het 20-jarige links bestuur in Brussel (PS) vanwege institutionele blokkade, financieel wanbeleid (1,6 miljard tekort), verwaarloosde veiligheid (90 schietpartijen in 2024) en migratiebeleid dat georganiseerde criminaliteit voedt, terwijl symbolische moties (bv. Israël-sankties) de echte problemen maskeren. De Wever (N-VA) bevestigt de acute crisis: acht maanden zonder regering, quasi-faillissement, en kondigt federale ingrepen aan zoals poliezonesamenvoeging, strenger CPAS-toezicht en een Plan Canal 2.0 om de veiligheid en het budget te herstellen, met een oproep tot "eindelijk verantwoordelijkheid" bij alle partijen. Bouchez benadrukt de ironie dat een Vlaams-nationalistische premier meer institutioneel respect toont dan de linkse 'landsliefhebbers' en waarschuwt dat Brussel zonder dringende hervormingen riskeert onder federale tutelle te vallen. Kern: Brussel als ongbestuurbaar, onveilig en financieel onhoudbaar door links beleid, met federale reddingsplannen als enige uitweg.

Georges-Louis Bouchez:

Monsieur le président, je voudrais commencer en proposant une devinette aux collègues. Connaissez-vous la différence entre la gauche et la droite? Quand la droite perd les élections, elle se tait, elle va au Parlement et elle fait son travail d'opposition. Quand la gauche perd les élections, elle fout le feu à la rue, elle crée du bordel partout dans la société; et en plus, maintenant, elle bloque totalement une Région sur le plan institutionnel. C'est une grande différence.

Cette Région est pourtant dans de graves difficultés. Malgré les graves difficultés de cette Région, nous avons pu voir récemment un vote, par exemple, pour sanctionner Israël et ne plus lui livrer des armes depuis Bruxelles. Cela tombe bien: il n'y a pas d'entreprise d'armement à Bruxelles. C'est vraiment un texte d'une utilité majeure.

Pendant ce temps-là, cela leur permet de ne pas évoquer toute une série de vrais sujets comme la violence. Il y a eu 90 fusillades en 2024 à Bruxelles. Le ministre-président, Rudi Vervoort – pour lequel il faut d'ailleurs peut-être lancer un avis de recherche, monsieur le premier ministre –, nous expliquait qu'il n'y a pas de problème de sécurité à Bruxelles.

Tout à l'heure, le PS voulait savoir quelle était sa responsabilité. Ils gèrent cette Région depuis 20 ans. Eh bien, figurez-vous, monsieur Chahid, que vous avez des collègues bourgmestres qui ne savent même pas qui réside dans certains logements. Le fait d'avoir favorisé l'immigration illégale par un soutien social fait qu'aujourd'hui, une partie des membres de cette immigration illégale alimente le crime organisé.

Cette Région, dominée par la gauche depuis 20 ans, a un risque de pauvreté qui est le double de la moyenne nationale. Nous sommes aussi dans une Région où, sur un budget d'un peu plus de 7 milliards, le déficit est aujourd'hui de 1,6 milliard.

Monsieur le premier ministre, ma question est très simple. Tous ces enjeux pour notre Région capitale comportent des risques pour la Belgique, des risques par rapport à notre statut de capitale des institutions européennes, des risques aussi sur le plan du budget. À ce titre-là, je voudrais les connaître et savoir la réponse que nous pouvons y apporter.

Bart De Wever:

Cher collègue, cher Georges-Louis, je vous remercie pour cette question. La formation d'un gouvernement bruxellois dure depuis plus de huit mois. C'est sans précédent!

Le formateur bruxellois, David Leisterh, fait une ultime tentative pour mettre en place un gouvernement bruxellois. Comme vous le savez, chaque groupe linguistique doit former une majorité pour obtenir ce gouvernement. C'est une réalité constitutionnelle que chacun doit accepter et respecter, surtout le parti qui ose accuser les autres de se lancer dans des aventures communautaires. Il faut arrêter ce sketch!

Les limites ont été largement dépassées, en termes de délai et en ce qui concerne la situation même à Bruxelles. La Région est virtuellement en faillite et risque même de ne plus pouvoir se financer. J'appelle donc à ce que le bon sens l'emporte et qu'un gouvernement bruxellois soit mis en place, engagé à être réformateur afin que le budget puisse enfin être assaini.

Bruxelles a besoin de réformes structurelles fondamentales, non seulement sur le plan social et économique mais surtout en matière de sécurité. Les récentes fusillades en témoignent. Comme je l'ai annoncé tout à l'heure, le gouvernement fédéral prend les choses en main.

L'accord de gouvernement fédéral prévoit notamment que les six zones de police actuelles fusionneront en une seule zone. De plus, nous allons développer et mettre en œuvre un Plan Canal 2.0. En outre, nous avons l'ambition d'avoir un contrôle beaucoup plus strict sur les CPAS, ce qui me semble particulièrement pertinent à Bruxelles.

Il est temps de remettre de l'ordre dans la capitale! Il faut en finir avec le laxisme et la politique du laissez-faire. L'image de la capitale en souffre tant à l'intérieur du pays qu'au niveau international. J'en appelle au sens des responsabilités de tous les partis concernés.

Georges-Louis Bouchez:

Merci monsieur le premier ministre pour votre réponse claire. Je pense que nous vivons un moment d'histoire assez particulier où un premier ministre, issu d'un parti nationaliste flamand, est beaucoup plus respectueux des institutions et du fonctionnement institutionnel de ce pays que des socialistes, que des gens de gauche qui soit-disant répètent sans cesse aimer le pays et vouloir le faire fonctionner.

Vous l'avez évoqué, M. le premier ministre, les réformes sont majeures. Et à cet égard, puisqu'on parlait des fusillades à Anderlecht, je tiens quand même à dire que le bourgmestre de cette commune, s'il était soutenu aussi par un gouvernement régional, pourrait faire autre chose que de distribuer des aides aux CPAS qui en l'occurrence sont indues plutôt que de lutter contre l'insécurité. Et aujourd'hui, mesdames et messieurs, je veux dire à tous les démocrates de ce pays que si l'on veut que Bruxelles ne rime pas avec tutelle, il est grand temps que la classe politique bruxelloise, dans son intégralité, prenne ses responsabilités car il est minuit moins une. Je vous remercie.

Voorzitter:

Bedankt, mijnheer de eerste minister, daarmee hebt u een hele reeks collega's al dan niet tevreden gesteld. Er is nu een kleine verschuiving in de volgorde. Minister Crucke moet vandaag eerder het Halfrond verlaten. We zullen de vragen voor de heer Crucke dus even naar voren schuiven.

De schietincidenten in Brussel
Het (drugs)geweld in Brussel
De drugsdealers en de herhaalde schietpartijen met kalasjnikovs aan het metrostation Clemenceau
De dodelijke schietpartijen in Brussel
De schietincidenten en de fusie van de politiezones in Brussel
De schietincidenten in Brussel
De dodelijke schietpartijen in Brussel
Het drugsgeweld
De schietincidenten in Brussel
De schietpartijen aan het Brusselse metrostation Clemenceau
Het geweld en de schietpartijen in Anderlecht
De coördinatie tussen de verschillende beleidsniveaus
De ondersteuning van de slachtoffers van drugscriminaliteit
Geweld, schietpartijen en drugscriminaliteit in Brussel en omgeving

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gedachtewisseling in de Kamer draaide rond de escalerende drugsgerelateerde schietpartijen in Brussel, met name in Anderlecht, en de structurele aanpak van georganiseerde criminaliteit en drugshandel door de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, Bernard Quintin. Quintin benadrukte een nultolerantiebeleid, versterkte politieaanwezigheid (o.a. 24/7-patrouilles op hotspots), samenwerking met Justitie en Defensie (voor statische bewaking), en een ketenaanpak (van productie tot consumptie), maar erkende dat structurele oplossingen (zoals fusie van Brusselse politiezones, financiële ontmanteling van bendes en preventie) tijd en gecoördineerde inspanningen vereisen. Kritische punten waren tekort aan middelen, snelle inzetbaarheid van militairen (omstreden door minister Francken), en de rol van Justitie om straffeloosheid tegen te gaan, terwijl oppositiepartijen meer repressie en concrete timing eisten.

Voorzitter:

Ik verwelkom de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid, de heer Bernard Quintin. Ik feliciteer hem nogmaals met zijn aanstelling.

Ik heb tot deze gedachtewisseling beslist naar aanleiding van de verzoeken van de Vlaams Belangfractie en de fractie van Les Engagés met toepassing van artikel 24. Er worden ook vragen en een interpellatie aan toegevoegd.

Ik stel de volgende werkwijze voor. De minister zou graag een korte inleiding willen geven van een tiental minuten. Daarna zou ik de fracties aan het woord laten in volgorde van de grootte. Daarna kan de minister antwoorden en kan er worden gerepliceerd.

Mijnheer de minister, mag ik u vragen om binnen die tijd te blijven? Er zijn ook zeer veel fracties hier vertegenwoordigd, dus ik zou willen vragen om de uiteenzettingen van de fracties te beperken tot 10 à 15 minuten. Ik ben daarin nogal soepel, maar in der Beschränkung zeigt sich der Meister .

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, dames en heren volksvertegenwoordigers, bedankt voor de flexibiliteit. Ik wil u vooreerst bedanken om mij in uw commissie te verwelkomen als nieuwe minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris. Uw rol en die van alle leden van de Kamer is voor mij essentieel. Ik verheug me dan ook om samen met u van gedachten te wisselen en kijk uit naar onze samenwerking.

Évidemment sans me faire trop d’illusions, car je sais que nous ne serons pas toujours d’accord et que nos débats seront vifs mais c’est précisément ce qui fait la richesse de notre démocratie. Une chose toutefois nous rassemble au-delà de nos divergences: notre pleine volonté de mieux garantir la protection et la sécurité de nos concitoyens. Sur ce point, vous pouvez compter sur mon engagement total.

Venons-en aux faits qui se sont déroulés la semaine dernière. Le mercredi 5 février dans les premières heures du matin, deux fusillades ont eu lieu dans la capitale. Une première à Saint-Josse-ten-Noode aux alentours de 1 h 25 avec deux blessés et une seconde à la sortie de la station de métro Clemenceau à 6 h sans faire de blessés. Le lendemain, le jeudi 6 février, une nouvelle fusillade a eu lieu à Clemenceau. Une personne a été blessée et s’est trouvée quelques jours dans un état critique. Ce vendredi 7 février, une fusillade a eu lieu dans le quartier anderlechtois du Peterbos. Une personne y a perdu la vie.

Enfin, selon les informations dont je dispose à l’heure actuelle, hier soir aux alentours de 22 h 00, un individu armé d’une arme longue est sorti d’un véhicule à proximité de la station Clemenceau où se trouvait une équipe de police en poste statique. À la vue de celle-ci, l’individu est remonté dans son véhicule et a pris la fuite. Cet évènement démontre l’importance de la présence policière renforcée dans nos rues.

Na de gebeurtenissen van vorige week trad ik onmiddellijk in contact met de betrokkenen en stond ik aan de zijde van de politieteams ter plaatse. Daarvoor wil ik hen bedanken. Eerst en vooral had ik een gesprek met de burgemeester van Anderlecht, de heer Fabrice Kumps, en de procureur des Konings, de heer Moinil. Vorige week had ik ook ontmoetingen met nationaal drugscommissaris, mevrouw Ine Van Wymersch, en de commissaris-generaal van de federale politie, de heer Eric Snoeck.

Toujours vendredi matin, après les événements dans le quartier du Peterbos, une réunion d'urgence a eu lieu au cabinet de la ministre de la Justice, ma collègue Annelies Verlinden, en présence du commissaire général de la police fédérale, des représentants des forces de police locales, de la commissaire nationale aux drogues, du parquet général et du procureur du Roi de Bruxelles. Il s'agissait d'une réunion importante et utile pour faire le point sur la situation mais surtout pour mettre tous les acteurs concernés autour de la table et coordonner les informations récoltées.

Gisteren heb ik met de burgemeester van Brussel de Gewestelijke Veiligheidsraad van Brussel bijgewoond. Het belangrijkste doel van die ontmoetingen was de identificatie van concrete en snelle maatregelen voor de verhoging van de veiligheid van onze burgers, wat vandaag nog steeds onze absolute prioriteit is. Ze boden ook de gelegenheid om de balans op te maken en te onderzoeken hoe we de aanwezigheid van de politie in en rond de metrostations en in de politiezone Zuid kunnen versterken.

Ces échanges ont été l’occasion de témoigner mon soutien et ma gratitude envers les forces de l’ordre, dont l’engagement sans faille mérite d’être salué. J’ai été profondément touché par la détermination et la persévérance des agents rencontrés sur le terrain, et je tiens à leur adresser ici une fois encore mes plus sincères remerciements.

Mes pensées vont aussi évidemment aux concitoyens innocents, directement ou indirectement affectés par ces violences. Je mesure pleinement leur crainte et leur sentiment d’insécurité qui est d'ailleurs, pour la plupart d’entre eux, plus qu’un sentiment. Il faut leur dire que nous entendons leur appel à plus de sécurité. Ils veulent vivre en sécurité et en paix dans leur quartier. Ils peuvent compter sur ma détermination et celle de l’ensemble du gouvernement pour agir.

Samen zullen we ons onvermoeibaar blijven inzetten om de situatie te verbeteren. Ik herhaal het keer op keer: de straten zijn niet van de dealers, maar van onze medeburgers.

Comme vous le savez, le problème lié au phénomène de vente de stupéfiants en Belgique n'est pas nouveau. Notre pays est connu pour être devenu un hub logistique pour l'Europe. Deux points d'entrée principaux ont été identifiés: le port d'Anvers et l'aéroport de Liège-Bierset, lesquels permettent l'importation de cocaïne et de drogues de synthèse. Ces dernières années, la vente de drogue s'est structurée sous la tutelle des mafias étrangères, notamment au sein du quartier Peterbos.

Het gebruik van verdovende middelen is ook veranderd. Voor 2020 werd de politie voornamelijk geconfronteerd met cannabishars. Sinds de structurering van de drugsnetwerken zien we een toename in de verkoop van cocaïne, die blijft stijgen vanwege de rentabiliteit op de drugsmarkt. Een straatverkoper verdient veel meer met de verkoop van cocaïne dan met de verkoop van cannabishars, waardoor meer verkopers die drug aanbieden.

Notre service de police de recherche a déjà pu identifier plusieurs réseaux de trafiquants présents dans plusieurs régions de notre pays. À Anvers, ce sont des narcotrafiquants liés et sous la tutelle de la Mocro Maffia et de la mafia albanaise. À Liège, les réseaux de stupéfiants sont moins structurés et disposent de moins de capacités logistiques, comme par exemple l'accès aux armes à feu. Cependant, cela n'empêche pas une guerre de territoire avec les différentes organisations qui se conclut par des règlements de comptes violents à l'arme blanche.

Depuis la fin de l'année 2021, nous faisons le triste constat de l'augmentation de la violence avec armes à feu dans les rues de Bruxelles. Les différentes organisations se livrent, aux yeux de tous, à des règlements de comptes dans les rues de nos quartiers. Ce que nous avons vu la semaine dernière n'est que la pointe de la partie émergée de l'iceberg.

Ik kan u verzekeren dat ik niet zal blijven stilzitten in mijn bureau, maar dat ik bij onze ordediensten op het terrein zal zijn. Het regeerakkoord is duidelijk. Il faut le souligner . De veiligheid in onze straten en het einde van de straffeloosheid zijn de prioriteiten voor alle actoren, ook voor de mensen die ik sinds vorige week heb ontmoet.

Vous allez me demander, à juste titre, quelles mesures seront prises. Nous allons décliner notre approche en deux phases.

Premièrement, il est impératif de regagner l'espace public. Afin d'atteindre cet objectif, la Zone de police Midi a été renforcée, depuis le 28 octobre 2024, par six inspecteurs qui composent trois patrouilles de sécurisation du service DAS de la police fédérale présents 24 sur 7. Ils sont venus en renfort sur les six hotspots de la Zone de police Midi: Peterbos, Cureghem-Aumale, Gare du Midi, Porte de Hal, Square Jacques Franck, et Saint-Antoine.

Depuis les fusillades de la semaine dernière, un renfort supplémentaire a été déployé dans le cadre d'un mécanisme de coopération policier renforcé, notamment par l'appui de la Zone de police Bruxelles Capitale Ixelles et de la police fédérale: 20 inspecteurs en appui sur les lieux identifiés comme hotspots au sein des zones de police assurent des patrouilles 24 sur 7, et 30 inspecteurs au service de la police des chemins de fer (SPC) renforcent la sécurité dans les stations de métro. Parallèlement, des enquêtes judiciaires approfondies sont menées, afin de cibler les responsables de ce trafic.

Deuxièmement, une série de mesures visant le démantèlement des réseaux doivent être envisagées de manière structurelle et pérenne. Je vous en liste quelques-unes que je compte étudier.

Je voudrais d'abord un renfort supplémentaire qui sera destiné aux zones confrontées au trafic de drogue, pour des patrouilles de sécurisation.

Comme inscrit dans l'accord de gouvernement, j'entends étudier la manière dont nous pouvons organiser nos formations au sein des écoles de police de manière plus concrète et efficace. Mon attention se portera notamment sur le bon fonctionnement des directions de la police judiciaire fédérale, afin que les enquêteurs puissent travailler de manière plus optimale.

Je vais renforcer le travail commun avec les SPF Justice, Asile et Migration, Finances ainsi qu'avec la commissaire nationale aux drogues, pour nous attaquer ensemble à toutes les chaînes du trafic.

In overeenstemming met het regeerakkoord zullen bewakingsopdrachten op gevoelige locaties, zoals kerncentrales en ambassades, uiteindelijk overgenomen worden door Defensie. Hierdoor kunnen de agenten die nu gemobiliseerd zijn weer in hun oorspronkelijke diensten worden opgenomen, zodat ze zich op hun primaire opdracht kunnen toeleggen. Ik ben daarover in overleg met mijn collega van Defensie, de heer Theo Francken. Wij hebben allebei de vaste wil om dit te doen conform het regeerakkoord.

Om de drugshandel te bestrijden moeten we ook de gebruikers bewuster maken. In het belang van de openbare veiligheid, gezondheid en rust zullen administratieve maatregelen worden genomen tegen kopers van verdovende middelen.

Mesdames et messieurs les députés, je mettrai tout en œuvre pour éradiquer le trafic de drogues de nos rues. Toutefois, cette lutte ne pourra être menée efficacement et sur le long terme qu'avec l'implication de tous les pouvoirs compétents. Je pense ici aux autorités locales, mais également aux autorités régionales ainsi qu'à mes collègues de la Justice, de l'Asile et de la Migration, ou encore des Affaires étrangères. Nous serons en contact régulier et coordonnerons nos actions.

Samen zullen we een eenvoudig principe toepassen: nultolerantie ten opzichte van criminaliteit. Over de rust in onze wijken en de veiligheid van onze inwoners valt niet te onderhandelen. Er is geen diplomatie tegenover criminaliteit of, met andere woorden, geen diplomatie met dealers. Ook – en dit wil ik benadrukken – wordt geweld tegen onze politieagenten, brandweerlieden en ambulanciers niet getolereerd.

Inutile de revenir en détail sur le bilan de la nuit de la Saint-Sylvestre, mais une chose est certaine, celles et ceux qui s'engagent chaque jour pour protéger nos concitoyens doivent pouvoir remplir leurs missions en toute sécurité et ceux qui s'attaquent à eux doivent être punis fermement.

Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, je suis conscient que le travail qui nous attend est un parcours de longue haleine qui nécessitera un plein engagement et une bonne dose de persévérance et de patience. J'y suis prêt, tout comme l'ensemble des acteurs concernés.

Al na één dienstweek zie ik een sterke bereidheid om samen vooruitgang te boeken. Ik kijk er dan ook naar uit om dat werk constructief met jullie voort te zetten.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw inleiding. Het woord is aan de fracties.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, collega's, op drie dagen tijd vonden vier schietpartijen plaats in Brussel, waarmee we echt een escalatie van het drugsgeweld in onze hoofdstad zien. Een dode en een gewonde zijn de ons bekende slachtoffers, maar er zijn heel wat meer slachtoffers van die incidenten, want door die incidenten heerst een onveiligheidsgevoel bij de burgers, bij mama's en papa's die hun kinderen naar school moeten brengen, bij oma's en opa's die gewoon met hun hondje op straat willen wandelen. Al die mensen zijn slachtoffers van het drieste drugsgeweld in de straten van Brussel.

Op beelden zien we mannen gewapend met kalasjnikovs op straat, bij de metro. Dat is geen onveiligheidsgevoel meer, maar onveiligheid. Mensen zijn niet meer veilig op straat. In de kranten lees ik dat het slachtoffer dat in het been geschoten werd op het verkeerde moment op de verkeerde plaats geweest zou zijn. Daardoor stellen mensen zich natuurlijk de vraag 'wat als ik mijn wandelingetje maak over straat'?

Of het nu overdag of 's nachts is, de straten in Brussel moeten veilig worden. We moeten law-and-order bereiken. Daarvoor zijn verenigde krachten nodig, mijnheer de minister, daarmee ga ik akkoord. Als minister van Binnenlandse Zaken kunt u dat niet alleen doen. Ik ben dan ook zeer blij dat u ondertussen al zoveel stappen hebt gezet om met verschillende partners aan tafel te gaan zitten en ook om met collega-ministers te spreken. Dat zal ook in de komende maanden, zelfs jaren, noodzakelijk zijn.

Hoe moeten we de veiligheid herstellen? Daarop is niet slechts één antwoord mogelijk. Met N-VA hebben we al vaker een fusie van de politiezones in het Brusselse aangekaart. Ik denk dat we moeten komen tot een efficiënte politie, tot een politiezone die niet versnipperd, maar echt slagkrachtig en flexibel is en die zeer aanwezig kan zijn op de nodige momenten.

Er moet meer blauw op straat zijn door samen met de minister van Defensie te bekijken welke andere opdrachten eventueel aan militairen kunnen worden gegeven. Ik hoor dat er nog wel wat werk aan de winkel is voordat men hiermee van start kan gaan. Daar zal ik u straks een aantal vragen over stellen. Een gecoördineerd veiligheidsbeleid is ook nodig. Er zijn zoveel structuren, overleggroepen, taskforces en dergelijke die allemaal op elkaar moeten worden afgestemd.

Wat zero tolerance betreft, een harde aanpak is absoluut noodzakelijk. Het gaat hier niet meer om een kleine drugsdealer, een jongetje van negentien dat wat zakgeld wil verdienen. Het gaat om zware drugscriminelen en georganiseerde criminaliteit waarvoor we een nationaal actieplan nodig hebben. Dit deint immers ook uit naar andere steden en gemeenten. Door dat nationale actieplan zal de veiligheid van onze stations en onze steden er fel op vooruitgaan.

Om die georganiseerde bendes te raken, moeten we inderdaad aan de centen zitten. Dit komt nu misschien niet onmiddellijk op de voorgrond, maar is minstens even belangrijk. De nationale drugscommissaris wijst er ook telkens op: follow the value . In het regeerakkoord is er ook sprake van de FIOD, de multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst. Dat is immers wat we moeten doen, namelijk het lamleggen van de criminele circuits en beletten dat crimineel geld wordt witgewassen, waarna alles gewoon verdergaat.

We zijn in de Zweedse regering gestart met de uitrol van een volledig kanaalplan. Ook nu staat in het regeerakkoord dat daar fors op ingezet zal worden om de criminele circuits op ieder niveau actief en gericht tegen te gaan. Dat brengt mij bij mijn vragen, mijnheer de minister.

Kunt u bijkomende uitleg aan ons geven over de geplande fusie in Brussel? Wij zijn er immers van overtuigd dat zo'n fusie veel voordelen biedt. Dat wordt trouwens ook bevestigd door wetenschappelijk onderzoek.

Er zullen uiteraard heel grote uitdagingen mee gepaard gaan. We moeten er echter niet voor terugdeinzen om zo snel mogelijk stappen vooruit te zetten. Deelt u die mening? De brandweerzones zijn immers gefusioneerd en tonen aan dat een bepaalde manier van werken in de toekomst mogelijk is.

Meer blauw op straat brengt ons ook bij wat de DAB binnen de politie doet. Hoe verhouden die zaken zich tegenover elkaar, namelijk de DAB ten opzichte van de militairen die op straat komen? Op dat vlak blijf ik nog met een aantal vragen zitten. Hoeveel mensen komen vrij bij de politie, mochten de militairen worden ingezet voor statische bewakingsopdrachten? Dat is heel strikt omschreven in het regeerakkoord. Hoeveel militairen zijn daarvoor nodig? Hebt u nu al een zicht daarop en kunt u dat aan ons meegeven?

Ik hoor dat er overleg is geweest met uw collega-minister van Defensie, Theo Francken. Kan er daarover al meer worden medegedeeld?

Er is een taskforce bij het parket van Brussel. Wat is de rol van de lokale en federale politie in die taskforce? Hoe worden de zaken op elkaar afgestemd?

Inzake zero tolerance ben ik er echt van overtuigd dat er een kordaat lik-op-stukbeleid moet komen met een onmiddellijke reactie en een nultolerantie ten opzichte van drugs. De federale politie levert inderdaad gerichte steun, onder meer bij het identificeren en ontmantelen van druggerelateerde bendes, natuurlijk in overleg met de lokale politie. De samenwerking zou echter in december 2024 worden geëvalueerd. Hebt u extra informatie voor ons daarover? Welke conclusies en aanbevelingen hebben de evaluatie van de samenwerking tussen de federale en de lokale politie in Brussel opgeleverd?

Welke acties worden opgenomen in het Nationaal Actieplan voor de veiligheid in de stations en in de grote steden? Hoeveel middelen hebt u daarvoor beschikbaar?

Hoe wilt u heel concreet werk maken van een kordaat lik-op-stukbeleid met een onmiddellijke reactie en nultolerantie, natuurlijk ook tegen het geweld aldaar? Hoe zullen we er zeker en vast voor zorgen dat onze politiediensten tegen het geweld gewapend zijn?

We hebben de agressie en het geweld gezien tijdens de rellen op oudejaarsnacht. We hebben hier toen ook een enorme discussie gevoerd in de commissie. Op welke manier zorgen wij ervoor dat de politie zelf krachtig genoeg kan optreden tegen dergelijk enorm agressief geweld?

Ik heb nog een bijkomende vraag. Kunt u wat meer uitleg geven over de SIOD? Ook de drugscommissaris heeft daarover een aantal zaken in de pers medegedeeld, met name dat ze ook de opdracht heeft gekregen om een drugsfonds uit te werken. Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Klopt het dat die opdracht al is gegeven?

Mijn collega Jeroen Bergers – nieuw in de commissie en schepen in Vilvoorde – was samen met collega’s uit de Vlaamse Rand betrokken bij het federale Kanaalplan. In hoeverre zult u dat federale Kanaalplan verder uitrollen? Zult u ervoor zorgen dat het niet uitdijt naar de Brusselse en Vlaamse Rand? Want dat is een echte bron van ongerustheid.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, als u me toestaat zal ik vanop mijn voorzittersstoel de tussenkomst houden voor de Vlaams Belangfractie. Ik spreek dus niet in mijn hoedanigheid van commissievoorzitter, waarin ik een neutrale rol opneem.

Terwijl we deze gedachtewisseling aan het voeren zijn, komt er een recent krantenartikel binnen waarin staat dat er opnieuw een man met een kalasjnikov is opgedoken aan hetzelfde metrostation, Clemenceau. Hij is weggevlucht en nog steeds voortvluchtig. Misschien kunnen mevrouw De Vreese en de meerderheidspartijen u veel lof toezwaaien voor uw snelle aanpak, maar veel impact heeft die blijkbaar nog niet gehad op het terrein, gezien het nieuwe incident gisteren. Ik wil niet in herhaling vallen. Mevrouw De Vreese heeft de gebeurtenissen beschreven, de situatie is duidelijk en vooral ernstig en is helaas niet tot Brussel beperkt.

Mevrouw De Vreese, u bepleit terecht ook een aanpak buiten Brussel, zodat het niet uitdijt naar de Rand, maar ik vrees dat het te laat is. Ik zeg niet dat het de schuld is van de huidige meerderheid, maar we hebben het veiligheidsthema niet enkel in Brussel maar ook in andere grootsteden al veel te lang verwaarloosd. Ik verwijs ook naar de vele aanslagen van de afgelopen jaren in Antwerpen. Er is dringend nood aan versterking van het repressief apparaat. Er werd door de politiek te veel ingezet op een preventieve aanpak, terwijl er te weinig nadruk werd gelegd op repressie.

Dan kom ik tot de essentie van deze gedachtewisseling met u, mijnheer de minister. Hoe zullen we dit aanpakken?

Ik denk dat we twee zaken moeten doen, mijnheer de minister. Op zeer korte termijn moeten we een aantal zeer dringende maatregelen treffen. Dan denk ik aan de fusie van de Brusselse politiezones. Het kan immers niet dat, als men feiten pleegt in een bepaalde politiezone, de politiezone ernaast daar geen weet van heeft en daar niet mee verder kan. Die fusie moet er komen.

U hebt me wat ongerust gemaakt bij de bespreking van de regeerverklaring van vorige week, mijnheer de minister. U zei toen: "Mijnheer Depoortere, ik ga daar mijn tijd voor nemen. Ik zal eerst een keer gaan babbelen met de burgemeesters. Ik zal nog een keer overleggen met de verschillende korpschefs. Ik zal dan kijken of dat we daar ook politiek nog iets mee kunnen doen. Dan moet er uiteraard nog een wetsontwerp worden gemaakt. Dat moet aan allerlei instanties en werkgroepen worden voorgelegd en dan moeten er ook nog adviezen worden aangevraagd. Ik denk niet dat dit allemaal dit jaar rond kan zijn." Ik denk daarentegen net wel dat dit een quick win is, die men onmiddellijk zou moeten aanpakken. Stop het gepalaver over die eenmaking van de Brusselse politiezones.

Ten tweede – ik herhaal wat ik vorige week al heb gezegd –, de regering voorziet budgettair voor dit jaar in 75 miljoen euro. Mijnheer de minister, dat is compleet ontoereikend als men weet hoeveel noden er bij de politie zelf zijn. U zegt dat u op het terrein bent geweest. U zegt dat u in de toekomst geen minister achter een bureau wilt zijn, maar een minister tussen de politiemensen. Luister dan eens goed naar de politiemensen en luister vooral naar wat hun noden zijn. Hun materiaal is allang niet meer gemoderniseerd. Ze hebben een tekort aan personeel. U hebt nu wel beslist om bijstand te verlenen met de federale politie en u hebt beslist om lokaal extra ondersteuning te geven, maar de vraag werd u ook door een journalist gesteld: hoelang zult u die inspanning volhouden, mijnheer de minister? Een maand, twee maanden, een jaar, een legislatuur? Dit is geen structurele oplossing, het is kurieren am Symptom .

We spreken hier niet over een fait divers, maar wel over georganiseerde criminelen die rondlopen met oorlogswapens. Er is nu al een dode gevallen en iedereen hoopt dat er geen onschuldige slachtoffers meer zullen vallen. Ik kan dus niet anders dan de Bart De Wever van twee jaar geleden gelijk te geven. Toen was er nog een Bart De Wever die naar aanleiding van een schietpartij in Antwerpen, waarbij een onschuldig meisje van 11 jaar het leven liet, zei dat het gedaan moest zijn met rond de pot te draaien. Hij vroeg om een onmiddellijke aanpak en om desnoods het leger in te zetten.

We zijn intussen twee jaar verder, met een nieuwe regering waarvan de N-VA nu wel deel uitmaakt. Echter, de N-VA is plots van koers veranderd. Mijnheer de minister, u zegt wel met Defensie te willen werken, maar nog geen uur later hoor ik een zekere heer Francken, minister van Defensie, zeggen dat dat niet zal pakken, dat het niet zal lukken, dat we geen wettelijk kader hebben, dat het leger daar niet voor is opgeleid en dat Defensie zelf noden heeft. Hij zegt dat dit nog helemaal niet aan de orde is, want dat er eerst een wettelijk kader moet komen en tegen dat dat allemaal rond is, we nog wel zullen zien. En dat alles terwijl de nood vandaag heel hoog is. Dat is geen oplossing zoals de bevolking die vraagt.

Ik kom tot een derde luik. Ik hoor al vijf jaar lang in deze commissie het woord nultolerantie vallen. Intussen is iedereen, van extreemlinks tot rechts, ervan overtuigd dat er een nultolerantie moet komen ten aanzien van dergelijke criminelen, maar tussen de woorden en de daden is er nog een heel groot verschil. Mijnheer de minister, ik heb aan uw voorgangster, mevrouw Verlinden, die nu de rol van de heer Van Tigchelt heeft overgenomen, ook steeds gezegd dat er geen aanpak van georganiseerde criminaliteit kan zijn als Justitie niet volgt. Anders blijft het dweilen met de kraan open voor onze politiemensen. Dat werkt demotiverend voor onze politie en het werkt de straffeloosheid of zeker het gevoel van straffeloosheid in de hand bij de burger.

Ik wil u dus alleszins vragen om te overleggen, niet alleen met de minister van Defensie over de inzet van het leger, maar ook met de minister van Justitie. Zij weet intussen zeer goed hoe de situatie in elkaar zit. Ze heeft drie jaar de tijd gehad om daaraan vanuit politioneel oogpunt iets te doen. Ik hoop dat ze nu vijf jaar de tijd zal nemen om daar ook justitieel iets aan te veranderen.

Er kunnen zeer veel vragen gesteld worden over de politiestructuur zelf. De eenmaking van de Brusselse politiezones is een van die vragen. Daarnaast zijn er vragen over de opleiding van politieagenten, aangezien agenten eigenlijk helemaal niet voorbereid zijn om dergelijk geweld aan te pakken. Een andere vraag is of de politieagenten voldoende in staat zijn om overal te lande, niet enkel in Brussel, in te grijpen. Daarom pleit ik ervoor om ook de federale politie te versterken, overeenkomstig een van de conclusies van de Staten-Generaal van de politie van de vorige legislatuur. Op federaal vlak moet er eigenlijk een gespecialiseerde eenheid komen die ingezet kan worden bij dergelijke fenomenen.

Tot slot wil ik ingaan op een taboe dat leeft in deze politiek correcte wereld, namelijk het taboe van de vreemdelingen. Men moet niet rond te pot draaien: veel van die georganiseerde criminelen zijn van een andere etnische afkomst. Dat mogen we niet wegmoffelen. Integendeel, we moeten dat serieus onder de loep durven te nemen. Dat taboe moet sneuvelen. Minister Verlinden heeft dat in het verleden spijtig genoeg niet willen doen, maar ik hoop dat het onder deze regering wel zal gebeuren. Mijnheer de minister, ik durf ervoor te pleiten om van vreemdelingen die zware criminele feiten plegen en die de dubbele nationaliteit hebben, de Belgische nationaliteit af te nemen.

Ik kom tot mijn conclusie. Ik wil een totaalpakket op korte termijn om die georganiseerde criminaliteit aan te pakken. Daarbij moet nagedacht worden op structureel, financieel en materieel vlak, over het opleidingsniveau en de structuur van het politielandschap, zodat dergelijke fenomenen in de toekomst beter aangepakt kunnen worden.

Voorzitter:

Je donne la parole à Mme Delcourt pour le groupe MR.

Catherine Delcourt:

Monsieur le président, si vous le permettez, j'occuperai la moitié du temps de parole pour laisser l'espace à mon collègue Denis Ducarme, qui devrait nous rejoindre dès que possible.

Monsieur le ministre de l'Intérieur, les récents événements bruxellois qui nous occupent aujourd'hui ne constituent malheureusement pas une nouveauté. Ce dont il est question ici, c'est de la sécurité à Bruxelles évidemment, mais aussi sur l'ensemble de notre territoire.

Je cite quelques chiffres. L'année dernière, 89 fusillades ont été recensées par le parquet à Bruxelles, au cours desquelles on a pu déplorer neuf morts et 48 blessés. La situation s'aggrave. Elle empire d'année en année. Elle risque de s'étendre à d'autres territoires qu'à celui de Bruxelles.

La commission de l'Intérieur s'est plusieurs fois penchée sur ce phénomène, en entendant des acteurs de terrain de première ligne: le procureur général, la police locale, la police fédérale, la police judiciaire. Nous avons aussi bénéficié d'un excellent exposé de la commissaire nationale aux drogues concernant la lutte contre le trafic de drogue. Nous avons pu entendre régulièrement Mme Verlinden, qui est maintenant en charge de la Justice. On peut espérer que cette chaîne s'avèrera efficace et que cette succession permettra une bonne coordination entre vous.

Le tout fraîchement nommé procureur du Roi de Bruxelles se demandait dernièrement: "Combien de morts faudra-t-il pour qu'on ait une réaction à la hauteur de la gravité de la situation?" Des morts il y en a eu beaucoup trop. Il n'en faut plus. C'est une évidence. Je pense que l'accord de gouvernement fait une place large à la sécurité de tous les citoyens. Il s'agit d'une priorité, c'est démontré, dans cet accord Arizona, qui a pris conscience de l'ampleur et de la gravité de la situation.

Les acteurs de terrain ont été entendus. La population qui subit cette violence liée à la drogue, qui appelle aussi à davantage de sécurité, à ce qu'elle soit respectée, à ce qu'elle puisse se déplacer en toute liberté, a besoin de mesures fortes.

L'accord contient au moins 50 mesures qui permettront de lutter ensemble contre des événements tragiques de ce type, en bonne coordination.

Notre chef de groupe Benoît Piedboeuf l'a évoqué en débat la semaine dernière: la sécurité est un point central pour notre formation politique.

Un tel renforcement de la sécurité a depuis longtemps été demandé, exigé, sollicité par le MR, particulièrement par mon collègue Denis Ducarme qui plaide depuis des années dans ce sens. On a constaté dès votre prise de fonctions, monsieur le ministre, que vous n'aviez perdu aucune seconde. Vous êtes descendu sur le terrain, vous avez constaté la situation, vous avez entendu les doléances, les craintes et les peurs, vous avez constaté les besoins, vous en avez déjà fait la synthèse et pris des décisions pour pallier les manques les plus criants.

Je ne doute évidemment pas que vous vous attellerez avec la même conviction au déploiement de l'ensemble de la politique qui a été négociée et à la mise en œuvre de l'accord de gouvernement. La mise en place d'un plan Canal fédéral, d'abord à Bruxelles et ensuite dans les villes qui subissent les mêmes difficultés, ou le début de ces mêmes difficultés, permettra aux zones de police, dont je rappelle qu'elles sont un acteur central de la proximité, d'assurer un suivi dynamique et rapproché des individus et des organisations problématiques, ainsi que de contrer les actes criminels auxquels se livrent ces mêmes organisations.

De plus, un vaste plan d'action national, sollicité pour sécuriser nos gares et nos trains, sera élaboré et appliqué avec fermeté. C'est un nœud de votre politique en la matière. Ce plan vise à renforcer la présence policière dans et autour des gares, à octroyer l'accès aux images des caméras de surveillance à la police et à permettre aux agents d'effectuer des patrouilles numériques dans les gares.

L'accord de gouvernement met l'accent sur la collaboration dont devront faire preuve les différents acteurs de la mobilité ferroviaire.

Comme notre proposition de résolution visant une évaluation des phénomènes de délinquance et de criminalité aux abords des grandes gares l'indique, mon collègue Denis Ducarme et moi-même sommes particulièrement sensibles à la question de l'insécurité dans nos gares, mais aussi dans nos ports intérieurs et extérieurs. Le thème central que représente la sécurité implique une multiplication des tâches. Nous nous réjouissons de l'initiative de charger des acteurs privés de missions non policières et administratives. Une fois le cadre légal adapté, ces tâches qui conservent toute leur importance, permettront de dégager de la capacité policière. C'est évidemment un soulagement pour les services de police de pouvoir déléguer certaines tâches et d'augmenter les capacités opérationnelles sur le terrain.

La fusion des zones de police, avec la garantie d'un ancrage local et le maintien de la proximité entre les zones et le citoyen, apporte un outil efficace.

Dans ce cadre, la mutualisation des compétences, du matériel, des moyens n'est pas à prendre à la légère en termes de gain d'efficacité. L'unité prônée impliquera une politique globale plus efficiente. Et, monsieur le ministre, s'il ne doit pas y avoir de place pour la diplomatie avec les délinquants et la drogue, il y a nécessité de diplomatie pour que les accords se passent au mieux et qu'on aboutisse à une situation meilleure. Le processus compte aussi.

En parallèle, un refinancement et un renforcement de la police fédérale permettra d'étendre l'action de nos forces de l'ordre dans tous les domaines d'activité des criminels. La commissaire nationale aux drogues, comme de nouveaux acteurs d'ailleurs, a récemment rappelé que la lutte contre la drogue, contre la criminalité dans son ensemble nécessite une approche coordonnée et multidisciplinaire. Votre action est un des piliers essentiels comme le sont les actions de prévention et de répression.

En matière de répression, l'accord de gouvernement prône une tolérance zéro vis-à-vis du trafic de drogue, avec des sanctions plus dures contre les dirigeants de ces trafics ou de la criminalité organisée, avec à la clé une possibilité de déchéance de nationalité.

Pour Bruxelles, vous avez en tout cas un allié inconditionnel en la personne du nouveau procureur du Roi qui a également pris différentes mesures pour que son parquet puisse s'attaquer à ce fléau. Nous comprenons, monsieur le ministre, que vous ne pourrez mettre en œuvre l'accord de gouvernement que grâce à la collaboration active des autres ministères impliqués dans le domaine de la lutte contre les organisations criminelles et la drogue. Ces ministères (Finances, Travail, Migration, Défense, Affaires étrangères, Santé et évidemment Justice) pourront directement agir sur les maillons de la chaîne que constitue le circuit du producteur au consommateur.

Votre prise de fonction s'est faite dans des circonstances à la fois dramatiques et exigeantes. Nous avons réellement apprécié les rencontres que vous avez réalisées dans les quartiers et auprès des policiers qui se sont déployés la semaine passée ainsi que leurs dirigeants et autorités. Nous sommes convaincus que l'approche pragmatique et ambitieuse que vous avez choisie est la bonne pour diriger ce vaste portefeuille ministériel. Nous sommes aussi tout à fait conscients que votre travail, s'il est essentiel, ne pourra à lui seul contrer des phénomènes aussi complexes que les trafics de drogue, les mafias et les violences.

La multidisciplinarité de l'approche doit prévaloir si nous voulons reprendre le dessus sur cette situation terriblement dégradée. Toute la chaîne de prévention, de répression doit être mobilisée de manière coordonnée. Attaquons le phénomène des drogues de toute part sans relâche. C'est un véritable fléau pour l'ensemble de notre société, les plus fragiles en particulier. Nous ne devons pas laisser continuer de se développer une société criminelle parallèle.

Monsieur le ministre, je vous remercie encore pour vos explications et le début de votre action en faveur de notre sécurité à tous.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, je vous adresse mes sincères félicitations pour votre accession.

J'aimerais commencer en indiquant qu'effectivement, et tristement, ces derniers jours ont été marqués par une recrudescence inquiétante des violences dans les rues de Bruxelles. J'aimerais avant toute chose, puisque je sais que le débat agite les passions politiques, avoir aussi une pensée sincère pour les riverains et habitants de ces quartiers qui sont les premières victimes de ces troubles de la sécurité dans nos quartiers à Bruxelles.

Ceci étant dit, il convient de rappeler les faits. On déclare beaucoup de choses mais, derrière les lignes écrites avec des lettres, il y a celles écrites avec des chiffres. Quand je vais parler d'Intérieur, je vais parler de service public de sécurité, et à dessein, puisque les services publics sont ceux que l'on considère trop souvent comme coûtant trop cher et où il faut couper.

Lorsque l'on dit que l'on fait de la sécurité une priorité – et nous partageons pleinement cet objectif politique –, on doit pouvoir rappeler que, sous la Suédoise – il n'y a pas si longtemps –, il y a eu des coupes linéaires de 4 % en 2015 et de 2 % chaque année à partir de 2016. Il y a eu un définancement en valeur absolue du budget de l'Intérieur de 206 millions d'euros sur cette législature, pour un gouvernement qui considérait que la sécurité devait être la priorité.

On a effectivement tenté de pallier, après les attentats du 22 mars 2016, avec un plan Canal, en disant qu'il fallait améliorer les choses à Bruxelles, à Vilvorde et ailleurs, et amener des moyens complémentaires. Mais il aura fallu, malheureusement, le fait des attentats, pour pouvoir avoir un financement, qui a d'ailleurs été supprimé par après.

Ici, que voit-on? L'accord de gouvernement comporte des mesures en ce sens, sur lesquelles nous avons rapidement eu l'occasion de donner notre avis. Nous reviendrons sur le sujet dans le cadre de la note de politique générale. Les budgets alloués à l'ensemble des services qui concernent la Migration, la Justice et l'Intérieur sont définis par une ligne budgétaire. Si on prend la clé de répartition qui a été soufflée par M. Jambon à Mme Matz à la suite de la question que j'ai posée à M. Piedboeuf qui vous l'a renvoyée, on se retrouve, pour l'année 2025, avec 26 millions d'euros de plus pour l'Intérieur; pour 2026, 35 millions; pour 2027, 70 millions; pour 2028, 157 millions; et, pour 2029, 157 millions.

Le cumul sur 5 ans nous donne 445 millions d'euros, c'est-à-dire moins que la seule hausse du financement (635 millions) du département de l'Intérieur sur l'année 2024 sous la Vivaldi. Cela veut dire que la croissance du budget en 2024 sous la Vivaldi a amené sur le seul exercice à un refinancement largement supérieur au cumul des 5 prochaines années pour le département de l'Intérieur.

Je vous souhaite sincèrement de réaliser tout ce que vous avez écrit dans votre accord de gouvernement, mais je pense que les conclaves budgétaires dureront tard la nuit parce qu'il va vous falloir aller chercher des budgets dont vous ne disposez pas aujourd'hui pour réaliser les ambitions qui y sont contenues, alors que les chiffres sont les chiffres et les chiffres, eux, ne mentent pas.

Ensuite, je sais que ce service public de sécurité est important mais il y a des confusions, je suis désolé de vous le dire, monsieur le ministre. La solution à tout cela serait la fusion des zones de police.

La solution ne serait pas le refinancement de la police judiciaire fédérale. Cette dernière est refinancée à Anvers, ce qui est une bonne chose parce qu'il y a malheureusement aussi des grenades et des fusillades à Anvers. On sait que le port d'Anvers a besoin de moyens pour pouvoir travailler et endiguer l'entrée de cette drogue sur le territoire belge.

La solution ne serait pas non plus le refinancement des services de douane. On n'en parle pas mais on sait que ces services ont besoin d'être refinancés pour jouer leur rôle, notamment au port d'Anvers.

On n'entend pas parler du refinancement de la police judiciaire fédérale de Bruxelles alors qu'elle en a clairement besoin. Dans ce cas-ci, je pense qu'on se trompe dans les missions parce c'est la police judiciaire fédérale qui est compétente pour le métro et pour le rail, et non pas les zones de police locale.

J'aimerais qu'on en revienne à un peu de science dans ce Parlement et à moins d'émotions, qu'on revoie la loi sur la police intégrée à deux niveaux et qu'on relise les sept missions légales de la police locale. Peut-être faut-il les rappeler ici. Je vais les citer. Le travail de quartier – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; l'assistance aux victimes – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; le travail d'enquête et de recherche locale – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; le maintien de l'ordre public – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; l'accueil; la régulation de la circulation routière et, de manière résiduaire, l'intervention.

Pensons-nous sérieusement qu'une fusion des zones de police de Bruxelles qui ne s'accompagne pas d'un refinancement de la police judiciaire fédérale de Bruxelles, d'un refinancement des douances, d'un remplissage des cadres du parquet bruxellois, pourtant exigé et obtenu en même temps que la désignation de M. le procureur du Roi de Bruxelles, mais qui n'est pas encore effectif, sera la réponse à la lutte contre le narcotrafic? Non. Pour lutter contre ces organisations criminelles, il faut pouvoir disposer d'un service public de sécurité et d'un service public de police qui soit adéquatement équipé à Arlon, à Bruxelles, à Malines, à Anvers. Je ne mets pas en concurrence la sécurité de nos concitoyens. Il faut que le service soit adéquat, y compris à Bruxelles, au lieu de renvoyer vers un schéma mental que serait la fusion des polices, considérée comme la réponse à toutes choses. Je pense que c'est mentir aux gens et se mentir à soi-même, notamment ici même au Parlement.

Monsieur le ministre de l'Intérieur, face à ces faits qui sont terribles et tragiques pour les citoyens qui les vivent quotidiennement, une initiative a été prise conjointement par les bourgmestres d'Anderlecht et de la Ville de Bruxelles afin de réunir l'ensemble des bourgmestres, le ministre-président, le procureur du Roi, la commissaire nationale aux drogues et vous-même, puisque je pense que vous avez assisté au Conseil régional de sécurité. Il s'agissait, en réalité, de pallier l'absence de police judiciaire fédérale. En effet, c'est le renfort des autres zones de police locale qui sera apporté, à travers la solidarité intrabruxelloise, de manière à renforcer les effectifs policiers de la zone Midi pour leur permettre de garantir la sécurité là où, aujourd'hui, le problème est le plus prégnant. La police judiciaire fédérale doit et va intervenir, mais reste sous-financée à Bruxelles pour remplir ses missions.

Je ne serai pas beaucoup plus long, monsieur le ministre. Voici donc mes questions. Quelles initiatives ont-elles été prises depuis la semaine dernière pour venir concrètement en aide aux zones de police locale bruxelloises? Quel soutien fédéral concret, en hommes et en moyens techniques, allez-vous engager afin de pouvoir répondre à cette urgence et à cette nécessité de solidarité fédérale entre zones de police locale et police fédérale?

Quels développements seront-ils réalisés par vos autres collègues? Je pense à nouveau aux douanes, parce qu’il importe d’essayer de bloquer les entrées de produits illégaux sur notre territoire. Il est beaucoup question d'amener la Défense dans les rues. Je ne pense pas que la Défense soit la solution au problème, mais y a-t-il eu des contacts? J'ai cru comprendre qu'il y avait là aussi des divergences de points de vue entre vous et votre collègue de la Défense, arbitrées par votre président de parti, qui interprète les accords et les déclarations des uns et des autres.

Plus largement, pourriez-vous nous exposer votre vision sur les politiques à très court terme, à moyen terme et à plus long terme en termes de lutte contre le trafic de stupéfiants et, de manière plus globale, de lutte contre le trafic d'armes et de lutte contre les trafics financiers? Malheureusement, tout est souvent lié.

Éric Thiébaut:

Monsieur le président, dans l'attente de l'arrivée de mon collègue M. Ducarme, je prends la parole, très brièvement, pour demander au ministre de l'Intérieur s'il ne pourrait pas demander à son président de parti d'ajouter une ligne dans l'accord secret qu'il a avec le premier ministre, pour solliciter un meilleur financement des zones de police des trois Régions de notre pays. Ce ne serait pas mal, en plus de ce qu'il a prévu pour limiter la contribution des plus larges épaules de ce pays.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, ik wil beginnen met mijn steun uit te drukken voor de inwoners van Anderlecht. Al maandenlang moeten zij leven met schietpartijen in hun straten. Recent gebeurde dat vier keer op een week tijd.

Veilig kunnen leven is een fundamenteel recht en toch lukt het ons niet om dat te garanderen. Niet bang hoeven te zijn wanneer de kinderen naar school vertrekken, zou eigenlijk vanzelfsprekend moeten zijn. Steeds meer inwoners en verenigingen in onze hoofdstad laten hun stem horen en klagen aan dat ze aan hun lot worden overgelaten in hun strijd tegen drugsgeweld. Wie kan hun ongelijk geven?

Hoelang blijven we nog toekijken terwijl het drugsgeweld en het drugsgebruik gewoon doorgaan? Wanneer komt er eindelijk een echte aanpak, van bij het begin tot het einde van de keten? Wanneer wordt de veiligheid in gemeenten zoals Anderlecht eindelijk serieus genomen?

Als er een Europese top is, dan wordt alles uit de kast gehaald voor de beveiliging. Dan wordt geen enkel detail over het hoofd gezien. Waarom krijgen gezinnen in onze Brusselse volkswijken dan niet diezelfde aandacht?

Voor deze nieuwe regering zijn het inzetten van militairen en een fusie van de Brusselse politiezones de oplossing. Daar heb ik twee opmerkingen over.

Ten eerste geloven politieagenten, korpschefs en burgemeesters er zelf niet in, ook niet de burgemeesters die tot de regeringspartijen behoren. MR-burgemeester De Wolf van Etterbeek herhaalde onlangs nog in de pers dat er geen objectieve redenen zijn om een fusie te overwegen. Daarvoor baseerde hij zich op een studie van de UGent.

Ten tweede zijn het dezelfde partijen die nu in de regering zitten, die in het verleden volop hebben bespaard op de federale gerechtelijke politie. In de regering-Michel, toen minister Jambon minister van Binnenlandse Zaken was, ging er 200 miljoen euro van het budget verloren en daalde het personeelsaantal met meer dan 400 mensen. Ook bij de FOD Financiën verdwenen er tussen 2016 en 2022 bijna 500 fiscale controleurs, die mee ingezet kunnen worden om criminelen te kunnen raken waar het pijn doet, namelijk in hun portemonnee.

Voor de PVDA is het duidelijk. Er moet veel meer geïnvesteerd worden in de douane, in financiële inspectie en in de federale gerechtelijke politie. Maar ook in de straten van Brussel is actie nodig: meer wijkinspecteurs en mensen die de buurt kennen en op terrein aanwezig zijn, meer samenwerking met het middenveld en meer aandacht voor preventie en de cruciale sociale investeringen. De problemen in de wijken zullen niet verdwijnen door her en der shockreacties toe te passen. De Brusselaars die zich verenigen in wijkcomités zijn heel duidelijk: het geweld verwoest hun dagelijkse leven en het is tijd voor actie en structurele maatregelen.

Mijnheer de minister, ik heb vier vragen voor u. Op welke manier zult u in overleg gaan met de burgemeesters, de politiekorpsen en de buurtcomités om de heersende problemen aan te pakken? Met welke gewestelijke instanties zult u in overleg gaan? In het regeerakkoord staat dat er een nieuw Kanaalplan zal komen. In welke mate zal preventie daarin een rol spelen? Hoe reageert u op de bezorgdheid over het voorstel van de federale regering om de Brusselse politiezones te fuseren?

Pierre Kompany:

Monsieur le président, nous parlons effectivement ici pour que les choses aillent au mieux dans ce pays. Particulièrement, pour le moment, une commune de ce pays, la Belgique, vit des drames insoutenables, des fusillades.

Au début, on aurait pu dire que ce sont des faits passagers. Aujourd'hui, on en parle comme des faits à bannir. Voilà où nous en sommes. Et, si tout est bien fait pour Anderlecht, cela le sera pour les autres communes dans le pays.

Monsieur le ministre, j'ai déjà questionné votre prédécesseur sur les phénomènes de criminalité, plus particulièrement sur le trafic de drogue qui touche la commune d'Anderlecht. Le quartier Aumale, par exemple, situé sur la commune d'Anderlecht est le théâtre d'une guerre de territoire sans précédent que se livrent les acteurs du milieu de la drogue. La semaine dernière, deux nouvelles fusillades ont eu lieu en moins de vingt-quatre heures à proximité de la station de métro Clemenceau.

Bien que le trafic de drogue est un phénomène criminel qui touche l'ensemble de notre territoire, force est de constater cependant que la récurrence des faits dans la commune d'Anderlecht et leur gravité nécessitent que des mesures fortes soient prises.

Je reviens à mon interpellation antérieure car, dans ce contexte, c'est du remake. Je suis contacté par de nombreux citoyens et citoyennes qui craignent pour leur vie et celle de membres de leur famille. En tant qu'autorité, il est essentiel que nous puissions répondre à ce sentiment d'insécurité qui ne cesse de grandir et que nous montrions que de tels actes font l'objet de poursuites.

Monsieur le ministre, je vous ai entendu. Aujourd'hui, vous étiez convaincant car vous faites de la drogue une bataille qui ne s'arrêtera que quand vous gagnerez. C'est appréciable! Vous avez cité la nouvelle commissaire nationale aux drogues. Je crois qu'il faut l'encourager pour que vos dires deviennent une réalité. Parler de tolérance zéro, d'éradiquer le trafic de drogue, ce n'est pas une mince affaire. Tout ce que je peux vous souhaiter, c'est que, sous peu, on puisse parler de rebondissement afin que les acteurs qui pourrissent la vie de nos concitoyens se sentent aussi déséquilibrés. C'est ce que nous voulons.

Monsieur le ministre, confirmez-vous qu'il y a une recrudescence des faits criminels à Anderlecht, en comparaison avec les années précédentes? Comment réagissez-vous face à la montée de cette violence? Quelles mesures sont-elles adoptées auprès de nos concitoyens pour réduire leur sentiment d'insécurité? Il y a bien entendu des mesures répressives, avec toute la chaîne pénale, mais il faut également mener une politique de prévention dans ces quartiers.

Vous en avez d’ailleurs fait part et vous avez des compétences qui peuvent y répondre. Ce que je souhaiterais, c’est que vous touchiez aussi le cœur des quartiers parce que d’un côté on peut toujours penser à l’assaut contre tout ce qui ne va pas, mais je crois qu’il faut aussi en même temps penser à donner une vie à ces quartiers.

Donner une vie c’est quoi? C’est l’approche vers la jeunesse. C’est la conscientisation des jeunes. Cela fait assez longtemps que j’en parle à vos prédécesseurs compétents pour l’Intérieur et je le maintiens. Je le dis ici: j’avais parlé des grands frères et des grandes sœurs qui se retrouvent dans le programme des Engagés. Exploitons un peu cette voie-là. Elle est difficile mais c’est l’une des meilleures voies pour arriver à conscientiser nos jeunes, à les éloigner de ce qui les menace et à faire de ces quartiers leur quartier, où tout le monde peut se sentir heureux quel que soit l’endroit d’où l'on vient et quel que soit la volonté de s’y promener.

Voilà, monsieur le ministre, j’entends que tous mes collègues recherchent l’apaisement des quartiers. On va vous étouffer avec nos prétendues solutions mais ce sera à vous de faire la part des choses et donner à cette nation la capacité d’être respectée ailleurs, comme souvent cela a été le cas.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre intervention et pour les informations que vous avez déjà pu communiquer en introduction de cette séance.

Je ne vais pas revenir sur le détail des faits. Nous avons fait face à des scènes d’une violence inouïe dans la commune d'Anderlecht. Des personnes armées de kalachnikovs, donc des situations inacceptables, suscitent la peur auprès de l'ensemble de la population. C'est intolérable.

Face à cela, toute une série d'actions ont été prises à différents niveaux. Si nous soulignons la rapidité avec laquelle cela a été fait, nous avons néanmoins l'impression que ces actions ont été prises de manière non coordonnée.

D'un côté, le Haut fonctionnaire de l'Agglomération bruxelloise réunit les chefs de corps. De votre côté, il y a une réunion avec la commissaire nationale aux drogues, le commissaire général, le procureur du Roi, qui prend des initiatives. Vous avez évoqué, de votre côté aussi, une réunion avec votre collègue la ministre de la Justice.

Pour que nous ayons un plan de lutte vraiment efficace afin de venir à bout de ce fléau important que nous rencontrons à Anderlecht, mais pas uniquement, cette problématique se développant malheureusement sur l'ensemble de notre territoire, il faut une action coordonnée avec les différents niveaux.

Monsieur le ministre, j’en viens à mes questions. Comment comptez-vous assurer concrètement la nécessaire coordination, au-delà des réunions qui ont été organisées dans l'urgence suite aux situations que nous avons vécues? Comment allez-vous organiser et structurer cette coordination de manière pérenne?

Au niveau de la Région bruxelloise, quels contacts avez-vous eus avec le ministre-président? Quelles actions concrètes a-t-il entreprises à son niveau?

Concernant les renforts, vous avez déployé rapidement des policiers de la réserve fédérale pour venir en appui des services locaux. Comptez-vous renforcer davantage encore la présence policière, et dans quelle mesure? Combien d'effectifs policiers sont-ils affectés à cette problématique en particulier, à l'heure actuelle? Pourriez-vous ventiler par catégorie (police fédérale, agents locaux, agents de sécurisation), pour connaître de manière exacte le nombre de forces mobilisées par rapport à cette situation?

Le plan Canal a été évoqué par plusieurs collègues. Cela fait partie de notre accord de gouvernement. De manière très concrète, comment comptez-vous avancer dans ce projet important, et à quelle vitesse? Je pense qu'il est très important de le développer très rapidement.

La commissaire nationale aux drogues a eu l'occasion de venir présenter son plan d'action à cette commission. Concernant son action, il est prévu qu'un fonds Drogues soit créé. C'est une initiative qui a déjà été imaginée lors de la précédente législature. De manière très concrète, quand viendrez-vous avec un texte pour le mettre en œuvre rapidement? Des moyens sont nécessaires et doivent être mobilisés au plus vite.

Plusieurs collègues ont aussi mis en avant un manque de moyens. Le procureur du Roi l'a dénoncé au niveau de la police judiciaire fédérale. Quand comptez-vous renforcer ces services?

Concernant la vente de drogue, nous voyons qu'il est malheureusement très facile de s'en procurer en toute impunité dans les rues de nos villes. Ne pourrions-nous pas organiser des actions coup de poing pour marquer le coup avec ces renforts de police qui ont été mobilisés?

Nous avons évoqué l'existence de la problématique de la drogue dans d'autres territoires, dans d'autres villes, et même dans d'autres communes, celle-ci étant aussi présente en zone rurale. Ce ne sont fort heureusement pas les mêmes violences.

Enfin, dans l'accord du gouvernement est aussi prévue la révision de la norme KUL.

Il importe de traiter ce sujet rapidement, parce que les moyens sont nécessaires partout en Belgique. Comment comptez-vous vous y prendre? C'est un dossier complexe, mais il faut pouvoir avancer rapidement. Quelles concertations allez-vous mettre en place pour prendre en compte la réalité de l'ensemble de nos villes et communes, étant donné qu'il faut tenir compte de toutes ces spécificités, en ce compris en zone rurale?

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, in Brussel wordt een drugsoorlog uitgevochten tussen criminele bendes, zo klonk het vrijdag bij de procureur van Brussel, die zei dat de schietpartijen in Anderlecht gelinkt zijn aan afrekeningen in het drugsmilieu. Die escalatie van geweld toont aan dat het probleem van de georganiseerde drugscriminaliteit in onze hoofdstad ernstige proporties aanneemt. Brussel dreigt een speelveld te worden voor criminele bendes die zonder schroom het openbaar domein gebruiken voor dodelijke afrekeningen. Sint-Joost-ten-Node, Clemenceau, opnieuw Clemenceau en Peterbos: in drie dagen tijd vonden vier schietpartijen plaats in onze hoofdstad. Daarbij viel een dode en raakte een persoon gewond.

Mijnheer de minister, de eerste taak van de overheid is haar burgers te beschermen. Er is dus nog veel werk aan de winkel.

Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor uw toelichting en voor uw aanwezigheid hier. U hebt al heel wat zaken vermeld. Een aantal van de vragen die ik heb ingediend, hebt u al beantwoord, maar ik heb nog een aantal vragen waarop ik van u graag een dieper, concreter antwoord krijg en ik zal die vragen toch nog even herhalen.

Mijn eerste vraag gaat over de fusie van die Brusselse politiezones. Er is daarover al heel veel verteld. Naar aanleiding van de dodelijke schietpartijen zijn de 19 Brusselse gemeenten overgeschakeld op de eenheid van commando tussen de verschillende politiezones, om de veiligheid te waarborgen. Dat wil zeggen dat de politie op dit moment vanuit één zone wordt aangestuurd. In het regeerakkoord staat dat de zes Brusselse politiezones zullen worden gefusioneerd tot één zone, om de versnippering en inefficiëntie tegen te gaan. Welke concrete stappen zult u zetten om die fusie door te voeren? Welke tijdshorizon hebt u daarbij voor ogen?

Wat de nultolerantie betreft, u sprak over de politieke wil om dat zerotolerancebeleid te hanteren voor drugscriminaliteit. U hebt er daarnet in uw toelichting ook al naar verwezen. Kunt u dat ook concreet maken? Hoe zult u dat concreet realiseren?

Met betrekking tot de integrale ketenaanpak, in het regeerakkoord wordt gesproken over een gecoördineerde whole-of-governmentaanpak en een casusoverleg via gebiedsgerichte werking. Kunt u ook toelichten hoe dit zich zal vertalen in concrete maatregelen voor de veiligheid in Brussel?

De regering heeft aangekondigd dat het Kanaalplan uit 2015 versterkt wordt om het drugsgeweld en de georganiseerde misdaad aan te pakken.

Hoe zal dat nieuwe Kanaalplan er concreet uitzien? Welke extra middelen en mankracht worden hiervoor ingezet? Wordt er binnen het vernieuwde Kanaalplan expliciet ingezet op de financiële ontmanteling van drugsbendes, bijvoorbeeld door het verbeurdverklaren van crimineel vermogen? We hebben hier onlangs mevrouw Van Wymersch gehoord, die daar haar stokpaardje van heeft gemaakt.

Welke juridische of operationele aanpassingen zijn daarvoor nodig? Het eerdere Kanaalplan was heel sterk op radicalisering en terreurdreiging gericht. Wordt het nieuwe plan louter een veiligheidsaanpak of bevat het ook sociale maatregelen om te voorkomen dat jongeren in het criminele circuit belanden?

Het mag dus duidelijk zijn dat voor Vooruit de fusie van de Brusselse politiezones, een integraal actieplan veiligheid, absolute nultolerantie, een sterk Kanaalplan en een nationaal actieplan voor veiliger stationsbuurten heel belangrijk zijn. Mijnheer de minister, ik kijk uit naar uw visie en uw antwoorden op mijn vragen.

Franky Demon:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, laat me u allereerst feliciteren met uw aanstelling als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken. Dat is een mooie, maar zware verantwoordelijkheid. U brengt een pak ervaring als diplomaat mee en die zult u in uw functie goed kunnen gebruiken.

Wittebroodsweken werden u alvast niet gegund. Vorige week werd onze hoofdstad opnieuw opgeschrikt door verschillende zware schietincidenten, waarvan zelfs een met dodelijke afloop. Die incidenten hebben een duidelijke link met de georganiseerde drugscriminaliteit. De beelden van de mannen die in het midden van de stad met zware automatische wapens staan te zwaaien en vervolgens een metrokoker invluchten, leken wel uit een slechte actiefilm geknipt. Jammer genoeg is dit vandaag de dag de bittere realiteit in onze hoofdstad. Ingrepen dringen zich op.

De Brusselse politiek heeft onzes inziens te lang weggekeken van de problemen. Het stemt ons dan ook hoopvol dat het regeerakkoord de nodige handvatten biedt. De problemen in de betreffende wijken in Anderlecht, ook gisterenavond nog, zijn allesbehalve nieuw. Begin dit jaar konden we de korpschef van politiezone Zuid in de commissie ondervragen over de aanpak die hij voor die wijken zou uitrollen naar aanleiding van eerdere gewelddadige incidenten. Er werden vier hotspots geïdentificeerd waarop specifiek gewerkt zou worden en waarvoor samengewerkt zou worden met de federale politie.

Loopt die samenwerking tot op de dag van vandaag verder? Hoe wordt die tot nu toe geëvalueerd? Wordt die aanpak eventueel uitgebreid naar aanleiding van de recente incidenten?

In de media hebt u aangekondigd dat u de inzet van de federale politie in onder meer de stations zou opdrijven. Daarnaast pleitte u ervoor om Defensie te kunnen inzetten voor statische bewakingsopdrachten, in de hoop daarmee meer mensen te kunnen vrijmaken voor politiewerk op het terrein.

Het regeerakkoord is op dat vlak volgens ons wel duidelijk. De inzet van Defensie dient beperkt te blijven tot het beveiligen van de nucleaire sites, ambassades met een statische beveiliging, sites die permanent onder terreurniveau 3 vallen en de petrochemische sector. De minister van Defensie temperde al de verwachtingen over een snelle inzetbaarheid van Defensie, maar ook de militaire vakbonden uitten hun bezorgdheden.

Daarnaast moeten we ons ervan bewust zijn dat de bewakingsopdrachten uitgevoerd worden door de directie DAB van de federale politie. Dat zijn geen politieagenten maar beveiligingsagenten, zij hebben dus niet dezelfde bevoegdheden en zijn niet bijzonder breed inzetbaar.

Ik begrijp het niet goed, dus ik krijg van u graag wat toelichting over hoeveel politiecapaciteit u meent te kunnen winnen voor de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit door middel van het inzetten van Defensie voor statische bewakingsopdrachten. Hoe kan de DAB volgens u het verschil maken in die strijd?

De Brusselse burgemeesters hebben besloten om de zes politiezones tijdelijk onder een gemeenschappelijk commando te plaatsen om de situatie te beheren. Dat is een goede zaak. De georganiseerde misdaadbendes en de drugsproblematieken in de hoofdstad laten zich immers niet tegenhouden door de gemeentegrenzen. De verschillende gemeenten worden met gelijksoortige uitdagingen geconfronteerd die om een eensgezind antwoord vragen. Daarom voorziet het regeerakkoord ook in de fusie van de zes Brusselse politiezones.

Mijnheer de minister, u gaf de afgelopen dagen reeds aan die passage zeker te zullen uitvoeren, maar dan wel op basis van overleg. Dat is volgens mij een goede aanpak. Kunt u concreet toelichten welke initiatieven u hieromtrent zult nemen en welke tijdlijn u hierbij hanteert? Tegen wanneer moet er sprake zijn van één geïntegreerde politiezone voor onze hoofdstad?

Intussen beschikt u reeds over een wettelijk instrument om de bestuurlijke aansturing van de politie in de hoofdstad alvast te stroomlijnen. Begin vorig jaar hebben we in dit Parlement immers een aanpassing van de GPI-wet goedgekeurd die de minister-president toelaat om in uitzonderlijke gevallen de aansturing voor de opdrachten van de bestuurlijke politie over te nemen. Hiermee kan de minister-president dus zijn verantwoordelijkheid opnemen in het kader van acute en gemeentegrensoverschrijdende veiligheidsproblemen. Voor de activering van die wet is echter een koninklijk besluit nodig dat tot nu toe jammer genoeg werd tegengehouden door de partij van diezelfde minister-president. Zult u de komende maanden werk maken van de activering van die wet door het daartoe noodzakelijke KB uit te vaardigen?

Het regeerakkoord zet in het kader van de strijd tegen drugs en de georganiseerde criminaliteit duidelijk en terecht in op een multidisciplinaire whole of governement approach . Extra inzet van politie volstaat immers niet. Men moet ook inzetten op preventie, buurtopbouw, verslavingszorg en armoedebestrijding om ervoor te zorgen dat men die problematieken ook structureel het hoofd kan bieden. De misdaad is voor sommige jongeren en anderen in onze hoofdstad een te aantrekkelijk alternatief. Om dat aan te pakken is samenwerking met de deelstaten absoluut noodzakelijk.

Kunt u toelichten hoe u die whole of governement approach concreet wilt invullen? Zult u daartoe de noodzakelijke initiatieven nemen en welke rol kan het nationaal drugscommissariaat hierin vervullen?

Zoals reeds gezegd, om de drugsbendes echt te treffen, moeten we hen raken waar hen dat het meest pijn doet, kortweg in hun portemonnee. De nieuwe regering wil daarom ook verder inzetten op de follow the money approach . De nationale drugscommissaris is er al langer voorstander van om in beslag genomen middelen te laten terugvloeien naar de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Afgelopen vrijdag gaf mevrouw Van Wymersch in het VRT-nieuws aan dat ze van de regering een mandaat heeft gekregen om een dergelijke aanpak uit te werken.

Kunt u toelichten wat dat mandaat van de nationale drugscommissaris specifiek inhoudt? Welke opdracht heeft zij gekregen? Binnen welke termijn worden resultaten verwacht?

Deze regering voorziet ook in een actieplan voor veiligheid in stations en van een versterkt federaal Kanaalplan voor Brussel. Wat is uw visie op de uitwerking van beide actieplannen? Welke maatregelen wenst u in die plannen op te nemen?

De veiligheid van onze hoofdstad vergt duidelijk extra inspanningen. Het regeerakkoord is op dat vlak bijzonder ambitieus. Uw voorgangster heeft al heel wat zaken voorbereid waarop u kunt voortbouwen. We mogen nu niet aarzelen. We moeten er gezamenlijk onze schouders onder zetten en die uitdagingen aanpakken.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, collega's, er is de voorbije dagen en weken in Brussel een stevige opflakkering van het drugsgeweld. Wij hebben het de voorbije maanden en jaren gezien in Antwerpen en zien het nu ook in Brussel. Zo ontstaat het beeld dat de politie de situatie niet meer onder controle heeft.

Mijnheer de minister, ik heb u de voorbije dagen beluisterd. U zei dat u veel overlegt. Daarna zei u dat de eenmaking van de Brusselse politiezones de oplossing is. Een beetje later zei u dat militairen moeten zorgen voor meer capaciteit, dat u het op die manier gaat oplossen. De eenmaking van de politiezones en de inzet van militairen zullen dit acuut veiligheidsprobleem niet op korte termijn oplossen.

Onze fractie vraagt twee zaken. Enerzijds willen wij een snelle oplossing voor de acute veiligheidsproblemen op het terrein. Anderzijds willen wij ook structurele oplossingen. Ik breng in herinnering wat onze nationale drugscommissaris hier twee weken geleden deelde met ons. Zij stelde een aanpak voor gaande van preventie tot repressie. Dat kunnen wij allen onderschrijven. Ik hoor in de oplossingen die u op tafel legt, voorlopig alleen repressieve elementen. Komen er ook structurelere oplossingen?

Wat zegt u trouwens tegen de bewoners als u op het terrein gaat? U zegt namelijk dat u veel op het terrein gaat. Wat zegt u tegen de inwoners, tegen de mensen die de metro moeten nemen om hun kinderen naar school te brengen en die bang zijn? Wat zegt u tegen de handelaars die bang zijn? Wat zegt u tegen de mensen die een kogelinslag hebben in de kamer van hun kind? Wat zegt u eigenlijk tegen die mensen? Ik vraag het mij af. Naast deze retorische vragen heb ik ook een aantal concrete vragen waarop ik graag een antwoord zou krijgen.

U zegt dat er momenteel al tijdelijke versterkingen zijn van de politieaanwezigheid op het terrein. Over hoeveel versterkingen gaat het? Hoelang zal die capaciteit ter beschikking blijven? Is dat een kwestie van een aantal dagen? Zult u dat weken volhouden? Zult u dat maanden volhouden? Hoe moeten wij dat inschatten?

Daaraan gekoppeld, als men ervoor zorgt dat op plaats A heel veel politie aanwezig is, hoe zorgt men er dan voor dat het probleem zich niet gewoon verplaatst naar de wijk ernaast of naar een andere stad?

Ten tweede, veel collega’s hadden het al over de statische beveiligingsopdrachten, waarbij militairen taken overnemen van de politie. Ik heb minister Francken heel duidelijk horen zeggen dat dat niet zo rap zou gebeuren en dat dat niet echt een oplossing is voor het probleem.

Welnu, regering-De Wever, ik vraag me af hoe het eigenlijk zit. Is het een deel van de oplossing of is het dat niet? En op welke termijn ziet u dat haalbaar? Mijnheer Francken zei op de radio dat er nog veel wetgevend initiatieven nodig zijn voordat we dat in de praktijk kunnen omzetten. Het gaat namelijk ook over bevoegdheden geven, opleiding enzovoort. Hoeveel tijd denkt u dat daarvoor nodig is? Ik hoor dat ook cd&v er niet zo wild van is. Er is misschien wel eenheid van commando in de Brusselse politiezones, maar het is mij niet duidelijk of er eenheid van commando is in de regering.

Dan kom ik terug op wat de nationaal drugscommissaris ons heeft verteld, namelijk dat het geld dat in het milieu circuleert sneller in beslag moet kunnen worden genomen en ingezet worden. In de commissie was er grote overeenstemming over dat dat een goed idee is. Dat idee is er nu, maar wanneer verschijnt u hier met teksten? Dan zal het namelijk nog een aantal maanden duren voor er op het terrein iets merkbaar is.

Volgens u is een fusie van de politiezones een deel van de oplossing. Mijn partij is daar niet tegen. We denken dat er een aantal voordelen aan verbonden zijn, maar wat is een realistische timing daarvoor? Is het een kwestie van maanden, van jaren? Komt die er tegen het einde van de legislatuur? Hoe moeten we dat zien?

De rechterzijde hoort dit niet graag, maar ook hier zijn er structurele oorzaken. Het is niet toevallig dat die dingen vandaag in die specifieke wijken gebeuren. Het gaat om wijken met hoge armoedecijfers, met veel achterstelling. De drugscommissaris zei hierover dat een deel van de middelen die terugvloeien, moeten worden ingezet om die wijken weer op te krikken. Zodoende bieden criminele taakjes geen interessant perspectief meer voor wie daar opgroeit. Wie moet daar welke rol spelen? Moet de nationale drugscommissaris dat initiëren? Of de premier, in overleg met de deelstaten? Of gaan we allemaal naar elkaar kijken om uiteindelijk niets te doen?

Ten slotte, er was nu een Gewestelijke Veiligheidsraad waaraan u hebt deelgenomen. Ik kom uit West-Vlaanderen en de situatie rond het station van Roeselare is ongezien. Roeselare is de drugshoofdstad van West-Vlaanderen. De drugsproblematiek stelt zich dus niet alleen in Brussel en Antwerpen, het zit ook elders. Is het niet belangrijk om niet alleen de Gewestelijke Veiligheidsraad te laten samenkomen, maar om ook de Nationale Veiligheidsraad in te schakelen om coördinerend op te treden?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, quelle entrée en matière! À peine intronisé ministre et déjà un gros dossier à gérer. Je voudrais commencer par exprimer mon soutien et mes pensées aux habitants et aux habitantes qui sont secoués par cette flambée de violence liée à ce trafic de drogue, avec une situation qui sème la peur. Ce sont des événements tragiques qui témoignent d'une situation qui échappe au contrôle, qui laisse des familles dans l'angoisse et des quartiers entiers sous tension.

L'impression qui se dégage est que la police, malgré ses efforts, n'arrive pas à contenir cette escalade criminelle. Pendant ce temps, le gouvernement, malgré vos actions volontaristes, tarde à apporter une réponse plus forte et encore plus immédiate. Malgré les mesures prises, on voit que la situation devient de plus en plus difficile. Face à cette menace quotidienne, il est impératif de renforcer immédiatement les moyens policiers sur le terrain et d'engager une coordination rigoureuse entre tous les niveaux de pouvoir. On demande un action rapide et ciblée. Laisser cette violence s'enraciner reviendrait à abandonner Bruxelles aux mains des criminels. J'ai entendu dans votre exposé, monsieur le ministre, que des renforts ont déjà été mis en place. C'est une bonne chose, mais ce n'est visiblement pas suffisant.

J'entends aussi qu'on vante la fusion des zones de police comme si elle allait apporter la solution magique à tous les problèmes. Ce n'est pas un scoop. En tant qu'écologiste, je ne suis pas fermée à la discussion sur la question de la fusion mais je doute vraiment que cette fusion apportera la réponse et la solution à tous ces problèmes.

On l'a dit, une des priorités de votre gouvernement est la sécurité, et c'est un objectif que je partage. Il faut protéger les familles, rassurer les habitantes et les habitants. On en arrive à des situations inacceptables aujourd'hui où des enfants qui vont à l'école ont peur de sortir de chez eux, où des gens ont peur d'aller travailler. Il faut vraiment que toutes les parties prenantes se mettent autour de la table et que vous réunissiez tous les acteurs: la police bien sûr, mais aussi la Justice, et les acteurs et les actrices de prévention, de la drogue et de la santé publique, pour avoir une approche transversale. Parce que la seule réponse ne peut pas être que répressive.

Bruxelles, comme Anvers, gère les conséquences d'un problème mondial et mondialisé. Il faut de la répression, il faut retrouver de la sécurité dans les quartiers, mais il ne faut pas que la seule réponse soit répressive, surtout qu'on voit que ce sont les quartiers populaires qui en pâtissent, or les premiers consommateurs et les premières consommatrices ne viennent pas de ces quartiers populaires. Donc, là aussi se trouve un enjeu de justice sociale.

Certains collègues ont évoqué la question budgétaire, qui est essentielle. La police et la Justice manquent cruellement et structurellement de moyens. Ce qu'on paie aujourd'hui, c'est aussi – je suis désolée de le dire car je n'aime pas ressasser le passé – le définancement de ces services publics sous la Suédoise.

Il y a eu une volonté de correction sous la Vivaldi, et nous serons attentifs à ce que ce définancement ne soit pas poursuivi. Il faut continuer à refinancer et à donner des moyens à ces services. Aujourd'hui, on manque aussi cruellement d'effectifs à Bruxelles: environ 800 policiers font défaut, il faut remplir le cadre.

Ensuite, il faut se donner les moyens suffisants pour lutter contre la criminalité financière. Certains ont évoqué le port d'Anvers. La moyenne est actuellement d'un conteneur contrôlé sur 40. Autant dire que c'est une passoire.

Monsieur le ministre, disposiez-vous d'informations avant les fusillades? Y avait-il des indices ou une tension latente faisant penser que cela pouvait dégénérer?

Jusqu'à quand ce renforcement des effectifs est-il prévu?

Le Conseil national de sécurité (CNS) a été évoqué. Pourrait-il jouer un rôle plus spécifique?

Pourriez-vous faire l'état des lieux de votre collaboration avec les bourgmestres de la Région bruxelloise?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wanneer we over de veiligheid en het drugsgeweld in Brussel spreken, komen veel zaken samen. Ik zal niet op alles terugkomen. Tijdens onze nachtelijke marathon hebben we al van gedachten kunnen wisselen, ook over de budgettaire tabel. De investeringen in politie en justitie zijn echter enigszins ontgoochelend, zeker voor 2025.

Mijnheer de minister, u hebt meteen gereageerd en aangegeven dat geweld onaanvaardbaar is. U hebt uiteraard gelijk. U hebt dat goed gedaan. U bent ook meteen op het terrein gegaan en u hebt gesproken met de partners en de veiligheidsactoren.

Collega’s, helaas is het probleem van het drugsgeweld niet nieuw. Wij kennen het al lang. De heer Vandemaele heeft nu even de zaal verlaten, maar het drugsgeweld is geen Roeselaars probleem, het is geen Brussels probleem, het is geen Antwerps probleem, het is geen Belgisch probleem, het is geen Europees probleem, het is een mondiaal probleem. U moet eens kijken naar Stockholm, bij mijn weten een beschaafde stad. Er is geen sprake van Zweden als een narcostaat, maar kijk toch eens hoe Zweden wordt geconfronteerd met geweld. Kijk ook eens naar Marseille.

Mijnheer de minister, mijn eerste vraag gaat over het criminele beeld. Wij hebben niet laten betijen en dus weten we dat we de drugmaffia slagen hebben toegebracht. Wanneer we het over Brussel hebben, dan weten we dat de Albanese maffia hier nogal goed gehuisvest was. Brussel werd gebruikt als standplaats voor de Albanese maffia. We hebben die maffia slagen toegebracht. Er was toen ook sprake van infiltratie van de maffia uit Marseille. Zijn er aanwijzingen dat bij de recente geweldfeiten de maffia uit Marseille op een of andere manier betrokken is? Dat is mijn eerste punctuele vraag.

Mijn tweede vraag is eigenlijk al gesteld door de heer Demon. Indien we militairen zouden inzetten voor de statische opdrachten, zullen zij mensen van de DAB vervangen. Dat zijn mensen met een specifieke politionele bevoegdheid. Zij kunnen inderdaad worden ingezet. Is er echter een plan dat bepaalt hoe zij effectief zouden kunnen worden ingezet voor de veiligheid in onze hoofdstad of in het land tout court ?

Collega’s, over de fusie van de Brusselse politiezones herhaal ik dat ik blij ben in het regeerakkoord te lezen dat die fusie zal worden doorgevoerd. Dat zal niet alle problemen oplossen, een mirakeloplossing voor het probleem bestaat niet. Mocht ze bestaan, dan hadden wij ze al lang uitgevonden en was het probleem opgelost. Een mirakeloplossing is er dus niet, het zal dan ook sowieso hard werken zijn. Een stukje van de puzzel van de oplossing is echter wel degelijk de fusie van de Brusselse politiezones, omdat ze gaat over eenheid van commando en over een efficiënte en effectieve inzet van de politiecapaciteit.

Ik heb tijdens de nachtelijke vergadering de vergelijking gemaakt met de NYPD, het New York Police Department. Als we het Brussels politie-effectief optellen, zijn er volgens mij niet te weinig Brusselse politieambtenaren. Het is dus geen kwestie van meer blauw op straat, het is een kwestie van blauw meer op straat. J'ignore si la nuance est claire en français. Alleszins, blauw meer op straat is iets anders dan meer blauw op straat. Dat is wat vooral moet gebeuren.

We weten allemaal dat de fusie van de Brusselse politiezones een zekere tijd in beslag zal nemen. Die tijd krijgt u uiteraard ook, mijnheer de minister, dat hoort zo. De burgemeester van Brussel zei echter dat hij wil werken aan een eenheid van commando. Zou dat de voorloper kunnen zijn van die eengemaakte Brusselse politiezone? Is die eenheid van commando, zoals aangekondigd door de burgemeester van Brussel, er momenteel? Wat betekent die precies?

De bestrijding van de drugsmaffia is werk voor de federale gerechtelijke politie. Dat is duidelijk. Het werd ook aangehaald door collega Aouasti. Law-and-order in de Brusselse straten, in de Brusselse wijken en op de Brusselse pleinen, is echter een taak van de lokale politie. We moeten die wijken terugwinnen, en dat kan, door middel van VIP, very irritating police . Het betreft dan een politie die patrouilleert en die controles doet in de wijken, niet driemaal per maand maar driemaal per dag. Er zijn politiezones, ook in Brussel, die dat kunnen waarmaken. Als die eenheid van commando wordt gerealiseerd, in afwachting van de fusie, kunnen we al komen tot zo'n very irritating police . Eenheid van commando is belangrijk, wars van de verschillende bestuurslagen in Brussel, die het werk inderdaad niet gemakkelijker maken, met 19 burgemeesters en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Ik heb nog een specifieke vraag. Ik denk dat ik het antwoord ken, want ik vind het niet terug in het regeerakkoord. De Brusselse MR stelde een jaar geleden voor om een speciale commissaris aan te stellen die de problemen van Brussel beter kan aanpakken. Volgens mij is dat geen goed idee, want dat creëert een nieuwe bestuurslaag. We hebben geen speciale commissaris nodig in Brussel om die problemen aan te pakken, we hebben eenheid van commando nodig. Hoe staat u tegenover dat voorstel van een jaar geleden? Vermits het niet in het regeerakkoord staat, veronderstel ik dat u daarvan afstand hebt gedaan.

Dan wil ik nog ingaan op het Kanaalplan. Dat was een plan in de strijd tegen terrorisme en radicalisering. Wat betekent het Kanaalplan in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit? Hoe verhoudt het Kanaalplan zich tot de bestaande plannen en de specifieke acties die er al zijn geweest of die er op bepaalde hotspots zoals Peterbos en Hallepoort zijn? Die plannen zijn er de voorbije maanden gekomen, in een samenwerking van de lokale en federale politie met het parket van Brussel, dat versterkt is, dat een nieuwe procureur heeft, waar extra magistraten en juristen zijn, met de medewerking van de DVZ.

U hebt ook verschillende malen overleg gepleegd. Wat waren de resultaten van de Gewestelijke Veiligheidsraad? Werd daar ook over de totaalaanpak gesproken? Collega's hebben daarop terecht de aandacht gevestigd. Het is niet alleen een kwestie van justitie en politie. Het is niet alleen een kwestie van repressie. We moeten de zaken ook structureel aanpakken. Is in de Gewestelijke Veiligheidsraad aan bod gekomen hoe we jongeren weghouden van de marginaliteit, hoe we door infrastructuurwerken de marginaliteit kunnen aanpakken enzovoort? Is er ook gesproken over de rol van Brussels Prevention and Security van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest? Vorige week vrijdag was er op het kabinet van de minister van Justitie ook een overleg met mensen van het parket en de politie. Was is daar precies afgesproken?

Voorts wens ik u veel succes als minister, bevoegd voor Binnenlandse Zaken én Veiligheid. Dat is een mooie uitvinding.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre exposé et votre mobilisation. Comme vous, je suis bruxellois et, durant toute la dernière législature, j'ai interpellé au moins une demi-douzaine de fois votre prédécesseure sur ces fusillades qui, durant ce temps-là, n'ont cessé d'augmenter et d'empirer, en recevant des réponses parfois encourageantes mais parfois aussi convenues.

Je dois souligner que, dans votre accord de gouvernement, il y a un vrai volontarisme vis-à-vis de la lutte contre les stupéfiants. Vraiment! Cela donne un espoir. C'est en tout cas un volontarisme que je n'ai pas ressenti depuis un bon moment. Notre pays est connu pour être un hub via le port d'Anvers et l'aéroport de Liège Bierset. Je vous remercie de l'avoir rappelé clairement. Et, entre les deux, on sait tous que c'est Bruxelles qui sert de plaque tournante de distribution.

Les remèdes, on les connaît. Bien sûr qu'il faut reprendre le contrôle des rues. Qui serait contre cela? Très bien! Mais le profil de ces délinquants qui se battent pour un point de deal et pour gérer un morceau de trottoir est bien connu, c'est de la "chair à canon" utilisée par les mafias qui peut être remplacée très rapidement.

Si nous ne regardons ce phénomène que sur ses apparences en se disant seulement qu'il y a des types avec des kalachnikovs, qu'on les arrête, qu'on nettoie les rues avec les polices locales, la police judiciaire fédérale et que les gens seront contents, non! On va se faire plaisir peut-être un moment mais cela ne fonctionnera pas car, malheureusement, ces jeunes sont remplacés du jour au lendemain. Si vous voulez vraiment combattre le marché de la drogue, il faut frapper les bras mais surtout les têtes et les portefeuilles. Il faut du bleu dans les rues, monsieur le ministre. Il faut aussi du bleu derrière les écrans. Il faut les effectifs qui permettent de remonter les filières, démanteler les réseaux de financement, de blanchiment et démanteler les réseaux de corruption qui existent aussi.

Cela veut dire, selon nous, créer un parquet national financier indépendant, ce qui ne figure malheureusement pas dans votre accord. Vous voulez juste créer une filière spécialisée. J'espère que cela suffira. Cela veut dire confisquer les avoirs et les utiliser contre ces criminels. Cela se trouve dans votre accord et c'est vraiment très bien.

Et puis, à mon avis, sans vouloir refaire le débat que j'ai déjà eu notamment avec le premier ministre, il faut peut-être quitter ce fétichisme de la fusion forcée – si elle n'avait pas été forcée, ce ne serait pas un problème –, contre leur gré, de zones de police. Moi, j'observe, monsieur le ministre, que, dans votre présentation, vous n'avez pas cité cette fusion des zones comme solution et je m'en réjouis. Cela veut dire que vous avez abordé ce sujet de manière rationnelle et non politicienne.

Voorzitster: Maaike De Vreese.

Présidente: Maaike De Vreese.

Vous avez surtout parlé de la police judiciaire fédérale comme acteur clé, et c'est normal. C'est elle qui, pour rappel, est compétente pour lutter contre le grand banditisme, le trafic d'armes et le trafic de drogues. C'est elle qu'il faut renforcer, que ce soit à Anvers ou à Bruxelles et si possible en ne les mettant pas en concurrence.

Certains de mes collègues – vous l'aurez compris – ne vous lâcheront pas tant que vous n'aurez pas parlé de cette fusion avec un calendrier extrêmement clair. Ne vous laissez pas impressionner, parce que c'est une diversion. La drogue est un sujet d'abord fédéral, de la responsabilité de la police judiciaire fédérale. C'est à elle de démanteler les réseaux et l'heure n'est pas à faire diversion mais plutôt à s'unir.

D'ailleurs, si on veut aider les zones de police locale, qu'on commence – cela aussi figure dans votre accord – par revoir enfin la norme KUL qui pénalise non seulement les zones bruxelloises mais celles de toutes les grandes villes de ce pays. C'est l'une de mes deux seules questions. Moi, ce qui m'intéresse, c'est le calendrier de révision de cette norme qui est inscrite dans votre accord de gouvernement. Me confirmez-vous que les zones urbaines – Bruxelles mais aussi Anvers – seront mieux traitées?

J'ai également une question spécifique, vu votre profil de diplomate parce que celui-ci peut aider dans notre combat en matière de drogues. En effet, l'élément clé dans ce combat est la collaboration internationale, qu'il s'agisse des zones de transit, de la lutte contre les armes à feu et de l'échange d'informations. Envisagez-vous des contacts bilatéraux ou internationaux dans votre plan? Je pense que vu sa position géographique, mais aussi, hélas, son rôle actuel de plaque tournante, la Belgique pourrait être un acteur essentiel qui pourrait prendre une série d'initiatives.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, een aantal collega’s schrijven alle veiligheidsproblematieken in ons land aan u toe. Dat is nogal origineel, aangezien u nog maar een week aan de slag bent. In die week zat u ook 40 uur vast in de Kamer tijdens de plenaire vergadering. U hebt het in uw eerste week als minister van Binnenlandse Zaken dus al zeer druk gehad. De N-VA-fractie zal u wat meer tijd geven om voor belangrijke en broodnodige hervormingen te zorgen en zal daar met veel plezier aan meewerken.

Ik ben zeer tevreden dat u hamert op nultolerantie. Hoe zult u die concreet uitwerken? Collega Depoortere gaf aan dat iedereen, van extreemrechts tot extreemlinks, overtuigd is van de noodzaak van nultolerantie. Volgens mij is helaas niet iedereen daarvan overtuigd. Tijdens de vele debatten waaraan ik deelneem, ben ik steeds weer verbaasd over de ingenomen standpunten. De voorzitter van de Jongliberalen pleitte in een debat immers voor de legalisering van heroïne. Dat lijkt me ver verwijderd van nultolerantie. We moeten niet alleen drugscriminaliteit strenger aanpakken, maar ook het druggebruik zelf. Wat is uw visie daarop? Moeten we het totaalplaatje niet strenger bekijken? Nu zijn we immers strenger voor drugscriminaliteit, terwijl we het gebruik van zware drugs goedpraten en zelfs aanmoedigen.

Het Kanaalplan was zeer belangrijk voor de N-VA in de regeringsonderhandelingen en dat is het voor mij ook als Vilvoordenaar. Collega’s van andere partijen geven u de schuld van alle problemen die zich momenteel voordoen, terwijl ik meen dat die veeleer te wijten zijn aan de afbouw van het Kanaalplan door de vivaldiregering. We merken daar vandaag zeer sterk de gevolgen van.

Op welke termijn kan er opnieuw leven worden geblazen in het Kanaalplan en kan het worden versterkt? Welke gemeenten wilt u betrekken bij de versterking van het Kanaalplan? Welke middelen voorziet u voor de concrete uitwerking? U zult in de N-VA-fractie steeds een partner voor de opmaak van een grondig en serieus plan vinden.

Denis Ducarme:

Madame la présidente, je suis désolé pour le retard. Je présidais la commission des Affaires sociales. Anderlecht y était aussi au cœur des débats, non pas pour la station Clemenceau mais pour son CPAS. Je vous rejoins évidemment avec beaucoup d'intérêt parce que je pense que nous allons enfin pouvoir tourner une page bruxelloise.

Il y a quelques années – comme nous pouvons le voir sur le site de la RTBF –, Rudi Vervoort, ministre socialiste et ministre-président, nous disait qu'il n'y avait pas de problèmes de sécurité à Bruxelles. Il y a quelques mois, il nous disait aussi qu'il n'y avait pas de zones de non-droit à Bruxelles. C'est un peu surréaliste de voir ça, surtout quand nous constatons la prise de possession de l'espace public par le narcotrafic. La réalité, c'est celle-là! Ce n'est pas seulement la sécurité des habitants d'Anderlecht! Ce n'est pas seulement la sécurité des usagers du métro! C'est le narcotrafic! Il menace naturellement l'État de droit.

Je vous suis donc très reconnaissant d'être allé sur le terrain comme vous l'avez fait, monsieur le ministre. Vous avez sans doute été en quelques jours autant sur le terrain que certains de vos prédécesseurs en quelques mois. C'est aussi comme ça qu'on juge de la difficulté. Vous avez surtout pu mobiliser les services de la police fédérale. Vous avez pu vous coordonner avec les zones de police locales pour déjà voir un certain nombre de résultats émerger. En effet, la dernière personne que nous avons vue avec une kalachnikov – je pense que c'était la nuit dernière – a fui. Elle n'est pas restée ainsi à tirer comme les précédentes. Elle a fui parce qu'elle a été confrontée aux services de police et donc aux renforts.

Vous nous direz probablement comment vous allez monter en puissance en termes de mobilisation et de présence sur le terrain, que ce soit via le corps d'intervention (CIK) ou via la Direction de la sécurisation (DAB), en attendant que nous puissions avoir un cadre légal qui nous permette de rencontrer l'accord de gouvernement sur le fait que la Défense nationale puisse, dans un certain nombre de cas, également prêter main forte aux policiers On peut attendre, heureusement, de ce gouvernement que Bruxelles ait autant d'importance que le port d'Anvers.

J'aimerais attirer votre attention sur un point, monsieur le ministre. Vous souvenez-vous de la série télévisée Les Brigades du Tigre ? Bien sûr. Si je vous en parle, c'est parce que nous nous trouvons dans une situation similaire. En fait, leur vrai nom n'était pas "les Brigades du Tigre", mais "les brigades mobiles". Pourquoi les a-t-on appelées de la sorte? Parce qu'en 1907, Georges Clemenceau a décidé de voir la police, non plus à cheval, mais équipée de véhicules automobiles pour suivre les malfrats qui se servaient d'engins puissants. La police fédérale se trouve dans une situation un peu comparable, puisqu'on vous l'a laissée dans un très mauvais état. En effet, l'équipement de nos policiers, c'est une arme semi-automatique: la FN 300. En face, ce sont des armes automatiques. Cela signifie qu'on est en train de faire la course en 2CV contre une Porsche. S'agissant donc de la sécurité de nos policiers et de la manière dont ils se confrontent à ces narcotrafiquants, je vous demande d'évaluer si nous devons revoir à la hausse l'équipement de nos policiers.

Voorzitter: Ortwin Depoortere.

Président: Ortwin Depoortere.

Voorzitter:

Gezien er geen andere collega’s wensen aan te sluiten, geef ik het woord aan de minister om te antwoorden op de vele vragen.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, je vais essayer de répondre à toutes les questions. J'espère que personne n'avait prévu d'aller au cinéma ce soir. Si je dois répondre à tout, cela va nous prendre beaucoup de temps! Mais je vais m'y efforcer.

Je vais faire quelques considérations liminaires avant de tenter de répondre plus précisément aux différentes questions. Comme cela a été dit, cela fait dix jours que j'ai pris mes fonctions, qui ont été dix jours intenses. J'apporterai les réponses que je peux apporter après une telle période à la fonction de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur.

Nous aurons d'ici quatre à six semaines une discussion intense sur la présentation de la note de politique générale. Ce sera l'occasion de revenir sur tous ces sujets plus précisément. Et il y aura bien sûr un bilan à tirer, d'ici environ quatre ans, à propos de l'action que j'aurai pu mener à ce poste. Cela ne signifie pas que je ne serai pas très régulièrement présent ici, avec vous, pour faire le point, que ce soit en commission ou en plénière.

Ik zeg niet dat u me met rust moet laten de komende vier jaar.

Nous allons travailler. Cela nous donne quand même un horizon de travail important.

Je mets à votre disposition, comme je mets à disposition de mon département et des autres départements, mes différentes expériences de service de l’État… Quand on parle de service public, c’est le service au public, donc aux citoyens.

De kwestie van de onveiligheid en de consequenties ervan heb ik tijdens mijn carrière van heel dichtbij meegemaakt.

Il y a en effet une différence entre l'insécurité et le sentiment d'insécurité. Ce sont deux choses différentes, intimement liées. Je ne néglige pas non plus le fait que certains aspects psychologiques doivent être mieux pris en compte, pour les victimes.

Dans les fusillades des derniers jours, les victimes, c'est la personne qui est blessée et la personne qui est morte, mais ce sont aussi toutes les personnes qui ont pris le métro, et certainement cette famille qui a vu un impact de balle dans la chambre de son enfant. Ce sont aussi nos forces de l'ordre, qui sont confrontées tous les jours à cela.

Je le dis avec un peu d'émotion. J’ai moi-même eu, dans certaines missions que j'ai pu faire à l'Est du Congo il y a 20 ans, mon lot de cadavres et d’autres choses. J'aurai à cœur de tenir compte de ces aspects traumatisants.

J'ai aussi, dans différents postes que j'ai occupés, dû faire des économies, parce que nous devons être les plus efficaces et les plus efficients possible. Ce n'est pas toujours facile. Mais j'ai la chance, comme ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, de ne pas devoir en faire, au contraire, puisque le département de la Sécurité est immunisé des économies qu'il faut faire par ailleurs. Je ne reviens pas sur le long débat sur le programme de gouvernement.

Mais quoi qu'il en soit, je crois qu'il y a toujours moyen, et que c'est une obligation comme serviteurs de l'État, de voir comment être les plus efficaces et les plus efficients possible. Les deux concepts sont tout à fait importants.

Par ailleurs, comme je l'ai dit, il n'y aura pas de diplomatie avec le crime et les criminels. Je tenterai néanmoins d'être diplomate dans tout ce que je dois faire avec les différents partenaires, que ce soit au niveau fédéral, avec les entités fédérées, les communes, etc. C'est écouter et décider.

Mijnheer de voorzitter, overleggen is niet babbelen. Ik babbel graag, maar op andere plaatsen en in andere omstandigheden. Hier zal ik overleggen, want adhesie is belangrijk.

Aussi, comme remarque liminaire, un fait divers est, selon le Larousse , "un événement sans portée générale qui appartient à la vie quotidienne". Il est donc assez clair que ce n'est pas ce qui s'est produit la semaine dernière. Et lorsqu'on parle de lutte contre le crime organisé, il s'agit singulièrement de celui qui est lié au trafic de drogue.

Dat zeg ik tegen iedereen. Ik zeg dat tegen de bevolking, ik zeg dat tegen onze politie, ik zeg dat tegen de politici. Het zijn geen faits divers. We moeten die criminaliteit aanpakken. We moeten ertegen vechten, ik durf dat zo te zeggen. We zullen dus een globale en multidisciplinaire aanpak hanteren en uitvoeren, van producenten tot consumenten.

"Du producteur au consommateur", pour reprendre une phrase plutôt liée au monde de l'agriculture, mais nous n'en sommes finalement pas très éloignés lorsque nous parlons des producteurs, puisqu'il faut bien produire tant le pavot que la feuille de coca. Il y a bien sûr par ailleurs toutes les drogues de synthèse.

Dat betekent ook dat we voor de hele keten, van de producenten tot de consumenten, een globale aanpak zullen moeten hanteren. Preventie en repressie zijn voor mij niet strijdig. Repressie alleen heeft geen zin. Als we dat elke dag doen, zullen we verliezen. Preventie is dus ook belangrijk. We moeten goede politieke krijtlijnen uitzetten en uitvoeren. Repressie is daar een belangrijk onderdeel van. Dat is mijn taak in die keten. Daarvoor moeten we ook met iedereen samenwerken. Ik ben daarover al in gesprek met mijn collega's van Justitie en Defensie. Ik zal daar straks op terugkomen.

On a parlé de cohésion sociale et en même temps, j’en profite pour réitérer ma compassion au sens premier du terme pour les victimes et les citoyens de ces faits. Dans cette cohésion sociale, M. Kompany a parlé du rôle des grands frères. Je crois en effet qu’outre la présence policière, des forums communautaires ont été créés qui permettent et qui offrent aux citoyens des espaces où ils peuvent partager leurs préoccupations et échanger avec les zones de police et la police locale ainsi qu’avec les autorités. C’est important qu’il y ait, et vous l’avez tous et toutes souligné, des rencontres citoyennes qui soient faites et qu’un accès au service de soutien psychologique qui est assuré par le BAV, soit proposé aux citoyens qui en ressentent le besoin.

Je voudrais repréciser la question des fonctionnalités de la police locale. Il y en a en effet sept fonctionnalités comme vous les avez citées. La recherche locale et le service de recherche s’attaquent aux problématiques liées aux moyens d’enquête spéciaux. Vous n’êtes d'ailleurs pas sans savoir que le vendeur de rue est lié à un clan de narcotrafiquants. C’est la raison pour laquelle j’ai insisté aussi sur la nécessité du travail en synergie entre les différents services de recherche, aussi bien de la police locale que de la police fédérale. Je vais y revenir tout à l’heure.

Pour ce qui est de la collaboration internationale, il est évident qu’elle est absolument essentielle. J’ai déjà parlé lors de ma remise-reprise avec le ministre Prévot de cet élément important de travail que nous devons aussi faire avec nos postes diplomatiques pour qu’ils soient suffisamment sensibilisés à ces questions-là mais qu’ils aient également le personnel nécessaire pour pouvoir y faire face. Vous savez qu’on a déjà renforcé la présence d’attachés de police dans un certain nombre de postes en Afrique, en Afrique du Nord et en Amérique Latine. On doit continuer à le faire – je vais d'ailleurs revenir sur le mandat de la commissaire nationale aux drogues – mais il est évident que si on veut renforcer cette approche globale, il faut qu’on aille, comme je le disais, s’attaquer aussi aux producteurs, or ces derniers sont en grande partie à l’étranger. Je dis bien "en grande partie" parce que tout cela est beaucoup plus complexe qu’il n’y paraît.

Je peux aussi vous dire que nous collaborons avec un certain nombre de services de police, entre autres en Italie, qui ont une certaine expérience de la lutte contre la mafia, pour former nos policiers avec les policiers italiens qui ont une expérience plus longue et relativement probante en la matière.

J'en viens à la question de savoir si nous avions des informations avant les fusillades. Si nous avions su des choses extrêmement précises, nous aurions évidemment mis les forces de police nécessaires en place pour déjouer ces attaques-là. Sur ces attaques précises, nous n'avions pas de renseignements suffisamment précis pour pouvoir les contrer. Mais bien sûr, au sein de nos services de recherche et d'information, nous réussissons à prévenir un tas d'attentats, ce qui me permet une note plus générale. Le combat contre le narcotrafic est bien ce qui nous occupe à Anderlecht. Les trois événements à Anderlecht sont liés entre eux et sont liés au narcotrafic et à la mafia algéro-marseillaise. Voilà, c'est dit. C'est un combat qui va durer. Si je vous disais que je connaissais une date à laquelle nous aurions gagné la guerre contre le narcotrafic, vous auriez raison de rire, parce que cela n'aurait aucun sens.

Je fais un parallèle, bien que comparaison ne soit pas raison, entre ce combat et le combat contre le radicalisme ou le djihadisme. Ce n'est pas parce qu'on ne gagnera probablement jamais définitivement la guerre qu'il ne faut pas mener ce combat. Il ne faut pas que les narcotrafiquants aient dix longueurs d'avance sur nous. Il faut qu'ils n'en aient même pas une mais seulement une demie. C'est ça que l'on doit faire. Je vais revenir sur les questions financières: il faut que ces trafics coûtent de plus en plus. C'est comme cela que nous pourrons gagner un nombre important de batailles.

Il existe une task force , une stratégie de solidarité entre les différents services de police des zones de police de Bruxelles, à laquelle la police fédérale apporte évidemment son appui et son expertise, tant par la mise à disposition de forces humaines que par la logistique, en fournissant des moyens spéciaux à la demande des zones.

Je vais prendre un peu de temps pour répondre à la question du plan Canal.

Het Kanaalplan werd in 2016 uitgerold in de strijd tegen radicalisme en terrorisme. Het plan voorzag 116 medewerkers in de vijf politiezones langs het kanaal en in een zone buiten Brussel, namelijk Vilvoorde. Er staan nog een paar mensen ter beschikking van de zones in het kader van dat plan, maar in dat plan waren ook veel elementen voorzien die nu geïntegreerd zijn in het werk van de politiezones. Het Kanaalplan was nodig in 2016, maar nu maken veel aspecten ervan deel uit van de dagelijkse taken van de politiezones.

De ontwikkeling van het Kanaalplan, waarbij verschillende partners uit het maatschappelijke veld betrokken waren, leidde tot het globale drugsplan, dat vervolgens werd verfijnd tot het arrondissementele drugsplan onder leiding van de gerechtelijke directeur, waarin momenteel 14 projecten lopen. Een nieuw plan is voorzien. Ik moet de komende dagen en weken de modaliteiten van dat plan uitwerken, maar het drugsaspect ervan moet belangrijker zijn dan dat acht jaar geleden het geval was, zelfs als alles gelinkt is. Er is geen immers firewall tussen drugscriminaliteit en radicalisering. Tout est dans tout et inversement . Het is misschien een idee om een nieuwe naam te zoeken voor het nieuwe Kanaalplan, niet als een gadget, maar men zal door die naam steeds aan het eerste Kanaalplan blijven denken, terwijl we nu iets anders op poten moeten zetten. Ik zal daaraan werken.

Nous allons travailler avec la police fédérale et les zones de police afin de cibler les besoins nécessaires et d'avoir un bon plan, qui ne soit pas un gadget. L'un des éléments fondamentaux de ce plan global antidrogue est évidemment le partage d'informations, ou plutôt de renseignements.

Je tenterai de répondre plus largement aux questions concernant les statistiques, les chiffres et les tendances lors du débat sur la note de politique générale. N'hésitez pas à m'adresser des questions écrites à ce sujet, celles-ci permettant de répondre de manière substantielle sans que ces réponses soient trop ennuyeuses, ce qui peut arriver quand on aligne les chiffres dans une réponse à une question orale.

Cela dit, il y a bien une hausse générale des faits de criminalité, à peu près à tous les niveaux à Anderlecht mais aussi dans d'autres communes. Ce qu'il s'est passé à Anderlecht est lié à la mafia marseillaise et à des questions d'occupation ou de réoccupation de territoire par des bandes rivales.

Il nous paraissait important de pouvoir mettre plus de moyens à disposition de la Zone de police Midi, ce que nous avons fait. Comme je l'ai dit dans mon introduction, un peu moins de 20 agents de la réserve fédérale sont déjà sur place. D'autres zones de police, singulièrement celle de Bruxelles Capitale Ixelles, ont mis un certain nombre d'agents à disposition de la Zone de police Midi.

Comme cela a été souligné par M. Ducarme, nous avons déjà constaté un effet direct de cette augmentation, à savoir que la personne qui est sortie de son véhicule avec une kalachnikov cette nuit a vu les policiers en faction et est repartie. Elle a été poursuivie, mais n'a malheureusement pas pu être arrêtée. Des effets de cette présence se font donc déjà sentir. La question de sa durée a été posée.

Verschillende volksvertegenwoordigers vroegen hoelang het zal duren. Het zal duren zolang het nodig is, maar we moeten duidelijk zijn: we zitten nu in een systeem waarin on déshabille Pierre pour habiller Paul . Ik ken de uitdrukking in het Nederlands niet. Het is een kwestie van communicatie. Het zal zeker in mijn beleidsnota staan dat – ik ben het volledig met u eens, mijnheer Van Tigchelt – er niet meer blauw op straat moet, maar dat blauw meer op straat moet. We hebben genoeg politieagenten als we de verhouding met andere steden bekijken, maar ze zijn misschien niet genoeg op straat om dingen te onderzoeken.

C'est toute l'idée, et j'y viens maintenant, qui est dans l'accord de gouvernement et que nous devons mettre en œuvre, celle d'avoir l'appui de l'armée. Ce n'est pas écrit et je n'ai jamais dit, dans aucune interview ni intervention, qu'il fallait des militaires dans la rue.

Ik heb dat nooit gezegd en nooit geschreven.

Parfois, on nous pose plutôt des réponses que des questions et tant que la réponse ne convient pas… Ik zal het herhalen: ik heb het nooit geschreven, noch gezegd.

C'est d'ailleurs ce qui se trouve très clairement dans l'accord de gouvernement et que j'ai discuté avec mon collègue Theo Francken lors d'un entretien téléphonique. Je ne vais pas vous dire que nous avons déjà tout le texte et que tout est là, mais j'ai pris mon téléphone et je lui ai donc posé la question.

Ik vroeg hem of hij akkoord ging om te bespreken hoe wij militairen kunnen inzetten voor statische bescherming.

Donc, il s'agit de la protection statique, c'est-à-dire ce que vous voyez quand vous passez rue Ducale devant l'ambassade des É tats-Unis. En français, on appelle ces hommes des plantons, ce sont eux qui gardent les lieux, comme nous avons des militaires qui gardent les casernes, même si je sais que ce n'est plus toujours le cas aujourd'hui.

L'idée est de créer une espèce d'effet dominos: si nous pouvons mettre des militaires qui gardent certains sites tels que les centrales nucléaires, plusieurs industries Seveso, des ambassades placées au niveau 4 comme celles des États-Unis , d'Israël et d'autres, je peux libérer des membres de la DAB. Ce ne sont pas eux qui iront en rue, parce que ce n'est pas leur travail. En revanche, certaines tâches de la DAB sont exercées par des policiers. Si je déploie des militaires, cela libère de la DAB qui peut notamment travailler au transfert de prisonniers, si je ne me trompe pas. Les policiers qui, eux, ont la capacité légale d'aller en rue et de mener leurs activités ne doivent plus servir au transfert des prisonniers. Il y a quand même une logique. Nous avons besoin de textes, c'est vrai.

Omdat we nog een rechtsstaat zijn. Dus moeten we de geschikte teksten hebben en gebruiken om dat te doen.

Pour ce qui est du Fonds spécial drogues, à travers l'accord de gouvernement, mais aussi grâce à la réunion que nous avons pu avoir, ma collègue Annelies Verlinden et moi-même avec la commissaire nationale aux drogues, nous l'avons mandatée dans sa lutte contre les stupéfiants pour qu'elle puisse travaille à partir de ce Fonds spécial.

Dit is wat ik gezegd heb: de trafikanten in de portemonnee treffen.

Il faut vraiment pouvoir les attaquer là, saisir un certain nombre de biens, réaliser ces biens et réinjecter l'argent dans la lutte contre les trafiquants de drogue.

Je ne peux pas vous dire aujourd'hui quels sont les montants des fonds mais il est clair qu'il faudra un système de coffre-fort virtuel, qui permettra de visualiser au fur et à mesure ce qui est réalisé dans ces différentes saisies.

Je fais totalement confiance à la commissaire nationale aux drogues, que j'ai déjà rencontrée plusieurs fois. Elle m'a expliqué ses plans et sa vision des choses pour qu'elle nous revienne rapidement avec les textes nécessaires.

Daarna is het aan jullie als volksvertegenwoordigers om de gepaste teksten, wetten en reglementen goed te keuren, zodat wij ons werk kunnen uitvoeren en volbrengen.

Il faudra bien parler de la fusion des zones de police, pour laquelle il y a deux temps.

Dans l'accord de gouvernement, il est décidé de procéder à la fusion des zones de police pour la Région de Bruxelles-Capitale. C'est écrit dans l'accord de gouvernement et je suis un serviteur de l'État. Je mettrai donc en œuvre l'accord de gouvernement, puisqu'il a reçu la confiance de la Chambre.

Ce n'est pas pour autant que je le ferai à la hussarde, ce qui n'aurait aucun sens. C'est quelque chose qui doit être concerté, être expliqué avant d'être mis en œuvre. Je vais m'y employer dans les semaines qui viennent. Je ne vais pas vous donner de calendrier aujourd'hui. Je pourrai probablement avoir une idée un peu plus précise quand on discutera de la note de politique générale dans quatre ou six semaines, car je n'ai pas non plus l'intention de perdre du temps pour mener les discussions et les concertations que je dois avoir sur le sujet en réunissant l'ensemble des acteurs concernés.

De fusie van de Brusselse politiezones is echter geen politiek gadget. Mijn doel is om efficiëntiewinst te boeken.

C'est une question de rationalisation. Il faut voir quelles sont les économies d'échelle qui peuvent être faites et comment cette chaîne de commandement peut être améliorée dans une ville-région qui a quand même une spécificité physique relativement particulière, qui demande que cette fusion soit réalisée. Elle se fera, en concertation, pour être efficace et efficiente.

Le deuxième temps de la question de la fusion des zones de police est que ce n'est pas parce qu'elle n'est pas obligatoire en Wallonie...

Het is niet omdat het niet verplicht is in Wallonië of Vlaanderen, dat het niet kan gebeuren. Ter verduidelijking, het is mijn doel om dat in Brussel te doen, zoals het ook in het regeerakkoord staat. Daarna zal ik een vergelijkbare oefening proberen te doen in Vlaamse en Waalse politiezones.

Et de même en Wallonie pour expliquer pourquoi dans certaines zones, je pense qu'il n'est pas inintéressant d'effectuer un exercice similaire. Ce ne sera pas obligatoire, mais je ferai mon travail de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur.

Vous ne m'aurez jamais entendu dire ni vu écrire nulle part que je pense que la fusion des zones de police à Bruxelles est "la" solution, comme l'a dit votre collègue Paul Van Tigchelt. S'il y avait une solution, moi, je ne l'ai pas. Si quelqu'un dans cette salle l'a, de grâce, donnez-là moi. Je vous jure que je la mettrai en œuvre. Mais "la" solution n'existe pas. Il n'y a pas de solution miracle. Il n'y a même à mon sens, et j'ose le dire ici, pas de solution définitive. Il faudra évoluer.

C'est quelque chose que je voudrais aussi partager avec vous aujourd'hui. Vous remarquerez que je suis peut-être un peu candide et j'espère que vous ne m'en tiendrez pas rigueur, et surtout que vous ne l'utiliserez pas contre moi. On a fait une réforme des polices il y a 25 ans parce que nous vivions une situation, il y a entre 30 et 25 ans, qui nécessitait une réforme des polices parce que le monde avait changé. Il se fait que dans les cycles historiques, le monde change de plus en plus vite. Ici, en 25 ans, le monde a aussi fort changé. Je parle à cet égard de mon expérience précédente où le SPF Affaires étrangères a été redessiné il y a 25 ou 30 ans sur la base de La Fin de l'histoir e de Fukuyama et sur l'idée que nous étions désormais dans un monde unipolaire, etc. La structure de ce ministère ou de ce SPF ne correspond plus à la réalité d'aujourd'hui et il faut changer. Je pense qu'il faut avoir le courage de dire que c'est la même chose aussi pour les services de sécurité.

Dat wil niet zeggen dat we alles moeten heruitvinden, want dat heeft geen zin, maar we moeten de moed hebben om te hervormen waar het nodig is.

Pour terminer sur la question de la fusion des zones, je constate qu'un certain nombre de concertations ont été mises en place ces derniers jours; elles sont d'ailleurs prévues dans le système actuel. Les bourgmestres se sont réunis. Le système gold-silver a été mis en place. Le ministre-président a réuni le Conseil Régional de Sécurité (CORES), auquel la gouverneure de Bruxelles-Capitale m'a invité. Je m'y suis rendu, même si je n'ai pas de décision à prendre dans ce forum-là. Pour connaître les décisions qui y ont été prises, il faudra poser la question aux personnes qui en sont responsables. J’ai dû partir avant la fin de la réunion, mais j’ai vu comme vous que les hotspots ont été prolongés de six mois.

L’important est que cette coordination a lieu. Nous ne partons pas de rien. Je constate que nous avons le même objectif, qui est de renforcer la sécurité à Bruxelles. Si vous me permettez ce petit clin d'œil: pour ce qui est du financement des zones de police, je n'ai même pas besoin d'un quelconque accord secret sur n'importe quel papier. C'est écrit. Nous allons réviser la norme KUL.

Je reviens ici sur ma candeur. Laissez-moi d'abord le temps de comprendre exactement comment fonctionnait la norme KUL. C'est toujours bien de savoir comment fonctionne ce que l'on veut réviser pour être certain qu'on le fait le mieux possible.

À propos des armes, il s’agit d’un élément absolument fondamental. Je parlais de connexion. Il y a une connexion évidente entre le trafic d'armes et le trafic de drogue. Les routes suivies sont d'ailleurs souvent identiques. Vous pouvez y ajouter le trafic d'êtres humains et le trafic de cigarettes, dont nous n’avons pas parlé mais qui fait partie de cet ensemble. Il est clair que le trafic de drogue est largement plus rentable que le trafic d'armes, mais ces trafics sont liés parce que les trafiquants ont besoin de ces armes comme moyen de protection.

Avant de revenir sur le type d'armes, je voudrais préciser ici que, s'agissant du trafic d'armes, je compte porter une attention très particulière aux polices judiciaires fédérales, comme la DR1, qui en est en charge.

Il faut aussi réfléchir à l'équipement que l'on donne à nos policiers, qui doivent faire face à des kalachnikovs et à des armes de guerre. Je ne suis pas encore suffisamment certain de pouvoir me prononcer sur la question. Concernant la différence entre les armes semi-automatiques et les armes automatiques, il faut que je veille à ce que le cadre légal dans lequel on travaille soit respecté.

Lors de mon deuxième jour de fonction, je suis allé visiter le quartier général de la zone de police de Bruxelles-Capitale-Ixelles (PolBru), à l'Amigo. J'ai pu constater qu'il serait peut-être nécessaire de rénover les bâtiments, car il est plus sympathique de travailler dans un environnement agréable. J'y ai rencontré des policières et des policiers extrêmement motivés, et aussi la brigade anti-agression (BAA). J'y ai reconnu un certain matériel, que j'avais vu par ailleurs, dans d'autres fonctions que j'ai pu occuper dans d'autres lieux. Donc, c'est faisable.

Je ne vais pas revenir sur la fusion, mais je comprends aussi que ce n'est pas le cas de toutes les zones de police de Bruxelles. Or nous serons tous d'accord pour dire que, à Bruxelles, il y a une concentration des faits dans certains lieux, mais que ce n'est pas parce qu'il y a des hotspots que les lieux ou les communes bruxelloises où il n'y a pas de hotspot sont totalement déconnectés de ce qu'il se passe dans ces hotspots .

Zoals het ook al door enkelen werd aangehaald, mogen we niet denken dat het alleen om Brussel gaat, of om Brussel en Antwerpen, en zelfs niet om Brussel, Antwerpen en Luik Bierset. Het gaat over allerlei plaatsen. Er zijn mensen die veel geld verdienen en die gaan niet – je ne vais pas citer de commune belge, sinon je vais me faire enguirlander – in arrondissement 93 wonen, om een ander land als voorbeeld te nemen. Ze gaan eerder wonen in Uzès – ik blijf in Frankrijk, want dat is voor mij veiliger. We moeten dus niet denken dat we alleen maar kunnen en mogen werken op die hotspot. Ik ga terug naar de ketenaanpak, naar de globale en holistische aanpak die we nodig hebben.

C'est d'ailleurs le sens – et je terminerai par-là ma réponse dont je vous prie d'excuser la longueur, monsieur le président – de l'approche Iceberg, qui m'a été présentée tout comme à vous par la commissaire nationale aux drogues, partie émergée/partie immergée/environnement. Tout est là, il n'y a pas besoin d'aller plus loin dans les explications de ce qu'il faut faire et comment il faut le faire. Maintenant, il faut le faire, cela nécessite des moyens. Il est indispensable que tout le monde s'y attèle de concert. C'est donc un appel à la collaboration que je réitère.

Si la prévention est absolument fondamentale, elle ne ressort pas de l' É tat fédéral. C'est ainsi, c'est la structure de notre É tat. La politique de logement, la politique psychosociale, la lutte contre la pauvreté: nous devons travailler main dans la main. Avec mes services, je me trouve dans la partie émergée de l'iceberg. Mon travail ressort du maintien de l'ordre ( law and order) . Beaucoup de travail doit être fait dans la partie immergée.

Nous avons la chance d'avoir aujourd'hui une forme d'alignement des planètes en ce que nous voulons tous lutter contre le narcotrafic et tout ce qui y est lié.

Het werd tijd dat Brussel een nieuwe, voltijdse en gevolmachtigde procureur des Konings kreeg. Dat is nu gebeurd. U hebt hem gehoord. Hij is heel assertief, kunnen we wel stellen. Dat is volgens mij heel belangrijk.

Ik heb ook het geluk om met collega Annelies Verlinden te werken als minister van Justitie.

Je ne dois pas passer beaucoup de temps à lui expliquer les défis du ministre de l'Intérieur. C'est un très grand avantage pour moi. Je le dis en souriant, mais c'est quand même une réalité.

Par ailleurs, la commissaire nationale aux drogues a présenté le Clean & Safe Plan . Tout y figure. Vous pouvez compter sur moi pour continuer à travailler. Je vous donne rendez-vous pour la note de politique générale, mais c'est plutôt vous qui allez m'inviter. Je viendrai donc volontiers. Je ne suis pas encore très habitué à tous ces exercices, mais il faut que je respecte l'ordre; sinon, comment pourrais-je le faire respecter dans mes fonctions de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur?

Ik zal terugkomen met meer cijfers, een duidelijkere kalender en nauwkeurigere antwoorden. Dat is belangrijk.

Je viendrai avec la même volonté de pouvoir faire la différence sur les années qui viennent, avec toute l'équipe gouvernementale. Je me sens très à l'aise de le faire et je me réfère ici à ce qui a été dit par le chef de l'État, dans son discours de vœux aux Corps constitués: "La sécurité est le fondement premier de la liberté." J'ai donc là un mandat très clair et j'ai bien l'intention de le mettre en œuvre.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is uiteraard de taak van het Parlement om u over de kwestie verder te bevragen in de toekomst en ik ben blij dat u nu al aankondigt daarop te willen ingaan.

Het woord is opnieuw aan de fracties voor een repliek, bijkomende vragen of opmerkingen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, eerst en vooral wil ik u bedanken om zo snel uw agenda vrij te maken, zodat u vandaag in de Kamer toelichting kunt komen geven. Ik ben nog niet lang lid van de Kamer, maar ik weet wel dat we bij voorgaande incidenten soms een tijdje moesten wachten. Ik vind het goed om als parlementsleden voldoende geïnformeerd te zijn, ook al geeft u vandaag nog niet op alle vragen een antwoord. Daar kan ik met onze fractie begrip voor opbrengen, als het gaat over vragen naar cijfers en gedetailleerde planning. Op die vragen zullen we terugkomen in de volgende weken en we zullen erop toezien dat u de timing die u vooropstelt ook haalt.

Ik wil niet meegaan in het spelletje van links versus rechts, waarbij links staat voor preventie en rechts voor louter repressie. Ik denk dat repressie en preventie naast elkaar staan. Daarin spelen de deelstaten een heel belangrijke rol. In overleg met de deelstaten moet worden bekeken hoe via psychosociale weg preventie mogelijk is. Daarbij denk ik ook aan de problematiek van druggebruik door heel jonge kinderen, minderjarigen, in heel wat steden en gemeenten. Er worden bijvoorbeeld drugs gedeald aan de schoolpoorten. Het stijgende druggebruik moet ons als maatschappij enorm verontrusten. Ook daartegen is sterke preventie nodig.

Op het terrein dienen stappen te worden gezet die resulteren in meer blauw op straat. De wijze waarop dat gebeurt, maakt mij allemaal niet uit. Wat wij willen verkrijgen, is dat de bevolking zich veiliger voelt op straat. We moeten de politieagenten dus uit hun kantoren halen. Dat kan op verschillende manieren gebeuren. Een van de mogelijkheden voor meer blauw op straat, is dat militairen de taken van de DAB overnemen.

We kunnen echter ook kijken naar andere manieren om aan efficiëntie te winnen, zoals structurele hervormingen, waardoor er politiecapaciteit vrijkomt. We kunnen ook bekijken op welke manier we hun werk administratief kunnen verlichten. Daardoor kunnen ze andere taken verrichten en de straat opgaan.

Ik had net tegen collega Matti Vandemaele gezegd dat het helemaal geen probleem was om het Kanaalplan een nieuwe naam te geven. In Roeselare is er ook een kanaal, dus het kan perfect. Ik denk dat het Kanaalplan inderdaad verwaterd is. We kunnen dan stellen dat dit ingebed is in de normale taken van de politie. Ik hoor echter toch een aantal andere signalen, met name dat er niet meer zo hard op dat plan gewerkt wordt en dat de diensten die erbij zouden moeten worden betrokken, dat niet meer zozeer zijn. Dan verwijs ik bijvoorbeeld naar de Dienst Vreemdelingenzaken.

Daar is dus een nieuw en goed plan nodig, waarbij de waterbedeffecten zeer goed in het oog worden gehouden. Ik hoor u graag zeggen dat het geen zaak is van Brussel of Antwerpen alleen. Anderzijds zijn er beperkte middelen, die we dan ook effectief moeten inzetten. Er zal dus eerst en vooral gefocust moeten worden op bepaalde problematische plekken, hotspots of probleemwijken. We moeten in het oog houden of een en ander niet verschuift naar andere plaatsen. Ik ben er een voorstander van en het staat ook zo beschreven in het regeerakkoord.

De inspanningen zullen dus moeten worden aangehouden. U zult er jammer genoeg niet van verlost zijn over een jaar. Dit zal een probleem zijn voor de komende tientallen jaren. Dat wil niet zeggen dat we bij de pakken moeten blijven zitten of dat we ons hiervoor niet voor de volle honderd procent moeten inzetten, vanuit het Parlement, en u als minister, om hier een antwoord op te bieden.

Ik hoor u graag zeggen dat de fusie van de politiezones vermeld staat voor Brussel. Als we naar het hele grondgebied kijken, dan zijn er echter een aantal zones die ook met een tekort aan mankracht kampen waarvoor een schaalvergroting wel een oplossing zou zijn. Het mag geen taboe zijn om daarover te spreken, ook al is het geen verplichting uit het regeerakkoord. Daarom moeten we in overleg gaan met de verschillende zones en kunt u als minister bekijken op welke manier u dit kunt faciliteren.

Voorzitter:

Mijnheer Bergers, ik heb u gezien, maar ik zou eerst alle fracties aan bod willen laten komen om u vervolgens het woord te geven. Dat lijkt me billijker en rechtvaardiger.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor de vele antwoorden die u vandaag al hebt gegeven. Ik hoop dat we inderdaad aan de hand van cijfers meer duidelijkheid zullen krijgen over uw toekomstige aanpak. Ik ben ervan overtuigd dat we ruim de tijd zullen vrijmaken om daarover van gedachten te wisselen. Als parlementsleden nemen we de taak op ons om u daaraan te houden, maar ook om u naar de resultaten daarvan te vragen.

Mijnheer de minister, ik hoor een aantal zaken van onder andere mevrouw De Vreese, maar ook van andere partijen, namelijk dat die strijd een ketenaanpak moet zijn met zowel preventie als repressie. Ik ben het er uiteraard mee eens, alleen heeft men in het verleden te veel de nadruk gelegd op die preventie en te weinig op die repressie. Door de onveiligheid, maar meer nog door het onveiligheidsgevoel dat bij de burgers leeft, lijkt het alsof er straffeloosheid ontstaat omdat justitie niet volgt. Leg uw oor te luisteren bij de politieagenten, want ik hoor momenteel dat ze dweilen met de kraan open. Aangehouden drugsdealers, hoe klein ook, lopen de volgende dag vrij rond op straat. Dat is niet de manier waarop een deftige rechtsstaat zou moeten functioneren, wat veiligheid betreft.

Ik heb een zeer belangrijke passage gelezen in het regeerakkoord in verband met het kerntakendebat van de politie. Ik ben het daar volledig mee eens. Naar mijn mening moeten we een aantal niveaus herbekijken. Ik hoop dat we elkaar daarin kunnen vinden.

Op lokaal niveau is er de lokale politie. We moeten teruggaan naar de essentie van de lokale politie: de nabijheidspolitie. De wijkagent die patrouilleert in de straten en die de inwoners van zijn of haar wijk kent. Daarnaast is er de federale politie, waarin we veel meer moeten investeren, omdat ze meer gespecialiseerd te werk moet gaan. Het gaat niet alleen om de strijd tegen georganiseerde criminaliteit, maar bijvoorbeeld ook de strijd tegen de cybercriminaliteit, wat een zeer gespecialiseerde aanpak vergt van onder andere IT-specialisten.

Ik hoor velen spreken over de DAB, maar de dienst DAB klaagt nu al vijf jaar – als het al niet langer is – over tekorten aan manschappen en middelen. Hoe kan men in godsnaam op korte termijn die dienst inzetten om dergelijke fenomenen tegen te gaan?

U zegt heel terecht dat dit geen fait divers is. Dat is het ook niet, het zijn criminelen die rondlopen met oorlogswapens. Onze lokale politie is daar letterlijk en figuurlijk niet tegen gewapend. De DAB is een mogelijkheid om daartegen op te treden, maar dan moet er meer worden geïnvesteerd in personeel en materieel. Het is daarom dat ik een pleidooi hield om militairen te kunnen inschakelen als daar nood toe is, niet omdat het mooi staat op papier. Ik meen dat die nood er vandaag is. Als er doden en gewonden vallen bij schietpartijen op klaarlichte dag, dan kan men niet doen alsof er niets is gebeurd. Dan moeten er extra maatregelen worden genomen. Ik zal blijven herhalen wat de partijvoorzitter van de N-VA daarover in het verleden zei.

Mijnheer de minister, ik heb een interpellatie ingediend en ik koppel daar ook een motie van aanbeveling aan. Ik vraag daarin aan de regering om een aantal maatregelen te nemen op korte termijn. Ik heb ze reeds opgesomd. We moeten zwaarbewapende agenten kunnen inzetten in de wijken waar dat nodig is, we moeten militairen kunnen inzetten in crisissituaties, we moeten meer patrouilles voorzien in die wijken, we moeten onmiddellijk werk maken van de eenmaking van de zes Brusselse politiezones. We moeten een actieplan uitwerken. Dat verwacht ik ook van deze regering, dat moet de cesuur met het verleden zijn. Er moet een echte nultolerantie zijn, waarbij de criminelen daadwerkelijk worden aangepakt, opgesloten en vervolgd.

Op lange termijn – en daarover zullen we het in de toekomst nog hebben – moeten er een aantal structurele maatregelen worden genomen. Er moet een uitbreiding van de DAB zijn, er moet een federale reserve zijn die onmiddellijk en altijd inzetbaar is, er moet een gepaste opleiding worden voorzien voor de lokale politie in de strijd tegen georganiseerde misdaad. De financiering moet worden verhoogd. Ik heb verwezen naar de ontoereikende 75 miljoen van dit jaar, maar zoals collega Aouasti ook al zei, zullen die middelen zelfs in het geheel van de vier jaar ontoereikend zijn als we dit probleem grondig willen aanpakken.

Ten slotte – ik ben ongeveer de enige die het hier benoemt en het ook vraagt –, kijk naar de nationaliteiten van de criminelen. Als daar criminelen met een dubbele nationaliteit bij zijn, neem dan de Belgische nationaliteit af en stuur ze terug naar het land van herkomst.

Dat is in een notendop wat in mijn motie staat. Ik overhandig die nu aan het commissiesecretariaat.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere

en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris,

- overwegende dat criminele bendes met toenemende regelmaat schietpartijen uitvoeren in onze steden, waarbij zware wapens gebruikt worden;

- overwegende dat de politie- en veiligheidsdiensten onderbemand en ondergefinancierd zijn in de strijd tegen de georganiseerde misdaad;

- overwegende dat agenten geen voldoende opleiding krijgen om tegen zwaarbewapende drugscriminelen te strijden;

- overwegende dat er een onmiskenbare link bestaat tussen de georganiseerde criminaliteit en de etnische afkomst van de daders;

vraagt de regering

- op korte termijn:

- zwaarbewapende agenten in te zetten in de wijken die het slachtoffer zijn van georganiseerde criminaliteit;

- de inzet van militairen in deze wijken mogelijk te maken;

- meer patrouilles te voorzien in deze wijken;

- onmiddellijk werk te maken van de eenmaking van de zes Brusselse politiezones,

- een actieplan uit te werken om echte nultolerantie toe te passen, waarbij betrokken misdadigers onmiddellijk opgesloten worden en gepaste effectieve straffen krijgen.

- op lange termijn en structureel:

- een grote reserve van middelen en specifiek hiervoor opgeleide manschappen op te bouwen binnen de federale politie, die gewapend is om de strijd tegen georganiseerde (drugs)misdaad op het terrein aan te gaan;

- in bijkomende gepaste opleiding te voorzien voor de lokale politie in de strijd tegen georganiseerde misdaad;

- de financiering van de veiligheidsdiensten te verhogen teneinde in de noden te voorzien;

- de inzet van militairen mogelijk te maken met gerichte missies in probleemwijken en -gebieden, waarbij hun bevoegdheden, gevechts- en inzetregels duidelijk gedefinieerd en wettelijk verankerd zijn;

- de Belgische nationaliteit af te nemen van personen met de dubbele nationaliteit die ernstige criminele feiten plegen. "

Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit:

" La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere

et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris,

- considérant que des bandes criminelles sont de plus en plus régulièrement à l'origine de fusillades à l'arme lourde dans nos villes;

- considérant que les services de police et de sécurité sont en sous-effectifs et ne sont pas suffisamment financés pour lutter contre le crime organisé;

- considérant que les agents ne sont pas suffisamment formés pour lutter contre les criminels lourdement armés actifs dans les milieux de la drogue;

- considérant le lien indéniable pouvant être établi entre la criminalité organisée et l'origine ethnique des auteurs;

demande au gouvernement:

- à court terme

- de déployer des agents lourdement armés dans les quartiers où sévit le crime organisé,

- de permettre le déploiement de militaires dans ces quartiers,

- de prévoir davantage de patrouilles dans ces quartiers,

- de concrétiser sans délai la fusion des six zones de police bruxelloises,

- d'élaborer un plan d'action visant à appliquer une véritable tolérance zéro, dans le cadre de laquelle les criminels concernés feront l'objet de mesures d'enfermement immédiates et de peines effectives adéquates;

- à long terme et structurellement

- de constituer, au sein de la police fédérale, une réserve importante de moyens et d'agents spécifiquement formés à ces missions et armés pour lutter contre la (narco)criminalité organisée sur le terrain,

- de prévoir, pour la police locale, une formation supplémentaire adéquate en matière de lutte contre le crime organisé,

- d'accroître le financement des services de sécurité en vue de couvrir les besoins,

- de permettre le déploiement de militaires qui seraient chargés de missions dans les quartiers et zones à problème, leurs pouvoirs et les règles de combat et de déploiement étant clairement définis et prévus dans la loi,

- de retirer la nationalité belge aux personnes détenant la double nationalité qui commettent des faits criminels graves.

Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Catherine Delcourt.

Une motion pure et simple a été déposée par Mme Catherine Delcourt.

Over de moties zal later worden gestemd.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, vous n'avez pas eu d'autre choix que de prendre conscience de plein fouet de la situation dramatique du trafic de drogue et de ses conséquences à Bruxelles et ailleurs sur notre territoire. Là où vous aviez le choix, c'est dans les actions que vous alliez mener. Immédiatement, vous avez pris des mesures qui semblent déjà porter leurs fruits. J'apprécie que vous ayez réagi à court terme, tout en vous inscrivant dans une politique à moyen et long terme qui sera nécessaire.

Cinquante mesures sont prévues dans l'accord de gouvernement de l'Arizona. Certains collègues les prennent isolément et s'appliquent à démontrer que, seules, elles ne vont pas fonctionner. Pour que tout le monde comprenne bien, vous êtes le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, pas le ministre de la Sécurité et des miracles. C'est un ensemble de mesures qui vont permettre d'agir et de contrer progressivement ce phénomène.

Nous sentons une réelle volonté de ce gouvernement d'avancer sur ces questions. Et nous pouvons souligner, dans votre approche, le fait que vous ayez bien perçu cette notion de police intégrée, la nécessité de combiner l'action d'une police locale forte, qui fait de la proximité et qui rencontre les fonctionnalités de base de la police, avec une police spécialisée qui permet de lutter à d'autres niveaux contre ce genre de phénomène.

Votre objectif, nous l'avons bien compris, est de dégager de la capacité à la fois au niveau budgétaire mais aussi au niveau structurel, notamment via les fusions des zones de police. J'ai aussi apprécié vous entendre sur le fait que ces fusions pourraient, devraient s'appliquer à d'autres endroits du territoire, et pas uniquement à Bruxelles.

Vous avez aussi évoqué le fait de ne pas travailler seul. Vous avez compris que ce phénomène ne peut pas être attaqué par un seul angle. Cette collaboration interdépartementale sera essentielle pour la sécurité. Celle-ci est votre affaire, c'est sûr, mais aussi l'affaire de tous. Chaque acteur doit prendre sa part. Je ne doute pas, grâce à votre exposé et aux réponses que vous nous avez données, que votre approche sera diplomatique, mais surtout ferme. Je vous remercie.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, monsieur le ministre. Je dois aussi apprécier que vous ayez évoqué la situation avec lucidité. Pas avec émotion, pas en jouant au shérif comme certains l'attendent peut-être, mais avec lucidité et humilité, et je pense que c'est important dans ce cadre. Je pense qu'il y aura beaucoup d'embûches sur votre chemin. Je le disais, il n'y a pas si longtemps – en 2023, de mémoire –, au port d'Anvers, on a intercepté 122 tonnes de cocaïne. En valeur marchande, cela représente plus de six milliards d'euros. C'est plus que les budgets réunis de la Justice et de la police en Belgique. Et cela n'a pas changé le prix du gramme en rue d'un seul centime. Ceci démontre que, malheureusement, le flux de drogue engendre des moyens financiers colossaux pour ces organisations. Celles-ci disposent de moyens financiers bien supérieurs parfois à ceux d'un État organisé comme le nôtre.

C'est là où il faut faire attention. Je pense effectivement et sincèrement que la Justice et la police ont besoin de moyens. Je suis convaincu, je suis désolé de le dire, que contrairement à ce qui est écrit dans l'accord de gouvernement, les tableaux budgétaires ne permettront pas de réaliser les renforts suffisants pour les services nécessaires à la lutte contre ce narcotrafic. Je suis aussi convaincu que ce n'est pas une bataille que nous allons mener seuls, la zone de police bruxelloise dans son coin, la police judiciaire fédérale dans l'autre, la Belgique d'un côté et les États européens de l'autre. Il sera nécessaire de conjuguer les forces également au niveau européen.

Je songe notamment à la sécurité sur internet, où il faut définir les flux financiers avec le secteur bancaire, ou aux communications, qui sont de plus en plus cryptées et difficiles à obtenir. Nous y arriverons par le renforcement des unités comme la Computer Crime Unit dans les différents États européens et par la collaboration avec les États européens, mais aussi avec d'autre États – il y a eu notamment des émissaires en Colombie et des accords avec le Maroc – pour pouvoir avoir une stratégie concertée au niveau international. Tout cela sera nécessaire. Mais aujourd'hui, je reste persuadé que les moyens qui ont été évoqués lors de la déclaration de politique générale de la semaine dernière seront insuffisants.

Dès lors que j'ai apprécié l'humilité et la lucidité dont vous avez fait preuve, j'ai envie de vous souhaiter bonne chance. Bonne chance parce que vous êtes bruxellois, bonne chance parce que vous êtes francophone et parce qu'au premier problème, tout le monde va vous tomber dessus! La solidarité intergouvernementale interne à l'Arizona risque de rapidement voler en éclats si les propos ne correspondent pas aux résultats – pour lesquels je pense qu'on ne vous donne pas les moyens de les obtenir.

J'ose espérer que nous réussirons toutes et tous, parce que la nécessité de sécurité est une préoccupation conjointe, majorité comme opposition. J'ose aussi espérer que nos services de police, soutenus politiquement, pourront réussir. J'ose espérer qu'il y aura des renforts à la police judiciaire fédérale de Bruxelles aussi, puisque je pense qu'il est nécessaire de la renforcer et de compléter les cadres au parquet, il faut pouvoir le répéter ici. Attendons de voir ce qu'il en sera.

Je verrai déjà les tableaux budgétaires au moment de la présentation de votre note de politique générale et on y verra déjà plus clair sur la ventilation et l'attribution des 25 premiers millions supplémentaires pour 2025.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, iedereen verdient om het zich veilig te kunnen voelen en veilig te zijn, ook de inwoners van Antwerpen. De veiligheid is niet langer gegarandeerd en daarom zijn er structurele maatregelen nodig.

U pleit voor een globale aanpak. U zegt dat preventie en repressie niet tegengesteld zijn aan elkaar. Ik ben het daarmee eens. Preventie is belangrijk, maar repressie ook. U zegt er echter bij dat repressie uw deel van de keten is. Bedoelt u dan dat alleen repressie deel is van uw keten? Daarover ben ik het dan niet met u eens. U bent als minister van Binnenlandse Zaken uiteraard ook verantwoordelijk voor preventie. U kunt werken aan meer nabijheidspolitie. Er staat ook in het regeerakkoord dat nabijheidspolitie een cruciale rol speelt in het waarborgen van de veiligheid en het welzijn van de samenleving. Daarmee ben ik het voor 100 % eens.

We horen nu van sommige rechercheurs in Brussel dat ze blindvaren en dat er geen informatie vanuit de straten naar hen doorstroomt, precies omdat de kloof tussen de politie en de wijken op dit moment erg groot is. U kunt ervoor zorgen dat de politie en de sociale hulporganisaties beter kunnen samenwerken. U kunt ook inzetten op overleg tussen de ordediensten en de wijkcomités. Ik roep u dan ook op om daar zo snel mogelijk werk van te maken.

Wat de geplande fusie van de Brusselse politiezones betreft, u hebt niet gereageerd op het feit dat politieagenten, korpschefs en ook jullie eigen burgemeesters niet geloven in een fusie als oplossing. Daar kunt u toch niet blind voor blijven?

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces nombreuses réponses à ces nombreuses questions.

Je pense que tout le monde partage le fait que vous êtes face à un énorme chantier. L'avantage est que l'accord de gouvernement comporte énormément de solutions, de pistes, de mesures à mettre en œuvre. La difficulté résidera dans le fait de les mener de front, puisqu'il faudra avancer en parallèle sur toutes ces actions pour apporter une réponse complète à la problématique.

Concernant le fonds spécial drogue, vous avez donné mandat à la commissaire nationale aux drogues de travailler sur des projets de textes, que nous aurons l'occasion d'examiner. Cependant, aucun montant n'a été évoqué pour mener à bien ces actions. A-t-on une idée du montant que pourrait générer ce fonds? Je réalise en le disant que cette estimation est très compliquée à réaliser, mais pour éviter de trop belles attentes, il serait nécessaire de savoir concrètement de quels moyens on pourrait disposer avec cette mesure importante.

En ce qui concerne la norme KUL, j'ai entendu certains se réjouir en disant que cela pourrait profiter à un refinancement des zones de police en zone urbaine. De grâce, n'oubliez pas les zones rurales! Avant d'avancer dans ce dossier, vous allez prendre connaissance du fonctionnement actuel de la norme KUL. Mais surtout organisez des concertations avec les acteurs locaux, avec les bourgmestres et les responsables dans les zones! Et je le répète, n'oubliez pas les zones rurales! En effet, on oublie régulièrement que ces zones sont des zones de repli pour quantité d'acteurs, que ce soit des mafias liées au narcotrafic, mais aussi en matière de terrorisme. Cet aspect me semble vraiment important.

Il y a deux questions sur lesquelles je n'ai pas eu de réponse. La première concerne la coordination de toutes ces actions. De nombreuses mesures ont été prises en urgence par les différents niveaux de pouvoir. Comment allez-vous organiser cette coordination de manière structurelle pour assurer l'efficacité de l'ensemble des mesures avec les moyens mis à disposition?

La deuxième concerne la prévention. Vous avez répondu que ce n'était pas nécessairement la compétence du fédéral. Mais il y a quand même une compétence importante, ce sont les plans stratégiques en matière de prévention, qu'il va falloir renouveler. Quelle est votre approche par rapport à cela? Y aura-t-il une évolution? Des accents nouveaux seront-ils mis dans les moyens destinés aux communes pour mettre en œuvre toute une série d'actions de prévention? Il importe d'agir aussi rapidement sur ce point.

Merci et bonne chance pour la mise en œuvre de tout ce travail très important!

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik zal de prioriteiten van Vooruit niet herhalen. U vliegt er stevig in en zet heel wat zaken in de steigers. Ik kijk uit naar de uitwerking ervan in de komende maanden en jaren.

Tot slot wil ik nog iets zeggen over de toekomst van het politielandschap. We spraken daarnet nog over de KUL-norm. Ik zal me niet beperken tot mijn controlerende rol als parlementslid, maar ik zal in alle bescheidenheid ook mijn inzichten en adviezen als burgemeester van een kleine grensgemeente met stedelijke uitdagingen de komende maanden en jaren meegeven en influisteren.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, als nieuw parlementslid ben ik gretig om er snel in te vliegen. Ik voel bij u dezelfde goesting om de problemen in de diepte aan te pakken. Dat is al wat geruststellend. Ik deel uw analyse dat repressie zonder preventie zinloos is. Het klopt dat het luik over preventie zich voornamelijk op het niveau van de deelstaten bevindt, maar ik denk wel dat de politie op straat in de wijken een belangrijke rol heeft op het vlak van preventie. Dat staat ook zo in het regeerakkoord. Ik ben dus benieuwd naar de uitwerking daarvan in uw beleidsnota.

Alle partijen zijn het eens over de ketenaanpak, maar wie coördineert die? Wie volgt het op? Wie zorgt ervoor dat we komen tot een ketenaanpak van preventie tot en met repressie? We moeten vermijden dat we allemaal naar elkaar kijken en dat iedereen denkt: ik doe mijn stukje. Iemand of iets moet toch het overzicht bewaren. Dat is misschien iets om over na te denken in het kader van uw beleidsnota.

Het klopt dat veel producten uit het buitenland komen. Toen minister Van Peteghem nog verantwoordelijk was voor Financiën, had ik hem een schriftelijke vraag gesteld over het functioneren van de scanners bij de douane in Antwerpen. Ik kreeg immers signalen dat het daar niet zo vlot verliep.

Zijn antwoord was heel verdoezelend, terwijl de mensen op het terrein aangeven dat er echt problemen zijn en dat veel van die scanners, bijvoorbeeld, voor heel lange tijd uitvallen en niet inzetbaar zijn. Een paar weken geleden heb ik zelf het probleem van de luchthaven van Wevelgem, waar nauwelijks controles zijn, aangehaald. Zolang wij openingen toelaten in de Schengenzone, waarvan wij weten dat ze er zijn, blijft het dweilen met de kraan open. Goede afspraken met de minister verantwoordelijk voor de douane zijn daarom erg belangrijk. Ik houd dan ook mijn hart vast als ik zie wat het extra budget is dat beschikbaar is om in te zetten over alle veiligheidsdepartementen heen.

U bent een week bezig, dus ik kan niet verwachten dat u voor alles al een uitgewerkt antwoord hebt, maar misschien kunt u zich engageren om tegen de voorstelling van uw beleidsnota voor de drie aangehaalde dossiers, namelijk de statische beveiliging, de fusie van de politiezones en de inbeslagnames, minstens een concreet tijdspad naar voren te schuiven, zodat we weten op welke termijn u die wilt aanpakken.

Op een element hebt u niet geantwoord. Gezien de alomvattendheid van het probleem zou de Nationale Veiligheidsraad misschien wel een rol kunnen spelen.

Voor de rest dank ik u voor uw antwoorden.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Merci aussi d'avoir partagé avec nous, avec honnêteté, votre candeur un peu rafraîchissante. Mais je ne doute pas que vous ne ferez pas preuve de candeur face aux criminels.

Merci aussi d'avoir souligné que la prévention est aussi importante que la répression dans la résolution de ce problème.

Beaucoup d'éléments ont été apportés. Je sais que nous aurons l'occasion d'y revenir. En guise de réplique, j'avais envie de partager avec vous les discussions que j'ai eues sur place avec des habitants, avec des éducateurs, éducatrices, des employés.

À la question de savoir ce dont ils et elles avaient besoin, Hayat, une éducatrice spécialisée d'Anderlecht, m'a répondu ceci: "Nous avons besoin d'être rassurés. Les familles veulent que leurs enfants s'endorment sans entendre de coups de feu. Les gens veulent aller et rentrer de leur travail, de leur formation, de l'école, sans changer d'itinéraire, sans avoir la peur au ventre. Il y a beaucoup d'écoles, rien qu'autour de ce métro, et tout le monde a peur."

Je sais que vous avez sans doute entendu aussi ces messages et ces témoignages, mais je voulais le partager ici, parce que cela me semblait important. Je vous souhaite bon courage et bonne chance dans la mise en œuvre de tout ce plan.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik vond de meeste delen van uw antwoord zeer bevredigend en zeer hoopvol. Eén element baart mij wel een beetje zorgen. U zei over het Kanaalplan dat veel elementen in dat plan geïntegreerd zijn in de lokale werking van de politiezones.

Ik kan het best spreken over de politiezone die ik ken, de politiezone Vilvoorde-Machelen. Daar is dat in elk geval echt niet zo. Die politiezone heeft nu bijna 20 % minder voltijdsequivalenten dan toen het Kanaalplan op volle kracht was. Het hoeft natuurlijk niet te verbazen dat men een heleboel taken niet kan uitvoeren als men het personeelsbestand met 20 % ziet afnemen.

De nood aan een grondige versterking van het Kanaalplan is aangetoond, onder andere door de huidige situatie in Brussel, met de verschillende schietincidenten. In Vilvoorde was er eind december ook een incident, waarbij een 18-jarige in een park verschillende messteken kreeg naar aanleiding van drugscriminaliteit. Die versterking is noodzakelijk. Het plan mag uiteraard gerust een andere naam krijgen. Ik kan echter alleen vaststellen dat de lokale politie die werking niet heeft kunnen integreren, puur door een tekort aan mankracht.

Met betrekking tot bijvoorbeeld drugs heeft de politiezone VIMA momenteel twee mensen die drugscriminaliteit kunnen aanpakken. Dat is natuurlijk veel te weinig. Vandaag, as we speak, is er trouwens een gecoördineerde opkuisactie bij het station van Vilvoorde bezig, een samenwerking tussen de lokale politie VIMA en de federale politie. Dergelijke initiatieven zullen veel meer nodig zijn. Wij moeten ons er echt bewust van zijn dat die lokale politiezone versterking nodig heeft. Dat geldt ook voor de Brusselse politiezones.

Wat heel positief is, is dat u een minister wilt zijn met boots on the ground en dat u de handen uit de mouwen wilt steken. Ik snap dat deze eerste weken voor u heel druk zijn. Als u echter tijdens uw eerste maanden een studiebezoek wilt brengen aan Vilvoorde, dan wil ik dat met veel plezier voor u organiseren.

Voorzitter:

Mijnheer Bergers, u hebt handig gebruikgemaakt van de situatie om de minister uit te nodigen. Dat is uw goed recht. Ik wil iedereen bedanken voor de inbreng en de vragen. Ik wil ook de minister uitdrukkelijk bedanken voor de antwoorden die hij vandaag al heeft kunnen geven en die waarschijnlijk vervolgd zullen worden tijdens volgende vergaderingen. De bespreking is gesloten. La discussion est close. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.24 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 24.

De situatie in de DRC
De situatie in de DRC
De situatie in Oost-Congo
De situatie in de DRC
De situatie in Congo
De oorlog in de Democratische Republiek Congo
De situatie in de Democratische Republiek Congo
De geopolitieke focus van Europa in Afrika
Conflicten en geopolitiek in Centraal-Afrika

Gesteld aan

Bernard Quintin, Alexander De Croo (Eerste minister)

op 30 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische politiek wordt scherp bekritiseerd voor haar passiviteit in het conflict in Oost-Congo, waar Rwanda (via M23-rebellen) systematisch etnische zuiveringen, verkrachtingen als oorlogswapen en plundering van Congolese mineralen pleegt, met 7 miljoen ontheemden en decennia van straffeloosheid als gevolg. Terwijl België en de EU snelle sancties en wapembargo’s eisen tegen Rusland in Oekraïne, blokkeert economisch en strategisch belang (kobalt, coltan) concrete actie tegen Rwanda, ondanks bewijzen van Rwandese agressie en schendingen van internationaal recht—wat door parlementsleden wordt afgedaan als "twee maten en twee gewichten". De regering belooft diplomatieke druk (o.a. via VN, EU-sancties, herziening van minerale akkoorden en militaire steun aan Rwanda) en humanitaire hulp, maar critici—onder meer Congolese diaspora en oppositiepartijen—eisen onmiddellijke sancties, een totaal embargo op "Rwandese" mineralen (die de facto uit Congo komen) en stopzetting van alle EU-financiering aan Kagame’s regime, met de dreiging dat Bukavu het volgende doelwit is. Kernpunt: zonder eind aan westerse hypocrisie en economische afhankelijkheid van Congolese grondstoffen zal de crisis—met Rwanda als centrale dader—voortduren.

Rajae Maouane:

Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre, chaque jour qui passe en République démocratique du Congo, ce sont des vies qui sont brisées dans un silence complice. La prise de Goma par les rebelles du M23 soutenus par le Rwanda n'est pas qu'un fait militaire. C'est un crime contre l'humanité, voire un génocide qui se déroule sous nos yeux. Ce sont des femmes violées, utilisées comme armes de guerre. Ce sont des villages détruits, des familles arrachées, plus de sept millions de personnes déplacées. Ce sont des civils bombardés dans des camps de réfugiés. Ce sont des enfants qui grandissent dans le chaos et dans la peur.

Pourtant, que fait la communauté internationale? Eh bien, elle ne fait pas grand-chose.

Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre, l'Europe a su sanctionner la Russie pour son agression en Ukraine, et c'est très bien. Mais pourquoi n'y arrive-t-elle pas quand c'est le Rwanda? Il est temps d'arrêter ce deux poids deux mesures insupportable. Le droit international doit être une boussole de Kiev à Kinshasa en passant par Gaza. Les discours ne suffisent plus. Nous demandons que la Belgique et l'Union européenne prennent des mesures fermes et immédiates. Nous demandons des sanctions ciblées contre les dirigeants rwandais impliqués dans ce conflit. Nous demandons un embargo total sur les minerais étiquetés rwandais qui sont, en réalité, des minerais de sang pillés au Congo. Nous demandons un soutien à la justice internationale. Nous devons répondre aux appels de la société civile du Congo. Il ne peut y avoir de paix sans justice, et tant que l'impunité régnera, les massacres continueront.

Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre, quand allons-nous enfin passer des paroles aux actes? Quelles mesures concrètes la Belgique compte-t-elle prendre pour stopper ce massacre et protéger les populations civiles de l'Est du Congo? Quand la Belgique ordonnera-t-elle la fin du massacre et exigera le retrait des troupes rwandaises, comme le réclamait d'ailleurs l'ambassadeur de la République démocratique du Congo que nous avons rencontré hier? La Belgique sera-t-elle au premier plan aux Nations Unies (l'ONU) pour réclamer des sanctions contre le Rwanda?

Michel De Maegd:

Messieurs les ministres, chers collègues, je vais aller droit au but. Pardonnez-moi ce cri de rage, mais le peuple congolais en crève, au sens propre comme au sens figuré! Les femmes de l'Est du Congo sont mutilées et violées, l'arme de guerre la plus immonde. Elles en crèvent, à petit feu ou sous les balles du M23. Les enfants de l'Est du Congo, sans eau ni électricité, sans de quoi subsister dignement, n'ont-ils droit à un autre destin que celui d'enfants soldats? Les hommes de l'Est du Congo n'ont-ils comme seul avenir que de survivre dans la peur et la perpétuelle violence, au gré des groupes rebelles qui s'affrontent dans une indifférence quasi générale? Alors oui, cela fait des décennies que les Congolais de l'Est en crèvent, qu'ils soient de Goma, du Nord ou du Sud-Kivu, qu'ils survivent dans d'innombrables camps de réfugiés ou dans des villes et villages dans lesquels "vivre" veut d'abord dire "survivre". Au nom de mon groupe, je veux avoir une pensée sincère pour ces femmes, ces enfants et ces hommes qui, chers collègues, nous attendent.

Monsieur le ministre des Affaires étrangères, monsieur le premier ministre, je sais qu'en tant qu'amis fervents de l'Afrique, vous partagez mon désarroi. Hier en commission, nous recevions l'ambassadeur de la RDC, qui a adressé quatre demandes à la Belgique: ordonner la fin des hostilités et le retrait des troupes rwandaises de la RDC; mettre en place un embargo total sur les minerais étiquetés rwandais et introduire une traçabilité dès le sol congolais; plaider auprès de l'Union européenne pour revoir les accords militaires et économiques avec le Rwanda; plaider pour un registre complet des armes vendues à celui-ci.

Messieurs les ministres, dans quelle mesure pouvons-nous répondre à ces demandes? Quels sont les leviers que nous pouvons immédiatement actionner pour éviter de nouveaux massacres? L'Union européenne annonce une aide humanitaire d'urgence de 60 millions d'euros, insuffisants certes, mais comment garantir que cette aide atteigne les populations touchées? Et puis, enfin, messieurs les ministres, pouvez-vous dresser un bilan de la sécurité de nos ressortissants dans la région et de nos équipes diplomatiques en RDC? Nous savons en effet que plusieurs ambassades ont été attaquées.

Pierre Kompany:

Monsieur le président, je suis fier d’être ici devant deux représentants du pays, qui travaillent et connaissent le Congo. Je connais le Congo, mais je ne peux pas prétendre le connaître nécessairement mieux que vous.

Des questions se posent. Le pays qui souffre, c’est le Congo. Des questions se posent. Pourquoi cela a-t-il duré tant d’années sans que des êtres humains – comme nous, qui sommes ici les représentants du peuple – aient débattu de ce problème et aient mis un terme, il y a longtemps, à ce que nous vivons aujourd'hui?

Je me le demande, et je vous le demande, monsieur le ministre des Affaires étrangères. Je sais que le premier ministre couvre tout. La Belgique va-t-elle soutenir l’adoption de sanctions contre le Rwanda au sein du Conseil de sécurité des Nations Unies? Avez-vous des contacts sur ce sujet avec les États actuellement membres du Conseil de sécurité?

La Belgique va-t-elle demander, au sein de l’Union européenne, la suspension de tous les accords avec le Rwanda et la suspension des financements accordés par l’Union? Ils sont accordés y compris par le biais de la Facilité européenne pour la paix – étonnant!

Quel soutien la Belgique va-t-elle elle-même donner à la MONUSCO et aux troupes africaines de la SADC qui défendent la République démocratique du Congo? Quelles actions diplomatiques les Affaires étrangères mettent-elles en œuvre pour rétablir la paix?

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre des Affaires étrangères, je vous interpelle évidemment sur les événements dramatiques en cours à l'Est de la République démocratique du Congo, notamment la prise de Goma par le M23 soutenu par l'armée rwandaise. Je vous pose tout de suite la question. Pourquoi autant d'inaction? Pourquoi laisse-t-on faire?

Waarom laten wij hen gewoon doen? In Oekraïne komen wij direct tussen: sancties, het leger, wapens enzovoort, alles erop en eraan. Als het echter over Congo gaat, gebeurt er niets. Waarom?

C'est cela la question! Tout le monde sait ici que l'armée rwandaise ne pourrait pas se permettre cela sans le soutien de l'impérialisme américain. Sans le soutien des États-Unis d'Amérique, c'est impossible. Vous le savez. Vous regardez par terre parce que vous le savez. Un petit pays comme cela ne peut pas intervenir chez son voisin sans un appui occidental important.

Il y a aujourd'hui des protocoles d'accord entre l'Union européenne et le Rwanda. Le protocole sur les minerais stratégiques est signé. Ce sont des accords favorables à l'Union européenne et au Rwanda. On aide le Rwanda. Il y a des accords entre l'armée rwandaise et les institutions européennes. Pourquoi? Pourquoi tant d'hypocrisie? C'est la question qui est posée aujourd'hui par les peuples africains et par le peuple congolais.

Va-t-on faire sauter ces protocoles? Le PTB a proposé de faire sauter ces protocoles. Tous les partis traditionnels belges ont voté contre, ils ont voté pour le maintien de ce partenariat stratégique. Pourquoi? Business! Les minerais, le cobalt, le coltan, le cuivre. Business, business, business! C'est pour cela que vous ne voulez pas intervenir.

Monsieur le ministre, va-t-on enfin soutenir le peuple congolais, soutenir l'intégrité territoriale de ce pays, ne pas appliquer le deux poids deux mesures? Quand ça nous arrange, on ferme les yeux parce qu'il y a de l'argent, et quand ça ne nous arrange pas, on intervient aussi, parce que là aussi il y a de l'argent. Les droits humains ne sont pas à géométrie variable. C'est une question de principes, monsieur le ministre.

Els Van Hoof:

Minister Quintin, ik merk het ook aan u, de oorlog in Oost-Congo raakt u persoonlijk. U was destijds kandidaat-speciaal gezant van de EU voor de Grote Meren. U werd geweigerd door Rwanda.

Dood, vernieling, plundering en seksueel geweld, het raakt mij ook als vrouw, al decennialang. Moeders en dochters worden verkracht en dokter Mukwege herstelt. Dat is het cynische spel vandaag in Oost-Congo. Het Rwandese regime ligt er niet wakker van. Het heeft een onverzadigbare honger naar grondstoffen. Opportunistische rebellen als die van M23 helpen hen. Dat zijn de recepten van het Rwandese imperialisme.

Poetin inspireert, mijnheer Hedebouw, en de Congolese bevolking crepeert. België kan niet langer toekijken. Maandag zei u het al, mijnheer de minister: woorden volstaan echt niet meer.

Hoe kunnen we vanuit de EU het geweld veroordelen en tegelijkertijd toch grondstoffen importeren uit Rwanda? Hoe kunnen we vrolijk een WK wielrennen organiseren in de straten van Kigali in Rwanda? De Belgische kritische houding leidt al langer tot ruis op de diplomatieke lijn met Rwanda, maar dat zal Kagame worst wezen. Only money talks .

Het is hoog tijd om een ethische en morele grens te trekken. De Congolese ambassadeur vroeg dat gisteren ook. Wij steunen hem. Leg een embargo op voor de Rwandese grondstoffen. Ze zijn trouwens niet van Rwanda, ze komen uit Oost-Congo. Herroep de Europese militaire en economische samenwerking. Er moeten sancties komen!

Daarom is mijn vraag aan u, mijnheer de eerste minister en mijnheer de minister: welke concrete maatregelen stellen wij voor aan de Europese Unie? Welke bilaterale maatregelen nemen wij zelf? Ik merk dat Duitsland en het VK kijken naar hun ontwikkelingssamenwerking. U moet natuurlijk de Rwandese bevolking niet straffen, maar er is wel een heroriëntatie nodig.

François De Smet:

Messieurs les ministres, les combats qui ont repris il y a quelques semaines dans l'Est du Congo ont déjà fait de trop nombreuses victimes et ont jeté des centaines de milliers de personnes sur les routes. Et, comme toujours, ce sont les civils qui payent le prix principal, en premier lieu les femmes et les enfants.

Mais, en réalité, nous le savons, voilà des décennies que l'Est du Congo est abandonné, dans un conflit meurtrier par intermittence et qui est, en fait, tout simplement, le conflit le plus meurtrier de l'histoire moderne. Alors, oui, on doit pouvoir cibler les responsables principaux: le M23, bien sûr, qui est le principal groupe paramilitaire qui terrorise la région, mais aussi ses soutiens et, en premier lieu, le Rwanda de M. Paul Kagame qui, dès l'instant où il choisit de soutenir et d'armer ces milices, porte aussi la responsabilité de leurs exactions. Et puis, il y a la communauté internationale, dont l'inaction et le silence ne sont plus possibles.

Que peut faire, que doit faire la Belgique? DéFI vous demande, monsieur le premier ministre, d'abord dans les mots les plus clairs et les plus durs, de condamner les responsables de ces exactions, à savoir le M23 et le Rwanda. Mais il faut aussi ajouter, en effet, des armes plus dures. Il faut qu'on parle d'embargo sur les armes, il faut qu'on puisse parler de sanctions économiques, et nous pourrions aussi demander – nous vous le demandons – que l'Union européenne suspende et rompe dès que possible le partenariat sur l'extraction des minerais entre l'Union européenne et le Rwanda.

Je n'oublie pas l'aspect humanitaire. En ce moment-même, des centaines de milliers de personnes sont isolées, notamment parce que la prise de l'aéroport de Goma rend les accès difficiles. La Belgique peut participer à l'ouverture d'un corridor humanitaire. Et puis, il faudra tôt ou tard que, dans cette région meurtrie, vienne l'heure de la justice. La Cour pénale internationale (CPI) a repris des enquêtes et des activités. C'est très bien, et nous devons les soutenir. Tous les démocrates doivent soutenir le fait que, quels qu'ils soient, les responsables des viols et des meurtres soient poursuivis parce qu'au Congo comme ailleurs, il n'y aura pas de paix sans justice.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Messieurs les ministres, la peur! La peur! Voilà l'état de la population de Goma et de l'Est du Congo. Mais on ne peut pas dire qu'ils ne sont pas habitués à cette situation car cela fait 30 ans que le Kivu et l'Est de la RDC se sentent en insécurité. Trente ans que des factions rebelles soutenues par le Rwanda pillent, violent, tuent, sèment la terreur dans les zones rurales! Trente ans qu'il y a des millions de déplacés! Trente ans qu'il y a des millions de morts!

Pourquoi, monsieur le ministre? C'est pour la richesse du sous-sol de cette région, pour des minerais – oui, monsieur le ministre, vous m'avez bien entendue! – pour que nous puissions rouler dans nos belles voitures électriques, pour que nous puissions utiliser nos smartphones. Trente ans, monsieur le ministre, et nous n'avons voulu rien voir. La Communauté internationale est silencieuse. Pourquoi? Monsieur le ministre, le Congo, c'est trop loin! L'Ukraine, c'est à côté! Ce sont nos voisins! C'est beaucoup plus facile. Et puis, les Rwandais sont des personnes sérieuses. Ils sont considérés comme des partenaires stables. C'est un régime autoritaire avec un président élu à 99 % des voix mais c'est un régime stable. Belligérant mais stable! Parce que, surtout, on a besoin d'or, de diamants, de cobalt, de coltan. Oui, j'ose le dire, monsieur le ministre. Nous sommes restés silencieux. J'apprécie toutefois votre sortie volontariste de cette semaine. Je devais quand même vous le dire.

Comment la Belgique compte-t-elle agir? Quelles solutions diplomatiques sont envisagées pour éviter ce bain de sang et sauver cette population qui a trop souffert? Comment la Belgique compte-t-elle faire pression à l'Union européenne pour suspendre ce protocole de coopération sur les matières critiques avec le Rwanda qui sont pillées en RDC? Comment la Belgique compte-t-elle faire pression à l'Union européenne pour suspendre la coopération militaire?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de eerste minister, mijnheer de minister, de crisis in Oost-Congo, een van de vergeten conflicten, duurt al dertig jaar en het is pas sinds vorige week met de val van Goma dat de internationale gemeenschap eindelijk tot actie oproept.

De M23-terreurgroepen hebben de miljoenenstad, een economisch knooppunt aan de rand van Rwanda, al jaren in hun greep. We zien er een vicieuze cirkel van mensenrechtenschade en van terreur, waaraan de staat Rwanda deelneemt. Het land financiert de rebellen immers. Die houden zich ook niet in. Vrouwen worden verkracht, kinderen worden vermoord, mensen verdwijnen. Er is geen voedsel. Er zijn geen geneesmiddelen. De ziekenhuizen liggen vol. De humanitaire crisis is op het moment enorm.

De greep van de M23-rebellen en van Rwanda op Oost-Congo wordt ook alleen maar groter, omdat zij het slagveld uitbreiden. Zij trekken ook naar het zuiden, naar Bukavu.

De mensen in Congo zijn angstig en boos. Zij komen op straat, want zij voelen zich in de kou gelaten. Wij, de westerse overheden, praten immers nog altijd met de militaire regimes in Rwanda. Wij blijven ook financieren. Wij financieren niet alleen het leger, maar besteden ook 40 miljoen euro aan ontwikkelingssamenwerking in Rwanda.

Mijnheer de minister, is dit niet het moment waarop wij onze hulp ter discussie moeten stellen? U hebt gepleit voor concrete acties. Welke acties zijn dat? Wat hebt u aan uw Europese collega’s gevraagd?

Voorzitter:

Mevrouw Depoorter, u eindigt net als de andere sprekers keurig op tijd, waarvoor mijn dank.

Alexander De Croo:

Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos questions relatives à la situation dans l'Est du Congo, situation dramatique depuis bien trop longtemps.

En effet, cela fait des décennies que les conflits sont quotidiens dans cette région. Malheureusement, la situation a empiré récemment.

La réaction de la Belgique a été très claire. Elle a demandé à l'ensemble des partis de faire tout le nécessaire pour veiller à une désescalade. Le Rwanda doit arrêter son soutien au M23. Cela a été documenté partout et il est important que le message soit très clair. Mais du côté congolais, il y a aussi des choses à faire: arrêter les discours haineux, tenter de restaurer l'autorité dans la région. Il y a bien des efforts à faire des deux côtés.

Le point principal est d'arrêter l'ingérence dans l'Est du Congo depuis le Rwanda. J'ai eu l'occasion de m'entretenir avec le président Félix Tshisekedi hier au sujet d'actions que nous pourrions entreprendre pour mobiliser la communauté internationale. De plus, s'agissant de la situation à Kinshasa, je lui ai demandé d'agir avec fermeté pour faire cesser les attaques contre l'ambassade belge et les ambassades d'autres pays. Il m'a assuré qu'il ferait tout ce qui est nécessaire pour calmer la situation à Kinshasa. On voit aujourd'hui que ce genre de manifestations se produit moins souvent qu'auparavant.

Avant de donner la parole au ministre des Affaires étrangères concernant les actions internationales et notre position par rapport à des sanctions, je rappellerai que la Belgique a toujours été très critique, notamment concernant le protocole européen sur les minerais. La Belgique a d'emblée alerté sur le fait que ce n'était pas une bonne idée. Malheureusement, nous le voyons aujourd'hui, nous avions raison d'émettre de nombreuses questions au sujet de cet accord.

Dans un contexte plus large, la position internationale de la Belgique a toujours été de respecter le droit international et la souveraineté d'un pays, position que nous affichons partout.

Concernant ce qui se passe en Ukraine, cela a été notre position. Nous avons dit que la souveraineté et l'intégrité d'un pays devaient être respectées. Concernant ce qui se passe au Proche-Orient, nous avons toujours été clairs. Les lois internationales et les conventions doivent être respectées. Pour ce qui se passe au Congo, le même raisonnement s'applique. L'intégrité du pays doit être respectée. Les ingérences auxquelles nous assistons de la part du Rwanda ou de groupes soutenus par le Rwanda au Congo sont insupportables. Nous ferons tout pour les arrêter et pour sauver les vies de ceux qui vivent pour l'instant des moments extrêmement pénibles et difficiles.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, j'ai décidé de revenir anticipativement de ma mission officielle au Maroc pour pouvoir répondre à vos vives inquiétudes. Ce n'est que normal car la situation actuelle en RDC nous mobilise pleinement.

Wij volgen de situatie minuut per minuut en zijn in permanent contact met onze ambassade, de Belgische gemeenschap, de Congolese autoriteiten en onze internationale partners.

La prise de Goma constitue une violation supplémentaire, claire et nette du droit international et, en plus, du cessez-le-feu conclu via le processus de Luanda.

Nous ne restons ni silencieux ni inactifs, madame Maouane, je puis vous l'assurer. Lundi, j'ai appelé mes homologues européens à prendre des mesures concrètes. J'ai évoqué explicitement les dossiers suivants, mevrouw Depoorter: le MoU sur les matières premières critiques – pour répondre aussi à Mme Mutyebele –, la Facilité européenne pour la paix dite "Cabo Delgado", la suspension du dialogue sécuritaire avec le Rwanda, monsieur De Smet. Il faut trouver un compromis à l'échelle européenne, parce que c'est à ce niveau-là que nous aurons un impact significatif.

Monsieur Kompany, s'agissant des Nations Unies, j'ai pris contact, dès dimanche dernier, avec mes homologues européens qui siègent au Conseil de sécurité afin de faire passer nos messages et pour que soit nommé le Rwanda dans son agression.

Ondertussen heb ik de Rwandese zaakgelastigde al door mijn FOD laten ontbieden en heb ik het reisadvies voor Rwanda laten aanpassen. Alle reizen naar de parken in het westen van het land worden afgeraden. Het doel is om de druk op de partijen, vooral Rwanda, op te voeren. De Rwandese autoriteiten mogen zich niet onaantastbaar voelen, als ze het internationaal recht aan hun laars lappen.

C'est la seule façon de les ramener autour de la table des négociations afin de travailler à une solution pacifique, comme on a pu le constater en 2012. J'ai partagé ce point de vue de modus operandi avec mon homologue américain, Marco Rubio, hier soir.

Il y a urgence. Kigali a déjà communiqué publiquement qu'elle compte prendre Bukavu. Mais soyons clairs, comme l'a dit le premier ministre, les autorités congolaises doivent aussi prendre leurs responsabilités: rétablir l'autorité sur l'Est de la RDC, mettre fin aux discours de haine et mettre fin à la coopération avec des groupes armés, singulièrement les FDLR, comme nous le demandons systématiquement dans chacun des contacts que nous avons avec toutes les autorités congolaises.

Monsieur De Maegd, en effet, il faut s'attaquer aux racines de ce conflit qui dure depuis plus de 30 ans.

De gevolgen voor de bevolking zijn inderdaad afschuwelijk, mevrouw Van Hoof.

Ce conflit me parle personnellement, puisque je le suis depuis de nombreuses années déjà et que j'en ai vu de mes propres yeux les conséquences innommables il y a déjà 20 ans.

Wat de situatie in Kinshasa betreft, veroordeel ik ten zeerste de aanvallen op onze ambassade en die van onze partners. Zodra ik op de hoogte werd gebracht van de situatie, heb ik onmiddellijk contact opgenomen met de Congolese autoriteiten en hen gevraagd om in te grijpen. Die interventie heeft geleid tot een terugkeer van de rust.

Sans la présence et l’intervention de nos militaires qui ont protégé notre équipe sur place, nous aurions un autre débat aujourd'hui. Je tiens ici à les remercier sincèrement, comme je tiens à remercier notre personnel à Kinshasa ainsi que mes services à Bruxelles qui ont géré avec beaucoup de sang-froid une situation explosive.

De veiligheid van het personeel van de ambassade en de Belgische gemeenschap is zoals steeds onze prioriteit. We nemen sindsdien bijkomende veiligheidsmaatregelen en passen ons reisadvies aan in functie van de evolutie.

Je suis pleinement mobilisé, tout comme le SPF Affaires étrangères, afin de tout mettre en œuvre pour faire cesser les combats dans l'Est de la RDC.

Le droit international, comme cela a été rappelé par le premier ministre, doit être respecté et défendu partout, en tout temps et en tous lieux. La Belgique joue et continuera à jouer pleinement son rôle dans la promotion de la paix et de la sécurité dans la région.

Rajae Maouane:

Merci, messieurs les ministres, pour vos réponses.

Je dois dire qu'elles me laissent un peu sur ma faim. Je trouve que la réponse de la Belgique n'est pas à la hauteur de la situation. La Belgique a une responsabilité historique dans ce pays et dans cette région. On ne demande pas aux agresseurs de désescalader. On dit aux agresseurs d'arrêter de violer le droit international. On fait en sorte de sanctionner les agresseurs.

Je suis révoltée, je dois le dire, par l'hypocrisie que j'entends parfois, de ceux qui prêchent la paix tout en fermant les yeux sur des crimes, par opportunisme politique ou par intérêt économique. L'heure aujourd'hui n'est plus aux déclarations, aussi fortes soient-elles. Il faut des actions. Nous exigeons des sanctions dès maintenant. Nous exigeons un embargo et nous exigeons la justice.

Michel De Maegd:

Merci, messieurs les ministres, pour vos réponses franches et déterminées.

Je voudrais insister sur les responsabilités de chacun, toujours au détriment des populations de l'Est du Congo. C'est indéniable pour le Rwanda. Je le dis depuis des années. Il fait fi de toute règle internationale au travers du M23, pour s'accaparer des minerais du Congo, et aujourd'hui, pour violer, de façon flagrante, la souveraineté de la RDC. C'est tout aussi indéniable pour d'autres pays voisins qui, avec d'autres rebelles, s'assurent de leur part du gâteau. C'est encore indéniable pour le pouvoir en place à Kinshasa, miné par la corruption endémique, et dont les discours vigoureux peinent à masquer les énormes défaillances quand il s'agit de protéger son peuple avec une armée en perdition.

Soyons francs, que dire de l'Europe et de sa réalpolitique? En effet, pour ne pas se faire damer le pion sur cet échiquier morbide, les adversaires occidentaux mais aussi, soyons honnêtes, monsieur Hedebouw, chinois, indiens, turcs et, demain, russes, prennent aussi leur part du gâteau, encore et toujours sur le dos des populations congolaises.

Pierre Kompany:

Monsieur le président, je suis vraiment fier d'être ici, tout simplement parce que je suis d'origine congolaise. J'en ai presque les larmes aux yeux.

Monsieur le premier ministre, vous avez parlé des discours de haine. Pensez quand même un seul instant que ce peuple congolais a une générosité qui dépasse le monde. Il a reçu tous ceux qui, aujourd'hui, deviennent les agresseurs. Des bourses d'études ont été distribuées à la peine des enfants congolais. La plupart des gens que vous voyez, qui font le Rwanda et qui sont du côté congolais ont souvent étudié avec des bourses d'études congolaises que les Congolais n'ont pas eues. Alors, remettons les choses en place: le Rwanda doit remercier le Congo au lieu de faire ce qu'il fait avec l'argent du monde entier.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre de Belgique, monsieur le ministre des Affaires étrangères de Belgique, Frantz Fanon, un grand militant panafricain disait que "l'Afrique a la forme d'un revolver dont la gâchette se trouve au Congo". Et je pense qu'il a raison. Le but des puissances occidentales aujourd'hui est d'avoir un Congo faible pour qu'il n'y ait plus de gâchette, pour avoir un continent africain faible devant les puissances mondiales. Voilà ce qui se joue aujourd'hui, le but étant d'avoir une balkanisation du pays.

On n'a pas eu de réponse, monsieur De Maegd, à la question de savoir pourquoi les États-Unis d'Amérique soutiennent Kagame depuis le début. Vous le savez! C'est là où tout le monde se tait car l'échiquier mondial se joue à coups de millions de morts. C'est cela qu'il faut dénoncer aujourd'hui et c'est pour cela qu'il y a de l'impunité. J'aurais espéré aujourd'hui que la Belgique dise stop: "Stop, United States! Stop!" Mais non, business, business, business! C'est un problème. On mène le combat contre (…)

Els Van Hoof:

Mijnheer de eerste minister, mijnheer de minister, het is goed dat wij concrete voorstellen hebben voorgelegd aan de Europese Unie, maar nu moeten wij doorpakken, er is nog niets gebeurd. Tolereren wij in Oost-Congo wat wij niet tolereren in Oekraïne? Dat is de vraag waarvoor wij staan.

U sprak ook over de haat die vandaag heerst bij de Congolezen. Is het echter niet normaal dat die mensen boos zijn na zoveel straffeloosheid? MONUSCO staat daar al jarenlang naar te kijken en kan niets ondernemen wegens het beperkte mandaat. De Congolezen zijn terecht boos. Er wordt gewerkt met twee maten en twee gewichten. Dat aanvaarden zij niet meer. Het is ook heel terecht dat ze dat niet meer aanvaarden.

Er wordt Kigali weinig of niets in de weg gelegd. Dat moet veranderen. Gaan wij vandaag tolereren dat het internationaal recht word opgeofferd op het altaar van geld en grondstoffen? Misschien valt Bukavu binnenkort. Het is tijd voor sancties en acties. Wij moeten niet alleen naar de Verenigde Staten kijken, wij moeten vooral ook kijken naar onszelf. Ik vertrouw op u, heren ministers.

François De Smet:

Messieurs les ministres, merci pour vos réponses.

Trois choses. D’abord, attention quand même au relativisme. Bien sûr que tout ne va pas bien au Congo. C’est évident. Mais dans cette histoire, il y a quand même très clairement un agresseur et un agressé. L’agresseur, c’est le Rwanda. L’agressé, c’est la République démocratique du Congo.

Ensuite, huit partis se sont succédé à cette tribune, et pratiquement tout le monde a demandé de hausser le ton sur les sanctions économiques et sur les sanctions sur les armes. Cela veut dire que ce gouvernement et le suivant – s’il advient – ont un mandat extrêmement clair de cette Assemblée et auront un soutien pour aller en ce sens.

Enfin, vous n’avez pratiquement pas évoqué le volet humanitaire. On parle de 400 000 personnes qui se trouvent sur les routes. Si la Belgique, d’autres démocraties et les ONG n’aident pas très rapidement, cela va devenir très vite une catastrophe humanitaire.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Messieurs les ministres, merci pour vos réponses.

Moi, je vais vous parler un peu de ma famille qui est coincée à Goma sans eau et sans électricité, de la fille que mon frère a adoptée dans cette mauvaise situation. Je vais vous parler de mes nombreuses visites à Panzi où j’ai vu des enfants emmenés parce qu’ils ont été violés, des petites filles de un an, des mamans complètement désorientées.

Alors maintenant, il est temps d’agir. Le temps est aux actes. On doit dire au M23 de se retirer. On doit dire au Rwanda de se retirer. La Belgique ne doit plus rester passive. Il faut que nous puissions préserver l’intégrité territoriale de la RDC. Surtout, nous devons imposer des sanctions fermes contre le Rwanda.

Une réponse humanitaire et diplomatique urgente est nécessaire, messieurs les ministres. La paix doit être rétablie en RDC, et les crimes doivent cesser.

Je voudrais également présenter toutes mes condoléances aux familles de ces soldats de la MONUSCO et des FARDC qui sont tombés au front.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de premier, mijnheer de minister, het militaire regime van Rwanda aarzelt niet om bij zijn buurman de minerale rijkdommen te gaan plunderen en om daar de bevolking te gaan verkrachten en te folteren.

We mogen vandaag niet aarzelen om daadkrachtig op te treden en om te pleiten voor een opbouw van de humanitaire hulp in Oost-Congo, maar we mogen ook niet aarzelen om te herevalueren hoe we de 40 miljoen euro aan ontwikkelingssamenwerking zullen besteden. De 500.000 mensen op de vlucht hebben nood aan hulp. We mogen ook niet aarzelen in de herevaluatie van onze omgang met de middelen die naar het Rwandese leger gaan, want met die middelen worden de M23-rebellen betaald.

De aarzeling moet voorbij zijn, de stilte moet worden gebroken. Dank u.

Voorzitter:

Collega's, wij hebben nog 25 minuten de tijd om onze stem uit te brengen, maar nog niet heel veel mensen hebben dat gedaan, dus u bent daartoe uitgenodigd.

De pensioenen bij de politie

Gesteld door

PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 30 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De geplande pensioenhervorming van de Arizona-regering verlaagt de uitkeringen voor politieagenten door het schrappen van tantièmes, NAPAP en indexatie voor pensioenen boven €3.000 bruto, terwijl ze langer moeten werken—een historische terugval die de aantrekkelijkheid van het beroep verder ondermijnt (al zijn er nu 5.000 vacatures). Minister Lalieux noemt het een "schandaal" en hypocrisie: strenge veiligheidsretoriek, maar brutale besparingen op wie die veiligheid waarborgt, zonder overgangsmaatregelen. Thiébaut benadrukt de klassenongelijkheid: enkel ambtenaren en middeninkomens betalen de rekening, terwijl de rijkste 1% ongemoeid blijft. De hervorming wordt bestempeld als het meest antisociale beleid ooit in België.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, travailler plus longtemps pour moins de pension. Voilà le projet de l'Arizona pour nos policiers.

Dès lors, il ne faut pas s'étonner de les voir manifester ce matin à Bruxelles pour dénoncer ce que prépare le futur gouvernement. Avec ce genre de mesure, on est bien loin des promesses électorales de certains partis de l'Arizona qui promettaient de mieux récompenser le travail. Mais comment peut-on aujourd'hui s'attaquer au statut de nos policiers alors qu'on sait qu'ils font un travail dangereux, difficile, stressant; alors qu'on sait qu'on a besoin d'eux aujourd'hui plus que jamais pour lutter contre la montée de la criminalité liée à la drogue, à Bruxelles et à Anvers notamment; alors qu'on sait qu'on a des difficultés pour recruter nos policiers? Il y a un manque d'attractivité, 5 000 postes sont vacants, on n'arrive pas à trouver les policiers dans nos zones et à la police fédérale. Après ça, comment certains peuvent-ils encore dire que la sécurité est leur priorité?

Madame la ministre, j'aimerais avoir votre sentiment, en tant que spécialiste en matière de pensions, sur ce que prépare ce gouvernement Arizona. Pouvez-vous me dire quelles implications aura ce genre de mesure sur les pensions de nos policiers?

Karine Lalieux:

Cher collègue, je comprends bien évidemment le mécontentement et les fortes inquiétudes des policiers et des policières, comme de tous les travailleurs des services actifs en matière de sécurité. Alors que sous la Vivaldi, j'ai veillé à garantir les pensions des travailleurs occupant de telles fonctions, les différentes notes qui ont fuité laissent apparaître une volonté de venir couper drastiquement dans les droits des policiers et des policières. Les attaques sont d'ailleurs de plus en plus fortes au fur et à mesure que les notes fuitent.

J'en veux pour preuve qu'alors que les policiers étaient immunisés pour ce qui concerne la suppression des tantièmes, aujourd'hui, non seulement leurs tantièmes seront supprimés, selon les dernières notes, mais également la NAPAP. Par ailleurs, même les policiers et les policières pensionnés sont visés, car leurs pensions, si elles sont supérieures à 3 000 euros bruts, ne seront pas indexées pendant cinq ans. Cela représente cinq sauts d'index.

Comme j'ai déjà pu l'exprimer, la réforme envisagée est un retour en arrière de plus d'un siècle. C'est un scandale sans nom et un non-respect pour tous ces policiers et policières qui agissent au quotidien pour notre sécurité, comme vous l'avez dit.

Très concrètement, les mesures comme celle visant à modifier le calcul des pensions de tous les fonctionnaires, la suppression des tantièmes, un malus si on prend une pension anticipée sans correspondre à certaines conditions de travail effectif, vont avoir pour effet de réduire de plusieurs centaines d'euros la pension de nos policiers et de nos policières tout en les obligeant à travailler plus. Par ailleurs, pour l'essentiel de ces réformes, aucune mesure longue de transition n'est prévue.

Voilà le vrai visage de la droite: l'appel à une politique sécuritaire extrêmement renforcée mais un non-respect total pour les hommes et les femmes qui agissent au quotidien pour assurer notre sécurité!

Éric Thiébaut:

Merci, madame la ministre. Cette semaine, j'ai entendu un président de parti de l'Arizona dire à un manifestant qu'il faudrait faire des efforts, sinon ses enfants n'auraient plus de pension. Les travailleurs peuvent comprendre qu'il faille faire des efforts. Ce que les travailleurs ne comprennent pas, c'est que le 1 % de la population belge qui détient 25 % de la richesse ne sera pas touché par les mesures de l'Arizona. Ce seront uniquement les travailleurs, les travailleurs de la fonction publique, nos policiers, nos pompiers, nos enseignants, nos militaires qui seront touchés par toutes les mesures de l'Arizona. Malheureusement, ce gouvernement s'annonce d'ores et déjà certainement comme le gouvernement le plus antisocial de l'histoire de notre pays.

De aantrekkelijkheid van het beroep van politieagent
Het politieprotest
Beeldvorming van politiewerk

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister), Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 30 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Politieagenten betoogden woedend tegen de plannen van de voorgestelde "Arizona-regering", die ze als een aantasting van hun statuut, pensioen (langer werken voor minder) en loopbaanaantrekkelijkheid ervaren, ondanks eerdere verkiezingsbeloftes om hun positie te verbeteren. Minister Verlinden (Binnenlandse Zaken) bevestigde dat de bezorgdheden ternauwernood worden meegenomen in de lopende regeringsonderhandelingen, maar kon geen concrete garanties geven, benadrukkend dat er al loonsverhogingen en carrièreversnelling waren doorgevoerd—wat oppositieleden als onvoldoende en hypocriet afdeden, wijzend op herhaaldelijk gebroken beloftes (bv. pensioenleeftijd 67 zonder uitzonderingen voor zware beroepen). Critici als Troosters (VB) en De Witte (PVV) eisten structurele oplossingen: respect voor verworven rechten, specifieke pensioenregelingen voor zware beroepen, en een eerlijkere welvaartsverdeling om de betaalbaarheid te waarborgen—terwijl Verlinden vaag bleef over concrete maatregelen, weliswaar belovend de strijd voor een "rechtvaardig pensioen" voort te zetten. Kernpunt: de tussen politie en regering groeiende vertrouwensbreuk door leeggelopen toezeggingen en ontwijkend beleid.

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, toen vanmorgen niet u maar uw collega's wakker werden op een legerbedje in de Koninklijke Militaire School na de nachtelijke onderhandelingen, was de politie aan het betogen in Brussel. De betogers trokken van het centraal station via de Koningsstraat naar het hoofdkwartier van de N-VA, van formateur Bart de Wever, die hardnekkig België tracht te redden en een arizonaregering op de been probeert te brengen.

De politieagenten waren ongerust en boos. Ze zeiden zelf met verstomming te zijn geslagen over de plannen van de mogelijke arizonaregering. Ze vinden het een regelrechte aanslag op hun statuut en op de aantrekkelijkheid van de loopbaan bij de politie.

Als minister van Binnenlandse Zaken, verantwoordelijk voor de politie, weet u als geen ander hoe hard de politie zich dag in dag uit moet inspannen, soms in heel moeilijke omstandigheden, om de veiligheid van alles en iedereen te garanderen. U weet ook dat de vivaldiregering erin geslaagd is om in de vorige legislatuur een aantal beloften aan die politieagenten te verbreken. Zij waren dus boos en ongerust en daarin kan ik hun perfect volgen.

Het was zelfs een onderwerp in de aanloop naar de verkiezingen. Veel politici hadden de mond vol over het terug aantrekkelijker maken van die loopbaan bij de politie. Er is zelfs nog geen regering of die beloften dreigen allemaal al terug in de vergeethoek terecht te komen.

Mevrouw de minister, u bent nog steeds minister van Binnenlandse Zaken, bevoegd voor de politie. U neemt ook deel aan de gesprekken voor de arizonaregering. Ik begrijp dat uw partij zeker van een volgende regering deel zal uitmaken. Ik kan dus niemand geschikter dan u vinden om mijn vraag te stellen. Wat zal er nu eigenlijk gebeuren met het statuut en met het aantrekkelijker maken van een loopbaan bij de politie in de toekomst?

Kim De Witte:

Mevrouw de minister, vandaag kwamen de politiemensen op straat. Ze zijn boos omdat ze langer moeten werken voor minder pensioen.

Ik begrijp die boosheid volledig, want u schendt uw beloftes keer op keer. Ik heb een lijstje opgesteld van de afgelopen jaren. In 2014 stond in elk verkiezingsprogramma dat we de pensioenleeftijd niet tot 67 jaar zouden optrekken. Een paar maanden later werd het werken tot 67 jaar. In 2015 zeiden Frank Vandenbroucke en de regering in koor dat geen zinnig mens eraan denkt om iedereen tot zijn 67ste te laten werken, want dat er uitzonderingen zouden komen voor de zware beroepen. Wat zien we tien jaar later? Geen uitzonderingen. In 2019 zeiden de collega's van Vooruit dat ze niet in een regering zouden stappen als de pensioenleeftijd op 67 jaar behouden zou blijven. Even later maakten ze deel uit van de regering. In 2024 werd gezegd dat men niet aan de verworven rechten zou raken, maar als we uw plannen goed lezen, wordt er wél aan de verworven rechten van heel veel mensen geraakt, behalve aan die van de ministers en de parlementsleden. Dáár gaan we niet aan komen, dát zijn verworven rechten.

Mevrouw de minister, het is dat soort pensioenbedrog dat de mensen niet meer pikken. Ze zeggen dat het genoeg is geweest. Voor u is het misschien geen probleem om te werken tot 67 jaar, om hier te zitten voor 7 tot 10.000 euro per maand, maar voor de meeste mensen is dat wel een probleem.

Wat zult u doen met de eisen van de politiemensen? Zult u nu eindelijk zorgen voor een regeling voor de zware beroepen?

Annelies Verlinden:

Collega’s, de door de erkende politievakbonden geuite bezorgdheden van de politiemensen over hun loopbaan zijn mij bekend en ik neem die zoals steeds erg ter harte.

In het kader van de lopende regeringsonderhandelingen werden een aantal maatregelen voorgesteld over de pensionering van het overheidspersoneel, waaronder ook de politie. Deze voorstellen geven aanleiding tot grote bezorgdheden. In het bijzonder gaat het over de eindeloopbaanregeling en het pensioenbedrag van de ambtenaren, wat uiteraard ook een impact heeft op de politiemedewerkers. De onderhandelingen lopen nog steeds, al hoop ik samen met u dat die niet meer al te lang zullen duren. Ik kan echter niet vooruitlopen op het uiteindelijke akkoord.

Aan de onderhandelingstafel verdedigen wij overtuigd de belangen van de overheidsmedewerkers, waaronder ook die van het veiligheidspersoneel en die van de politiemensen. Zij hebben immers ook recht op een rechtvaardig en correct pensioen na een toegewijde carrière in het teken van de veiligheid van ons land. Daarbij moeten we ook afspraken uit het verleden in aanmerking nemen. We zullen de strijd voor een goed pensioen in de komende uren verderzetten. Ik zal in de toekomst deze zorgen ook ter harte blijven nemen. Ik begrijp de ongerustheid. Niet alleen de vakorganisaties, maar ook de politietop gaven mij eerder al aan dat de ongerustheid naar aanleiding van de publieke discussies over de voorlopige pensioenvoorstellen ervoor zouden kunnen zorgen dat een aantal personeelsleden, voornamelijk leidinggevenden, op korte termijn vroeger dan oorspronkelijk gepland op pensioen zouden gaan. Ook daarom moeten we daarover goede en verdedigbare oplossingen uitwerken.

Ik geloof in het huidig model van de geïntegreerde politie dat gestructureerd is op twee niveaus. Die organisatie omvat mijns inziens een versterkte federale politie die gespecialiseerde politieopdrachten uitvoert en die in staat is haar verantwoordelijkheden op het vlak van geïntegreerde operaties beter op te nemen. Het is een federale politie die we verdedigen en uitdrukkelijk bevestigen en waarin we blijven investeren, in het belang van de veiligheid van ons land. Daarnaast moeten we uiteraard ook investeren in performante lokale politiezones die de basispolitiezorg overal in het land op een kwalitatieve en gelijkwaardige manier kunnen verzekeren. We hebben de politie de afgelopen legislatuur al aanzienlijk versterkt. Het spreekt voor zich dat, als we de veiligheid en een sterke politie in ons land willen waarborgen, we ervoor moeten zorgen dat de loopbaan van politiemedewerkers aantrekkelijk en verdienstelijk is en dat de vele inspanningen en de persoonlijke inzet naar waarde worden geschat.

Om die reden is er de afgelopen legislatuur dan ook fors geïnvesteerd in betere loonvoorwaarden voor onze politiemedewerkers. Zo was er een weddeverhoging, de eerste sinds de politiehervorming begin jaren 2000. Er kwamen maaltijdcheques en een verhoging, er kwam een vergoeding voor administratieve personeelsleden die thuiswerk kunnen doen en er is de mogelijkheid om sneller carrière te maken, wat ook betekent dat politiemensen sneller in een hogere weddeschaal terecht kunnen komen.

Ik onderschrijf samen met u dat voor de volgende legislatuur de aantrekkelijkheid van het beroep van politiemedewerker een blijvend aandachtspunt moet zijn en dat er moet worden gezocht naar manieren om het beroep aantrekkelijker te houden en toekomstgericht in te vullen. Voor mij hoort daar, onbetwistbaar, een rechtvaardige en aantrekkelijke pensioenregeling bij.

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, ik hoor al zes jaar dat men begrip heeft voor de bezorgdheden van de politie, maar daar hebben ze tot nu toe weinig aan gehad. We weten dat het een heel zware job is door de wisselende uren, het dag- en nachtwerk, de fysiek zware arbeid en het blootstaan aan een verhoogd veiligheidsrisico. Er is ook de mentale belasting en de toenemende agressiviteit en criminaliteit in onze samenleving, zowel tegenover mensen en hulpverleners als tegenover de politie.

Ik kan hun onrust, hun onbegrip en hun actie van deze morgen volledig volgen en begrijpen. Het Vlaams Belang vraagt opnieuw om te investeren in meer mensen en middelen, maar vooral om meer respect te betuigen voor onze politiemensen. Maak daar eindelijk werk van.

Kim De Witte:

Mevrouw de minister, uw antwoord is hallucinant. De politiemensen komen op straat, omdat zij niet langer willen werken voor minder pensioen. Dat is hun punt en u gaat daar volledig aan voorbij. U geeft aan dat u ervoor zal zorgen dat het beroep aantrekkelijker wordt. U weet echter dat er momenteel al een probleem is om voldoende politiemensen te vinden. Wat zult u doen om op hun vraag in te gaan?

Collega’s, ik wil nog even ingaan op het punt dat er moet worden hervormd, omdat het onbetaalbaar is. Dat is wat de arizonacoalitie in aanmaak zegt, de pensioenen zouden onbetaalbaar zijn. Weet u wat wij vandaag betalen voor onze pensioenen? Dat is 11,2 % van ons bruto binnenlands product. Er zijn zes West-Europese landen die meer betalen. In de toekomst, namelijk in 2070, zouden wij volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing 13,7 % betalen. Dat is wat Frankrijk en Finland vandaag al betalen. Hoe kunnen onze pensioenen dan onbetaalbaar zijn?

De pensioenen zijn betaalbaar als wij de welvaart eerlijker verdelen. Mijn vraag is om dat te doen.

Voorzitter:

Ik dank de minister en nodig mevrouw de staatssecretaris de Moor uit.

De fusie van de Brusselse politiezones

Gesteld door

VB Ortwin Depoortere

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat een fusie van de zes Brusselse politiezones (naar één zone) efficiënter kan zijn—gestuurd door een studie die schaalvergroting (min. 500 agenten) koppelt aan betere modernisering en weerbaarheid, maar waarschuwt voor bestuurlijke en organisatorische uitdagingen (commando, samenwerking met burgemeesters). Depoortere dringt aan op concrete stappen, kondigt een wetsvoorstel aan en eist een spoedig debat, benadrukkend dat crimineel overschrijdend gedrag en het succes van het *Golden Command Center* een eengemaakte zone noodzakelijk maken. Beide partijen zijn voorstander, maar de uitvoering blijft hangen aan politieke onderhandelingen en democratische afstemming.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, deze vraag sluit een beetje aan bij het actualiteitsdebat van daarnet en betreft de fusie van de Brusselse politiezones.

Het is nu eenmaal een gegeven dat criminelen geen rekening houden met gemeentegrenzen. Ze overstijgen de lokale baronieën die in handen zijn van enkele burgemeesters. Anderzijds, en het doet mij plezier om dat ook te horen van de heer Chahid, kan men positieve evaluaties maken van het Golden Command Center tijdens oudejaarsnacht. Het is dus blijkbaar toch mogelijk om samen te werken en de misdaad adequater te bestrijden als men dat wil.

We moeten nog een stap verder gaan. De tijd is rijp om niet alleen voor de verschillende politiezones in Vlaanderen en Wallonië naar een schaalvergroting te gaan, maar ook in Brussel, dat momenteel zes politiezones telt. De conclusie die we onder andere uit het Golden Command Center kunnen trekken, is dat het veel beter en efficiënter zou zijn om naar één Brusselse politiezone te gaan.

Mevrouw de minister, bent u dat idee genegen? Ik heb in de wandelgangen vernomen dat uw partij, bij monde van de heer Demon, daar absoluut geen tegenstander van is, integendeel, maar ik had toch graag uw mening als minister van Binnenlandse Zaken gehoord. Ligt die piste op de onderhandelingstafel van de nieuwe federale regering?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Depoortere, u had ook nog een aantal andere vragen over het kanaalplan en dergelijke meer. We hebben die discussie al eerder in deze commissie gevoerd. Er is nog altijd ondersteuning vanuit de federale politie. Er is dus wel degelijk samenwerking. Ook bij andere veiligheidsoperaties levert de federale politie ondersteuning. Naast die gold commander is er dus best al wel wat samenwerking. Er is eveneens een politioneel drugsplan voor Brussel onder leiding van de Brusselse regering waarin de multidisciplinaire aanpak centraal staat en waarin de zes zones ook betrokken zijn.

Het is moeilijk om vandaag heel exacte cijfers te geven voor efficiëntiewinsten of -toename bij een fusie van de zones. Het is inderdaad zo – dat heb ik al herhaaldelijk gezegd in deze commissie – dat wij daarvan voorstander zijn. Een heel belangrijke discussie die gevoerd moet worden is hoe men dat dan precies organiseert, wie het commando heeft, hoe de samenwerking kan gebeuren als de gemeenten bestuurlijk op dat moment niet zouden fuseren en over hoe er zal worden samengewerkt met de burgemeesters.

Uit een studie uit 2022 in opdracht van de FOD Binnenlandse Zaken bleek dat schaalvergroting in elk geval voordelen kan hebben, zoals meer modernisering of toegenomen expertise. Er wordt daarbij ook aangenomen dat een gefusioneerde zone beter bestand zal zijn tegen de uitdagingen in de maatschappij. In het algemeen is het goed voor alle zones om te streven naar een omvang die voldoende groot is om toekomstige uitdagingen aan te gaan.

In het verleden heb ik daarvoor al eens het cijfer van 500 genoemd. Ik wil dat niet als een heilige graal vooropstellen, maar wil daarmee wel een richting aangeven vanaf wanneer iets op een efficiënte en kwalitatieve manier kan worden georganiseerd.

Het zal uiteraard tijd vragen om dat in Brussel voor te bereiden. Dat moet doordacht gebeuren en uiteraard is democratische organisatie met bestuurlijke overheden, de politieraad en het politiecollege, zeer relevant. Dat debat is nog niet helemaal uitgeklaard.

Wij zijn daarvan dus een voorstander en zullen dat ook blijven verdedigen tijdens de onderhandelingen.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Uw laatste punt doet mij plezier. Laten we die wetenschappelijke studie inderdaad als basis nemen, want een schaalvergroting zal inderdaad voor efficiëntiewinsten zorgen en dat is een goede zaak. De samenwerking is er trouwens ook als een lokale zone fusioneert; die samenwerking tussen het federale en het lokale niveau verdwijnt niet. Ik zal op mijn beurt een duwtje in de goede richting geven. Wij hebben een wetsvoorstel om tot die eengemaakte Brusselse politiezone te komen. Ik zal dat wetsvoorstel volgende week in deze commissie agenderen. Ik hoop dat de collega's het als hun democratische plicht zullen beschouwen om daarover te debatteren. Ik begrijp ook wel dat de betrokken actoren moeten worden gehoord, maar ik hoop eveneens dat we daarvan werk zullen maken en dat dit niet opnieuw op de lange baan wordt geschoven.

De ondersteuning van de lokale politiekorpsen door de federale politie en de overheid

Gesteld door

VB Ortwin Depoortere

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De politiezone Lanaken-Maasmechelen klaagt over structureel gebrek aan federale politiesteun, waardoor ze dure *betaalpolitie* (SAU) moet inzetten, vooral door drugscriminaliteit in de grensregio Limburg-Maastricht, en pleit voor een ‘Maasplan’ zoals in Antwerpen. Minister Verlinden benadrukt dat federale steun meestal wel lukt (behalve bij piekbelasting), wijst op bestaande samenwerking en intelligence-led policing (bv. *Port of Limburg*-project), maar bevestigt Limburg als hotspot voor georganiseerde criminaliteit. Depoortere blijft kritisch: de praktijkervaring van de politiezone (gebrek aan capaciteit, betaalde bijstand) tegenspreekt het optimistische regeringsstandpunt, en dringt aan op concrete versterking en het Maasplan in onderhandelingen. De minister verwijst naar eerdere investeringen maar belooft niets nieuws.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijk versie van mijn vraag.

De politiezone Lanaken-Maasmechelen in Limburg richtte zich kort voor Kerst, op 19 december, rechtstreeks tot de minister. Omdat de federale politie-eenheden overbevraagd en ondergefinancierd zijn, moeten ze dure 'betaalpolitie' inschakelen om de veiligheid van burgers en lokale politiemensen te kunnen verzekeren.

Daarmee verwijzen ze naar de Special Assistance Unit (SAU), die opgericht werd in de provincie om bijstand te kunnen leveren bij interventies met een hoge risicograad. Normaliter voorziet de federale politie die steun kosteloos. Maar dat federale korps heeft de nodige capaciteit niet. Dat is een resultaat van regeringsbeleid.

Ongetwijfeld staat de politiezone Lanaken-Maasmechelen niet alleen met hun gebrek aan ondersteuning. Maar daarbovenop zijn ze nog eens een grensregio met Maastricht, waar drugscriminaliteit welig tiert. Niet alleen Antwerpen kampt ermee. Lokale besturen roepen dan ook op tot een 'Maasplan', zoals het Havenplan in Antwerpen.

Veiligheid is een kerntaak van de overheid. Dat lokale besturen en politiezones beroep moeten doen op 'betaalpolitie' is onaanvaardbaar. Onze federale politie moet dringend versterkt worden.

Hebt u een overzicht van alle klachten wegens gebrek aan ondersteuning vanuit lokale autoriteiten? Hoeveel krijgt men er zo?

Hoe vaak kon de federale politie de afgelopen 5 jaar niet ingaan op een ondersteuningsverzoek wegens gebrek aan capaciteit?

Hoe en wanneer gaat u de federale politie structureel versterken? Komt er extra (financiële) steun?

Krijgen lokale politiezones extra middelen om de federale politie te ontlasten?

Ziet u mogelijkheden voor structurele financiering van de SAU, zodat lokale politiezones niet steeds extra moeten betalen?

Welke maatregelen neemt u om de samenwerking tussen lokale politiezones en de federale politie verbeteren?

Hoe staat u tegenover de oproep voor een 'Maasplan' voor Limburg?

Welke maatregelen neemt u om de grensregio Limburg beter te beschermen tegen georganiseerde drugscriminaliteit?

Annelies Verlinden:

In overeenstemming met haar wettelijke verplichtingen verleent de federale politie inderdaad ondersteuning aan de lokale zones en dat op basis van de beschikbare capaciteit. Specifiek voor Limburg kan de federale politie in de meeste gevallen aan de steunaanvragen van de lokale politie voldoen. De enige uitzonderingen zijn de momenten waarop er gelijktijdig veel evenementen plaatsvinden en de beschikbare middelen evenredig moeten worden verdeeld.

Binnen de geïntegreerde politie heeft de bestuurlijk directeur-coördinator de specifieke rol om de samenwerking tussen de verschillende politiediensten te coördineren, faciliteren en stimuleren. In Limburg is er een jarenlange traditie van samenwerking en ook een zeer goede wisselwerking tussen de verschillende politiediensten, zowel op lokaal als federaal niveau en ook op operationeel, tactisch en strategisch vlak. Dat wordt bevestigd door zowel de provincie als de zones.

Voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit in de grensregio Limburg bevestig ik dat onder meer uit de beeldvorming van Sky ECC blijkt dat Limburg ook een hotspot is geworden, naast Antwerpen en Brussel. Gezien de beperkte politiecapaciteit wordt daarom binnen de provincie maximaal ingezet op enerzijds een goede samenwerking tussen de verschillende politiediensten en anderzijds op een informatiegestuurde werking. De federale politie in Limburg kent een langlopende traditie inzake intelligence-led policing , die ervoor zorgt dat een beperkte capaciteit zeer gericht kan worden ingezet met het meeste resultaat.

Ik verwijs bijvoorbeeld naar het in 2024 opgestart project Port of Limburg, waarbij onder coördinatie van de gouverneur een integraal veiligheidsplan werd uitgewerkt voor de preventieve en reactieve aanpak van de drugsproblematiek rond de havenfaciliteit van Genk. Binnen die projectmatige aanpak wordt er zowel door private partners, bestuurlijke overheden, het parket als de politiediensten nauw samengewerkt. Dat is bij uitstek een voorbeeld van een Limburgs project waarin beide speerpunten – samenwerking en informatiegestuurde werking – centraal staan. Dat is ook in overeenstemming met onze visie dat tegenover georganiseerde criminaliteit ook een georganiseerde overheid dient te staan.

Tot slot meen ik niet te moeten herhalen dat de regering in de voorbije legislatuur zowel de federale als lokale politie heeft versterkt. Het was immers mijn betrachting om de politie beter achter te laten dan ik ze heb aangetroffen. Het is ook mijn opdracht om dat aan de onderhandelingstafel te doen en voor iedereen die in de toekomst betrokken zal zijn bij het veiligheidsbeleid.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik vind die vraag uiteraard niet uit. Ik signaleer een bericht van de politiezone Lanaken-Maasmechelen, die zelf aangeeft dat ze te weinig federale steun krijgt. Uw antwoord staat haaks op wat die politiezone verklaart. Ze verwijst naar een special assistance unit , die op provinciaal niveau is opgericht om bijstand te kunnen leveren. Ze wijst er ook op dat ze daarvoor moet betalen, terwijl dat voor steun van de federale politie niet nodig is. De politiezone zit op een andere golflengte dan wat u vandaag in uw antwoord laat uitschijnen. Uiteraard moet er samenwerking zijn, maar ik verwijs ook naar haar vraag om in navolging van Antwerpen en Brussel een soort Maasplan op te stellen. Ik hoop dat u dat op tafel legt bij de regeringsonderhandelingen.

De procedure voor het delen van camerabeelden tussen Securail en de politie

Gesteld door

VB Frank Troosters

Gesteld aan

Georges Gilkinet

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frank Troosters vraagt waarom een koninklijk besluit om de toegang van politie tot Securail-camerabeelden te versnellen nog niet is ondertekend, wat nu bureaucratisch en inefficiënt verloopt. Minister Gilkinet wijst de bevoegdheid af: Binnenlandse Zaken (niet hij) moet een samenwerkingsprotocol (geen KB) goedkeuren via de GBA, hoewel de camera-infrastructuur wel al is gefinancierd. Troosters reageert verrast, verwachtte een oplossing voorjaar 2025 en belooft verdere opheldering over verantwoordelijkheden. Kernpunt: vertraging in afstemming politie-Securail door onduidelijke procedures en bevoegdheden.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Uit recente informatie blijkt dat lokale politiekorpsen in België jaarlijks duizenden camerabeelden opvragen bij Securail. De huidige procedure om deze beelden te verkrijgen is echter bureaucratisch en tijdrovend, wat de efficiëntie van politieonderzoeken belemmert.

Er zou een koninklijk besluit klaarliggen om deze procedure te vereenvoudigen en de samenwerking tussen politie en Securail te verbeteren. Dit besluit wacht echter nog op uw handtekening.

Wat is de reden dat dit koninklijk besluit nog niet ondertekend is?

Zijn er specifieke problemen of bezwaren die de ondertekening vertragen?

Wanneer verwacht u dit besluit te kunnen ondertekenen om zo de samenwerking tussen politie en Securail te optimaliseren?

Georges Gilkinet:

Mijnheer Troosters, u moet zich met die vraag richten tot de minister van Binnenlandse Zaken. Ik ben bevoegd voor de NMBS en ik heb middelen gevonden om camerabeelden te maken, maar er is een samenwerking nodig voor het delen van de camerabeelden tussen Securail en de politie. Daarvoor moet u bij de minister van Binnenlandse Zaken zijn.

Zij hoeft geen KB daartoe te ondertekenen. Wel is er een samenwerkingsprotocol nodig en dat moet de goedkeuring krijgen van de GBA. Hoe dan ook, de nodige investeringen in de camera's zijn gedaan.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik ben verbaasd over het antwoord, want ik had andere signalen opgevangen. Ik had begrepen dat alles klaar zou zijn tegen het voorjaar van 2025. Ik hoop dat dat nog haalbaar is. Wie welke KB's moet ondertekenen, zullen wij met andere vragen uitklaren.

De politieke instabiliteit in Frankrijk

Gesteld door

PTB Raoul Hedebouw

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister)

op 5 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Raoul Hedebouw hekelt in het Belgisch parlement het falen van Macrons neoliberale beleid (pensioenverhoging, belastingverlaging voor rijken, onderdrukking van protesten) en diens poging de opkomst van het Nouveau Front Populaire te negeren door een omstreden premier (Barnier) aan te stellen met steun van het extreemrechtse RN. Premier De Croo wijst de "propaganda"-discussie af, benadrukt dat het Belgisch parlement geen platform is voor Franse politiek, en stelt dat regeringsfalen in Europa normaal zijn, maar wijst op EU-budgetflexibiliteit voor hervormingen. Hedebouw linkt de Franse onrust aan dreigende Belgische bezuinigingen (pensioenen, ambtenaren) en roept op tot verzet, terwijl De Croo elke vergelijking met België ontwijkt. Kern: conflict tussen links activisme en institutionele afbakening van debat.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre de Belgique, l'échec du président Macron résonne jusqu'ici en Belgique. Vous l'avez entendu. Comment peut-on se planter autant en tant que président d'une des plus grandes nations d'Europe? Quel plantage industriel!

Macron, le président des riches qui a gouverné contre son peuple! Macron, le président qui a augmenté l'âge de la retraite pour faire travailler les gens de plus en plus longtemps! Macron, l'homme qui a supprimé l'impôt sur la fortune pour augmenter les inégalités en France! Macron, qui a mené une politique autoritaire de répression à coups de matraque contre le mouvement des gilets jaunes, contre les organisations syndicales. C'est l'autoritarisme européen! Macron, qui a décidé d'augmenter le budget militaire français à coups de milliards pour couper dans les dépenses sociales! Voilà le président Macron que beaucoup ont applaudi lorsqu'il a été élu. Quel échec flagrant de l'élite européenne! Quel échec flagrant!

Vous n'aimez pas qu'on le dise! Le président Macron joue un rôle important en France. Je le dis à toutes les couches populaires françaises: la droite en Belgique a peur aussi!

Monsieur le premier ministre, ma question est très simple. Le président Macron a voulu nier la percée du Nouveau Front populaire et a nommé Barnier, un premier ministre illégitime qui a pactisé avec le Rassemblement National. Le gouvernement français a compté sur l'appui du Rassemblement national.

(…) : (…)

Raoul Hedebouw:

Écoutez-les! Monsieur le président, puis-je avoir un peu de temps supplémentaire, s'il vous plaît?

Voorzitter:

Deux secondes!

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre belge, l'arrogance des élites européennes se paie un jour où l'autre. C'est ce qui s'est passé avec le gouvernement français. Allez-vous, au Conseil européen, tirer toutes les leçons (…)

Voorzitter:

Ook al is het met veel pijn in het hart, mijnheer Hedebouw, ik moet uw micro uitzetten. De regels zijn de regels. Ik heb u zelfs een minimale hoeveelheid seconden extra gegeven wegens de onderbrekingen. Gelieve de eerste minister nu de ruimte te laten om te antwoorden.

Alexander De Croo:

Monsieur Hedebouw, je dois avouer ma perplexité face à la manière dont vous utilisez ce Parlement belge pour une sorte de propagande politique. (Brouhaha)

Raoul Hedebouw:

(…)

Alexander De Croo:

Monsieur Hedebouw, chacun a naturellement ses opinions politiques mais au Parlement belge, on discute la situation politique en Belgique. Vous n'avez posé aucune question sur un domaine au sujet duquel le premier ministre belge doit s'exprimer. Pensez-vous sérieusement que je viens ici en me disant que je vais donner mon opinion sur le président français ou le chancelier allemand? Vous semblez vivre dans une utopie politique, monsieur Hedebouw. Vous mettez la tribune au service de votre propagande; cela vous appartient mais cet hémicycle n'est pas le lieu où il convient de le faire. Honnêtement, vous abusez! (Brouhaha)

Voorzitter:

Collega's, laat de premier zich uitdrukken.

Alexander De Croo:

Je constate qu'un gouvernement a échoué en France. Ce sont des choses qui arrivent en politique. Oui, parfois il y a des gouvernements qui vont jusqu'au bout et d'autres qui échouent avant le terme de la législature; cela s'est produit ici sur une discussion budgétaire. Peut-être pouvons-nous aborder brièvement la situation budgétaire en Europe. La Commission européenne donne des possibilités de mener les réformes nécessaires pour apporter des solutions au coût du vieillissement ou par rapport aux besoins d'investissement qui permettront de sécuriser le continent européen. Eu égard à l'évolution de la situation, la Commission a octroyé une période de sept ans pour ce faire.

Voorzitter:

Kunt u afronden, mijnheer de eerste minister?

Alexander De Croo:

Je constate qu'en France, des forces politiques ont rendu impossible la tenue d'un vrai débat (…)

Voorzitter:

Dank u wel, premier.

Dat geeft mijnheer Hedebouw één minuut om een link te leggen met België.

Raoul Hedebouw:

C'est incroyable! Dès qu'il y a de l'instabilité en Afrique, en Amérique latine, en Asie, il n'y a pas de problème! Le débat est open bar ! Mais quand c'est la France, on ne peut rien dire, alors que c'est un pays majeur de l'Union européenne. L'instabilité est présente en France et en Allemagne, et le débat est inexistant sur les bancs de la Chambre. C'est incroyable! Vous vous cachez les yeux. Vous ne voyez pas la réalité aujourd'hui. Et vous avez raison de faire le lien, monsieur le premier ministre, avec toutes les mesures d'austérité que l'Arizona veut instaurer ici en Belgique. Augmenter l'âge de la retraite, sanctionner de plus en plus les fonctionnaires via leurs pensions, faire de la répression, etc. C'est cela qui a explosé à la face des élites.

J'ai envie de dire à la classe ouvrière et aux couches populaires françaises: merci de votre combat. On va s'en inspirer ici en Belgique pour résister à notre gouvernement et à la droite à venir. Bravo, les camarades!

Voorzitter:

Il est clair que la lutte continue.

De duurzaamheid van de nieuwe politie-uniformen

Gesteld door

PS Sophie Thémont

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België werkt aan een nieuw duurzaam politie-uniforme, met een goedgekeurd ontwerp voor de tactische tenue en lopende aanbestedingen, waarbij milieu-eisen (productie, recyclage) in de selectiecriteria worden opgenomen. De oplevering is gepland voor 2026, met aanpassingen aan bestaande contracten om vertraging te voorkomen. De minister bevestigde dat duurzaamheid centraal staat, maar concrete criteria zijn nog niet definitief vastgelegd.

Sophie Thémont:

Madame la ministre, vous aviez lancé, sous la précédente législature, un important chantier afin de revoir l'identité visuelle de la police intégrée. Au sein de ce chantier figurait notamment le développement d'un nouvel uniforme pour nos policiers, mieux adapté aux réalités du terrain et aux évolutions technologiques.

Une question me semble essentielle: celle de la durabilité de ces nouveaux uniformes. En 2017, mon groupe avait ainsi fait adopter par la Chambre une résolution qui recommandait aux pouvoirs publics et aux entreprises publiques d'envisager l'utilisation de vêtements qui répondent aux principes de l'accord sur la protection contre les incendies et la sécurité des bâtiments au Bangladesh pour les vêtements officiels.

À l'instar des mesures prises par la Défense, pourriez-vous m'indiquer où en est le développement de ce nouvel uniforme? Dans ce processus, la question de la durabilité a-t-elle été intégrée tant pour leur production que pour le recyclage des actuels uniformes?

Annelies Verlinden:

Chère collègue Thémont, la police intégrée travaille actuellement à l'appel d'offres ainsi qu'à la poursuite de la mise en œuvre des marchés publics pour l'achat de pièces pour le nouvel uniforme. La norme visuelle pour la tenue tactique du nouvel uniforme vient d'être validée par les différentes instances décisionnelles. Elle servira de fondement à la réalisation des marchés publics pour l'acquisition et l'approvisionnement des différentes pièces de cet uniforme.

En ce qui concerne la procédure d'appel d'offres, les critères d'attribution n'ont pas encore été définis. La question de la durabilité sera bien envisagée dans ces mêmes marchés publics ainsi que dans les processus de gestion de l'uniforme actuel. Afin d'accélérer le projet, la police va adapter les marchés existants ou quasi finalisés, dans l'objectif d'aboutir d'ici à 2026.

Sophie Thémont:

Merci madame la ministre. Vous avez répondu à toutes mes questions sur les critères de la durabilité.

De controles op alcohol in het verkeer
Het aantal alcohol- en drugscontroles door de politie
Het aantal alcohol- en drugscontroles door de politie
Alcohol- en drugscontroles in het verkeer

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken), Georges Gilkinet

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de aanpak van alcohol in het verkeer, met als kernpunt dat de pakkans omhoog moet om ongevallen te verminderen, maar dat gebrek aan centrale registratie van controles (slechts 6 van 113 zones halen de doelstelling van 34% weekendnachtcontroles) en regionale verschillen (o.a. door justitiële prioriteiten en capaciteitsproblemen) gerichte actie bemoeilijken. Minister Verlinden bevestigt dat meer controles effect hebben en wijst op stijgende cijfers bij de federale politie (+30% sinds 2018), maar benadrukt dat lokale zones niet verplicht zijn cijfers te delen—een structureel probleem dat ze via een oproep aan alle zones hoopt aan te pakken. Mentaliteitswijziging en betere samenwerking met justitie blijven cruciaal. Kritiek blijft dat een verplichte centrale registratie en verhoogde controles (met name ’s nachts) dringend nodig zijn, maar concrete stappen ontbreken nog. Capaciteitstekorten en gebrek aan uniform beleid vormen de grootste obstakels.

Wouter Raskin:

Ik wil even teruggrijpen naar een Pano -reportage. Ik heb het niet over degene die laatst zoveel ophef maakte, maar wel over de reportage over verkeersveiligheid, meer bepaald over alcohol in het verkeer. Vooral tijdens weekendnachten gaat het er niet zo goed aan toe, dat hebben we de afgelopen dagen nog kunnen zien. We weten al langer dan vandaag wat de remedie is: meer controleren. De pakkans moet omhoog. Het bleek echter dat we een beetje blindvaren, want cijfers over het aantal controles, die bij de politiezones zitten, worden nergens centraal geregistreerd en geanalyseerd. Daardoor is het heel moeilijk om gericht actie te ondernemen.

Tussen die verschillende politiezones zitten ook grote verschillen. Sommige zones zetten immers zwaar in op verkeersveiligheid, andere veel minder. Vias heeft ook berekend dat 34 % van de controles tijdens weekendnachten zouden moeten plaatsvinden om het risico op rijden onder invloed effectief terug te dringen. Uit cijfers van BOB-campagnes, die dan nog maar een stukje van het jaar beslaan, blijkt dat amper 6 van de 113 zones in Vlaanderen en Brussel dat percentage haalden. Dat brengt me toch bij een aantal vragen.

Bent u het eens dat de pakkans in de eerste plaats omhoog moet om het probleem van alcohol in het verkeer effectief aan te pakken?

We konden ook zien dat de kans op een alcoholgerelateerd ongeval heel erg verschilt van provincie tot provincie. In bepaalde Oost- en West-Vlaamse arrondissementen is de kans meer dan dubbel zo groot als in andere regio's in Vlaanderen. Is dit een gevolg van een gebrek aan controles of ziet u nog andere oorzaken die deze verschillen kunnen verklaren

Politiezones zijn niet geneigd om cijfers vrij te geven over het aantal door hen uitgevoerde controles. Er is ook geen centrale registratie en analyse van die cijfers, waardoor gerichte actie dus bemoeilijkt wordt. Lijkt het u aangewezen, mevrouw de minister, om een centraal register van het aantal controles op poten te zetten?

Ten slotte situeert het grootste probleem zich tijdens de weekendnachten. Net dan wordt er immers minder gecontroleerd. Bovendien is het aantal controles sterk gedaald. De controles door de federale wegpolitie zijn ook gedaald, deels door het personeelstekort. Hoe is het personeelsbestand de afgelopen legislatuur geëvolueerd en wat zijn de vooruitzichten op dat vlak?

Frank Troosters:

Ik verwijs naar dezelfde reportage van het programma Pano waaruit blijkt dat het aantal ongevallen onder invloed van alcohol sinds 2018 met 8 % is gedaald, maar dat het procentuele aandeel van ongevallen waarbij alcohol in het spel was, vergeleken met het totale aantal ongevallen helaas ongewijzigd bleef. De reportage toonde aan dat de federale overheid geen zicht heeft op het totale aantal uitgevoerde verkeerscontroles op alcohol.

Dat verbaasde mij niet. Destijds heb ik uw voorganger, minister De Crem, daar reeds over ondervraagd en hij had toen al dat probleem aangegeven. In het begin van uw ambtstermijn heb ik u daarover ook een schriftelijke vraag gesteld waaruit dat euvel bleek. Daarnaast bleek uit de reportage van Pano ook dat er opmerkelijke regionale verschillen werden vastgesteld inzake ongevallen die alcoholgerelateerd zijn.

Ik heb eerst een evidente vraag. Of het antwoord zal alvast evident zijn. Is er volgens u een verband tussen het aantal uitgevoerde alcoholcontroles, met andere woorden de pakkans, en het aantal ongevallen waarbij alcohol in het spel is?

Bestaat er volgens u een verband tussen het aantal alcoholgerelateerde ongevallen en het tijdstip waarop alcoholcontroles worden uitgevoerd?

Hoe verklaart u de grote regionale verschillen inzake alcoholgerelateerde ongevallen?

Welke stappen hebt u gezet om tot een volledig beeld, met inbegrip van de controles van de lokale politiezones, te komen? Hoe en binnen welke termijn zult u ervoor zorgen dat het aantal alcoholcontroles zal verhogen?

Welke andere acties of maatregelen zult u nog nemen om het aantal alcoholgerelateerde ongevallen terug te dringen?

Annelies Verlinden:

Collega's, we kunnen niet genoeg herhalen dat elk verkeersslachtoffer, gewond of overleden, er een te veel is en dat we er met zijn allen alles aan moeten doen om slachtoffers te vermijden. Aan dat nodeloze leed, die trauma's en dat verlies kunnen we allen samen iets aan doen.

Ook de politie is zich terdege bewust van het feit dat we daaraan aandacht en prioriteit moeten geven en dat ook de pakkans een impact heeft op het gedrag van de gebruikers. Hoe hoger de pakkans, hoe positiever het effect op de verkeersveiligheid. Dat is jammer, want dat vraagt ontzettend veel capaciteit, maar zo is het nu eenmaal.

Algemeen wordt aangenomen dat de frequentie en het tijdstip van de controles het risico op alcohol- of drugsgerelateerde verkeersongevallen doen dalen. Het is dan ook volstrekt verkeerd om zomaar uit die Pano -reportage te besluiten dat de politiediensten het probleem van alcohol in het verkeer stiefmoederlijk zouden behandelen.

Onder meer in het Vlaams Parlement werd gezegd dat het raar is dat er geen cijfers zijn. Ik hoor dat graag zeggen, want het zijn de lokale zones die die informatie soms niet doorgeven aan de federale databanken. Ik heb al eerder gezegd dat ik niet de stief- of schoonmoeder van elke lokale politiezone ben. In bepaalde gevallen kunnen of willen zij die informatie niet delen. Dat heeft vaak te maken met de capaciteitskeuzes die moeten worden gemaakt voor het inzetten van effectieven.

Dat ligt mee aan de grondslag van het feit dat er geen algemene beeldvorming is. Ik ben het met u eens wanneer u zegt dat we moeten blijven zoeken naar manieren om die beeldvorming te verbeteren. Hoe beter de beeldvorming, hoe duidelijker de politiek immers kan zijn, wetende dat bijvoorbeeld ook de inzet van infrastructuur en dat soort zaken een impact kunnen hebben op de verkeersveiligheid.

Er zijn het hele jaar door alcoholcontroles, zowel tijdens gewone interventies als bij ongevallen. Sommigen onder u zijn misschien al gebotst op lokale, kleinere controles op alcohol in het verkeer, maar soms gaat het ook om grotere en aangekondigde acties. Er is zeker ook een verhoogde inzet tijdens de BOB-campagnes en de Weekends zonder alcohol en drugs achter het stuur. Dan wordt er heel gericht met heel veel diensten samengewerkt en wordt ook duidelijk het signaal gegeven dat drinken en drugs gebruiken niet samengaan met rijden.

Wat betreft de regionale verschillen, dient men rekening te houden met een verschil in plaatsgesteldheid tussen de regio's en de arrondissementen. Gerichte acties in landelijke gebieden waar het verkeer minder druk is, zullen uiteraard minder controles opleveren in vergelijking met acties die plaatsvinden langs een drukke weg.

Meestal wordt het verkeerscontrolebeleid bepaald in functie van de plaatselijke context, de vastgestelde veiligheidsfenomenen en het actieterrein van de politiediensten. De procureurs en justitie hebben daar een bijzondere impact op. We hebben in het verleden al gezien dat de procureurs in Oost-Vlaanderen, Limburg of in het zuiden van het land andere richtlijnen geven. Soms verschillen ook de opgelegde sancties. Het gaat immers om strafvervolging en de procureurs en justitie bepalen dan het beleid. Dat hangt dus niet enkel af van de inzet van de politiediensten. Die zijn in die gevallen vaak de uitvoerder van het beleid dat door justitie wordt bepaald.

Het is uiteraard te betreuren dat de zones die informatie niet steeds ter beschikking stellen voor een volledige registratie, want dat is nodig om regionale verschillen te kunnen verklaren. Om het algemene controlebeleid nog beter aan te pakken moeten de controleacties inzake alcohol en drugs geregistreerd worden. We hebben dat al voorzien in de COL 8/2006.

Er zijn zeker politiezones die die cijfers heel nauwgezet bezorgen. Het is dus niet zo dat er geen enkele centrale registratie is, maar het kan nog veel beter. Dat is ook de reden waarom ik dat nog heb besproken met de Vaste Commissie van de Lokale Politie. Er zal een schrijven worden gericht aan alle zones met de vraag om de cijfers nauwgezet door te geven en ter beschikking te stellen voor verdere analyse, zodat de beeldvorming kan verbeteren.

Specifiek voor wat de federale wegpolitie betreft, kan ik nog melden dat het aantal wegcontroles sinds 2018 is gestegen. Na richtlijnen op directieniveau is een recordaantal controles bereikt in 2022, namelijk 298.796 controles. In 2023 was er een nieuw record: 320.634 controles. Dat betekent een stijging van 20 tot 30 % in vergelijking met de voorgaande jaren, en dat ondanks het feit dat we de capaciteit verder invullen, ook bij de federale wegpolitie.

Zoals u beiden gezegd hebt, doen de diensten er alles aan en onderschatten het probleem zeker niet. Ze blijven zich inzetten om de verkeersveiligheid te garanderen en gerichte controles uit te voeren. Ik herhaal dat de politie enkel het sluitstuk is. Met zijn allen hebben we een mentaliteitswijziging nodig. Het is absoluut onaanvaardbaar dat mensen nog achter het stuur kruipen als ze veel gedronken hebben of drugs gebruikt hebben. Zo brengen ze niet alleen hun eigen veiligheid, maar ook die van andere weggebruikers in het gedrang.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, dank u voor uw uitgebreide antwoord. U zei dat ik wellicht ook al eens gecontroleerd ben. Ik moet u zeggen dat dit amper het geval is. Ik ben niet meer bij de allerjongsten, maar toch kan ik het aantal controles dat mij overkomen is makkelijk op de vingers van een hand tellen. Dat wil echter niet zeggen, mocht u het zo begrijpen, dat ik van oordeel ben dat de politiediensten alcohol in het verkeer niet ernstig nemen, integendeel. Daar ben ik mij zeer goed van bewust.

Het probleem is dat het een uitdaging blijft, gelet op de capaciteit en het feit dat er andere prioriteiten zijn, maar er is een positieve kentering merkbaar, heb ik u daarnet horen zeggen. Ik hoorde u ook zeggen dat al verschillende zones hun cijfers wel al goed publiek maken. Maar na de komma zei u bovendien dat er ook zijn die dat niet doen. Ik meen dat het opzetten van een centrale registratiebank, of iets dergelijks, anno 2025 toch geen rocketscience is. Dat is toch iets wat wij beter zouden organiseren.

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Vooreerst, ik zal zeker niet beweren dat de lokale politiezones het probleem van alcohol en drugs in het verkeer stiefmoederlijk behandelen. Ik heb toevallig vanochtend uit Hasselt alle cijfers gekregen van de politiezone LRH. Daar levert men echt wel schitterend werk. Die cijfers waren indrukwekkend. Toen de vivaldiregering aantrad, stond in de formatienota dat men de pakkans wou verhogen en dat men ernaar streefde jaarlijks een op de drie bestuurders te controleren. Sta mij dus mijn vraag toe: waar zitten wij nu? Dan kunnen wij over x aantal jaren zien waar wij eindigen. Ik heb moeten vaststellen dat er buiten de BOB-campagnes geen enkele verplichting was, en dat er bij de lokale politiezones alleen maar op aangedrongen kon worden hun cijfers door te geven. Ik moet nu zovele jaren later vaststellen dat dat blijkbaar nog steeds het geval is. Het is moeilijk om op die manier gericht en goed te kunnen werken. Het voorbeeld is terecht aangegeven door de heer Raskin. Ik heb hier ook voor mij liggen wat Vias berekend heeft. 34 % van de alcoholcontroles zou tijdens de weekendnachten moeten plaatsvinden om het aantal ongevallen met alcohol terug te dringen. Wij kunnen daarop niet gericht werken, omdat we niet weten of de lokale politiezones al dan niet aan dat percentage voldoen. Ik vraag u namens het Vlaams Belang nog twee punten om af te ronden. Maak, ten eerste, werk van een verhoogde pakkans en zorg dat er meer controles komen op drugs en alcohol in het verkeer. Ten tweede, maak werk van een verplichte gecentraliseerde registratie van de uitgevoerde controles.

De beschuldiging van seksistisch gedrag bij de top van een politievakbond

Gesteld door

Ecolo Rajae Maouane

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt dat syndicaal afgevaardigde Thierry Belin (beschuldigd van sexisme, ongewenste avances en een geforceerde kus) als delegé niet onder het disciplinaire statuut van de politie valt tenzij zijn daden losstaan van zijn syndicale taken—wat hier duidelijk het geval is. Ze benadrukt dat zijn chef (lokaal niveau) verantwoordelijk is voor disciplinaire stappen, maar dat zij zijn syndicale erkenning kan intrekken bij bewijs, zonder tot nu toe concrete actie te beloven. Rajae Maouane dringt aan op onmiddellijk ingrijpen, wijzend op eerdere toezeggingen van Verlinden dat dergelijk wangedrag (niet-syndicaal) wel onder haar bevoegdheid valt—met name het intrekken van zijn mandaat—maar krijgt geen duidelijke toezegging op korte termijn. De minister verwijst naar bestrijdingsplannen tegen sexisme bij de federale politie, maar ontwijkt verantwoordelijkheid voor dit specifieke dossier.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, des témoignages préoccupants ont récemment émergé concernant Thierry Belin, une figure francophone du deuxième syndicat policier de Belgique.

Ces témoignages font état de comportements sexistes, d'avances non sollicitées, de propos dégradants et même d'un baiser forcé. Ces faits révélés par une enquête journalistique s'ajoutent à une série de précédents, notamment des critiques publiques sur les réseaux sociaux, entre autres envers une ancienne ministre de l'Enseignement francophone, montrant qu'il ne s'agirait pas d'un cas isolé.

Dans un contexte où nous exigeons une exemplarité totale au sein de la police et des organisations syndicales qui la représentent, ces allégations sont graves. Elles ternissent non seulement l'image du Syndicat national du personnel de police et de sécurité (SNPS) mais aussi celle de l'ensemble des institutions policières.

Ma première question porte sur l'application de la circulaire ministérielle GPI 80 qui encadre les relations syndicales au sein de la police intégrée. Ces comportements sont-ils conformes aux dispositions de cette circulaire, en particulier en ce qui concerne le respect mutuel et l'éthique professionnelle?

Ces faits soulèvent aussi des interrogations sur la culture au sein des organisations syndicales policières.

Des mécanismes de contrôle ou des sanctions existent-ils pour garantir que les représentants syndicaux respectent bien les valeurs fondamentales, notamment l'égalité de genre et le respect des individus? Nous savons que vous êtes sensible à la question de l'égalité de genre.

Il est essentiel de savoir si des mesures concrètes seront prises. Une enquête interne ou une collaboration avec les autorités judiciaires est-elle prévue pour faire la lumière sur ces allégations et garantir qu'il y aura des suites appropriées?

En tant que ministre, quelles initiatives comptez-vous prendre pour renforcer la sensibilisation et la lutte contre le sexisme au sein des syndicats et plus largement au sein des forces de police?

Enfin, quelles actions immédiates comptez-vous entreprendre pour garantir que de tels comportements ne se reproduisent pas et ne restent pas impunis ainsi que pour protéger l'intégrité des services de police?

Madame la ministre, vous partagez sans doute mon avis qu'il est de notre responsabilité de veiller à ce que les institutions policières et leurs représentants syndicaux incarnent les valeurs de respect, d'égalité et de probité que les citoyens attendent d'eux. Nous attendons une réponse claire et forte, qui est nécessaire face à ces révélations.

Annelies Verlinden:

Collègue Maouane, la responsabilité disciplinaire des délégués syndicaux est réglée par l'article 61 de l'arrêté royal du 8 février 2001 portant exécution de la loi du 24 mars 1999 organisant les relations entre les autorités publiques et les organisations syndicales du personnel des services de police. Ce principe est repris dans la circulaire GPI 80 du 17 avril 2014 relative aux relations syndicales au sein de la police et au sein de l'Inspection générale.

Le statut disciplinaire des services de police n'est en effet pas applicable aux délégués syndicaux pour les actes qu'ils accomplissent en cette qualité et qui sont directement liés aux prérogatives qu'ils exercent. En conséquence, un délégué syndical ne peut être sanctionné pour des actes relevant strictement de sa mission syndicale. Ces prérogatives sont définies aux articles 14 et 15 de la loi du 24 mars 1999 qui encadre les missions des organisations syndicales agréées et représentatives. Cette protection ne s'étend bien entendu pas aux actes qui excèdent les limites de sa mission ou qui sont exercés de manière illégitime. Dans ce cas, des sanctions peuvent évidemment être prises.

Quant à votre question visant une éventuelle enquête ou des mesures disciplinaires, je tiens à rappeler que le délégué syndical concerné fait partie de la police locale, raison pour laquelle je n'ai pas de compétences pour une quelconque enquête interne. De facto , je ne suis pas son autorité disciplinaire. Dans ce cas, l'appréciation de l'opportunité d'une éventuelle procédure disciplinaire est de la responsabilité de son chef de corps. Mes prérogatives concernent, si l'enquête devait révéler des éléments probants, le retrait de son agrément de délégué syndical.

Au sein de la police fédérale, le plan d'action sur les comportements indésirables aborde la question du sexisme. Celui-ci comprend une catégorie de comportements indésirables, l'analyse de la culture organisationnelle par le biais de sessions interactives et l'enquête en ligne. Sur cette base, des recommandations et des actions seront proposées et, après validation, mises en œuvre. Les comportements et commentaires inappropriés concernant le genre sont l'un des thèmes de ce plan. Mon rôle dans ce domaine est principalement de veiller non seulement à ce que l'attention nécessaire sur le plan politique soit accordée à cette problématique mais aussi à ce que des plans d'action soient élaborés à cet effet.

Comme je viens de le dire, beaucoup de choses sont entreprises au niveau organisationnel. Il est également essentiel que si de tels faits se produisent au niveau individuel, tout le monde prenne ses responsabilités et agisse.

Rajae Maouane:

Merci, madame la ministre. Une de mes collègues qui n'est plus députée aujourd'hui, Julie Chanson, vous avait posé une question. Dans votre réponse du 13 juillet 2022, vous avez souligné que cette mesure relevait de vos compétences discrétionnaires en précisant que cela doit s'appuyer sur une analyse rigoureuse et contextualisée. Vous avez également indiqué que l'application d'une telle mesure nécessite d'évaluer si les comportements sont strictement liés aux prérogatives syndicales. Ce n'est pas le cas ici, puisqu'il est très compliqué de rattacher ces comportements – on parle d'attitudes sexistes, d'avances non sollicitées et de baisers forcés – à des activités syndicales. Vous avez indiqué également que vous respecterez dans tous les cas les principes fondamentaux comme une audition de l'intéressé, etc.

Aujourd'hui, nous sommes dans un cas concret qui implique ce délégué syndical dont le comportement n'est pas respectueux – c'est en tout cas ce que révèle l'enquête journalistique – puisqu'il a des propos et attitudes sexistes, fait des avances non sollicitées, tient des propos dégradants et, je le redis, a forcé un baiser. Ces faits sont susceptibles de constituer une atteinte grave à la neutralité et à l'éthique attendues, comme vous le dites en évoquant la circulaire GPI 80. C'est la raison pour laquelle votre réponse me laisse un peu sur ma faim, puisque ces débordements ne relèvent pas des activités syndicales de l'intéressé.

Comme vous l'avez souligné dans votre réponse du 13 juillet 2022, vous avez la possibilité d'intervenir et j'attends donc que vous interveniez à ce niveau.

Voorzitter:

Ik zal het geduld van de heer Vandemaele belonen. Ik zal mijn twee vragen met nrs. 56001256C en 56001258C uitstellen tot een volgende commissievergadering. De vragen van mevrouw Delcourt met nrs. 56001262C en 56001264C worden omgezet in schriftelijke vragen. Het woord is dus aan de heer Vandemaele.

De ondersteuning voor politieraadsleden met een handicap

Gesteld door

Groen Matti Vandemaele

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de ongelijke vergoeding voor vertrouwenspersonen die politieraadsleden (vs. gemeenteraadsleden) bijstaan: in Vlaanderen en Brussel krijgen zij geen presentiegeld (door een federale regel die analogie met gemeenteraadsleden volgt), terwijl gemeenteraadsleden dat wel ontvangen. Minister Verlinden erkent het communautaire kluwen als oorzaak en belooft een wetgevend initiatief om dit op te lossen, ondanks de beperkte budgettaire impact. Vandemaele toont zich tevreden met de bereidheid tot aanpassing, benadrukkend dat dit inclusie bevordert. De commissie sluit af met instemming over een toekomstige oplossing.

Matti Vandemaele:

Bedankt, mijnheer de voorzitter, voor zoveel inschikkelijkheid.

Mevrouw de minister, mijn vragen zijn ook wat tijdsgebonden. De gemeenteraadsleden zijn dezer dagen immers allemaal de eed aan het afleggen. De politieraadsleden zullen dat binnenkort ook doen.

In Vlaanderen kunnen leden van de gemeenteraad een beroep doen op een vertrouwenspersoon, die hen ondersteunt om hun gemeenteraadswerk uit te oefenen om zo de belemmering die ze ondervinden door hun handicap deels weg te nemen. Zo kunnen ze op een goede manier participeren aan de besluitvorming van de lokale besturen.

Diezelfde vertrouwenspersoon is ook voorzien voor politieraadsleden. Daar is er echter geen vergoeding voorzien. Dat is een verschil waarvan ik mij niet goed kan inbeelden wat de oorzaak zou zijn. De budgettaire impact van de inspanning om ook vertrouwenspersonen voor politieraadsleden te vergoeden zou namelijk ook bijzonder klein zijn.

Mevrouw de minister, deelt u deze analyse? Bent u bereid om dat op te lossen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vandemaele, artikel 22 van de wet GPI vormt de juridische basis voor de regeling inzake de bijstand door vertrouwenspersonen aan leden van de politieraad. Uit de historiek van dat artikel en de parlementaire voorbereiding bij de wijziging ervan, blijkt dat het doel was de regeling van de nieuwe gemeentewet over te nemen voor bijstand door vertrouwenspersonen aan politieraadsleden, dus naar analogie van wat bestaat voor gemeenteraadsleden. In die regeling was bepaald dat geen presentiegeld werd toegekend aan vertrouwenspersonen die politieraadsleden bijstaan. Aangezien die bepaling in de federale nieuwe gemeentewet werd opgeheven, wordt in het artikel 22 momenteel verwezen naar de toepasselijke regelgeving in de deelstaat in kwestie. Ook een opmerking van de Raad van State in die zin werd daarin verwerkt.

Wat het presentiegeld betreft, creëert deze toepassing van de deelstatelijke regelgeving naar analogie een gedifferentieerde aanpak. De vertrouwenspersonen die in Vlaanderen en Brussel een gemeenteraadslid bijstaan, ontvingen immers wel presentiegeld, maar de vertrouwenspersonen in Wallonië niet. Om die reden oordeelden mijn diensten eerder dat geen presentiegeld kon worden toegekend aan vertrouwenspersonen die politieraadsleden bijstaan. U ziet dat een communautair kluwen ook een impact heeft op deze vergoeding.

Weliswaar, en ook omdat dit zoals u aangeeft geen grote budgettaire consequenties zal hebben, heb ik evident geen probleem met de toekenning van presentiegeld aan die vertrouwenspersonen, wel integendeel. Ik zal aan mijn administratie dan ook vragen om de kwestie te herbekijken, desgevallend met een wetgevend initiatief dat door de volgende regering kan worden genomen, om ervoor te zorgen dat het presentiegeld voor vertrouwenspersonen van politieraadsleden geëvalueerd kan worden.

Matti Vandemaele:

Ik ben een beetje verbaasd over uw antwoord, want ik had vanuit Vlaanderen opgevangen dat men daar ook als vertrouwenspersoon geen presentiegeld kreeg. Ik meen van u te hebben gehoord dat er in Vlaanderen in de politieraad presentiegeld aan vertrouwenspersonen wordt betaald.

Annelies Verlinden:

(…) In Vlaanderen en Brussel aan de gemeenteraadsleden wel, en in Wallonië niet. Men heeft wegens de analogie gemaakt tussen de politieraadsleden en de gemeenteraadsleden geoordeeld dat men het niet kon doen. Die bevoegdheid voor de gemeenteraadsleden is overgeheveld naar de deelstaten en daardoor is een verschillende aanpak ontstaan. De politieraadsleden volgen de aanpak van de gemeenteraadsleden, waardoor er geen volstrekte analogie meer mogelijk was.

Daarom heb ik gezegd dat het communautaire kluwen ook doorwerkt in de politieraad. Om die reden zullen we dus allicht een bijzonder wetgevend kader voor de vertrouwenspersonen politieraadsleden moeten uitwerken.

Matti Vandemaele:

Nu ben ik helemaal mee. Ik ben in die zin heel tevreden met uw antwoord. U geeft aan dat er bereidheid is om dat probleem aan te pakken. Elke stap in de richting van de bevordering van inclusie is een stap voorwaarts. We zullen dat wetgevend initiatief dan met z'n allen kunnen steunen.

Voorzitter:

Dat denk ik ook. We sluiten de commissie af met een positieve noot. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.00 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 00.

De deloyale en onwettige Spaanse migratiepolitiek en de nood aan Europese actie daartegen

Gesteld door

N-VA Maaike De Vreese

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kritiseert Spanjes plan om 300.000 illegale migranten per jaar (2025-2027) te regulariseren, omdat dit illegale migratie beloont, Schengenregels schendt en doorstroom naar andere EU-landen (zoals België) stimuleert. Staatssecretaris De Moor stelt dat Spanje binnen zijn bevoegdheid handelt en wijst formele kritiek af, maar belooft het informeel aan te kaarten in de JBZ-Raad (12 december), benadrukkend dat Spaanse vergunningen geen rechten in België geven. De Vreese blijft bezorgd over doorstroom en eist nadrukkelijke EU-actie, met een vervolgvraag over de Spaanse reactie na het overleg.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de staatssecretaris, de socialistische regering van eerste minister Sanchez in Spanje kondigde aan per jaar zowat 300.000 mensen in illegaal verblijf te regulariseren in 2025, 2026 en 2027. In de praktijk gaat het om asielzoekers die op illegale wijze de Schengenzone binnendrongen via mensensmokkel, dan wel langer in de Schengenzone bleven dan hun visum of visumvrijgesteld paspoort toeliet. Daarmee geeft de Spaanse regering een totaal verkeerd signaal. Illegale binnenkomst via mensensmokkel noch het negeren van de vervaldatum van een visum mag worden beloond met een legaal verblijf. Dergelijke maatregel is behalve deloyaal ook onwettig voor een lid van de Schengenzone. Het lidmaatschap daarvan veronderstelt immers het bestrijden van illegale migratie en niet het aanvaarden en faciliteren ervan.

Daarenboven zullen de verblijfsvergunningen die Spanje in dat verband zal uitreiken,ook een negatief effect hebben op de Schengenzone als geheel. Nog meer mensen zullen proberen met mensensmokkel via Spanje Europa te bereiken.

De verblijfsvergunningen die Spanje uitreikt, geven ook recht op vrije circulatie in de Schengenzone, met bijkomende asielaanvragen of andere aanvragen in lidstaten als Frankrijk en België tot gevolg, zoals we in 2009 al hebben gezien.

Tijdens de commissievergadering van 6 november 2024 stelde ik u over de materie reeds een vraag. Toen gaf u aan dat u daarover uiteraard in contact zou treden met uw Spaanse ambtgenoot. Er is volgens ons echter nog veel meer nodig dan louter bilateraal overleg. U dient de kwestie ook aan te kaarten op Europees niveau, opdat de Europese Raad en de Europese Commissie de Spaanse regering herinneren aan haar verplichtingen als lid van de Schengenzone.

Hebt u ondertussen reeds contact opgenomen met uw Spaanse ambtgenoot? Wat was het concrete resultaat daarvan? Indien niet, wanneer plant u dat te doen?

Zult u de onwettige en deloyale houding van Spanje in de Europese Raad aankaarten?

Nicole de Moor:

Zoals ik tijdens de vorige commissievergadering al heb aangegeven, beschikken Europese lidstaten inderdaad over beleidsruimte met betrekking tot verblijf op hun grondgebied. Het is dan ook niet aan mij om formeel kritiek te uiten op een binnenlandse beslissing die volledig binnen die wettelijke en politieke beleidsruimte valt. België zou evenmin een Europese inmenging in zijn regularisatiebeleid waarderen.

Laat dat ook duidelijk zijn: het Belgische regularisatiebeleid staat zeer ver af van het Spaanse voorbeeld. Mijn Spaanse collega moet mij daarover ook niet formeel aanspreken of berispen. Op een informele manier zal ik het punt uiteraard wel bij een volgende gelegenheid, de JBZ-Raad van 12 december, onder de aandacht brengen bij mijn collega's en dus ook bij mijn Spaanse collega.

Ik wil u er ook aan herinneren dat een verblijf dat door Spanje wordt toegekend, geen recht geeft op verblijf in België. Voor die personen geldt evenmin een recht op werk, sociale rechten of bijstand in ons land.

Maaike De Vreese:

De maatregel opent hier inderdaad geen rechten, maar de betrokkenen zullen wel naar hier doorstromen. Ik wou natuurlijk liever dat het niet zo was, maar het verleden heeft al aangetoond dat een dergelijke maatregel ook een impact bij ons heeft. Daarom is het zeer belangrijk dat u de kwestie op het overleg met uw Spaanse collega op 12 december zeker en vast aankaart. Ik zal u nadien ondervragen over zijn reactie. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.16 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 16.

De afschaffing van UNRWA
Het voorstel van Josep Borrell om de politieke dialoog tussen de EU en Israël op te schorten
De Israëlische wet waarmee UNRWA van het Israëlische grondgebied verbannen wordt
Het VN-rapport waaruit blijkt dat de methoden van Israël kenmerkend zijn voor een volkenmoord
Het verbieden van alle UNRWA-activiteiten door Israël
De betrekkingen tussen de EU en Israël
De sancties tegen Israël
De Belgische reactie op de afschaffing van UNRWA
Internationale spanningen rond Israël, UNRWA en EU-betrekkingen

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 20 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische parlementariërs en minister Lahbib (Buitenlandse Zaken) discussiëren over Israëls verbod op UNRWA—een cruciale VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen—en de humanitaire crisis in Gaza, met beschuldigingen van genocide en schendingen van internationaal recht. België steunt UNRWA politiek, financieel en juridisch, dringt binnen de EU aan op naleving van het associatieakkoord (art. 2: mensenrechten) en roept Israël op de wet in te trekken, maar concrete sancties of een EU-brede opschorting blijven uit door gebrek aan unanimiteit. Kritiek richt zich op Belgiës terughoudendheid—geen wapenembargo, geen importverbod op nederzettingsproducten—terwijl parlementsleden eisen dat België unilateraal optreedt (bv. handelsbeperkingen) en zich aansluit bij Zuid-Afrika’s ICJ-zaak tegen Israël voor genocide. Lahbib benadrukt diplomatieke druk (o.a. via VN, bilaterale contacten) en humanitaire hulp, maar erkent dat Europese verdeeldheid actie blokkeert.

Annick Lambrecht:

Mevrouw de voorzitster, mevrouw de minister, het Israëlische Parlement heeft een wetsvoorstel goedgekeurd om de activiteiten van UNRWA, de VN-organisatie voor de Palestijnse vluchtelingen, op het territorium van de Staat Israël te verbieden. De wet verbiedt alle activiteiten van UNRWA op Israëlisch grondgebied vanaf 2025, met inbegrip van Oost-Jeruzalem. De facto zal de organisatie haar activiteiten in de Palestijnse gebieden, in de Gazastrook, op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem niet meer kunnen voortzetten, omdat Israël alle grensovergangen controleert.

De FOD Buitenlandse Zaken stelt dat de uitwijzing een rampzalig precedent schept dat het multilaterale systeem en de Verenigde Naties zelf diep ondermijnt. De FOD erkende ook de cruciale en onvervangbare rol van het VN-agentschap. Ons land betreurt dat de krachtige oproepen van de internationale gemeenschap opnieuw zijn genegeerd. De wetten in kwestie zijn een directe schending van de verplichtingen van Israël onder het internationaal recht, zo klinkt het in een persbericht.

Buitenlandse Zaken stelt uiterst bezorgd te zijn over de gevolgen die de uitvoering van de wetten zal hebben voor de miljoenen Palestijnse vluchtelingen, die voor hun levensonderhoud en waardigheid afhankelijk zijn van de noodzakelijke diensten van UNRWA. Ons land herhaalde ook de oproep aan de Israëlische regering als bezettingsmacht om zich te houden aan haar internationale verplichtingen, zoals het ongehinderd mogelijk maken van humanitaire hulp in al haar vormen.

Zolang er geen wereldwijde, rechtvaardige en duurzame oplossing is voor het conflict en de status van de Palestijnse vluchtelingen, is het mandaat van UNRWA van vitaal belang, omdat het volgens de FOD de verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties ten aanzien van de Palestijnse kwestie vertegenwoordigt.

Mevrouw de minister, ik heb de hiernavolgende vragen.

Ten eerste, welke inspanningen levert België om UNRWA politiek te steunen in die context?

Ten tweede, welke acties worden binnen de Verenigde Naties ondernomen om Israël onder druk te zetten om de beslissing te herzien en niet uit te voeren?

Ten derde, hoe dringt u er bij Europa op aan om UNRWA te blijven ondersteunen?

Ten vierde, welke inschatting hebt u zelf van de humanitaire situatie in Gaza en de West Bank?

De voorzitster : U ziet de klok hier vooraan. Het is geen probleem, maar ten bate van de andere leden beperkt u uw vraag beter tot twee minuten. Ik hoop dat u ze ziet, want ik zie ze niet. U bent dus gewaarschuwd.

Christophe Lacroix:

Merci, madame la présidente. Si on a deux questions, a-t-on droit à deux fois deux minutes?

Madame la ministre, merci d'être présente pour répondre à nos questions sur un sujet majeur qui a déj à été évoqué à de nombreuses reprises. Mes interventions se situeront sur deux niveaux: la volonté de Josep Borrell de suspendre le dialogue politique entre l'Union européenne et Israël et la loi israélienne visant à supprimer l'UNRWA.

Le 14 novembre, le chef de la diplomatie européenne – ce n'est pas n'importe qui – a proposé aux Vingt-sept de suspendre le dialogue politique instauré entre l'Union européenne et Israël. Dernièrement, il a déclaré qu'il avait épuisé tous les mots pour qualifier ce qu'Israël commettait en Palestine. Le dialogue était prévu dans le cadre de l'accord d'association entre Israël et l'Union européenne qui est entré en vigueur en juin 2000. Les vingt-sept É tats membres s'étaient mis d'accord en mai – nous sommes en novembre – pour demander une réunion du Conseil d'association entre Israël et l'Union européenne pour examiner notamment la situation des droits humains à Gaza, mais cette réunion n'a toujours pas eu lieu faute d'accord sur l'agenda.

Comme vous le savez, mon parti est favorable à la suspension de l'accord d'association Union européenne-Israël. Cette position se fonde sur l'article 2 de cet accord qui impose aux parties le respect des droits humains et des principes démocratiques comme étant un élément essentiel de l'accord. En outre, la Cour internationale de Justice a rendu trois ordonnances conservatoires concernant Israël, notamment sur l'obligation d'acheminement de l'aide humanitaire, et la Cour pénale internationale a demandé un mandat d'arrêt concernant le premier ministre israélien. Vous savez comme moi que sur base des différentes décisions de la Cour internationale de Justice, l'Assemblée générale de l'ONU a fixé, le 18 septembre dernier, un cap pour contraindre – ou à tout le moins inciter – les É tats nationaux à prendre des décisions en la matière en leur donnant un délai de douze mois.

Madame la ministre, comment la Belgique se positionnera-t-elle pour donner suite très rapidement à l'appel de Josep Borrell?

S'agissant de l'interdiction de l'UNRWA, fin octobre, le Parlement israélien a adopté cette fameuse loi qui vise à interdire une agence humanitaire des Nations Unies – qui n'est pas, comme le prétendent certains, un réseau d'islamistes terroristes – qui opère sur le territoire d'Israël. Cette interdiction pourrait entrer en vigueur dans les trois mois qui suivent l'adoption du projet de loi et rien ne laisse présupposer aujourd'hui que le premier ministre israélien et le Parlement israélien feraient marche arrière.

Cette loi interdit à l'UNRWA d'opérer dans les zones sous contrôle israélien, ce qui entraînerait la fermeture de ses locaux dans les territoires palestiniens occupés: la Cisjordanie, y compris Jérusalem-Est occupée, et Gaza.

La législation proposée mettrait fin immédiatement à l'accord conclu entre Israël et l'UNRWA en 1967, dans lequel Israël s'engageait à faciliter le travail de l'UNRWA. Cela paralysera effectivement la capacité de l'agence à remplir son mandat tel qu'il a été défini par l'Assemblée générale des Nations Unies en 1949.

Tout cela peut sembler assez éloigné et assez technique, mais cette interdiction pourrait entraîner l'expulsion du siège et des bureaux de l'UNRWA et entraver gravement sa capacité à agir sur le terrain et à fournir des services essentiels tels que les soins de santé et l'éducation à des millions de réfugiés palestiniens.

Madame la ministre, comment la Belgique a-t-elle réagi à cette annonce? Pouvez-vous me garantir que la Belgique continuera à soutenir l'UNRWA, comme elle l’a toujours fait depuis très longtemps, et qu'elle prendra enfin des sanctions à l'égard d'Israël pour ses actes génocidaires, en lien avec la résolution de l’ONU?

Rajae Maouane:

Madame la ministre, permettez-moi d'abord de vous féliciter pour le grand oral que vous avez passé avec succès. Pour en revenir à l'actualité, chaque jour apporte son lot de nouvelles dramatiques en provenance du Proche-Orient.

Tout d'abord, cette décision récente du parlement israélien qui, en adoptant des lois, a interdit les opérations de l'UNRWA en Israël, réduisant donc son accès aux territoires palestiniens en Cisjordanie occupée et à Gaza. Cette décision a un impact direct sur l'accès à des services humanitaires, comme l'éducation ou la santé, pour les Palestiniens et Palestiniennes réfugiés.

Quelle réaction la Belgique a-t-elle mis en avant face à cette interdiction? Comment la Belgique continuera-t-elle à soutenir l’UNRWA et à permettre à ses services de continuer à fonctionner? Est-ce que vous envisagez de prendre des sanctions contre Israël, comme les écologistes le demandent depuis de nombreux mois?

L'autre aspect de ma question a trait au fait que les personnes qui utilisent le terme "génocide" pour décrire ce qui se passe à Gaza se sentent de moins en moins seuls. En effet, le rapport de la Rapporteure spéciale de l'ONU – Francesca Albanese – indique que trois des actes de génocide définis par la convention ont été commis contre les Palestiniens à Gaza: meurtre, atteinte à l’intégrité physique ou mentale et soumission à des conditions de vie destructrices. Elle évoque une volonté de destruction physique des Palestiniens, soutenue par une rhétorique anti-palestinienne omniprésente, visant à éradiquer ce groupe. On parle également de nettoyage ethnique, ce sont donc des termes très forts. Elle dénonce le fait que les dirigeants israéliens incitent publiquement à des actions génocidaires, sans distinction entre civils et combattants.

Elle rappelle également que la Cour internationale de Justice et la Cour pénale internationale devront examiner la situation, mais estime que les États ont désormais la responsabilité d'agir face à ces accusations, ce qui engage donc la responsabilité de la Belgique. Par conséquent, face aux conclusions de ce rapport alarmant, et alors que nous assistons à la destruction méthodique du peuple palestinien, qu’attend la Belgique pour condamner fermement ces actes et imposer des sanctions contre Israël? Comment justifiez-vous l'absence de sanctions de la Belgique alors que des actes de génocide sont commis? Comment la Belgique entend-elle prendre davantage position face à cette impunité qui, selon l'experte, mène à une tragédie annoncée?

Els Van Hoof:

Mevrouw de minister, de heer Lacroix verwees al naar de uitspraak op de Raad van 18 november van Hoge Vertegenwoordiger Borrell om de politieke dialoog met Israël op te schorten. Gelet op de oorlog wordt al langer opgeroepen om de relatie tussen de EU en Israël te herbekijken, bijvoorbeeld via een herziening van het associatieakkoord. In de commissievergadering van 16 oktober verklaarde u nog dat ons land pleit voor de bijeenroeping van de Associatieraad om de naleving van de mensenrechtenclausule te evalueren.

In een recent rapport herinnerde de VN-mensenrechtencommissaris de VN-lidstaten aan hun verplichtingen om schendingen van het internationaal humanitair recht te voorkomen. Ook riep hij op om het werk van het Internationaal Strafhof te ondersteunen.

België ondersteunt het Internationaal Strafhof al aanzienlijk. Maar zal ons land het Internationaal Strafhof extra financieel ondersteunen of zullen wij bijkomende experts via het Internationaal Strafhof leveren?

Wat werd er in de vergadering van 18 november van de Raad met betrekking tot de oorlog in Gaza en Libanon besproken? Welk standpunt heeft ons land er ingenomen? Werd er een beslissing over het associatieakkoord genomen?

Ayse Yigit:

Mevrouw de minister, sinds oktober 2023 zijn we getuige van ongekende en gruwelijke militaire aanvallen in Gaza, de Westelijke Jordaanoever en ondertussen ook Libanon. Minstens 45.000 Palestijnen zijn gedood. Israël gebruikte meer dan 85.000 ton bommen, meer dan de totale hoeveelheid die tijdens het eerste jaar van de Eerste Wereldoorlog is gebruikt. De vernietiging treft vooral de Gazastrook, waar de levensomstandigheden bijna ondraaglijk zijn geworden en waar de dreigende uitzetting van het United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) de toegang tot basisvoorzieningen voor miljoenen burgers in gevaar brengt.

Belgische burgers uiten hun verontwaardiging en eisen maatregelen. Volgens een enquête van 11.11.11 steunt 54 % van de Belgen sancties tegen Israël, eist 73 % een onmiddellijk staakt-het-vuren en wil de helft een handelsembargo tegen de illegale nederzettingen. Ondanks de groeiende roep van de burgers en het bewijs van flagrante mensenrechtenschendingen heeft België nog altijd geen harde maatregelen genomen.

Op 18 september nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met steun van België een resolutie aan omtrent de door Israël illegaal bezette Palestijnse gebieden. Als VN-lidstaat hebben we de plicht om op te treden tegen die illegale bezetting en over te gaan tot concrete maatregelen. Israël beweegt zich momenteel in een context van gehele straffeloosheid. Het is duidelijk dat het ons niet aan opties ontbreekt, maar aan politieke wil om actie te ondernemen en Israël sancties op te leggen.

Kunt u uitleggen waarom ons land nog altijd geen doortastende maatregelen heeft genomen, in het bijzonder sancties en de stopzetting van de wapenverkoop aan en wapendoorvoer naar Israël?

Waarom neemt België geen actieve positie in om het associatieakkoord tussen de EU en Israël op te schorten, aangezien Israël artikel 2 van dat akkoord schendt?

Waarom is er nog altijd geen importverbod op producten uit de door Israël illegaal bezette Palestijnse gebieden?

Staf Aerts:

Mevrouw de minister, bij de Palestijnse bevolking vielen al meer dan 40.000 doden, onder wie meer dan 15.000 kinderen. Dat is al vaker gezegd. Die mensen sneuvelen soms bij bombardementen, maar evengoed door sluipschutters. Volgens de VN lijdt de volledige bevolking van Gaza honger.

Twee dagen geleden tweette u: "In Oekraïne, het Midden-Oosten en de rest van de wereld moet het internationaal recht ons enige kompas zijn. We kunnen niet toelaten dat deze principes straffeloos worden geschonden." Ik juich dat toe, want dat komt exact overeen met het standpunt van Groen gedurende die hele crisis.

Schendt Israël het internationaal recht? Het antwoord is toch duidelijk volmondig ja. Human Rights Watch heeft al eerder vastgesteld dat Israël in Gaza oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid begaat. Collega Maouane wees er al op dat een speciale VN-commissie vorige week stelde dat de oorlogspraktijken in Gaza overeenkomen met de eigenschappen van genocide.

Na woorden is het nu dus tijd voor daden. In al die chaos speelt UNRWA een ongelooflijk belangrijke rol voor de inwoners van Gaza zelf. UNRWA runt de broodnodige ziekenhuizen in barre omstandigheden, staat in voor voedselbedeling en zorgt voor gezuiverd water, cruciaal voor de Gazanen. Nu wil Israël UNRWA verbieden. Dat is niet minder dan een ramp voor de twee miljoen burgers ter plaatse.

Mevrouw de minister, wat zal België doen om die catastrofale en ongeziene ban op UNRWA tegen te houden? Welke stappen zult u zetten?

De Belgische regering kondigde in het verleden aan dat ze zich zou aansluiten bij de zaak die Zuid-Afrika aanhangig maakte bij het Internationaal Gerechtshof om te bewijzen dat Israël met zijn militaire aanval het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide schendt. Hoever staat de Belgische regering met dat aansluiten, met het indienen van een positie bij het Internationaal Gerechtshof? Wanneer mogen we de nodige stappen verwachten?

Zal de Belgische regering het initiatief nemen om de VN-Mensenrechtenraad, waarvan België lid is, bijeen te roepen voor een speciale sessie over de schendingen van het oorlogsrecht in Libanon? Ook daar zijn op amper twee maanden tijd alleen al meer dan 200 kinderen gesneuveld, dus ook daartegen moeten we absoluut actie ondernemen.

De voorzitster : Wensen leden zich aan te sluiten bij de vragen in het debat?

Nabil Boukili:

Je n’ai pas déposé de question mais je tenais à participer au débat, surtout à la suite de l’échange que nous avons eu ce matin avec le premier ministre, notamment dans le cadre du débriefing du sommet européen et le deux poids deux mesures dans la façon de traiter, d’une part, la Russie par rapport à l’Ukraine et, d’autre part, Israël par rapport à Gaza, alors que la Russie comme Israël violent tous deux le droit international, à la différence près qu’Israël va encore plus loin en matière de crimes de guerre et de crimes contre l’humanité.

La réponse du premier ministre était similaire à vos réponses précédentes, madame la ministre. M. De Croo nous a en effet dit que la Belgique faisait des efforts et que l’Union européenne s’efforçait d’aller vers la paix, mais que la situation était compliquée et nécessitait des accords. J’ai posé une nouvelle fois la question au premier ministre mais je n’ai pas eu de réponse à la question suivante: comment l’Union européenne – ou le monde occidental, de manière générale – peut-elle prétendre qu’elle veut la paix dans la région, tout en fournissant des armes à Israël?

En effet, les É tats-Unis fournissent pour plus de 20 milliards d’euros d’armes à Israël, mais il y a aussi l’Allemagne: 30 % des armes achetées par Israël proviennent d’Allemagne! Cela signifie que nous avons donc un pays au sein de l’Union européenne qui déclare qu’on veut la paix mais qui vend des armes à Israël! Dès lors, je me demande si l’Union européenne aurait accepté qu’un pays de l’Union envoie des armes à la Russie lors de son agression contre le peuple ukrainien. De même, aurait-on accepté de maintenir des relations économiques privilégiées avec la Russie – par le biais de l'accord d’association – pendant qu’elle agresse l’Ukraine? Pourquoi l’accepter pour Israël?

Comment pouvons-nous être crédibles à l’échelle internationale en propageant des valeurs tout en faisant preuve d’hypocrisie dans la gestion du conflit au Moyen-Orient?

Benoît Lutgen:

Merci, madame la ministre. Nous avons effectivement déj à eu, en partie, un débat avec le premier ministre ce matin dans le cadre des avis pour les questions européennes. Je pense que passer par l'Union européenne et le Conseil s'impose comme seule voie possible pour tenter de dégager un consensus.

Je voudrais tout d'abord vous remercier pour tous vos efforts déployés ces derniers mois pour rechercher un consensus dans ce conflit. On sait que les positions sont pour le moins divergentes au sein du Conseil en la matière. Sur la position de Borrell – votre futur collègue avec Mme Kaja Kallas –, avez-vous eu des contacts sur ce sujet en particulier, plus globalement sur le conflit ou encore par rapport aux propositions qu'il a développées?

Je tenais à terminer en vous remerciant au nom des Engagés pour votre travail. Vous allez exercer des responsabilités importantes et nous espérons que vous pourrez les mener de la même façon dans les prochaines années à un autre niveau de pouvoir avec tous vos collègues, notamment au travers de la gestion des crises. Merci beaucoup.

Hadja Lahbib:

Je vous remercie pour toutes vos questions qui me ramènent à un débat que nous avons eu avant-hier au Conseil Affaires étrangères de l'Union européenne. Ce débat fut animé autour de la situation humanitaire à Gaza, en Cisjordanie et au Liban. Nous n'avons évidemment pas parlé que de ces sujets mais aussi des lois israéliennes à l'encontre de l'UNRWA.

De Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de heer Borrell, voor wie het de laatste Raadsvergadering was, heeft voorgesteld om de politieke dialoog tussen de EU en Israël op te schorten wegens het niet respecteren van de mensenrechten. Het respecteren van de mensenrechten is gestipuleerd in artikel 2 van de associatieovereenkomst.

Vous me demandez quelle était la position que j'ai défendue au nom de la Belgique. Tout d'abord, j'ai partagé l'analyse du représentant spécial européen pour les droits humains selon laquelle des violations des droits humains et du droit international humanitaire sont commises par le gouvernement israélien et que cela devait donc absolument entraîner des conséquences.

La proposition du représentant Borrell nécessitait l'unanimité mais elle n'a pas été trouvée. Elle a même été loin d'être trouvée. J'ai donc répété la position belge demandant le plus vite possible la tenue d'un Conseil d'association avec Israël, lors duquel le dialogue se focaliserait sur le respect de cet article 2.

J'ai également réitéré que le respect du droit international devait demeurer notre seule et unique boussole et qu'il devait être respecté partout, de façon indifférenciée et sans double standard. J'ai aussi appelé les États membres à mener une analyse plus approfondie sur la conformité de l'Union européenne à l'avis consultatif de la Cour internationale de Justice sur l'occupation israélienne illégale des territoires palestiniens occupés et à prendre des nouvelles mesures dans le cadre européen et à s'y conformer.

Veel lidstaten, waaronder België, pleiten met de nodige juridische grondslag in de Raad voor bijkomende sancties tegen gewelddadige kolonisten en het Hamasregime.

Le Conseil Affaires étrangères a aussi abordé les récentes lois israéliennes anti-UNRWA, appelons-les ainsi. La plupart des États membres, parmi lesquels la Belgique, se sont exprimés en faveur de la poursuite du soutien juridique, financier et politique à l'UNRWA. Comme vous le savez, notre pays s'est engagé politiquement et financièrement auprès de cet organisme depuis 1953. Nous avons réaffirmé notre soutien après les attaques du 7 octobre 2023 lorsque plusieurs pays ont suspendu leur aide.

La Belgique a également joué un rôle déterminant en appelant les autres États donateurs à reprendre le financement de l'UNRWA, en particulier pendant sa présidence du Conseil de l'Union européenne, au cours de laquelle j'ai mené au nom de la Belgique une médiation pour tenter de maintenir l'aide de plusieurs États membres qui avaient décidé de la suspendre.

België uitte zijn principiële steun voor UNRWA en Shared Commitments on UNRWA regelmatig op Europees en internationaal niveau.

La Belgique a très activement participé aux efforts diplomatiques qui ont précédé le vote de cette loi anti-UNRWA, que ce soit à New York, au niveau de l’ONU et du Conseil de sécurité, au niveau européen, dans les conclusions du Conseil européen, ou encore au niveau bilatéral, sur le terrain, directement avec Israël, avec nos postes, nos ambassades, nos représentations diplomatiques à Jérusalem, Tel-Aviv et New York.

La Belgique a également publié une déclaration nationale pour exprimer son profond regret suite au vote et pour réaffirmer le rôle irremplaçable et indispensable de l’UNRWA. Le 6 novembre, notre pays a pris la parole lors du débat informel sur l’UNRWA à l’Assemblée générale des Nations Unies, au nom du Core Group.

Cela montre que la Belgique est un intermédiaire crédible sur cette question. C’est dû notamment au fait que nous n’avons jamais changé de position. Nous avons cette positions depuis 1953. Nous l’avons tenue. Nous avons demandé que les enquêtes soient menées. J’ai eu moi-même des contacts, avant même la parution du rapport d’expertise de l’ancienne ministre des Affaires étrangères française, Mme Colonna, pour avoir déjà un aperçu de son enquête. C’est ce qui nous a permis de tenir une ligne claire.

Nous avons également invité l’ambassadrice d’Israël à Bruxelles le 8 novembre et de nouveau, pas plus tard qu’hier, le 19 novembre, pour lui faire part de notre profonde inquiétude et aussi lui demander des explications sur le statut de l’UNRWA et son statut à venir.

In lijn met dit duidelijke en consequente standpunt zal België zijn inspanningen voortzetten om Israël ervan te overtuigen deze wetten toe te passen. Dat is in ieders belang, ook in dat van de Israëli’s. We hebben dit ook herhaald tijdens de Raad Buitenlandse Zaken op 18 november en we hebben deze boodschap gisteren ook overgemaakt aan de Israëlische ambassadeur.

En réponse à la question portant sur l'ONU, qui estime que les méthodes d'Israël correspondent aux caractéristiques d'un génocide, permettez-moi de vous rappeler quelques-unes de nos positions et, surtout, certaines actions que nous avons déjà entreprises. Depuis 2009, déjà pour faire face à la situation à Gaza, il a été convenu avec les Régions – qui sont compétentes en ce domaine – de ne procurer aucune licence d'exportation d'armes qui renforcerait la capacité militaire d'Israël. C'est important de le rappeler, parce que vous revenez souvent avec cette question. Nous invitons donc les États européens à suivre notre exemple, mais nous ne pouvons que les y inviter. Je ne peux pas préjuger ni décider de ce que fait l'Allemagne, par exemple. Je tiens, du reste, à souligner qu'elle est le premier pays donateur sur le plan de l'aide humanitaire apportée aux Palestiniens.

Vous savez que nous avons systématiquement et fermement condamné les bombardements touchant les civils à Gaza, en insistant chaque fois auprès d'Israël pour qu'il respecte intégralement le droit international et le droit international humanitaire. Depuis le début, nous sommes très clairs: les crimes commis à Gaza devront être jugés au plus niveau, peu importe qui en sont les auteurs. Et j'ai moi-même demandé la convocation de l'ambassadrice d'Israël en Belgique plusieurs fois au cours de cette année, y compris hier, en l'occurrence pour aborder la destruction par Israël d'un bâtiment à Jérusalem qui est cofinancé par Enabel et l'Union européenne.

Nous continuons d'appeler avec force à un cessez-le-feu immédiat à Gaza et à la libération des otages. Nous avons envoyé à plusieurs reprises de l'aide humanitaire, du matériel médical et de secours, et facilité aussi l'évacuation de nombreux civils. Lors du Conseil de lundi, j'ai de nouveau plaidé pour que le plus d' États membres se joignent à la Belgique afin de demander aux autorités israéliennes d'autoriser les évacuations médicales depuis Gaza.

En ce qui concerne plus précisément votre question relative à un possible génocide, nous avons insisté auprès d'Israël pour le total respect des mesures conservatoires ordonnées par la Cour internationale de Justice en janvier et en mars de cette année.

Pour rappel, en tant que partie à la Convention pour la prévention et la répression du crime de génocide (CPRCG), la Belgique a par ailleurs décidé d'intervenir dans deux affaires qui ont été portées devant la Cour internationale de Justice dont celle introduite par l'Afrique du Sud contre Israël en décembre 2023 pour informer la Cour de l'interprétation que la Belgique fait de l'article 2 de cette Convention qui définit le crime de génocide.

Les deux affaires soulèvent des questions similaires concernant l'interprétation et l'application de la Convention, plus particulièrement en ce qui concerne le concept d'intention génocidaire dans un contexte de conflit armé. Il reviendra d'ailleurs à la Cour seule d'appliquer aux faits de la cause l'interprétation des dispositions de la Convention de 1948.

J'espère ainsi avoir répondu à toutes vos questions.

Annick Lambrecht:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoorden. Ze liggen enigszins in de lijn van wat we al gehoord hebben, aangezien we over dit onderwerp natuurlijk al vaker gesproken hebben. Het is jammer dat we het er nog vaak over zullen moeten hebben, want ik blijf eigenlijk met één enkele vraag zitten.

U hebt al veel gedaan, u somt dat ook op. Gelukkig, in tegenstelling tot Duitsland levert ons land geen wapens; dat is een goede zaak. Met Vooruit vragen wij ons wel af of u mogelijk meer druk kunt uitoefenen om economische sancties ten aanzien van Israël uit te voeren met de gehele EU. Gelet op de nieuwe functie die u op Europees niveau zult bekleden, zult u mogelijk nog meer in die mogelijkheid zijn. Wij denken dat de tijd van dialoog voorbij is, dat men het echt economisch moet voelen, opdat die genocide stopt. Dat is de enige vraag die ik nog heb.

Christophe Lacroix:

Merci, madame la ministre. Je pense que vous avez sans doute lu, comme moi, l'article de Baudouin Loos paru dans Le Soir tout récemment sur la situation à Gaza o ù il explique bien, au moyen de différents témoignages, qu'"Israël a transformé la bande de Gaza en couloir de la mort"; c'est d'ailleurs le titre de son texte. Quand on dit cela, c'est une référence historique et on pourrait dire: "Attention, on atteint le point Godwin." Mais cela est corroboré par des gens de tous milieux, notamment un ancien secrétaire général adjoint de l'ONU, Jan Egeland. C'est dire à quel point la situation est catastrophique.

Deuxième élément de réponse, il y a bien sûr le niveau international et le niveau de l'Union européenne. Mais je pense qu'il reste des moyens d'action et, plus que cela, une obligation d'action dans le chef des É tats nationaux. Parce que l'avis consultatif de la Cour internationale de Justice que vous avez mentionné a été traduit en acte politique par l'Assemblée générale de l'ONU du 18 septembre 2024. Cette résolution va très loin dans le détail: on ne peut prêter aide et assistance au maintien de l'occupation; ni les É tats nationaux ni les entreprises ne peuvent investir; ils doivent mettre fin au commerce des produits des colonies et les interdire ou cesser leur transfert dans le cadre de l'occupation; gel des avoirs de toute personne ou association ayant des liens, notamment des flux financiers, avec l'occupation israélienne en Palestine.

Il est urgent d'interdire les produits des colonies. Il est urgent de suspendre l'accord au niveau belge. C'est une obligation internationale qu'un É tat national doit prendre, dans un délai de douze mois à compter du 18 septembre 2024. Il y aura donc urgence pour votre successeur ou successeure.

Je vous souhaite un bon travail au sein de la Commission européenne. Nous avons eu parfois des divergences de vues et quelques tensions, mais j'apprécie la personne que vous êtes, sachez-le.

Rajae Maouane:

Madame la ministre, merci pour vos réponses.

En ce qui concerne la responsabilité des É tats, de nombreux rapports indiquent que les É tats ont la responsabilité et même la possibilité d’agir. Selon moi, cela s’applique également à nous, au niveau belge. Nous avons en effet la possibilité – et aussi l'obligation – d’agir, notamment sur les accords et l’interdiction des produits issus des colonies. À ce sujet, je vais vous citer une phrase qui n’est pas de moi, qui n’est pas d’une militante de gauche ou du milieu associatif, mais qui est de Francesca Albanese, une rapporteuse des Nations Unies: “La violence qu’Israël déchaîne contre les Palestiniens depuis l’après-7 octobre ne surgit pas du néant, mais s’inscrit dans une campagne orchestrée intentionnellement au niveau de l’État pour provoquer systématiquement le déplacement forcé et le remplacement à long terme des Palestiniens.”

Cette phrase est extraite du rapport intitulé “L’effacement colonial par le génocide”. Nous assistons effectivement à un génocide en direct, en mondovision, et je pense que nous avons la responsabilité et le devoir moral d’agir. Je sais que de là où vous serez dorénavant, vous aurez également à cœur d’agir sur ce plan, et je vous remercie pour les quelques échanges que nous avons eus à ce sujet depuis mon arrivée au Parlement. Merci également de continuer à porter cette voix-là et de continuer à essayer de trouver des solutions afin d’agir davantage au niveau de la Belgique.

Els Van Hoof:

Mevrouw de minister, u zegt duidelijk en consequent te zijn in het Belgische standpunt. U pleit voor sancties en het behoud van de ondersteuning op alle vlakken van UNWRA. Het schoentje knelt duidelijk op Europees niveau. Er is geen opschorting of herziening van het associatieakkoord, waarvoor ook al lang wordt gepleit vanuit dit Parlement. Er is hier een duidelijke meerderheid daarvoor.

Er is ook een probleem inzake de importban. De juridische vraag is of dat op Europees vlak moet worden aangepakt. Men weet dat dit niet zal gebeuren op Europees vlak. We moeten overgaan tot meer Belgische acties ter zake. Dat was ook het pleidooi gisteren van de zaakgelastigde van de Palestijnse Autoriteit. We moeten ons Belgisch standpunt nog scherper stellen en moeten meer acties ondernemen om te voorkomen dat er inderdaad verder een genocide plaatsvindt in Gaza.

Ayse Yigit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. U hebt geen antwoord gegeven op de vraag van de heer Boukili, want niet de export maar de doorvoer is het probleem. Het grootste deel van de Duitse wapens gaat via de Antwerpse haven naar Israël. Hoe kunnen we geloven dat de EU voor de vrede in de regio zal opkomen als Duitsland in de EU wapens produceert en uitvoert naar Israël? Daarom is het urgent dat België zelf maatregelen neemt en niet wacht op de EU, zowel met betrekking tot de wapens als met betrekking tot de handel met de illegale kolonies.

Staf Aerts:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik blijf wel wat op mijn honger zitten. U zegt dat het aan het Internationaal Strafhof is om te oordelen of het al dan niet om een genocide gaat. Dat klopt, maar ik vroeg hoever we staan met het aanhangig maken en neerleggen van onze positie, zodat we die zaak samen met Zuid-Afrika mee kunnen voeren. Het is niet alleen de bedoeling dat we dat aankondigen, maar ook dat we het daadwerkelijk doen. Ik denk dat ik dit antwoord heb gemist, tenzij ik mij vergis.

Ook met betrekking tot de schending van de mensenrechten in Libanon, nemen we daar een initiatief richting de VN-Mensenrechtenraad? U zegt dat het internationaal recht ons kompas is. Ik juich toe dat u de schending van de mensenrechten expliciet benoemt. Het is zeer belangrijk dat dat daadwerkelijk wordt benoemd, maar het is wel echt tijd om tot acties over te gaan, zoals de voorzitter ook zei.

Dan richt ik me ook tot alle collega's in het Parlement. Gisteren hoorde ik van de MR-fractie dat we de kant van de vrede moeten kiezen. Ik denk dat iedereen daarachter kan staan, maar als men de kant van de vrede kiest, dan kiest men ook tegen de agressor. Dat betekent dat men ook concrete acties moet ondernemen. Dat is meer dan alleen woorden produceren en verwijzen naar het Europese standpunt.

Onze fractie heeft een resolutie met een heel aantal concrete acties ingediend. Ik hoop dat die integraal worden overgenomen, maar ik hoop vooral dat we met dit Parlement minstens kunnen zeggen: tot hier en niet verder, dit zullen wij concreet ondernemen. Ik hoop dat men zich niet verschuilt achter de lopende regeringsonderhandelingen. Daar zijn de Gazanen niets mee. Elke dag opnieuw sterven daar veel te veel mensen. We zijn het aan hen verplicht om acties te ondernemen en niet te wachten tot er een regering is. Daar hebben de mensen in de Gazastrook niets aan.

Kathleen Depoorter:

Mevrouw de minister, ik noteer dat u zegt dat u UNRWA een blijvende juridische, politieke en financiële steun zult geven.

Humanitaire hulp in Gaza is absoluut noodzakelijk, maar enkele van uw antwoorden baren me zorgen. Die niet-kritische benadering van de organisatie UNRWA maakt me bezorgd. Toen hier vorige week vertegenwoordigers van UNRWA aanwezig waren, heb ik hun gevraagd hoe het komt dat UNRWA Hamas niet als militante organisatie kan benoemen, hoe het komt dat men geen verklaring geeft dat lidmaatschap van gewapende groepen absoluut ontoelaatbaar is en hoe het komt dat er terreurinfrastructuur aanwezig is in faciliteiten van de VN. Dat men mij daarop niet antwoordt, of eromheen fietst, baart me zorgen.

We moeten absoluut voor humanitaire hulp zorgen, maar u haalde ook het Colonnarapport aan, dat ik ook heb gelezen, waarin duidelijke feiten staan die bij ons bepaalde lichten moeten doen branden. Het is aan ons, aan de westerse overheden, om het mogelijk te maken om, wanneer die Israëlische wet in voege zou treden en UNRWA niet meer toegelaten is, de humanitaire acties geleidelijk aan over te hevelen naar andere VN-organisaties of andere autoriteiten. Met een organisatie die Hamas niet kan veroordelen, kunnen we niet verder in zee blijven gaan. We moeten ervoor zorgen dat onze middelen, die noodzakelijk zijn om de mensen in Gaza te helpen, optimaal besteed worden en niet in handen van Hamassympathisanten kunnen terechtkomen.

Hadja Lahbib:

Je vous remercie tout d'abord pour vos appréciations. Je pense que ce débat est le plus difficile qu'on ait eu. Croyez-moi, ce n'est pas facile d'être dans ma position.

Je vous souhaite un prochain ministre des Affaires étrangères qui apportera des réponses à toutes vos questions et qui vous amènera surtout un accord de paix. C'est ce dont on a tous rêvé autour de la table du Conseil européen, encore hier, en espérant avoir une position qui permette simplement d'avancer.

Les divisions que nous subissons au sein de l'Union européenne nous empêchent d'avancer. Nous ne cessons de répéter, surtout après les élections américaines, qu'il faut que nous parlions d'une même voix, que nous soyons unis et que nous soyons même proactifs. Nous ne pouvons malheureusement pas l'être pour l'instant. C'est la réalité mais j'espère que nous le serons à l'avenir.

Pour revenir spécifiquement à vos remarques, il y a eu plusieurs enquêtes sur l'UNRWA. Il n'y a donc pas eu que le rapport Colonna. Il y a d'abord eu une enquête interne. Des décisions ont été prises de façon proactive par l'UNRWA, qui a suspendu sa collaboration avec neuf des collaborateurs qui n'étaient que suspectés.

Il y a donc eu des enquêtes différentes et des conditions ont été posées par la Commission européenne. L'UNRWA est prête à les respecter. Toute une démarche a donc été mise en place. Je suis d'accord avec vous sur le fait que nous ne pouvons pas faire confiance à une entreprise qui est suspectée, ni même collaborer avec elle. Dans ce cas-ci, nous n'avions pas d'élément qui permettait de suspendre le maintien de notre collaboration et de notre financement de l'UNRWA. C'est d'ailleurs pour cette raison que je l'ai défendu au nom de la Belgique, mais aussi parce que, selon d'autres ONG sur place, l'analyse nous revient qu'il n'y a rien qui puisse remplacer l'UNRWA à l'heure actuelle. Les ONG sont assez fermes sur le fait qu'elles ne pourront pas prendre le relais.

Nous n'avons pas non plus de plan B de la part des autorités israéliennes.

Je vous remercie pour vos questions et pour avoir quand même apprécié mes réponses, même si je ne peux sans doute pas apporter les solutions qui pourraient amener une paix demain au Proche-Orient.

Kathleen Depoorter:

Mevrouw de minister, ik vraag daarom om de humanitaire taken geleidelijk over te dragen naar andere VN-organisaties of autoriteiten. Uit het rapport blijkt dat 10 % van de personeelsleden betrokken is bij Hamas. Er blijkt ook bezorgdheid over de boodschappen die worden verspreid en men vraagt meer vrouwen in de raad van bestuur of managementfuncties, zodat de harde, islamitische kern wat gecounterd wordt. Voorts blijken de inspecteurs niet voldoende kennis te hebben van het Arabisch om de beslissingen van de raad van bestuur te controleren. Als we correcte humanitaire hulp willen verlenen, die gedragen wordt door de bevolking, dan is het onze taak om ons te organiseren, zodat we dergelijke rapporten niet meer hoeven op te stellen.

De politiecontroles op alcohol en drugs achter het stuur

Gesteld door

Groen Matti Vandemaele

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 14 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de hardnekkige problematiek van verkeersongevallen door alcohol en drugs (40% ’s nachts, 7 per dag), ondanks dalende algemene ongevalcijfers. Matti Vandemaele benadrukt de nood aan hogere pakkans via meer controles en centrale registratie van politiecijfers (sinds 2006 beloofd maar niet uitgevoerd), terwijl minister Verlinden bevestigt dat verkeersveiligheid prioriteit is, maar wijst op beperkte data en de nood aan mentaliteitswijziging naast repressie. Concrete actiepunten: Verlinden belooft samenwerking met Justitie om cijferverzameling af te dwingen en controles gerichter in te zetten, maar Vandemaele dringt aan op dwingende maatregelen in plaats van louter overleg. Kernpunt: cultuurverandering en zichtbare handhaving zijn cruciaal, maar ontbrekende data belemmert doeltreffend beleid.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, 40 % van de ongevallen 's nachts heeft te maken met alcohol of drugs, zo bleek uit de Pano -reportage van eerder deze week.

De getuigenissen van de nabestaanden zijn hartverscheurend. Ik stel vast dat die mensen met een woede zitten, met het gevoel niet gehoord te worden. Het is precies hun levenslange verdriet dat veroorzaakt wordt door iemand die op een bepaalde dag beslist achter het stuur te kruipen terwijl hij of zij te veel gedronken heeft of drugs genomen heeft. Het is op die manier dat een leven wordt weggemaaid.

De getuigenissen zijn hartverscheurend. De cijfers achter deze problematiek zijn onthutsend. We stellen vast dat het aantal verkeersongevallen daalt, maar dat het aantal ongevallen waarbij alcohol of drugs in het spel zijn, niet daalt. Er gebeuren ook vandaag nog altijd zeven ongevallen per dag waarbij alcohol of drugs in het spel zijn.

De politierechters in de reportage gaven aan waar de oorzaak ligt. Zij zeiden allemaal unisono dat het een cultuurprobleem is. Er moet meer controle zijn. De pakkans moet hoger. Alleen als we dat realiseren kunnen we dit probleem een halt toeroepen. Het is dus belangrijk dat chauffeurs op elk uur van de dag kans lopen gepakt te worden.

Dan was er de heer Paelinck, korpschef van de politiezone Westkust, die de lokale politiezones vertegenwoordigde. Hij zei: "Ik geloof niet in cijfers, ik geloof niet in statistieken; ik vind die eigenlijk minder belangrijk dan leugens."

Mevrouw de minister, mijn vragen zijn heel eenvoudig. Ten eerste, deelt u de visie van de heer Paelinck? Ten tweede, wat zult u doen om de pakkans te verhogen?

Annelies Verlinden:

Ik wil onderstrepen dat verkeersveiligheid een absolute prioriteit is. We hebben de afgelopen jaren gezien dat de acties van preventie en repressie wel degelijk vruchten afwerpen, want het aantal slachtoffers is gedaald. Het moet echter duidelijk zijn: elk slachtoffer is er een te veel. We moeten er allemaal alles aan doen om dat tegen te gaan.

Ik ben het met u eens dat Justitie en politie daarin een belangrijke rol spelen, maar het vraagt ook een mentaliteitswijziging. Iedereen, inwoners, bedrijven, heeft de verantwoordelijkheid om aan die verkeersveiligheid bij te dragen. Dat betekent ook doelgericht controleren. Dat zal belangrijk blijven, ook in de toekomst. Het is niet omdat bepaalde fijnmazige informatie over de plaatsen, de tijdstippen en de hoeveelheid van controles niet voorhanden is, dat er niet wordt gecontroleerd. Ik weet heel goed hoe heel veel politiemensen bij de lokale en de federale politie dagelijks controles doen, naast de vele andere taken die ze hebben en de prioriteiten die ze moeten stellen.

Ik ben het wel met u eens dat de nationale beeldvorming belangrijk kan zijn om dit fenomeen verder aan te pakken. Zo kunnen we wijzen op de cijfers van de verkeersongevallen die we naar aanleiding van de bobcontroles wel hebben. Die laten ons toe om zwarte punten te identificeren en zo de lokale besturen te helpen bij het uitvoeren en bepalen van controles en infrastructurele ingrepen.

Waarom de cijfers door de lokale zones niet altijd worden meegegeven, moeten we onderzoeken. Het is voor mij in elk geval duidelijk dat we de lokale zones moeten blijven herinneren aan de vraag om de gegevens mee te delen, zodat we ook op federaal niveau over die informatie kunnen beschikken. Ik zal dat bekijken met de minister van Justitie, aangezien er ook richtlijnen van de procureurs-generaal zijn over hoe we die vraag aan de lokale besturen en de lokale zones kunnen versterken en hoe we de beeldvorming over verkeersongevallen en verkeerscontroles kunnen optimaliseren. Ik zal dat in elk geval meenemen naar het volgende overleg met de geïntegreerde politie.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Zoals u zelf zegt hebben we een mentaliteitswijziging nodig. Dat is duidelijk en de experts zijn het er allemaal over eens. Door meer controles uit te voeren kan er een mentaliteitswijziging komen. We hebben dus absoluut nood aan meer controles. De pakkans moet omhoog. Al in 2006 werd afgesproken dat de lokale politiezones hun cijfers centraal zouden doorgeven. Als een minister beleid wil voeren, dan moet die cijfers hebben die geanalyseerd kunnen worden. Op dit moment bent u blind aan het varen als het over deze thematiek gaat. Mijn oproep is dus om, zoals u hebt beloofd, niet alleen aan tafel te gaan zitten, maar ook af te dwingen dat die cijfers centraal beheerd zouden worden, dat er opvolging komt en dat de pakkans omhoog gaat. Nu stellen we immers vast dat het aantal controles daalt, terwijl er net meer controles zouden moeten zijn. Alleen op die manier kunnen we aan de kant van de weggebruikers gaan staan die geen alcohol of drugs gebruiken.

De personeelstekorten bij de federale politie

Gesteld door

PVDA Greet Daems

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale politie kampt met een structureel personeelstekort (11,8% totaal, 15% operationeel), ondanks rekruteringsinspanningen zoals 1.619 geslaagde kandidaten in 2023, waarvan slechts 1.043 daadwerkelijk starten met opleiding door gebrek aan openstaande plaatsen bij lokale zones. Minister Verlinden benadrukt dat lokale politiezones zelf verantwoordelijk zijn voor het openstellen van posten, terwijl Daems wijst op falende steun aan de gerechtelijke politie en onvoldoende investeringen in de strijd tegen drugscriminaliteit, met kritiek op de toekomstige hervormingsplannen zonder concrete oplossingen. De krappe arbeidsmarkt en coördinatieproblemen tussen federale en lokale niveaus blijven de kern van het onopgeloste tekort.

Greet Daems:

Mevrouw de minister, drugscriminaliteit wordt in ons land een steeds groter probleem, en het is echt belangrijk om daar iets aan te doen. De federale gerechtelijke politie is de dienst bij uitstek om die strijd aan te gaan, maar hij kampt met ernstige personeelstekorten. Dat is helaas geen nieuw gegeven.

Bij uw aantreden als minister wilde u 1.600 inspecteurs per jaar in dienst nemen om de tekorten zowel federaal als lokaal weg te werken. Uit recente cijfers van het Rekenhof blijkt dat het aantal benoemde inspecteurs, die daadwerkelijk aan de slag zijn, in werkelijkheid een pak lager ligt dan die doelstelling. In 2020 kwam u er zo’n 200 te kort, in 2021 ongeveer 450, het jaar daarop 260 en in 2023 ongeveer 430.

Hoe staat het momenteel met het personeelstekort bij de federale politie?

Hoeveel operationele personeelsleden komen de verschillende diensten te kort?

Hoeveel posten zijn er momenteel vacant binnen de verschillende diensten van de federale politie?

Geven de directies van de bestuurlijke en gerechtelijke diensten aan dat ze bepaalde taken niet kunnen uitvoeren door het personeelstekort? Zo ja, welke taken?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Daems, vooreerst wil ik u vragen een schriftelijke vraag in te dienen voor de gedetailleerde cijfergegevens die u wenst. Het is onmogelijk een dergelijke analyse te maken en duiding te geven binnen het beperkte tijdsbestek van deze mondelinge vraag.

Wel kan ik u meedelen dat de federale politie op 31 oktober van dit jaar 14.009 medewerkers telde, 10.564 politieambtenaren en 3.445 burgerpersoneelsleden. Het gaat om 4.388 vrouwen en 9.621 mannen, wat een lichte stijging van het aantal vrouwen betekent vergeleken met 31 december 2023.

De federale politie staat in voor de rekrutering en selectie van medewerkers van zowel de lokale als de federale politie. Een van de uitzonderingen is de lokale politie van Antwerpen, die de rekrutering en selectie voor haar korps zelf organiseert.

Het afgelopen jaar slaagden 1.619 kandidaten voor de selectieproeven van inspecteur bij de geïntegreerde politie. Dat is het cijfer waarover we eerder spraken. Ik ben het dan ook niet eens met uw vraagstelling. 1.043 aspirant-inspecteurs begonnen in 2023 aan hun basisopleiding in een van de politiescholen. Tussen hen en de lokale of federale politiedienst waar zij uiteindelijk in dienst zouden komen, was er immers een match. Als de lokale politiezones die plaatsen niet verder openstellen, kunnen de kandidaten die geslaagd zijn en dus aspirant-inspecteur worden, niet gekoppeld worden aan een in te vullen plaats.

Vorig jaar werden 869 burgerpersoneelsleden aangeworven, waarvan 204 voor de federale politie en 665 voor de lokale politie. De rekruteringswebsite www.jobpol.be werd in 2023 maar liefst 1.433.045 keer bezocht.

Om haar rekruteringsinspanningen te versterken breidde de federale politie haar netwerk van contactpunten aanzienlijk uit. Deze contactpunten zijn collega’s die het politieberoep actief promoten en geïnteresseerde kandidaten kunnen begeleiden, wat de slaagkansen bij de selectieproeven verhoogt. In 2023 waren er 2.800 contactpunten voor rekrutering, terwijl er in 2021 nog maar 1.600 contactpunten waren.

Momenteel kampt de federale politie met een totaal personeelstekort van 11,80 %. Voor de operationele functies bedraagt dit tekort 15 %. We doen aanzienlijke inspanningen op een krappe arbeidsmarkt om de instroom van nieuwe medewerkers te bevorderen. Dat wordt ook bemoeilijkt door de personeelsuitstroom, maar de inspanningen worden uiteraard voortgezet.

Wat de uitvoering van de operationele taken van de bestuurlijke en gerechtelijke directies betreft, zijn de mandatarissen verantwoordelijk voor de uitvoering van hun taken binnen de beschikbare middelen en de beschikbare capaciteit. Daarom moeten er prioriteiten worden gesteld bij de uitvoering van de opdrachten. Het zal u niet ontgaan zijn dat de afgelopen jaren het tekort danig werd teruggedrongen, zowel bij de federale als de lokale politie. Het was immers mijn ambitie bij de aanvang van mijn ambt van minister van Binnenlandse Zaken om de capaciteit van de politie te verhogen. Een volledig deficit wegwerken is niet evident, rekening houdend met de krapte op de arbeidsmarkt en de grote zoektocht van allerlei sectoren naar mensen die veiligheidsfuncties willen uitoefenen, zowel bij Defensie als in de private beveiligingssector. De volgende regering zal haar schouders hieronder moeten zetten en de verdere rekrutering maakt alvast het voorwerp uit van de nog steeds lopende onderhandelingen voor de vorming van een nieuwe regering.

Greet Daems:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

U kan het niet eens zijn met mijn vraagstelling, maar de cijfers van het Rekenhof zijn wat ze zijn. Ze geven aan dat er een tekort is en dat niet voldoende is aangeworven. De federale politie moet dringend opnieuw worden versterkt met voldoende personeel en extra investeringen, zodat ze de lokale diensten opnieuw kan ondersteunen, want nu kan ze dat niet. Ook de federale gerechtelijke politie moet sterker worden. Ze is immers cruciaal in de strijd tegen grootschalige drugscriminaliteit.

Op dat vlak blijken de plannen van de arizonacoalitie, waarvan ook uw partij deel uitmaakt, weinig hoopgevend. Wat via de pers naar buiten komt, wekt immers allesbehalve vertrouwen. Er is helemaal geen sprake van het wegwerken van tekorten of van nieuwe investeringen. Wel is er sprake van een grondige hervorming.

Wat betreft de cijfers, ga ik akkoord met het feit dat ik bepaalde cijfers nu niet heb gekregen. Ik zal ze nog opvragen via een schriftelijke vraag.

Annelies Verlinden:

Mevrouw Daems, ik wil niet in debat gaan, maar wanneer wij voldoende mensen rekruteren, zoals de meer dan 1.600 aspirant-inspecteurs, en de lokale zones vervolgens geen plaatsen openstellen, dan kan de match met de aspiranten en de nieuwe kandidaten niet gebeuren. Zij starten dus ook niet aan hun opleiding. Dat is immers het systeem van de nieuwe rekrutering. Iemand start namelijk aan de opleiding wanneer er een match is gevonden met de zone of met de dienst van de federale politie waaraan hij of zij ter beschikking wordt gesteld. Het is dus aan de zones om plaatsen open te stellen en desgevallend middelen daarvoor in te schrijven. Wanneer de zones dat niet doen, zullen de betrokkenen in een reserve worden opgenomen. Er wordt dan echter effectief niet gestart aan de opleiding. Het is dus niet correct dat de fout dan bij het federale niveau ligt. Daar zijn immers wel voldoende mensen gerekruteerd. Vervolgens is er echter geen uitstroom naar de lokale zones, omdat daar geen plaatsen worden opengesteld. Ik weet dat er vaak begripsverwarring is over rekrutering, selectie, aspirant-inspecteurs en kandidaten in opleiding. Daarom wou ik een en ander graag nog even nader toelichten.

De verkoop van nepuniformen van de politie

Gesteld door

VB Ortwin Depoortere

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische politie-uniformen worden nageschilderd en online verkocht via AliExpress, wat veiligheidsrisico’s (o.a. misbruik door nepagenten) en integriteitsproblemen veroorzaakt. De federale politie liet de nepuniformen verwijderen via contact met de verkoper en beschermt het uniform juridisch via EU- en Benelux-merkregistraties, maar mondiale handhaving ontbreekt door beperkingen in internationaal merkenrecht. In België is het strafbaar om politie-uniformen onrechtmatig te dragen, bezitten of verkopen, terwijl agenten veilige legitimatiekaarten met hologram hebben om echtheid te bewijzen. Depoortere benadrukt de noodzaak van strengere strafvervolging na misbruikgevallen, vooral bij kwetsbare groepen zoals bejaarden.

Ortwin Depoortere:

Recent kwam via de media aan het licht dat de polo van het nieuwe Belgische politie-uniform, dat nog niet officieel in gebruik is genomen, reeds online te koop wordt aangeboden op de Chinese verkoopsite AliExpress. Dit roept ernstige vragen op, zowel wat betreft de bescherming van het officiële uniform als de risico's die dergelijke namaakkleding kan veroorzaken. De beschikbaarheid van deze nepuniformen brengt niet alleen de integriteit van het politie-uniform in gevaar, maar verhoogt ook het risico dat mensen met slechte bedoelingen zich zullen voordoen als politieagenten om criminele activiteiten te ontplooien. In dit kader heb ik enkele vragen om meer inzicht te krijgen in de maatregelen die zijn of worden genomen om deze problematiek aan te pakken:

Welke concrete maatregelen heeft de federale politie genomen om de verkoop van nepuniformen van de Belgische politie via platforms zoals AliExpress te verhinderen, en hoe wordt de verspreiding van dergelijke namaakkleding tegengegaan?

Heeft de Belgische overheid contact opgenomen met de verkoper van deze nepuniformen op AliExpress of met de Chinese autoriteiten om de verkoop stop te zetten, en zo ja, wat was het resultaat van deze contacten?

Welke concrete juridische stappen zijn er ondernomen of worden er overwogen tegen de verkoper van deze namaakuniformen, en heeft de Belgische politie samengewerkt met internationale partners om deze situatie aan te pakken?

In hoeverre is er sprake van risico's voor de veiligheid van burgers als mensen met slechte bedoelingen deze nepuniformen aanschaffen om zich voor te doen als politieagent, en welke acties worden ondernomen om dit te voorkomen? Zal er een risicoanalyse gebeuren om de impact hiervan op de publieke veiligheid in te schatten en hierop de nodige maatregelen te nemen?

Welke maatregelen worden er genomen om te zorgen dat alle agenten tijdig hun officiële uniform ontvangen?

Is er sprake van internationale samenwerking om de productie en verspreiding van namaak-uniformen te bestrijden, en wordt er juridische druk uitgeoefend op platforms zoals AliExpress om deze producten snel te verwijderen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Depoortere, de directie van de communicatie van de federale politie heeft via de website in kwestie contact opgenomen met de verkoper om de desbetreffende artikelen te laten verwijderen. Ondertussen werd er gevolg gegeven aan het verzoek van de federale politie.

De bescherming van de politie-uniformen gebeurt vooreerst door een registratie van de visuele identiteit op het niveau van de Europese Unie. Ook het politielogo is als merk geregistreerd bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Op basis van die procedures trachten de politiediensten om de beschermde rechten maximaal af te dwingen en ook om onrechtmatig gebruik of verkoop tegen te gaan. Vaak zal een ingebrekestelling daartoe volstaan. De visuele identiteit van de Belgische politiediensten kan weliswaar momenteel mondiaal niet worden beschermd vanwege de beperkingen van het huidige internationaal systeem van merkregistratie.

Daarnaast heeft de Belgische wetgever naast een algemene strafbaarstelling in het Strafwetboek onder de categorie aanmatiging van ambt of titel ook in een specifieke strafbaarstelling voorzien voor elk onrechtmatig dragen, bezit of verhandelen van het politie-uniform. Het is in ons land dus strafbaar om een politie-uniform te dragen als men geen deel uitmaakt van het politiepersoneel.

Verder ontvangen de operationele leden van de geïntegreerde politie een legitimatiekaart die hun status als lid van de politiediensten bewijst. Die gestandaardiseerde kaart is gelamineerd en heeft veiligheidsopdrukken, waaronder een specifiek hologram. Burgers kunnen aan elk lid van de geïntegreerde politie vragen om de legitimatiekaart te tonen als bewijs van zijn of haar functie, zelfs als deze persoon een uniform of armband zou dragen.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. U zult het met mij eens zijn dat nu en dan wel verhalen opduiken waarbij vooral oudere mensen, bejaarden, het slachtoffer worden van nepagenten die bijvoorbeeld aanbellen en vervolgens onheuse handelingen doen. We kunnen dus niet streng genoeg zijn als we te maken krijgen met dergelijke fenomenen. Ik heb begrepen dat aan de verkoper gewoon gevraagd werd om die producten uit de handel te nemen, maar u zegt tegelijkertijd dat die handel ook een strafbaar feit is, dus ik hoop wel dat er een passend gevolg aan gegeven zal worden, al is het maar om onze politie en haar integriteit adequaat te beschermen.

De toegang van de politie tot camerabeelden van de NMBS of Infrabel

Gesteld door

N-VA Eva Demesmaeker

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De NMBS en politie werken sinds eind 2023 aan een nationaal project om 118 lokale zones en 30 federale entiteiten realtime, gratis toegang te geven tot stationscamerabeelden, mits een individueel protocol per zone (of één voor federale politie), met standaardontwerp in afwachting van GBA-akkoord. Doel: efficiënter digitaal patrouilleren en sneller fysiek ingrijpen bij criminaliteit (diefstal, drugs, vechtpartijen), met oplevering gepland in voorjaar 2025. Huidige knelpunten (vertraging bij beeldopvraging) moeten hiermee opgelost worden, terwijl de juridische en technische voorbereidingen lopende zijn. Lokale zones juichen de verbetering toe, gezien gedeelde problemen rond stationsveiligheid.

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, stationsomgevingen zijn kwetsbare punten als het aankomt op criminaliteit. Ik denk dan aan zakkenrollers, fietsdiefstallen, openbare dronkenschap met vechtpartijen of het dealen van drugs. De NMBS en Infrabel hebben vele stationsgebouwen, stationsparkings, stationspleinen of perrons uitgerust met camera's. De beelden van deze camera's kunnen opgevraagd worden door de politie, maar dit gaat naar verluidt niet altijd even vlot.

Zijn er protocollen afgesproken tussen de politiediensten en de NMBS en Infrabel voor toegang tot deze camerabeelden? Wat bepalen deze protocollen over de snelheid van terbeschikkingstelling van deze beelden door de NMBS? Moet er betaald worden voor deze beelden? Waar ziet u ruimte voor verbetering in dit uitwisselingsproces? Welke hinderpalen dienen nog weggewerkt te worden?

Werken deze protocollen nationaal of zijn er bepaalde politiezones die individueel een protocol afsloten? Zo ja, welke zones en met welke inhoud?

Zijn er politiezones die momenteel de beelden van het NMBS-Infrabelnetwerk live kunnen bekijken? Zo ja welke zones zijn dit, en hoe is dit geregeld?

Annelies Verlinden:

Mijnheer de voorzitter, collega Demesmaeker, in het kader van de doelstelling van de federale regering voor leefbare en veilige stations heeft de NMBS eind 2023 in nauwe samenwerking met de geïntegreerde politie een gemeenschappelijk project opgezet om lokale politiezones en de entiteiten van de federale politie toegang te geven tot de beelden van het cameranetwerk van de NMBS. Daarvoor was een operationele connectie nodig tussen de bekabeling en de camera's zelf. Die toegang zal het mogelijk maken om de beelden in en rond de stations in realtime te bekijken en zo efficiënter digitaal te kunnen patrouilleren, om dan vervolgens fysiek uit te rukken naar de plekken waar een interventie nodig zou zijn.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 9 van de camerawet zal de toegang tot de beelden voor de politiediensten vrij en kosteloos zijn. Vanuit de geïntegreerde politie wordt op een zeer actieve manier meegewerkt aan de realisatie van het project. Zij heeft een beheersstructuur op drie niveaus opgezet voor een efficiënte coördinatie van het project. De beelden krijgen is een eerste stap, ze vervolgens opvolgen is uiteraard iets anders. Zo zal de geïntegreerde politie in realtime de beschikbare beelden kunnen bekijken, via rechtstreekse toegang, en dat uiteraard uitsluitend in het kader van haar opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie.

De volgende politiediensten zullen toegang hebben tot de beelden: 118 lokale politiezones met stations en spoorweginfrastructuur op hun grondgebied en 30 verschillende entiteiten van de federale politie. De toegang tot die beelden is enkel mogelijk wanneer een protocolakkoord is ondertekend tot regeling van de toegang tot de camerabeelden in realtime voor de politiediensten. Concreet betekent dit dat alvorens de toegang tot de camerabeelden effectief zal worden verleend voor elk van de 118 lokale zones een uniek protocolakkoord dient te worden ondertekend tussen de NMBS en de korpschef van de lokale zone. Voor de federale politie zal één protocolakkoord kunnen worden getekend voor die 30 entiteiten tussen de NMBS en de commissaris-generaal.

Een standaardontwerp van protocolakkoord is opgesteld door de politiediensten en de NMBS. Daarover werd advies ingewonnen en verkregen van het Controleorgaan op de politionele informatie (COC). Het ontwerp ligt momenteel voor advies voor bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) omdat het gaat over het delen van beelden.

Het verloop van het project zit op schema. Op juridisch en technisch vlak worden alle voorbereidingen getroffen, zodat de technische uitrol op een gefaseerde wijze kan gebeuren. De doelstelling is om het project te finaliseren voor het einde van dit jaar met een officiële oplevering in het voorjaar van volgend jaar. Als het goed gaat, zou het dus snel moeten kunnen gaan.

Eva Demesmaeker:

Dat zou een hele verbetering zijn voor de lokale zones. Veel steden en gemeenten kampen immers met dezelfde problematiek.

De overbrenging van gedetineerden door de Directie beveiliging (DAB) van de federale politie

Gesteld door

MR Pierre Jadoul

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 13 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De DAB (Direction de la sécurisation) van de federale politie kampt met capaciteitsproblemen (tekort van 307 agenten, 22% van de bezetting), wat leidt tot mislukte gevangenentransfers en gerechtelijke vertragingen—zoals een niet-doorgegane rechtszaak in Brussel door herhaalde afwezigheid van een verdachte. Minister Verlinden bevestigt dat overbelasting (o.a. door nieuwe taken zoals nucleaire beveiliging, grote processen en medische transfers) en personeelstekort de kern zijn, maar wijst op recrutering (240 agenten in 2025) en betere planning met justitie en gevangenissen als oplossingen. Jadoul benadrukt dat dit systeemfalen ook rechtbanken platlegt, maar juicht de geplande maatregelen toe.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, en Belgique, la Direction de la sécurisation (DAB) de la police fédérale est notamment responsable d'assurer le transfèrement des détenus et la police des cours et tribunaux.

La DAB se compose, sauf erreur, d'une direction unique et centrale à Bruxelles qui chapeaute un ensemble d'unités déconcentrées. En ce qui concerne la police des cours et tribunaux, il y a 12 unités DAB, soit une par arrondissement judiciaire.

Le 31 octobre dernier, une juge du tribunal correctionnel de Bruxelles n'a eu d'autre choix que de prononcer l'irrecevabilité des poursuites à l'égard d'une personne accusée de vols du fait de l'absence à plusieurs reprises du prévenu qui n'a pas été transféré vers le tribunal par la DAB. Pour l'audience du 3 octobre, le parquet avait pourtant bien signalé par mail à la prison de Malines que le détenu devait "absolument être extrait" de la prison pour se présenter au tribunal. Rien n'y fit une fois encore.

La juge a donc fini par considérer que "les manquements successifs des services dûment mandatés par le ministère public en vue de l'extraction et du transfert du prévenu aux fins de comparaître devant le tribunal emportent clairement une violation irrémédiable des droits de la défense et du droit à un procès équitable".

La DAB de la police fédérale est donc en l'occurrence pointée du doigt pour des dysfonctionnements. Celle-ci répond que "dans le cas évoqué, il s'agit malheureusement d'un problème d'échange d'informations entre partenaires concernant la priorité donnée".

Madame la ministre, pouvez-vous faire le point et la clarté sur ces récents dysfonctionnements constatés au sein de la DAB? Quelles pistes d'amélioration envisagez-vous afin d'éviter ce type de problèmes? Le manque de personnel au sein de la DAB est souvent invoqué. Est-il toujours d'actualité? Le cas échéant, prendrez-vous certaines initiatives à cet égard?

Annelies Verlinden:

Cher collègue, la Direction de la sécurisation rencontre effectivement des problèmes d'ordre capacitaire. La reprise progressive des missions qui lui ont été légalement confiées est logiquement dépendante de son développement en moyens humains et matériels. Les perspectives de recrutement des agents de sécurisation n'ont pas encore permis de reprendre toutes les missions légalement confiées à la DAB. Depuis fin 2022, la DAB fait en outre face, en plus de nouvelles missions qui lui ont été confiées, à une augmentation significative de sa charge de travail, comme l'ouverture de la prison de Haren et l'allongement corrélatif des temps de parcours vers le palais de justice de Bruxelles ou la tenue de grands proc è s, comme ceux des attentats de Bruxelles, du dossier EncroChat et de Sky ECC qui ont mobilisé un très grand nombre d'agents durant de longues périodes au détriment des missions quotidiennes.

En outre, depuis janvier 2023, la prise en charge par la DAB de la sécurisation de sites nucléaires sensibles en Flandre a mobilisé de nombreux agents et le nombre de détenus a significativement augmenté dans le pays, requérant davantage de transferts. Enfin, la diminution du personnel médical disponible dans les prisons a également entraîné une hausse significative du nombre de transferts pour des visites médicales en dehors des prisons.

À l'heure actuelle, la capacité en personnel de la DAB est telle qu'elle doit faire des choix et mettre des priorités dans ses deux missions principales que sont le transf è rement des détenus et la police des cours et tribunaux. Pour assurer ces missions au mieux, la direction de la DAB multiplie les demandes de renfort auprès des corps d'intervention de la police fédérale et de la réserve fédérale. Un plan d'action axé sur l'adaptation du processus de sélection pour le profil d'agent de sécurisation a été élaboré et est en cours d'exécution. Des concertations périodiques ont lieu au sujet des mécanismes de renfort tandis que des discussions sont en cours afin d'améliorer le processus de planification avec l'ensemble des partenaires concernés, à savoir la magistrature ainsi que la Direction générale des établissements pénitentiaires.

Doter durablement la Direction de la sécurisation des moyens humains et matériels nécessaires pour assurer toutes ses missions constitue donc un point d'attention permanent.

En ce qui concerne la capacité de la DAB, celle-ci souffre à ce jour d'un manque de 307 agents de sécurisation, soit 22 % de l'effectif théorique prévu pour l'ensemble des missions de la DAB. Les premières mesures prises dans le cadre du plan d'action de recrutement montrent déjà leurs effets positifs, avec des classes d'aspirants bien plus remplies qu'au cours des deux dernières années. L'année prochaine, il est prévu de recruter 240 nouveaux agents de sécurisation afin d'augmenter substantiellement la capacité opérationnelle de la DAB. Cet effort, à l'instar de différentes initiatives prises en concertation avec les partenaires de la DAB en vue de parfaire le processus de travail, devra se poursuivre les années suivantes afin de pallier les flux sortants générés notamment par le processus statutaire de promotion sociale.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, je vous remercie pour ces réponses qui apportent des solutions partielles à ce problème. Pour avoir participé à une visite d'audience avant les élections fédérales du 9 juin, je puis témoigner avoir constaté que certaines juridictions et chambres au tribunal de première instance de Bruxelles et à la Cour d'appel de Bruxelles se trouvaient quasiment en chômage technique en raison de l'absence de plusieurs détenus. Cela constitue donc un enjeu majeur non seulement pour la DAB mais également pour le fonctionnement de la justice dans la foulée. Je me réjouis par conséquent de vous savoir attentive à cette question et j'ose espérer que les mesures prises produiront leurs effets.

De gevolgen van de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten
De herverkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten
De politieke gevolgen van de verkiezingen in de Verenigde Staten
De verkiezingen in de Verenigde Staten
De verkiezing van Donald Trump
De Amerikaanse verkiezingen
Amerikaanse presidentsverkiezingen en politieke impact.

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 7 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De herverkiezing van Donald Trump als Amerikaanse president dompelt Europa in een strategische crisis: zijn protectionisme, NAVO-scepticisme en pro-Russische houding (met risico’s voor Oekraïne) dwingen de EU tot drastische autonomie op defensie (meer investeringen), energie (kernenergie + hernieuwbaar) en economie (minder afhankelijkheid van VS/China). Terwijl sommigen paniek zaaien over democratische terugval en extremisme, benadrukken anderen de noodzaak van Europese soevereiniteit—zonder de transatlantische band te verbreken, maar wel met eigen industriële, militaire en diplomatieke slagkracht. België, met een caretaker-regering, riskeert achterop te raken door interne vertraging, terwijl de EU onder druk staat om unanimiteit te tonen in steun aan Oekraïne, handelsspanningen en een multipolaire wereldorde waar de VS niet langer de Europese belangen garandeert. Kernboodschap: Europa moet volwassen worden—nu.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, ik weet niet of u de voorbije dagen veel tijd hebt gehad om u voor te bereiden op de vergadering van vandaag; u hebt dat alleszins gedaan, en met verve, voor een andere vragenronde.

François De Smet:

Monsieur le président, madame la ministre, le peuple américain a parlé. Il l’a fait clairement, et il a choisi une nouvelle fois d’envoyer à la présidence un personnage autocrate, outrancier et qui a déjà mis en danger les institutions démocratiques. Mais il l’a fait démocratiquement et souverainement, et nous devons en prendre acte.

Le message me paraît clair. Le nationalisme et le populisme ne sont pas des parenthèses de l’Histoire. Ce sont des courants structurants. Ceux qui veulent combattre ces courants doivent sortir de leur bulle et en prendre acte, là aussi.

Il me semble que cette élection est un séisme pour le monde, et donc pour l’Europe. Cela doit être un réveil pour l’Europe, sur trois plans.

D’abord, sur la question de l’industrie et de l’économie. Je rappelle que nous sommes en train de fermer notre avant-dernière industrie automobile. Voulons-nous continuer à être les simples consommateurs d’une mondialisation décidée par les Américains et la Chine, ou voulons-nous une place dans le cockpit?

Ensuite, il y a l’énergie. La guerre en Ukraine l’a montré: l’Europe est extrêmement dépendante aux énergies fossiles en général. Nous savons qu’une Europe plus indépendante demain doit absolument reposer sur un pilier renouvelable et un pilier nucléaire.

Enfin, il y a la question de la défense. C’est ma principale question, madame la ministre. Un crash test va arriver très vite: c’est la question de l’Ukraine. Nous savons que M. Trump a l’intention de sacrifier l’Ukraine. Nous ne le voyons pas, d’ailleurs, prendre une décision qui pourrait contrarier M. Poutine de manière générale.

Allons-nous abandonner l’Ukraine? Nous, les Européen, et nous, la Belgique. Allons-nous abandonner ce peuple qui, depuis deux ans, fait face à l’impérialisme de M. Poutine? Allons-nous suivre le mouvement des Américains qui vont très probablement se retirer? Ou allons-nous, au contraire, profiter de ce moment, en nous disant que nous n’allons pas abandonner les Ukrainiens, que nous allons au contraire rehausser notre investissement et enfin faire en sorte que cet investissement soit à la hauteur de nos mots, car, malheureusement, nous avons beaucoup de grands principes, mais nos moyens, l’aide financière, l’aide militaire à l’Ukraine, ne suffisent pas?

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de minister, ik wil u in de eerste plaats feliciteren met uw hoorzitting van gisteren. Als Eurocommissaris voor Paraatheid en Crisisbeheer zult u uw handen vol hebben. Dat blijkt ook sinds gisteren. Donald Trump is immers verkozen als Amerikaans president met een zeer sterk mandaat van de Amerikaanse bevolking. Ik weiger echter mee te gaan in de paniekzaaierij. De wereld zal van vandaag op morgen niet ineens vergaan. De Verenigde Staten zijn een belangrijke bondgenoot van België en de Europese Unie. De strategische en economische banden tussen ons land en Amerika zijn sterk. Die zijn er vandaag en die zullen er in de toekomst ook nog steeds zijn.

We mogen echter niet naïef zijn. De Verenigde Staten en Trump zullen ons met de neus op een aantal zaken duwen. Een van die zaken is dat wij onvoldoende investeren in onze defensie en in onze veiligheid. Wij zijn freeriders in het NAVO-partnerschap en dat moet stoppen. Trump heeft daarin voor de volle 100 % gelijk. We moeten meer investeren in onze defensie, beter samenwerken met de Europese lidstaten om onze veiligheid te garanderen en we moeten af van het imago dat wij het kleine broertje van de Verenigde Staten zijn. Kortom, ons continent moet volwassen worden en de Europese Unie moet haar verantwoordelijkheid nemen.

Mevrouw de minister, hoe ziet u de samenwerking met Amerika de komende jaren en wat is voor u de belangrijkste uitdaging voor de toekomst?

Michel De Maegd:

Madame la ministre, les électeurs américains l'ont décidé, et de façon incontestable: Donald Trump sera le prochain président des États-Unis. Cela soulève bien des inquiétudes en Europe. Dans le même temps, vous le savez, nous sommes viscéralement attachés à une relation transatlantique constructive, au bénéfice des deux partenaires. Cela ne doit donc pas occulter la nécessité primordiale pour les Européens de développer leur autonomie stratégique. C'est crucial pour constituer une relation équilibrée dans laquelle chacun puisse se respecter et se retrouver.

J'aimerais donc vous poser quelques questions sur les perspectives d'avenir de cette relation dans un contexte géopolitique mondial des plus tendus et des plus complexes.

Madame la ministre, comment analysez-vous les résultats de cette élection et ses conséquences sur les intérêts de la Belgique aux États-Unis? La Belgique et l'Europe peuvent craindre un impact sérieux sur leur commerce extérieur, et donc sur notre croissance économique. Comment peut-on y faire face?

La sécurité européenne, le rôle de l'OTAN, la poursuite de l'aide à l'Ukraine restent des enjeux primordiaux. Comment les Européens vont-ils assumer leurs responsabilités et rester des acteurs respectés en la matière?

On connaît la proximité politique entre Donald Trump et le premier ministre israélien Benjamin Netanyahu. Comment le message européen peut-il rester audible et crédible afin de parvenir à une paix régionale et à une solution à deux États?

Enfin, madame la ministre, l'élection de Donald Trump doit plus que jamais accélérer l'approfondissement du projet européen, accélérer notre autonomie stratégique. Nous devons renforcer l'Union, assumer nos responsabilités en termes de sécurité, d'énergie, de commerce international mais aussi de politique étrangère. Comment l'Union européenne s'est-elle préparée à ce défi, et comment la Belgique va-t-elle y contribuer?

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, depuis hier, nous avons à la tête d'une des plus grandes puissances de ce monde un véritable danger. Donald Trump a gagné largement les élections et a bénéficié d'un soutien populaire massif. C'est, du reste, un large soutien que nous n'imaginions même pas. Rendez-vous compte: 20 % des hommes noirs ont voté pour un raciste décomplexé; 54 % des latinos ont voté pour un homme qui n'a pas hésité à dire que des immigrés mangent des chats et des chiens; 52 % des femmes blanches ont voté pour un misogyne, un violeur et un homme qui veut supprimer leurs droits les plus élémentaires comme celui de disposer de leur corps et le droit à l'avortement. Nous espérions la victoire de Kamala Harris, mais il n'en sera pas ainsi.

Les États-Unis , le pays de la liberté, retombent aux mains du conservatisme et de l'obscurantisme. Nous recommençons une traversée glaçante et glaciaire, axée sur le protectionnisme, l'augmentation des droits de douane, le repli sur soi et la diffusion de la haine de ceux qui sont différents. Nous débutons une période violente, durant laquelle la recherche de la paix ne sera pas la priorité. Je pense à l'Ukraine et aux Palestiniens.

Nous sommes des démocrates, nous respectons bien entendu le résultat des urnes, mais notre responsabilité est immense. Toute faiblesse doit être exclue, de même que toute passivité. Nous devons mettre fin à cet extrémisme de droite, à ce terreau pour le populisme, car nous nous situons sur une faille, un point de basculement violent, une période sans scrupule.

Madame la ministre, dans ce moment que je qualifierais d'historique, la Belgique s'est-elle exprimée à l'annonce de l'élection de Trump? Comment envisagez-vous nos futures relations bilatérales et multilatérales?

Raoul Hedebouw:

Madame la ministre des Affaires étrangères de Belgique, l'élection de Donald Trump est une mauvaise chose pour la classe ouvrière et la classe travailleuse américaine. Son programme est clair. C'est le programme du pourcent les plus riches. Il est lui-même un milliardaire fini. Il a lui-même gagné sa campagne en recevant le soutien d'Elon Musk, le big business de la big tech , la communication des plus riches. Il a lui-même, quand il était d'ailleurs président, organisé mille milliards de cadeaux fiscaux aux grandes multinationales. Il a exclu huit millions de travailleurs américains du paiement des heures supplémentaires. Il s'est opposé à l'augmentation du salaire minimum. C'est donc une mauvaise choses pour les travailleurs américains.

Mais cette victoire a évidemment aussi été possible par la défaite cuisante du parti démocrate qui, lui aussi, est le parti de Wall Street et qui, lui aussi, n'a plus su écouter les travailleurs et a organisé réellement la perte de pouvoir d'achat des travailleurs. Comme le dit Bernie Sanders, le parti démocrate a été confronté au fait que, si le parti démocrate a abandonné la classe travailleuse, évidemment, la classe travailleuse a abandonné le parti démocrate.

Se pose maintenant la question pour toutes les forces sociales du monde, pas uniquement aux États-Unis, de savoir ce que nous allons faire. Qu'allons-nous faire ici en Europe, madame la ministre des Affaires étrangères? Continuerons-nous à suivre les Américains?

Zullen wij alweer de schoothondjes zijn van de Amerikanen en de NAVO? Zullen wij alweer blindelings de imperialistische operaties van Amerika in Afghanistan, in Irak en in Syrië volgen?

Ou prendrons-nous notre vraie politique indépendante? C'est la question que j'avais posée pendant la campagne électorale. Allons-nous suivre notre propre voie et tendre la main aux peuples du Sud, tendre la main solidaire plutôt que de suivre la politique guerrière des Américains? Voilà la question!

Anneleen Van Bossuyt:

Goedemiddag, mevrouw de minister. Proficiat met uw verkiezing als Europees commissaris. Ik hoop dat u van die positie zult gebruikmaken om de belangen van Europa en de Verenigde Staten te vrijwaren.

Afgelopen dinsdag werd een nieuwe Amerikaanse president verkozen. Wij horen dat sommigen hier in het halfrond daar een probleem mee hebben. Het is niet de kandidaat geworden die zij hoopten dat het ging worden. Wij als democraten respecteren echter de keuze van het Amerikaanse volk.

Volgens ons is het nu vooral essentieel dat wij onze relatie met de Verenigde Staten in de veranderde context blijven versterken. Wij hebben elkaar meer dan ooit nodig. De Verenigde Staten behoren tot onze belangrijkste handelspartners. Het beleid van de nieuwe Amerikaanse regering zal ook gevolgen hebben voor onze Europese economie. De economische band tussen de Verenigde Staten en Europa is immers zeer sterk. Denk maar aan sectoren als chemie, energie, industrie, technologie en zelfs landbouw. Eventuele veranderingen in het Amerikaanse handelsbeleid zullen direct voelbaar zijn in onze economie. Stel dat de Verenigde Staten een zeer protectionistische koers varen, dan heeft dat een directe invloed op onze export en zal dat ook onze inflatie aanwakkeren.

Daarnaast zijn er geopolitieke uitdagingen. Donald Trump heeft al gezegd dat NAVO-partners die hun defensiedoelen niet halen, minder steun zullen krijgen. Wij, als rode lantaarn wat dat betreft, moeten daar toch aandacht voor hebben.

Mevrouw de minister, hoe zal, ten eerste, dit land zich in de toekomst positioneren ten opzichte van de Verenigde Staten?

Ten tweede, hoe ziet u de effecten op onze geopolitieke relaties, onze handelsrelaties, onze economische relaties en onze veiligheidsbelangen?

Hadja Lahbib:

Mesdames et messieurs les députés, j'entends vos avis. Cette maison permet à chacun de s'exprimer sur le vote qui a été émis hier matin de façon démocratique par les électeurs américains. Je ne me permettrai pas de juger, en tant que ministre des Affaires étrangères, ce choix démocratique. Le premier ministre a d'ailleurs félicité Donald Trump au nom de la Belgique.

Tout le monde se demande quelles seront les conséquences de cette élection. Les États-Unis, l'Europe et la Belgique ont toujours été des partenaires économiques intenses. Ce sont des centaines de milliers d'emplois et les échanges économiques entre nos deux continents représentent évidemment un chiffre d'affaires très important. Ce sont aussi des relations diplomatiques, stratégiques qui sont essentielles.

Nous devons absolument continuer à renforcer cette relation transatlantique à tous les niveaux, autour des valeurs démocratiques de l'État de droit et du multilatéralisme, qui est de plus en plus mis en danger avec les nombreuses violations du droit international auxquelles nous assistons actuellement.

Dans le même temps, l'Union européenne doit prendre son destin en main, peu importe finalement le résultat outre-Atlantique. Il est important de ne pas rester spectateurs des évolutions mondiales et de ne pas être dépendants d'un contexte international. Nous devons continuer à renforcer notre autonomie stratégique à tous les niveaux. Je pense au secteur de l'énergie, à notre politique de Défense, à notre politique industrielle mais aussi à la lutte contre toutes nos formes de dépendances stratégiques, qu'elles soient au niveau de la Défense, de la sécurité sanitaire ou encore de notre compétitivité.

Vous m'avez questionnée sur notre Défense et en particulier sur l'OTAN.

In de NAVO zijn de Verenigde Staten een belangrijke en betrouwbare partner, net als de 31 andere lidstaten. Wij blijven sterk geloven in de onderlinge duurzame banden. Onze collectieve veiligheid kan er alleen maar wel bij varen.

Le Conseil européen va d'ailleurs mener ce soir à Budapest un débat sur les relations transatlantiques et leur impact sur la sécurité et la géopolitique, notamment s'agissant des conflits qui nous occupent le plus. En ce qui concerne l'Ukraine, notre position est que tout processus de paix ne peut avoir lieu qu'en impliquant étroitement l'Ukraine et en prenant en compte ses préoccupations légitimes.

In Boedapest zullen de Europese leiders ook ingaan op de mondiale uitdagingen, waaronder de klimaatveranderingen.

Mesdames et messieurs les députés, dans un monde instable, plein de défis, où les crises deviennent la norme, l'Europe doit plus que jamais se montrer unie et prendre son destin en main, pour garantir sa propre souveraineté, son autonomie stratégique et pour faire demeurer ce projet de paix et de prospérité qui fait la fierté de quelques 450 millions d'Européens.

François De Smet:

Merci pour votre réponse, madame la ministre.

Je ne peux pas m'empêcher d'être inquiet – parce que nous vivons des moments difficiles, historiques et en face de cela, nous avons un gouvernement qui est en affaires courantes, qui n'est donc pas encore plein et légitime.

Moi aussi, je vous félicite pour votre confirmation au sein de la Commission européenne et je vous souhaite un bon travail là-bas. Or, votre départ marque aussi le fait que ce gouvernement va devenir un vaisseau fantôme, comme c'était le cas déjà lorsque Charles Michel et Didier Reynders sont partis. Nous avons d'un côté Trump, nous avons l'Ukraine, nous avons le climat, nous avons une possible récession et, d'un autre côté, nous avons des partis de l'Arizona dont on ne comprend pas très bien où ils en sont. Certains font des notes, d'autres diffusent les notes, les troisièmes contestent les notes. Vous avez des gens qui se disputent sur les tableaux budgétaires, vous avez des gens qui vont voir le Roi et qui ne sont pas d'accord à cinq. Je pense qu'il est grand temps que nous nous hissions à la hauteur des enjeux, parce que le monde, lui, n'attend pas.

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoord.

Eén zaak is glashelder: de Europese Commissie en de Europese Unie zullen sterk uit de startblokken moeten schieten.

Ik herhaal dat het schrikbeeld en de paniekzaaierij, die hier door verschillende partijen opnieuw zijn tentoongespreid, ons geen stap vooruitbrengen. Wij moeten onze rug rechten. Europa moet een sterk blok vormen.

Ook ons land moet verantwoordelijkheid opnemen. Door het getreuzel van de onderhandelende arizonapartijen verliezen we tijd. Die luxe hebben we niet. De prioriteit voor ons land moet zijn dat we investeren in defensie en in onze veiligheid, nu meer dan ooit.

Michel De Maegd:

Merci, madame la ministre, pour vos réponses

Le retour de Donald Trump à la Maison-Blanche marque, il est vrai, un tournant décisif, mais je ne partage évidemment pas les outrances et la vision quelque peu caricaturale des communistes. En effet, à les écouter, on se demande pourquoi les Américains ont voté pour Donald Trump, en réalité. Ceci étant dit, c'est un signal d'alarme pour l'Europe. Elle ne peut plus être dépendante de Washington et d'un président imprévisible, et qui ne vise au final que l'intérêt américain.

Défense, énergie, commerce, nouvelles technologies: nous devons renforcer d'urgence notre autonomie. C'est une question de souveraineté mais c'est aussi, chers collègues, une question de survie du projet européen. L'Union européenne s'est construite dans les crises, comme celles qu'elle traverse aujourd'hui, avec notamment la guerre en Ukraine. Ces crises doivent être le marchepied d'une Europe beaucoup plus forte. Nous devons être maîtres de notre destin, un destin lié à nos alliés, bien sûr, mais qui ne dépend pas de leur seul bon vouloir. Alliés oui, aliénés non: ce serait le début de la fin.

Dans un autre registre, madame la ministre, permettez-moi, au nom de mon groupe, de vous féliciter pour votre accession à la Commission européenne.

Christophe Lacroix:

Madame la ministre, je vous remercie.

Ce que Trump et ses alliés, Milei, Orban, Meloni, Le Pen, Wilders et j'en passe et pas des meilleurs, espèrent, c'est notre résignation. Mais il y a quelque chose qui ne nous manquera jamais à nous, socialistes: c'est la résolution, c'est le courage et la fidélité.

Je l'affirme avec une forme de solennité car le moment est historique, mais aussi et surtout avec une conviction inébranlable: nous, socialistes, serons toujours en première ligne pour défendre la démocratie et les libertés. Nous, socialistes, serons toujours en première ligne pour défendre les droits des femmes et le droit à l'avortement. Nous, socialistes, serons toujours en première ligne pour défendre les minorités et les personnes LGBTQIA+. Nous, socialistes, serons en première ligne pour protéger la santé et la protection sociale. Nous, socialistes, serons en première ligne aux côtés des Palestiniens et des Ukrainiens et de tous ceux qui souffrent.

L'espoir est toujours plus fort que la peur. La justice triomphe toujours de la haine.

Raoul Hedebouw:

Madame la ministre, comment peut-on être aussi naïf? Donald Trump dit clairement qu'il va se battre à fond pour les intérêts impérialistes américains, et uniquement ceux-là, et votre conclusion politique est qu'il faut renforcer les relations transatlantiques! Mais combien de temps allons-nous encore nous faire berner en croyant naïvement que les Américains défendent les intérêts des Européens? Les Américains défendent l'impérialisme américain. Quand ils disent qu'ils soutiennent Netanyahu au moyen de milliards de dollars en armement, que fait l'Union européenne? Elle se met au garde-à-vous. Que fait-elle lorsque les États-Unis d'Amérique annoncent qu'ils vont bombarder l'Afghanistan, la Libye, la Syrie? Elle se met au garde-à-vous! Quand les Américains nous vendent un gaz très cher pour des milliards d'euros aux dépens de notre industrie, que fait-elle? Elle se met au garde-à-vous.

Combien de temps allons-nous encore croire que cela peut continuer? Tendons la main à tous les pays du Sud qui, aujourd'hui, n'acceptent plus l'ordre (…)

Anneleen Van Bossuyt:

Collega’s, de Amerikaanse kiezer heeft gekozen en we moeten die democratische keuze respecteren. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend, maar geloof mij: als men uitgescholden, uitgejouwd en bespuwd wordt, terwijl men een duidelijk mandaat van de kiezer heeft gekregen, dan beseft men dat dat voor sommigen in onze samenleving niet meer zo vanzelfsprekend is. (Applaus en staande ovatie op de banken van de N-VA)

De reactie van de regering op de arrestatie van Ahoo Daryaei door de Iraanse zedenpolitie

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 7 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jean-Luc Crucke dringt er bij minister Hadja Lahbib op aan dat België en de EU openlijk stelling nemen tegen de onderdrukking van Iraniërs, zoals het geweld tegen studente Ahou Daryaei (opgesloten in een psychiatrisch ziekenhuis na protest tegen kledingdwang), en eist een confrontatie met de Iraanse ambassadeur. Lahbib benadrukt stille diplomatie om Daryaei’s veiligheid niet in gevaar te brengen, maar belooft prioriteit te maken van mensenrechten in haar EU-rol, terwijl de ambassade in Teheran de zaak discreet opvolgt. Crucke blijft pleiten voor publieke verontwaardiging en druk op Iran, wijzend op het belang van Europese solidarietéit als moreel wapen tegen het regime. Lahbib ontwijkt een harde toezegging (zoals ambassadeursontbieding), maar bevestigt betrokkenheid zonder concrete acties te specificeren.

Jean-Luc Crucke:

Madame la ministre, je manquerais à mes devoirs en ne vous félicitant pas, en mon nom et au nom de mon groupe des Engagés, pour le feu vert que nos collègues parlementaires européens ont donné à votre nomination.

Malheureusement, le sujet que je dois aborder avec vous est moins réjouissant. Vous l'avez certainement vu passer sur les réseaux sociaux, la jeune étudiante iranienne Ahou Daryaei, pour avoir osé contester le diktat vestimentaire face à une police des mœurs de sinistre réputation, termine sans doute aujourd'hui – dans le meilleur des cas, dirais-je – dans un hôpital dit psychiatrique avec, sans doute, des marques à vie. Derrière cette jeune étudiante, il y a d'autres femmes iraniennes. Il y a manifestement dans ce pays, berceau de l'Occident doté d'une culture extraordinaire, une aliénation inacceptable des droits des femmes. Et il est heureux de voir que des citoyens se sont mobilisés via les réseaux sociaux, via une vidéo. On voit qu'il y a un besoin de réaction.

Si je vous questionne aujourd'hui, c'est parce que je voudrais que notre pays réagisse par la voix de la ministre des Affaires étrang è res et de celle du premier ministre pour dire d'une voix forte à cette femme ainsi qu' à toutes les Iraniennes que nous ne les abandonnerons pas. Vous allez assumer une responsabilité au sein de la Commission européenne, il faut que là aussi nous puissions être fiers de ce que nous sommes et fiers surtout de nous montrer solidaires avec ces femmes.

Madame la ministre, quelle est la voix que vous allez porter? Demanderez-vous un rapport à l'ambassadeur? Convoquerez-vous l'ambassadeur d'Iran pour lui communiquer que c'est pour nous totalement inacceptable?

Hadja Lahbib:

Monsieur le député, l'image de cette jeune iranienne qui, par révolte, par désespoir, défie au péril de sa vie un régime qui piétine les droits et les libertés les plus essentiels à l'épanouissement de tout être humain est un exemple de courage, de bravoure et ce geste doit toutes et tous nous inspirer.

Chacun, là où nous sommes, au Parlement, au gouvernement ou dans la société, a un rôle à jouer pour faire avancer les libertés fondamentales et les droits humains. J'y suis très attachée et je me suis d'ailleurs exprimée hier à ce sujet au Parlement européen. Il s'agira certainement de l'une de mes priorités lors de mon prochain mandat.

En tant qu'actuelle ministre des Affaires étrangères, mon rôle est d'agir dans l'intérêt d'Ahou Daryaei, dont le nom restera dans l'histoire. La jeune fille serait actuellement dans un hôpital de Téhéran. Comme je l'ai dit, chacun doit jouer son rôle. Notre ambassade à Téhéran est mobilisée et suit la situation de près avec la discrétion nécessaire pour protéger la vie d'Ahou Daryaei. C'est la raison pour laquelle vous n'avez sans doute pas vu de réaction de la ministre des Affaires étrangères qui est devant vous, ni d'autres ministres des Affaires étrangères d'ailleurs. La diplomatie doit parfois se faire en toute discrétion pour protéger la vie des concernés.

Jean-Luc Crucke:

Je vous remercie, madame la ministre, pour votre réaction et la sensibilité de vos propos. Je peux comprendre qu'il faille parfois faire preuve de discrétion mais je crois aussi qu'il ne faut pas se cacher, ce dont je ne vous accuse pas. Aujourd'hui, cette jeune femme et les autres femmes en Iran ont besoin de sentir, tant que c'est encore possible, que l'Europe est à leurs côtés. Elles sentent sûrement que les citoyens européens le sont. Le courage des hommes et des femmes politiques au sein de notre démocratie est aussi de pouvoir hausser le ton, de ne pas se taire. C'est en parlant que nous serons peut-être les plus forts. Je vous demande de convoquer l'ambassadeur iranien et de lui dire au nom de ce Parlement et de mon groupe des Engagés que nous n'accepterons pas ce qui se passe là-bas.

De vernietigde NAVAP-regeling voor de politie
De vernietigde NAVAP-regeling voor de politie
Vernietiging NAVAP-regeling voor politie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 24 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Raad van State vernietigde het KB dat de NAVAP-pensioenregeling (vervroegd pensioen vanaf 58 jaar) voor politie afbouwde wegens gebrek aan sociaal overleg, waardoor de oude regels (2015) opnieuw gelden—maar minister Verlinden belooft geen structurele garanties. Ondanks loonsverhogingen en carrièreverbeteringen blijft het vertrouwen tussen vakbonden en regering verbroken door gebroken beloftes (o.a. uitgestelde loonsopslag) en eenzijdige besluitvorming, terwijl Arizona-partijen verdere afbouw willen. Kritiek van Depoortere (VB) en Daems (PVDA) benadrukt dat het veiligheidsbeleid wankelt door ontmanteling van eindeloopbaanrechten voor zware beroepen, zonder alternatief. De minister herhaalt respect voor politie, maar concrete herstelmaatregelen of toezeggingen ontbreken.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, wat een lijdensweg is het geworden, die sectorale onderhandelingen met de politievakbonden. Er komt maar geen einde aan en onderdelen ervan zijn faliekant afgelopen. Herinner u de mooie grote woorden over het kwantitatieve en het kwalitatieve luik. Al bij het kwantitatieve luik liep het fout: beloftes werden gebroken, waardoor het vertrouwen tussen politievakbonden en de regering volledig zoek was. Er kwam namelijk geen loonsopslag, want er was geen budgettaire ruimte om de opslag volledig in één keer te kunnen uitkeren.

Daarnaast werden de spelregels tijdens het traject plots gewijzigd. U vaardigde een koninklijk besluit uit dat de NAVAP-regeling wel degelijk afbouwt. U deed dat bovendien zonder overleg met de vakbonden. Dat is ook de Raad van State niet ontgaan. Hij roept u bij wijze van spreken weer op het matje en vernietigt uw KB.

Mevrouw de minister, had u al contact met de politievakbonden? Wanneer zit u opnieuw samen om de eindeloopbaanregeling te herbekijken?

Greet Daems:

Mevrouw de minister, werken bij de politie is vandaag niet gemakkelijk. Politiemensen verdienen respect. Daarom wil ik het met u vandaag hebben over hun pensioenen.

Zij hebben altijd het vooruitzicht gehad om onder bepaalde voorwaarden vervroegd op 58 jaar op pensioen te kunnen gaan. Dat perspectief hebben u en uw collega's van de vivaldiregering gewoon afgepakt door de NAVAP-regeling zonder meer af te schaffen. De Raad van State heeft gisteren die beslissing vernietigd, omdat u de verplichting tot sociaal overleg niet hebt gerespecteerd.

Het werk van politiemensen is mentaal en fysiek slopend. Elke dag opnieuw geconfronteerd worden met geweld eist zijn tol. De NAVAP-regeling werd destijds met redenen voor politiemensen ingevoerd: politiemensen werken vaak met gevaar voor het eigen leven.

Vorige week verklaarde u nog dat u onnoemelijk veel respect hebt voor de politie. In de praktijk zien we echter dat u frontaal hun pensioenrechten aanvalt. Dan horen we ook nog dat de arizonapartijen N-VA, cd&v, Vooruit, MR en Les Engagés de pensioenrechten van politiemensen nog verder willen afbreken. Dat vinden wij totaal onaanvaardbaar.

Mevrouw de minister, legt u zich neer bij de beslissing van de Raad van State? Mogen politiemensen nu weer vervroegd op pensioen onder bepaalde voorwaarden? Kunt u garanderen dat de pensioenrechten van de politie ook in de toekomst behouden blijven?

Annelies Verlinden:

Mijnheer de voorzitter, collega's, ook ik heb gisterenmiddag kennisgenomen van het arrest van de Raad van State van 22 oktober over het beroep tot nietigverklaring van het koninklijk besluit betreffende de wijzigingen aan de zogenaamde NAVAP-regeling of de regeling inzake de non-activiteit voorafgaand aan de pensionering voor onze politiemedewerkers. Let wel, de Raad van State heeft zich in dat arrest niet over de regeling zelf uitgesproken, maar wel geoordeeld dat de verplichting tot voorafgaande inhoudelijke onderhandeling met de representatieve vakorganisaties over dat koninklijk besluit niet voldoende werd nageleefd. Ik hoef u er niet aan te herinneren – de geschiedenis van de totstandkoming van dat koninklijk besluit is u bekend – dat het kernkabinet over de aanpassing van het NAVAP-systeem heeft beslist.

Het spreekt voor zich dat wij onmiddellijk werk hebben gemaakt van de analyse van het arrest en de mogelijke gevolgen, in het bijzonder de impact ervan op de professionalisering en pensionering van onze politiemedewerkers. Ik kan u alvast meegeven dat als onmiddellijk gevolgen de nieuwste NAVAP-regeling vervalt en de voorwaarden van de NAVAP-regeling van vóór oktober 2023 opnieuw van toepassing worden. Meer bepaald gaat het om de voorwaarden opgenomen in het koninklijk besluit van 9 november 2015. Dat betekent dat de politiemedewerkers opnieuw kunnen gebruikmaken van de NAVAP-regeling vanaf de leeftijd van 58 jaar in plaats van 58 jaar en 6 maanden, en op de leeftijd van 59 jaar vanaf 1 oktober 2025. Voor officieren van ons politiekorps geldt als leeftijdsvoorwaarde opnieuw 60 jaar.

Zodra het arrest volledig geanalyseerd is, ook samen met juridische adviseurs, zullen wij in het licht van de lopende regeringsonderhandelingen bekijken welke afspraken gemaakt kunnen worden.

Overigens gaat u kort door de bocht met uw kritiek, want de voorbije legislatuur zijn wij er wel in geslaagd om het statuut van onze politiemedewerkers te verbeteren. Voor het eerst sinds de politiehervorming van 24 jaar geleden is er een algemene loonsverhoging doorgevoerd en sinds 1 oktober 2024 hebben alle medewerkers van de politie de volledige verhoging ontvangen, overeenkomstig dat sectoraal akkoord. Bovendien zijn er mogelijkheden om in de politieorganisatie sneller carrière te maken en wordt er wel degelijk ruimte gemaakt voor een eindeloopbaanbeleid. Dat kan uiteraard worden geoptimaliseerd en daar zullen we ook aan werken.

Mevrouw Daems, ik herhaal wat ik vorige week heb gezegd. Ik heb onnoemelijk veel respect voor de politiemedewerkers, die dag in dag uit bezig zijn op het terrein, onder meer om de aankondiging van code rood in goede banen te leiden. Laten we ook niet vergeten dat zij steeds ter beschikking staan. Zij spelen een heel belangrijke maatschappelijke rol. Zij verdienen dus een goed en robuust statuut, waarbij we, wat mij betreft, ook rekening moeten houden met de bijzondere en soms zware aard van hun opdracht en het feit dat zij de eigen veiligheid op het spel zetten om de veiligheid van anderen te garanderen.

Voor mij is het zaak om een zo sterk mogelijk politiekorps te behouden, waarbij we ook kunnen rekenen op de expertise van senior medewerkers. Niet alle politiemedewerkers willen zo snel mogelijk met pensioen gaan; ik ken er zelfs heel wat die na hun pensioengerechtigde leeftijd nog langer bij de politie willen werken.

Ik zal mij altijd, ook tijdens de onderhandelingsronde met de arizonapartijen, blijven inzetten voor dat degelijk en robuust statuut, een statuut dat respect toont voor de politiemedewerkers, ook op senior leeftijd, en dat rekening houdt met de bijzondere missies die zij tijdens hun carrière hebben uitgevoerd.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, wij zullen niet rond de pot draaien: het veiligheidsbeleid was wankel; het veiligheidsbeleid is wankel; het veiligheidsbeleid zal wankel blijven. Immers, wij steunen in onze democratische rechtsstaat nu eenmaal op onze veiligheidsdiensten, zijnde in de eerste plaats onze politiediensten. Mevrouw de minister, ik reken er dus op en roep u ertoe op dat u het gebroken vertrouwen tussen de politiediensten, enerzijds, en de overheid en de regering, anderzijds, opnieuw herstelt. Dat kan enkel door het zware beroep van politieman en -vrouw opnieuw aantrekkelijk te maken. Dat betekent ook dat wij de eindeloopbaanregeling niet afbouwen zonder dat er een algemene regeling komt voor alle zware beroepen.

Dat zijn allemaal redelijke eisen van de politievakbonden. Ik kan u verzekeren dat het Vlaams Belang altijd, nu en morgen, de zijde zal kiezen van de politie.

Greet Daems:

Mevrouw de minister, ik heb garanties gevraagd voor het behoud van de pensioenrechten. Ik heb ze niet echt gehoord. U merkt op dat u veel politiemensen kent die ook na hun pensioen willen blijven werken. Ik ken echter ook heel veel politiemensen die op 58-jarige leeftijd gewoon op zijn. Voor hen is het enorm belangrijk dat de speciale regeling behouden blijft. U herhaalt vandaag ook dat u onnoemelijk veel respect hebt voor de betrokken politiemensen. Wat zijn die woorden echter waard wanneer u de pensioenrechten van de politiemensen aanvalt? U deed dat onder de vivaldiregering. Wanneer ik lees wat Bart De Wever, met wie uw partij rond de onderhandelingstafel zit, van plan is, moet ik vaststellen dat u de pensioenrechten van de politiemensen nog meer wilt afbreken. Daarvoor passen wij. De PVDA zal altijd blijven strijden voor het behoud van de pensioenrechten voor alle werkende mensen.

De toekomst van de federale politie

Gesteld door

PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 24 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Éric Thiébaut (socialist) uit zorgen over plannen in de formatienota om de federale politie te verzwakken (minder steun aan lokale zones, privatiseringstendensen) en Anvers te bevoordelen, terwijl landelijke gemeenten achteruitgaan. Minister Annelies Verlinden (cd&v) benadrukt dat de gelekte teksten niet definitief zijn en verdedigt het tweelagenmodel (sterke federale *en* lokale politie), met nadruk op samenwerking en specialisatie, maar erkent dat privatisering een rol *kan* spelen. Thiébaut blijft kritisch op privatisering van staats taken en afbouw van federale steun, terwijl Verlinden garandeert het huidige model te verdedigen in de onderhandelingen.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, on a découvert cette semaine dans la presse de larges extraits de la note du formateur, notamment la partie relative à la sécurité. Ce que j'y ai lu m'inquiète beaucoup car, visiblement, la N-VA voudra cette fois-ci affaiblir notre police fédérale. Je n'en suis pas étonné car on se souviendra qu'il n'y a pas si longtemps, le gouvernement MR-N-VA avait littéralement décapité la protection civile fédérale.

On va donc s'attaquer maintenant à la police fédérale. Il est question de recentrer la police fédérale sur ses missions principales. Il est également question que les zones de police ne puissent plus compter sur l'appui de la police fédérale en matière de personnel, de logistique, de finances et également de cybercriminalité. Ce sera évidemment un problème pour les petites communes, en particulier pour les zones rurales. Toutes les communes s'en trouveront affaiblies et devront pallier ce manque d'apport qui venait du fédéral. Toutes les communes seront handicapées par ces futures mesures. Toutes, sauf peut-être une: Anvers.

À Anvers, il faudra au contraire remettre des moyens du fédéral puisqu'il faut remettre du personnel à la police judiciaire fédérale d'Anvers. Pas ailleurs puisque, nous le savons, Anvers est la capitale européenne de la cocaïne et sera certainement la future capitale de l'Arizona. Nous ne sommes donc pas très étonnés des accents que nous voyons dans cette note.

On y découvre également que, tout comme l'avait fait le ministre Jambon, le pouvoir du secteur privé se voit accentué dans les possibilités d'action de la police.

Madame la ministre, j'aimerais connaître votre position en tant que ministre cd&v présente à la table des négociations par rapport à tout ce qui est annoncé en matière de sécurité.

Annelies Verlinden:

Cher collègue, comme vous, j'ai constaté avec une grande stupéfaction que différents textes issus des négociations fédérales, dont celui sur la sécurité, ont fuité dans la presse et ont également été interprétés par la presse d'une manière polarisante. Je déplore cette situation et je comprends les inquiétudes à ce sujet dans nos services de police, tout comme les préoccupations concernant le régime des pensions dont on vient de parler.

Je tiens donc à préciser d'emblée que les textes qui ont fuité ne sont pas des textes définitifs. Les négociations se poursuivent et je soutiens le modèle policier existant, à savoir celui d'une police intégrée, structurée à deux niveaux, et j'insiste sur ce point. C'est un modèle qui se compose de corps de police locale solidaires les uns des autres, qui s'investissent dans la proximité et qui ont aussi la capacité de mener des enquêtes souvent techniques. Ce modèle se compose également d'une police fédérale forte et renforcée – c'est également dans les textes – qui exécute les missions de police spécialisées et qui est également capable de mieux assumer ses responsabilités en matière de fonctionnement intégré. Une police fédérale que nous continuerons à renforcer et dans laquelle nous poursuivrons les investissements.

Dans un monde où la criminalité a de plus en plus un caractère transfrontalier et international, nous avons besoin de la police fédérale et d'un modèle intégré basé sur la spécialisation, la solidarité et la collaboration. Il faut évoluer, il faut aussi considérer l'implication du secteur privé mais nous aurons toujours besoin d'un modèle à deux niveaux, avec la police fédérale et la police locale. Lors de ces négociations, les policiers peuvent compter sur moi lorsqu'il s'agit de défendre ce modèle policier à deux niveaux, de veiller aux droits acquis ou de tout faire pour que les choses se fassent à l'aide d'une alternative solide.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, je suis assez rassuré de constater qu'en tant que membre du cd&v, vous ne partagez pas les objectifs qui sont annoncés dans la note du formateur en matière de sécurité. En tout cas, moi, en tant que socialiste, je suis très inquiet de voir une partie de la fonction régalienne de l' É tat livrée au secteur privé. Je suis très inquiet aussi, en tant que bourgmestre, de voir l'aide fédérale en matière de police diminuer. Et, en tant que parlementaire, je peux vous assurer que je combattrai toutes ces mesures qui sont annoncées.

Onverenigbaarheden tussen een politiek ambt en de functie van vrijwillig brandweerman

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een brandweervrijwilliger die burgemeester wordt, mag volgens de Wet Veiligheid Civiel (2007) niet deelnemen aan het bestuur van zijn hulpzone wegens belangenconflict (art. 27 & 42), ook niet via vervanging door een schepen. De minister benadrukt dat burgemeesters exclusief zitting nemen in de zoneraad om hun bevoegdheid inzake lokale veiligheid te waarborgen, waardoor de betrokkene moet kiezen tussen zijn mandaat of brandweerfunctie. Piedboeuf erkent het democratisch dilemma maar aanvaardt de strikte toepassing van de wet.

Benoît Piedboeuf:

Madame la ministre, un pompier volontaire, déjà échevin et qui devient bourgmestre, peut-il participer à la gestion de sa zone de secours?

La zone de secours de la province de Luxembourg étant une zone unique, maintient-on l'incompatibilité alors qu'il ne représente qu'1/43 e du pouvoir de décision? Doit-il s'abstenir de participer et, si c'est le cas, peut-il se faire remplacer par le premier échevin? Et, si non, comment règle-t-on ce problème démocratique?

Il n'est en effet pas normal qu'un pompier volontaire ne puisse pas exercer des fonctions politiques ni se faire remplacer en cas d'incompatibilité. Je vous remercie de vos réponses.

Annelies Verlinden:

Monsieur Piedboeuf, la réponse à votre question est négative. L'article 27 de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile prévoit que "les membres du personnel de la zone ne peuvent être membres du conseil ou du collège". Cette disposition a tout son sens dans la mesure où la zone est gérée par le conseil de zone et du fait que le pouvoir réglementaire est exercé par ce dernier.

Par ailleurs, l'article 42 de la loi précitée prévoit qu'il est interdit à tout conseiller zonal d'être présent à la délibération portant sur des objets auxquels il y a un intérêt direct. En tant que travailleurs de la zone, les pompiers ont un intérêt direct concernant les délibérations adoptées par le conseil. Autoriser dès lors un membre du personnel de la zone à faire partie du conseil instituerait un conflit d'intérêts potentiel.

Je souhaite rappeler que c'est le législateur qui a décidé que le conseil de zone devait être composé exclusivement de bourgmestres en raison de la compétence exclusive de ceux-ci en matière de sécurité sur le territoire communal. C'est la raison pour laquelle le bourgmestre ne peut se faire remplacer que lorsqu'il est empêché, à savoir lorsqu'un autre membre du Collège des bourgmestre et échevins exerce toutes les compétences mayorales.

En conclusion, le pompier qui devient bourgmestre doit choisir entre les deux fonctions. S'il devient bourgmestre, il ne peut plus faire partie du personnel de la zone.

Benoît Piedboeuf:

Madame la ministre, c'est évidemment un problème démocratique mais c'est en effet l'application de la loi. Je vous remercie pour votre réponse.

Voorzitter:

De vragen nrs. 56000365C en 56000366C van mevrouw De Vreese worden omgezet in schriftelijke vragen.

De grensoverschrijdende samenwerking tussen Frankrijk en de politiezones van Henegouwen

Gesteld door

MR Hervé Cornillie

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De transfrontalière politiële achtervolging tussen België en Frankrijk blijft problematisch door strikte Franse voorwaarden (beperkte lijst misdrijven, vereiste van flagrant delict) en een Frans constitutioneel obstakel dat buitenlandse politie belemmert in interpellatierechten. België dringt aan op vollédige assouplissement (geen lijst, geen flagrantie-eis) maar Frankrijk blokkeert, ondanks een onvoldoende tegemoetkomend voorstel en lopende gesprekken met de nieuwe Franse minister. Concrete cijfers ontbreken door gebrek aan gecentraliseerde registratie, al loopt een Belgisch pilootproject om dit te verbeteren. De kwestie blijft onopgelost door Franse weerstand en institutionele belemmeringen, met veiligheidsrisico’s voor grensregio’s als gevolg.

Hervé Cornillie:

Madame la ministre, je viens d'une région transfrontalière. Vous me direz qu'on est vite transfrontalier dans ce pays tant il tient sur un mouchoir de poche. En effet, il compte 1 385 kilomètres de frontières terrestres avec ses voisins directs: l'Allemagne, la France, le Luxembourg et les Pays-Bas. Mais le problème n'est pas le même en fonction du pays dont il est question, car il y a déjà eu des avancées pour certains d'entre eux.

Ma question concerne les poursuites transfrontalières suite au constat d'une infraction. Elles sont strictement codées, encadrées par la convention d'application des accords de Schengen aux articles 41 et 42, mais aussi dans les accords de Tournai I et II pour ce qui concerne la Belgique et la France. C'est de ces deux pays qu'est tiré le cas de figure présent qui sert de prétexte à cette question.

L'actuel bourgmestre de Tournai, M. Paul-Olivier Delannoy, qui a d'ailleurs fréquenté cette Assemblée, a échangé avec votre homologue français d'alors, M. Gérald Darmanin sur ce problème. En effet, M. Delannoy lui a fait part d'une situation difficile qui complique le travail des policiers belges et français, à savoir les conditions très restrictives pour entamer une poursuite transfrontalière côté français. Il visait notamment l'interdiction de poursuivre au-delà de la frontière nationale en cas de refus d'obtempérer, une situation hélas de plus en plus fréquente.

Malheureusement, si une solution a pu être trouvée avec les autres pays du Benelux et avec l'Allemagne, pour assouplir ces conditions, c'est-à-dire la suppression d'une référence à une liste limitative d'infractions ainsi que l'exigence d'un flagrant délit, la situation est toute différente avec la France, qui a peut-être une vision plus centrée de la gestion de son autorité.

Madame la ministre, vous avez précisé dans la presse que les discussions avec les autorités françaises étaient difficiles et que vous ne sentiez pas de véritable volonté d'assouplissement de ces conditions. Qu'en est-il aujourd'hui? La situation a-t-elle quelque peu évolué? Doit-elle évoluer en raison du nombre de cas que l'on rencontre sur le territoire? Combien de franchissements ont été totalisés durant le premier semestre 2024 et de quelle nature étaient-ils? Avez-vous déjà eu l'occasion de faire le point avec votre homologue français? Que pouvez-vous nous dire dans ce dossier pour que, finalement, cette question de coopération transfrontalière entre les zones de police soit résolue de manière bénéfique pour nos concitoyens et pour la sécurité globale?

Annelies Verlinden:

Collègue Cornillie, en l'absence de centralisation officielle des chiffres, tant du côté belge que français, je ne suis pas en mesure de vous fournir les informations demandées. Un projet pilote est en cours au niveau des services de police belges afin de remédier à cette situation, dans le cadre de la mise en œuvre de la recommandation européenne 2022/915 du Conseil du 9 juin 2022 relative à la coopération opérationnelle des services répressifs.

Concernant le gouvernement français, je n'ai pas encore eu l'occasion de faire part des préoccupations belges au nouveau ministre français de l'Intérieur, M. Retailleau. Toutefois, j'ai déjà relayé à de nombreuses reprises des difficultés connues de longue date auprès des autorités françaises à différents niveaux. J'espère pouvoir rencontrer prochainement mon homologue afin d'aborder ce sujet avec lui et connaître sa position officielle concernant les poursuites transfrontalières entre la France et la Belgique.

Il y a quelques mois, les autorités françaises ont proposé à la Belgique de revoir les déclarations nationales basées sur la convention d'application de l'accord de Schengen afin d'assouplir quelque peu les conditions d'ouverture de poursuites transfrontalières entre nos deux pays. Cette proposition ne rencontrait pas complètement nos attentes. En effet, la Belgique tient à ce que, d'une part, les conditions d'ouverture de la poursuite soient assouplies en supprimant la référence à une liste limitative d'infractions et l'exigence d'un flagrant délit et d'autre part, que les conditions d'exercice de la poursuite soient améliorées en reconnaissant un droit d'interpellation aux policiers étrangers; ces deux aspects étant selon nous indissociables. Sur ce dernier point, la France est confrontée à un obstacle constitutionnel qui semble ne pas pouvoir être levé si facilement.

L'évolution favorable de la situation dépendra donc de la position française et de la solution qui pourra, le cas échéant, être trouvée pour remédier à l'obstacle constitutionnel.

Hervé Cornillie:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos éléments de réponse. Je sais qu'on est dans des situations de transition tant en Belgique qu'en France. De ce fait, je comprends que la volonté de sensibiliser n'ait pas encore pu être menée mais, quelle que soit l'évolution des fonctions personnelles des uns et des autres, je resterai attentif à cette question, tant la difficulté transfrontalière est réelle et a un impact en matière de sécurité pour nos concitoyens. Vous avez d'ailleurs fait assez utilement le bilan en la matière et précisé de nouvelles difficultés, notamment une difficulté assez conséquente d'ordre constitutionnel en France. Je puis donc bien imaginer la difficulté que cela représente pour nous, Belgique, au niveau du suivi de cette problématique et de la volonté d'améliorer les conditions de la coopération transfrontalière. Cela doit bel et bien être notre objectif mais il se heurte manifestement à quelques difficultés sur le terrain. Je reviendrai sur le sujet.

De paraatheid van de politie voor de burgerlijkeongehoorzaamheidsacties van de beweging Code Rood

Gesteld door

MR Catherine Delcourt

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat er nationale coördinatie (via NCCN, gouverneurs en burgemeesters) is tegen geplande Code Rouge-acties (24-28/10) gericht op fossiele industrie en luchthavens, met tolerantie-zero voor inbraken en versterkte politie-inzet, maar activisten weigeren dialoog. Delcourt kritiseert dat federale sturing ontbreekt en lokale politiezones (bv. Luik) tekortschieten in capaciteit (personeel, detentie-infrastructuur), wat risico’s vergroot zoals in 2023.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, je souhaite attirer votre attention sur les nouvelles actions de désobéissance civile programmées par le mouvement Code Rouge et visant l'industrie des énergies fossiles. Ces actions de masse, qui devraient se dérouler dès demain et jusqu'à lundi, s'inscrivent dans la lignée de celles menées en 2023, durant lesquelles des activistes avaient notamment pénétré sur le site d'ENGIE à Flémalle et plus de 600 activistes avaient réussi à s'introduire de force sur le site d'Alibaba à Liège Airport. Ces actions avaient entraîné une occupation prolongée des lieux, des dégradations et des risques d'intrusion dans l'aéroport même, ainsi qu'à proximité des pistes. Les forces de l'ordre avaient dû intervenir en procédant à de nombreuses arrestations. Les mêmes actions avaient été menées au même moment à Anvers et à Courtrai.

Au regard de l'agitation antérieure observée et des risques très importants générés lors de ces actions de désobéissance civile, je vous pose les questions suivantes: sachant que plusieurs zones du Sud et du Nord du pays sont potentiellement visées, avez-vous mis en place une coordination au niveau national qui permettrait de prendre des mesures tant préventives que réactives, avec les effectifs nécessaires et équilibrés en fonction des lieux d'action? Vous êtes-vous par ailleurs bien assurée que les services de police disposent d'infrastructures d'accueil suffisantes pour rassembler les personnes arrêtées dans chaque province?

Annelies Verlinden:

Madame Delcourt, le suivi des actions de Code Rouge annoncées du 24 au 28 octobre figure bien entendu au centre de mes préoccupations et de celles de mes services.

Dans le cadre de la préparation des actions de blocage de Code Rouge sur les cibles liées à Total, ENGIE et au secteur aéroportuaire, un engagement maximal a été demandé par la police fédérale en matière de forces et de collecte d'informations, en coordination avec le Centre de crise national (NCCN), les gouverneurs et les bourgmestres potentiellement concernés.

Actuellement, les organisateurs de Code Rouge ne souhaitent pas dialoguer avec les autorités administratives et communiquer les lieux d'actions éventuelles. Des contacts ont été établis avec les secteurs visés, qui ont également été invités à prendre une série de mesures préventives. Une évaluation constante des informations permettra d'orienter les renforts et les moyens spécialisés, tout en appliquant les principes de la gestion négociée de l'espace public.

Outre des réunions de coordination du NCCN avec les services de sécurité concernés et les gouverneurs, un cadre de référence national de la police a également été envoyé aux gouverneurs concernant les interventions des services de la police fédérale. Ce cadre n'affecte pas les éventuelles décisions prises par les autorités administratives locales compétentes.

Pour ce qui est de l'intervention de la police fédérale, la tolérance zéro sera de rigueur si des manifestants tentent d'accéder aux sites d'entreprises chargées de l'approvisionnement énergétique de notre pays et aux pistes des aéroports. Les services de police ont déjà été sensibilisés au niveau national à ces actions et la vigilance est renforcée dans tout le pays.

En ce qui concerne les infrastructures destinées aux personnes privées de liberté, un recensement des places disponibles pour un tel accueil a été réalisé à l'échelon national.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, merci pour votre réponse. Merci aussi pour toutes les mesures de coordination que vous avez mises en place. Lors d'actions de masse de désobéissance civile, potentiellement menées sur l'ensemble du territoire, je déplore que le niveau fédéral soit cantonné à un rôle de coordination et ne puisse dès lors pas diriger les opérations de police sur le terrain. Cela laisse au directeur coordinateur (DirCo), au chef de corps de la zone de police concernée, cette lourde responsabilité. En 2023, les autorités locales sont passées par le chas de l'aiguille à certains égards. Par ailleurs, les DirCo ou chefs de corps des zones de police concernées ne sont pas certains de disposer de tous les moyens en suffisance, tant en termes de personnel que d'infrastructure. Par exemple, dans la province de Liège, la police fédérale ne dispose d'aucune cellule et doit se retourner vers les zones de police, souvent peu enclines à accueillir ce type de public.

De eindeloopbaanregeling voor politieagenten

Gesteld door

PTB Sofie Merckx

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 17 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sofie Merckx kritiseert scherp de plannen om politie- en defensiemedewerkers langer te laten werken (tot 67 jaar) met lagere pensioenen (200-300 euro minder per maand), wat ze "stank voor dank" noemt gezien hun zware, risicovolle beroep en het groeiende personeelstekort. Minister Annelies Verlinden benadrukt dat er nog niets beslist is, erkent de ongerustheid en belooft het statuut en pensioenstelsel te verdedigen, maar waarschuwt tegen paniek in een moeilijke budgettaire context. Merckx werpt tegen dat de regering al jaren de pensioenleeftijd optrekt (van 56 naar 67) en wijst de schuld voor de paniek af: *"U creëert die zelf"*—eist ze een halt toe aan de plannen, die ze onuitvoerbaar en onrechtvaardig noemt voor fysiek veeleisende beroepen.

Sofie Merckx:

Mevrouw de minister, ik vind het ongelofelijk hoe weinig respect er in ons land is voor de mensen die bij de politie en het leger werken. Die mensen hebben een zwaar beroep, met onregelmatige uren en risico's, waar ongerustheid bij hoort en men zijn leven riskeert op bepaalde momenten. Daar zou respect tegenover moeten staan.

Ik ken iemand die bij de politie is gaan werken toen hij 22 was en die man ziet regering na regering de dag waarop hij kan stoppen met werken verder liggen. Wat komt daar nu nog bij? Vorige week kregen we te horen dat die mensen 200 à 300 euro pensioen per maand minder zouden krijgen en dan heb ik het nog niet over alle voordelen die de afgelopen jaren zijn afgeschaft. Ik vind dat echt ongelofelijk. Die mensen zetten zich dag in dag uit in voor ons land en wat krijgen zij daarvoor terug van de regering? Langer werken en minder pensioen. Dat is stank voor dank.

U bent dan nog verbaasd dat er een tekort is aan mensen die bij de politie of bij Defensie willen gaan werken. Hoe zullen die mensen het ook volhouden om tot 67 jaar dat beroep uit te voeren? Dat is gewoon niet mogelijk en dat is ook niet goed voor de veiligheid van onze burgers. Wat er vorige week is gezegd en wat u aan het bekokstoven bent met cd&v, de N-VA en Vooruit wat de eindeloopbaanregeling van de ambtenaren betreft, is voor die mensen werkelijk een slag in het gezicht.

Hoe zit het dus met de eindeloopbaanregeling van onze politieagenten, mevrouw de minister?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Merckx, ik spreek natuurlijk in de eerste plaats voor mezelf, maar ik heb onnoemelijk veel respect voor de mensen van onze veiligheidsdiensten, voor de politie, voor Defensie en voor iedereen die zich inzet voor het algemeen belang en daarbij – inderdaad – soms zijn eigen veiligheid op het spel zet.

Ik heb inderdaad begrepen dat er ongerustheid is over het eindeloopbaanbeleid naar aanleiding van de teksten die in de regeringsonderhandelingen worden besproken. Daar is echter nog niets beslist. Ik heb ook bij de andere partijen en bij de formateur veel respect voor de veiligheidsdiensten genoteerd.

Ik heb die ongerustheid gehoord en wij hebben dat genoteerd. Ik heb daarover ook een gesprek gehad met de vertegenwoordigers van de geïntegreerde politie. We moeten inderdaad vermijden dat een paniekreactie leidt tot een uitstroom van vooral seniormedewerkers en leidinggevenden bij onze politie. De vakbonden van de geïntegreerde politie hebben een brief gestuurd naar de formateur, die dat goed heeft opgepikt. Dat wordt mee opgevolgd en hij heeft er al over gecommuniceerd.

We moeten blijven vechten voor het statuut van onze veiligheidsmensen. Het bepalen van een pensioenstelsel voor de mensen van de veiligheidsdiensten dat rekening houdt met het zware en intense karakter van hun werk, is zeker aan de orde. Dat is zeker ook waar wij voor zullen blijven vechten. We zullen dat zeker blijven opvolgen en we nemen die bezorgdheden ook mee tijdens de onderhandelingen.

Ik zou u iets willen vragen: jut niet verder op en zaai geen paniek. Er is nog niets beslist. Wat we vandaag niet moeten doen, is in een heel moeilijke budgettaire context – dat weet u ook – verder opjutten. We zullen zorgen voor onze veiligheidsmensen en dat respect zullen we de komende weken niet alleen met woorden tonen, maar ook met daden.

Sofie Merckx:

Madame la ministre, je trouve cela tout simplement incroyable! Vous dites éprouver du respect pour les policiers et les gens qui travaillent dans l'armée. Or, déjà sous le précédent gouvernement, vous les faisiez travailler de plus en plus longtemps, si bien qu'ils ne pouvaient pas prendre leur pension. À présent, vous voulez les faire travailler encore plus longtemps en leur accordant une pension moindre. MM. De Wever et Bouchez ont été clairs à ce sujet, puisqu'ils disent sans cesse que quelqu'un va devoir payer. Nous ne sommes pas d'accord de faire payer les policiers et les fonctionnaires de l'armée! Vous dites avoir entendu leur panique. Mais ce n'est pas nous qui l'avons provoquée; c'est vous! Depuis des années, vous dites aux militaires que le départ à la retraite va passer de 56 à 67 ans. Qu'êtes-vous en train de faire? Comment vont-ils pouvoir encore accomplir leurs missions à 67 ans? S'il vous plaît, madame la ministre, il est encore temps d'arrêter vos plans!

De bijzondere pensioenstelsels bij onder meer de politie, het leger en de spoorwegen

Gesteld door

PS Sophie Thémont

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 17 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om twee hoofdthema’s: (1) de omstreden pensioenhervorming van de "Arizona-coalitie", die voor veiligheids- en openbare-dienstberoepen (politie, brandweer, militairen, spoorwegpersoneel) de pensioenleeftijd met 10 jaar opschuift en pensioenen met tot €936/mnd verlaagt, wat minister Lalieux (PS) en Sophie Thémont (sp.a) sociaal onaanvaardbaar noemen voor fysiek zware jobs, en (2) misbruik van parlementaire vragen over het Midden-Oostenconflict, waar PVDA-volksvertegenwoordigers volgens critici (o.a. Benoît Piedboeuf) herhaaldelijk dezelfde kwesties (Israël-sancities) inbrengen onder mom van "actualiteit", terwijl de Voorzitter benadrukt dat de lopende-zakenregering beperkt is tot acute crises. *Kern*: Pensioenaanval op vitale sectoren en politiek gekibbel over procedurele integriteit.

Sophie Thémont:

Madame la ministre, imaginez-vous une conductrice de 66 ans démarrer son train à 4 h du matin. Imaginez-vous des pompiers de 66 ans éteindre le feu. Imaginez-vous des soldats de 66 ans partir en mission. Imaginez-vous des policiers de 66 ans poursuivre des narcotrafiquants.

Les représentants des travailleurs et le chef de la Défense sont très inquiets. Ils ont raison de l'être puisque, selon les informations qui leur reviennent, l’âge de la pension de ces travailleurs reculerait de dix ans. Dix années, c’est injustifiable. Or, ici, on parle de plusieurs milliers de travailleurs de l’État qui font un métier pénible et qui ne comptent pas leurs heures pour assurer notre sécurité et notre santé.

Partir à la pension, quand on a un métier pénible, ce n’est sûrement pas un privilège. Supprimer ce régime, c’est démotiver nos agents. Et quel signal? Quel signal envoyons-nous à tous ces jeunes qui rêvaient sans doute de rejoindre leurs rangs?

Madame la ministre, pendant quatre ans, nous, socialistes, et vous en particulier, nous avons fait rempart contre les attaques de la droite. Le réveil va être brutal dans ce désert de droits sociaux. Votre collègue de la Défense a d'ailleurs fait part de son inquiétude.

Madame la ministre, que pensez-vous de ces propositions surréalistes de la coalition Arizona telles qu’elles ont fuité dans la presse?

Voorzitter:

Collega's, mag ik u vragen om de sprekers uw volle aandacht te schenken?

Karine Lalieux:

Chers collègues, je ne peux que confirmer les réponses, qui ont été apportées par mon administration, aux différentes questions concernant l'impact des réformes avancées par la note du formateur.

En effet, alors que tout le monde s'accorde sur l'importance de renforcer les corps de métier qui assurent notre sécurité au quotidien, les propositions formulées attaquent frontalement les droits relatifs aux pensions tant des agents en place que des futurs agents. Je pense, tout comme vous, aux policiers, aux pompiers, aux militaires, mais également aux cheminots, qui font un travail remarquable pour garantir la sécurité du chemin de fer.

Avec les mesures envisagées par l'Arizona, ces hommes et ces femmes seront obligés de travailler plus pour une pension moindre, comme je l'ai annoncé pour les enseignants la semaine dernière. Ainsi, un militaire ou un cheminot, âgé aujourd'hui de 40 ans, devra travailler de 11 à 12 années en plus, tout en perdant jusqu'à 380 euros par mois. Un policier ou un pompier, du fait de la suppression des tantièmes préférentiels et du nouveau mode de calcul des pensions, verra sa pension diminuer de 936 euros par mois.

Dans la réforme que nous avons approuvée sous la Vivaldi, nous avions précisément veillé à préserver les droits des corps essentiels à la sécurité de toutes et de tous et leurs conditions de travail, comme l'ont d'ailleurs souligné les syndicats et le chef de l'armée. Leurs conditions de travail justifient du reste un régime particulier.

Il est à espérer, chers collègues, que la prochaine majorité n'avancera pas sur les propositions formulées au détriment des travailleurs et de notre sécurité à toutes et à tous, et qu'elle ne fera pas des pensions une simple variable d'ajustement budgétaire, comme je l'ai trop souvent entendu dire par la droite durant cette législature.

Sophie Thémont:

Merci pour votre réponse, madame la ministre. Il est vrai que nous avons besoin de services publics forts à l’heure où tout le monde réclame un renforcement de la sécurité, notamment. Vous l’avez dit, nous avons besoin de nos cheminots, de nos pompiers, et ils veulent sacrifier les travailleurs sur l’autel de l’austérité. C’est certainement comme cela qu’ils comptent valoriser le travail.

En tout cas, je pense que la coalition Arizona formera vraiment un gouvernement anti-services publics, de régression et de violences sociales. Nous utiliserons tous les moyens à notre disposition pour faire barrage à cette vague antisociale.

Voorzitter:

We merken dat er al vragen worden gesteld aan de volgende regering. Dat is erg interessant. Laten we erop rekenen dat ze ook zo snel mogelijk tot stand komt.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le président, je voulais revenir à cette séance de questions parce qu'il y a eu hier une longue commission avec des questions à la ministre Lahbib sur Israël, le Hezbollah, la Palestine, le Liban, etc. Et, au cours de cette matinée, le facétieux collègue Hedebouw a introduit une nouvelle question sur le sujet, alors que cela avait été débattu en long et en large la veille. L'argument utilisé pour que les services acceptent cette question, alors qu'il y avait eu un débat d'actualité, était que le point qui allait être évoqué, c'était l'évacuation du Liban.

Vous avez entendu la question comme moi. Cela n'a pas été évoqué du tout par M. Hedebouw qui en a évidemment profité pour faire la diatribe habituelle qui est captable et diffusable sur les réseaux sociaux. Cette question n'était donc pas une question d'actualité puisque l'actualité datait de la veille. À un moment donné, il faut mettre des limites et il faut aussi que les parlementaires soient honnêtes par rapport à la façon d'amener des questions d'actualité.

Voorzitter:

La parole est à M. Boukili, qui était présent hier lors du débat.

Nabil Boukili:

Oui, j'étais présent hier au débat et je vais me permettre de répondre à M. Piedboeuf, parce que mon collègue Hedebouw n'est pas encore de retour.

Je pense que la question avait tout d'une question d'actualité, monsieur Piedboeuf. Parce que les réponses de la ministre, hier, étaient insuffisantes sur une question centrale, qui est toujours d'actualité. Vous avez parlé de l'évacuation de la population au Liban. Mais s'agissant des massacres qui sont perpétrés aujourd'hui au Moyen-Orient et du génocide qui est en train d'être commis aujourd'hui au Moyen-Orient, il y a une question d'actualité à laquelle la ministre n'a toujours pas répondu depuis un an: pourquoi la Belgique ne prend-elle pas de sanctions contre l'État d'Israël? Cette question est toujours d'actualité parce qu'il n'y a toujours pas de réponse!

Voorzitter:

We hebben contact gehad met de PVDA-fractie. De kwestie die collega Piedboeuf aansnijdt, betreft een terechte vraag. We hebben de collega's van de PVDA gevraagd wat het nieuwe element is. Laten we eerlijk zijn, de toestand in het Midden-Oosten is spijtig genoeg van die aard dat men bijna elk uur een nieuw element kan aangrijpen. Dat maakt dat daar misbruik van kan worden gemaakt. Daar kan ook gebruik van worden gemaakt. Ik zal me daarover in dit concrete geval niet uitspreken. Ik wil er wel op wijzen dat de ingediende vraag en het thema dat daarin wordt aangesneden, de vraag hoort te zijn. We zullen de komende weken, zolang we een regering in lopende zaken hebben – hopelijk niet te lang –, natuurlijk een heel moeilijke vragensessie hebben. Laten we eerlijk zijn, het is vooral wanneer de regering wel iets doet dat dit vragen oproept in deze omstandigheden, eerder dan wanneer de regering niets doet. Eigenlijk kan de regering in lopende zaken alleen in acute omstandigheden optreden. Dat is een zeer moeilijk evenwicht. Ik spreek dan ook de hoop uit dat er binnenkort een regering met volheid van bevoegdheden bevraagd kan worden over toekomstige initiatieven of het gevoerde beleid.

De situatie van de federale gerechtelijke politie te Luik

Gesteld door

Les Engagés Vanessa Matz

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Bij de federale gerechtelijke politie van Luik heersen ernstige problemen: psychisch en seksueel grensoverschrijdend gedrag, willekeurige personeelsverplaatsingen, slechte werkomstandigheden (gebouwen, onderbezetting) en suïcidale gedachten bij medewerkers, zo meldden syndicaten via de pers. Minister Verlinden bevestigt dat pas na mediabelangstelling actie werd ondernomen: onderzoeken (AIG, arbeidsinspectie, disciplinaire stappen), ondersteuning voor suïcidale medewerkers en een diepgaande analyse in 2024, maar erkent twee jaar vertraging sinds de eerste syndicale signalen (2022). Matz kritiseert de trage reactie en benadrukt dat concrete oplossingen en schaalbepaling van het probleem nu prioriteit moeten zijn.

Vanessa Matz:

Madame la ministre, la presse du week-end s'est fait l'écho d'une situation particulièrement interpellante à la police judiciaire fédérale de Liège. En effet, des faits de harcèlement, tant moral que sexuel, y sont relatés; un manque de transparence dans les nominations; des déplacements de personnel sans raison valable et un grand nombre de tensions entre direction et membres du personnel. Certains membres du personnel confient des pensées suicidaires tant l'ambiance est – pardonnez l'expression – pourrie. Ce sont les syndicats qui, au travers de la presse, se font les relais de ces informations inquiétantes.

Il semble y avoir eu une demande d'enquête en septembre 2022 pour que soit fait un état des lieux de cette police judiciaire à Li è ge, demande qui avait été refusée. Nous savons par ailleurs que la police judiciaire fédérale de Liège travaille dans des conditions compliquées, comme la police judiciaire de manière générale au vu du nombre de missions qui lui est confiée, la tension inhérente au travail et le manque de personnel. À Liège, s'ajoute le tr è s mauvais état des locaux.

Avez-vous – vous ou le commissaire général – été mise au courant des tensions qui existent au sein de cette police judiciaire? Si oui, depuis quand? Quelles mesures avez-vous – ou le commissaire général – prises pour tenter d'apaiser la situation à Li è ge qui semble particuli è rement tendue et difficile pour un personnel déj à par ailleurs mis sous pression?

Annelies Verlinden:

Madame Matz, après avoir pris connaissance de la médiatisation de la situation à la police judiciaire fédérale (PJF) de Liège, j'ai immédiatement interrogé le commissaire général à ce sujet.

Le commissaire général et le directeur général de la police judiciaire ont reçu deux courriers de la CGSP concernant les faits en question. Plusieurs mesures ont entre-temps été prises, à savoir: la demande formulée à l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale (AIG) d'ouvrir une enquête judiciaire; la demande adressée aux mandataires permanents de diriger les personnes ayant évoqué le suicide vers le conseiller en prévention et le médecin du travail; l'objectivation des éléments mentionnés dans la lettre de la CGSP par la Direction interne de prévention et de protection au travail de la police fédérale; la demande formulée au Service externe pour la prévention et la protection au travail IDEWE afin de recevoir l'ensemble des résultats de l'enquête globale en 2024 sur la PJF de Liège et l'analyse des résultats; la réalisation d'une enquête spécifique afin d'identifier et d'objectiver les causes ayant conduit à ce climat; l'ouverture d'une enquête disciplinaire. Par la suite, le commissaire général s'adressera à l'ensemble des collaborateurs de la PJF de Liège.

Il est essentiel d'obtenir le plus rapidement possible un aperçu complet de la situation.

Je tiens à exprimer ma reconnaissance aux milliers de collaborateurs de la police fédérale et de la police judiciaire pour leurs efforts au quotidien. Ils méritent un lieu de travail agréable et des conditions de travail correctes. Je continuerai à m'engager à 100 % en faveur d'un environnement de travail agréable au sein des forces de police.

Vanessa Matz:

Madame la ministre, je vous remercie pour cet état de la situation et cette demande d'objectivation de la situation. Il ne s'agit évidemment pas de remettre en cause ce qui est mentionné par les syndicats. Il s'agit de déterminer combien de personnes parmi les 350 membres du personnel de la PJF de Liège sont concernés. Il s'agit également d'identifier les problèmes et, surtout, de les résoudre. N'aurions-nous pas pu gagner deux ans? Il semble que les syndicats avaient déjà interpellé dès septembre 2022 au sujet de cette situation qui semble s'être fortement dégradée depuis. Si les mesures actuelles sont de nature à rassurer le personnel, les syndicats et la police judiciaire fédérale dans son ensemble, je regrette toutefois la perte de temps dans ce dossier.

De federale dotatie voor de politiezones

Gesteld door

Unknown Eric Thiébaut

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 2 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Éric Thiébaut kaart aan dat de federale dotatie voor politiezones in 2025 lager uitvalt dan in 2024 en de inflatievoorspellingen van het Bureau van het Plan, wat gemeenten dreigt te belasten met extra kosten of capaciteitsverlies. Minister Verlinden verklaart dat de voorlopige daling technisch is (gebaseerd op bijgestelde indexcijfers) en dat de definitieve bedragen via koninklijke besluiten worden gecorrigeerd (2024: 867 miljoen in plaats van 899 miljoen; 2025: 880 miljoen voorzien), maar benadrukt dat de procedure juist op vraag van steden en gemeenten werkt. Thiébaut blijft bezorgd omdat loonindexeringen definitief zijn, terwijl federale dotaties achteraf worden verlaagd, wat gemeenten onder druk zet om budgettaire gaten te dichten voordat de federale correctie komt. De kern: structurele onzekerheid door late aanpassingen dreigt de financiële stabiliteit van politiezones te ondermijnen.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, à plusieurs reprises, je vous ai interrogée concernant la dotation fédérale aux zones de police. Nous le savons, nos communes ont des budgets soumis à de nombreuses pressions et à de nombreux impératifs.

Force est de constater que les zones de police ont reçu une circulaire budgétaire pour l'établissement de leur budget 2025 et que la dotation semble inférieure par rapport à celle de 2024 et par rapport aux prévisions d'augmentation de l'indice santé du Bureau du Plan.

Cela me fait évidemment une nouvelle fois craindre que les communes soient amenées à pallier ce déficit dans le financement fédéral des zones de police.

Madame la ministre, pourriez-vous faire le point sur la dotation fédérale aux zones de police pour les années 2024 et 2025 et les circulaires budgétaires envoyées à ces dernières? Celles-ci tiennent-elles compte des prévisions du Bureau du Plan? Comment expliquez-vous qu'il semble que la dotation pour 2025 soit inférieure à celle de 2024? Comptez-vous prendre une initiative pour éviter cette différence et ses conséquences négatives pour les finances communales? Le risque n'est-il pas qu'à cause de cette dotation 2025, les communes doivent prendre en charge ce différentiel ou renoncer à des engagements au sein des zones, avec la limitation de capacité opérationnelle que cela implique? Une concertation en la matière avec les Unions des villes et communes de notre pays elle-t-elle prévue?

Annelies Verlinden:

Cher collègue, le calcul de la dotation fédérale de base est effectué, comme vous le savez, en fonction des prévisions les plus actuelles possibles, en tenant compte des délais à respecter. L'indexation de la dotation fédérale de base est un exercice purement technique. La raison pour laquelle le montant apparaît plus bas est que quelques prévisions réalisées lors de l'élaboration du budget 2024 étaient bien plus élevées que celles d'aujourd'hui. Étant donné que le montant de la dotation fédérale de base est toujours corrigé à la fin de l'année selon l'indice santé effectif, les zones reçoivent toujours un montant correctement indexé. Il arrive parfois que ce montant soit plus bas que les prévisions réalisées l'année précédente. Cela n'est pas la première fois et cela ne sera certainement pas la dernière.

De plus, les montants repris dans la circulaire sont toujours communiqués sous réserve et sont confirmés par les arrêtés royaux relatifs au montant des dotations fédérales et, comme précédemment mentionné, corrigés par arrêtés ministériels lorsque l'indice santé est connu. Lors de l'élaboration du budget 2024, le budget total prévu pour la dotation fédérale de base était de 899 millions d'euros. Par les arrêtés royaux relatifs au montant des dotations fédérales à la police locale pour l'année 2024, qui paraîtront plus tard cet automne, ce montant est corrigé à 867 millions d'euros. Lors de l'élaboration du budget 2025, le montant prévu est de 880 millions d'euros.

Je comprends les inquiétudes et les questions soulevées en cas de correction négative mais je voudrais souligner que la procédure a été instaurée précisément à la demande des villes et communes afin que le montant se rapproche le plus possible de la réalité. Chaque année, les arrêtés royaux relatifs aux dotations fédérales à la police locale sont transmis pour avis au Conseil des bourgmestres.

Éric Thiébaut:

Merci pour cette réponse détaillée, madame la ministre. Je suis quand même inquiet parce qu'en réalité vous dites que les dotations sont adaptées en fonction de l'évolution de l'indice santé, mais il se fait que quand le salaire a été indexé, il ne diminue plus après. On ne revient pas sur une indexation. Ce qui fait que, finalement, l'augmentation de la charge salariale est acquise. C'est pour cela que nous ne comprenons pas pourquoi le montant est diminué l'année d'après. C'est cela qui inquiète les zones de police à mon sens. On a toujours ce problème, que l'on ne connaissait pas avant quand il n'y avait pas d'inflation, d'avoir l'ajustement pratiquement au mois de décembre de l'année budgétaire, alors que les communes ont dû, sous la pression de la tutelle du gouverneur, avancer l'argent de leur budget pour compenser le manque de financement du fédéral.

Het opvolgrapport van het Rekenhof over de basisopleiding van politie-inspecteurs
Het opvolgingsrapport van het Rekenhof over de basisopleiding voor politie-inspecteurs
Evaluatie van de basisopleiding voor politie-inspecteurs door het Rekenhof

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 2 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Cour des comptes signale dat slechts 3 van 18 aanbevelingen uit het 2022-audit voor de politieopleiding volledig zijn uitgevoerd, met name knelpunten bij het stagebeleid (gebrek aan centrale ondersteuning en formele evaluatie) en financiering (niet-gesloten beheerscontracten, ongelijke verdeling middelen). Minister Verlinden bevestigt dat er stappen zijn gezet (o.a. een centraal handboek op Wikipol en een nieuwe GALoP-applicatie voor stagebeheer), maar benadrukt dat structurele hervormingen (zoals een externe audit in 2025) nodig zijn voor een duurzame financieringsherziening—geblokkeerd door onvoldoende onderbouwde kostencijfers en budgettaire beperkingen. De kernproblemen blijven: gebrek aan objectieve kostprijs per aspirant, uitgestelde evaluatie van het proefstage-systeem (nu permanent zonder evaluatie), en afhankelijkheid van budgettaire goedkeuring voor verdere hervormingen. Delcourt erkent vooruitgang maar dringt aan op versnelde oplossingen, met name voor het refinancieringsdossier als sleutel tot betere opleidingsomstandigheden.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, en septembre dernier, dans un rapport de suivi sur la formation de base des inspecteurs de police, la Cour des comptes relève que sur dix-huit recommandations formulées dans l'audit de 2022, trois d'entre elles ont été pleinement mises en œuvre, huit sont en cours et sept n'ont pas encore été suivies.

J'aimerais recevoir quelques éclaircissements sur plusieurs points. Tout d'abord, en ce qui concerne le stage probatoire, la Cour et l'Inspection générale de la police plaident pour la mise en place d'un support centralisé pour les maîtres de stage. La police estime que la révision du manuel d'apprentissage en alternance répond à cette recommandation, mais la Cour n'est pas de cet avis. Quelle est votre position sur le sujet? Des mesures complémentaires ont-elles été mises en place?

Ensuite, il apparaît également qu'une évaluation formelle du stage probatoire n'a pas encore été réalisée bien que prévue par l'arrêté royal du 24 avril 2014. Quelle en est la raison et quelles sont les difficultés éventuelles rencontrées dans ce cadre?

Pour ce qui concerne les contrats de gestion entre les écoles de police et le SPF Intérieur, ils n'ont pas encore été conclus malgré une priorité affichée par la police fédérale. La conclusion de ces contrats dépend étroitement du refinancement des écoles, ce qui n'a pas encore été acté.

Par ailleurs, afin de mieux répondre aux besoins actuels des services de police et des écoles de police, une révision de la clé de répartition des formateurs fédéraux ainsi que des aspirants par école est nécessaire. Cette réforme n'a pas été réalisée à ce jour, ce qui conduit à des inégalités dans le financement des établissements. Avez-vous dès lors une vision claire des coûts de la formation par aspirant afin de mener à bien ce refinancement des écoles de police?

Annelies Verlinden:

Madame Delcourt, la police fédérale prend les mesures nécessaires pour poursuivre la mise en œuvre des recommandations de l'audit de 2022 de la Cour des comptes. Elle travaille par exemple actuellement sur une note-cadre pour l'assurance qualité interne et s'engage à développer davantage le suivi national des paramètres de formation.

Concernant le stage probatoire, il m'importe d'abord de vous préciser que celui-ci intervient immédiatement après la réussite par l'aspirant de sa formation de base. Il ne doit pas être confondu avec l'apprentissage en alternance intervenant durant cette formation. Il existe bel et bien un manuel centralisé relatif au stage probatoire des membres du personnel de base des services de police, et qui s'adresse à toutes les personnes qui interviennent durant ce stage. Ce manuel est disponible sur la plateforme Wikipol. Enfin, de récents développements de l'application GALoP permettent désormais aux unités de la police intégrée accueillant des stagiaires d'avoir une gestion homogène du stage probatoire.

L'arrêté royal du 24 avril 2014 a introduit le stage probatoire à l'issue de la réussite de la formation de base. Il s'agissait initialement d'une mesure transitoire devant faire l'objet d'une évaluation. Sur proposition du Comité de coordination de la police intégrée, nous avons décidé de prolonger sans limite de temps le stage probatoire, hors de la formation de base, dans l'attente d'une réflexion aboutie quant à une révision de l'enseignement policier. Je vous renvoie à mon rapport au Roi du 24 novembre 2020 motivant ceci.

Concernant le financement, la décision ministérielle n'a pas encore été modifiée, car le dossier a été rejeté par la secrétaire d'État au Budget. Cela est dû au fait que le montant demandé par aspirant n'était pas suffisamment étayé objectivement et que les classes de formation de base sont financées par classe et non par aspirant.

Il est nécessaire de procéder à un audit complet du financement de la formation policière au sens large. La police fédérale a donc demandé un budget complémentaire pour 2025 afin de faire réaliser un audit externe. Les résultats de cet audit constitueront la base d'une organisation plus efficace de la formation policière et d'une révision de l'arrêté royal et de l'arrêté ministériel pour le financement des écoles de police, comme le demande la recommandation 18. La recommandation 1 relative à la répartition du nombre d'aspirants par école, reprise dans l'arrêté royal du 7 mai 2007, et la recommandation 16 relative à la clé de répartition des formateurs fédéraux, reprise dans l'arrêté royal du 28 février 2002, sont effectivement indissociables.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses détaillées. De nombreuses mesures ont été mises en place et je m'en réjouis. Il reste malgré tout du travail à faire pour améliorer et optimiser autant que possible la formation de base de nos inspecteurs de police. En ce qui concerne le stage probatoire, je note avec intérêt les mesures que vous avez mentionnées. J'espère que nous pourrons remédier au plus vite à la question du refinancement, qui est la pierre angulaire pour bénéficier de meilleures conditions de formation.

De vrees voor mogelijke politieke druk op corruptiespeurders

Gesteld door

Groen Matti Vandemaele

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 26 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Ecolo-Groen-fractie kaart aan dat de Centrale Dienst voor Corruptiebestrijding instructies kreeg om processen-verbaal niet rechtstreeks aan het parket, maar aan een hiërarchische chef te bezorgen, wat politieke invloed op gevoelige dossiers (zoals *Qatargate*) dreigt – een bedreiging voor onafhankelijk politiewerk. Minister Van Tigchelt ontkent kennis van de instructie, benadrukt dat het parket bevoegd is voor dergelijke richtlijnen (niet de minister) en wijst erop dat samenwerking tussen politie en parket gebruikelijk is, maar belooft geen verdere actie zonder concrete bewijzen. Vandemaele houdt vol dat meerdere bronnen het verhaal bevestigen en eist vervolgonderzoek, gezien twee derde van de Belgen corruptie als een ernstig probleem ziet – onafhankelijkheid van corruptiebestrijders moet absoluut gewaarborgd blijven. De kernkwestie – politieke sturing vs. autonomie bij corruptieonderzoeken – blijft onopgelost.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, voor de Ecolo-Groenfractie is het duidelijk: speurders die werken rond corruptie moeten dat in alle onafhankelijkheid kunnen doen.

Wat is nu het vreemde voorval? Een aantal weken geleden kreeg de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie de instructie om processen-verbaal niet langer rechtstreeks aan het parket te bezorgen, maar wel aan een rechtstreekse chef. Nochtans is elke officier bij de gerechtelijke politie verplicht om meldingen van strafbare feiten door te sturen aan het parket. De betrokken medewerkers spreken zelfs van "een poging om meer politieke controle te krijgen over erg gevoelige dossiers". Dat moeten we toch even goed tot ons laten doordringen, want dat zijn voor mij heel zware woorden.

Mijnheer de minister, het baart mijn fractie en mijzelf zorgen dat net een afdeling die werkt op politiek gevoelige dossiers de instructie krijgt om over te gaan tot een getrapte melding aan het parket. Het is onbegrijpelijk dat die dienst, die bijvoorbeeld werkt rond Qatargate, op die manier te werk moet gaan. Het is voor de Ecolo-Groenfractie een no-brainer dat we er alles aan moeten doen opdat onze politiediensten die werken rond corruptiebestrijding hun werk in alle onafhankelijkheid kunnen doen.

Ik heb drie vragen. Ten eerste, bent u op de hoogte van die instructie? Ten tweede, bent u het met mij eens dat die instructie kwaliteitsvol politiewerk, dat ook vertrekt vanuit onafhankelijkheid, onmogelijk maakt? Ten derde, wat zult u doen om dat probleem te verhelpen? Ik kijk uit naar uw antwoord.

Voorzitter:

We kijken trouwens allemaal uit naar het antwoord. We zitten op onze stoel genageld.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer Vandemaele, uw vraag is pertinent. Ik heb dat artikel in de krant ook gelezen. Ik wil u vragen om u ervoor te hoeden verregaande conclusies te trekken op basis van een krantenartikel waarin anonieme bronnen worden geciteerd. Het gaat hier blijkbaar om een dienstinstructie aan de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie, uitgaande van de hiërarchische overste DJSOC. SOC staat daarbij voor Serious and Organised Crime. Ik heb die nota niet gezien. Meer zelfs, ik was er niet van op de hoogte. Wij hebben er ook niet om gevraagd.

Het geven van instructies met betrekking tot het strafrechtelijk optreden van politiediensten, wanneer bijvoorbeeld een proces-verbaal moet worden opgesteld, is een prerogatief van het openbaar ministerie. Dat gaat over het vervolgingsbeleid. We kunnen de artikelen in de wet op het politieambt daarop nalezen. De minister van Justitie komt daarin niet tussen. Toevallig ken ik daarvan iets, als voormalig magistraat. Als voormalig magistraat weet ik ook dat het beleid inzake het opstellen van processen-verbaal door gespecialiseerde politiediensten meestal besproken en overlegd wordt met het parket. Daar is op zich niets bijzonders aan. De meeste parketten hebben zulke instructies.

De Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie is een belangrijke dienst. Die dienst staat onder rechtstreeks toezicht van het federaal parket, dat staat in het Wetboek van strafvordering. Het federaal parket maakt daarover een verslag. Dat verslag wordt aan de wetgevende kamers bezorgd. Ik heb dat nog doorgestuurd op 8 december 2022.

Ten slotte, quod erat demonstrandum, wie heeft het dossier waarnaar u verwijst, zijnde het vermeende corruptieschandaal in het Europees Parlement, aan het licht gebracht? Dat waren onze diensten.

Matti Vandemaele:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Sinds ik mijn vraag ingediend heb, hebben er al verschillende mensen mij gecontacteerd met extra informatie. Die mensen bevestigen dat verhaal. Ik vind dus dat meer onderzoek in deze zaak noodzakelijk is. Ik wil er ook op wijzen dat, volgens de laatste eurobarometer, twee derde van de bevolking in ons land corruptie een wezenlijk probleem vindt.

We mogen daar dus absoluut niet licht over gaan. We moeten er alles aan doen om onze politiediensten, die in heel grote mate, in hoofdzaak, absoluut goed en onafhankelijk werk leveren, de mogelijkheid te geven om dat ook in de toekomst te blijven doen. Zodra er signalen zijn dat er een probleem zou kunnen zijn, is het onze plicht om in te grijpen en te onderzoeken of de onafhankelijkheid al dan niet in het gedrang komt. Ik hoop alvast dat u dat samen met mij zult opvolgen, zodat we kunnen garanderen dat onze politiemensen op een kwaliteitsvolle en onafhankelijke manier kunnen werken.

Voorzitter:

Dank u wel, collega. Op uw beurt hebt u hier voor de eerste keer een vraag gesteld. (Applaus) (Applaudissements) Dat weekt terecht applaus los.

De uitvoering van de door de politierechtbank uitgesproken straffen

Gesteld door

VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 18 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een dronken recidivist met 14 verkeersveroordelingen veroorzaakte een dodelijk ongeval doordat eerdere straffen (rijverbod, tests) niet werden uitgevoerd, wat een structureel falen in strafuitvoering blootlegt. Minister Van Tigchelt erkent het probleem van oncontroleerbare "verkeersterroristen" met bijna 100% recidive, maar wijst korte gevangenisstraffen af (afgeschaft in nieuw Strafwetboek) en zet in op toekomstige technologische oplossingen (onduidelijk welke). Dillen kritiseert dit als onvoldoende concreet en benadrukt dat de afschaffing van korte celstraffen—tegen advies van magistratuur—een verkeerde keuze was, gezien hun potentieel schokeffect. De kern: systeemfaalt, oplossingen ontbreken.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Een 50-jarige werd enkele weken aangehouden voor onopzettelijke doding nadat hij met zijn auto achteraan inreed op de wagen van een jong gezin uit Kortemark.

De vader, de moeder en het achtjarig dochtertje van het gezin overleefden de klap niet. Na onderzoek bleek dat de schrijnwerker uit Torhout drie tot vier keer meer gedronken had dan toegelaten.

De man bleek bovendien een recidivist. In het verleden verzamelde hij minstens veertien veroordelingen voor allerhande verkeersinbreuken. Zijn vermoedelijk laatste veroordeling dateert van oktober 2021. Toen werd hij in beroep veroordeeld tot een rijverbod van drie maanden en een boete van 1.600 euro, omdat hij zonder verzekering met een niet-gekeurd voertuig rondreed.

In eerste aanleg veroordeelde de rechtbank hem nog tot zes maanden rijverbod. De rechter in beroep bracht de straf terug tot drie maanden, maar oordeelde dat L. zijn rijbewijs pas terug kon krijgen als hij zijn theoretische en praktische rijexamen opnieuw zou afleggen, en een reeks medische en psychologische tests zou ondergaan. Het vonnis in graad van beroep werd naar verluidt nooit officieel betekend waardoor het dode letter bleef.

Een gewezen politierechter die met deze zaak werd geconfronteerd stelt dat de diversiteit die aan straffen kunnen worden opgelegd, een enorme druk legt op de uitvoerbaarheid van de uitgesproken straffen. Hij stelt zelf dat de strafuitvoering een catastrofe is.

Steeds meer chauffeurs zouden een opgelegd rijverbod niet respecteren omdat dit heel moeilijk te controleren valt. De oud-politierechter pleit bovendien in sommige gevallen voor de invoering van korte gevangenisstraffen van drie tot vijf dagen die effectief worden uitgevoerd. Dit zou een schokeffect creëren dat mensen meer zou doen nadenken.

1. Wat is de mening van de minister op de beschouwingen van de oud politierechter in concreto dat de strafuitvoering een catastrofe is en de diversiteit aan op te leggen straffen de uitvoerbaarheid van de straffen in het gedrang brengt?

2. Welke maatregelen zal de minister op kort-, middellange-, en lange termijn nemen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de strafuitvoering significant verbetert?

3. Hoe staat de minister tegenover de suggestie van de oud politierechter om in sommige gevallen -als schokeffect- recidivisten direct een korte gevangenisstraf te laten ondergaan. Indien de suggestie wordt gedeeld, zal de minister hiervoor de nodige initiatieven nemen om deze straf in de regelgeving te incorporeren?

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw Dillen, deze politierechter had eerder in de pers reeds haar frustratie geuit. Ze hekelt dat er een harde kern van 'verkeersterroristen' is in dit land, die keer op keer voor een politierechter verschijnt. Het blijkt dat de recidivekans bij dit soort verkeerscriminelen quasi 100 % is. Ik heb daarover statistieken van Vias gezien. Hoe kan men beletten dat zulke mensen achter het stuur kruipen? Men kan hen namelijk een verval van het recht tot sturen opleggen of hen in de gevangenis stoppen, maar ooit komen ze vrij. Men kan hen zelfs een levenslang verval van het recht tot sturen opleggen of een alcoholslot, maar men kan niet vermijden dat ze ooit toch achter het stuur kruipen, bijvoorbeeld van het voertuig van een familielid of vriend. Dan maken ze opnieuw slachtoffers door onder invloed en/of te snel te rijden.

Dat is wat we een aantal keer hebben gezien en wat leidt tot frustratie bij de politierechters. Zij pleiten ervoor om daarvoor de korte gevangenisstraf van zes maanden in te voeren. Collega Dillen, u weet echter evengoed als ik dat we met het nieuwe Strafwetboek de gevangenisstraffen tot zes maanden hebben afgeschaft, omdat we menen dat de detentieschade voor zulke korte straffen te groot is.

Om te vermijden dat dergelijke verkeersterroristen achter het stuur kruipen, moeten we kijken naar technologie. Er zijn technologische oplossingen nodig om te vermijden dat mensen die van een rechter het verbod kregen om achter een stuur te kruipen nog slachtoffers maken.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat het niet mogelijk is om naast iedereen met een veroordeling tot een rijverbod een agent te zetten, maar de genoemde feiten waren wel bijzonder tragisch. De uitingen van frustratie van de politie, overigens van een oud-politierechter, begrijp ik wel. Ik neem aan dat u die ook begrijpt. Naar aanleiding van de bespreking van het Strafwetboek werd de gevangenisstraf van zes maanden inderdaad afgeschaft, maar u weet dat mijn fractie daarmee absoluut niet akkoord is gegaan. Het advies in dat verband, onder andere van de procureurs-generaal en de magistratuur, was trouwens negatief, want zij stellen dat een gevangenisstraf van zes maanden in sommige gevallen echt een schokeffect kan teweegbrengen. Dat is weer een illustratie van een verkeerde beslissing. U zegt dat u kijkt naar de technologie. Het is misschien heel mooi te weten dat er in de toekomst technologische oplossingen komen, maar ik krijg niet te horen over welke technologische oplossingen u precies spreekt. Daarover had ik toch graag wat meer informatie gekregen, want ik denk dat die technologische oplossingen momenteel helaas nog altijd niet bestaan.